Kritische zienswijze Gedeputeerde Staten NBrabant op Ontwerp-Luchtvaartnota

Ook Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Brabant (dat is in de provincie wat B&W is in de gemeente) hebben een zienswijze ingediend op de Ontwerp=Luchtvaartnota 2020-2050. Die pakt flink kritisch uit.

Geluidsaanbevelingen uit het advies – Van Geel

Slecht gedefinieerde beperkingen
GS vinden het mooi dat de Ontwerp-Luchtvaartnota naar een ‘nieuwe balans’ zegt te streven, en vinden dat verdere groei alleen mogelijk is als dat gepaard gaat met hinderbeperking voor de omgeving – zowel geluid als andere negatieve gezondheidseffecten. Helaas, concluderen GS, is de Ontwerp-Luchtvaartnota veel minder concreet dan het advies-Van Geel. De ‘30% geluidsreductie’ van Van Geel keert niet in de Ontwerp-Luchtvaartnota terug, maar die maakt wel gewag van groeipercentages van de luchtvaart.
GS wenst de concrete aanduiding’30%’ in de definitieve versie opgenomen te zien.

In de PlanMER zijn te weinig toetsingskaders meegegeven om te bepalen wat de effecten van de Voorkeurskeuze zijn en om belangen te kunnen afwegen.  “Met name bij de aspecten gezondheid, veiligheid, klimaat, natuur en landschap zijn de criteria die worden gehanteerd om te bepalen of wordt voldaan aan gestelde doelen en of de milieueffecten van het Voorkeursstrategie groter of kleiner zijn dan verwacht onvoldoende uitgewerkt.” GS rekenen erop dat de definitieve versie verdere uitwerking brengt.

Stagnatie- en krimpscenario
Het verbaast GS dat in de Ontwerp-Luchtvaartnota geen stagnatie- en krimpscenario’s doorgerekend zijn, terwijl de commissie-MER dat wel geadviseerd had.

Omgevingswet
GS vinden het een gemiste kans dat de luchtvaartregelgeving, voor zover die ene impact aan de grond heeft, niet in de Omgevingswet is opgenomen. Die beoogt immers een integrale afweging van alle  belangen.

Black Hawk-helicopter op Gilze-Rijen

Militaire luchthavens
GS vinden de problematiek rond militaire luchthavens vergelijkbaar met die rond civiele luchthavens. De uitgangspunten rond beide zouden vergelijkbaar moeten zijn.
Zeker bij militaire luchthavens zou het belang van het constructief betrekken van alle belanghebbenden ook beleidsmatig moeten worden verankerd.

Problemen en klachtenbehandeling

GS constateren dat de Ontwerp-Luchtvaartnota weinig aandacht schenkt aan het afhandelen van klachten.

Uit de Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens (RBML), gedateerd 01 augustus 2018, vloeien specifieke problemen voort. “In de overleggen over de uitvoering van de RBML is herhaaldelijk door zowel de provincies als de sectorpartijen aangegeven dat een gezamenlijke evaluatie noodzakelijk wordt geacht. Problemen worden ervaren op het terrein van de uitvoering voor wat betreft helihavens, de afstemming met de verschillende handhavende instanties, uitvoeringsproblemen in verband met de natuurtaken die ook bij de provincie zijn gekomen na de inwerkingtreding van de RBML, de gewijzigde rol van ILT en de consequenties daarvan voor de provincies, het feit dat er geen totaaloverzicht van alle luchtvaartactiviteiten meer is etc.
Conform de afspraken uit 2009 vragen wij u hiervoor spoedig een grondige evaluatie te starten. De problematiek rond de bevoegdheidsverdeling in het RBML en het voorstel voor een grondige evaluatie van de RBML-regelgeving zien wij graag prominenter terug in de definitieve Luchtvaartnota.”
Zie https://wetten.overheid.nl/BWBR0024928/2018-08-01/0/informatie .

vliegveld Seppe (‘Breda international Airport’)

Regionale luchthavens, niet van nationaal belang
De Ontwerp-Luchtvaartnota spreekt slechts van ‘regionale luchthavens’. Uit de context blijkt dat dit de regionale luchthavens van nationaal belang zijn (in Noord-Brabant Eindhoven Airport).
Daarnaast bestaan er in Noord-Brabant ook regionale luchthavens die niet van nationaal belang zijn, te weten Seppe en Budel. Hiervoor is de provincie bevoegd gezag. GS vragen om in de definitieve nota een correct onderscheid te maken. Daar waar het er om zou kunnen gaan dat er kleine luchtvaart van Lelystad naar elders wordt overgebracht, wijzen GS er nu al vast op dat dat alleen kan voor zover de vergunde bestaande situatie dat toelaat.
De provinciale luchthavens en de provincie zelf moeten worden betrokken bij toekomstig beleid.

Voor de volledige tekst van de zienswijze van GS zie hieronder.

SER-advies schrapt biomassa voor energiedoeleinden te snel en op te losse gronden

De ‘polder’ en wat eraan vooraf ging
In 2013 kwam in de SER een Klimaatakkoord tot stand, op basis waarvan in 2020 Nederland 14% van zijn energie duurzaam moest opwekken, en in 2023 16%. Daarvan mocht 25PJ uit (bij)stook van biomassa in kolencentrales komen. Verder moesten de duurzaamheidscriteria voor biomassa bovenwettelijk worden aangescherpt (wat gebeurd is).
Zie www.ser.nl/nl/thema/energie-en-duurzaamheid/energieakkoord/database .

Inmiddels is de Nederlandse biomassawetgeving waarschijnlijk de strengste ter wereld.

Zoals hier vaker betoogd (en zoals ook de SER stelt) is biomassa een ruim begrip, van mest tot biodiesel tot rioolslib tot snoeiafval tot dunningshout. In 2018 was biomassa goed voor 61% van alle duurzame energie.
Een deel van de biomassa is houtig en een deel van de houtige biomassa komt uit het bos. In 2018 werd er in Nederland voor ruwweg 22PJ aan hout verbrand in alle min of meer grootschalige inrichtingen samen, en daarvan kwam het grootste deel niet uit het bos. De houtige biomassa kwam voor driekwart uit Nederland en voor een kwart uit andere landen in Europa.
Cijfers zijn altijd goed om de proporties te zien.
Zie www.bjmgerard.nl/?p=9853 .

De SER is de polder en de polder poldert tot er een compromis is, en de 25PJ was bij Greenpeace en andere milieuorganisaties niet van harte.
Ondertussen ging de discussie door, en liep zelfs hoog op, soms over feiten maar meestal over meningen die  vaak weinig met feiten te maken hebben. Ik heb hierover in deze kolommen veel bericht.

Categorieën toepassingen van biomassa

De discussie werd van overheidswege gekanaliseerd via een advies van Haskoning DHV, een dubbeladvies (in coproductie) van het PBL en CE Delft (zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 ) naar een nieuw SER-advies “Biomassa in balans”.

Dat is uitgebracht door de vaste bezetting van vakbondsleden, werkgeversafgevaardigden, Kroonleden en vertegenwoordigers van het ministerie, aangevuld met mensen namens Natuur en Milieu en Milieudefensie, en adviseurs uit kringen van het PBL, CPB, Nederlandse Bank MVO-NI en iemand vanuit een circulaire economie-onderneming.
In de twee dragende commissies zaten geen mensen, die herkenbaar uit de energiewereld of de bosbouw komen.

Een samenvatting van Biomassa in Balans
Het SER-advies gaat (dat is een keuze vooraf) niet over voedsel.

De SER wil dat biogrondstoffen bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot, aan de circulaire economie en als bodemverbeteraar.
Het doel “bodemverbetaar” wordt als voorwaarde ingebouwd voor duurzame productie en keert niet als zelfstandig beargumenteerd doel terug. Daardoor wordt niet duidelijk wat men zich hier bij moet voorstellen.
De SER meent dat er voor veel energieopwekking al technische mogelijkheden bestaan (uit zon en wind). De technische noodzaak om energie uit biomassa in te zetten beperkt zich steeds verder tot onderwerpen als zwaar wegtransport, luchtvaart en (zee)scheepvaart. Dat zou een overgangsfase zijn, omdat er, naar de mening van de SER, vanaf 2030 andere oplossingen in beeld komen zoals verdere energiebesparing en Power to Liquid-brandstoffen.
Daarom moeten zaken als lagetemperatuurwarmte, licht wegtransport (personenauto’s) en elektriciteit op niet al te lange termijn niet meer door biomassa mogelijk gemaakt moeten worden – dus geen hout meer in de stadsverwarming, geen bioethanol meer in de tank en centrale elektriciteitsopwekking nog slechts voor piekbelastingen.

Samenvatting van de voorstellen

De niet meer voor energie benodigde biomassa zou basis moeten worden voor een materialen en groene chemie. Als voorbeeld verschijnen zaken als biocomposieten en biobeton uit olifantsgras, maar verder blijft het bij de algemene categorie-aanduiding ‘biobased economy’. Op de langere termijn wordt dit de norm en de energieproductie de uitzondering, al kan er na deze vormen van cascadering restmateriaal achterblijven waar men niets anders meer mee kan dan energie produceren.
Uit een suikerbiet bijvoorbeeld komt als vanouds suiker, maar ook groen gas en veevoer. De SER meent dat deze stromen niet meer als hoofd- en bijstroom aangeduid kunnen worden, maar dat ze als onderling gelijkwaardig gezien moeten worden – waarbij de duurzaamheidseisen voor alle stromen gelden, liefst geharmoniseerd (dus dezelfde duurzaamheidseisen voor hout, papier en warmte). Idealiter bestaat voor de SER het woord ‘reststroom niet’.

Toepassingen van de suikerbiet. Hiermee wil niet gezegd zijn dat al deze toepassingen gelijktijdig mogelijk zijn.

Het verbranden van biomassa is bij de SER niet hoogwaardig en andere doelen, min of meer per definitie, wel. Het woord ‘hoogwaardig’ krijgt geen expliciete definitie. Het is een soort containerbegrip.

De  SER meent dat de Europese RED II – richtlijn, aangevuld met de ILUC-richtlijn en met de bovenwettelijke bepalingen in de SDE+-subsidievoorwaarden, op zich een goede aanpak zijn om de duurzaamheid van biomassa te waarborgen. Het probleem is alleen, dat RED II alleen bedoeld is voor elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer. RED II zou ook moeten gaan gelden voor bijvoorbeeld bouwmaterialen en chemische grondstoffen.
De SER is tevreden over de bij RED II horende certificerings- en verificatiestructuur.
RED II biedt de mogelijkheid om van toepassing verklaard te worden op installaties onder de 20MWth ingangsvermogen (vaste biobrandstof) en 2MWth (gasvormige biomassa). De SER pleit ervoor om dat te doen.
En passant stelt de SER voor om de drempel voor de Omgevingsvergunningsplicht in verband met de luchtkwaliteit te verlagen. Grotere installaties met een uitgebreide rookgasreiniging kunnen negatieve effecten op de luchtkwaliteit nagenoeg geheel voorkomen.

De SER redeneert vanuit een kapitalistische markteconomie. Bedrijfsleven en overheid zijn samen verantwoordelijk, maar de markt is hoofdzaak en de overheid ondersteunend.

De vraag of er genoeg biomassa is voor de Nederlandse behoefte is moeilijk te beantwoorden. Zowel de geschatte vraag als het geschatte aanbod zijn een zeer brede range aan schattingen. In de EU (en a fortiori mondiaal) is er ruim genoeg om de Nederlandse behoefte af te dekken, maar dan rijst de vraag hoeveel % Nederland daarvan naar zich toe mag trekken. Als naar rato, dan naar rato van wat? Die vraag is niet objectief beantwoordbaar en de SER houdt hier de boot af. Zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 .

Wat ik er van vind
Ik heb er een gemengd oordeel over en uiteindelijk is dat meer negatief dan positief.

Ik deel de mening van de SER dat het nodig is om het gebruik van biomassa voor energie enerzijds en voor chemie en materialen anderzijds in elkaar te schuiven. Op zich is dat iets wat moet. En in beginsel steun ik het cascaderingsbeginsel en heeft groene chemie mooie beginselen (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Groene_chemie ).
Verder ben ik het met de praktische eisen eens dat de Omgevingsvergunningen moeten worden aangescherpt en dat een goede rookgasreiniging bijna alle luchtvervuiling tegenhoudt. Open haarden en pelletkachels zijn niet schoon te krijgen en moeten worden uitgefaseerd.
Ik deel de waardering van de SER voor de systematiek van de Europese RED II -richtlijn en het bijbehorende certificerings- en verificatiesysteem. Een uitbreiding naar andere sectoren dan alleen elektriciteit, warmte en koeling en transport is voor mij bespreekbaar, maar ik wil hen dan wel eerst gezien hebben.
Ook vind ik het juist dat op korte termijn de bijmengplicht van biodiesel en -ethanol in personenauto’s moet worden afgeschaft.

Maar ik vind het SER-advies onverantwoord optimistisch.

De beslisboom van de SER

Het neemt te makkelijk aan dat het bedrijfsleven de uitdagingen aanpakt. De verhalen klinken mooi, maar in praktijk zitten bedrijven vaak op hun kont tot het probleem met overheidsgeld voor ze opgelost is of tot ze keihard moeten.
De geschiedenis van de biokerosine in Europa is een voorbeeld. In 2011 plande de EC het Biofuel FlightPath Initiative . Dat moest in 2020 2Mton/y aan biokerosine produceren (goed voor 93PJ, ca 4% van de Europese kerosinemarkt). Maar het zou de tickets voor een typische 1000-km vlucht een paar Euro duurder gemaakt hebben en dat was voor de luchtvaartmaatschappijen een onbegaanbaar pad. En als er dan toch wat moest, was het ETS of Corsia goedkoper dan biokerosine. Zodoende worden er in Europa pas sinds heel kort (bij Neste Oil)  een paar druppels bio jet fuel vervaardigd.
Neste Oil was veel groter in de biodiesel, o.a. vanwege de eenvoudige reden dat vanwege de bijmengverplichting de afzet gegarandeerd was, en omdat biodiesel goedkoper om te maken is en aan minder strenge eisen hoeft te voldoen.
Biobrandstof komt tot nu toe tot stand op basis van overheidsverplichting en niet op basis van de vrije markt. .

Jet fuel prijs – fossiel en bio

In zijn algemeenheid kom je in artikelen over groene chemie vooral woorden tegen als ‘kans’, ‘pilot’, ‘research’ en dergelijke. Er is weinig concrete grootschalige bestaande productie.
Trouwens, dezelfde discussie als over concurrentie tussen brandstof en voedsel kan ook gaan spelen over de concurrentie tussen groene chemie en voedsel. Wie bepaalt welk deel van de suikerbiet suiker wordt of plastic wordt of biogas wordt?

Ik vind de SER aan de overmoed lijdt dat als iets technisch kan of denkbaar is, dat daarmee eigenlijk al vast staat dat het ook inderdaad zal gebeuren.

Biokerosine kent al vele jaren technisch rijpe of bijna rijpe grondstof-productcombinaties, maar de mondiale productie mag nauwelijks naam hebben. De fabriek in Delfzijl van SkyNRG bijvoorbeeld (die afgewerkte olie en vet verwerkt) moet nog gebouwd gaan worden, en nu al begint de SER met aanduidingen als “overgangsmaatregel” en “in 2030 een nieuwe techniek”. Je mag blij zijn als die fabriek in Delfzijl dan überhaupt goed is begonnen te draaien.
Ik moet ook nog zien dat er in 2030 inderdaad een commercieel opgeschaalde, werkende Power to Liquid-brandstoftechniek is. Niet zozeer omdat de techniek onmogelijk is (dat kan wel, vooralsnog op schaal van liters), maar omdat het gigantische hoeveelheden stroom vreet en er een gigantische ingreep in de infrastructuur nodig is. Het verhaal over het datacenter in de Flevopolder is er kinderspel bij.
Persoonlijk denk ik, dat de biokerosine gewoon in het pakket blijft en dat daarnaast er ook Power to Liquid-kerosine komt, en dat beide samen nog niet genoeg zijn bij het huidige groeitempo van de luchtvaart.

Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel

Een ander voorbeeld waar de SER veel te makkelijk over denkt is over groen gas. Dat idee wordt eventjes van stal  gehaald (de beeldspraak is bijna letterlijk van toepassing). Tot eigen noodlot laat de SER hier het woord “veeteelt” ongenoemd.
De Groen Gas-website ( https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ ) noemt een ambitie van 70PJ in 2030. Bij nadere lezing blijkt dat daarvan minstens tweederde uit mest te moeten komen.
Nu garandeer ik iedereen die dit in Oost-Brabant of de Achterhoek komt voorstellen een heftig onthaal. De landbouw is daar zo uit de klauwen gelopen dat bij elk idee in die richting bij wijze van spreken de hooivorken ter hand genomen worden. En ik zeg dat dan nog met enige sympathie richting mestvergisting of -vergassing, want ik ben zelf voorstander. Maar vergeet het maar als je niet minstens gelijktijdig een kwart minder dieren in de aanbieding hebt.
Misschien kunnen de geachte afgevaardigden van Natuur en Milieu eens in die contreien op missiebezoek gaan?

Houtsnippers. Anders dan vaak gedacht, bedient de versnipperaar vooral de papierfabriek en plaatmateriaalfabriek. Dat brengt meer op en brandhout betaalt per kuub tamelijk slecht. Er wordt al eeuwen resp. decennia duurzaam  materiaal gemaakt.
Nou kun je van houtsnippers ook (hemi)cellulose (en daaruit weer suikers en daaruit weer andere stoffen) maken, en lignine (waar je bijvoorbeeld fenol uit kunt maken en dan weer fenolformaldehyde-lijm). Het gebeurt alleen maar mondjesmaat omdat dezelfde lijm uit aardolie goedkoper is. Kans dat het de houtsnippers meer waard zou maken en dat het lonender wordt om hout te versnipperen….

Ik ben niet tegen (zelfs voor) groene chemie, maar de absoluutheid waarmee de verhoudingen in toen jaar omgedraaid worden is ongemotiveerd.

Andersom uitgedrukt wordt ook veel te gemakkelijk gezegd dat er voor de elektriciteitsproductie duurzame alternatieven zijn en dat er binnenkort geen elektriciteitsproductie uit biomassa meer nodig is. Dat probleem is overigens niet alleen maar geld, maar nog meer ruimtelijke ordening.

De locatie van de Amercentrale

Ga eens rekenen aan Noord-Brabant en aan de Amer9-centrale.
NBrabant verbruikt nu ongeveer 290PJ en als het in lijn bezuinigt met landelijk, is dat in 2050 260PJ (en zeg, in 2030 270PJ). Die moet in 2030 tot stand komen met 50% minder CO2, dus moet NBrabant in 2030  all-in 135PJ duurzaam hebben staan (eigenlijk meer, want die 50% is ten opzichte van 1990). In 2019 was dat all-in (schatting) 24PJ.
De gezamenlijke Regionale Energie Strategieën (RES) van Brabant zijn samen ongeveer goed voor 24PJ hernieuwbare grootschalige elektriciteit, als iedereen voor elkaar krijgt wat men belooft. Die 24PJ dubbelt met de bestaande wind en grootschalige zon die er in 2019 stond, samen orde van grootte 4PJ). Moet er dus nog, in het kader van de RES, orde van grootte 20PJ = 24-4 bij tussen nu en 2030. De uitvoering van de RES is een bestuurlijke mega-operatie.
Voor de warmtepoot van de RES moet er extra warmte ontwikkeld worden, voor een deel afkomstig uit elektriciteit en voor een deel niet. Doe voor 30.000 huizen tot 2030 eens 1PJ.
Naast  die mega-operatie RES zal er spontaan buiten de RES ook nog wel het een en ander bijkomen. Doe eens met de natte vinger (met lijntjes doortrekken) dat er autonoom nog 10PJ bijkomt (het gaat maar om ordes van grootte).
Voor de Amer9 bestaan tot nu toe twee mogelijkheden: of  bestaat vanaf 2025 op basis van 100% biomassa, of hij bestaat niet meer. De centrale, zoals die nu is, is goed voor ca 17PJ stroom en 4PJ warmte. Nu zal hiervan ongeveer de helft, ca 10PJ, al opgenomen zijn in de bestaande duurzame 24PJ, en de andere helft, de ongeveer 11PJ die nog duurzaam moet worden, nog niet.
Als de Amer9 blijft draaien, voegt hij vanaf 2025 ongeveer 11PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 66PJ (24+20+1+10+11).
Als de Amer9 dicht gaat, voegt hij vanaf 2025 ongeveer -10PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 45PJ (24+20+1+10-10).
Kortom, de Amercentrale scheelt een slok op een borrel. Sluiting van de Amercentrale betekent ongeveer een extra RES. Om op hetzelfde punt uit te komen, moet de provincie Brabant nu, naast de bestaande RES, nog een tweede RES gaan uitvoeren.
De gedachte van de SER dat er binnenkort genoeg alternatieven zijn en dat de elektriciteitsproductie uit biomassa overbodig is, is een onbewezen bewering die in Brabant nergens op slaat.

Het is opnieuw zo’n vorm van techniekovermoed dat als iets technisch denkbaar is, het daarmee vast staat dat het dan ook zal gebeuren.
De SER hanteert een ‘brede welzijnsbenadering’ op basis van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. Maar de landschapsbeleving van omwonenden en het geluid en de slagschaduw van windturbines zitten daar niet in. En dat is een politiek mogelijk ongewenst, maat politiek belangrijk gegeven.

De afspraken in het Klimaatakkoord moeten worden uitgevoerd. Na de RES moet daartoe nog heel veel extra beleid gerealiseerd worden. Dat zal nog moeite genoeg kosten. Het sluiten van een biomassacentrale die goed draait, niet tot klachten in de omgeving leidt, geen extra elektrische infrastructuur nodig heeft en min of meer regelbaar is, en waar een groot warmtenet aanhangt dat anders, in elk geval voor onbepaalde tijd, op Russisch gas gestookt moet worden,  lijkt me niet de snuggerste aanpak.

Wat zou ik doen als ik minister was?
Op de eerste plaats beloven dat ik, ondanks alles, geen extra (Russisch) gas ga importeren, en zou ik de Tweede Kamer vragen om dit ook uit  te spreken.

By Samuel Bailey (sam.bailus@gmail.com) – Own work, CC BY 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8454588

Ik zou mij op de tweede plaats realiseren, en dit met de Tweede Kamer bespreken, dat de Staat der Nederlanden historisch berucht is om de grilligheid van zijn energiebeleid – dit tot grote schade. Deze SER-move is de zoveelste zwieper in een lange geschiedenis.
Elke vorm van planmatig lange termijn-denken wordt in Nederland op deze wijze met kracht bestreden.

Ten derde zou ik het besluit nemen om tot een soort strategisch compromis te komen tussen de, op zichzelf reële, verlangens van de groene chemie-sector enerzijds en de, eveneens reële,  voortgezette inzet van biomassa voor energiedoeleinden anderzijds.
Dat betekent een zoektocht naar lange termijn-afspraken met leveranciers en een dirigistische politieke sturing wie wat krijgt. De vrije markt moet aan banden gelegd worden.

Ik zo eisen dat de groene chemie-sector met een strategisch plan komt waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de deelnemende bedrijven aangeven welke inspanningen ze zelf leveren. Een dirigistische industriepolitiek is hierbij denkbaar.
Onmisbare bestemmingen als biokerosine (bij voorkeur op basis van RED II annex IX A en IX B) en stookolie voor zeeschepen hebben voorrang. Bijmenging van ethanol  en biodiesel in tanks van personenwagens wordt afgeschaft.

Verder zou ik een nader te bepalen aantal bestaande grote energieprojecten definieren die beschermd worden zodat ze kunnen doorgaan, als met de exploitanten overeenstemming kan worden bereikt over de condities. De milieuvergunningen moeten aangescherpt worden met een rookgasreiniging op ALARA-basis.
De Amer9-centrale is een van deze projecten.
Aan deze projecten wordt op een of andere manier een eindigheidsperspectief gekoppeld, maar dat kan lang zijn. In die tijd moet er een plan worden ontworpen en uitgevoerd om het biomassaverbruik van deze projecten geleidelijk aan terug te dringen.
Voor de Amer9 is deze overgangstermijn bijvoorbeeld 15 of 20 jaar, rekenend vanaf 2020.

Hallo bezoeker!

Leuk dat je mijn site bezoekt!
Ik wil op deze site aandacht besteden aan maatschappelijke zaken in het overgangsgebied tussen milieu en duurzaamheid, natuurwetenschappelijke discipline, politiek werk en acties op deze gebieden. Ik heb hierbij voorkeur voor onderwerpen die voor Noord-Brabant van belang zijn. Elders op deze website vind je tot welke concrete lidmaatschappen en maatschappelijke functies dat leidt.
Ik verwelkom iedereen op mijn site die hier ook iets mee wil.

Daarnaast staan er ook persoonlijke accenten tussen de boodschappen.

In de artikelen op deze site kun je zien hoe ik over de dingen denk. Je kunt me ook een vraag stellen (zie de tekst onder de foto).

Om artikelen te vinden werkt de “categorie-knop” het gemakkelijkste. Dat is een  hierarchische rangschikking op (deel)onderwerp.

Bedenk dat bij elk artikel een datum staat. Na artikelen treden ontwikkelingen op die de inhoud van het artikel kunnen ondergraven. Kijk altijd even of er nog een later artikel is.

En wees sowieso sceptisch als iemand iets beweert, zelfs als ik dat ben.

Bernard Gerard

foto_05122014_PScampagne

Als u mij een vraag wilt stellen die geen betrekking heeft op een concreet artikel (bijvoorbeeld om iets uit te zoeken waar ik nog niet over geschreven heb), wilt u dat dan doen als commentaar bij deze passage?

DHL plant een “perfecte vlucht” van Leipzig naar New York, maar de winst valt tegen.

In De Ingenieur van 1 juli 2020 wordt een verhaal gepresenteerd, dat een trotse prestatie van Deutsche Post DHL uitdraagt. Het oorspronkelijke verhaal komt van de website van deze onderneming en is (in het Duits) te vinden op https://www.dpdhl.com/de/presse/pressemitteilungen/2020/dhl-plant-perfekten-flug-von-leipzig-nach-new-york-city.html .

De inzet was om met zo weinig mogelijk brandstof van Leipzig naar New York te vliegen. Een soort positieve recordjacht, waarbij men geprobeerd zegt te hebben om met zo weinig mogelijk milieuproblemen voor de omgeving te vliegen.

De testvlucht wordt uitgevoerd onder reële omstandigheden met een vrachtvliegtuig dat geladen is zoals gebruikelijk in de dagelijkse praktijk, te weten 60 ton.

De A330-200F is ontworpen om bijzonder efficiënt om te gaan met hulpbronnen en dus vooral om minder kerosine te verbruiken en de CO2-uitstoot te verminderen.

Vliegtuigmaatschappijen brallen er meestal op los, maar ik vond dit wel sport.
Hierna volg ik het (machine-vertaalde) verhaal van de website van Deutsche Post DHL . Op het eind kom ik nog even terug om de uitkomst in context te plaatsen.


Leipzig,New York –
DHL Express voert een speciale testvlucht uit in de nacht van dinsdag op woensdag 01 juli 2020. Het doel: Op de vlucht van de DHL-hub in Leipzig naar JFK International Airport in New York City moet de A330-200F bijzonder zuinig vliegen en zo het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot verminderen. Dit wordt onder andere mogelijk gemaakt door het op dit moment relatief lege luchtruim als gevolg van het verminderde luchtverkeer door de effecten van Covid-19.
De DHL-luchtvaartmaatschappij European Air Transport GmbH, die de vlucht uitvoerde, heeft meer dan 50 mogelijkheden geïdentificeerd om in een “perfecte vlucht” brandstof te besparen en zo ook CO2-uitstoot. Deze variëren van een speciale wasbeurt van de motoren om de aerodynamica te verbeteren, een geoptimaliseerde route met behulp van moderne vluchtplanningssystemen en de optimale vertrekroute (continue klim naar kruishoogte vanaf Leipzig/Halle, grotendeels horizontale vluchtfasen), tot de ideale aanvliegprocedure in New York City, waar het vliegtuig met een minimum aan motorvermogen kan afdalen.

A330-200F van DP DHL

“Het is onze dagelijkse missie om mensen met elkaar in contact te brengen en hun leven te verbeteren”, zegt Alberto Nobis, CEO van DHL Express Europe. “Daarom zijn we wereldwijd in 220 landen en gebieden aanwezig om de zendingen van onze klanten zo snel mogelijk naar het gewenste land van bestemming te vervoeren.
We zijn ons ook bewust van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van het milieu en proberen op alle mogelijke punten in onze logistieke keten innovatieve en milieuvriendelijke technologieën te gebruiken of steeds efficiënter te worden op de routes tussen onze klanten. Optimale routes en minder kerosineconsumptie kunnen en zullen ons helpen om steeds groener te worden”.

De “perfecte vlucht” wordt uitgevoerd onder reële omstandigheden met een vrachtvliegtuig dat zoals gebruikelijk in de dagelijkse gang van zaken wordt geladen (ca. 60 ton vracht).
De start op de DHL-hub in Leipzig/Halle is gepland voor woensdagochtend 1 juli 2020 om 3:15 uur (vermoedelijk). De geplande landing in New York City is gepland voor 12:05 uur (Midden-Europese zomertijd) op dezelfde dag.
Het zwaartepunt van de maatregel ligt bij een optimale vluchtroute, die DHL Express met de steun van alle luchtverkeersleidingsautoriteiten en ondersteunende instanties langs de Atlantische route van de A330, die deze vlucht ook nauwlettend zal begeleiden, heeft weten uit te werken. Naast de Duitse luchtverkeersleiding zijn dat Eurocontrol, NATS (National Air Traffic Services, Verenigd Koninkrijk), IAA (Irish Aviation Authority), Shanwick Oceanic Control, NavCanada, ISAVIA (IJsland), IATA (International Air Transport Association), de FAA (Federal Aviation Administration) en PANYNJ (Port Authority of New York and New Jersey). In totaal zullen 13 deelnemende instellingen tijdens de vlucht de optimale koers en hoogte toewijzen en het weer, de wind en het overige luchtverkeer in de gaten houden. De deskundigen schatten dat er minstens 1.000 kg kerosine zal worden bespaard, wat overeenkomt met een vermindering van de CO2-uitstoot van 3.150 kg.

Roy Hughes, Executive Vice President DHL Network Operations Europe, zei: “We zijn blij dat we zoveel partners aan boord van deze vlucht hebben. Samen hebben we ons zorgvuldig voorbereid op dit project en kijken we uit naar de uitvoering en de resultaten ervan. Onze ‘perfecte vlucht’ kan er mede voor zorgen dat vluchtverbindingen steeds efficiënter kunnen worden uitgevoerd met zo min mogelijk brandstof en CO2-uitstoot. Op deze manier kunnen we belangrijke inzichten verwerven voor de luchtvaartindustrie en stap voor stap bijdragen aan de klimaatdoelstelling van de DP DHL Group van ‘zero emissions’.

Deze maatregel is een van de vele die de DP DHL-groep doorvoert om de logistiek en de luchtvaart zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. Met maatregelen als de huidige vlootvernieuwing (o.a. de A330-200F) en de aanschaf van 14 nieuwe Boeing 777F-vliegtuigen die tot 18 procent minder CO2 uitstoten, alsmede de bouw van een milieuvriendelijk logistiek centrum op de luchthaven van Keulen/Bonn in 2019 heeft het bedrijf de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in de modernisering van het luchtvrachtvervoer. Daarnaast gebruikt DPDHL op verschillende plaatsen ook groene alternatieven voor conventionele brandstoffen. In het kader van haar lidmaatschap van aireg e.V. en de Global Alliance Powerfuels gaat het bedrijf door met de ontwikkeling van duurzame brandstoffen zoals bio- of e-kerosine. In het bestelverkeer maakt het gebruik van elektrische voertuigen al een aanzienlijk deel van het wagenpark uit.


Dan nu wat kritisch commentaar (nou ben ik zelf weer aan het woord).

Op de eerste plaats stellen we vast dat het hier om een nachtvlucht ging, die om kwart over drie ‘s nachts startte. Niet geheel milieuvriendelijk.
Op de tweede plaats is het luchtruim leger dan normaal, waardoor er meer vrijheid was om een route te kiezen dan normaal, en waardoor allerlei instanties ruim de tijd hadden om dit experiment te begeleiden.
Op de derde plaats is de ‘minstens 1000kg besparing’ vooraf voorspeld. Ik heb nog niet gehoord hoeveel het achteraf echt was.
Maar op de vierde plaats tenslotte: is de voorspelde ‘minstens 1000 kg’ veel? Het artikel laat onvermeld hoeveel brandstof gedurende de expeditie wel verbruikt is. Dat moet je weten om die voorspelde 1000kg te kunnen plaatsen.

Zoals wel vaker geeft Wikipedia nuttige informatie ( op https://nl.wikipedia.org/wiki/Airbus_A330 ).
Een standaard A330-200F kan maximaal 97,5 m3 Jet A-1 meenemen à 800kg/m3, dus 78000 kg.
Wikipedia geeft voor dit standaard-vliegtuig aan dat het bij volledige belasting met 70 ton vracht een kruissnelheid heeft van 871 km/uur en een reikwijdte van 7400km. Op deze basis kan het vliegtuig 8,5 uur in de lucht blijven. Nu was de vracht 60 ton en geen 70 ton, maar op het totale vliegtuig scheelt dat niet gruwelijk veel.
Het testvliegtuig bleef met 60 ton vracht 8 uur en 50 minuten in de lucht , dus dat een standaard-A330-200F 78000 kg voor diezelfde tijd zou meenemen, is een redelijke slag in de lucht.
De besparing ‘1000 kg’ moet dus, op deze wijze redenerend, afgezet worden tegen om en nabij 78000 kg .

De kortste route van Leipzig naar New York is 6380km, maar vliegtuigen vliegen meestal niet de kortste route. Ook hier is sprake van route-aanpassingen. Mogelijk vanwege Corona minder dan anders. Het testvliegtuig heeft dus meer gevlogen dan 6380km, maar hoeveel meer, dat valt niet te zeggen.
Als je een slag slaat en je prikt de route op 6700km, zit je dus op 10% minder dan de maximum vluchtafstand van 7400km, en dan zou een standaardvliegtuig iets minder meegenomen hebben dan 78000 kg, bijvoorbeeld 70000kg.
Het testvliegtuig heeft dan iets langzamer gevlogen dan kruissnelheid.

Als je niet teveel eisen stelt aan de nauwkeurigheid, leiden alle samenwerkende toeters en bellen van DP DHL dus tot ongeveer 1,3 a 1,5% brandstofbesparing.
Niet schokkend.

GS willen omwonenden in monitoringswerkgroep grondwater Refresco

Refresco Benelux BV in Maarheeze vult heel veel blikjes frisdrank met uit de eigen diepte opgepompt grondwater. De onderneming wil de opgepompte hoeveelheid verhogen van 500.000 naar 750.000 m3. De uitbreidende onttrekking vindt plaats op enige tientallen meters diepte en zal invloed hebben op de grondwaterspiegel in de omgeving. Daar staan woningen en liggen Natura2000-gebieden.
De provincie wil toestemming geven, maar die wordt door twee organisaties van omwonenden en door de Brabantse Milieu Federatie (BMF) aangevochten. In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant onlangs een kritische tussenuitspraak gedaan, maar nog geen eindvonnis gewezen.

De bestreden vergunning stelt eisen aan de monitoring van het grondwater. Daartoe moet een monitoringsplan worden opgesteld, waarvan de uitkomsten op gezette tijden in een op te richten werkgroep worden besproken. In die werkgroep moeten “minimaal de provincie, de gemeente, het Waterschap en Refresco zijn vertegenwoordigd”.
De Dorpsraad Maarheeze is één keer op een heel laat moment in kennis gesteld van de eerste bijeenkomst van deze werkgroep, waardoor iemand van de Dorpsraad op het nippertje aanwezig kon zijn. Daarna is er niets meer vernomen.

De Socialistische Partij  (SP) in Provinciale Staten, bij monde van milieuwoordvoerder Swinkels, had hier vragen over gesteld. Zie Refresco, Maarheeze, het grondwater en het proces (update) en SP stelt vragen over monitoring grondwaterspiegel rond Refresco .
Gedeputeerde Staten (GS) hebben die op 30 juni 2020 beantwoord. Zie

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking 9in meter)

GS erkennen dat de grondwaterstand kan leiden tot water in de kelders en lokaal tot verzakkende funderingen. Burgers, en dus ook omwonenden van Refresco, hebben dus een direct belang en de natuur ook. Daarom wil GS dat “(een vertegenwoordiger van) omwonenden agendalid en toehoorder is van de monitoringswerkgroep.”
Omdat de aanwezigheid van bewoners niet in de letterlijke tekst van de vergunning genoemd is, is hun aanwezigheid, volgens GS, de verantwoordelijkheid van Refresco.
De bewoners kunnen hun reactie op het concept-monitoringsplan inbrengen via de gemeente Cranendonck, waaronder Maarheeze valt. De gemeente wordt geacht de bevolking te vertegenwoordigen.

In genoemde eerste bijeenkomst (dd 05 dec 2019) is een concept-monitoringsplan voorgelegd. Daarna heeft het werk stilgelegen in afwachting van de einduitspraak van de Rechtbank. Als die voor Refresco positief is (en de nog af te geven milieuvergunning en Natuurvergunning ook), kan Refresco vier weken na het opleveren van het definitieve monitoringsplan starten. Het agendalid krijgt namens de omwonenden het plan, en ook de gemeente kan het beschikbaar stellen.

De expliciete erkenning van de rechten van omwonenden is een stap vooruit.
Een volgende stap vooruit zou kunnen zijn om de omwonenden een rechtstreekse stem in de monitoringswerkgroep te geven, en niet via de omweg van de gemeente. De voorliggende vergunning benoemt deze mogelijkheid niet, maar wijst hem ook niet af. Er staat ‘minstens’. Misschien kan hier nog eens over nagedacht worden.

Stante pede na “Remkes” vragen aan nieuw provinciebestuur wat zij nou gaan doen – update 02 juli en 22 juli

Maandag 8 juni 2020 verscheen “Niet alles kan overal”, het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek, onder voorzitterschap van Johan Remkes.
Op woensdag 10 juni vuurde SP-woordvoerder Henri Swinkels al een groot aantal vragen af op het nieuwe Brabantse provinciebestuur (met Forum), dat vast helemaal niet blij is met het boekwerk van Remkes.

Hieronder de tekst van de vragen.


Het adviescollege (de commissie Remkes) stelt onder andere dat, om tot een aantoonbaar en geloofwaardig herstel van de natuur te komen, een hoger ambitieniveau noodzakelijk is en niet volstaan kan worden met maatregelen louter op basis van vrijwilligheid.

Daar bij het tot stand komen en uitvoeren van een effectief en juridisch houdbaar maatregelenpakket ook de provincies een belangrijke rol spelen, heeft de SP fractie de volgende vragen:

In uw bestuursakkoord staat “Wij nemen eerder en nog te verschijnen rapporten van de commissie Remkes ter harte en vertalen deze – waar nodig en mogelijk – naar de Brabantse situatie”. ‘Ter harte nemen’ betekent een goede raad aannemen. U zegt dus (op voorhand) de goede raad van de commissie Remkes aan te nemen. De commissie raadt u in dit Eindadvies echter aan om per natuurgebied taakstellend lange termijn reductiepaden op te stellen, waar u in uw bestuursakkoord er uitdrukkelijk voor kiest deze niet (meer) op te stellen. De commissie raadt u tevens aan (overeenkomstig de SP-motie M183-2019 ‘garantie reductiepaden’) om vrijkomende stikstofruimte eerst in te zetten voor het realiseren van de volgens het reductiepad te realiseren depositieafname, alvorens deze (juridisch houdbaar) in te kunnen zetten voor nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. U zegt daarentegen in uw bestuursakkoord geen extra afroming van stikstofruimte te realiseren ten behoeve van natuur als dat ten koste gaat van de ontwikkelkracht van Brabant.

  1. Uw bestuursakkoord bevat aldus tegenstrijdige passages. Welk deel of welke delen van uw bestuursakkoord moet bij nader inzien worden weggestreept?
Henri Swinkels

De commissie Remkes stelt dat in 2030 een binnenlandse emissiereductie van 50% ten opzichte van 2019 bereikt moet zijn. Dit is een “noodzakelijke randvoorwaarde om natuurherstel in de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden (voor 2050) te kunnen realiseren, en is ook nodig om te voorkomen dat toestemmingverlening aan nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, door een overschot aan stikstof wordt belemmerd.”

  1. Onderschrijft uw college de relatie die de commissie Remkes legt tussen emissiereductie en natuurherstel? Onderschrijft u tevens dat natuurherstel gegarandeerd moet zijn om weer stikstofruimte juridisch houdbaar te kunnen toebedelen aan economische activiteiten?
  2. Heeft uw college, net als de commissie Remkes, voor ogen om uiterlijk in 2050 tot een volledig herstel van de (ook Brabantse) natuurgebieden te komen? Zo ja, onderschrijft u dan dat (om dat te realiseren) reeds voor 2040 in alle Brabantse Natura2000-gebieden de stikstofdepositie onder de KDW gebracht moet worden? Zo nee, in welk jaar voorziet uw nieuwe aanpak BOS in volledig herstel?
  3. De nu nog geldende Brabantse Aanpak Stikstof beoogt per Natura2000-gebied, met een ‘duidelijk pad voor afname van de stikstofneerslag’, een depositiereductie van 25 tot 40 procent in 10 jaar. In welke jaar zou met de BAS een reductie van 50% ten opzichte van 2019 mogelijk zijn? Verwacht u dat in de te ontwikkelen BOS dit moment eerder of later zal liggen? Hoeveel eerder of later en waarom?
  4. Welke maatregelen staan uw college ter beschikking om – indien programmatisch of juridisch noodzakelijk – de afname van stikstofdepositie te versnellen? In welke mate is deze afname daarmee gegarandeerd? Welke van deze maatregelen bent u bereid op te nemen in de BOS?
  5. Daar nationale doelstellingen vertaald moeten worden naar provinciale en provincies aldus met verschillende doelstellingen te maken kunnen krijgen, is het mogelijk dat Noord-Brabant (indien het advies wordt overgenomen) een nog hogere (dan 50% in 2030) reductie van de stikstofneerslag dient te realiseren. Bent u voornemens in de BOS de mogelijkheid op te nemen om tussentijds maatregelen te verscherpen zodat op een eventuele landelijke beleidslijn met een stevigere ambitie of resultaatverplichting geanticipeerd kan worden? Welke maatregelen zijn daartoe voorzien in de BOS? Hoe realistisch acht u een resultaat verplichting tot een hogere reductie dan 50% in 10 jaar als vastgehouden wordt aan vrijwillige deelname?

Het adviescollege noemt als een van belemmerende factoren voor een succesvolle aanpak van de stikstofproblematiek, het ontbreken van echte keuzes voor de lange termijn. Het advies noemt onder andere “de neiging om hoge ambities vast te stellen, maar realisatietermijnen vooruit te blijven schuiven en te reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft”.

  1. Herkent u uw eigen handelswijze in de kenschets van het adviescollege? Zo ja, welke lessen trekt u daaruit? Zo nee, herkent u zich dan niet in de neiging hoge ambities vast te stellen, in het vooruitschuiven van realisatietermijnen (zoals die van te realiseren stalaanpassingen) of het vooral reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft?

Vooralsnog werkt ook de Brabantse aanpak met streefwaarden en inspanningsverplichtingen. Het adviescollege bepleit echter om in plaats van te werken met inspanningsverplichtingen, te gaan werken met resultaatverplichtingen. Voorgesteld wordt de nationale (en provinciale) doelstellingen in de Wet natuurbescherming vast te leggen.

  1. Welke voordelen ziet het college bij het formuleren van (wettelijk verankerde) nationale en provinciale doelstellingen (resultaatverplichtingen), zowel wat betreft het garanderen van het noodzakelijke natuurherstel als ten behoeve van de juridische houdbaarheid van de stikstofaanpak?

Het adviescollege raadt aan zeer selectief en veel gerichter (uitsluitend nabij Natura2000-gebieden) om te gaan met uitkoop en verplaatsing van veehouderijbedrijven en daarbij dan niet te werken met generieke regelingen gebaseerd op louter vrijwilligheid. De mogelijkheid tot gedwongen uitkoop biedt dan een betere borging van het beoogde resultaat, tevens nodig voor juridische houdbaarheid van de aanpak.

  1. Wat is de visie van het college op deze raad van de commissie Remkes? Herkent het college de mogelijke voordelen met betrekking tot het verkrijgen van juridische houdbaarheid? Zijn er “voor betrokkenen wellicht ook voordelen te benoemen aan het instrument van “verplichte opkoop of verplaatsing”? Bij welk ambitieniveau (percentage depositiereductie) is het instrument van gedwongen uitkoop of verplaatsing voor uw college onvermijdelijk?
Brabantse varkenshouderij

Over de mogelijkheid om Natura2000-gebieden aan te passen, zoals u in uw bestuursakkoord zegt te willen onderzoeken, is het advies helder. Dat kan uitsluitend wanneer sprake is van een wetenschappelijke fout bij aanwijzing van het gebied of als door autonome (externe) klimatologische of natuurlijke ontwikkelingen, die niet ‘gecounterd’ hadden kunnen worden, het behalen van natuurdoelen niet meer mogelijk is.

  1. Betekent dit dat uw onderzoek hiermee is afgerond? Constateert u nu met de SP dat uw idee om ten behoeve van economische ontwikkelingen Natura2000-gebieden “aan te passen”- naast dat het getuigt van het vasthouden aan een door de commissie Remkes onderkende traditioneel belemmerende factor: onvoldoende borging van natuurbelang – geen enkele kans maakt bij het Europese Hof van Justitie.

Tot slot:

  1. Wat is de inzet van uw college bij bespreking van het Eindadvies in het IPO en met de minister? Heeft uw college een voorkeur om met andere provincies en het ministerie te komen tot generieke maatregelen of maakt iedere provincie bij voorkeur een eigen maatregelenpakket? Is uw college voornemens zich aan gezamenlijk overeengekomen landelijk beleid en de aldaar gestelde normen, doelen en budgetten te conformeren?
  2. In reactie op het advies zegt de fractievoorzitter van FVD Brabant in Nieuwsuur: “We hebben het hier natuurlijk over een juridisch probleem, waarvoor maatregelen worden genomen in de ECHTE wereld, die impact hebben op ECHTE mensen.” Is uw voltallige college het met hem eens dat er slechts sprake is van een in oorsprong juridisch probleem? Zo ja, welke gevolgen heeft of krijgt dat voor de Brabantse aanpak die immers de problematiek van een te hoge stikstofdepositie op het relatief grote aantal stikstofgevoelige natuurgebieden in Brabant als uitgangspunt neemt?
  3. In hetzelfde interview stelt de fractievoorzitter van FvD Brabant dat Remkes “de provincies aan de bal” moet laten. Letterlijk zegt hij: “Wij hier in Noord-Brabant weten precies wat we moeten doen” en “als hij ons de ruimte geeft om dat uit te voeren, dan lijkt me dat een stuk beter”. Is uw college het met deze uitspraak eens? Strookt deze opmerking met uw afspraak in het bestuursakkoord: “Vanaf 2020 nemen we in beginsel nieuwe landelijke beleidslijnen als uitgangspunt voor het beleid in Brabant. We laten ons hierbij leiden door landelijk geaccepteerde modellen”?
  4. Op welke wijze gaat uw college Provinciale Staten betrekken bij de provinciale reactie op dit eindadvies?

Namens de Socialistische Partij

Henri Swinkels



Op 30 juni gaf het (recentelijk verrechtste) College van GS antwoord op deze vragen. Althans, in formele zin want GS vluchtte in vaagheid en verschool zich vooral achter de minister. Het advies van de commissie-Remkes wordt gekenmerkt als een advies aan het kabinet, en niet meer als een document dat de provincie Brabant in eigen recht bindt. en waarover de mening van PS niet meer gevraagd wordt.
Een kwantitatieve ambitie mbt de Kritische Depositie Waarde (KDW) ontbreekt en zo ook wat betreft de kwaliteit van de Natura2000-gebieden. De ambitie is die van het Rijk ‘gunstig, en waar dat niet mogelijk is, beter’.
Wat precies de inzet van GS is bij lopende onderhandelingen in het IPO en met de minister, en of daarbij het bestaande Brabantse beleid als uitgangspunt genomen wordt (dat geakkordeerd is door een meerderheid) of een nieuw beleid (dat nog niet door PS is vastgesteld) wil GS niet zeggen.

Het antwoord is flut en dat was te verwachten. Voor de tekst van de beantwoording zie



Indiener Henri Swinkels is zo boos, dat hij er een set vervolgvragen tegen aan gegooid heeft. Hij probeert daarin het College van GS zo nauwkeurig vast te prikken op een nauwkeurig omschreven antwoord. Voor de tekst van deze vervolgvragen zie

Ook deze vervolgvragen zijn weer beantwoord. Het blijft in dezelfde sfeer. Het hogere doel is achter het kabinet aanlopen en niet meer doen dan moet, en een concrete uitwerking voor Noord-Brabant moet wachten tot de winter.
Voor de tekst van de beantwoording zie

De Regionale Energiestrategie Zuidoost-Brabant (MRE)

Inleiding
Nederland is verdeeld in 30 regio’s, die elk voor de regionale Energie Strategie (RES) hun eigen bod moeten schrijven (nu nog concept-bod) om samen in 2030 aan de landelijke doelstelling te komen van 35TWh duurzame elektriciteit (126PJ) en moeten er anderhalf miljoen woningen en andere gebouwen geïsoleerd zijn en/of van het aardgasnet gehaald. De website van de RES is www.regionale-energiestrategie.nl .

De RES is een tussenstap, een impuls en niet de eindoplossing. Hij dekt nationaal ongeveer 30% van het bestaande stroomverbruik en 20% van de woningen af. Het concept-bod wordt neergelegd in een document, geheten de concept-Regionale Energie Strategie (concept-RES). Landelijk worden al die concepten opgeteld en becommentarieerd, waarna de regio’s de RES 1.0 gaan schrijven.

De concept-RES moet als minimum een document opleveren

  • waarin uitgelegd wordt welke taak de regio voor zichzelf weggelegd ziet bij het grootschalig opwekken van elektriciteit met wind en zon (bij zon is de SDE-voorwaarde van  15kWpiek de ondergrens) en hoe dat in 2030 gerealiseerd zal zijn
  • waarin uitgelegd wordt hoe het macroverhaal van de warmtevraag en -aanbod van de gebouwde omgeving in de regio in elkaar kan zitten (de Regionale Structuur Warmte). Deze moet voor de afzonderlijke gemeenten als uitgangspunt dienen.
  • Waarin op het elektriciteitsnet en de opslagstructuur ingegaan wordt

Wat geen wind of grootschalige zon is, telt niet mee voor de RES, maar uiteraard wel voor het grotere plaatje waarvan de RES een deel is.

(Dit verbruik is exclusief mobiliteit. Daar gaat een andere Klimaattafel over).

De concept-RES zuidoost-Brabant (de Metropool Regio Eindhoven, MRE) is opgesteld door de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre, de waterschappen Aa en Maas en De Dommel, de provincie Noord-Brabant en Enexis Netbeheer.
Het document is te vinden op https://metropoolregioeindhoven.nl/thema-s/energietransitie (en dan doorklikken).

Het staat de regio’s vrij om eigen interesses aan het minimum toe te voegen, maar het MRE-gebied heeft daar weinig gebruik van gemaakt. Het document beperkt zich sec tot wat gevraagd is.
De regio had ook andere maatschappelijke groepen kunnen uitnodigen om mee te denken over de RES (bijvoorbeeld de TU/e, de Fontys en de MBO-instelling Summa College voor de  installatie- en elektrotechniek en de werkgevers in de installatiebranche, maar dat is niet gebeurd (althans, het blijkt niet uit het document). Dit zou in het vervolgtraject mogelijk een waardevolle toevoeging zijn.

Zuidoost-Brabant  is een mozaiek van stad en platteland, van landbouw en veeteelt en natuur. Er zitten wel grote bedrijven, vaak hightech. Vanwege de hightech noemt het gebied zich de “Brainport-regio”. Het is een van de sterkste economische centra van Nederland met een sterk op de export gerichte maakindustrie. Dat zijn echter geen grote stroomvreters.

Eindhoven heeft een stadsverwarmingsnet in Meerhoven en op StrijpS (beide biomassa) en op de Hightechcampus, Helmond heeft een groot stadsverwarmingsnet met warmte kracht koppeling (WKK), nu nog op gas.

De Eindhovense wijk  ’t Ven is gesubsidieerde proefwijk in het kader van de landelijke “van het gas af-campagne”.

Misplaatst messianisme
De concept-RES omvat twee documenten, enerzijds het bestuurlijke document “Energiek en innovatief” en anderzijds een gebundelde pak met negen bijlagen met een uiteenlopend karakter, waarvan bijlage 5, 6, 8 en 9 adequaat en van belang zijn. Hierover verderop meer. De dunne bijlage 6 (het enegieverbruik) is hier en passant al behandeld.

Het bestuurlijke hoofddocument is zwak. Het herkauwt vooral en schuift vooruit naar het nog op te stellen  vervolgproduct, de RES 1.0 . Daartoe moet er een PlanMER komen.

Dit alles met veel bestuurlijke meta-taal: men beschrijft waar allemaal op gelet moet worden, maar daar blijft het teveel bij.
Omdat de RES-regels nu eenmaal dicteren dat er een bod moet worden uitgebracht, wordt het getal 2TWh genoemd als in 2030. Dat is een iets meer dan evenredig deel van de landelijke 35TWh. Ook is er een kaart met zoekgebied-vlekken voor wind en zon.
Verder worden er geen lijnen uitgezet en keuzes gemaakt en uit niets blijkt welke concrete voorstellen het bestuur van de MRE-regio feitelijk over wil gaan.
Evenmin is er een samenhangende regionale warmtevisie. Men herhaalt enkele statistiekgetallen uit de bijlage en schuift de rest vooruit.

Dat weerhoudt de regio er niet van om, geheel in Brainportstijl, de loftrompet te steken over de eigen voortreffelijkheden. “Er is geen plek op de wereld waar per dag zoveel nieuwe ideeën ontstaan”.  Dit valt niet helemaal te controleren, maar op milieu-, klimaat- en energiegebied worden die ideeën dan toch vooral buiten de eigen regio toegepast.
Uit een ranking van Natuur en Milieu uit 2015 blijkt dat in PV-vermogen per inwoner Helmond en Eindhoven het slechtst scoren van alle Brabantse steden, en veel slechter dan de omringende dorpen. Zie www.bjmgerard.nl/?p=2231 . En dat terwijl hier Solliance staat, een R&D-instituut dat onderzoek doet naar dunne film-zonnecellen.
In een Quick Scan van Natuur en Milieu dd februari 2018 (zie www.bjmgerard.nl/?p=6545 ) op twaalf duurzaamheidskenmerken doet Eindhoven het matigjes en Helmond uitgesproken beroerd.

De tijdvolgorde van de vier Brabatse RES-sen zegt ook iets: die van het MRE-gebied was er het laatste en er staat het minste in.

Tenslotte een staatje met het aantal inwoners en de hoeveelheid duurzame energie in RES-termen, die momenteel af is of al in de pijplijn zit:

Kortom, het MRE-gebied scoort momenteel per inwoner het minst aan bestaande of geplande hernieuwbare energie onder RES-condities.
Om de kreet waar te maken in een van de werkateliers “De MRE als energiepionier voor de wereld” waar te maken (H+N+S blz 23), moet er nog heel wat gebeuren.

In het hierna volgende is 1TWh = 3,6PJ .

Waarom 2TWh? – de duurzame stroom kwantitatief – Enexis
De enige manier om concreet te kijken hoe nu eigenlijk die 2TWH onderbouwd is, die in het hoofddocument uit de lucht komt vallen, is door in bijlage 8 te kijken naar de Doorrekening door Enexis. Die instelling moet de nieuwe kabels en trafo-stations en zo aanleggen. Een hele klus.

Dus  

  • 439,5MW wind op land (bij 3000 vollasturen goed voor 1,3TWh);
  • 213,5MW zonneveld (bij 950 kWh/kWpiek) goed voor 0,2TWh
  • 946,2MW zon op grote daken (bij 950 kWh/kWpiek) goed voor 0,9TWh

Als alle projecten hierboven inderdaad doorgaan, haalt men de 2TWH wel, en dit met enige reserve. Het probleem is alleen dat omdat het bestuurlijke document geen enkele concrete uitspraak doet, het realisme van deze cijfers moeilijk te beoordelen is.

De Kempengemeenten hebben een ambitieus plan opgesteld, dat op zijn eentje bijna goed is voor de volle mep van de 2TWh, en waarnaar de MRE hoopvol (om niet te zeggen smachtend) naar kijkt. Inmiddels echter begint men in Eersel minder enthousiast te worden over deze onevenredige inbreng. Men zou willen dat het MRE-bestuur hier politiek op reageert.

Verder neem ik aan dat Enexis capabel is, dus dat de berekeningen kloppen als de input die Enexis gekregen heeft klopt.
Enexis krijgt dan een forse klus. Voor 2030 moeten er twee nieuwe HS/MS stations komen en moeten er 11 worden uitgebreid.

Complex + complex = minder complex – de ruimtelijke analyse van de elektriciteitsopwekking
Een uitermate interessante bijlage is die waarin het befaamde landschapsarchitectenbureau H+N+S , samen met het bureau Over Morgen, op landschapsniveau in kaart brengt hoe een zorgvuldige planning van de duurzame elektriciteitsopwekking mogelijk is en meerdere doelen kan dienen.
Startpunt is de lichtelijk provocerende kreet dat “door het complexe vraagstuk van de energietransitie  te koppelen aan andere complexe vraagstukken, mogelijke oplossingen eerder in beeld komen”. Het werkt beter dan wanneer je grote problemen in stukjes knipt. Ik heb dat in deze kolommen wel eens in andere woorden gezegd met dat er meerdere crises tegelijk zijn, die elkaar beïnvloeden. Een meer prozaische term is ‘meekoppelkansen’.

Een voorbeeld: de opbouw van duurzame energie is een probleem, natuurontwikkeling is een probleem, waterbeheer is een probleem, maar de drie problemen samen zijn kleiner dan elk probleem afzonderlijk en kunnen met bijvoorbeeld een windmolenpark worden opgelost.
Of: de toekomst van boerenbedrijven en de leefbaarheid van het platteland zijn een probleem, een zonnepark is op zich een probleem, maar het een probleem kan het andere probleem oplossen (een zonnepark brengt voor de boer meer geld op dan varkens).

H+N+S heeft dat operationeel gemaakt door

  • acht landschapstypen te definieren: oude zandontginningen, beekdalen, jonge zandontginningen, Peelkern, Peelrand, bos en heide (droog en nat), urbane gebieden en infrastructuur
  • vier ambities te defnieren: niets doen, kleinschalige inpassing, grootschalige aanpassing, en transformatie (waardoor je een ander landschap krijgt)

Aldus heeft de regio 33 energiebouwstenen ontwikkeld voor een soort matrix. Wat voorbeelden eruit voor de landschapstypen oude zandontginningen en beekdalen.

(men moet deze twee blokken naast elkaar denken).

Nog een overzichtskaart van wat dat in de Peel zou opleveren:

Een en ander leidt tot complexe politieke discussies. Men schuift energiezaken en waterzaken en natuurzaken en landbouwzaken enz in elkaar. Dat vraagt nogal wat en daarom is het te betreuren dat het MRE-bestuur alleen formele en procedurele opmerkingen brengt.
Blijkbaar moet de PlanMER dit voor ons oplossen.

De Regionale Structuur Warmte (RSW)
In de concept-RES moet een soort warmtebalans voor de regio als geheel gemaakt worden, de Regionale Structuur Warmte (RSW) . Daarvan moeten gemeentelijke TransitieVisies Warmte worden afgeleid.

Er zijn drie belangrijke methodes om duurzame warmte af te geven, eventueel in combinatie: elektrisch (een warmtepomp), met een warmtenet en met groen gas

Het MRE-gebied verbruikte in 2017 20,9 PJ aan warmte. De bedoeling is dat daarop bespaard gaat worden en dat dit bedrag in 2030 18,4PJ zal zijn en in 2050 15,9PJ.
Deze warmte is wat nodig is voor het verwarmen van panden, of het nu om huizen, kantoren, ziekenhuizen of bedrijven gaat. De proceswarmte die nodig is voor industriële processen zit er niet in.

Deze warmtevraag lijkt op het eerste oog behapbaar met hernieuwbare processen, die in bovenstaand diagram samen goed zouden zijn voor 55,3PJ.
Er zijn echter belangrijke kanttekeningen:

  • De industriele proceswarmte zit niet in die 15,9PJ. De vraag is niet compleet weergegeven, het theoretisch mogelijke aanbod wel.
  • Het aanbod is wat theoretisch maximaal mogelijk is. Na aftrek van technische en praktische beperkingen, financiële haalbaarheid en maatschappelijk draagvlak blijft er een stuk minder over
  • De geothermische opbrengsten (de tweede en de derde balk) zijn uiterst onzeker. Tot nu toe is er in het MRE-gebied geen geothermiebron actief of in de maak . Bovendien lopen er geologische breuken door het gebied. Het onderzoek loopt nog.
  • Het grote bedrag van de zon-thermie op veld en dak concurreert met zonnepanelen voor stroom.
  • Met TEO (Thermische Energie uit Oppervlaktewater) en TEA (idem uit Afvalwater) is nog weinig ervaring opgedaan. Er kan het een en ander, maar de ecologische consequenties (die positief of negatief kunnen zijn) zijn nog niet voldoende uitgewerkt
  • De hoeveelheid biogas hangt o.a. van de omvang van de veestapel af.
  • Biomassa is waarschijnlijk voor onbepaalde tijd tijdelijk.

Vast lijkt in elk  geval te staan dat er in de toekomst een grotere rol weggelegd lijkt te zijn voor collectieve verwarmingssystemen. Warmtebronnen als geothermie, TEO en TEA en restwarmte zijn slechts via een warmtenet adresseerbaar.
De RES van Hart van Brabant bevat een schema dat wat duidelijker is dan een vergelijkbaar schema uit de warmtebijlage van de MRE. Ik druk dit hieronder af.

De warmtebijlage loopt de diverse bronnen af en geeft een schatting voor het MRE-gebied, die uiteindelijk in bovenstaand verzamel-staafdiagram terecht komt. Het voert te ver om alle bronnen hier te bespreken. Ik beperk mij tot biomassa, een controversieel punt, ook binnen de MRE.
Een citaat:

Bij de 21 gemeenten wordt niet eenduidig gedacht over de toepassing van biomassa.

 We zien droge houtige biomassa als een transitiebrandstof. De regio heeft warmte uit droge biomassa nodig om op korte termijn te kunnen voldoen aan de warmtevraag. Op termijn zal de inzet van droge biomassa uitgefaseerd worden en vervangen worden door duurzamere innovatieve alternatieven.
Over de snelheid van uitfasering wordt door gemeenten heel verschillend gedacht.

Biowarmte en biogas wordt vooral ingezet daar waar geen/nauwelijks alternatieve duurzame bronnen voorhanden zijn en waar een hoge temperatuur een vereiste is (bedrijven, oude woningen, solitaire woningen in het buitengebied). Biomassatoepassingen worden altijd vergeleken op duurzaamheid met beschikbare en toepasbare alternatieven. Hierbij dient de werkelijke emissie van de gehele keten berekend te worden, dus ook de uitstoot die ontstaat bij de teelt, winning, transport en verwerking.
Als alternatieven beter scoren, verdienen die de voorkeur.

Gebruik van lokale biomassa verdient altijd de voorkeur boven geimporteerde biomassa. Er wordt van initiatiefnemers verwacht dat er bij startende projecten uitvoerig wordt onderzocht of gebruik gemaakt kan worden van lokale biomassa.

We willen geen nieuwe biomassacentrales, tenzij er vanuit de energievoorziening een aantoonbaar zwaarwegend belang is. Biowarmte wordt bij voorkeur op grotere, maar ruimtelijk wel passende schaal opgewekt, zodat fijnstof afgevangen kan worden middels rookreiniging. Zo blijven milieugevolgen beperkt. We zijn transparant over hoeveel de biomassacentrales uitstoten en zorgen dat dit binnen de wettelijke grenzen is. Biomassa wordt bij voorkeur gebruikt als bron en voor de productie van gas. Dus niet voor de productie van elektriciteit.

Een grondstof moet zo vaak en nuttig mogelijk gebruikt worden. Hierbij geldt de volgende prioritering (Natuur en Milieu, november 2018): 1) bodemverbeteraar 2) Voedsel 3) Veevoer 4)Materiaaltoepassing 5) Biobrandstof 6) warmteproductie 7) elektriciteitsproductie. Een afwegingskader zal vorm moeten krijgen naarmate de vraag toeneemt en het aanbod gelijk blijft.

Zoals op deze plaats vaker beweerd, sta ik een stuk positiever tegenover biomassa. Er worden hier een hoop broodje aap-verhalen verteld.
Zolang de biomassa een bijproduct is van de reguliere bosbouw (wat, naar de statistieken uitwijzen, zo is), en zolang de financiele waarde van snipperhout laag is (wat zo is), en zolang de houtige biomassa uit Europa komt (de toevoegingen aan het CO2 -ketenbudget zijn dan te verwaarlozen), is de emissie over de hele keten gunstig en zou de mondiale footprint wel eens gunstiger kunnen zijn dan die van zonnepanelen, als daarvan ook de noodzakelijke mijnbouw en afvalverwerking meegerekend wordt.
Het is juist dat de aangelegde beperkingen de hoeveelheden biomassa beperken, maar wel tot een portie van het energiebudget die relevant is.
Het laatste nieuws van een nog niet gepubliceerde studie van de SER is, dat men op termijn op een hogere sport van de prioriteringsladder wil instappen. Bij houtige biomassa zou dat alleen maar kunnen betekenen dat 7 uitgefaseerd wordt (uitzonderingen daargelaten) en dat 6 opgewaardeerd wordt tot 5 (wat kan, maar niet eenvoudig en tamelijk duur is).
Ik moet het allemaal nog zien, maar ik wacht wel tot de SER-studie uit is. Vooralsnog denk ik, met sommige gemeenten in de MRE, dat de overgangstermijn best wel eens lang zou kunnen duren.

Afsluiting
In het MRE-gebied is nog een hoop te doen voor  er een goede RES 1.0 ingediend kan worden. Ik zie uit naar de PlanMER.

SP wil politieke discussie over Enexis

Enexis Beheer beheert het elektriciteits- en gasleidingennetwerk in Brabant, Limburg en delen van Noord-Nederland. Het valt onder de Enexis Holding. Alle aandelen van Enexis zijn in handen van vijf Nederlandse provincies en zo’n 130 gemeenten. De gemeenten in Noord-Brabant hebben 30,8% van de aandelen in handen en de provincie Noord-Brabant zelf 7,6%.

Enexis staat voor grote investeringen, onder andere vanwege de in omvang toenemende duurzame energie. Daarom wilde de provincie Noord-Brabant (in persoon van Gedeputeerde Staten – GS) een hybride converteerbare aandeelhouderslening verstrekken, nader te bepalen binnen een bandbreedte van 150 tot 225 miljoen €. Prettig is dat de provincie dan nog een beetje geld vangt voor vermogen dat anders renteloos wegroest.
Het geld is bedoeld voor versterking van het elektriciteitsnetwerk in Noord-Brabant.

Het voorstel kwam aan de orde in de vergadering van Provinciale Staten (PS) van 19 juni 2020.

Het was eigenlijk de bedoeling dat PS het voorstel als vooral technisch zou behandelen. Men moest ‘ja’ zeggen en zich er verder niet mee bemoeien.

Nu is dit een goed voorstel. De Socialistische Partij (SP) vond dat ook, maar had geen zin om het voorwerp als alleen maar technisch te beschouwen. Er zitten nogal wat politieke kanten aan het werk van de Enexis Holding. Zowel aan het netbeheer zelf (welke klanten bedien je het eerst?) als aan de dochterbedrijven (‘netwerkbedrijven’) die onder de Holding mogen vallen, en die op de grens van overheid en markt zitten (mag Enexis zelf een opslagvoorziening bouwen en beheren?). De Authoriteit Consument en Markt (ACM) is argwanend.

SP-fractievoorzitter Maarten Everling had twee amendementen ingediend. 

Het eerste amendement vroeg aan GS om er bij Enexis op aan te dringen om bij het verzwaren van het netwerk prioriteit te geven aan initiatieven vanuit de samenleving, zoals energiecoöperaties.
Het tweede amendement vroeg aan GS om de invloed aan te wenden om ook de opslag van energie deel uit te laten maken van de infrastructuur van Enexis.

Opslag van elektrische energie (bijvoorbeeld in de voormalige experimentele buurtbatterij zoals in Etten-Leur) kan de verzwaring van het netwerk deels overbodig maken. De opslag vlakt pieken af. Dat kan in principe ook financieel gunstig zijn. Toch maakte het document, dat ten grondslag lag aan de lening, er geen gewag van.

Getoond is de buurtbatterij, die van 2012 tot 2018 als experiment gefungeerd heeft in de wijk De Keen in Etten-Leur. De resultaten van het experiment worden nu  geanalyseerd).

De twee amendementen werden gesteund door de SP zelf, Groen Links en de Partij voor de Dieren. Een meerderheid van PS vond dat een dergelijke voorbereidingsvergadering, waarmee GS op pad gestuurd werden, vooral technisch moest zijn. En omdat partijen als de PVV en Forum voor Democratie sowieso niets te maken willen hebben met alles waar ‘duurzaam’ voor staat.

De SP vindt dit een gemiste kans, maar zal dit soort onderwerpen op de politieke agenda houden.

De tekst van de amendementen is hieronder in te zien.

Zienswijze LBBL en BVM2 op concept-Luchtvaartnota

Het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2) werkt samen met organisaties rond andere vliegvelden in de koepelorganisatie Landelijk Burgerberaad Luchtvaart (LBBL) .

BVM2 en het LBBL hebben de taak om op de onlangs uitgebrachte ontwerp-Luchtvaartnota 2020 – 2050 “Verantwoord vliegen naar 2050” te reageren afgestemd. Het LBBL is bezig met een formele zienswijze op het overkoepelende niveau, BVM2 spreekt voor het regionale niveau.
In de BVM2-zienswijze wordt voor zaken met een niet-regionale strekking verwezen naar de LBBL-zienswijze.

BVM2 heeft inmiddels zijn zienswijze af. Deze is te vinden op

Bij BVM2 aangesloten organisaties kunnen deze zienswijze vrijelijk gebruiken om eventueel hun eigen zienswijze als organisatie op te bouwen.
De aangesloten iindividuele ondersteuners en organisaties krijgen binnenkort een Nieuwbrief met nadere gegevens.



De zienswijze van het LBBL bestaat uit 41, kort geformuleerde, punten .
Bij dit hoofddocument horen twee bijlagen.
Bijlage 1 geeft nadere informatie over de klimaatopgave voor de luchtvaart.
Bijlage 2 geeft nadere informatie over de luchtvaart en de kwaliteit van de leefomgeving.

Het klimaat als rode draad

Op 26 juni 2020 hebben Milieudefensie, Greenpeace en anderen in verschillende steden in Nederland een actie belegd ‘Het klimaat als rode draad’. Doel was om de politiek mee te geven dat er draagvlak is voor een duurzaam en rechtvaardig herstel uit de Coronacrisis.
De centrale bijeenkomst was in Den Haag, maar ik heb zelf meegedaan in Eindhoven. Milieudefensie en Operatie Klimaat hebben inmiddels al heel wat gesprekken over het onderwerp aan de deur of aan de telefoon gehad.
Er was ook een namaak-Rutte.

Wat foto’s.