Het proces van Milieudefensie versus Shell heeft op veel plaatsen de aandacht getrokken.
Opmerkelijk is een flink artikel in Science. Science hoort bij de beroemdste wetenschappelijke tijdschriften ter wereld en onderzoekers voelen zich heel vereerd als een artikel geplaatst is. In dit geval betreft het onderzoekers va de London School of Economics and Political Science. Het artikel is te vinden op https://www.science.org/doi/10.1126/science.adz4857 , maar het zit achter de betaalmuur. Ik heb het gekocht voor een paar tientjes en men kan het ook hieronder vinden.
Ik probeer hierna uit te leggen wat erin staat. Maar ik ben geen jurist, dus men moet zich niet op mij beroepen. Wie op verantwoorde wijze iets zeggen wil, moet het artikel zelf erbij pakken.
Integrated Assessment Model’s (IAM’s) zijn grote computermodellen waarin klimaatwetenschap, energiesystemen en economie gecombineerd worden. Op basis van IAM’s gevoerde processen tegen regeringen, waarin bindende klimaatafspraken geëist werden, zijn vaak succesvol geweest (in Nederland bijvoorbeeld het Urgendaproces).
Milieudefensie was de eerste die een IAM inzette tegen een particulier bedrijf, in casu Shell. Dat werd in eerste instantie een succes, en in hoger beroep een gedeeltelijk succes. In abstracto kreeg Milieudefensie ook in hoger beroep gelijk, maar in concreto wilde het Gerechtshof geen reductiedoel noemen omdat er geen wetenschappelijke consensus zou bestaan over een exact percentage dat toegepast zou moeten worden (in dit geval 45% minder in 2030 t.o.v. 2019 over scope-3, welke scope veruit de grootste post is)
Het dilemma van het Gerechtshof is illustratief voor een brede trend. Op verschillende plekken in de wereld probeert men regelgeving te definiëren die de klimaattransitie van particuliere ondernemingen moet inkaderen. Een goed voorbeeld zijn de ‘Guidelines for multinational enterprises’ van de OECD. Die zijn niet rechtstreeks bindend, maar moeten door aangesloten staten in nationale wetgeving worden omgezet. Die moet dan op wetenschap gebaseerd zijn en gebaseerd zijn op het GHG-protocol, inclusief Scope-1, -2 en -3 -analyses ( een voorbeeld van een onderneming die dat doet, en hoe dat werkt, is DAF Trucks, zie https://www.bjmgerard.nl/daf-trucks-en-milieudefensie-spreken-over-het-klimaat/ en andere artikelen). Ook de EU probeert in zijn (onlangs helaas afgezwakte) CSDDD-wetgeving om aan ondernemingen boven bepaalde omvang-drempels verplichtingen op te leggen in de geest van de OECD-richtlijnen.
Het is voor regeringen een worsteling om wetten te maken die in praktijk werken. En dat is nodig omdat het aanklagen van ondernemingen inzake hun klimaatplan mondiaal steeds vaker voorkomt. Soms gebeurt dat om ze ter verantwoording te roepen voor het verleden (‘backward-looking’), soms om het toekomstig gedrag te beïnvloeden (‘forward-looking’). De Miieudefensiezaak is forward-looking en inmiddels lopen er mondiaal ruim 20 van die forward-looking zaken.
Hoewel het Gerechtshof een streep zetten door de concrete 45% reductie, sprak het wel een belangrijke overweging uit, namelijk dat olie- en gasbedrijven zich moeten buigen over het groeiende duidelijkheid dat geen enkele nieuwe olie- en gasbron verenigbaar is met het Parijs-akkoord. Maar omdat deze specifieke eis niet in het proces ingebracht was, kon het Gerechtshof daarover slechts een overweging formuleren en geen vonnis. Milieudefensie heeft daarop, in een tweede klimaatzaak tegen Shell, dit verbod op nieuwe olie- en gasboringen alsnog als een juridische eis op tafel gelegd. Al eerder had Milieudefensie cassatie aangetekend tegen de uitslag van de eerste zaak.
Milieudefensie heeft simpelweg de mondiale 45% GHG-reductie in 2030 t.o.v. 2019, waarover brede overeenstemming bestaat, omgezet in een sectorale verplichting aan de Shell als onderdeel van de olie- en gassector. Het Gerechtshof ging hier niet in mee.
Maar de onderzoekers van de London School of Economics and Political Science vinden dat te kort door de bocht. Ze wijzen erop dat op sectorniveau, ook nu al, protocollen in ontwikkeling zijn die toch al op sectoraal niveau uitspraken doen zoals bijvoorbeeld de Sectoral Decarbonization Approach (SDA). Die zijn er ook voor de olie- en gassector (scope-1, scope-2 en een deel van scope-3). Enerzijds suggereren de onderzoekers dat het Gerechtshof meer met de al bestaande protocollen had kunnen doen, anderzijds erkennen ze dat de bestaande sectorale modellen inderdaad gebreken vertonen (te weinig theorie, kwetsbaarheden en te grofmazig).
Dit verdient verbetering. De onderzoekers noemen drie routes.
De eerste is dat mogelijk nog geen wetenschappelijke consensus is over precieze percentages, maar dat de verschillende modellen al wel tot een bandbreedte in de krimp geleid hebben (zelfs Shell zag noodzaak voor een reductie). Die bandbreedte liep in het Milieudefensieproces voor bijvoorbeeld gas van 30.1 tot 50.5% reductie. Het Gerechtshof had, in plaats van deze bandbreedte als bewijs voor een gebrek aan consensus te zien, de ondergrens kunnen opleggen (dat is ook gebeurd in het Urgendaproces).
De tweede route is dat men zou kunnen kijken wat het kost om een ton CO2 uit de atmosfeer te houden (de Marginal Abatement Cost – MAC). Het IPCC heeft in zijn zesde Assessment 230 scenario’s doorgerekend om onder de 2oC te blijven, en daar kwam een mediaan uit van $73 per ton CO2 . Alle maatregelen die per ton minder kosten dan een $73 zouden dan verplicht gesteld moeten worden. Een dergelijk schema zou voordelen hebben: er zijn dan meer data beschikbaar zijn (robuustere maatregel) en dat je kunt differentiëren per sector (in plaats van elke sector 45%). Er zijn ook nadelen. Deze benadering wordt in praktijk nog niet gebruikt en ontbrak in het Milieudefensie-proces.
De derde route is dat de rechter het aansprakelijkheidsrecht kan interpreteren dat de onderneming, op basis van het bestaande recht, tot redelijke stappen gedwongen wordt die bij elkaar zoiets als een plan zijn. Het gaat dan om zoiets als minimum gedragsvoorschriften die opbouwen tot een soort transitieplanning. De onderzoekers noemen als voorbeeld de UK Transition Plan Taskforce. Ook het Gerechtshof heeft het aansprakelijkheidsrecht geïnterpreteerd, maar dat leidde tot de beperkte uitspraak dat Shell de plicht heeft de klimaatverandering te verminderen. Dat had volgens de onderzoekers, tot een verdergaande uitspraak kunnen leiden.
Het Science-artikel eindigt met dat nu ondernemingen, wat betreft hun klimaatinspanningen, steeds vaker langs de juridische lat gelegd worden, een meer coherente en wetenschappelijke definitie van de klimaatinspanningen van kritisch belang is.
Er is in deze kolommen al uitvoerig aandacht besteed aan de nieuwe, tijdelijke lozingsvergunning van de zinkfabriek in het Belgische Pelt. Die perkt enerzijds de hoeveelheden chloride, sulfaat, selenium en thallium in t.o.v. wat eerder mocht, maar doet dat anderzijds niet zo drastisch dat aan de Kader Richtlijn Water (KRW) voldaan zal worden. Daarbij speelt een rol dat de concentraties, die de nationale overheden van de KRW mogen vaststellen, in België als regel soepeler worden vastgesteld dan in Nederland. Dat is relevant, omdat de Dommel vanaf Nyrstar Pelt nog maar een klein stukje door België stroomt en dan de Nederlandse grens oversteekt.
Ik heb voor Milieudefensie Eindhoven e.o. een zienswijze ingediend, die enerzijds benoemt dat Nyrstar Pelt een nuttige recyclefunctie van zink heeft en verplicht is zijn eigen bodem te saneren, en anderzijds dat de zuiveringstechniek niet ver genoeg gaat en te veel het begrip Best Beschikbare Techniek uitlegt als Best Betaalbare Techniek. Dat terwijl moederbedrijf Trafigura steenrijk is.
Voor de Eindhovense Milieudefensie-afdeling houdt het nu even op, omdat een lokale afdeling bij Milieudefensie geen rechtspersoon is en dus niet kan gaan procederen.
Andere organisaties, die zelfstandige verenigingen zijn of overheidsinstanties, of die een juridische tak hebben, zijn wel gaan procederen of gaan dat nog doen. Het betreft
Waterschap De Dommel
De gemeenten Valkenswaard, Waalre, Veldhoven en Eindhoven
De Belgische milieuverenigingen Limburgse Milieukoepel, Bond Beter Leefmilieu, Natuurpunt Pelt en Dryade
De (Nederlandse) vereniging Natuurmonumenten (zegt het Eindhovens Dagblad)
Extinction Rebellion (XR) (zegt het Eindhovens Dagblad)
Nyrstar Pelt ligt ongeveer bij nummer 33
Ik heb hieronder een persbericht van Waterschap De Dommel afgedrukt, dat als representatief voor de rest gezien kan worden. Het persbericht van de gezamenlijke Belgische verenigingen, de raadsinformatiebrief van de gemeente Eindhoven, en een bestandje met links naar de raadsinformatiebrieven van alle Dommelgemeenten zijn als bijlage toegevoegd. Natuurmonumenten en XR maken op hun sites geen melding van dit onderwerp. Vraag is of zij inderdaad zijn gaan procederen.
– – – – – – – – – – –
Persbericht 02-10-2025
Waterschap tekent beroep aan tegen Belgische lozingsvergunning Nyrstar
Nyrstar is een van de grootste metaalverwerkers ter wereld. Het bedrijf heeft een vestiging in Budel en net over de Belgische grens in Pelt. Voor de locatie in Pelt is de Belgische overheid verantwoordelijk voor de vergunningen. De beek waarop Nyrstar loost, stroomt maar 1,5 kilometer door België. Daarna komt het water in de Dommel terecht. Het effect wordt dus vooral in Nederland gevoeld.
In 2029 komt er een nieuwe vergunning voor alle stoffen die Nyrstar loost. Maar nu al lopen enkele deelvergunningen af. Nyrstar heeft ervoor gekozen om voor vier stoffen een nieuwe vergunning aan te vragen tot en met 2027. Ze willen in twee stappen minder gaan lozen, tot 2029. Het gaat om de stoffen Seleen, Sulfaat, Chloride en Thallium. Nyrstar heeft hiervoor een aanvraag ingediend bij de Belgische provincie Limburg. De hoeveelheden die ze mogen lozen zijn lager dan vroeger, maar nog steeds groot. Volgens de nieuwe vergunning mag Nyrstar dagelijks 10.000 kilo Chloride en 5.300 kilo Sulfaat lozen. Per liter water mag er 40 microgram Seleen en 1,5 microgram Thallium in zitten.
Verbeterde stap niet groot genoeg
Wij als waterschap hebben een negatief advies gegeven over deze vergunning. We zien wel een kleine verbetering ten opzichte van de oude situatie, maar vinden de stap niet groot genoeg. Hierdoor halen we onze KRW-doelen (Kaderrichtlijn Water) in 2027 waarschijnlijk niet.
We konden niet zelf adviseren op de vergunning, maar de provincie Noord-Brabant mocht dat wel. Zij hebben ons advies overgenomen. Toch heeft de Vlaamse provincie Limburg ons negatieve advies naast zich neergelegd en de vergunning alsnog verleend. Daar zijn wij als waterschap niet blij mee. Daarom tekenen we administratief beroep aan. Zo krijgen we de kans om onze bezwaren aan de Vlaamse minister te laten weten. We vinden dat er onvoldoende naar onze zorgen is gekeken.
Een zo schoon mogelijke Dommel
Dit is een stevige stap van ons waterschap richting onze zuiderburen. We maken als Nederlandse overheid bezwaar tegen een besluit van de Belgische overheid. We willen een zo schoon mogelijke Dommel. Daarom vinden we het belangrijk dat de Belgische vergunningen geen belemmering vormen voor het behalen van onze waterkwaliteitsdoelen. Dat is nu wel het geval. Bovendien zijn de Belgische KRW-normen soepeler dan de Nederlandse.
Samenwerking met provincie en gemeenten
We werken in dit dossier nauw samen met de provincie Noord-Brabant en de gemeenten langs de Dommel. We zitten ook met Nyrstar en de provincie Limburg aan tafel, omdat we allemaal een betere waterkwaliteit willen. Iedereen reageert vanuit zijn eigen rol op de vergunning:
De provincie kiest voor een diplomatieke aanpak
De Dommelgemeenten gaan in beroep
Wij kiezen voor een administratief beroep
Blijvende inzet op goede contacten
Ondertussen blijven we inzetten op goede contacten met Nyrstar en de Belgische overheid. Zo zaten Erik de Ridder en gedeputeerde Saskia Boelema vorige week bij de directie van Nyrstar aan tafel om elkaar bij te praten over de situatie
We hebben een Belgische advocaat ingeschakeld en het beroep wordt deze week ingediend. We verwachten in november meer te kunnen vertellen over het vervolg.
Het persbericht van de vier Belgische milieuverenigingen:
Ik en Milieudefensie Eindhoven en de meekijksessie Wij als groep en ik als persoon hebben ons sterk gemaakt voor een zo groot mogelijke reductie van de broeikasgassen die door grote bedrijven worden uitgezonden. Dat doen wij, en doe ik, nog steeds.
We werken als groep mee aan de landelijke acties, waaronder de aanschrijving van de Shell en 29 andere bedrijven, we hebben in onze eigen regio een handvol bedrijven aangeschreven (zie elders op deze site), en we pakken het nodige meer op.
De meest recente is een meekijksessie waar de aanwezigen live het voorlezen van de samenvatting van het vonnis konden volgen. Dat was op dinsdag 12 november, hondsvroeg vanaf 08.00 uur, met een programma erom heen van Milieudefensie. De Eindhovense SP had ons in zijn partijkantoor tegen gunstige condities een zaaltje annex koffie en thee annex een grote TV ter beschikking gesteld, waarvoor dank. En dat werkte allemaal netjes.
Tegenslag in Klimaatzaak Shell: wij gaan door tot alle vervuilers groen zijn
Als jij je best doet voor het klimaat, mag je verwachten dat grote bedrijven dat ook doen. Maar dat doen ze niet. Ze verzetten zich zelfs uit alle macht, zoals Shell. Het is een taaie strijd, soms met tegenslagen. Zoals vandaag. Toch zullen we uiteindelijk winnen. Dit is waarom.
“Deze uitspraak raakt ons diep. Het is een tegenslag voor ons, de klimaatbeweging en miljoenen mensen over de hele wereld die zich zorgen maken. Maar wie ons een beetje kent, weet dat wij nooit opgeven. Ook hier zullen we samen sterker uitkomen. Het is hoopvol dat de rechter vaststelt dat Shell verantwoordelijk is voor het verminderen van uitstoot en dat bedrijven ook mensenrechten moeten respecteren. Dit is een marathon en geen sprint en de race is net begonnen. Vervuilers zijn sterk. Maar met z’n allen zijn wij sterker.” – Donald Pols, directeur van Milieudefensie.
Er is al veel bereikt
In 2021 wonnen we onze Klimaatzaak van Shell. De uitspraak vandaag betekent dat belangrijke onderdelen van dat vonnis worden teruggedraaid. Maar het betekent niet dat we weer bij nul beginnen. De rechter zei enerzijds dat Shell verantwoordelijk is om zijn CO2-uitstoot te verminderen. Maar anderzijds legt de rechter Shell helaas geen verplichting op.
Hoopvol is dat de rechter heeft gezegd dat:
Shell verantwoordelijk is voor het verminderen van zijn CO2-uitstoot om gevaarlijke klimaatverandering te beperken;
nieuwe olie- en gasvelden op gespannen voet staan met het klimaatakkoord van Parijs;
bescherming tegen klimaatverandering een mensenrecht is, en ook bedrijven zoals Shell mensenrechten hebben te beschermen.
Bovendien heeft onze overwinning in 2021 al veel veranderd:
Wereldwijd dagen mensen grote vervuilers en overheden met succes voor de rechter.
Steeds meer mensen sluiten zich bij de klimaatbeweging aan.
En misschien wel het belangrijkste: in de EU moeten grote vervuilers zich dankzij een nieuwe wet aan de klimaatafspraken van Parijs houden.
Stel je eens voor wat we samen nog meer voor elkaar kunnen krijgen!
Hierna volgt een oproep om lid van Milieudefensie te worden. Ik ondersteun deze oproep graag.
Een eigen toevoeging Ik ben geen jurist en geen van mijn onderstaande uitspraken is gezaghebbend.
Voor zover ik het beoordelen kan, moet onderscheid gemaakt worden tussen het fundament van de uitspraak, en de specifieke weigering van de toewijzing.
Het fundament van de uitspraak is gunstig voor Milieudefensie en vergelijkbare groepen. De Nederlandse rechter vindt bijvoorbeeld dat het klimaat een mensenrechtenkwestie is, en dat ook internationale bedrijven daaraan gebonden zijn. Shell en andere multinationals zijn verantwoordelijk voor hun gedrag.
Bouwend op dat fundament doet het Gerechtshof de specifieke uitspraak, dat de reductienorm van het IPCC van 45% minder ni 2030 voor de aarde als geheel geldt (dus gemiddeld), en dat noch de nationale en internationale wetgeving, noch de wetenschap, een bruikbaar antwoord geeft over hoe de gemiddelde norm vertaald moet worden naar specifieke sectoren en bedrijven. Rechters kunnen toetsen aan een norm, maar niet zelf een norm verzinnen. Dat is de taak van de politiek. De uitspraak van het Gerechtshof kun je lezen alsdat Milieudefensie een te wijd net uitgeworpen heeft. Opvallend is bijvoorbeeld dat het Gerechtshof stelt dat de specifiekere eis dat Shell geen nieuwe olie- en gasvelden mag openen, beter bespreekbaar zou zijn geweest. Maar deze eis was niet gesteld en het Gerechtshof kan in hoger beroep niets iets vinden van iets wat in eerste aanleg niet geëist is.
Het Gerechtshof maakt in zijn uitspraak melding van een groeiend geheel aan internationale wetgeving aangaande klimaat en bedrijven, vooral op EU-niveau. Het ETS is zo’n wetgeving, waarin een algemene methodiek wordt opgelegd aan categorieën bedrijven. Dat systeem werkt tegenwoordig heel behoorlijk.
Toekomstige acties zijn door deze actie niet hopeloos geworden. Maar altijd moet de vraag beantwoord worden of de actie een meer politiek, of een meer juridisch karakter heeft.
Jelmer Mommers heeft in de Correspondent aandacht aan het vonnis besteed. In strijd met mijn gewoonte (normaliter jat ik niet en schrijf ik mijn teksten zelf, maar dit is een speciale gelegenheid) druk ik hieronder de tekst van Mommers af. Bovendien is de tekst vrij op internet te vinden.
Hoe graag milieuorganisaties het ook willen: de Nederlandse rechter kan en wil een multinational als Shell niet dwingen tot minder uitstoot. Die taak ligt echt bij de internationale politiek.
Achter de vele rechtszaken die milieuorganisaties de afgelopen jaren hebben gevoerd over klimaat en natuur, steekt steeds één verlangen. Het verlangen naar een rechter die paal en perk stelt aan praktijken die al lang niet meer kunnen.
Dit [vul hier vervuilend gedrag in van een overheid of een bedrijf] kan niet meer door de beugel. Het moet stoppen.
Soms kan een rechter zo’n grens stellen. In de Urgenda-zaak tegen de Nederlandse staat bijvoorbeeld. Daarin werd in 2019 door de Hoge Raad bepaald dat bescherming van inwoners tegen weersextremen en andere gevaarlijke gevolgen van klimaatverandering een mensenrecht is. Staten hebben de plicht om dat mensenrecht te beschermen door afdoende klimaatbeleid te voeren. Nederland deed dat niet, dus won Urgenda en moest de overheid aan de bak
Maar soms kan of wil de rechter zo’n duidelijke grens niet trekken. De uitspraak van deze dinsdag in de klimaatzaak van Milieudefensie tegen Shell laat dat zien – dat er grenzen zijn aan de grenzen die een rechter kan trekken.
Waarom Shell nu niet veroordeeld is
Milieudefensie eiste in 2019 dat Shell zijn uitstoot in 2030 met 45 procent zou verminderen ten opzichte van het niveau van 2019. De rechtbank ging daar in 2021 in een uniek en baanbrekend vonnis in mee. Maar het gerechtshof oordeelt nu in hoger beroep dat die specifieke verplichting toch niet op Shell rust.
Het is niet dat het hof onwelwillend staat tegenover de argumenten van Milieudefensie, integendeel. In het arrest staat namelijk dat Shell wel degelijk de plicht en verantwoordelijkheid heeft om bij te dragen aan het beperken van de klimaatopwarming.* Multinationals zijn, net als staten, verantwoordelijk voor hun ‘gedrag’: zij mogen niet doelbewust bijdragen aan schendingen van mensenrechten, ook niet als die het gevolg zijn van de verkoop van olie en gas.
De erkenning van deze plicht is winst.
Shell Pernis (eigen foto Shell)
Maar wat het gerechtshof in Den Haag zegt níét te kunnen, is die algemene plicht van Shell vertalen naar een specifiek reductiepercentage dat in een bepaald jaar gehaald moet worden.
Om een maximale opwarming van 1,5 graad Celsius binnen bereik te houden, zou de gemiddelde wereldwijde uitstoot in 2030 met 45 procent moeten zijn verminderd ten opzichte van 2010, zei het toonaangevende VN-klimaatwetenschapsrapport IPCC eerder.
Maar het hof neemt afstand van het vonnis uit 2021 waarin dat gemiddelde percentage ook van toepassing werd verklaard op Shell. Milieudefensie heeft niet duidelijk genoeg aangetoond waarom Shell zich aan dat percentage zou moeten houden, aldus het arrest.
Dat oordeel is teleurstellend voor Milieudefensie, maar wel goed te volgen. Want Shell is een bedrijf dat wereldwijd olie en (steeds meer) gas verkoopt. Het concurreert daarbij onder meer met producenten en verstokers van steenkool, een viezere en goedkopere brandstof dan gas om stroom mee op te wekken.
Om de gemiddelde wereldwijde uitstoot met 45 procent te verminderen, zou het dan ook logisch zijn om steenkoolproducenten een hogere reductieverplichting op te leggen en de handelaars in gas een lagere. Er zijn ook sectoren die harder moeten lopen dan andere om de wereldwijde doelen te halen, omdat verduurzamen in de ene sector (zoals de elektriciteitssector) veel makkelijker is dan in de andere (zoals cementproductie). Daarover is geen discussie.
Maar volgens het gerechtshof is er wél discussie over wat specifieke sectoren in welk jaar zouden moeten hebben bereikt. Het parcours waar de wereld als geheel zich op moet begeven is duidelijk (snel minder uitstoten), maar wat daarin de plicht is van de olie- en gassector, laat staan van één oliebedrijf – daarover is geen consensus. Scenario’s noch de beleidsplannen van landen geven een duidelijk antwoord op die vraag.
Bovendien is het beleid van veel overheden, bijvoorbeeld die in de Europese Unie, er vaak juist op gericht om via een stijgende CO2-prijsuiteindelijk alle sectoren van de economie te vergroenen. Een strenge reductieverplichting voor een individueel bedrijf, of voor een sector, past daar niet bij.
En daar komt nog bij, oordeelt het hof, dat een opgelegde reductie voor Shell mogelijk niet effectief zou zijn, omdat andere producenten en handelaren in olie en gas paraat staan om marktaandeel van Shell over te nemen.
Met andere woorden: Shell kan wel activiteiten afstoten of opschorten om aan het vonnis te voldoen, maar het blijft onzeker of het klimaat daar iets mee zou opschieten.
Het percentage dat niet bleef plakken
Bij gebrek aan één internationale norm voor de olie- en gassector, en bij gebrek aan bewezen effectiviteit van een vonnis, kan het hof Shell dus niet veroordelen, luidt de uitspraak.
Wat dit laat zien? Zolang er geen consensus is over de precieze reductiepercentages die verschillende internationaal opererende sectoren moeten volgen, kun je niet van een nationale rechter verwachten dat zij zo’n percentage wél oplegt aan een specifiek bedrijf. Dat weten we nu.
Dat wil níét zeggen dat Shell ineens een voorbeeldig bedrijf is dat alle lof verdient omdat het zich zo netjes aan de wet houdt: de honger van de olie- en gasgigant naar almaar meer winst ten koste van toekomstige generaties is en blijft immoreel en onrechtvaardig. Zoals het gebruik van fossiele brandstoffen dat ook is.
Het hof suggereert nota bene zelf dat als Milieudefensie een eis had gesteld over Shells toekomstige olie- en gaswinning – over het feit dat het bedrijf telkens nieuwe bronnen aanboort terwijl de uitstoot al zou moeten dalen – daar misschien wél een veroordeling over mogelijk was geweest.
Maar dat deed Milieudefensie niet. Milieudefensie klampte zich vast aan een percentage. Een wereldwijd gemiddelde, dat het van toepassing verklaarde op één bedrijf. Dat was altijd de zwakke plek in deze zaak, en in het vonnis uit 2021. Shell dook erop, en won. De kans lijkt mij klein dat de Hoge Raad, als Milieudefensie in cassatie gaat, hier anders over zal oordelen.
Ik zelf bij een Shellactie van Milieudefensie op 19 mei 2018
Wie wat moet doen blijft een politieke vraag
Deze uitspraak betekent niet dat alle klimaat- en milieuzaken, ook die over bijvoorbeeld stikstof, nu gedoemd zijn te falen. Het betekent alleen dat de vraag wie wat moet doen in de energietransitie voorlopig een politieke vraag is en blijft.
Een vraag die door experts, wetenschappers, nationale overheden en de internationale gemeenschap duidelijker moet worden beantwoord.
In zekere zin is het vonnis dus een afspiegeling van het feit dat er over de precieze verantwoordelijkheid van grote ondernemingen in de klimaatopgave geen consensus is. Logisch ook, want daarbij gaat het over de verdeling van verantwoordelijkheden en plichten tussen sectoren en landen, tussen private en publieke spelers. Het idee dat een nationale rechter helderheid kan scheppen in dat internationale kluwen van belangen en plichten, als een soort duizenddingendoekje tegen taaie klimaatpolitiek, blijkt beperkt houdbaar.
En misschien is dat maar goed ook. Want op zijn slechtst is het verlangen van milieuorganisaties naar een sterke rechter die grenzen stelt de juridische versie van het verlangen naar een ‘sterke man’ in de politiek.
Er gaat het idee aan vooraf dat het debat nu wel gevoerd is, dat er genoeg feiten op tafel liggen, en dat het nu een kwestie is van afdwingen wat allang had moeten gebeuren. Als de democratische elite het nalaat, moet een autoritaire leider het maar doen. Als de politiek het nalaat, moet de rechter het maar doen.
Het arrest van deze dinsdag laat zien dat rechters daar niet altijd in meegaan, omdat dat hun rol niet is. Grenzen zijn dingen die mensen maken, of niet. Als mensen ze onvoldoende maken, kunnen rechters ze niet tevoorschijn toveren. En rechters die ondanks gebrekkig bewijs toch voorbarig een streep in het zand trekken, zoals de rechters in het vonnis in 2021 deden, kunnen later door andere rechters worden gecorrigeerd. De rechtsstaat werkt.
Boven de klimaattop in Azerbeidzjan die momenteel bezig is, hangt de donkere wolk van de verkiezing van Donald Trump in de Verenigde Staten, die zijn land niet alleen wil terugtrekken uit het Klimaatakkoord van Parijs, maar mogelijk ook uit het raamwerk van de mondiale klimaatonderhandelingen, het VN-Klimaatverdrag uit 1992. Dat is een rampzalige herinnering aan dit feit: het debat ís niet gevoerd.
De feiten blijven veranderen, de strijd voor een leefbare aarde is en blijft politiek, en wie een grens wil stellen aan vervuilende praktijken, zal meer moeten doen dan procederen.