Passen er genoeg windmolens op de Noordzee voor Tata Steel?

Tata Steel Ijmuiden

De Klimaathelpdesk
Er is een op een geïnteresseerd publiek gerichte denktank, de  Klimaathelpdesk, waar je een vraag kunt deponeren over een energie- en/of klimaatgerelateerd onderwerp. Een keur aan Nederlandse geleerden werkt aan dit initiatief mee. Zie https://www.klimaathelpdesk.org/ . Onder aan de homepage kun je aanklikken wie dat zijn.

Mijn vraag en het antwoord erop
De reden waarom ik de vraag gesteld had, was dat kort tevoren er veel te doen was over de wens van Tata Steel Nederland (TSN), de FNV en milieuorganisaties dat Tata Steel moest vergroenen. Dat heeft een milieu-aspect (toxische emissies) en een klimaataspect (CO2 ).

Beide zouden er heel erg mee gediend zijn als TSN overging van steenkool op waterstof. Op zich kan dat: er is al een fabriek in Zweden die het doet ( https://lkab.com/en/press/hybrit-ssab-lkab-and-vattenfall-first-in-the-world-with-hydrogen-reduced-sponge-iron/?aid=16447 ).

Met waterstof gereduceerd sponsijzer van LKAB

Maar die waterstof moet groen tot stand komen (via de electrolyse van water) en de daarvoor nodige stroom moet dus groen zijn. Bij een aan zee gelegen complex denkt men dan al gauw aan wind op zee.

Ik weet te weinig van Tata Steel (een zeer ingewikkeld dossier) om hier een breed verhaal neer te zetten. Het is een belangrijk onderwerp en ik volg de literatuur aandachtig, maar ik heb geen praktijk en ik woon er ver van af. Ik heb in dit verhaal interesse in één deelaspect, namelijk of de Noordzeewind genoeg waterstof kan leveren.  

Want voor die waterstof is een heleboel windstroom nodig. Daarom had ik aan de klimaathelpdesk de vraag gesteld “  Is Tata Steel’s overstap naar waterstof haalbaar door de benodigde duurzame energie op te wekken in de Noordzee? “. Het aanklikken van deze tekst brengt je bij het antwoord. Dat is geformuleerd door Lennart van der Burg  van TNO. Als je Lennart  aanklikt, krijg je alle vragen en antwoorden die hij behandeld heeft.
Dat antwoord heeft overigens wel even geduurd. Ik heb de vraag ingediend toen ik 74 was (valt in de beantwoording te lezen) en nu ben ik 76 half. Maar goed, kniesoor die daar op let.
Bij het antwoord is een korte literatuurlijst meegeleverd die ook aanklikbaar is.

Foto fa Van Oord

Het antwoord verloopt in essentie in drie stappen: je moet weten hoeveel waterstof Tata Steel nodig heeft; gegeven die hoeveelheid moet je weten hoeveel windvermogen nodig is; en vervolgens moet je weten of dat vermogen er is of komt.

Voor de eerste twee stappen leunt de beantwoording op een studie van het bekende internationale consultancybureau Roland Berger. Tata Steel en de FNV waren gezamenlijk opdrachtgever. De studie staat in de literatuurlijst.
Berger beweert (blz 15) dat voor de 7,2 miljoen ton vloeibaar staal die Tata Steel jaarlijks maakt, jaarlijks 380.000 ton waterstof nodig is. Dit getal kan ik niet controleren en ik neem aan dat het klopt.
Vervolgens kun je met middelbare school-scheikunde uitrekenen hoeveel energie er vrijkomt als je 380.000 ton waterstof laat reageren met zuurstof tot water: 15,1TWh. Berger neemt nu aan (klein foutje) dat die 15,1TWh ook geldt als je het verhaal andersom vertelt, dus van water terug naar waterstof . Gekoppeld aan 4000  vollasturen wind op de Noordzee kom je dan op een nodig vermogen van 3,8GW (Berger zegt ongeveer 4GW).
Maar het rendement van de electrolysers is ca 70% en zo her en der valt nog wel wat energie uit als warmte. Men kan die 3,8GW windvermogen dus het beste zien als netto, terwijl er bruto ongeveer anderhalf keer aan turbines moet staan. Je hebt dus zowat 6GW windvermogen nodig.
Lennart heeft dit foutje kritiekloos overgenomen.

Verschijnt het regeringsbeleid ten tonele, in de vorm van twee Kamerbrieven van minister Jetten. Daarin wordt de Nederlandse wind op zee – ambitie in 2030 opgehoogd tot 21GW (die grotendeels nog niet gerealiseerd is). Op de langere termijn is meer mogelijk.

Dus, zegt de Klimaathelpdesk, het antwoord op de vraag is ‘ja’ want 4GW is kleiner dan 21GW (en de correcte bijna 6GW ook).
Ik ben zo vrij om daar ‘in principe’ aan toe te voegen. Want (en dat zegt ook de Klimaathelpdesk in een beperkend zinnetje), er zijn een heleboel industrieën die smachten naar groene waterstof en je hebt ook zoiets als opslagcapaciteit nodig (die ook weer voor verlies zorgt).

Of de Noordzee groot genoeg is voor alle waterstofhunkeringen, valt te bezien. Een studie van Taminiau en Van der Zwaan voor het jaar 2050 (die ook op de literatuurlijst van het antwoord van de Klimaathelpdesk staat ( https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4109358) spreekt over 59GW in de makkelijk toegankelijke delen van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone. Als men de turbines ook neerzet in gebieden waar nu naar olie en gas geboord wordt, in natuurgebieden en in militaire oefenterreinen (nogal wat als als als), zou men tot 99GW moeten kunnen komen.
Zowel de vraag naar als het aanbod van wind op zee in 2050 zijn te speculatief om hier verder op in te gaan.

Het feest gaat niet door
Uiteindelijk werd in 2023 bekend dat de hoogste Tata-directie de transitie (nu?) niet in bovengeschetste ideaalvorm wil uitvoeren. Dat is teleurstellend.
Maar vroeg of laat zal een CO2-vrije staalproductie er moeten komen. Staal blijft nodig.

DAF Trucks antwoordt op brief Milieudefensie Eindhoven

Op 23 januari 2024 heeft Milieudefensie Eindhoven een brief aan DAF Trucks gestuurd met het verzoek aan deze onderneming om een klimaatplan te maken, waarin het geheel aan scope  1-, scope 2- en scope 3-broeikasgasemissies in 2030 45% minder zal zijn dan in 2019. Zie www.bjmgerard.nl/milieudefensie-eindhoven-verzoekt-daf-trucks-om-klimaatplan/
De website van DAF Trucks maakte op dat moment nauwelijks sprake van dergelijke intenties.

De brief van Milieudefensie Eindhoven is geïnspireerd op de aanschrijving door Milieudefensie landelijk van 29 bedrijven, en op het onderliggende Shellvonnis, maar maakt geen deel uit van deze landelijke campagne.

Inmiddels heeft DAF Trucks dd 05 feb 2024 via Corporate Communications gereageerd op de Milieudefensie-brief. Hieronder het antwoord:

Uw brief van 23 januari jongstleden hebben wij in goede orde ontvangen en wij kunnen ons helemaal vinden in uw opmerking dat onze website zich op het vlak van duurzaamheid voornamelijk richt op de vrachtwagens die wij produceren. DAF onderschrijft de noodzaak van verduurzaming en heeft de afgelopen jaren vele stappen gezet in haar processen en bedrijfsvoering, om zo haar bijdrage te leveren aan een duurzame leefomgeving. Deze zijn echter niet als zodanig op onze website gepubliceerd.

Zoals u weet, moeten wij vanaf 2026 een uitgebreide ESG-rapportage opleveren, die de ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid in de volle breedte zal belichten, inclusief de scope 1, 2 en 3 emissies.

Op weg naar deze ESG-rapportage zullen we dit voorjaar (doelstelling is april) een eerste DAF Duurzaamheidsverslag uitbrengen, als opvolger van ons gebruikelijke milieujaarverslag. Het DAF Duurzaamheidsverslag zal vervolgens ook op onze website gepubliceerd worden. Of we er daarmee zijn? Zeker niet – we zien het als een eerste stap op weg naar de ESG-rapportage.

We zullen u het 2023 DAF Duurzaamheidsverslag doen toekomen, zodra dat beschikbaar is en nodigen u daarna graag uit voor een bezoek aan DAF, zodat we u kunnen toelichten wat wij allemaal doen op het gebied van aandacht voor onze leefomgeving. We horen dan ook graag uw terugkoppeling op ons verslag.

Milieudefensie Eindhoven is DAF Trucks erkentelijk voor het snelle en constructieve antwoord en dat in een retourmail laten weten. De organisatie gaat graag in op de uitnodiging het ESG-verslag te bestuderen en erop te reageren, en op de gespreksuitnodiging.

Het antwoord van DAF Trucks is bij Milieudefensie landelijk ter kennis gebracht. Mogelijk vloeit hieruit ook een reactie voort.

Drie Brabantse energieverhalen, van klein naar groot

Op mijn bureau liggen drie Brabantse energieverhalen. Die gaan alle drie over hoe het in de praktijk loopt.
De theatervoorstelling ‘Het appartementencomplex’ gaat over vier huizen die van het gas af moeten.
Dat is onderdeel van het grotere geheel van de Regionale Energie Strategie (RES) – er zijn in Brabant vier RES-gebieden.
En de Brabantse RES-sen zijn op hun beurt onderdeel van de provinciedoelen in 2030 en 2050.
Een verzamelverhaal dus van de kleine naar de grote schaal.

In gesprek met het publiek

Het appartementencomplex
Het onderzoekteam Live Journalism van de Amsterdamse Balie ( https://debalie.nl/live-journalism/ ) en het Eindhovense onderzoekscollectief Spot on Stories ( https://www.spotonstories.nl/ ) hebben samen onderzoek gedaan naar de energietransitie in Amsterdam en Brabant. Een uitgebreid onderzoeksverslag verscheen in het Eindhovens Dagblad van 13 jan 2024.
Het onderzoek werd op vrijdag 19 januari 2024  afgesloten met een theatervoorstelling ‘Het Appartementencomplex’ in de geheel gevulde podiumzaal van het Eindhovense NatLab.
Na afloop sprak Mattijs Smit van Spot on Stories met gedeputeerde Jos van der Horst (SP), die in de provincie het energiebeleid onder zijn hoede heeft.
Het verhaal is op de website van Spot on Stories te zien op journalistiek-theater-brengt-inwoners-en-overheid-dichter-bij-elkaar/ .

Een fictief Eindhovens appartementencomplex moet van het gas af en wel via de stadsverwarming – een actueel thema in Eindhoven. De houdingen van de vier fictieve bewoners lopen sterk uiteen. De gekozen flatvertegenwoordiger is aanvankelijk vóór, maar door de onduidelijke communicatie draait het plan in de soep. Immers, 70% moet vóór zijn en dat halen ze uiteindelijk niet.
Met een cursus ‘Inductiekoken voor beginners’, met bijbehorende gratis pannenset, krijg je geen stadsverwarming verkocht als niet eens duidelijk is of je er meer of minder geld aan kwijt bent dan vroeger.

Scène uit de voorstelling

Van der Horst en Smit in gesprek

Gedeputeerde Van der Horst maakt deel uit van middenbestuur – de gemeenten zijn verantwoordelijk in situaties als de nagespeelde. Maar er is inderdaad een groot verschil tussen de leefwereld en de systeemwereld. Maar ondertussen moeten er (van de RES) in 2030 wel 1,5 miljoen woningen van het gas af zijn (grofweg 20% van de woningvoorraad).
De provincie kan wel wat helpen met kennis en geld, en kijkt naar de oprichting van een publiek warmtebedrijf (een algemeen publiek energiebedrijf, met een veel ruimere taakopvatting, is niet mogelijk).

Wat ik er zelf van vind?
De kracht van de voorstelling is dat op goede wijze een reële situatie wordt nagespeeld.
De zwakte is dat een secundair probleem (de slechte communicatie) voorrang krijgt op het primaire probleem, namelijk dat wat gecommuniceerd moet worden. Het onderliggende beleid m.b.t. stadsverwarmingen deugt niet en dan kun je communiceren tot je een ons weegt.

Mijns inziens zijn stadsverwarmingen in bepaalde omstandigheden, zoals grote en dichtbebouwde wijken met kleine kavels en veel hoogbouw, de aangewezen oplossing. Het alternatief all electric is daar niet op grote schaal te realiseren en met hybride warmtepompen als alternatief verbruik je wel minder, maar niet helemaal geen gas meer, en je krijgt een grote extra elektriciteitsvraag.
Nog sterker, veel flatcomplexen hebben al blokverwarming en dat is familie van de stadsverwarming.
Verder is het onmogelijk om, per definitie grootschalige, geothermie, aquathermie en restwarmte (bijvoorbeeld van bijvoorbeeld rioolzuiveringsinstallaties en datacenters) te distribueren zonder een stadsverwarmingssysteem.

Omdat stadsverwarmingen nodig zijn, moet er deugdelijk beleid opgezet worden. In mijn ongeduld heb ik vanuit de zaal gesteld dat het Rijk gewoon de warmtetransitie bij wet verplicht moet stellen, er een systematische campagne van moet maken, er een smak subsidie tegen aan moet gooien en ter dekking een vermogensbelasting moet invoeren. De gedeputeerde keek verlangend en zuchtte.
Ik  realiseer mij dat dit kort door de bocht is, maar niet eens zo heel erg kort. Als je met subsidie de onrendabele top in de investering afdekt, is er minder vastrecht nodig.

Het warmtenet van de Amercentrale

De voortgang van de Brabantse RES-sen
De Regionale Energie Strategie RES) is een van de uitvoeringsprogramma’s van het Klimaatakkoord (daarnaast is er ook een programma voor wind op zee en wordt kleinschalige zon gemonitord).
De RES heeft twee hoofddoelen: bewerken dat in 2030 ca 1,5 miljoen woningen van het gas af zijn (grofweg 20% van de woningvoorraad), en bewerken dat in 2030 er landsbreed 35TWh opgewekt wordt met wind op land en grootschalige zon.
De bedoeling is dat deze inspanning regionaal en lokaal wordt ingevuld. Daartoe is Nederland verdeeld in 30 RES-gebieden, waarvan in Brabant vier: West; midden (Hart van Brabant); Noordoost; Zuidoost (MRE-gebied).
Gedeputeerde Van der Horst zit in de provinciale Stuurgroep RES.

De regio’s moesten een bod uitbrengen wat men aan duurzame stroom dacht te realiseren. Samen kwamen de 30 regio’s op ca 55TWh uit, dus op papier meer dan nodig was – ten dele ook in de verwachting dat niet alles wat gepland was, door zou gaan.

Om enig gevoel te geven voor verhoudingen: 35TWh = 126PJ is iets meer dan 30% van het totale Nederlandse elektriciteitsverbruik in 2022, elektriciteit was in 2022 goed voor 18% van alle netto energie in Nederland en huishoudens zijn goed voor ongeveer 1/7de deel van het Nederlandse energieverbruik.
Reken er voor de toekomst op dat het stroomverbruik enkele malen over de kop gaat bij een energieverbruik dat wat gaat zakken.
Een populaire misvatting is dat het energieprobleem opgelost is als het elektriciteitsprobleem opgelost is. Dat is dus allesbehalve zo.
Een ander misverstand (dat je wel eens bij bijvoorbeeld de SP ziet) is dat het energieprobleem opgelost is als dat van de huishoudens opgelost is. Dus evenmin zo.

Het Plan Bureau voor de Leefomgeving (PBL) houdt bij hoe de stand van zaken rond de RES is.
Over het vorige PBL-rapport heb ik al eerder geschreven op https://www.bjmgerard.nl/tussenrapportage-pbl-over-res-sen/ .
Onlangs kwam er weer een PBL-rapportage uit. Die is te vinden op  https://www.pbl.nl/actueel/nieuws/35-twh-doel-zon-en-wind-op-land-in-2030-goed-haalbaar-maar-groei-op-langere-termijn-stagneert .

Over warmte zegt het PBL samenvattend “De wettelijke en financiële kaders voor de warmtetransitie zijn nog grotendeels in ontwikkeling. Dit gebrek aan duidelijkheid kan het maken van concrete plannen vertragen, stellen de regio’s. Ook het conflict tussen de twee warmtesystemen, het collectieve en het individuele, kan de warmtetransitie vertragen: het nationaal beleid wil sterk inzetten op collectieve warmtevoorzieningen, zoals warmtenetten. Het maken van gemeentelijke plannen voor warmtenetten verloopt echter nog niet voorspoedig. In de tussentijd neemt het aantal individuele warmte-voorzieningen (elektrische en hybride warmtepompen) snel toe en worden nieuwe investeringen in warmtenetten hierdoor moeilijker omdat veel huizen al hun eigen warmtevoorziening hebben en geen aansluiting meer nodig hebben op zo’n warmtenet. Om de warmtetransitie op gang te houden en te versnellen, is het nodig de gebiedsge-richte aanpak van regio’s en gemeenten sneller in praktijk te brengen. ‘

Hiermee zegt het PBL eigenlijk hetzelfde als wat de theatervoorstelling impliciet zegt: duidelijke communicatie is niet mogelijk omdat er nog geen duidelijke werkelijkheid ligt. De nieuwe warmtewet zou die moeten geven en die zou in 2025 van kracht worden, maar dat staat op losse schroeven na de val van het kabinet.

Het PBL geeft geen kwantitatieve informatie over warmte in Brabant.
Dat doet het PBL wel over de verwachte realisatie van duurzame stroom uit wind en grootschalige zon in Nederland als geheel en in Brabant.


Het PBL komt landsbreed uit op 34 tot 44TWh uit wind en grootschalige zon en concludeert logischerwijze dat de oorspronkelijke RES-doelstelling in het Klimaatakkoord van 35TWh waarschijnlijk wel zal worden gehaald, maar dat de zelfopgelegde 55TWh teveel gevraagd is.
In bovenstaande tabel maken de vier biedingen (samen 6,6TWh = 24PJ) deel uit van de landelijke 55TWh. Van die 55TWh is 34TWh 62% en 44TWh 80%.
De tabel vermeldt per Brabants RES-gebied welk deel van het bod van dat RES-gebied waarschijnlijk in 2030 gehaald wordt. Dus in Zuidoost Brabant (het MRE-gebied rond Eindhoven-Helmond) gaat in 2030 waarschijnlijk 1,26TWh gerealiseerd zijn (0,56TWh staat er in 2023 al, 0,32TWh zit in de pijplijn (daarvoor is al SDE-subsidie toegekend) en 0,38TWh is als plan in de regio aanwezig. Eigenlijk heel matig.

Een actueel overzicht van alle aspecten van de RES in den lande is de ‘december 2023-foto’ van het Nationaal Programma RES. Die is te vinden op https://documenten.regionale-energiestrategie.nl/res-foto/np-res-foto-december-2023 .

Zonnepark Lungendonk 14 in Someren

Het rapport van de Zuidelijke Rekenkamer over de energie-ambities van Brabant
De Zuidelijke Rekenkamer (die werkt voor Brabant en Limburg) heeft de energie-ambities, en de realisatie daarvan, van beide provincies onderzocht. Beide onderzoeken zijn te downloaden op https://zuidelijkerekenkamer.nl/publicaties/voortgang-van-de-energietransitie/ . Op https://zuidelijkerekenkamer.nl/publicaties/voortgang-van-de-energietransitie-limburg/ is die van Limburg te vinden. Limburg loopt ver achter, maar daarover ga ik nu niet schrijven.

De eerder genoemde RES is hier op zijn beurt weer deel van een groter geheel. Veel groter zelfs.

De provincie Brabant heeft zichzelf twee energetische doelen gesteld:

  • In 2030 is ten minste sprake van 50% duurzame energie.
  • In 2050 is Noord-Brabant energieneutraal: ‘100% duurzame energie, grotendeels afkomstig uit Noord-Brabant’.

Er staat niet duidelijk of die 50% ook grotendeels uit Noord-Brabant afkomstig moet zijn, maar dat ligt voor de hand.
Ik beperk me nu tot 2030.

Het Rekenkamerrapport geeft politieke en bestuurlijke aanbevelingen die belangrijk zijn, maar die ik hier vanwege de ruimte niet bespreek. Ik licht er de gewenste en de gerealiseerde cijfers uit.


Waar praten we over?

Het totale Brabantse energieverbruik in 2021 (meest recente volledige gegevens) bedroeg volgens de Klimaatmonitor (dd 26 jan 2024) 261PJ. Daar zit een daling door Corona in. Zou die daling  doorzetten, dan zit je rond de 2030 ergens rond de 255PJ.
Laat je Corona weg, dan daalt het verbruik niet en zat de laatste pre-Coronajaren op 280PJ.
De helft hiervan zou, volgens de provinciale doelen, hernieuwbaar moeten zijn. Je kunt discussiëren de helft van wat precies, maar het Rekenkamerrapport werkt met 268PJ (dd een eerdere datum) en daarvan de helft, 134PJ. Andere aannames leiden niet tot wezenlijk andere resultaten.
Het Brabantse duurzame energiedoel in 2030 is dus 134PJ.

Van die 268PJ zou volgens de Rekenkamer in 2021 voor 29,7PJ uit duurzame energie bestaan en dat zou 11,1% van het Brabantse verbruik zijn. Dat is iets onder het Nederlands gemiddelde van 11,9%. De Brabantse voorhoedepositie bestaat meer als intentie dan als realisatie.
De nieuwste nationale doelstelling voor 2030 voor hernieuwbare energie bedraagt overigens 27% . Voor Brabant zou dat 72PJ zijn.
De ‘oude” doelstelling uit het Energieakkkoord 2013 was 16% hernieuwbare energie eind 2023. Voor Brabant zou dat ca 43PJ zijn.


Er zit echter een fout in de berekening van de Rekenkamer. Die is namelijk de Amercentrale geheel vergeten. Die fout wordt in de Klimaatmonitor zelf al gemaakt en de Rekenkamer borduurt daarop voort.
In de toelichting bij de Klimaatmonitor blijkt dat de CBS-categorie ‘Bij- en meestoken biomassa in centrales’ niet meegeteld  is. Dat is een aparte CBS-categorie. De toelichting op de Klimaatmonitor noemt slechts de decentrale categorie “Totaal biomassaketels bedrijven”.
Het weglaten van de Amercentrale is verhoudingsgewijze geen kattenpis. Deze 600MW-centrale zal binnenkort geheel op biomassa draaien, en blijft dus bestaan. De inrichting is goed voor ca 18PJ stroom en (in 2030) ca 3PJ warmte. Met andere woorden: de Amer9 produceert op zijn eentje om en nabij evenveel hernieuwbare stroom en warmte als de gezamenlijke Brabantse RES-sen.
Het bijstoken cq het alleen nog maar stoken van biomassa in centrales is omstreden. In het geval van de Amer9 verdedig ik de bijstook, mits met een goede rookgasreiniging en met gegarandeerde duurzame herkomst van de pellets. Zie https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ en van daar af verder terug.

De gezamenlijke RES-regio’s dragen voor een nog onbekend deel van 6,6TWh (= 24PJ) aan het Brabantse doel bij, wat dus duidelijk slechts een klein deel van het grotere verhaal is. De provincie denkt zelf dat dat onbekende deel 5TWh is (18PJ).

Als ik het zelf optel, kom ik dus uit op de ca 17 PJ biogas en biobrandstoffen uit bovenstaande tabel die de Rekenkamer noemt op gezag van de Klimaatmonitor (dat is 2021, zal in 2030 wel wat meer zijn),  op de ca 18PJ (of iets meer) hernieuwbare stroom uit de RES in 2030,  plus op ca 21 PJ stroom en warmte van de Amercentrale (ook 2030).
Volgens mij haalt NBrabant in 2030 ca 55 a 60PJ hernieuwbare energie op eigen grondgebied en haalde NBrabant in 2022 ongeveer 50PJ.
Dus dd 2023 ongeveer de ‘oude’ Nederlandse norm uit het Energieakkoord 2013, minder dan de nieuwste Nederlandse norm en nog minder in vergelijking met de eigen Brabantse norm.

(De tabel gaat over NBrabant. Zon groot telt mee voor de RES, de energie is die volgt uit een vermogen van 3286MW bij 900 vollasturen ).

(Deze tabel gaat over NBrabant. Wind telt mee voor de RES. De windopbrengst over 2022 volgt uit een vermogen van 346MW bij ca 1800 vollasturen.
Voor het elektriciteitsnet is de verhouding wind : zon = ongeveer 4:1 het gunstigst. De Brabantse verhouding ligt op ongeveer 1:5. Hierdoor is extra veel opslag en een extra verzwaard elektriciteitsnet nodig. De scheve verhouding komt onder meer vanwege de vijf militaire vliegvelden in NBrabant en de bijbehorende beperkingen).

Nu zit er een systeemfout in het fundament van de berekeningen van gemeenten en provincies die energieneutraal willen zijn.
Nederland als geheel vertrouwt sterk op wind op zee ter afdekking van de energiebehoefte.
In het Klimaatakkoord werd aan wind op de Noordzee 49TWH (=176PJ) toevertrouwd.
Nadien is deze ambitie bijna verdubbeld. In de nieuwe ambitie is de Noordzee in 2030 goed voor 86TWh (=310PJ). Zie https://windopzee.nl/onderwerpen/wind-zee/wanneer-hoeveel/wind-zee-rond-2030/ .
Deze opbrengst wordt op dit moment niet over de provincies (en daarna de gemeenten) verdeeld. Dat is een politiek verhaal. De regering kan ook zeggen dat een deel van deze opbrengst al op zee verbruikt wordt (bijvoorbeeld om waterstof te maken), of dat de stroom en de waterstof aan bepaalde specifieke industrieën wordt toebedeeld.
In het theoretische geval dat de 86TWh wind op zee in 2030 gehaald wordt, en dat NBrabant daarvan 1/7de deel toegewezen zou krijgen (om en nabij evenredig aan wat NBrabant binnen Nederland voorstelt), zou dat voor NBrabant 1/7de *310 = circa 45PJ betekenen.
In dat geval zou aan de 55 a 60PJ toegevoegd worden 45PJ wind op zee. . Alleen is dat dan niet meer ‘op eigen Brabants grondgebied’.
Met een evenredig deel van wind op zee meegeteld zou NBrabant in 2030 op ongeveer 105 a 110PJ komen.
Het NBrabantse doel van 134PK  is dan nog  niet gehaald, het nieuwe Nederlandse doel van 72PJ wel.


Een paar moralen ter afsluiting.

  • Je ziet in Brabant nog veel te weinig energiebesparing
  • Zelfs als er wel een substantiële besparing zou zijn, zou je nog alle denkbare energiesoorten nodig hebben om je doel te bereiken (dus bijvoorbeeld niet alleen maar zon op dak en wind op zee). Het is èn èn, niet òf òf. Elke deskundige zal dit beamen.
  • De RES-sen moeten worden afgemaakt, maar dat is niet voldoende
  • De Amer9-centrale moet in de verduurzamingstaak meetellen
  • Het recente regeringsbeleid werkt het oprichten van nieuwe wind- en zon-installaties tegen (https://www.bjmgerard.nl/bijna-verbod-op-zonneparken-een-slechte-zaak/ ).
  • Grotendeels op eigen grondgebied energetisch zelfvoorzienend zijn is in NBrabant niet mogelijk
  • Überhaupt is het importeren van energie geen schande (doet Nederland nu ook). De vraag is echter of er in 2030 in het buitenland al voldoende aanbod van duurzame energie is (terwijl de toeleverende landen hun eigen duurzame doelen behalen).

Milieudefensie Eindhoven verzoekt DAF Trucks om klimaatplan

Als je de site van DAF Trucks en DAF Nederland bestudeert op milieu- en klimaatinformatie, zie je alleen maar mooie blinkende vrachtauto’s en dat is het dan.

Milieudefensie Eindhoven neemt aan dat DAF Trucks goede trucks bouwt die in relatieve zin goed voor het klimaat zijn, maar een goed klimaatbeleid vraagt dat je ook naar de broeikasgasemissie van het productieproces kijkt (Scope 1); naar de broeikasgasemissie van de geïmporteerde stroom (scope 2); naar de emissies, niet zijnde stroom, die horen bij bijvoorbeeld aangekochte grondstoffen (scope 3 upstream) en naar de gezamenlijke emissies t/m de sloopfase (scope 3 downstream). Alleen dit laatste onderdeel vult DAF Trucks met zijn beleid gedeeltelijk in – tenminste, als de eigen site representatief is voor het doen en laten van DAF Trucks.

De actie is geïnspireerd op de aanschrijving door Milieudefensie landelijk van 29 bedrijven in Nederland. Daaronder ING, waartegen Milieudefensie een proces wil gaan starten.

Milieudefensie Eindhoven heeft DAF Trucks verzocht om een klimaatplan te maken waarin in 2030 45% minder broeikasgas wordt uitgestoten dan in 2019, en om daar bekendheid aan te geven.

De brief aan DAF Trucks is hieronder te vinden.

Een CO2-plafond op alle luchthavens: hoe staat het er voor?

Ik heb dit artikel in eerste instantie geschreven voor de BVM2-site https://bvm2.nl

SAF tanken (foto Sky NRG)

Een CO2-plafond op alle luchthavens: hoe staat het er voor?

In het Ontwerp-Akkoord Duurzame Luchtvaart dd 21 feb 2019 zijn nationale CO2-doelen voorgesteld (zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31936-585.html ). Kort door de bocht: de emissies zijn in 2030 teruggebracht tot die in 2005, in 2025 tot de helft daarvan, en in 2070 is nul emissie een stip op de horizon waarvan de haalbaarheid onderzocht wordt.
Men kan met reden vinden dat de luchtvaart er wel erg gunstig af komt en aan de Duurzame Luchtvaart Tafel zaten dan ook vooral de luchtvaartwereld en de aanhangende commerciële  en kennisinstellingen.
Dit vastgesteld zijnde, blijft dit verder in dit artikel onbesproken.

In de Luchtvaartnota 2020-2050 staat dat deze bedoeling omgezet moet worden in een norm (‘geborgd’). Dat staat ook in het coalitieakkoord van de, inmiddels demissionaire, regering. Daarna is er, betrekkelijk geruisloos, een beleidsontwikkeling in gang gezet die inmiddels tot brieven van de regering geleid heeft dd 17 jan 2023 ( https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z00429&did=2023D01070  ), dd 17 maart 2023 ( https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023D10876&did=2023D10876 ) en 12 december 2023 ( https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z19960&did=2023D48803 ) .

Op 17 maart 2023 stelde de regering de volgende randvoorwaarden aan een te ontwikkelen plafond vast:

  • Bovengenoemde CO2-doelstellingen moeten gehaald worden. Het wordt een wettelijke norm.
  • CO2-vermindering gebeurt binnen de sector zelf, dus zonder compensatie elders
  • Het plafond moet duidelijk handhaafbaar zijn, maar gaat pas opspelen als de doelen niet gehaald worden. Het is een stok achter de deur.
  • Het moet passen binnen de bestaande ICAO-, EU en nationale doelstellingen

Als de norm niet gehaald wordt, wordt er minder vaak of minder ver gevlogen, worden efficiëntere vliegtuigen ingezet of meer duurzame brandstof bijgemengd – aldus de regering.

Uiteindelijk heeft de regering ervoor gekozen om een plafond per afzonderlijke luchthaven te gaan vaststellen, en niet voor een variant waarin gewoon naar de nationaal getankte brandstof gekeken werd, en niet voor de variant dat er een nationaal Nederlands ETS zou worden opgetuigd.
Dat de geraadpleegde juristen een apart Nederlands ETS afgeschoten hebben, valt te volgen.
Dat ze een nationaal brandstofcriterium afgeschoten hebben vanwege de EU, terwijl een decentrale aanpak, opgeteld, ook tot een brandstofcriterium kan leiden  wat dan niet met de EU strijdig zou zijn, valt iets minder goed te volgen.

De opdeling per luchthaven is het makkelijkste (zegt de minister in navolging van de juristen), geeft het minste last op internationaal gedoe en het best handhaafbaar. Daarvoor heeft de minister gekozen, al dan niet terecht.

Deze keuze heeft echter twee zwaktes: de luchthavens en de slotcoördinator (die de tijdsloten voor een start of landing vrijgeeft) hebben geen directe zeggenschap over zaken als de bestemming of het type vliegtuig, en de CO2 -productie gebeurt collectief, terwijl dat collectief niet als collectief aan te pakken is (overigens is ook de geluidsproblematiek collectief, dus nieuw is dat probleem niet).
Men zou kunnen denken dat de minister risico’s naar omlaag in de keten schuift, terwijl ze hoog in de keten beter af te handelen zijn. BVM2 spreekt hier nog even geen eindoordeel uit. 

Ongeacht hoe men de keuze van de minister waardeert, het lijkt dus vooralsnog een gelopen race dat Eindhoven Airport dus eigen CO2 – plafond krijgt. Tenzij een eventuele nieuwe, rechtse regering alsnog alle afspraken overhoop gooit.
In principe kan een CO2 – plafond een goede zaak zijn, maar het hangt er van af hoe hoog dat plafond is en hoe het wordt ingericht.

Omdat er haken en ogen zitten aan een dergelijk lokaal CO2 – plafond, heeft de minister vervolgens het luchtvaartbureau to70 opgedragen uit te zoeken wat er de beste inrichting van is. In zijn brief dd 12 december 2023 presenteerde de minister het To70-verhaal, en zijn reactie erop (de minster volgt To70).

Er bestaan collectieve maatregelen, waarmee het vliegveld het geheel aan vliegbewegingen kan sturen, en individuele maatregelen waarmee afzonderlijke luchtvaartmaatschappijen beïnvloed kunnen worden.

To70 noemt de collectieve maatregelen ‘control mechanismes’ en de minister noemt die ‘sturingsmogelijkheden’.
Daar is er in praktijk maar één van omdat een vliegveld geacht wordt zich niet met kenmerken van een vlucht te bemoeien. Het vliegveld dient slechts om de vliegtuigen op verantwoorde wijze binnen hun tijdslot in of uit de lucht te krijgen. Of dat vliegtuig daarna naar Londen vliegt of naar New York, is niet het pakkie an van het vliegveld.
Er wordt met tijdslots gewerkt op Schiphol, Eindhoven en Rotterdam. De baas van de tijdslots is de slotcoördinator.
Het is in beginsel denkbaar dat de collectieve CO2-productie als een ‘environmental constraint’ een rol mag spelen bij het toekennen van het maximum aantal slots (de capaciteit). De slotcoördinator moet dan voor de omgang daarmee kunnen uitrekenen hoeveel CO2 bij een vertrekkende vlucht hoort. Daarvoor is een softwaremodel nodig (dat nog niet bestaat), en moet de wet worden aangepast.
In bovenstaande plaatje is dit de kolom ‘slot allocation process’.
BVM2 vindt dit een serieus te overwegen gedachte. Als daarvoor een wets- en IT-wijziging voor nodig is, moet dat gewoon gebeuren, ook al hebben de luchtvaartmaatschappijen er geen zin in.
De tweede kolom (‘movement allocation process’) geldt voor Maastricht en Eelde en is dus voor Eindhoven niet relevant.

Daarnaast bestaan er financiële maatregelen die zich richten op individuele maatschappijen. To70 noemt die in bovenstaande tavel ‘Use of incentives’ en de minister noemt dat ‘individuele prikkels’ of ook ‘incentives’.  Die kunnen een ‘wortel’ of ‘stok’ karakter hebben of beide, in welk geval men de wortel-plus en de stok-min op samen nul kan laten uitkomen (dan wordt het een bonus-malus regeling). Wortels kunnen verstrekt worden, en met stokken kan geslagen worden, door de regering, het vliegveld en de slotcoördinator.
Verondersteld wordt dat luchtvaartmaatschappijen in staat zijn feitelijk de aan de incemtive verbonden voorwaarde uit te voeren.
De derde kolom gaat over het geheel aan incentives.

In bijlage A van To70 staan tien mogelijke beïnvloedingsdoelen (‘targeted factors’), maar die zijn niet allemaal even praktisch. To70 heeft er vier in de studie meegenomen: het vliegtuigtype, het motortype, de vliegafstand (lange afstandsvluchten zuipen onevenredig veel kerosine) en het aandeel SAF (Sustainable Aviation Fuel). Dit lijkt een redelijke keuze.
In bijlage B staan nog veel meer denkbare incentives, waaruit er ook maar weer een drietal wordt gekozen:

To70 wil niet aan het apart ontmoedigen van lange-afstandsvluchten omdat dat teveel economische nadelen zou geven. Men kan daar anders over denken maar voor Eindhoven Airport is het niet relevant, omdat vanaf Eindhoven geen civiele lange afstandsvluchten vertrekken.

De minister heeft  op 12 december 2023 gereageerd op de inbreng van To70 en van anderen. Puntsgewijze.

  • Het gaat om de hele vluchtduur van vertrekkende internationale vluchten
  • Overheidsvluchten en humanitaire vluchten tellen niet mee
  • Alleen vliegtuigen onder de 5700kg tellen niet mee (die drempel geldt ook bij de ICAO en het ETS). Lichte vliegtuigen stoten tamelijk weinig CO2 uit
  • Vliegvelden als Budel en Seppe tellen niet mee
  • Fossiele kerosine levert 3,16kg CO2 per kg kerosine, SAF wordt op 0 vastgeprikt (wat te gunstig is als het biokerosine is). Dat past bij de EU RED III.
  • De luchthaven wordt probleemeigenaar van de handhaving
  • De ILT gaat handhaven, behalve op Eindhoven waar nog niet duidelijkis of de ILT dat gaat doen of de militaire MLA. Hierover komt later uitsluitsel.
  • Het handhaafjaar loopt van 01 nov t/m 31 oktober
  • Er wordt gehandhaafd op een voortschrijdende gemiddeld van drie jaar. Dat geeft enige bescherming tegen toevalseffecten
  • Ook aan de jaren tussen de doeljaren 2030, 2050 en 2070 wordt een plafond toegekend
  • Het idee van To70 om de capaciteit (en daarmee het aantal slots) collectief te laten beperken “zou een effectieve manier kunnen zijn” om de CO2 -grip te versterken op luchthavens met een slotsysteem. Er staat niet met zoveel woorden expliciet dat de minister dit idee uit gaat voeren. Voorwaarde is dat de slotcoördinator zijn kg CO2 per slot moet kunnen uitrekenen  (bij To70 de IT-eis)
  • De minister kan zich vinden in de differentiatie van havengelden, zodat naast geluid ook energieefficiency een rol gaat spelen.
    De minister kan zich vinden in een SAF-fonds, al zou dat misschien als staatssteunkunnen worden uitgelegd (eindhoven Airport is, direct of via Schiphol, een overheidsonderneming).
    De minister beweert dat To70 geen verbod op inefficiënte vliegtuigtypes aanraadt. Hier jokt de minister, want Ro70 vindt een verbod juist erg efficiënt werken. Er zijn inderdaad haken en ogen, maar nergens zegt To70 dat die een verbod onmogelijk maken.
    To&0 maakt de vergelijking met de autoindustrie. Daar kreunt en steunt en lobbiet de industrie tegen dwingende Europese voorschriften, maar uiteindelijk worden die (eventueel in afgezwakte vorm) wel dwingend opgelegd. Hier doet de minister aan subtiele manipulatie.
  • Vijf jaar na invoering van het nieuwe systeem volgt een evaluatie

Rest nog het vraagstuk van hoe je de monitoring van de CO2 uitvoert. Daarover gaat een bijlage bij de Kamerbrief van 12 december 2023.
Die monitoring zou plaats kunnen vinden door simpelweg naar de brandstofcijfers van de luchthaven te kijken. Dat heeft als nadeel dat vliegtuigen kerosine kopen waar die het goedkoopst is en dan meer meesjouwen dan nodig (zoiets als benzine kopen in België). Dat heet tankering. Op Schiphol wordt een paar % meer verkocht dan er wordt verbrand. Vraag is of dat zo erg is. Het is in elk geval simpel.
Idem door de toekomstige ReFuelEU – verkoopcijfers per luchthaven te bekijken, maar die database bestaat nog niet en lijdt ook aan het tankering-euvel.
Blijft over een model bouwen. Daar zouden minstens data als het aantal vluchten, bestemmingen, SAF-gebruik en het type vliegtuigen in moeten. Dat zou accurater zijn (maar ook minder transparant) als kilo’s kerosine tellen. Bovendien moet er toch een soort model komen, zodat men in januari enig gevoeld heeft wat men mag verkopen om in december nog genoeg over te houden.
Bovendien moet geluid ook gemodelleerd worden en wellicht kan dat samengaan.
Hoopt men. Bij BVM2 bestaat enige scepsis rond overheid en computers.

De minister wil zijn keuzes in een vrandering van de Wet luchtvaart gieten. Het streven is om die in de eerste helft van 2024 in de Internetconsultatie te gooien. De minister wil in het voorjaar van 2024 een nieuwe Kamerbrief schrijven.  


Klimaatrechtvaardigheid berekenen

Intro
“Klimaatrechtvaardigheid” bekt lekker, zeker in het Engels, luidkeels galmend in de straten tijdens een demonstratie. Maar ik ben tot voor kort niemand tegengekomen die een coherent verhaal oplepelt wat het begrip betekent. Waaraan herken je in voorkomende situaties of iets klimaatrechtvaardig is of niet? Kun je daar Euro’s en kilo’s CO2 aanhangen?

“Tot voor kort”, want sinds begin november 2023 is het iets makkelijker. Toen brachten Milieudefensie als opdrachtgever en ingenieursbureau Kalavasta als uitvoerder de 1.0 – versie van het Beleid Transitie Model uit (BTM). Dat model is te vinden op https://klimaatrechtvaardigheidscheck.nl/ . Het is gratis en vrij bruikbaar.

Milieudefensie heeft een goed stuk werk verricht, dat zich helaas niet leent voor een breed publiek.


Het is een ingewikkeld werkstuk en dat komt vooral omdat de werkelijkheid, waarvoor het model model staat, zelf zo ingewikkeld is. Er zit flink wat documentatie bij (onder de TAB ‘handleidingen’) en dat is geen luxe. Dan nog heb ik er vele uren op zitten puzzelen tot ik het een beetje snapte. Het lukt alleen als je achter de computer zit.
Wie details wil weten, moet zelf in de documentatie duiken.

Kern van de zaak (en daar is het model uniek in) dat het model focust op de positie van huishoudens.
Wat overigens slechts een deel van een groter verhaal is, maar dat wordt elders aangepakt (bijvoorbeeld in de bedrijvenactie van Milieudefensie).

Uitleg van het model
Als je het model  binnenhaalt en start, zie je een gebruikersinterface. Hierboven een afbeelding. De gekleurde hokjes horen niet bij de interface, maar bij de didactiek daarvan.

Het referentiejaar is 2023 en het doeljaar is 2030.
(Na 2030 gaat de taakstelling verder, maar daarover gaat dit model niet).

Het model wordt aangeleverd in de standaard modus ‘basisjaar’. In die modus zijn de variabelen in het model ingevuld met officieel beleid, dat op Prinsjesdag in september 2023 voldoende zeker was om mee te kunnen rekenen, of minstens om geloofwaardige aannames te doen.
Klikt men in de kolom ‘navigatie’ uit de vier thema’s huisvesting-mobiliteit-voeding-spullen aan de mobiliteit, en daarna in het navigatieveld het subthema vervoer met auto, en daarna in het Invoerveld het sub-sub-thema beleid heffingen, dan verschijnen in dat Invoerveld  de veronderstelde toekomstige Europese CO2-heffing ex het ETS2, de aanschafbelasting BPM, BTW en accijns, en de kilometerheffing (die standaard op nul is gezet vanwege onvoldoende duidelijkheid).
De standaardwaarden, die daar nu staan, leiden tot resultaten in het veld Grafieken.
De horizontale as bevat altijd een inkomensindeling (waarover verderop nadere uitleg), de verticale as kan gekozen worden en staat in de standaardversie op ‘directe emissies toekomst in kg CO2 per huishouden (hh) per jaar’ (toekomst = 2030).

Wat het model met ‘direct’ en ‘indirecte’ emissies bedoelt, verdient toelichting.
Het model stelt ‘direct’ gelijk aan wat het huishouden zelf aan energie opwekt (in technische termen scope 1). Dat betreft aardgas in de woning, benzine of diesel voor de auto en een evenredig deel van de kerosine voor het vliegtuig.
De rest van de emissies is indirect (scope 2 en 3). Aangeleverde stroom en stadswarmte aan de woning zijn in het model als scope 2 indirect; aan de auto geleverde stroom als scope 2 indirect; omzettingsverliezen in het raffinageproces en emissies bij de opwerking van elektriciteit voor de auto zijn scope 3 en dus indirect; omzettingsverliezen in het raffinageproces van kerosine en extra klimaateffecten op grote hoogte zijn scope 3 en indirect; alle spullen (waaronder de fabricage van de auto en het vliegtuig) zijn als scope 3 indirect; zo ook voedsel.

De uitkomsten van het model als geheel (dus de vier thema’s samen ) worden weergegeven in de strook ‘Dashboard’ onderaan. De TAB ‘Dashboard wijzigen’ maakt het mogelijk de weer te geven grootheden boven de kolommen en naast de rijen te kiezen. In de grafiek hieronder staat de standaardkeuze.
‘%’ betekent hoeveel de waarde in 2030 (die ook in absolute cijfers gegeven wordt)  is t.o.v. die in 2023.  Dus bij de 6de deciel is de directe CO2 – emissie in 2030 van huis, auto en vliegen samen 4382 kg CO2 per huishouden per jaar, en dat is 75% van de waarde in 2023.
Bij de 6de deciel is de indirecte CO2 – emissie in 2030 van huis, auto, vliegen, voedsel en spullen samen 9066 kg CO2 per huishouden per jaar, en dat is 93% van de waarde in 2023.
Naast het verhaal over de kilo’s CO2 is er uiteraard ook een financieel verhaal. In het Dashboard komt dat tot uiting in de kolom ‘Totale uitgaven van modules binnen het model’ (dat is inclusief afschrijving en onderhoud) en in de kolom ‘Totale uitgaven’. De logica m.b.t. de absolute en %-cijfers werkt hetzelfde.

De inkomensverdeling van de horizontale as verdient eveneens uitleg. Zie eventueel https://longreads.cbs.nl/welvaartinnederland-2019/ en dan de bijlage.
Het begrip ‘gestandaardiseerd inkomen’ is ontworpen om de inkomenspositie van huishoudens met diverse samenstelling statistisch te kunnen vergelijken. Eerstens heeft elk huishouden een besteedbaar inkomen. Maar alleen wonen is duur en het paarsgewijze een woning bewonen heeft voordelen, ook financiële. Je kunt met zijn tweeën onder dezelfde lamp zitten.
Het CBS heeft experimenteel factoren bepaald die afhankelijk zijn van de gezinssamenstelling (bijv. voor twee volwassenen zonder kinderen 1,37), en waardoor het besteedbaar inkomen gedeeld wordt. Het getal dat daaruit komt heet het gestandaardiseerd inkomen. Dit begrip is per definitie gelijkgesteld aan de koopkracht. Dus een éénpersoonshuishouden met €10.000 en een twee volwassenen-huishouden met €13.700 worden statistisch beide ingeboekt als een gestandaardiseerd inkomen van €10.000, tevens gelijk aan de koopkracht.
Vervolgens is het koopkracht-spectrum verdeeld in tien groepen waar steeds evenveel huishoudens inzitten (decielen), en die decielen staan op de horizontale as (vanwege plaatsgebrek is het woord ‘1ste deciel’ niet afgedrukt).

Hou in de gaten dat het model gebaseerd is op heel veel aannames, statistische vereenvoudigingen en onzekerheden. Vaar er niet blind op. Dat zegt trouwens Kalavasta zelf ook. Het is indicatief, maar dat dan goed.

In de witte hokjes in de lichtgrijze achtergrond kun je eigen waardes intypen in plaats van de standaardwaarde die er staat. Daarmee kom ik op de tweede modus, de zelfgebruikmodus. Na het invullen van de alternatieven de TABknop ‘Bereken’ aanslaan en het model rekent uit wat jouw versie van de werkelijkheid voor effecten heeft.
Je kunt jouw werkelijkheid (‘scenario’) via de TAB ‘Acties’ onder een zelfgekozen naam opslaan. Maar daarvoor moet je eerst een account aanmaken en dat moet, om een mij onduidelijke reden, met twee-factor bescherming van Google en dat geeft zoveel gedoe dat ik er niet aan ben begonnen.
Onder de TAB ‘Acties’ ook enkele andere nuttige functies, zoals het resetten naar het basisjaar.

Hieronder de interface die je ziet als je het Basisjaar (referentie) ophaalt, en daaronder een voorbeeld van de interface die je  krijgt als je de subsidies van €2950 op elektrische auto’s in 2025 niet afschaft. Dit slechts omdat dat een kort en eenvoudig voorbeeld is, niet omdat ik daar inhoudelijk iets van vind.


Een goede vraag, gezien deze getallen, is hoe de laagste decielen überhaupt rondkomen.

En nu de klimaatrechtvaardigheid
Deze uitgebreide technische beschrijving was nodig omdat het klimaatrechtvaardigheidsverhaal in het model technisch op dezelfde wijze georganiseerd is.

Sla daartoe in het Navigatieveld de TAB ‘Klimaatrechtvaardigheid’ aan, en na een kort introriedeltje de TAB ‘Klimaatrechtvaardigheid op basis van capaciteit en verantwoordelijkheid’. Even lezen en doorscrollen tot waar er ingevuld kan worden. De begrippen ‘capaciteit en verantwoordelijkheid’ vormen de basis van het kwantitatief inzichtelijk maken van wat Klimaatrechtvaardigheid voor huishoudens betekent.

Eerstens stelt het model standaard het reductiedoel voor 2030 in als 45% t.o.v. 2019, de uitspraak van het IPCC en van het Shellvonnis (en van de 29 bedrijvenactie van Milieudefensie). Men kan dit desgewenst zelf hoger zetten (bijvoorbeeld de 55% van het nationaal beleid en het Europese Fit for 55).
De totale reductieopgave van huishoudens moet door de tien decielen gezamenlijk worden opgebracht. De klimaatrechtvaardigheid gaat erover hoe dat verdeeld wordt

Het begrip ‘capaciteit’ is gedefinieerd als het gestandaardiseerd inkomen minus een vrijstelling. Die vrijstelling is door het model standaard vastgesteld op €15576 per huishouden per jaar, het niet-veel-maar-toereikend-criterium van het Centraal Plan Bureau (CPB). De gedachte is uiteraard dat daaronder de kip zo kaal is dat er geen veren meer te plukken zijn. De vrijstelling is instelbaar.
De aldus gedefinieerde  ‘capaciteit’ is een kwantificering van ‘de sterkste schouders’.

Het begrip ‘verantwoordelijkheid’ is afgeleid van de fair share-gedachte. Als er op de mondiale uitstoot van 59Gton per jaar 45% geminderd wordt, blijft er 32,45Gton over. Dat delen door 8,5 miljard mensen leidt tot een vrijstelling van 3818 kg CO2 per persoon per jaar (dit getal is ook weer instelbaar). Dat maal het gemiddelde aantal personen per huishouden wordt vervolgens als berekeningsbasis in het model gebruikt. Het verschil tussen de feitelijke CO2 -lozing en de vrijstelling per huishouden is de definitie van de ‘verantwoordelijkheid’. Een grote verantwoordelijkheid betekent een grote vervuiler.

Klimaatrechtvaardigheid gaat erover wat men de beste balans vindt tussen verantwoordelijk en capaciteit. Dat is een politiek (zo men wil ethisch) waarde-oordeel en geen model kan waardeoordelen geven. Klimaatrechtvaardigheid is een hele belangrijke factor, maar niet de enige. Ook het reductiedoel moet bereikt worden.
Aan de andere kant hebben de hoogste inkomens onevenredig veel profijt van nationale stimuleringsmaatregelen. Dat dat scheef is, is ook een politiek waardeoordeel.

Het model kan wel inzichtelijk maken wat keuzes betekenen. Men kan daartoe in het model een schuif zetten tussen verantwoordelijkheid en capaciteit.
De schuif naar helemaal links (100% verantwoordelijkheid, 0% capaciteit) staat gelijk aan de gedachte ‘de vervuiler betaalt ongeacht zijn inkomen’. Men zal dit niet gauw klimaatrechtvaardig vinden.
De schuif op 50-50% is een compromis dat als standaard aangeboden wordt door het model.
De schuif naar helemaal rechts (0% verantwoordelijkheid, 100% capaciteit) staat gelijk aan de gedachte ‘de sterkste schouder betaalt, ongeacht zijn emissie’.
Wat mij persoonlijk betreft, zit het optimum dat de schuif ergens rechts van het midden zit. Voor een preciezere aanduiding zou ik eerst diep moeten nadenken.

Hieronder hoe de verdeling eruit ziet in bovenstaande drie standen van de schuif.
Lees dit als volgt: de lichtgroene balk geeft de feitelijke emissie van een huishouden weer, zoals dat geschat wordt in 2030.
De donkergroene balk geeft het doel weer (zijnde 3818*de gemiddelde gezinsgrootte).
Als de lichtgroene balk boven de corresponderende donkergroene balk ligt, moet het verschil als extra reductie-inspanning tussen nu en 2030 worden waargemaakt.
In de 50-50% stand heeft het bestaande nationale beleid ervoor gezorgd dat laagste deciel in 2030  niet meer loost dan in 2030 mag.

Maar dan moet dat beleid wel worden uitgevoerd.

 Schuif links, 100% verantwoordelijkheid (vervuiler betaalt)

Schuif in het midden, 50-50%

Schuif rechts, 100% capaciteit (de sterkste schouders betalen volledig)

Bossen kunnen veel extra koolstof opnemen mits mits mits

Er is veel wetenschappelijke aandacht voor de vraag hoeveel koolstof de bossen op aarde zouden kunnen opnemen. Een recente studie in Nature geeft een antwoord dat wel eens de standaard zou kunnen worden, namelijk 226 Gton koolstof ( C ), op elementbasis gerekend.
De studie heet Integrated global assessment of the natural forest carbon potential en  is te vinden op https://www.nature.com/articles/s41586-023-06723-z .

Voor een NRC-interview van de hand van Nienke Beintema zie gevarieerde-bossen-kunnen-veel-koolstofuitstoot-opvangen_16nov2023 .

Nabuurs

De studie is een schoolvoorbeeld van wetenschappelijk teamwork: de aftiteling vermeldt 234 onderzoekers van een zeer groot aantal instituten uit de hele wereld. Bekendste deelnemer uit Nederland is Gert-Jan Nabuurs, de man die het meeste weet van bosbouw in Nederland. Hij is Professor European Forest Resources Professor European Forest Resources aan Wageningen University & Research en bij zes IPCC-rapporten betrokken geweest ( https://www.linkedin.com/in/gert-jan-nabuurs-803b091b/ ).

Uiteraard is de vraag niet nieuw. Er zijn al heel wat satellietuurtjes aan besteed, maar de satelliet loopt tegen inherente beperkingen aan. Zo ook als je niet anders doet dan het bos ingaan en stammen meten.
Voor het eerst is er een methode gebruikt die voldoende fijnmazig omhoog kijken vanaf de bosbodem, en omlaag kijken van uit de satelliet, op goede wijze combineert. Dit maakt de uitkomsten betrouwbaarder, zij het dat er nog steeds flinke foutenmarges in zitten. Maar na enig passen en meten blijken de diverse studies heel redelijk op ongeveer dezelfde uitspraken uit te komen.

In onderstaand schema stelt ‘canopy cover’ de blik van onder naar boven voor, en de andere drie balkjes drie verschillende satellietmetingen.
De  volle lengte van elk balkje is wat bij die betreffende methode potentieel mogelijk is, en de lengte van het balkje onder de witte streep is wat er volgens die methode feitelijk bestaat. Het verschil is dus wat kan worden toegevoegd.

Uitkomsten voor verschillende meetmethodes voor de bestaande en de potentieel mogelijke koolstofopslag in bossen. Rechts wat diverse literatuur aangeeft t.o.v. een bestaande waarde van 443 GtonC, gemiddeld over die literatuurstudies;

Uitkomsten
In essentie berekent de studie hoeveel koolstof ( C ) er wereldwijd boven en onder de grond (samen) in bossen aanwezig zou zijn als er geen of weinig mensen op aarde waren, en trekt daar de koolstof in en onder actueel bestaande bossen van af. In grove termen levert dat voor hout boven de grond en de wortels samen de aftreksom 600 – 400 = 200 Gton C op.
Omdat (opnieuw in grove termen en mondiaal gemiddeld) de koolstof in dood hout, afval en bosbodems samen om en nabij de helft is van die in levend hout, komt het ruwe plaatje erop uit dat tussen droom en daad all-in ongeveer 300Gton C zit.
Overigens is het aandeel dood hout en bosbodem in het tropisch regenwoud veel kleiner dan genoemde helft, en in arctische bossen veel groter dan die helft (daarom gaan bosbranden in Alaska soms gewoon niet  meer uit in de winter bg).

Uiteraard doen Nabuurs cs het allemaal preciezer. Dat levert als eerste resultaat het getal 328Gton C (op elementbasis) op voor hout boven de grond, wortelmassa, dood hout en dode bladeren en bosbodem samen. In onderstaande cirkels tellen b), d) en e) op tot deze 328Gton C.

Vervolgens  verdeelt de Nature-studie dit getal over drie typen gebieden: 139 Gton C in bestaande bossen (‘conservation potential’); 87 Gton C gebieden waar ooit bos gestaan heeft, en waar de mensheid weinig mee doet (‘restoration potential’ op ‘low-human pressure land’ en ‘rangeland’)  en 102 Gton C in stedelijk- en vooral landbouwgebied (‘urban and agriculture’ op ‘cropland’ en ‘pasture’).
De onderzoekers hebben besloten dit laatste gebied niet mee te tellen in de uitkomst (de eerste ‘mits’). De grond is maatschappelijk nodig en de kansen zijn sowieso niet erg gunstig, omdat er mondiaal nog steeds ontbost wordt (ter grootte van 0,9 – 2,3Gton C).

Na weglaten van de urban-agriculture post blijft er 226 Gton C over, en dat is de hoofduitkomst van de studie. Anders uitgedrukt: men kan 139 Gton opslaan door het verbeteren van bestaande bossen, en 87 Gton C door het opnieuw aanplanten van verloren gegane bossen, zonder in belangrijke maatschappelijke conflicten te verzeilen.


Nader commentaar
Nu vier ‘mitsen’: dat duurt lang (bijvoorbeeld 100 jaar); het vraagt dus om een consistent en lang volgehouden beleid; en het werkt vooral goed als er met verstand geplant wordt, dus liefst het soort vegetatie wat je op die plaats van nature verwacht. Maar dat ‘van nature’ hangt mede van het bestaande klimaat af en de vierde ’mits’ (en geen geringe) is dat het klimaat niet verder verandert, en dus de nieuwe bomen niet alsnog de pijp uitgaan.

Een recent artikel in Nature, van de hand van de Chinese Academy of Sciences, noemt bijvoorbeeld dat tussen 2001 en 2022 bij heftige bosbranden 34Gton CO2 de lucht ingegaan is ( https://www.nature.com/articles/d41586-023-04033-y?WT.ec_id=NATURE-202312&sap-outbound-id=50725D79B4026FA60A541FF008059580A30B7E5B )

Bomen planten dient, alleen al vanwege het trage tempo, niet ter vervanging van bestaand klimaatbeleid.

In principe is 226Gton C een tot redelijk optimisme stemmend getal. Als je alleen naar CO2 zou kijken, zou het goed zijn voor ca 22 jaar mondiale uitstoot à 10 Gton per jaar. Zou je naar alle broeikasgassen samen kijken, zou het goed zijn voor ca 15 jaar mondiale uitstoot à 15 Gton per jaar. Je koopt er tijd mee. Mits mits mits dus!

Nabuurs c.s. benadrukken (ook in het NRC-interview) dat het van wezenlijk belang is dat bosexploitatie nodig blijft. Hout kan bijvoorbeeld een alternatief zijn als bouwmateriaal (ter vervanging van bijvoorbeeld beton). Zie https://www.bjmgerard.nl/boswetenschapper-bouwers-kunnen-het-bos-juist-redden/ .
De discussie heeft met name betrekking op het donkerblauwe partje (ter waarde van 11Gton C) binnen de rubriek ‘conservation potential’, zijnde de plantagebossen.
Maar anderzijds, aldus de studie, ander beheer van die plantages zou ook klimaatvoordelen hebben. In de NRC werkt Nabuurs dat uit een meer gevarieerd bomenassortiment de plantage ook weerbaarder maakt tegen bijvoorbeeld brand en vraatkevertjes. Maar het beheer wordt wel lastiger.
Het laatste woord is hierover nog niet gezegd – in elk geval niet in het Nature-artikel.

Verder benadrukt de Nature-studie dat de analyse niet zo fijnmazig is dat je er op het niveau van een individueel kavel wat mee kunt. Omgekeerd kan dat betekenen (en dat zal ongetwijfeld gebeuren) dat sociale en economische overwegingen op korte termijn in de weg liggen bij wat je op de lange termijn bereiken wilt.

Gabon wil de koolstofopslag in zijn jungle ombouwen tot verdienmodel
Het hierna volgende staat niet in het Nature-artikel, maar verscheen ongeveer tegelijk als artikel in de NRC (09 december 2023, Gabon-wil-iets-terugzien-voor-de-co2-die-zijn-jungle-opslaat-alleen-wie-wil-daarvoor-betalen_08dec2023) en heeft een verwante thematiek. In het artikel wordt de Nature-studie aangehaald.
Het is een case study waarvan je zou willen dat Nabuurs er eens naar keek.

Gabon bestaat voor 85% uit ‘jungle’ en is daarmee het een na bosrijkste land ter wereld. Er is (volgens de beambte in het NRC-artikel) nauwelijks ontbossing en het bos verkeert in goede staat. Gabon zou daar eigenlijk graag een verdienmodel uit maken. Het land leeft nu vooral van zijn olie, maar die raakt op en de jongeren willen werk.

Het is volstrekt logisch dat Gabon van zijn bos een verdienmodel wil maken. Tot nu toe bestond dat hoofdzakelijk uit de export van Okoumé hout (lijkt een beetje op een mooie, maar wat mindere kwaliteit meranti en wordt meestal in combinatie met andere houtsoorten gebruikt, bijvoorbeeld in multiplex)
Het probleem is dat carbon credits bij een verandering van de situatie horen, niet bij de statische situatie zelf. Een volwassen bos neemt per definitie netto geen CO2 meer op. Als je dus carbon credits wilt verkopen (en dat wil Gabon, credits horend bij 90,6 miljoen ton CO2 ), moet je aannemelijk maken dat

  • Of die CO2 vers opgeslagen is in bos dat door jouw toedoen als regering groeit en dat er anders niet geweest was (in beginsel kan dat in lijn zijn met de Nature-studie als het Gabonese bos onder het maximum potentieel zit)
  • of dat je voor 90,6 miljoen ton CO2 niet kapt wat anders wel gekapt zou zijn.
    Men komt dan op glibberig terrein en er waren toch al schandalen in deze branche (welke schandalen overigens niets met Gabon te maken hebben).

Vooralsnog raakt, volgens het NRC-artikel, Gabon zijn credits niet kwijt.

Misschien horen bij het natuurwetenschappelijke verhaal van Nabuurs c.s. verstandig ontworpen economische mechanismes, al dan niet op basis van marktwerking. Ik heb daar te weinig verstand van. Ik spreek daarom geen eindoordeel uit. Is zoiets als een hele grote ‘Mits’ erbij.
Ik laat het bij drie bronnen, zodat wie er op puzzelen wil, even vooruit kan.

Okouméhout

Huizen, overstromingen, fundamenten, klimaat

(Funderingswerkzaamheden – foto KCAF-site)

Intro
Twee financiële grootmachten hebben ongeveer gelijktijdig en onafhankelijk van elkaar een studie uitgebracht over forse klimaatrisico’s van woningbezitters vanwege overstromingen en fundamentschade. Het betreft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de ABN-AMRO. De twee studies overlappen elkaar gedeeltelijk.

De studie van de AFM beschrijft de risico’s en argumenteert, dat de te verwachten kosten die door deze calamiteiten ontstaan, moeten worden ingeprijsd in de woningwaarden. Iemand moet die ergens ooit gaan dragen.
De studie van de AFM is te vinden op https://www.afm.nl/~/profmedia/files/afm/trendzicht-2024/klimaatrisicos–woningmarkt.pdf .

De AFM verwijst als ondersteuning naar het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF, https://www.kcaf.nl/ ) die als module heeft de funderingsviewer op https://www.kcaf.nl/funderingsviewer/ . Lees eerst de inleiding en vul dan op de viewer je postcode in voor informatie over het funderingsrisico in je omgeving. Het KCAF kan van 35-40% van de woningen in je omgeving funderingsrisico’s betrouwbaar in kaart brengen, en bij de rest wordt het ingeschat (aldus de AFM).
Een indruk krijgen van de overstromingskans door je postcode in te vullen op https://overstroomik.nl/ .

De studie van de ABN-AMRO gaat meer over hoogtes van de financiële bedragen, de achterliggende wetmatigheden, de hypotheken en hoeveel wijken hoe kwetsbaar zijn. De insteek is dan meer sociologisch.
De studie van de ABN-AMRO is te downloaden onderaan de pagina van het betreffende persbericht https://www.abnamro.com/research/nl/onze-research/stapeling-klimaatrisicos-en-financiele-draagkracht-op-de-woningmarkt .

Voor eerdere artikelen op deze site over de bodem zie https://www.bjmgerard.nl/heel-holland-zakt/ en https://www.bjmgerard.nl/bodemdaling-kan-ook-in-brabant-huizen-doen-scheuren-maar-dan-door-de-droogte/ .
Idem over overstromingen https://www.bjmgerard.nl/klimaateffecten-in-brabant-6-het-knmi-over-recent-extreem-weer-in-2016/ en https://www.bjmgerard.nl/het-water-komt-ook-in-brabant/ en https://www.bjmgerard.nl/waarom-de-limburgse-over-stroming-een-klimaatcomponent-had-en-hoe-dat-werkt/ .

Voor een ouder artikel over funderingen (in opdracht van het Verbond van Verzekeringen door Deltares), zie rapport-impact-droogte-op-funderingen (2020).

Voor een recent artikel, dat voortbouwt op het EFM-rapport en daaraan verder rekent, zie calcasa.nl/onderzoek/2023 . Calcasa kijkt ook nog naar aardbevngen en natuurbranden.

Vooral woningeigenaren lopen een probleem. Huurders zijn in principe beschermd omdat in eerste instantie de verhuurder voor de schade opdraait, maar als die niet kan leveren is er ook voor de huurder een probleem.

De studie van de AFM
De studie heet “Inprijzen klimaatrisico’s op de woningmarkt”.

De AFM bespreekt twee klimaatgerelateerde problemen met uitwerking op de woningprijs, te weten schade aan de funderingspalen annex inklinkingseffecten in de bodem, en het optreden van overstromingen.

Schade aan de fundering kan gaan optreden als de grondwaterspiegel verandert. Zolang bijvoorbeeld houten palen onder water staan, blijven ze goed (volgens de ABN-AMRO ca 90 jaar). Als ze droogvallen gaan ze door schimmels rotten en begeven ze het eerder.
Ook zonder palen kan een huis gaan verzakken als  in de bodem eronder veen- en kleilagen liggen. Die kunnen door droogte onomkeerbaar inklinken en vooral als dat ongelijkmatig gebeurt, is er een probleem.
Naast de wisselende grondwaterstanden, die het gevolg kunnen zijn van klimaatgerelateerde  langdurige weersextremen, zijn er ook structurele oorzaken voor veranderende grondwaterstanden: de landbouw (wil het peil altijd omlaag), de natuurontwikkeling (wil het peil omhoog), de stedebouw (wil het peil meestal omlaag) en de riolering (als die drainerend werkt).
Funderingsschade is nooit verzekerd.
Dat er funderingsmaatregelen nodig  zijn staat wetmatig  vast, vraag is alleen de termijn. Dit wordt een fors probleem: 1 op de 8 woningeigenaren  gaat er vroeg of laat mee te maken krijgen.

Overstromingsschade is klimaatafhankelijk vanwege de stijgende zeespiegel, maar ook vanwege extremere regenwaterafvoeren in de rivieren. Deze risico’s worden groter.
Overstromingen vanuit de primaire wateren (de zee en de grote rivieren) zijn nooit verzekerd. Je krijgt alleen een compensatie als de regering de overstroming tot ramp verklaart, en dan is het afwachten hoeveel je krijgt.
Bij heftige wateroverlast en overstromingen van regionale wateren hangt het van de inboedel- en opstalverzekering af.
Een informatief artikel over verzekeringen en overstromingen is https://www.stowa.nl/deltafacts/waterveiligheid/waterveiligheidsbeleid-en-regelgeving/verzekeren-van-overstromingsschade .

Eigenaren kunnen grotelijks in de problemen komen.

Feitelijk zou de te verwachten schade (bij funderingen gemiddeld 54 mille) ertoe moeten leiden dat een risicowoning bij aankoop voor dat bedrag goedkoper wordt.
De AFM ziet echter dat deze klimaatrisico’s nog veel te weinig in de woningprijzen verdisconteerd zijn. Dat kan aan onwetendheid liggen, aan de onverplichtheid om dit type informatie beschikbaar te stellen en ook dat, als er al gegevens zijn, velen deze data als te slecht van kwaliteit zien.
(Bovendien dwingt de schaarste op de woningmarkt kopers om minder kritisch te zijn bg).

De AFM wil dat informatie over dit type locatiegebonden risico’s transparant bekend moet zijn in de periode voorafgaand aan het voorlopig koopcontract. In België bestaat er bijvoorbeeld al een informatieplicht over overstromingsrisico’s.
Taxateurs en dergelijke moeten de risico’s in hun taxatierapport in begrijpelijke taal gaan bespreken. De hiervoor benodigde gegevensverzameling moet ontwikkeld worden.
Hier ligt een taak voor het Rijk.
Dit alles moet leiden tot een klimaatlabel in analogie met  het bestaande energielabel van een woning (volgens ABN-AMRO is dat er bij 60% van de woningen) dat geacht wordt het energieverbruik in de woningprijs tot uiting te brengen (voor wat dat systeem waard is bg).

De studie van de ABN-AMRO
De studie heet “Stapeling klimaatrisico’s en financiële draagkracht op de woningmarkt”.

ABN-AMRO gaat meer specifiek op hypotheken in.

(Klimaatrisico fundering)

(Klimaatrisico herhaalde overstromingen)

In beide gevallen is de groene lijn wat je denkt dat de waarde is als je niet nadenkt.
In het bovenste plaatje neemt de waarde, die je feitelijk zou moeten rekenen, af met een bedrag dat voor funderingsherstel nodig is. Door de klimaatverandering wordt de periode tussen twee reparaties verkort. In dit eenvoudige model blijven de kosten van het herstel ongewijzigd.
In het onderste plaatje ontstaat er op onregelmatige momenten overstromingsschade, die modelmatig geacht wordt ernstiger te worden met de tijd (binnenwateren), waarna een collectief geheugeneffect optreedt dat de woningen blijvend ion prijs verlaagt.

In onderstaand fictief voorbeeld geeft ABN-AMRO aan hoe zoiets kan uitpakken.

Een huishouden met een inkomen van €60.000 denkt een woning te hebben van €350.000 die gekocht is met een hypotheek van €300.000. Niets aan de hand.
Nu treedt er een eenmalig schadebedrag op van €75000. De feitelijke waarde van de woning keldert naar €275.000.
Nu bestaat een keus tussen twee kwaden (als er überhaupt een keus is): of het huishouden voert het herstel niet uit, waardoor de hypotheek onder water staat en men in een kapot huis woont, of het voert het herstel wel uit met een extra hypotheek ter grootte van het herstelbedrag, waarna de hypotheek ook onder water staat, en te groot deel van het inkomen naar de hypotheek gaat, maar men wel in een gerepareerd huis woont.

Als een risico eerst niet in de prijs verwerkt zat en daarna wel, ontstaat er dus een gat dat ergens door iets of iemand moet worden opgevuld. In bovenstaand voorbeeld is dat de zittende eigenaar die hetzij minder vangt, hetzij meer moet aflossen. De ABN-AMRO suggereert hier dat het Fonds Duurzaam Funderingsherstel hier iets kan betekenen (er bestaat een Fonds Duurzaam Funderingsherstel ( https://funderingsherstelfonds.nl/ ) , maar dat opereert alleen in gemeenten die aangesloten zijn, en alleen bij bloksgewijze herstel bg).

ABN-AMRO analyseert het samenkomen van de verduurzamingsopgave, het funderingsrisico en het overstromingsrisico landsbreed tot op wijkniveau en voegt deze samen in één totaaloverzicht. Gebruikt zijn de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), het CBS, de Klimaateffectatlas ( https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/ ) en het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO, https://basisinformatie-overstromingen.nl/liwo/#/maps ) . De data worden vervolgens beoordeeld volgens onderstaand schema.
De bank geeft de uitkomst in een zo onnauwkeurige plattegrond weer, dat men geen herkenbare afzonderlijke wijken kan onderscheiden. Volgend uit de aangelegde criteria zijn dat vaak wijken met veel goedkoop eigen woningbezit.

Het goede nieuws, aldus de bank, dat nergens alle drie risico’s tegelijk voorkomen. Maar: soms kan één probleem al teveel zijn. Daarom geeft de bank aantallen in een tekst die tevens een aanbeveling is: “In 900 wijken zijn de klimaatrisico’s en vooral de verduurzamingsopgave voor bewoners mogelijk te veel gevraagd. In 90 van die wijken zien we dat er een combinatie van twee risico’s speelt terwijl huishoudens kwetsbaar zijn. Hier zou de hoogste prioriteit moeten liggen. Te beginnen bij de wijken waarin meer dan 70 procent van de panden in particulier eigendom is. Een combinatie van het herstelfonds en het warmtefonds kan mogelijk in deze wijken een oplossing bieden”. De ABN-AMRO ziet hier een taak voor de overheid en de hypotheekverstrekkers.

Hieronder de stapeling van risico’s, die de ABN-AMRO als lagen over elkaar heen legt.
Daaromder de bovenste combinatielaag nog eens apart afgedrukt ter verduidelijking.

Politiek
Het gaat hier om een ‘ramp in slow motion’. De enige manier om dit goed aan te pakken is door het te zien als essentiële vorm van klimaatadaptatie, en om dit vanuit de overheid campagnegewijs aan te pakken met medefinanciering via fondsen. Er ligt daar ook een zekere medeverantwoordelijkheid vanwege de peilverlagingen voor de landbouw.

Update

Inmiddels heeft Nieuwuur aandacht besteed aan deze problematiek. Hun verhaal volgt dezelfde lijn als mijn verhaal.
Zie https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2503265-heel-holland-zakt-maar-nog-steeds-geen-plan-voor-fundering-van-miljoen-huizen .

Commentaar op Carbyon (update dd 30 nov 2023)

Website Carbyon. Doorsnee 2 a 3 m, hoogte 5 a 6m

Voor een eerder verhaal op deze site dat in dit verband relevant is, zie https://www.bjmgerard.nl/koolstof-uit-de-atmosfeer-houden-of-halen/ .

De Eindhovense start-up Carbyon heeft, na eindeloos veel experimenteren, een systeem ontwikkeld om CO2 sneller, energiezuiniger en goedkoper uit de buitenlucht te halen dan eerder bestaande procedé’s. Dit naar eigen zeggen.
De, meer propagandistische dan informatieve, website is https://carbyon.com/ .

De NRC wijdde er op 06 mei 2023 anderhalve pagina in de wetenschapsrubriek aan van Laura Wismans ( https://www.nrc.nl/nieuws/2023/05/04/een-eindhovens-bedrijf-wil-co2-uit-de-lucht-plukken-met-een-laagje-van-een-atoom-dik-a4163641?t=1684938744 als je eraan kunt). Een lezenswaardig artikel.

Het materiaal bestaat uit een drager in de vorm van actieve koolstof, in de volksmond ongeveer Norit. Dat is uiterst poreus en heeft daardoor een heel grote binnenoppervlakte. CEO De Neve van Carbyon is halfgeleiderfysicus en heeft bij TNO ervaring opgedaan met dunne laagjes afzetten ten behoeve van zonnepanelen (zegt hij in de NRC).
De Neve is er in geslaagd om op die poreuze binnenruimte een laagje te construeren van één molecuul dik, bestaande uit de (gebruikelijke) stoffen amines of kaliumcarbonaat.

De apparatuur schakelt voortdurend tussen twee standen.
In de eerste stand wordt buitenlucht langs dat laagje gevoerd. De CO2 in de lucht (momenteel 0,042% en dat is al te hoog) hecht zich selectief aan het laagje. Dat laagje is al snel verzadigd.
In de tweede stand wordt de buitenlucht even afgeschakeld en wordt het dragermateriaal elektrisch verhit. De CO2 laat weer los en wordt opgeslorpt richting een opslagvat. Het gas in het opslagvat bestaat voor ca 60 a 70% uit CO2 (en voor de rest uit buitenlucht). Voor sommige toepassingen moet dit gas gezuiverd worden tot bijna 100% CO2 , maar dat kan eenvoudiger door anderen met andere methodes.

Er bestaat veel scepsis over dit proces ‘Direct Air Capture’ (DAC) in zijn algemeenheid (niet speciaal richting Carbyon) en dat is niet zonder reden. Daarom dit verhaal. Bovendien presenteert Carbyon zich als onderdeel van het Brainport-ecosysteem rond mijn woonplaats Eindhoven en dat is ook een aanleiding tot interesse.

De ene reden voor scepsis is dat het proces veel energie verbruikt. Carbyon specificeert op zijn website dat het 1000kWh kost (Carbyon is all-electric) om 1 ton CO2 uit de lucht te halen.  Dat is overigens netjes van Carbyon, want de concurrentie vermeldt geen energiebehoefte per ton (bij https://climeworks.com/  of https://verdox.com/ bijvoorbeeld zul je er vergeefs naar zoeken).

Carbyon hoopt een kostprijs van €50 per ton CO2 te bereiken, wat goedkoper is dan wat nu het ETS doet.

Wat moet je doen om 1000kWh elektrisch te komen?
Als je die stroom zou maken met een kolencentrale met een rendement van 40%, zou dat om en nabij 0,9 ton CO2 in de lucht brengen om er 1 ton uit te halen.
Zou je hetzelfde doen met een gascentrale met 50% rendement, dan zou die 0,4ton CO2 in de lucht brengen om er 1 ton uit te halen.
In beide gevallen is er nog energie nodig voor de nazuivering van het CO2, en vervolgens ook nog voor wat je met die opgeslagen CO2 wilt doen.  .

Je moet dus de elektriciteit voor het Carbyonproces niet fossiel willen opwekken. Maar 1000kWh is in Nederland de jaaropbrengst van 6m2 netto zonnepaneel (in zondoordrenkte landen wat minder m2). Dus 1ton CO2 per jaar wegvangen met Carbyon vraagt om de aanwezigheid van 6m2 netto PV-park. Op de huidige kleine schaal denkt Carbyon aan 1000 ton per jaar.
Nederland loosde in 2021 145 miljoen ton CO2 .


Mondiaal werd er in 2022 37 miljard ton CO2 uitgestoten (KNMI, 7 dec 2022, dat is op elementbasis bovenstaande 10 miljard ton). Dat zou om grofweg 200.000 km2 PV-park vragen.
Nu maakt het op zich weinig uit waar ter wereld men CO2 uit de lucht haalt en er is bijvoorbeeld een heleboel woestijn op aarde en Saoedi-Arabië is bijvoorbeeld is 12* bovenstaande oppervlakte, maar er hoort, hoe dan ook, een fatsoenlijk politiek en logistiek verhaal bij dit soort claims en Carbyon maakt zich daar erg makkelijk van af.

De andere reden is de vraag wat je met die opgevangen CO2 wilt gaan doen.
Het ene alternatief is opbergen. Bijvoorbeeld waar vroeger gas gewonnen is (in Nederland wordt gedacht aan de Noordzee – het Porthosproject), of bijvoorbeeld door het aan vulkanisch gesteente te binden (wat Climeworks’ partner Carbfix  op Ijsland doet en in Oman overweegt). Als dat langdurig goed gaat, ben je het spul kwijt.

Het andere alternatief is hergebruik, waarbij de grote getallen van de productie van synthetische brandstof (bijvoorbeeld kerosine). De CO2 wordt dan cyclisch gebruikt en komt weer vrij.

Ik ga nu niet  op dit deel van het verhaal in, omdat Carbyon het hoofdonderwerp is. Elders op deze site staat het nodige over synthetische kerosine – op zich een goed idee. Ook de TU/e heeft interesse voor dit onderwerp.
Duidelijk is wel, dat er achter de 1000kWh per ton CO2 van Carbyon (en achter de €50 per ton) nog een lange staart komt.

Mijn conclusie:
ik  ben niet a priori tegen welke bona fide techniek dan ook op energie- en klimaatgebied. Waarschijnlijk heb je alle technieken nodig die je kunt verzinnen, en dan nog meer. Ik volg in deze het IPCC.
Dit standpunt geldt ook voor Carbyon. Maar  op dit moment bestaat  Carbyon nog teveel uit alleen maar ingenieursdromen die zich nog in praktijk moeten waarmaken, en uit industriepolitiek, en te weinig uit een maatschappelijk contextverhaal.

Dat geldt trouwens voor Brainport als geheel ook.

Update dd 30 nov 2023

In het Eindhovens Dagblad stond op 30 nov 2023 weer een promoverhaal over Carbyon ( https://carbyon.com/carbyon-finds-missing-piece-of-the-puzzle-ultra-fast-carbon-capture-process-proven-with-an-energy-demand-below-2500-kwh-ton/ ) . In het ED zei De Neve van Carbyon een paar technische dingen:

  • zijn apparaat werkt met kaliumcarbonaat, niet meer met aminen
  • kaliumcarbonaar is hygroscopisch en ving, behalve CO2 , ook waterdamp uit de lucht en er zit veel meer waterdamp in dde lucht dan CO2 , Het kostte veel energie om die waterdamp eruit te halen
  • men heeft het apparaat selectiever kunnen maken, waardoor het relatief veel minder waterdamp opnam
  • het kost minder dan 2500kWh om een ton CO2 te vangen. Als dat zo is, kun je zelfs op papier het ding niet op fossiele stroom fossiel laten draaien, want dan produceer je meer CO2 dan je wegvangt
  • met €0,02 per kWh Canadese waterkrachtstroom kom je dan aan €50 per ton CO2 . Maar dan heb je alleen de stroom en niet de rest van de onkosten. Die CAPEX (de doorgerekende aanschafprijs) is volgens Carbyon ook €50 per ton.

Ik heb er wat bedenkingen bij.
Genoemd verhaal is niet op de website van Carbyon terug te vinden.
Op die website staat nu 1500kWh per ton en toen ik dit bericht in mei schreef, stond er 1000 kWh per ton. Nu blijkt uit een artikel in Change dd 28 nov 2023 ( https://www.change.inc/circulaire-economie/nederlandse-doorbraak-in-betaalbare-en-snelle-afvang-van-co2-uit-de-lucht-40609 ) dat die 1000kWh/ton als ‘richting’ moet worden opgevat voor een rendabele bedrijfsvoering.
Met ca €100 per ton CO2 zit Carbyon ongeveer op de koolstofprijs in het huidige ETS. Maar Carbyons CO2 is maar voor grofweg tweederde zuiver, en die vervolgzuivering kost ook nog wat energie en geld. Er is dus nog wel een weg te gaan.

Carbuon zou eens wat nauwkeuriger moeten worden in zijn PR en op zijn website

Update dd 07 december 2023

Op 04 december 2023 heeft het blad Change opnieuw een artikel aan Carbyon gewijd. Dit bevat nuttige aanvullende informatie. Zie www.deingenieur.nl/artikel/co2-uit-de-lucht-halen-met-minder-energie .

HEMA brengt klimaatfootprint in kaart, supermarkten gerangschikt

CO2 –  inventarisatie
De HEMA is begonnen te doen met wat Millieudefensie niet aan dit bedrijf gevraagd heeft, namelijk het maken van een klimaatplan. Liever gezegd de voorbereiding daarop, een nulmeting (over 2019) van de broeikasgasemissie die verbonden is aan de bedrijfsvoering en de producten van het bedrijf, gerekend over wat in het jargon scope 1, 2 en 3 heet.

De begrippen scope 1, 2 en 3 zijn vastgelegd in het internationale GHG-protocol (GreenHouse Gas-protocol, https://ghgprotocol.org/ ).

In het geval van de HEMA levert dit onderstaande indeling op hoofdlijnen op:

De studie is gedaan door het Amsterdamse bureau Metabolic ( https://www.metabolic.nl/ ).

De HEMA heeft via zijn eigen kanalen ( https://corporate.hema.com/hema-publiceert-ambitieuze-doelen-co2-reductie/ ) onder de titel “HEMA publiceert ambitieuze doelen CO2 – reductie” een soort beginselverklaring. Op het einde daarvan kan het rapport zelf gedownload worden.
De NRC van 05 oktober 2023 heeft twee volle pagina’s aandacht aan het project besteed (dat is  het wel waard). Zie (als je eraan kunt) https://www.nrc.nl/nieuws/2023/10/04/hoe-hema-zijn-totale-uitstoot-heeft-weten-te-berekenen-a4176167?utm_source=push&utm_medium=topic&utm_term=20231004 .

Het is geen geringe taak geweest, met name scope 3 niet. Zoals Wilma Veltman, directeur inkoop, zegt ‘We hebben 30.000 artikelcodes in de winkels liggen’. In de NRC legt ze uit dat die samengebracht zijn in groepen vergelijkbare producten ‘alle sokken in één groep. Alle cacao in één groep’ enzovoort. Onduidelijk is of katoenen, wollen en polyester sokken in dezelfde groep zitten, maakt nogal uit.

Veltman spreekt steeds over CO2, maar uit het rapport blijkt dat alle broeikasgassen meegenomen zijn (ook bijvoorbeeld methaan en lachgas).

De berekening van Metabolic is nog eens dunnetjes overgedaan in een second opinion van Det Norske Veritas Business Assurance B.V. Daar kwam min of meer hetzelfde uit en die overeenkomst was goed genoeg om mee te kunnen werken. Bij veel precisie had het project jaren geduurd.

Je krijgt dit soort plaatjes:

Er zitten verrassende uitkomsten,

  • Scope 1 en 2 tellen getalsmatig nauwelijks mee (daarbinnen alleen de ingekochte stroom)
  • Transport speelt ook nauwelijks een rol
  • De bulk zit in de verwerving van goederen en diensten (‘upstream’) en het gebruik van die goederen (‘downstream’)

Men moet overigens bij dit soort werk waken voor dubbeltellingen. Hier speelt dat niet: de sokken tellen klimatologisch mee bij de HEMA en niet bij meneer Jansen die ze in de kast heeft liggen.

De berekening gaat elk jaar geactualiseerd worden.

De HEMA wil ook landgebruik, water en biodiversiteit in kaart gaan brengen.

Wat gaat de HEMA nu doen, of doen ze al?
Topvrouw Saskia Egas Reparaz wil dat de HEMA koploper op duurzaamheidsgebied wordt. Nu passeren dit soort ronkende kreten wel vaker, en aan concrete tussendoelen heb je meer. Die zijn er: de HEMA wil in 2030 zijn scope 1 en 2 – emissies met 75% teriggebracht hebben, en zijn scope 3 – emissies met 46% (dat is veel moeilijker).
Veldman wil niet teveel pielen met kleine dingetjes (NRC) en de grote dingen aanpakken. Bij de HEMA zijn dat bijvoorbeeld papier en katoen en verpakkingen.

  • Papier heeft nu FSC-keurmerk en dat moet gerecycled FSC-papier worden.
  • Katoen is nu volges het Better Cotton Initiative en dat moet biologissch worden. babykleren zijn dat al vanaf begin 2024.
  • De hoeveelheid verpakkingen is in vier jaar al met 23% teruggedrongen
  • Alternatieven voor maandverband

De gewetensvraag (voor de hele detailhandel) is of de HEMA niet gewoon minder moet gaan verkopen. Dat is voor een commerciëel bedrijf een brug te ver. ‘Spullen verkopen is ons bestaansrecht. Dus hoe wij dit oppakken is: spullen verkopen die langer meegaan” aldus Veldman in de NRC. Bijvoorbeeld afwasborstels met verwisselbare kop en navulbare make up-dozen en meegroeiende rompertjes.

Men kan moeilijk beweren dat de HEMA bekend staat om de overdadige luxe en overbodig assortiment.

De rookworst
De HEMA-icoon. De HEMA heeft overigens ook een vega-variant (de Ookworst), maar die loopt nog niet zo hard. Dus moet die lekkerder worden, vindt Veldman. Ze houden wel beide in de verkoop.

OP https://foodfootprint.nl/ kun je de foorprint van een aantal  voedingswaarden opzoeken.
Foodfootprint kent wel de runderrookworst, en dan krijg je dit

Runderrookworst per 100 gram
2187 g CO2eq        *
18.0 L water           *
 1.06 m2*jaar         *

(5 sterren = goed, 1 ster = slecht, t.o.v. andere producten op deze site) 
Data: RIVM (gemiddelde Nederlandse markt)
let op: kan (sterk) verschillen per seizoen/ land van herkomst

Rundvlees is notoir heel slecht, maar bovenstaande worst (overigens niet van de HEMA) is vooral varken en dat is iets minder erg.

Tel dus de jaarlijkse rookworstomzet van de HEMA en doe dat maal de varkensvariant van 2187 g CO2 , heb je een klein stukje van de grote footprintstudie van de HEMA.

Europese verplichting
Vanaf 2025 moeten alle grote Europese bedrijven verplicht rapporteren wat hun impact is op mens, milieu en klimaat. Een exercitie zoals die van de HEMA is daarvan een onderdeel.
Het worden gouden tijden voor eco-accountants.

In de NRC van 06 okt 2023 staat een artikel over supermarktketens, met de Superlijst Groen gerangschikt op duurzaamheid door bureau Questionmark over 2022. Eén staat Ekoplaza, twee de Lidl, drie de Albert Heijn en laatst de Plus. Kanttekening is dat het soms  meer om woorden dan om daden gaat. Zie https://www.thequestionmark.org/ en dan voor het NRC-artikel https://www.nrc.nl/nieuws/2023/10/05/groene-woorden-zijn-er-volop-maar-aan-daden-ontbreekt-het-de-supermarkt-vaak-nog

Het rapport over de supermarkten is te vinden op https://www.thequestionmark.org/search?type=publication of via de zoekterm ‘Superlist Environment The Netherlands 2023’