Grootschalige zonneparken als flankerend beleid in de veeteelt-transitie

Flankerend beleid veeteelt
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 juli 2017 met de staldering, de mestbewerking en met het naar voren halen van de stokstofafspraken een historisch besluit genomen. Daarover is in deze kolommen al meer geschreven (zie Veeteelt in Brabant: een slag gewonnen, maar hoe nu verder? en Eerste reactie op veeteelt-besluit Provinciale Staten 07 juli 2017 ).

Bij het besluit hoort een flankerend beleid om de getroffen boeren (de sociale gevolgen mogen niet onderschat worden) te helpen bij het vinden van een nieuwe toekomst. Daarvoor is 30 miljoen beschikbaar. Op 7 juli was er alleen nog een rudimentaire aanzet tot een dergelijk beleid. GS hebben doorgewerkt en op 12 sept lag er de 80%-versie van “Uitvoeringsprogramma Ondersteunende Maatregelen Transitie Veehouderij”, met bijbehorende Statenmededeling. Zie www.brabant.nl/politiek-en-bestuur/provinciale-staten/vergaderingen-ps/ps/20170922.aspx?agendapunt=2.1 .

De landbouw is een bedrijfstak met zijn eigen kenmerken en eigen-
aardigheden. Als ondersteuner van de PS-fractie van de SP in de afgelopen jaren, en als vrijwilliger bij de BMF, heb ik daarover in de afgelopen jaren het een en ander opgestoken. Niet genoeg echter om een grondig oordeel te geven over alle aspecten van dit ondersteunende beleid. Laat ik het houden bij de mening dat wat er staat er als regel goed uitziet, dat ik niet kan beoordelen of het volledig is, en dat er vele devils in the details kunnen schuilen waar ik geen weet van heb.

Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard)
(Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Ik wil mij nu bezighouden met één onderdeel van het beleid, dat er naar mijn idee wel bekaaid van af komt en waarvan ik wel meer dan gemiddeld verstand heb, en dat is het energetische verhaal. Het klimaat- en energiedossier enerzijds en het veeteeltdossier anderzijds raken steeds meer verknoopt, o.a. via mestvergisting, zonneparken en bodembeheer.

Zonneparken als alternatief gewas
In de Statenmededeling (die hier het uitgebreidere totaalpakket niet volgt) wordt slechts gesproken over “lokale opwekking en lokaal verbruik” en “stal eraf, zon erop” dat “een kleine, maar nieuwe en langjarige inkomstenbron kan bieden”. In het volledige Uitvoeringsprogramma wordt hier wat aan gerekend en komt men op voorbeeld-winstpercentages van 3,5% (als de sloop van de stal wel in rekening wordt gebracht) en 4 tot 8% als die niet in rekening wordt gebracht (is dat soms niet genoeg?).
Er spreekt nogal wat reserve uit de provinciale stukken.
Ik vind het teveel kleinschalig gepeuter en ik vind het teveel van toeval afhankelijk. We moeten richting 2050 toe naar pakweg 100km2 zonnepark in Brabant en je moet de dingen nu al grootser aanpakken.
Nu blijft het agrarisch gebruik hoofdzaak en energie-opwekking bijzaak. In een stuk over flankerend beleid voor de veeteelt begrijp ik dat, maar ik  vind het toch een gemiste kans.

Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als je het andersom deed. In plaats van koeienboer met wat kWh’s word je kWh-boer met wat koeien of schapen.
Daarvoor moet je weten hoe zo’n park financieel uitpakt. Het blijkt nog niet zo simpel om dat zelf na te rekenen, zeker als je (zoals ik) geen formele bedrijfseconomische scholing hebt. Er staan geen hapklare bedrijfsmodellen op Internet.

Zonnepark Sunport Delfzijl

Sunport Delfzijl.
Eerst dacht ik: ik neem het momenteel grootste park van Nederland, Sunport Delfzijl, als vertrekpunt en dan reken ik terug. 30MWp, 116400 panelen, 30GWh per jaar, 30 miljoen investeringskosten.  Het park is dit voorjaar geopend en je zou dus verwachten dat het (met de SDE+subsidie) uit kan.

Het probleem is dat de business case nergens te vinden is. Je moet dus aannames doen, waarvan sommige situatiegebonden.
Als ik die 30 miljoen helemaal zou lenen (wat vast niet het geval is) en in 20 jaar afschrijf bij 4,5% rente en 2% O&M (Operational costs and Maintenance), heb ik er in 20 jaar €55,5 miljoen ingestopt.
Reken ik met de middelste SDE+subsidie van 11 cent/kWh, dan vang ik in 15 jaar €49,5 miljoen  en in de vijf jaar daarna, bij 6 cent/kWh stroomopbrengst, nog eens 9,0 miljoen. In 20 jaar is er dus €58,5 miljoen teruggekomen.
Ergo 3,0 miljoen winst in 20 jaar, dus ruim anderhalve ton per jaar, dus 0,5% over het totale vermogen. De bank heeft zijn rente en afschrijving dan al binnen.
In praktijk zit de huidig eigenaar Wirsol ( https://wirsol.com/en/ )er vast wel met eigen geld in, zijn de kapitaalslasten kleiner en de winst groter. Maar omdat onbekend is wat de verhouding eigen versus vreemd vermogen is, valt hier niet aan te rekenen.

Met een SDE+subsidie van 12,8 cent per kWh zou na 20 jaar het batig saldo €11miljoen geweest zijn (in plaats van bovenstaande 3 miljoen).

Staat het zonnepark er na de 20 jaar afschrijvingstermijn nog vijf jaar, dan komt er (bij 6 cent/kWh en nog steeds 2%O&M) in die vijf jaar netto nog eens €6,0 miljoen binnen.

Dit alles voor wat het waard is, want er zit nogal wat speculatie in vanwege de onbekende gegevens. Eventuele kosten mbt het elektriciteitsnet zitten er bijvoorbeeld niet in.

Het CE Delft-model en de toepassing op Sunport Delfzijl
Partijgenoot Eric Smaling heeft in 2016 in de Tweede Kamer gevraagd om een MKBA op te stellen van zon en wind op het land en dit in vergelijking. Reden waren de protesten tegen windenergie in de Veenkoloniën. Zie www.ce.nl/publicatie/mkea_zon-pv_en_wind_op_land/1905 .
Wind op het land kostte in die studie overigens minder dan de helft van de kWh-kosten van zon.

Met dit CE-model kun je de vraag andersom aanpakken en dan met minder  speculatie.
De belangrijkste samenvattende tabel uit de studie:

CE Delft volgt in de berekening van deze cijfers de SDE+  systematiek en doet mogelijk ook aanvullende eigen aannames. De SDE+systematiek  had in 2016 voor PV-panelen (= zonnestroom) enkele grondslagen:

  • Project moet met minstens 10% eigen vermogen gerealiseerd zijn
  • 12% rendement op het eigen vermogen
  • De SDE+ als regeling moet hoog genoeg vastgesteld worden om de meeste projecten in een categorie te kunnen uitvoeren
  • subsidieduur = afschrijftermijn = 15 jaar, rente 4,5%
  • in de O&M kosten is verondersteld, dat de grond vóór die tijd €1000 per hectare opbracht, en dat dat gemis via een pachtconstructie in de O&M-prijs verwerkt zit. De aanname gaat ervan uit dat na het plaatsen van het zonnepark de grond geen vroegere opbrengst meer heeft. Dat hoeft niet zo te zijn en daarom is de aanname conservatief.
  • fase2 van de SDE+verlening is 11,0 cent/kWh en fase3 is 12,8cent/kWh. (2016)
  • lange termijn-stroomprijs volgens CE Delft voor PV = 5,5 cent/kWh

Zou je deze set gegevens over 2015 na enig ge-interpoleer in de tabel naar 2016 losgelaten hebben op Sunport Delfzijl, dan zou die onderneming over 20 jaar bij 11 cent/kWe SDE een batig saldo gehad hebben van €3,6 miljoen, en bij 12,8 cent/kWh SDE een batig saldo van €11,7 miljoen.

Het klopt eigenlijk heel aardig met mijn houtje-touwtje analyse. Waarschijnlijk vallen er in  mijn houtje-touwtje berekening ergens fouten tegen elkaar weg.

Het CE Delft-model, toegepast op een Brabantse boer (of groep boeren)
Ik doe in onderstaande cijfervoorbeeld even gemakshalve alsof een Brabantse boer (groep boeren) een zonnepark aanlegt ter grootte van 3,0MWp (dus eentiende van Sunport). In Duitsland heb je honderden van dit soort parken.
Voor een park van 3MWp (ca 12000 panelen) heb je ongeveer 3 tot 5 hectare nodig, afhankelijk van hoe je het park inricht.
Een park van 3MWp brengt per jaar ongeveer 2700000kWh op (2700MWh).

UIT: Hij legt het park aan in 2017. Enig interpoleren in de tabel naar 2017 levert kapitaalslasten van grofweg 7,8cent/kWh (15 jaar lang)  en exploitatielasten van samen 2,8 cent/kWh (20 jaar lang)
Die boer zit er met 10% eigen vermogen in. Daardoor kost het park de boer aan kapitaalslasten op vreemd vermogen (rente + afschrijving) over 15 jaar 2,84 miljoen (0,90 * 0,078€*270000*15). Zijn eigen vermogen is 0,32 miljoen.
Aan exploitatielasten kost het park over 20 jaar .028*270000*20 = €1,51 miljoen.
Samen dus 4,35miljoen in 20 jaar.
IN: De SDE+ geeft in 2017 een gesubsidieerde opbrengstgarantie van 11,0 of 12,6 cent/kWh, 15 jaar lang. Daarna is er nog 5 jaar de stroomopbrengst à 5,5cent/kWh.
Met 11 cent/kWh SDE+ krijg je over 20 jaar per saldo 5,20-4,35 = €0,85 miljoen. Hij  moet aan zichzelf zijn eigen vermogen terugbetalen, en houdt dan na 20 jaar nog €0,53miljoen aan winst over (zo’n 8% per jaar).
Met 12,6 cent/kWh SDE+ is het batig saldo over 20 jaar 5,84-4,35 = €1,5 miljoen, dus gemiddeld per jaar €75000 . Na terugbetaling van het eigen vermogen aan zichzelf resteert na 20 jaar €1,2 miljoen winst, ca 19% per jaar.

Op diezelfde 3 a 4 hectare werd je volgens CE Delft geacht vroeger €3000 a €5000 per jaar te verdienen. Het terrein brengt dus beduidend meer op dan vroeger.

Het bezit van het park brengt geen dagelijkse arbeid met zich mee. Aanleg en onderhoud zijn immers financieel al verdisconteerd alsof ze geheel door iemand anders gedaan zijn. Het is dus mogelijk om een andere baan te nemen.
Ook hoeft de agrarische opbrengst van het zonnepanelen-terrein niet nul te zijn, zoals door CE Delft aangenomen.

Er is in de noordelijke provincies op dit gebied al een projectontwikkelaar bezig (zie www.interfarms.com ).

Zonnepark bij Borna ten Zuiden van Leipzig (foto bgerard)

Conclusies:

  • Het kan interessant zijn om bij het flankerend beleid veeteelt grootschalige zonneparken op agrarische grond mee te nemen. Het zou verstandig zijn als de provincie een echte professional naar deze moge-
    lijkheden laat kijken.
  • Zonder een heleboel grootschalige zonneparken zal Brabant ver van zijn energiedoelen af blijven
  • De provincie is goed gepositioneerd om hier verschil te kunnen maken. Omdat kosten en opbrengsten soms dicht bij elkaar liggen, kan een klein beetje geld of wat invloed op de banken in een exploitatie al veel betekenen. Ook de ruimtelijke bevoegdheden komen goed uit.
  • In het Uitvoeringsprogramma Ondersteunende Maatregelen Transitie Veehouderij wordt de verlaging van de SDE+ – subsidies als bedreigend aangemerkt.
    Dit geeft op twee manieren een verkeerde indruk.
    Op de eerste plaats wordt een eenmaal toegekende gesubsidieerde opbrengstgarantie gedurende de 15-jarige looptijd niet meer veranderd.
    Op de tweede plaats horen energiesubsidies omlaag te gaan, uiteindelijk tot nul, omdat ze niet langer nodig zijn. Tot 2023 daalt de kostprijs sterk. De SDE+ – subsidie kan in ongeveer hetzelfde tempo mee omlaag gaan zonder dat dat problemen geeft.-

2 thoughts on “Grootschalige zonneparken als flankerend beleid in de veeteelt-transitie”

  1. SDE subsidie is dus veel te hoog, en wordt door boeren misbruikt als agrarische subsidie.

    Het is voor de maatschappij veel voordeliger windparken en zonneweides geografisch te combineren.
    En niet de boeren te laten investeren , maar huishoudens de windmolens en zonneweides in kavels te laten kopen.

    Dan vloeit er geen geld en SDE subsidie weg naar de bank, maar is subsidie overbodig.
    Bij de huidige jaarlijkse 12 miljard SDE subsidie, hebben huishoudens steeds meer subsidiekosten te betalen, dat wordt 200 EUR per maand (bij ongewijzigd beleid)
    We moeten juist dat beleid eerlijker maken voor huishoudens

    1. Henk

      je gooit een aantal verschillende dossiers ten onrechte op één hoop.

      De SDE kijkt slechts naar een te realiseren energetisch project en beoordeelt dat aan financiele, technische en energetische criteria. De bedoelingen van de aanvragende instanties spelen geen rol in de beoordeling en er worden geen principiele eisen gesteld aan de manier waarop de subsidie intern in de boekhouding opgenomen wordt. De enige eis is dat men kan aantonen dat de subsidievoorwaarden nageleefd worden.
      Sowieso zijn dat bijna altijd bedrijven en instellingen, omdat de SDE (in dit geval voor PV) pas vanaf een bepaalde minimumdrempel begint te werken.
      De SDE is ontworpen met het doel om rendabele business cases mogelijk te maken. Het is niet aannemelijk dat een instelling of onderneming een aanvraag doet als ze ook met subsidie geld op het project moeten toeleggen. Dus leidt de SDE tot een financiele overdracht aan welke begunstigde dan ook, of dat nou een school, een kantoor, Nyrstar (zonnepark Budel), Shell (wind op zee), een boer, de Campina of wie dan ook is. Maar alleen bij boeren vind jij het opeens een verwerpelijke subsidie.
      SDE-geld vloeit niet weg naar een bank, SDE-geld vloeit naar een instelling of bedrijf. Dat die daarnaast ook geld leent bij een bank, is een andere kwestie.

      Je kunt een heleboel vinden van agrarische subsidies, maar ik ga dat nu niet doen. Ik beperk mij tot de context waarbinnen mijn artikel zich afspeelt, namelijk de gevolgen van het recente Brabantse veeteeltbeleid. Ik ben voorstander van dit beleid en acht het het vest mogelijke binnen de gegeven situatie. Uit het beleid vloeit veel sociale problematiek voort. Het beleid is noodzaak, maar aan de sociale problematiek kan, binnen de zeer beperkte grenzen van wat de provincie kan, wat gedaan worden. Ik zie hier niets verwerpelijks in.
      Als de provincie inderdaad op dit pad meters zou maken, heeft dat drie positieve gevolgen: meer duurzame energie in Brabant, minder sociale problemen, en minder intensieve en meer extensieve veeteelt. Volgens mij een prima beleid.

      Gegeven het basale feit dat de groothandelsprijs voor elektrische energie rond de 4 cent/kWh ligt en de productiekosten van welk energetisch proces dan ook hoger zijn (behalve misschien over een paar jaar wind op zee), moet er iemand of iets voor het verschil tussen kostprijs (voor zon-Pv 11 cent/kWh) en opbrengstprijs (ca 4 cent/kWh) opdraaien, want anders heb je geen energie. Ergens past iets of iemand bij. De fossiele bedrijven hebben dat met een sterfhuisconstructie opgelost en door de gascentrales stil te zetten, de niet-fossiele bedrijven krijgen hun geld van de belastingbetaler.
      Omdat er veel hogere duurzame energie-volumes gewenst worden dan nu bestaan, en omdat alle energieopwekking verliesgevend is, en omdat de SDE+ het belangrijkste betalingskanaal is, is de SDE+ dus niet te hoog maar veel te laag.

      Vervolgens is de vraag hoe deze enorme bijbetalingen aan de onrendabele productie van duurzame energie financieel gedekt moeten worden. Dat is geen volumevraagstuk, maar een verdelingsvraagstuk. Ik ben het in zoverre met je eens dat de huidige verdeling van de lasten via een opslag op de elektriciteitsrekening niet rechtvaardig is. Zeker niet als aan de andere kant grootverbruikers idiote kortingen krijgen.
      Als het goed is, is dit vraagstuk tijdelijk omdat de opwekkingskosten van duurzame energie dalen tot onder de kostprijs. Ze dalen inderdaad, maar wanneer ze zichzelf kunnen bedruipen, durf ik niet te voorspellen.

      Volgens mij is de koninklijke weg om het verdelingsvraagstuk op te lossen dat iedereen dezelfde kWh-prijs betaalt, dat dat via de algemene rijksmiddelen betaald wordt, en dat via ons progressieve belastingsysteem afgedekt wordt. En is de koninklijke weg voor de bedrijfsmatige productie en distributie van energie een nutsbedrijf, zoals wij die vroeger hadden. Volgens mij is dat de meest praktische manier om het voor huishoudens eerlijker te maken.
      Ik zie niet goed hoe jouw systeem (bezit van productiemiddelen bij een niet gespecificeerde groep huishoudens in de nabijheid van niet-gespecificeerde verliesgevende en ongesubsidieerde energiebronnen) zou kunnen werken. Ik heb nog geen geloofwaardige business case van je gezien.
      Ik zie wel dat zich systemen ontwikkelen om in de nabijheid van gespecificeerde energiebronnen, die dekkend gemaakt worden m.b.v. SDE+ subsidie, bewoners in de omgeving mee kunnen doen (bijvoorbeeld bij het windproject langs de A16).

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *