Lezenswaardig Witboek Batterijtrends

De digitale Nieuwsbrief  CHANGE INC schrijft over wetenschappelijke en technische zaken in de context van toepassingen. CHANGE INC heeft een (gratis) whitepaper geschreven over enkele moderne trends in batterijen.  Het is toegankelijk via WHITEPAPER BATTERIJTRENDS .
Accu’s zijn er in allerlei soorten en maten, maar als je er een beetje gevoel bij wilt krijgen zonder specialist te moeten zijn, is het Witboek een lezenswaardige eerste stap.

Ik vind de opzet van het Witboek een beetje rommelig, maar de afzonderlijke verhalen zijn het lezen waard. Ik pik er twee hoofdstukken uit (met wat eigen uitzoekwerk erbij) om hier wat over te vertellen, namelijk het verhaal van de Natrium-ion accu en een verhaal over Nederlandse start-ups op accu-gebied.

De Natrium-ion accu
Je kunt de Natrium-ion accu zien als de kleine broer van de Lithium-ion accu. Hi werkt vergelijkbaar en heeft vier belangrijke voordelen en één belangrijk nadeel.
Het eerste voordeel is dat natrium een paar honderd keer zo goedkoop is als lithium. Dat komt mede omdat het (tweede voordeel) omdat het een bestanddeel van gewoon keukenzout is, dat je uit zoutlagen of eventueel uit zee kunt halen.  Ten derde is een natrium-ion accu veiliger en tenslotte werkt de batterij tot een fors eind onder het vriespunt. Nadeel  is dat de energiedichteid lager is. Een natrium-ion accu haalt (volgens het Witboek) 0,12 tot 0,16 kWh/kg , een Lithium-ion accu  0,14 tot 0,28kWh/kg .

(beeld is van CATL)

Voor statische toepassingen is die lagere energiedichtheid niet dramatisch belangrijk, voor rijdende toepassingen is het belangrijker.
Desalniettemin maakte de Chinese batterijreus CATL begin 2026 bekend ( catl.com/en/news/6720.html en ess-news_20april2026_a-closer-look-at-catls-new-sodium-ion-battery , sodium is natrium in het Engels ) dat het, samen met een Chinese autofabrikant, een elektrische auto met een natrium-ion accu in massaproductie gaat brengen met een energiedichtheid van 175kWh/kg. De accu zou bij -40˚°C nog 90% van zijn activiteit hebben.
CATL maakt zijn natriu,- en lithiummodellen mechanisch en qua vorm identiek, zodat ze op hetzelfde rijdende platform gemonteerd kunnen worden.  Men kan dan kiezen: natrium is goedkoper en kan beter tegen koud weer, lithium geeft betere prestaties.
Zie eventueel ook https://sodiumbatteryhub.com/ .

Elders in de wereld gebeurt ook van alles ( wikipedia_Sodium-ion_battery ), maar men is nog lang niet aan massaproductie toe.
Voor een eerder artikel op deze site zie nederlands-plan-voor-accus-met-alleen-veel-voorkomende-materialen/ , in welk project de Nederlandse zoutproducent Nobian een rol speelt.

Innovatieve Nederlandse accu-startups
Naast de in Arnhem gevestigde groep waaraan Nobian meewerkt, noemt Change drie Nederlandse startups: LeydenJar en LionVolt uit de Brainport regio, en ORE Energy uit Amsterdam.

In zijn algemeenheid valt er op dit moment tegen China niet op te concurreren. Er is best wel veel know how en er zijn best wel ideeën en pilots, maar als het massaal en goedkoop moet (en ook best wel goed), dan winnen op dit moment de grote Aziatische firma’s, waaronder die uit China. Bij NorthVolt probeerde Europa de achterstand te veel te snel en te moeilijk in te halen, en dat werd helaas een spectaculair fiasco. Helaas, want ik ben zelf sterk voor een krachtige en demokratische aansturing van economische bedrijvigheid. De onderliggende politieke en economische factoren in Europa zijn niet goed genoeg, maar ik mis de kennis om daarover met enig gezag te kunnen praten.
Ik  volg het wel zo goed mogelijk en heb bijvoorbeeld een artikel gewijd aan het ‘Nationaal Smart Storage Trendrapport’ dd 2024 (dan doen andere mensen het belangrijkste denkwerk en ik neem daar in dankbaarheid kennis van), zie op mijn site bjmgerard.nl/batterijen-in-nederland .

Men moet dus analyseren wat er in de huidige omstandigheden wel mogelijk is – met andere woorden, de juiste niche kiezen. In ‘mijn’ Brainportregio is daartoe bijvoorbeeld het Battery Competence Center opgericht (BCC, batterycompetencecluster ). Dat legt zich toe op hergebruik en recycling;  R&D  op het gebied van nieuwe generatie batterijmaterialen en –cellen en bijbehorende productieprocessen; batterijsystemen voor heavy-duty mobiliteit (oa voor DAF Trucks en VDL); en hergebruik en recyclling van batterijen.

Passend bij deze achtergrond hebben LeydenJar ( leyden-jar.com , een spin-off van TNO) en LionVolt ( lionvolt.com ) zich langs verschillende routes toegelegd op betere anodes (de anode is de -pool als de accu zich ontlaadt). Dat kan tot fors meer energieopslag leiden.
De anode is bedoeld om ingebouwd te worden in Lithium-ion accu’s.
LeydenJar kiest vooralsnog voor de niche van toeleverancier.
LionVolt wil zijn eigen batterijcellen gaan bouwen in Schotland.
Vooralsnog combineert men een beginnende productie, voor lichte objecten, nog met verdere research.
Het moet blijken wat er van de opschaling, als alles goed gaat, in Nederland terecht komt.
Onderstaand plaatje uit de brochure die men bij LeydenJar gratis kan opvragen.

ORE Energy ( oreenergy.com ) maakt ijzer-luchtaccu’s voor statische toepassingen, bijvoorbeeld opslag van zonne- en wind stroom, maar dat dan niet voor uren, maar voor dagen. Bij weinig wind en zon hoeven dan de gascentrales niet zo snel aan te slaan.
Het apparaat heeft de niet-zeldzame grondstoffen lucht, ijzer en water nodig. In essentie roest het ijzer (bij ontladen) en ontroest het (bij het opladen).

 Interessante materie!

Thorizon wil met overheidssteun Thorium-MSR bouwen

Inleiding en de betrokkenheid van Brabant
In Noord-Brabant (waarover ik bij voorkeur schrijf) is beleid in procedure voor de energiehuishouding na 2030 (in welk jaar op dit moment veel beleid stopt). In dat beleid krijgt kernenergie, naast andere CO2 – arme bronnen,  mogelijk een rol toebedeeld in de vorm van Small Modular Reactors Ik heb daar op deze site over geschreven op brabant-komt-met-energieperspectief-2050-inclusief-small-modular-reactors-en-wat-ik-daarvan-vind/ . Mijn stelling was daarin dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Er is een klein probleem: die dingen bestaan nog niet.

Kort na dit artikel verscheen er een persbericht van de Nederlands-Franse private scale up-onderneming Thorizon (niet beursgenoteerd), waarin een Memorandum of Understanding (MoU) bekend gemaakt werd tussen Thorizon enerzijds en

  • de provincies Zeeland en Noord-Holland en hun regionale ontwikkelingsbedrijven,
  • Invest-NL (een verzelfstandigd bestuursorgaan waarvan de aandelen bij het ministerie van Financiën liggen)
  • EPZ, de exploitant van de kerncentrale in Borssele
  • NRG PALLAS, de exploitant van de kerncentrale in Petten

De provincie NBrabant is geen partij in het MoU, maar heeft wel al eerder subsidie toegekend aan Thorizon.

Rond dit raamwerk hangen onderwijsinstellingen als de TU Delft, de TU Eindhoven (het programma Differ), De Zeeuwse HBO- en MBO-opleidingen, en ook onderzoeksinrichtingen als TNO en een ingenieuersbureau als Demeco (Zeeuws), en maakbedrijven als het Zeeuwse Schelde Exotech en de vanoorsprong Brabantse VDL-groep.

Het persbericht is te vinden op thorizon-epz-nrg-pallas-provinces-and-investors-sign-mou-to-build-europes-first-commercial-molten-salt-reactor-in-the-netherlands .
Voor een wat leesbaarder artikel in Change, in het Nederlands zie dit-zijn-3-troeven-waarmee-de-gesmoltenzoutreactor-van-thorizon-zich-gaat-onderscheiden .

 In het Memorandum wordt de intentie uitgesproken dat er in 2027 een, nog niet nucleaire, testfaciliteit gebouwd wordt op het terrein van Borssele; dat er in 2028 een wel-nucleaire demonstratieopstelling komt op het terrein van Petten; en dat er in 2034 een werkende thoriumcentrale opgeleverd wordt op het terrein van Borssele.
Die centrale moet 250MW warmte gaan leveren, die omgezet gaat worden in 100MW stroom (en 150MWrestwarmte, waarover niets gemeld wordt).

De reactorkern en een afzonderlijke cartridge, zoals Thorizon zich dat voorstelt

Van atoomonderzeeër tot LFTR
Vooraf  enkele mogelijke misverstanden wegwerken.
Er lopen vaak drie begrippen door elkaar.

  •  Een SMR is een Small Modular Reactor. Dat betekent niet meer dan dat de term letterlijk zegt: ‘Small’ betekent <300MW stroom (dat is overigens niet zo klein) en ‘Modular’ betekent dat er een bouwstroom is die in meerdere identieke inrichtingen voorziet die je kunt combineren. Verder betekent het niets. Een SMR kan op allerlei ’brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een Molten Salt Reactor (MSR)  zegt ook niet meer dan de term aanduidt: het koelmiddel is gesmolten zout. Ook een MSR kan op allerlei ‘brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een ‘Thoriumreactor’ betekent niet meer dan dat er (in hoofdzaak) thorium ingaat. Ook dat kan op allerlei technieken gebaseerd zijn. De ‘brandstof’ kan bijvoorbeeld in vaste of in vloeibare vorm aanwezig zijn.

Deze concepten komen in allerlei combinaties en in meerdere fabricagelanden voor, waardoor een wirwar aan reactortypes ontstaan is. Alleen daarom al is het lastig om tot een gestandaardiseerde bouwstroom te komen die mogelijk tot goedkopere reactoren zou kunnen leiden.

Het gros van de heden ten dage werkende reactoren is niet ‘small’, werkt met gewoon water onder hoge druk als koelmiddel (Pressured Water Reactor, PWR), en werkt op uranium in vaste vorm. Deze generatie-2 sector is de gevestigde macht met grote financiële belangen.
Het is een systeem met belangrijke nadelen. Desondanks is er,  rond 1970,  definitief voor gekozen. Wat een rol speelde was opgedane ervaring bij de eerste VS-kernonderzeeërs (zie wikipedia.org/wiki/Hyman_G._Rickover ), waar het type goed tot zijn recht kwam, en dat het relatief eenvoudig was om er bommen mee te maken.
Nadelen zijn (naast de bommen) bijvoorbeeld dat een PWR niet inherent veilig is. Mede daardoor zijn er enkele grote, bekende ongelukken gebeurd die de aanvaardbaarheid van kernenergie bij het publiek drastisch aangetast hebben. Andere nadelen zijn dat het radioactief afval honderdduizenden jaren weggestopt moet blijven en dat maar een klein deel van de energie in het uranium gebruikt wordt.

MSR-testopstelling Oak Ridge 1965-1969, waarvoor uiteindelijk niet gekozen is

De categorie waar rond 1970 niet voor gekozen is (ondanks positieve testresultaten) is die welke wij nu noemen Molten Salt Reactor. Daardoor is het concept een kleine 50 jaar op de plank blijven liggen.
Een aantal ontwikkelingen heeft eraan bijgedragen het concept weer van de plank af te krijgen.. De noodzaak van broeikasgasloze energie werd nijpend, er is discussie over of men met zon en wind kan leveren wat nodig is en vervolgens of men dat ook wil, er is een heftige strijd om de ruimte in Nederland, bij bepaalde toepassingen in de zware industrie ligt het moeilijk, er is geopolitiek rond olie en gas, en mogelijk kon seriebouw van reactoren goedkoper zijn?
Er is hier geen plek om deze discussie nog eens dunnetjes over te doen. Ik beschouw de toegenomen belangstelling voor relatief kleine en (verondersteld) goedkope kerncentrales in dit artikel als een gegeven feit, en redeneer in dit kader. Ik ben principieel niet bij voorbaat tegen welke energievorm dan ook.

De teksten van Thorizon zijn meer wervend dan informatief ( https://www.thorizon.com/ , de website van b ijvoorbeeld een Europese concurrent als copenhagenatomics vind ik beter), maar wat er wel gezegd wordt past bij een categorie die het MSR- en het thoriumconcept combineert. In het jargon heet dat een Liquid Fluoride Thorium Reactor (LFTR, in de volksmond ‘lifter’). Thorizon zegt van zichzelf niet dat het een ‘lifter’ is, maar ik doe hier alsof Thorizon in die categorie valt..
Over LFTR-en bestaat heel veel literatuur, veel meer dan een niet-vakman als ik  kan lezen. Ik hen een goed lemma van Wikipedia gevonden dat ik als onderlegger gebruik, namelijk Liquid_fluoride_thorium_reactor .

Kenmerken, plussen en minnen  van een LFTR
Thorium (de T in LFTR) komt in de natuur alleen voor als de zwak radioactieve  isotoop Th-232 (90 protonen, 142 neutronen). De stof is een stuk minder zeldzaam dan uranium en makkelijker winbaar. Soms zie je, na heftige storm, thoriumhoudend zwart zand ten noorden van Ameland. En bij de winning van zeldzame aarde-metalen komt vaak thoriumerts vrij als, tot nu toe, ongewenste bijmenging.

Thorium is zelf niet splijtbaar, maar kan een neutron invangen, waarna twee vervolgstappen komen, waarvan enkele varianten bestaan, die meestal leiden tot U-233 (92 protonen, 141 neutronen) en af en toe tot U-232.
Bij een splijting komen ook weer enkele neutronen vrij, waarvan een deel erin slaagt opnieuw een Th-232 kern om te zetten. Als dat per splijting er één is, houdt de reactor zichzelf op gang. Dat is niet vanzelfsprekend, want neutronen kunnen ook te hard gaan of in het verkeerde atoom terecht komen. Een ontwerp moet dus zuinig omgaan met neutronen. Dat stelt eisen aan de samenstelling van het koelmiddel en de vormgeving van het reactorvat.
Bij elke splijting komt, zoals bedoeld, warmte vrij. Die moet afgevoerd worden met het koelmiddel. De mogelijkheden om dat met water te doen zijn begrensd omdat steeds hogere drukken nodig zijn om steeds hogere temperaturen te bereiken. Dat kan tot stoomexplosies leiden. (Kerncentrales werken vaak met stoom van rond de 80 atmosfeer en 300oC.)
Hogere temperaturen echter bevorderen het rendement. Vandaar dat men er bij LFTR-en voor gekozen heeft voor een koelvloeistof die meestal bestaat uit een mengsel van gesmolten lithium- en berylliumfluoride (afgekort FLiBe, wikipedia.org/wiki/FLiBe ) dat, bij een druk die niet ver boven de atmosferische ligt en bij een optimale mengverhouding, een smeltpunt heeft van  459˚ C. Een reactor moet daar een eind boven zitten (bij Thorizon 550˚.C).

Gezuiverd FLiBe (ten tijde van Oak Ridge). 

By Bckelleher – Own work, CC BY-SA 3.0,

Het mengsel  is corrosief, Het stelt eisen aan de samenstelling van de leidingen. Thorizon wil dit eenvoudiger maken door hun cartridges  om de 5 a 10l jaar te verwisselen.
 De L van het Liquid in LFTR staat voor het gesmolten zout en de F voor Fluoride.

In een gangbare reactor, met een vaste kern, werken de splijtingsproducten gaandeweg hun oorzaak tegen. Daarom wordt in deze centrales slechts een klein deel (paar procent) van de aanwezige energie nuttig gebruikt. Daarna moet de door eigen toedoen vergiftigde splijtstofstaaf, met de meeste energie er nog in, uit de reactor, en staat hij jaren voor nop te koelen in een soort zwembad.
In een LFTR is ervoor gekozen om ook de ingaande Thorium en de gevormde uranium in de gesmolten fluoridevorm aanwezig te laten zijn. Hoe dat gerealiseerd wordt, kan van machine tot machine verschillen (voor zover dat nu al beoordeelbaar is).  Ook dan vergiftigt de reactie zichzelf, maar omdat de vloeistof kan stromen, kan het vergif er buiten het reactorvat worden uitgehaald – zoiets als  nierdialyse, maar dan een beetje ingewikkelder. Er is dus een chemische installatie aan de LFTR gekoppeld.
Op deze manier wordt een zeer hoog splijtingsrendement bereikt (bijvoorbeeld 98% van het inkomende thorium wordt nuttig verwerkt).
Het is denkbaar dat sommige van de verwijderde splijtingsproducten nut kunnen hebben (bijvoorbeeld als medische isotoop), maar dat is nog erg speculatief.

Een gebruiksklare LFTR heeft wel een starter nodig die de eerste neutronen levert. Dat moet iets zijn wat van zichzelf splijt, want dan neutronen. Bijvoorbeeld opgespaard U-233 of uranium of plutonium  uit afgedankte atoombommen.
Als er veel LTFR-en zijn, kan dat mogelijk een probleem worden, maar zover is het nu nog niet.

Een LFTR produceert zelf nauwelijks of geen langlevend afval omdat het proces niet of nauwelijks boven de U-233 uitkomt (dat splijt bijna volledig).  83% van het radioactieve afval moet dan 10 jaar opgeslagen worden, en de rest 300 jaar. Dan is alles terug, of onder, het oorspronkelijke radioactieve niveau. Het is een politiek standpunt wat men van die resterende opslagtermijn vindt. Ik vind het persoonlijk te overzien.
Lange halfwaardetijden ontstaan in een gangbare reactor die op U-235 werkt en een energetische ballast heeft van heel veel U-238. De 238-isotoop kan neutronen invangen waardoor zwaardere elementen ontstaan (de transuranen), waarvan plutonium (bommateriaal) de bekendste is. Die U-238 en de transuranen kunnen hele lange halfwaardeijden hebben die tot de beruchte opslagtermijnen leiden van honderdduizenden jaren.  
In principe kan er aan de gesmolten zoutmassa van een draaiende LFTR langlevend kernafval van elders worden toegevoegd, als dat kan splijten en zodoende neutronen levert. De reactor vernietigt dan dat reeds bestaande afval (waar, zoals gezegd, nog heel veel energie in zit). Dus als de LFTR naast de kerncentrale n Borssele komt te staan, zou het afval van de een de brandstof van de ander kunnen worden. Er is dan weinig gesjouw met radioactief materiaal nodig.
Dit alles idealiter. Men komt hierover optimistische bespiegelingen tegen, maar ik heb nog geen cijfers kunnen vinden.

De omvangrijke nijverheid die kernwapens produceert doet dat op basis van sterk verrijkt U-235 of op basis van Plutonium-239. Dat werkt ‘goed’.
Het is mogelijk kernwapens te maken op basis van het U-233 dat in thoriumcentrales ontstaat (het is gebeurd), maar het is niet praktisch vanwege de bijmenging van U-232. Beide zijn splijtbaar, maar U-232 gammastraalt als een gek en is dus impopulair in de omgang. Bijvoorbeeld omdat de elektronica van de bom er niet tegen kan. Landen die bereid en in staat zijn om atoombommen te maken hebben aan de gevestigde procedé’s rond U-235 en plutonium genoeg.

Een goed ontworpen LFTR stabiliseert zichzelf. Als er energie aan onttrokken wordt, koelt het systeem af en gaat het vanzelf harder werken (de vloeistof krimpt, de deeltjes komen dichter op elkaar en de reacties gaan sneller). Idem omgekeerd als het systeem warmer wordt.
Het systeem kan dus, tot op zekere hoogte, bijvoorbeeld de  wisselende opbrengst van zonnepanelen compenseren.
Onduidelijk is, tot nu toe, tot op welke hoogte. Dit soort beweringen zijn nog niet praktijkgetest.

LFTR-en zijn inherent (zonder continu menselijk toezicht) veilig. In het laagste punt van de inrichting zit een prop die kan smelten. Als de zelfregulerende mechanismes falen en de temperatuur te hoog oploopt, of als de stroom uitvalt die de prop koelt, loopt het mengsel weg in een afvalbak en stopt de reactie. Voor de restwarmte is natuurlijke circulatie genoeg.

Er zijn nog een heleboel technische kwesties (plus en min), en er is   nog heel wat R&D nodig, maar dat is te specialistisch voor deze kolommen.
Blijkbaar vertrouwt Thorizon voldoende op de eigen R&D tot nu toe, en daarmee op het eigen product. De praktijk van de komende jaren zal leren hoe gerechtvaardigd dit is.

RWE-centrale in het Duitse Hamm-üntrup. In de jaren ’80 heeft men hier geëxperimenteerd met een bepaald type thoriumreactor. Dat was geen succes. Foto zelf gemaakt in 2019. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Kernkraftwerk_THTR-300

Een politieke afsluiting
Deze weblog gaat mede over politiek. Wat vind ik hiervan?

Ik ben dit artikel begonnen met een verwijzing naar het Noord-Brabantse Energieperspectief 2050, waarin het denken over Small Modular Reactors een p[laats heeft.  Ongetwijfeld lopen in andere provincies vergelijkbare gesprekken. Gegeven de omvang van de SMR-en is het logisch dat provincies ernaar kijken.  Dat vraagt om een serieus politiek antwoord.

Over het Energieperspectief 2050 van de provincie N Brabant vond ik dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Toen was Thorizon nog niet in beeld. Ik heb dit artikel met deze stelling geopend.
Nu Thorizon sindsdien wel in beeld is gekomen, heb ik uiteindelijk nog steeds dezelfde mening. Ik twijfel er alleen heel sterk aan of het verhaal goed is.

Een eerste overweging, en niet eens de belangrijkste, is het geld. Thorizon noemt geen bedrag, maar n Change wordt ‘ruim € 1 miljard’ genoemd, waarvan ruim 40 miljoen binnen is. Dat valt nog niet eens tegen, als het dat inderdaad zou worden.

Een tweede, zwaardere, overweging is dat ik geen fluit van het tijdschema geloof, en dat op basis van een analyse van prof. Wim Turkenburg  ( https://midossier-hoe-snel-dragen-nieuwe-kleine-kerncentrales-smrs-commercieel-bij-aan-de-energievoorziening/ ).
Turkenburg werkt  met het puntensysteem van het NEA SMR Dashboard (NEA = Nuclear Energy Agency). Een ontwerp kan voor een aantal tussenstappen punten krijgen en bij 30 punten is er sprake van een opgeleverde, commercieel werkende centrale. Bij Turkenburg staat een groot aantal SMR-ontwerpen in een diagram (jaar sinds de start versus het aantal punten)
Thorizon (startjaar 2018) zit na zes jaar op 3 punten. Een oplevering in 2034, zoals beloofd, zou betekenen dat na 16 jaar (sinds 2018) de Thorizon ONE op 30 punten zou moeten zitten. Dat lijkt er niet op.

Waarna als derde vraag rijst hoe Thorizon ONE zich tot het grotere geheel van de broeikasgasloze nieuwe energie verhoudt. Als het een op zichzelf staand project wordt dat blijkt uit te lopen en meer kost dan begroot, is er geen man overboord want dat is men bij de overheid wel gewend. En op zich mag research en industriepolitiek geld kosten.
Maar als een rechtse meerderheid Thorizon ONE zou gebruiken als kapstok om met alle wind- en zonneparken te stoppen, hebben we een groot probleem. Dan hebben we vele jaren noch het een noch het ander. Met andere woorden: een Thorizon ONE die aanvullend op zon en wind enzovoort is, kan (het ontwerp leent zich er tot op zekere hoogte voor). Een Thorizon ONE die in plaats komt van wind en zon enzovoort zou een ramp zijn.
Het N Brabantse Energieperspectief 2050 definieert naast SMR-en goed pakket aan zon en wind en warmte (enzovoort), en vertrouwt kwantitatief nog niet op die SMR-en. Dat is verstandig.

Er moet (ten vierde) naar keteneffecten gekeken gaan worden (hoe kom je aan de thorium en wat doe je met het afval, ook al is dat veel minder en leeft het veel korter dan bij uraniumafval). Het is begrijpelijk dat dat niet nu al gebeurt, maar vroeg of laat zal het moeten.

Uiteraard (5) zullen er uitvoeringsvraagstukken komen, zoals wat waar onder welke voorwaarden mag komen te staan. Het is echter te vroeg om daar nu zinvol op in te kunnen gaan.

Tenslotte: ik vind dat de energieproductie in overheidshanden moet zijn, zeker als het om kernenergie gaat. Wat niet failliet mag, hoort niet op de markt thuis. De zeggenschapsverhoudingen bij de deelnemende partijen zijn niet altijd duidelijk.

Klimaat bedreigt verzekerbaarheid en hypotheken

Vooraf
Het SEO is een onafhankelijk economisch onderzoeksinstituut dat gelieerd is aan de Universiteit van Amsterdam ( wikipedia_SEO_Economisch_Onderzoek ).
In oktober 2025 heeft het SEO een rapport uitgebracht “The insurance costs of climate change’, te vinden op seo_de-verzekeringskosten-van-klimaatverandering . Het is geschreven door Pedro Romao, Emma Martinez en Nienke Oomes.
Dezelfde auteurs hebben een artikel geschreven voor de Economisch-Statistische Berichten (ESB) , te vinden op esb_klimaatverandering-drijft-verzekeringsclaims-op . En het Assurantie Magazine heeft er ook over geschreven, maar dat zit achter de betaalmuur.

Het rapport gaat over de stijgende kosten van verzekeringen door extreem weer, met als perspectief dat bepaalde zaken niet meer verzekerbaar zijn. En omdat die verzekerbaarheid de basis is voor bijvoorbeeld hypotheken, kan dat gevolgen hebben voor de woningmarkt.

Het SEO-rapport gaat over iets essentieels van groot politiek belang en is geloofwaardig in zijn stellingen. Helaas is het, naar mijn smaak, nogal rommelig geschreven. Mogelijk ligt dat aan mij als economische leek en zijn beroepseconomen aan elkaars rommeligheid gewend. Hoe dan ook, leken kunnen het beste het ESB-artikel lezen om een goede indruk te krijgen.
Als service aan de lezer heb ik een schematische samenvatting bijgevoegd, zie

De methode
Het werk bouwt voort op een eerder werk van Newman en Noy uit 2023, het is alleen niet altijd duidelijk waar Newman en Noy ophouden en SEO begint (het staat allemaal een beetje door elkaar). Newman en Noy hebben 185 gebeurtenissen meegenomen, verdeeld over de jaren 2000 t/m 2019, en hebben dat geëxtrapoleerd naar alle gebeurtenissen. Zodoende komen ze erop uit dat in die 20 jaar extreem weer mondiaal voor ca $5400 miljard aan verzekerde schade heeft doen ontstaan, waarvan 53% (zijnde ca $2860 miljard) voor rekening van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering was. Met andere woorden: als het klimaat gelijk gebleven was, hadden de maatschappijen $2860 miljard minder hoeven uit te keren.
Die schade is, zeggen Newman en Noy,, voor 60% in te boeken als veroorzaakt door loss of life en voor 40% door economisch verlies. Het SEO neemt deze verdeling zonder nadere toelichting over.

Het SEO heeft grofweg hetzelfde gedaan als Newman en Noy, maar dan met 617 gebeurtenissen over de periode en twee jaar opgeschoven (waarbij SEO de irritante gewoonte heeft om niet te zeggen of het 2002 tot of tot en met 2022 is – uit de context blijkt dat 20 jaar bedoeld wordt).

Beide werkstukken kijken vanuit het perspectief van de verzekeringsmaatschappijen: wat hebben we uitbetaald? Het SEO haalt zijn gegevens bij een bekende rampendatabank (de EM-DAT) en bij de vijf toonaangevende  herverzekeringsmaatschappijen (een herverzekeringsmaatschappij is  als het ware de verzekeraar van de verzekeraars. Alle bronnen hebben zo’n beetje hun eigenaardigheden en dat vraagt enig gepuzzel. Daarom staat er rondom groeicurves een behoorlijk wijde onzekerheidsband.

In de bovenste figuur hierboven geeft SEO de jaarlijkse mondiale uitbetalingen aan directe schade door extreem weer. Dat komt, opgeteld over 20 jaar, op grofweg ruim $1700 miljard uit.
In de onderste figuur hierboven geeft SEO zowel de jaarlijkse uitbetalingen aan directe schade, voor zover die door de klimaatopwarming veroorzaakt worden – schaalverdeling links -, alsmede de cumulatieve versie daarvan (een bedrag in een bepaald jaar wordt opgeteld bij de som van de voorgaande jaren – schaalverdeling rechts -). Die cumulatieve uitgaven eindigen op $614 miljard. Dat impliceert dat bij SEO het klimaat goed is voor ca 37% van de totale uitbetaalde, door extreem weer veroorzaakte schade.

De piek in 2005 is van de orkaan Katrina, die van 2017 van orkaan Harvey, en die van 2022 van orkaan Ian.

SEO legt niet goed uit hoe het kan dat hun voorgangers op zoveel hogere bedragen uitkwamen. Er wordt iets gemompeld over andere wijzen van omgang met data, bijvoorbeeld dat SEO vooral directe effecten meetelt en Newman en Noy daarnaast ook indirecte (secundaire) effecten meenemen. Echt duidelijk wordt het niet.

Dat maakt in zoverre niet veel uit, dat de relatieve cijfers voor de trends feitelijk informatiever zijn dan de absolute.  In de absolute cijfers (zie hieronder) speelt immers ook mee voor welk bedrag er verzekerd is. De schade in Noord-Amerika is groot omdat er veel cyclonen en tornado’s voorkomen, maar ook omdat er simpelweg veel verzekerd is. De schade wordt immers uitgedrukt in geld. Om diezelfde reden is de schade in Africa niet klein omdat daar geen klimaatgerelateerde weer-rampen voorkomen, maar omdat er in verhouding erg weinig verzekerd is. Maar die onderliggende werkelijkheid zit niet in het onderzoek. Daarom is de conclusie dat in de 20 jaar van 2002 – 2022 het klimaat meestal goed was voor ca 35 a 40% van de schade meer universeel bruikbaar.
Zo ook dat dat klimaatpercentage relatief stijgt. Van 2012 tot 2022 steeg alle extreem weer-schade met 4,9% per jaar, terwijl in die periode de klimaatgerelateerde extreem weer-schade met 6,5% per jaar steeg.

Bovenstaande figuur specificeert de klimaatgerelateerde extreem weer-schade per regio en per oorzaak. Dit mondiaal.

Als men dergelijke overzichten opsplitst in de eerste en de tweede 10 jaar, zie je (in dit geval uitgerekend voor alle extreem weer-schade) een toename in schade door bosbranden door droogte, en een lichte afname van schade door overstromingen.

Onverzekerbaarheid en hypotheken
SEO noemt, zij het in kort bestek, het toekomstbeeld dat huizen op gevaarlijke plaatsen straks niet meer, of slechts tegen veel hogere kosten,  verzekerbaar zijn. Een voetnoot verwijst naar een artikel uit de San Fransisco Chronicle van 25 sept 2024 ( sfchronicle_state-farm-insurance ) dat State Farm, de grootste opstalverzekeraar van Californië, bezig was te bezwijken – en toen moesten de verwoestende branden van januari 2025 nog komen ( https://www.bjmgerard.nl/los-angeles-brandt-maar-de-discussie-gaat-niet-over-klimaat/ ). Door premies fors omhoog te gooien, bestaat State Farm dd dit artikel nog steeds.
Ik heb het SF Chronicle-artikel als bijlage toegevoegd –>

De papieren NRC kopte op 10 jan 2025 over de situatie in de VS “Verzekeren tegen klimaatschade is privilege rijken’ ( nrc_verzekeraars-in-de-vs-zijn-steeds-huiveriger-om-alle-branden-en-stormen-nog-te-dekken )

Zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Branden_in_Zuid-Californi%C3%AB_in_januari_2025 .

Europa
Het ESB-artikelgaat iets dieper in op Europa, waar de klimaatopwarming harder gaar dan mondiaal gemiddeld. Hieronder de niet- en wel-klimaatgerelateerde extreem weer-schade, uitgesplitst naar oorzaak.

Je moet dat dus lezen als: overstromingen in Europa zijn voor 40% klimaatgerelateerd en veroorzaakten van 2002 – 2022 75miljard aan schade, van welk schadebedrag 30 miljard er zonder klimaatopwarming niet geweest zou zijn.

Uiteraard wordt er ook in de EU over schade en verzekeren gesproken. Daarover de koepel EIOPA, die over verzekeringen en bedrijfspensioenen gaat. Recentelijk is een discussiestuk uitgebracht over het afdekken met zoiets als een Europese pool van uitzonderlijke natuurrampen ( zie eiopa-and-esm-staff-propose-mechanism-better-manage-fallout-outsized-natural-catastrophes-2026-04-09 ). Indien gewenst, is het discussiestuk op deze pagina binnen te halen.

De EIOPA stelde eerder’, dat de klimaatschade in de EU in 2021, 2022 en 2023 ongeveer 50 miljard per jaar bedroeg. Daarvan is (zie ook bovenstaande webpagina) driekwart onverzekerd.

Zwentendorf aan de Donau bij de grote overstroming in  2024, zie https://www.bjmgerard.nl/aan-de-schone-maar-niet-zo-blaue-donau/. Foto MarktGemeinde Zwentendorf
Deze overstroming is van na de onderzoeksperiode en dus niet meegenomen.
De drie overstromingen in 2024 (Zuid-Duitsland, Midden-Europa en regio Valencia)  hebben de verzekeraars samen ruim 7 miljard gekost ( https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/ruim-7-miljard-schade-door-overstroming-in-europa ). Waarvan dus, volgens het SEO, ca 40% voor rekening van het  klimaat komt.

Nederland
Nederland heeft zijn eigen verhaal, maar dat is voor een ander artikel.

TNO produceert zonne-dakpan van perovskiet

TNO heeft, naar eigen zeggen als eerste, een zonne-dakpan ontwikkeld. Die bestaat uit een dakpan met een dunne flexibele laag folie, waarop een module op basis  van perovskiet. Dat staat in een persbericht dd 02 april 2026, zie tno.nl/perovskiet-zonnecellen-dakpan/02 april 2026 .
De onderliggende dakpan is ontwikkeld door het Hengelose start up-bedrijf Advanced Solar Applications Technology (ASAT).

Als met perovskiet één enkele, zuivere stof bedoeld wordt, is dat CaTiO3 . Daarnaast zijn er een aantal erop gelijkende mineralen die die je zou kunnen aanduiden als de perovskiet-familie ( zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Perovskieten ). Deze mineralen zijn  niet zeldzaam en kunnen soms ook synthetisch, uit andere grondstoffen, in elkaar gezet worden.

De Zonne-dakpan met uiteenlopende beschermingslagen (website TNO)

Dunne laag-zonnepanelen hebben voordelen boven de gangbare siliciumpanelen. Ze wegen minder en kunnen vanwege hun buigzaamheid gemakkelijker in gebouwen en infrastructuur ingepast worden. Er is minder energie en minder grondstoffen nodig voor de productie en die grondstoffen zijn ruim beschikbaar.

Nadeel  is dat het rendement lager is. In reële omstandigheden haalt de perovskietcel 12,4% en halen gangbare panelen 20%. (NB: de combinatie van perovskiet met gangbare zonnepanelen haalt veel hogere rendementen, maar dat is niet aan de orde op dakpannen).

De demo-dakpan is de volgende stap in een lopend research- en opschalingsproject dat gekoppeld is aan Brabantse industriepolitiek, gedragen door TNO/Solliance, de Provincie NoordBrabant en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM).
Het paneel is dus nog niet commercieel beschikbaar.

Voor verdere opschaling richting  commercialisatie heeft TNO in maart 2026 de spin out Perovian Technologies ( https://www.tno.nl/nl/newsroom/2026/03/tno-lanceert-perovion-technologies/ ) opgezet. Die moet de perovskiet-modules gaan uitrollen, ongeveer op de manier zoals een krant gedrukt wordt. Men hoopt de fabriek, waarin dat gaat gebeuren, in 2030 te gaan bouwen.

Extra informatie, desgewenst, op https://www.tno.nl/nl/duurzaam/energievoorziening/zonne-energie-technologie/perovskietzonnecellen/ en  https://www.zonnepanelen-gids.nl/soorten-zonnepanelen/perovskiet-zonnepanelen/

TNO Mass-Customization research pilot lijn waarop zonne-cellen en folies op maat gepositioneerd worden, en waarover een beschermende folie wordt aangebracht. (website TNO)

Enexis bedient je verwarming?

Ter inleiding
De congestieproblematiek van het stroomnet is bekend en wordt steeds acuter. Op 15 april 2026 stond bijvoorbeeld in het Eindhovens Dagblad dat voor grote delen van mijn regio Zuidoost Brabant inmiddels ‘code rood’ geldt, ook voor nieuwe woonwijken. En daarvan willen ze er een heleboel aanleggen in onze explosief groeiende regio.

Die congestie geldt vooral voor pieken en dan met name voor de avondpiek vaan 16 tot 20 uur. Naast andere aanpak probeert Enexis, de regionale beheerder van het laag- en middenspanningsnet, daarom piekbelastingen te verschuiven. Enexis maakt dat al mogelijk bij het laden van elektrische auto’s en met thuisbatterijen. Een algemene schets van dit beleid op de site van Enexis is te vinden op verschuiven-stroomverbruik-buiten-piekuren-kan-binnenkort-ook-met-hybride-warmtepomp/ (dd 12 januari 2026).

Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026

Om de anti piek-aanpak verder uit te breiden met hybride warmtepompen heeft Enexis, samen met andere maatschappelijke partners, in het Drentse Dalen een pilot opgezet om hybride warmtepompen collectief, van buitenaf, aan te sturen. Dat werd het DACS-HW programma ( https://dacs-hw.nl/  ). Huishoudens werden uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. 40% van de uitgenodigde huishoudens achter een specifiek transformatorhuisje, reeds in het bezit van een hybride warmtepomp, deed mee en dat telde op tot ca 100 huizen. Men kon zich ook weer afmelden, maar gebeurde weinig.
Bewoners moesten specificeren hoe ze het hebben wilden, en gaven dan de bediening van hun warmtepomp in handen van Enexis. Enexis heeft een collectief aansturingsprogramma uitgevonden waar het gewenste resultaat (bijvoorbeeld 19˚ C van 17 tot 23 uur) als randvoorwaarde inging, alsmede woningkenmerken, slimme meetdata en beschikbare netcapaciteit, en waar de gewenste temperatuur uitkwam.
Enexis kon dan bijvoorbeeld van afstand de hybride warmtepomp om 15 uur aanzetten (welk tijdstip buiten de piek ligt) en om 16 uur weer uit (deze getallen zijn een voorbeeld en komen niet van Enexis).

Resultaat is dat de avondpiek in deze specifieke omstandigheden, bij 40% deelname,  en bij dit specifieke transformatorhuisje, 10 tot 25% lager was. Verder bleek het gasverbruik van de huishoudens ruim 70% lager te zijn geworden (dat komt omdat bij  een hybride warmtepomp er voor de ruimteverwarming pas gas wordt ingezet als de stroom het niet meer aan kan, en bij piekverschuiving gebeurt dat dus minder vaak).

Het DACS-HW project heeft een persbericht uitgebracht ( persbericht DACS-HW dd 27 nov 2025 ) dat ik hieronder, net een steunkleur, integraal afdruk. Daarna kom ik er nog even op terug met een paar relativerende opmerkingen.

Luchtfoto van de wijk in kwestie_website DACS-HW website

=  =  =  =  =  =  =

PERSBERICHT: Slimme aansturing van hybride warmtepompen biedt oplossing tegen netcongestie op het laagspanningsnet

                                                                                              27 nov 2025

Pilot DACS-HW in Dalen toont het potentieel aan 

Een groot deel van een woonwijk voorzien van hybride warmtepompen zónder dat het stroomnet hoeft te worden verzwaard: in het Drentse Dalen is dit concept succesvol getest door een consortium van Enablemi, Enexis, Intergas, Inversable, Samen Energie Neutraal, Technische Universiteit Eindhoven en Voorstroom. Binnen het pilotproject DACS-HW werden honderd hybride warmtepompen bij huishoudens collectief en centraal aangestuurd, om te onderzoeken of op deze manier de capaciteit en flexibiliteit van het lokale stroomnet beter kan worden benut.

Collectieve sturing helpt een vol stroomnet 
De groei van (hybride) warmtepompen, laadpalen en elektrische apparaten zorgt voor toenemende belasting van het lokale stroomnet. Het stroomnet raakt steeds voller en er dreigt op sommige plekken zelfs overbelasting. In Dalen is aangetoond dat het laagspanningsnet aanzienlijk kan worden ontlast door de slimme en centrale aansturing van hybride warmtepompen. Het resulteerde in 10 tot 25% reductie van de avondpiek. Deze resultaten zijn specifiek voor deze wijk en testopzet – met circa 40% deelnemende huishoudens. Bram Gerrist, Directeur Innovatie & Ontwikkeling bij Enexis: “De pilot in Dalen toont aan dat het stroomnet beter wordt benut en dat op piekmomenten het lokale stroomnet wordt ontlast zonder dat bewoners comfort verliezen. Hierdoor kan een eventuele netuitbreiding worden uitgesteld of mogelijk zelfs worden voorkomen. Iets wat zowel de maakbaarheid van de energietransitie als de betaalbaarheid voor de bewoners ten goede komt”. 

Comfort en duurzaamheid voor bewoners
De hybride warmtepompen worden automatisch en centraal aangestuurd, waarbij bewoners altijd inspraak houden in het verwarmingsproces door middel van een comfortknop (‘opt-out’). Slechts een beperkte groep bewoners maakte hier gebruik van, wat het vertrouwen in het systeem benadrukt. Louis Visser, Manager Innovatie bij Intergas; “Door de prestaties van hybride warmtepompen in DACS-HW te optimaliseren, minimaliseren we het risico op netoverbelasting. Bewoners zien tegelijk het voordeel: meer dan zeventig procent minder gasverbruik voor verwarming. Dit resulteert direct in een lagere energierekening en een reductie in CO2-uitstoot.”

Innovatie en transparantie
Binnen de pilot wordt gewerkt met metingen, aanstuurscenario’s en dataverzameling via een open-source cloudplatform. Zowel data uit slimme meters en warmtepompen, als netdata worden veilig uitgelezen en transparant gedeeld, met volledige borging van privacy. De piekreductie lag tussen de 10 en 25 procent, afhankelijk van de gekozen aansturingsmethoden en wensen van bewoners. 

Draagvlak en betrokkenheid
Succesvolle energietransitie vraagt naast technologische vooruitgang om actief draagvlak en betrokkenheid van bewoners. In Dalen heeft veertig procent van de huishoudens deelgenomen aan de pilot, mede dankzij de transparante samenwerking en het tastbare duurzame resultaat. De ervaringen en resultaten bieden een waardevolle basis om deze innovatieve aanpak verder door te ontwikkelen en mogelijk uit te rollen naar andere wijken en gemeenten, en zo samen te werken aan een stabieler, zuiniger en toekomstbestendig energiesysteem.

Dit project is uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), binnen de MOOI-subsidieronde 2022.

=  =  =  =  = 

Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026

Drie relativerende opmerkingen mijnerzijds:

  • Een hybride warmtepomp bespaart bij individueel gebruik sowieso al ca 60 a 70% gas ,zegt Milieu Centraal  ( milieu centraal over de hybride warmtepomp/ . De extra besparing die het gevolg is van de collectieve aanpak moet dus gerekend worden over de 30 a 40% die nog over is (all-in hou je dus pakweg 10% gasverbruik  over)
  • Hybride warmtepompen zijn eigenlijk geen groot probleem (zegt ook het persbericht). De gemiddelde piekbelasting blijkt grofweg 0,85kW en het transformatorhuisje is zo gedimensioneerd dat alle woningen tegelijk 1,5kW mogen vragen.
    Maar dezelfde aanpak kan ook gehanteerd worden bij grotere stroomvreters, zoals een all electric-verwarming. Daar zet het meer zoden aan de dijk.
  • Een dergelijke aanpak is noodzakelijk, maar waarschijnlijk niet voldoende om de netproblematiek op te lossen

Vijftien jaar klimaatverandering

Nature Climate Change heeft een editorial op Internet gezet met aansprekende vergelijkingen om de effecten te visualiseren.
Hieronder heb ik ze afgedrukt.

Lees de eerste twee voorbeelden (lettertjes zijn helaas klein, maar soms kun je die met een ingreep vergroten):

  • als je alle gletscherijs dat in die afgelopen 15 jaar gesmolten is zou omvormen tot een piramide waarvan de vierkant-zijden even groot waren als de hoogte, dan zou die piramide drie maal zo hoog zijn als de Mount Everest.
  • de temperatuur, gemiddeld over de hele aarde, is in die tijd 0,517oC gestegen

Enzovoort.

Oprichting Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar

Netbeheerder Enexis, de provincie Noord-Brabant en de Nationale Deelneming Warmte (NDW) hebben op 08 april 2026 een persbericht uitgebracht waarin gemeld wordt dat de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar is. (NDW is een dochter van het overheidsbedrijf Energie Beheer Nederland).
Op 2 april 2026 werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.
Er wordt samengewerkt met gemeenten en men staat positief tegenover bestaande of nieuwe kleinshalige collectieve oplossingen.

Politiek verantwoordelijk is gedeputeerde Bas Maes (SP)
Het persbericht staat hieronder afgedrukt en is te vinden op https://www.enexisgroep.nl/nieuws/onderzoek-ondersteunt-haalbaarheid-oprichting-regionaal-warmtebedrijf-brabant en op de site van de provincie.

De algemene warmtevisie van Enexis is te vinden op https://www.enexisgroep.nl/over-ons/onze-organisatie/strategie-waardecreatie/#referentie-warmtestrategie .

Op deze site is al eerder over dit onderwerp geschreven op https://www.bjmgerard.nl/onderweg-naar-een-provinciaal-warmtebedrijf/ .
Voor een achtergrondartikel over de mogelijke rol van coöperaties en over Deense ervaringen, zie https://www.bjmgerard.nl/energiecooperaties-willen-rol-bij-warmtenetten/ .

Aanleg coöperatief warmtenet Terheijden (bij Breda)

Onderzoek ondersteunt haalbaarheid oprichting Regionaal Warmtebedrijf Brabant

https://www.enexisgroep.nl/nieuws/onderzoek-ondersteunt-haalbaarheid-oprichting-regionaal-warmtebedrijf-brabant

Afgelopen jaar onderzochten provincie Noord-Brabant, Enexis Groep en de Nationale Deelneming Warmte (NDW – dochter van Energie Beheer Nederland) de financiële en juridische haalbaarheid van een publiek warmtebedrijf. Op 2 april werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.

Een publiek warmtebedrijf is een investering in de lange termijn: het helpt om de ontwikkeling van warmtenetten te versnellen, zorgt voor de laagste maatschappelijke kosten en bewaakt de betaalbaarheid. Het toekomstige RWB zal zich richten op de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van collectieve warmte, met Brabant als kerngebied. Dit is in lijn met de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw), die op 9 december 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer en sinds begin dit jaar in fases wordt ingevoerd. De wet bepaalt dat warmtebedrijven in meerderheid publiek moeten zijn. De investering in de warmtetransitie biedt op de lange termijn voordelen, zowel vanuit maatschappelijke waarde als vanuit publieke zakelijkheid. Zo draagt het RWB bij aan een betrouwbare, duurzame warmtevoorziening voor Brabanders, met minder afhankelijkheid van gebeurtenissen in het buitenland. Gemeenten hebben hierin een duidelijke regierol, terwijl het provinciale niveau schaalvoordelen, standaardisatie en bundeling van kennis en kunde mogelijk maakt.

Voldoende gebouwen en bronnen beschikbaar

Het RWB kan een belangrijke rol spelen in het aardgasvrij maken van gebouwen in Noord-Brabant. Uit de verkenning van de drie samenwerkende partijen blijkt onder meer dat ongeveer 400.000 woningen en 35.000 utiliteitsgebouwen aangesloten kunnen worden op een warmtenet. Voor deze woningen geldt dat aansluiten op een warmtenet tot de laagste nationale kosten leidt. Dit potentiële aantal rechtvaardigt ruimschoots de oprichting van het RWB, ook als zou blijken uit de Warmteprogramma’s waar gemeenten momenteel aan werken dat deze potentie lager wordt. Er zijn ook voldoende duurzame warmtebronnen aanwezig, zoals restwarmte, geothermie en warmte van rioolwaterzuiveringen en van rivieren. Dit betekent dat er ongeveer een derde van de woningen in Brabant aangesloten kan worden op een duurzaam warmtenet naast de 70.000 woningen die al op een bestaand warmtenet zijn aangesloten. De onderzoeksresultaten en de aanname van de Wcw, zorgen ervoor dat de partijen een vervolg willen geven aan hun huidige initiatief. In de samenwerkingsovereenkomst hebben ze daarom afspraken gemaakt hoe ze samen verder toewerken naar de oprichting van een RWB.

Energiezekerheid en betaalbaarheid

De partners vinden het belangrijk dat energie altijd beschikbaar is voor inwoners én dat energie voor iedereen betaalbaar blijft. Het nog op te richten regionale warmtebedrijf kan zorgen voor een eerlijke prijs en betrouwbare levering van energie. Het RWB wil samen met gemeenten vormgeven aan de warmtevoorziening in Brabant. Gemeenten houden zo regie, terwijl zij steun krijgen bij de voorbereiding en aanleg van warmtenetten. Het RWB ondersteunt gemeenten zodat zij zich volledig kunnen richten op hun wijkplannen, zonder zelf een warmtebedrijf te hoeven opzetten.

We onderzoeken wat binnen de Wcw mogelijk is om ook te werken aan andere, kleinschalige collectieve oplossingen die passen bij het karakter van de Brabantse dorpen. Betaalbare warmte voor Brabanders is hierbij het uitgangspunt. Doordat de provincie, Enexis Groep en NDW hun krachten bundelen krijgen gemeenten warmtenetten sneller en op een zorgvuldige manier van de grond. Zo krijgen wijken en dorpen sneller zicht op een betrouwbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas.

Planning

Het oprichten van een nieuw warmtebedrijf is ingewikkeld. Daarom plannen de partners hier voldoende tijd voor in. Zo voeren provincie, NDW en Enexis Groep in de eerste helft van 2026 ook gesprekken over de invulling van het RWB met alle Brabantse gemeenten die een warmtenet voorzien. Hiermee proberen we zo goed mogelijk aan te sluiten bij wensen en behoeften van gemeenten. We zoeken daarbij naar een gezonde balans tussen maatwerk en uniformiteit. De wijze waarop het RWB georganiseerd wordt moet maximaal bijdragen aan betaalbare warmte. Het uiteindelijke voorstel voor oprichting wordt waarschijnlijk voor het einde van 2026 aan Provinciale Staten voorgelegd. Na positieve besluitvorming door Provinciale Staten, Enexis Groep en NDW, kan gestart worden met de daadwerkelijke oprichting van het RWB en het opstellen van concrete investeringsvoorstellen voor warmteprojecten.

In Deense steden, zoals in Lemvig, zijn stadsverwarmingen gemeentelijk of collectief (foto mag overgenomen worden o.v.v. www.bjmgerard.nl )

Ik bij de actie van Milieudefensie bij de AVA van Ahold

Ik was ook bij de actie van Milieudefernsie ter gelegenheid van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Ahold Delhaize op 08 april 2026. Er was een demonstratieve buitenactie, waar ik bij was, en een binnenactie door ca 100 Milieudefensieleden die een aandeel gekocht hadden en de leiding van Ahold Delhaize uiterst kritisch bevroegen.
Voor een verslag op de site van Milieudefensie, zie bijna-12000-handtekeningen-aangeboden-tijdens-de-ava-ahold (Milieudefensie rondt wel erg ruim af naar boven ………)

H Wat foto’s met onderschrift, en op het eind een persbericht van Milieudefensie over de actie.

Kunstenares Pauline Wiersema had voor de actie een Groene Kassa gemaakt, waar heel veel mensen graag groen en betaalbaar boodschappen wilden doen, maar die, helaas helaas, gesloten was. Dit is Pauline voor haar kassa.

Kassa gesloten, lange rij (ca 150 mensen). De groene mandjes zijn gehuurd en kunnen weer terug.
Foto Edo Landwehr. .

Ondertussen werd de klantenservice van Albert Heijn gebeld met kritische vragen. Dit voor zover die service bereikbaar was.
Foto Edo Landwehr.

==========

Actievoerders uit hele land bij vergadering Ahold Delhaize

(Persbericht van Milieudefensie dd 08 april 2026
https://pers.milieudefensie.nl/press/fotopersbericht-actievoerders-uit-hele-land-bij-vergadering-ahold-delhaize )

Zaandam, 8 april 2026 – Van Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen: vanuit het hele land kwamen woensdag actievoerders van Milieudefensie en Milieudefensie Jong naar het Zaantheater in Zaanstad. Ze staan namens ruim 11.000 klanten in de rij voor een groene maar helaas gesloten kassa van Albert Heijn. Terwijl binnen in het gebouw de aandeelhoudersvergadering plaatsvindt van Ahold Delhaize, het moederbedrijf van Albert Heijn.

Winnie Oussoren van Milieudefensie Jong is daar al voor de vijfde keer om de aandeelhouders aan te spreken. “Ik kwam hier als scholier, en inmiddels heb ik mijn masterdiploma op zak, en Ahold heeft in die tijd weinig tot niks gepresteerd op het gebied van klimaat.”

Klimaatplan en dure boodschappen

“Ahold Delhaize heeft nog steeds geen goed klimaatplan”, benadrukt ze. “Maar intussen raken de CO2-doelen van het Klimaatakkoord van Parijs steeds verder uit het zicht, ligt er nog veel te veel vlees en zuivel in de schappen en zijn biologische boodschappen onnodig duur.” Vrijwilligers hebben maandenlang in het hele land met smoestuintjes actie gevoerd bij Albert Heijn-filialen voor groene en betaalbare boodschappen.

Hoge bonussen

Binnen richt een deel van de vrijwilligers zich ook specifiek tot individuele directieleden. Oussoren: “Wij moeten stemmen over hogere bonussen. Verdienen zij die wel? Zij falen immers om beleid te maken dat nodig is om de klimaatcrisis een halt toe te roepen.”

De Eindhovense Milieudefensiegroep voor Albert Heijn in de Roostenlaan na een van de negen Smoestuintjes-sessies. Er zijn ca 720 Smoestuintjes weggezet, waarvan er x-100 tot een ingevulde petitie geleid hebben.
Zie ook https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af/

Grote ondergrondse waterstofvondst in Lotharingen

Afkomstig van de website van FDE

Onderzoekers van het GeoRessources Laboratorium van de Universiteit van Lotharingen (gevestigd in Nancy en Metz), van de Franse overheidsrganisatie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, CNRS, en van energiebedrijf Française de l’energie (FDE) hebben met de PTH-2-put bij Pontpierre op bijna 4 km diepte een grote ondergrondse voorraad waterstof ontdekt. Zie (o.a.) georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project/ en persbericht FDE .
Voor een CNRS-filmpje zie  new-reportage-cnrs-lorraine-hydrogen-under-our-feet .

Mn spreekt van minstens 34 miljoen ton waterstof, maar er worden ook hogere getallen genoemd. Het kan zijn dat het reservoir doorloopt tot in België, Luxemburg en Duitsland. Voor zover de kennis nu reikt, is het de grootste waterstofbel ter wereld.

Eigenlijk is de waterstofvoorraad bij toeval ontdekt bij het uitvoeren van een ander onderzoek, namelijk naar de winning van Coal Bed Methane (CBM). Vroeger werden in  de regio Lotharingen, net als in de aangrenzende delen van Belgie en Duitsland, kolen gewonnen. Die mijnen zijn alweer geruime tijd dicht, maar er zitten nog steeds veel kolen in de grond.
Vaak is met die kolen methaan geassocieerd (wat de consument waardeert als aardgas en wat de mijnwerker vreest als mijngas). De gedachte achter het, daartoe in 2012 opgerichte, Regalor-project was om dat kolengas te winnen.
Bij proefboringen echter bleek dat het kolengas waterstof als bijmenging had, en dat de bijmengconcentratie hoger werd naarmate de boor dieper ging. Dat veroorzaakte opwinding, waarna de bijzaak hoofdzaak werd. Als het zou lukken om de waterstof te winnen, zou dat extreem waardevol zijn – veel waardevoller dan methaan. Waterstof wordt massaal ingezet in de chemische industrie en tot nu toe wordt bijna alle waterstof uit fossiel aardgas gemaakt (en vooralsnog relatief een beetje uit elektrolyse van water).

Er volgde fundamenteel onderzoek naar hoe het ondergrondse systeem in elkaar zat. Het uiteindelijke model is dat de bron van de waterstof zich onder de kolenlagen bevindt, dat die waterstof (een heel licht gas) naar boven wil migreren, en dat de kolenlagen die omhoog trekkende waterstof adsorberen. De eerste boringen hebben die geadsorbeerde waterstof gemeten.
Men gaat er van uit dat de waterstof ontstaat door een reactie van warm water met sideriet (in chemische termen ijzer(II)carbonaat).  De details moeten verdre opgehelderd worden.
Tegenover de ondergrondse  vorming van waterstof staat ook ondergrondse  ontsnapping en afbraak (waterstof is een reactief gas en sommige bodemorganismen vinden het heel lekker). Ook hiervan is nog lang niet alles bekend.

Dit is jonge wetenschap. De Pontpierreboring van het Regalor-II is bijvoorbeeld pas in december 2025 gestart.
Men heeft heel lang gedacht dat er geen noemenswaardige hoeveelheden waterstof in de bodem zaten, omdat men vooral keek naar olie en gas en de ontstaansomstandigheden voor olie en (meestal) gas zijn anders dan van waterstof.
De achterstand wordt overal ingehaald. De literatuur is vaak van na 2020.
De VS bijvoorbeeld heeft een programma opgezet (https://www.usgs.gov/centers/central-energy-resources-science-center/science/geologic-hydrogen#overview )) en bijvoorbeeld Franse onderzoekers kregen hun sideriet-publicatie over een gebied in Zuid-Amerika gepubliceerd in november 2025 ( https://doi.org/10.3390/min15111218 ) – dat sideriet leverde overigens, in de omstandigheden op 3 tot 6km diepte, verrassend veel waterstof op.

Voor de sier een reactievergelijking

Het eerdere artikel op mijn site ( https://www.bjmgerard.nl/waterstofmijnbouw/ ) was gebaseerd op de interactie tussen heet water en vulkanisch gesteente (serpentinisatie), waarvan men tot voor kort dacht dat het de dominante vorm was. Serpentinisatie is inderdaad een veel voorkomende vorm, maar de vraag is in hoeverre die dominant is.

Duidelijk is dat er nog veel uitgezocht moet worden, niet in het minst hoe je die waterstof in praktijk op verantwoorde wijze kunt winnen. In Lotharingen is daartoe het vervolgproject Regalor-II opgezet ( georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project  ). Dat loopt van 2025 tot 2028.

De waterstof blijkt op de dieptes, waar die ontstaat, onder hoge druk en temperatuur opgelost te zijn in water zoiets als bubbeltjes in champagne, maar dan heftiger.   Dat zijn omstandigheden die de gangbare mijnbouw niet eerder tegengekomen is. Hoe krijg je het gas gecontroleerd naar boven terwijl het water achterblijft, en dat bij 100 tot 200 atmosfeer en bijvoorbeeld 150˚ C?
Voor de kleine schaal, die van de metingen, is dit probleem opgelost.  Er is een sonde ontwikkeld ( de SYSMOG probe  ( https://www.solexperts.com/files/downloads/FP_SysMoG_Deepenglisch.pdf )die via een smal boorgat in de diepte gebracht kan worden. Er zit een membraan op waar de waterstof wel doorheen kan, en het water niet. De sonde is nu gebruikt om meetmonsters te nemen, maar zou doorontwikkeld moeten worden om op industriële schaal af te tappen.

Alle bij het project betrokkenen benadrukken dat het nog wel een paar jaar zal duren voor er eventueel waterstof op verantwoorde wijze en in bruikbare hoeveelheden naar boven komt.  Toch kijkt FDE al naar een exploitatievergunning.

De voordelen van heel veel zuivere waterstof zijn groot. Maar wat zeker ook beoordeeld moet worden, zijn de nadelen.

Men haalt onder druk staand gas uit onder druk staand water dat zelf op locatie blijft. Nog niemand heeft zich er tot nu toe in het openbaar aan gewaagd om in te schatten wat dat aan de oppervlakte betekent en dat zal wel moeten. Gaat het zoals in Groningen of is dat te voorkomen?

En het boorgat mag niet lekken. Waterstof versterkt de werking van methaan in de atmosfeer en heeft dus een indirect broeikasgaseffect dat het ermee bereikte verdwijnen van het van het fossiele broeikasgaseffect in onbekende mate zou tegenwerken.

Tenslotte: het landschappelijk effect van een onbekend aantal boorlocaties van onbekende omvang (voetbalveldgrootte? Buisleidingen?) is een punt van overweging. Tegenover de grote voordelen vind ik het zelf een klein nadeel, maar er moet wel naar worden gekeken.

Klimaatplannen bedrijven – focus op Vion

De voorgeschiedenis
Milieudefensie vindt dat bedrijven een klimaatplan moeten hebben dat in lijn is met het Akkoord van Parijs. Het eerste slagveld was, en is nog steeds, Shell ( milieudefensie–shell-klimaatzaak ). Volgend op de eerste Shell-uitspraak heeft Milieudefensie 29 andere bedrijven aangeschreven, allen grote systeemspelers die onder Nederlands recht vallen. Het verzoek was dat de bedrijven een ‘Paris-proof’ klimaatplan zouden inleveren. Dat is gebeurd.
Die plannen zijn in 2022 beoordeeld door het Duitse  NewClimate Institute (NCI, https://newclimate.org/). Dat  maakte er in zijn Klimaat Crisis Index (KCI) meestal gehakt van.

Als vervolg heeft Milieudefensie een dagvaarding uitgebracht tegen de bank ING wegens het financieren van fossiele bedrijven. De dagvaarding is demonstratief afgeleverd, zie tussenstand-ing-proces-van-milieudefensie (en van daar af verder terug). Dd nu is de zaak nog niet voor de rechter geweest, maar waarschijnlijk begint het juridische steekspel in 2026.

Inmiddels is Milieudefensie een campagne begonnen tegen Ahold Delhaize ( albert-heijn-faq en bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af )

Een Milieudefensie-ploeg bij Albert Heijn in de Eindhovense Roostenlaan

De overige 28 bedrijven (om juridische reden niet meer Shell en ING) hebben opnieuw een aanschrijving gekregen tot een deugdelijk klimaatplan. Die zijn opnieuw aangeleverd en opnieuw beoordeeld door het NewClimate Institute. De bevindingen in deze tweede ronde van de Klimaat Crisis Index (KCI) zijn op 23  februari 2026 verschenen op nieuwe-klimaatcrisis-index-2026 . Aldaar het volledige (Engelstalige) onderzoek in heel  kleine lettertjes, in de Fact Sheet een goede samenvatting en in ‘Hoe zat het ook al weer?’ de hoofdlijnen van wat er gebeurd is.

De methode van het  NewClimate Institute
Het NewClimate Institute baseert zich op schriftelijke bronnen, vaak als jaarverslagen door het bedrijf zelf aangeleverd. Het is dus een literatuurstudie, waarbij een interessante literatuurlijst  hoort.
Het eerste resultaat is aan de bedrijven voorgelegd, zodat die desgewenst konden reageren.

Het resultaat, de Klimaat Crisis Index 2026, bestaat uit een algemeen deel en een hoofdstuk per bedrijf.

De klimaatpolitiek van de bedrijven wordt beoordeeld op:

  1. De klimaatdoelen die het bedrijf zich stelt
  2. Welke maatregelen het bedrijf treft om die doelen te halen
  3. Wat doen ze met de restemissies die na het nemen van die maatregelen nog overblijven?
  4. Hoe betrouwbaar geven ze hun feitelijk plaatsvindende emissies weer?

 Die doelen en handelingen worden langs een dubbele maatlat gelegd, de ‘transparancy’ en de ‘integrity’.
‘Transparancy’ is ongeveer het Nederlandse transparantie: of een bedrijf een helder inzicht in zijn doen en laten geeft (ongeacht of dat doen en laten goed of slecht is).
‘Integrity’ is iets anders dan het Nederlandse ‘integer’. Het betekent zoiets als ‘geloofwaardig en volledig’.

De dubbele maatlat leidt tot een soort stoplichtvolgorde voor de doelen en voor de feitelijke maatregelen.

Ad 1. Rangorde van de doelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Stellantis redelijk transparant, heeft een matig doel voor 2030 en 2040, en geen doel voor 2035 en 2050.

Ad 2. Rangorde van de maatregelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Vattenfall Nederland goed transparant over zijn maatregelen, en krijgt een ‘matig’ oordeel over zijn plannen.

Ad 3. Stellantis wil zijn restemissies aanpakken via biochar (zoiets als houtskool), Schiphol, Ahold Delhaize en Vattenfall zegt iets met de restemissies te willen, maar zeggen niet wat.

Ad 4. Ahold Delhaize, Dow Chemical, LyondellBasell, pensioenfonds PFZW, Unilever en Vion brengen de emissies redelijk in beeld; de helft van de bedrijven doet dat matig; Boskalis, ExxonMobil, KLM, Schiphol, Vopak, bp en Cargill doen dat zwak of zeer zwak.

Al met al lijkt de KCI als geheel van 2026 een pietsie beter dan die van 2022.

Specifiek Vion
Deze site wil, waar dat kan en zinvol is, focussen op regionaal nieuws. Van de lijst van 28 is de onderneming die het sterkst aan Brabant gekoppeld is, de varkensslachter Vion in Boxtel. Milieudefensie heeft daar al vaker gedemonstreerd, zie klimp-ga-voor-krimp

De woordvoerder van VION, luisterend naar een lokale spreker (28 nov 2024)

Het hoofdstuk per bedrijf bevat een voor alle bedrijven gelijk gestructureerd overzichtsformat , vergezeld van een pagina met specifieke informatie over het bedrijf.

Vion is redelijk transparant over zijn emissies. Dat is een verbetering t.o.v. de eerste ronde van de KCI in 2022.
Het bedrijf loosde in 2024 7,6Mton CO2,eq (7,6 miljard kg broeikasgas). Daarvan valt (afgerond)

  • 0,1Mton in scope 1 (het eigen functioneren van het bedrijf);
  • 0,1Mton in scope 2 (inkoop van door anderen geproduceerde energie);
  • 0,3 Mton in scope 3 downstream (bijvoorbeeld de verwerking van Vionse halffabrikaten door andere ondernemingen verderop in de keten);
  • 6,9Mton in scope 3 upstream onder het label ‘FLAG’;  en
  • 0,3Mton in scope 3 upstream onder het label ‘non-FLAG’.

‘FLAG’ betekent ‘Forest, Land, Agriculture’ en gaat vooral over andere broeikasgassen dan CO2 , zoals methaan en lachgas. Dit heeft betrekking op veranderd landgebruik, productie van diervoeders, boerende koeien en varkens, en dergelijke.

De transparantie over de emissies wordt niet gevolgd door een transparantie over de doelen en de middelen om die te bereiken. Daardoor zit de totale transparantie van Vion in de categorie ‘slecht’ en de totale integrity in de categorie ‘allerslechtst’.

Vion wil in 2030 zijn emissies over scope 1,2 en 3 samen met 42% verminderd hebben t.o.v. 2021. Het bedrijf is bezig zijn doelstellingen voor 2030 in scope 1 en scope 2 te halen. In scope 3 heeft het bedrijf een onbekend deel van de emissies uitgezonderd, zodat niet beoordeeld kan worden of dit aan de 1,5°C van ’Parijs’ gaat voldoen.
Pessimisme is in dit geval op zijn plaats, omdat Vion het behalen van zijn 2030-doel vooral ziet naderen omdat het bedrijf vestigingen sluit of verkoopt (het gaat economisch slecht). De emissies worden dus voor een deel niet verminderd, maar verplaatst.

Nog onduidelijker dan over de doelen die Vion denkt te halen, is Vion over de middelen. De beperkte verbetering t.o.v. de eerste KCI-ronde uit 2022 betreft vooral de beloftes op papier.
Vion wil in 2030 op 100% duurzame stroom zitten, maar zat in 2024 nog maar op 17% – nog onduidelijk is waar de rest vandaan komt. Er worden veel woorden besteed aan dit minuscule deel van het probleem.
Duurzame stroom maakt een deel uit van duurzame energie. Vion wil in 2040 zijn totale scope 1 en 2 broeikasgasneutraal hebben. En dat betreft dan nog maar een fractie van de emissies.
Voor 2050 zijn scope 1,2 en 3 op papier afgedekt, maar in het overzicht staat er niet voor niets een ‘?’ achter. Het is volstrekt onduidelijk hoe Vion dit denkt te bereiken.

Het NewClimate Institute (NCI) benoemt in zijn toellichtende pagina nog een paar aanvullende zaken. Die komen meestal uit  het Sustainability Statement 2024 ( vionfoodgroup_Sustainability-Statement-2024.pdf , zie literatuurlijst) en zijn dus van na de eerste ronde van de KCI. Misschien wordt er toch knarsend iets in beweging gezet.

  • Vion heeft een plantaardige tak ME-AT (spreek uit mieiet) in Leeuwarden ( me-at.com ). Het NCI heeft echter geen ambities t.a.v. dit bedrijfsonderdeel kunnen vinden anders dan de algemene wens ‘leidend in Europa te willen zijn’.
  • Vion belooft een ‘road map’ naar net-zero, maar onduidelijk is wanneer die gepubliceerd wordt
  • Vion wil 35% minder emissies realiseren bij bepaalde varkensboederijen (via  voer en mest) en bepaalde koeienboerderijen (via voer en methaan), maar onduidelijk blijft hoe men dat denkt te doen
  • Vion wil dat vanaf 2030 zijn soja t.b.v. diervoeder ontbossingsvrij is, maar ‘de concrete invulling daarvan lijkt zich nog in een vroeg stadium te bevinden’, aldus het NCI.
    De gezaghebbende benchmark bij dit voornemen, het Accountability Framework, wilde dit al in 2025 gerealiseerd zien. ( the-accountability-framework , zie literatuurlijst).

Aan veel minder vlees zal niet te ontkomen zijn. Vion moet naar zijn core business kijken.

Sojaveld in Argentinië