TNO heeft, naar eigen zeggen als eerste, een zonne-dakpan ontwikkeld. Die bestaat uit een dakpan met een dunne flexibele laag folie, waarop een module op basis van perovskiet. Dat staat in een persbericht dd 02 april 2026, zie tno.nl/perovskiet-zonnecellen-dakpan/02 april 2026 . De onderliggende dakpan is ontwikkeld door het Hengelose start up-bedrijf Advanced Solar Applications Technology (ASAT).
Als met perovskiet één enkele, zuivere stof bedoeld wordt, is dat CaTiO3 . Daarnaast zijn er een aantal erop gelijkende mineralen die die je zou kunnen aanduiden als de perovskiet-familie ( zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Perovskieten ). Deze mineralen zijn niet zeldzaam en kunnen soms ook synthetisch, uit andere grondstoffen, in elkaar gezet worden.
De Zonne-dakpan met uiteenlopende beschermingslagen (website TNO)
Dunne laag-zonnepanelen hebben voordelen boven de gangbare siliciumpanelen. Ze wegen minder en kunnen vanwege hun buigzaamheid gemakkelijker in gebouwen en infrastructuur ingepast worden. Er is minder energie en minder grondstoffen nodig voor de productie en die grondstoffen zijn ruim beschikbaar.
Nadeel is dat het rendement lager is. In reële omstandigheden haalt de perovskietcel 12,4% en halen gangbare panelen 20%. (NB: de combinatie van perovskiet met gangbare zonnepanelen haalt veel hogere rendementen, maar dat is niet aan de orde op dakpannen).
De demo-dakpan is de volgende stap in een lopend research- en opschalingsproject dat gekoppeld is aan Brabantse industriepolitiek, gedragen door TNO/Solliance, de Provincie NoordBrabant en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM). Het paneel is dus nog niet commercieel beschikbaar.
Voor verdere opschaling richting commercialisatie heeft TNO in maart 2026 de spin out Perovian Technologies ( https://www.tno.nl/nl/newsroom/2026/03/tno-lanceert-perovion-technologies/ ) opgezet. Die moet de perovskiet-modules gaan uitrollen, ongeveer op de manier zoals een krant gedrukt wordt. Men hoopt de fabriek, waarin dat gaat gebeuren, in 2030 te gaan bouwen.
TNO Mass-Customization research pilot lijn waarop zonne-cellen en folies op maat gepositioneerd worden, en waarover een beschermende folie wordt aangebracht. (website TNO)
Ter inleiding De congestieproblematiek van het stroomnet is bekend en wordt steeds acuter. Op 15 april 2026 stond bijvoorbeeld in het Eindhovens Dagblad dat voor grote delen van mijn regio Zuidoost Brabant inmiddels ‘code rood’ geldt, ook voor nieuwe woonwijken. En daarvan willen ze er een heleboel aanleggen in onze explosief groeiende regio.
Die congestie geldt vooral voor pieken en dan met name voor de avondpiek vaan 16 tot 20 uur. Naast andere aanpak probeert Enexis, de regionale beheerder van het laag- en middenspanningsnet, daarom piekbelastingen te verschuiven. Enexis maakt dat al mogelijk bij het laden van elektrische auto’s en met thuisbatterijen. Een algemene schets van dit beleid op de site van Enexis is te vinden op verschuiven-stroomverbruik-buiten-piekuren-kan-binnenkort-ook-met-hybride-warmtepomp/ (dd 12 januari 2026).
Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026
Om de anti piek-aanpak verder uit te breiden met hybride warmtepompen heeft Enexis, samen met andere maatschappelijke partners, in het Drentse Dalen een pilot opgezet om hybride warmtepompen collectief, van buitenaf, aan te sturen. Dat werd het DACS-HW programma ( https://dacs-hw.nl/ ). Huishoudens werden uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. 40% van de uitgenodigde huishoudens achter een specifiek transformatorhuisje, reeds in het bezit van een hybride warmtepomp, deed mee en dat telde op tot ca 100 huizen. Men kon zich ook weer afmelden, maar gebeurde weinig. Bewoners moesten specificeren hoe ze het hebben wilden, en gaven dan de bediening van hun warmtepomp in handen van Enexis. Enexis heeft een collectief aansturingsprogramma uitgevonden waar het gewenste resultaat (bijvoorbeeld 19˚ C van 17 tot 23 uur) als randvoorwaarde inging, alsmede woningkenmerken, slimme meetdata en beschikbare netcapaciteit, en waar de gewenste temperatuur uitkwam. Enexis kon dan bijvoorbeeld van afstand de hybride warmtepomp om 15 uur aanzetten (welk tijdstip buiten de piek ligt) en om 16 uur weer uit (deze getallen zijn een voorbeeld en komen niet van Enexis).
Resultaat is dat de avondpiek in deze specifieke omstandigheden, bij 40% deelname, en bij dit specifieke transformatorhuisje, 10 tot 25% lager was. Verder bleek het gasverbruik van de huishoudens ruim 70% lager te zijn geworden (dat komt omdat bij een hybride warmtepomp er voor de ruimteverwarming pas gas wordt ingezet als de stroom het niet meer aan kan, en bij piekverschuiving gebeurt dat dus minder vaak).
Het DACS-HW project heeft een persbericht uitgebracht ( persbericht DACS-HW dd 27 nov 2025 ) dat ik hieronder, net een steunkleur, integraal afdruk. Daarna kom ik er nog even op terug met een paar relativerende opmerkingen.
Luchtfoto van de wijk in kwestie_website DACS-HW website
= = = = = = =
PERSBERICHT: Slimme aansturing van hybride warmtepompen biedt oplossing tegen netcongestie op het laagspanningsnet
Een groot deel van een woonwijk voorzien van hybride warmtepompen zónder dat het stroomnet hoeft te worden verzwaard: in het Drentse Dalen is dit concept succesvol getest door een consortium van Enablemi, Enexis, Intergas, Inversable, Samen Energie Neutraal, Technische Universiteit Eindhoven en Voorstroom. Binnen het pilotproject DACS-HW werden honderd hybride warmtepompen bij huishoudens collectief en centraal aangestuurd, om te onderzoeken of op deze manier de capaciteit en flexibiliteit van het lokale stroomnet beter kan worden benut.
Collectieve sturing helpt een vol stroomnet De groei van (hybride) warmtepompen, laadpalen en elektrische apparaten zorgt voor toenemende belasting van het lokale stroomnet. Het stroomnet raakt steeds voller en er dreigt op sommige plekken zelfs overbelasting. In Dalen is aangetoond dat het laagspanningsnet aanzienlijk kan worden ontlast door de slimme en centrale aansturing van hybride warmtepompen. Het resulteerde in 10 tot 25% reductie van de avondpiek. Deze resultaten zijn specifiek voor deze wijk en testopzet – met circa 40% deelnemende huishoudens. Bram Gerrist, Directeur Innovatie & Ontwikkeling bij Enexis: “De pilot in Dalen toont aan dat het stroomnet beter wordt benut en dat op piekmomenten het lokale stroomnet wordt ontlast zonder dat bewoners comfort verliezen. Hierdoor kan een eventuele netuitbreiding worden uitgesteld of mogelijk zelfs worden voorkomen. Iets wat zowel de maakbaarheid van de energietransitie als de betaalbaarheid voor de bewoners ten goede komt”.
Comfort en duurzaamheid voor bewoners De hybride warmtepompen worden automatisch en centraal aangestuurd, waarbij bewoners altijd inspraak houden in het verwarmingsproces door middel van een comfortknop (‘opt-out’). Slechts een beperkte groep bewoners maakte hier gebruik van, wat het vertrouwen in het systeem benadrukt. Louis Visser, Manager Innovatie bij Intergas; “Door de prestaties van hybride warmtepompen in DACS-HW te optimaliseren, minimaliseren we het risico op netoverbelasting. Bewoners zien tegelijk het voordeel: meer dan zeventig procent minder gasverbruik voor verwarming. Dit resulteert direct in een lagere energierekening en een reductie in CO2-uitstoot.”
Innovatie en transparantie Binnen de pilot wordt gewerkt met metingen, aanstuurscenario’s en dataverzameling via een open-source cloudplatform. Zowel data uit slimme meters en warmtepompen, als netdata worden veilig uitgelezen en transparant gedeeld, met volledige borging van privacy. De piekreductie lag tussen de 10 en 25 procent, afhankelijk van de gekozen aansturingsmethoden en wensen van bewoners.
Draagvlak en betrokkenheid Succesvolle energietransitie vraagt naast technologische vooruitgang om actief draagvlak en betrokkenheid van bewoners. In Dalen heeft veertig procent van de huishoudens deelgenomen aan de pilot, mede dankzij de transparante samenwerking en het tastbare duurzame resultaat. De ervaringen en resultaten bieden een waardevolle basis om deze innovatieve aanpak verder door te ontwikkelen en mogelijk uit te rollen naar andere wijken en gemeenten, en zo samen te werken aan een stabieler, zuiniger en toekomstbestendig energiesysteem.
Dit project is uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), binnen de MOOI-subsidieronde 2022.
= = = = =
Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026
Drie relativerende opmerkingen mijnerzijds:
Een hybride warmtepomp bespaart bij individueel gebruik sowieso al ca 60 a 70% gas ,zegt Milieu Centraal ( milieu centraal over de hybride warmtepomp/ . De extra besparing die het gevolg is van de collectieve aanpak moet dus gerekend worden over de 30 a 40% die nog over is (all-in hou je dus pakweg 10% gasverbruik over)
Hybride warmtepompen zijn eigenlijk geen groot probleem (zegt ook het persbericht). De gemiddelde piekbelasting blijkt grofweg 0,85kW en het transformatorhuisje is zo gedimensioneerd dat alle woningen tegelijk 1,5kW mogen vragen. Maar dezelfde aanpak kan ook gehanteerd worden bij grotere stroomvreters, zoals een all electric-verwarming. Daar zet het meer zoden aan de dijk.
Een dergelijke aanpak is noodzakelijk, maar waarschijnlijk niet voldoende om de netproblematiek op te lossen
Nature Climate Change heeft een editorial op Internet gezet met aansprekende vergelijkingen om de effecten te visualiseren. Hieronder heb ik ze afgedrukt.
Lees de eerste twee voorbeelden (lettertjes zijn helaas klein, maar soms kun je die met een ingreep vergroten):
als je alle gletscherijs dat in die afgelopen 15 jaar gesmolten is zou omvormen tot een piramide waarvan de vierkant-zijden even groot waren als de hoogte, dan zou die piramide drie maal zo hoog zijn als de Mount Everest.
de temperatuur, gemiddeld over de hele aarde, is in die tijd 0,517oC gestegen
Netbeheerder Enexis, de provincie Noord-Brabant en de Nationale Deelneming Warmte (NDW) hebben op 08 april 2026 een persbericht uitgebracht waarin gemeld wordt dat de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar is. (NDW is een dochter van het overheidsbedrijf Energie Beheer Nederland). Op 2 april 2026 werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit. Er wordt samengewerkt met gemeenten en men staat positief tegenover bestaande of nieuwe kleinshalige collectieve oplossingen.
Afgelopen jaar onderzochten provincie Noord-Brabant, Enexis Groep en de Nationale Deelneming Warmte (NDW – dochter van Energie Beheer Nederland) de financiële en juridische haalbaarheid van een publiek warmtebedrijf. Op 2 april werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.
Een publiek warmtebedrijf is een investering in de lange termijn: het helpt om de ontwikkeling van warmtenetten te versnellen, zorgt voor de laagste maatschappelijke kosten en bewaakt de betaalbaarheid. Het toekomstige RWB zal zich richten op de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van collectieve warmte, met Brabant als kerngebied. Dit is in lijn met de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw), die op 9 december 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer en sinds begin dit jaar in fases wordt ingevoerd. De wet bepaalt dat warmtebedrijven in meerderheid publiek moeten zijn. De investering in de warmtetransitie biedt op de lange termijn voordelen, zowel vanuit maatschappelijke waarde als vanuit publieke zakelijkheid. Zo draagt het RWB bij aan een betrouwbare, duurzame warmtevoorziening voor Brabanders, met minder afhankelijkheid van gebeurtenissen in het buitenland. Gemeenten hebben hierin een duidelijke regierol, terwijl het provinciale niveau schaalvoordelen, standaardisatie en bundeling van kennis en kunde mogelijk maakt.
Voldoende gebouwen en bronnen beschikbaar
Het RWB kan een belangrijke rol spelen in het aardgasvrij maken van gebouwen in Noord-Brabant. Uit de verkenning van de drie samenwerkende partijen blijkt onder meer dat ongeveer 400.000 woningen en 35.000 utiliteitsgebouwen aangesloten kunnen worden op een warmtenet. Voor deze woningen geldt dat aansluiten op een warmtenet tot de laagste nationale kosten leidt. Dit potentiële aantal rechtvaardigt ruimschoots de oprichting van het RWB, ook als zou blijken uit de Warmteprogramma’s waar gemeenten momenteel aan werken dat deze potentie lager wordt. Er zijn ook voldoende duurzame warmtebronnen aanwezig, zoals restwarmte, geothermie en warmte van rioolwaterzuiveringen en van rivieren. Dit betekent dat er ongeveer een derde van de woningen in Brabant aangesloten kan worden op een duurzaam warmtenet naast de 70.000 woningen die al op een bestaand warmtenet zijn aangesloten. De onderzoeksresultaten en de aanname van de Wcw, zorgen ervoor dat de partijen een vervolg willen geven aan hun huidige initiatief. In de samenwerkingsovereenkomst hebben ze daarom afspraken gemaakt hoe ze samen verder toewerken naar de oprichting van een RWB.
Energiezekerheid en betaalbaarheid
De partners vinden het belangrijk dat energie altijd beschikbaar is voor inwoners én dat energie voor iedereen betaalbaar blijft. Het nog op te richten regionale warmtebedrijf kan zorgen voor een eerlijke prijs en betrouwbare levering van energie. Het RWB wil samen met gemeenten vormgeven aan de warmtevoorziening in Brabant. Gemeenten houden zo regie, terwijl zij steun krijgen bij de voorbereiding en aanleg van warmtenetten. Het RWB ondersteunt gemeenten zodat zij zich volledig kunnen richten op hun wijkplannen, zonder zelf een warmtebedrijf te hoeven opzetten.
We onderzoeken wat binnen de Wcw mogelijk is om ook te werken aan andere, kleinschalige collectieve oplossingen die passen bij het karakter van de Brabantse dorpen. Betaalbare warmte voor Brabanders is hierbij het uitgangspunt. Doordat de provincie, Enexis Groep en NDW hun krachten bundelen krijgen gemeenten warmtenetten sneller en op een zorgvuldige manier van de grond. Zo krijgen wijken en dorpen sneller zicht op een betrouwbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas.
Planning
Het oprichten van een nieuw warmtebedrijf is ingewikkeld. Daarom plannen de partners hier voldoende tijd voor in. Zo voeren provincie, NDW en Enexis Groep in de eerste helft van 2026 ook gesprekken over de invulling van het RWB met alle Brabantse gemeenten die een warmtenet voorzien. Hiermee proberen we zo goed mogelijk aan te sluiten bij wensen en behoeften van gemeenten. We zoeken daarbij naar een gezonde balans tussen maatwerk en uniformiteit. De wijze waarop het RWB georganiseerd wordt moet maximaal bijdragen aan betaalbare warmte. Het uiteindelijke voorstel voor oprichting wordt waarschijnlijk voor het einde van 2026 aan Provinciale Staten voorgelegd. Na positieve besluitvorming door Provinciale Staten, Enexis Groep en NDW, kan gestart worden met de daadwerkelijke oprichting van het RWB en het opstellen van concrete investeringsvoorstellen voor warmteprojecten.
In Deense steden, zoals in Lemvig, zijn stadsverwarmingen gemeentelijk of collectief (foto mag overgenomen worden o.v.v. www.bjmgerard.nl )
Ik was ook bij de actie van Milieudefernsie ter gelegenheid van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Ahold Delhaize op 08 april 2026. Er was een demonstratieve buitenactie, waar ik bij was, en een binnenactie door ca 100 Milieudefensieleden die een aandeel gekocht hadden en de leiding van Ahold Delhaize uiterst kritisch bevroegen. Voor een verslag op de site van Milieudefensie, zie bijna-12000-handtekeningen-aangeboden-tijdens-de-ava-ahold (Milieudefensie rondt wel erg ruim af naar boven ………)
H Wat foto’s met onderschrift, en op het eind een persbericht van Milieudefensie over de actie.
Kunstenares Pauline Wiersema had voor de actie een Groene Kassa gemaakt, waar heel veel mensen graag groen en betaalbaar boodschappen wilden doen, maar die, helaas helaas, gesloten was. Dit is Pauline voor haar kassa.
Kassa gesloten, lange rij (ca 150 mensen). De groene mandjes zijn gehuurd en kunnen weer terug. Foto Edo Landwehr. .
Ondertussen werd de klantenservice van Albert Heijn gebeld met kritische vragen. Dit voor zover die service bereikbaar was. Foto Edo Landwehr.
==========
Actievoerders uit hele land bij vergadering Ahold Delhaize
Zaandam, 8 april 2026 – Van Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen: vanuit het hele land kwamen woensdag actievoerders van Milieudefensie en Milieudefensie Jong naar het Zaantheater in Zaanstad. Ze staan namens ruim 11.000 klanten in de rij voor een groene maar helaas gesloten kassa van Albert Heijn. Terwijl binnen in het gebouw de aandeelhoudersvergadering plaatsvindt van Ahold Delhaize, het moederbedrijf van Albert Heijn.
Winnie Oussoren van Milieudefensie Jong is daar al voor de vijfde keer om de aandeelhouders aan te spreken. “Ik kwam hier als scholier, en inmiddels heb ik mijn masterdiploma op zak, en Ahold heeft in die tijd weinig tot niks gepresteerd op het gebied van klimaat.”
Klimaatplan en dure boodschappen
“Ahold Delhaize heeft nog steeds geen goed klimaatplan”, benadrukt ze. “Maar intussen raken de CO2-doelen van het Klimaatakkoord van Parijs steeds verder uit het zicht, ligt er nog veel te veel vlees en zuivel in de schappen en zijn biologische boodschappen onnodig duur.” Vrijwilligers hebben maandenlang in het hele land met smoestuintjes actie gevoerd bij Albert Heijn-filialen voor groene en betaalbare boodschappen.
Hoge bonussen
Binnen richt een deel van de vrijwilligers zich ook specifiek tot individuele directieleden. Oussoren: “Wij moeten stemmen over hogere bonussen. Verdienen zij die wel? Zij falen immers om beleid te maken dat nodig is om de klimaatcrisis een halt toe te roepen.”
De Eindhovense Milieudefensiegroep voor Albert Heijn in de Roostenlaan na een van de negen Smoestuintjes-sessies. Er zijn ca 720 Smoestuintjes weggezet, waarvan er x-100 tot een ingevulde petitie geleid hebben. Zie ook https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af/
Onderzoekers van het GeoRessources Laboratorium van de Universiteit van Lotharingen (gevestigd in Nancy en Metz), van de Franse overheidsrganisatie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, CNRS, en van energiebedrijf Française de l’energie (FDE) hebben met de PTH-2-put bij Pontpierre op bijna 4 km diepte een grote ondergrondse voorraad waterstof ontdekt. Zie (o.a.) georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project/ en persbericht FDE . Voor een CNRS-filmpje zie new-reportage-cnrs-lorraine-hydrogen-under-our-feet .
Mn spreekt van minstens 34 miljoen ton waterstof, maar er worden ook hogere getallen genoemd. Het kan zijn dat het reservoir doorloopt tot in België, Luxemburg en Duitsland. Voor zover de kennis nu reikt, is het de grootste waterstofbel ter wereld.
Eigenlijk is de waterstofvoorraad bij toeval ontdekt bij het uitvoeren van een ander onderzoek, namelijk naar de winning van Coal Bed Methane (CBM). Vroeger werden in de regio Lotharingen, net als in de aangrenzende delen van Belgie en Duitsland, kolen gewonnen. Die mijnen zijn alweer geruime tijd dicht, maar er zitten nog steeds veel kolen in de grond. Vaak is met die kolen methaan geassocieerd (wat de consument waardeert als aardgas en wat de mijnwerker vreest als mijngas). De gedachte achter het, daartoe in 2012 opgerichte, Regalor-project was om dat kolengas te winnen. Bij proefboringen echter bleek dat het kolengas waterstof als bijmenging had, en dat de bijmengconcentratie hoger werd naarmate de boor dieper ging. Dat veroorzaakte opwinding, waarna de bijzaak hoofdzaak werd. Als het zou lukken om de waterstof te winnen, zou dat extreem waardevol zijn – veel waardevoller dan methaan. Waterstof wordt massaal ingezet in de chemische industrie en tot nu toe wordt bijna alle waterstof uit fossiel aardgas gemaakt (en vooralsnog relatief een beetje uit elektrolyse van water).
Er volgde fundamenteel onderzoek naar hoe het ondergrondse systeem in elkaar zat. Het uiteindelijke model is dat de bron van de waterstof zich onder de kolenlagen bevindt, dat die waterstof (een heel licht gas) naar boven wil migreren, en dat de kolenlagen die omhoog trekkende waterstof adsorberen. De eerste boringen hebben die geadsorbeerde waterstof gemeten. Men gaat er van uit dat de waterstof ontstaat door een reactie van warm water met sideriet (in chemische termen ijzer(II)carbonaat). De details moeten verdre opgehelderd worden. Tegenover de ondergrondse vorming van waterstof staat ook ondergrondse ontsnapping en afbraak (waterstof is een reactief gas en sommige bodemorganismen vinden het heel lekker). Ook hiervan is nog lang niet alles bekend.
Dit is jonge wetenschap. De Pontpierreboring van het Regalor-II is bijvoorbeeld pas in december 2025 gestart. Men heeft heel lang gedacht dat er geen noemenswaardige hoeveelheden waterstof in de bodem zaten, omdat men vooral keek naar olie en gas en de ontstaansomstandigheden voor olie en (meestal) gas zijn anders dan van waterstof. De achterstand wordt overal ingehaald. De literatuur is vaak van na 2020. De VS bijvoorbeeld heeft een programma opgezet (https://www.usgs.gov/centers/central-energy-resources-science-center/science/geologic-hydrogen#overview )) en bijvoorbeeld Franse onderzoekers kregen hun sideriet-publicatie over een gebied in Zuid-Amerika gepubliceerd in november 2025 ( https://doi.org/10.3390/min15111218 ) – dat sideriet leverde overigens, in de omstandigheden op 3 tot 6km diepte, verrassend veel waterstof op.
Voor de sier een reactievergelijking
Het eerdere artikel op mijn site ( https://www.bjmgerard.nl/waterstofmijnbouw/ ) was gebaseerd op de interactie tussen heet water en vulkanisch gesteente (serpentinisatie), waarvan men tot voor kort dacht dat het de dominante vorm was. Serpentinisatie is inderdaad een veel voorkomende vorm, maar de vraag is in hoeverre die dominant is.
Duidelijk is dat er nog veel uitgezocht moet worden, niet in het minst hoe je die waterstof in praktijk op verantwoorde wijze kunt winnen. In Lotharingen is daartoe het vervolgproject Regalor-II opgezet ( georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project ). Dat loopt van 2025 tot 2028.
De waterstof blijkt op de dieptes, waar die ontstaat, onder hoge druk en temperatuur opgelost te zijn in water zoiets als bubbeltjes in champagne, maar dan heftiger. Dat zijn omstandigheden die de gangbare mijnbouw niet eerder tegengekomen is. Hoe krijg je het gas gecontroleerd naar boven terwijl het water achterblijft, en dat bij 100 tot 200 atmosfeer en bijvoorbeeld 150˚ C? Voor de kleine schaal, die van de metingen, is dit probleem opgelost. Er is een sonde ontwikkeld ( de SYSMOG probe ( https://www.solexperts.com/files/downloads/FP_SysMoG_Deepenglisch.pdf )die via een smal boorgat in de diepte gebracht kan worden. Er zit een membraan op waar de waterstof wel doorheen kan, en het water niet. De sonde is nu gebruikt om meetmonsters te nemen, maar zou doorontwikkeld moeten worden om op industriële schaal af te tappen.
Alle bij het project betrokkenen benadrukken dat het nog wel een paar jaar zal duren voor er eventueel waterstof op verantwoorde wijze en in bruikbare hoeveelheden naar boven komt. Toch kijkt FDE al naar een exploitatievergunning.
De voordelen van heel veel zuivere waterstof zijn groot. Maar wat zeker ook beoordeeld moet worden, zijn de nadelen.
Men haalt onder druk staand gas uit onder druk staand water dat zelf op locatie blijft. Nog niemand heeft zich er tot nu toe in het openbaar aan gewaagd om in te schatten wat dat aan de oppervlakte betekent en dat zal wel moeten. Gaat het zoals in Groningen of is dat te voorkomen?
En het boorgat mag niet lekken. Waterstof versterkt de werking van methaan in de atmosfeer en heeft dus een indirect broeikasgaseffect dat het ermee bereikte verdwijnen van het van het fossiele broeikasgaseffect in onbekende mate zou tegenwerken.
Tenslotte: het landschappelijk effect van een onbekend aantal boorlocaties van onbekende omvang (voetbalveldgrootte? Buisleidingen?) is een punt van overweging. Tegenover de grote voordelen vind ik het zelf een klein nadeel, maar er moet wel naar worden gekeken.
De voorgeschiedenis Milieudefensie vindt dat bedrijven een klimaatplan moeten hebben dat in lijn is met het Akkoord van Parijs. Het eerste slagveld was, en is nog steeds, Shell ( milieudefensie–shell-klimaatzaak ). Volgend op de eerste Shell-uitspraak heeft Milieudefensie 29 andere bedrijven aangeschreven, allen grote systeemspelers die onder Nederlands recht vallen. Het verzoek was dat de bedrijven een ‘Paris-proof’ klimaatplan zouden inleveren. Dat is gebeurd. Die plannen zijn in 2022 beoordeeld door het Duitse NewClimate Institute (NCI, https://newclimate.org/). Dat maakte er in zijn Klimaat Crisis Index (KCI) meestal gehakt van.
Als vervolg heeft Milieudefensie een dagvaarding uitgebracht tegen de bank ING wegens het financieren van fossiele bedrijven. De dagvaarding is demonstratief afgeleverd, zie tussenstand-ing-proces-van-milieudefensie (en van daar af verder terug). Dd nu is de zaak nog niet voor de rechter geweest, maar waarschijnlijk begint het juridische steekspel in 2026.
Een Milieudefensie-ploeg bij Albert Heijn in de Eindhovense Roostenlaan
De overige 28 bedrijven (om juridische reden niet meer Shell en ING) hebben opnieuw een aanschrijving gekregen tot een deugdelijk klimaatplan. Die zijn opnieuw aangeleverd en opnieuw beoordeeld door het NewClimate Institute. De bevindingen in deze tweede ronde van de Klimaat Crisis Index (KCI) zijn op 23 februari 2026 verschenen op nieuwe-klimaatcrisis-index-2026 . Aldaar het volledige (Engelstalige) onderzoek in heel kleine lettertjes, in de Fact Sheet een goede samenvatting en in ‘Hoe zat het ook al weer?’ de hoofdlijnen van wat er gebeurd is.
De methode van het NewClimate Institute Het NewClimate Institute baseert zich op schriftelijke bronnen, vaak als jaarverslagen door het bedrijf zelf aangeleverd. Het is dus een literatuurstudie, waarbij een interessante literatuurlijst hoort. Het eerste resultaat is aan de bedrijven voorgelegd, zodat die desgewenst konden reageren.
Het resultaat, de Klimaat Crisis Index 2026, bestaat uit een algemeen deel en een hoofdstuk per bedrijf.
De klimaatpolitiek van de bedrijven wordt beoordeeld op:
De klimaatdoelen die het bedrijf zich stelt
Welke maatregelen het bedrijf treft om die doelen te halen
Wat doen ze met de restemissies die na het nemen van die maatregelen nog overblijven?
Hoe betrouwbaar geven ze hun feitelijk plaatsvindende emissies weer?
Die doelen en handelingen worden langs een dubbele maatlat gelegd, de ‘transparancy’ en de ‘integrity’. ‘Transparancy’ is ongeveer het Nederlandse transparantie: of een bedrijf een helder inzicht in zijn doen en laten geeft (ongeacht of dat doen en laten goed of slecht is). ‘Integrity’ is iets anders dan het Nederlandse ‘integer’. Het betekent zoiets als ‘geloofwaardig en volledig’.
De dubbele maatlat leidt tot een soort stoplichtvolgorde voor de doelen en voor de feitelijke maatregelen.
Ad 1. Rangorde van de doelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Stellantis redelijk transparant, heeft een matig doel voor 2030 en 2040, en geen doel voor 2035 en 2050.
Ad 2. Rangorde van de maatregelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Vattenfall Nederland goed transparant over zijn maatregelen, en krijgt een ‘matig’ oordeel over zijn plannen.
Ad 3. Stellantis wil zijn restemissies aanpakken via biochar (zoiets als houtskool), Schiphol, Ahold Delhaize en Vattenfall zegt iets met de restemissies te willen, maar zeggen niet wat.
Ad 4. Ahold Delhaize, Dow Chemical, LyondellBasell, pensioenfonds PFZW, Unilever en Vion brengen de emissies redelijk in beeld; de helft van de bedrijven doet dat matig; Boskalis, ExxonMobil, KLM, Schiphol, Vopak, bp en Cargill doen dat zwak of zeer zwak.
Al met al lijkt de KCI als geheel van 2026 een pietsie beter dan die van 2022.
Specifiek Vion Deze site wil, waar dat kan en zinvol is, focussen op regionaal nieuws. Van de lijst van 28 is de onderneming die het sterkst aan Brabant gekoppeld is, de varkensslachter Vion in Boxtel. Milieudefensie heeft daar al vaker gedemonstreerd, zie klimp-ga-voor-krimp
De woordvoerder van VION, luisterend naar een lokale spreker (28 nov 2024)
Het hoofdstuk per bedrijf bevat een voor alle bedrijven gelijk gestructureerd overzichtsformat , vergezeld van een pagina met specifieke informatie over het bedrijf.
Vion is redelijk transparant over zijn emissies. Dat is een verbetering t.o.v. de eerste ronde van de KCI in 2022. Het bedrijf loosde in 2024 7,6Mton CO2,eq (7,6 miljard kg broeikasgas). Daarvan valt (afgerond)
0,1Mton in scope 1 (het eigen functioneren van het bedrijf);
0,1Mton in scope 2 (inkoop van door anderen geproduceerde energie);
0,3 Mton in scope 3 downstream (bijvoorbeeld de verwerking van Vionse halffabrikaten door andere ondernemingen verderop in de keten);
6,9Mton in scope 3 upstream onder het label ‘FLAG’; en
0,3Mton in scope 3 upstream onder het label ‘non-FLAG’.
‘FLAG’ betekent ‘Forest, Land, Agriculture’ en gaat vooral over andere broeikasgassen dan CO2 , zoals methaan en lachgas. Dit heeft betrekking op veranderd landgebruik, productie van diervoeders, boerende koeien en varkens, en dergelijke.
De transparantie over de emissies wordt niet gevolgd door een transparantie over de doelen en de middelen om die te bereiken. Daardoor zit de totale transparantie van Vion in de categorie ‘slecht’ en de totale integrity in de categorie ‘allerslechtst’.
Vion wil in 2030 zijn emissies over scope 1,2 en 3 samen met 42% verminderd hebben t.o.v. 2021. Het bedrijf is bezig zijn doelstellingen voor 2030 in scope 1 en scope 2 te halen. In scope 3 heeft het bedrijf een onbekend deel van de emissies uitgezonderd, zodat niet beoordeeld kan worden of dit aan de 1,5°C van ’Parijs’ gaat voldoen. Pessimisme is in dit geval op zijn plaats, omdat Vion het behalen van zijn 2030-doel vooral ziet naderen omdat het bedrijf vestigingen sluit of verkoopt (het gaat economisch slecht). De emissies worden dus voor een deel niet verminderd, maar verplaatst.
Nog onduidelijker dan over de doelen die Vion denkt te halen, is Vion over de middelen. De beperkte verbetering t.o.v. de eerste KCI-ronde uit 2022 betreft vooral de beloftes op papier. Vion wil in 2030 op 100% duurzame stroom zitten, maar zat in 2024 nog maar op 17% – nog onduidelijk is waar de rest vandaan komt. Er worden veel woorden besteed aan dit minuscule deel van het probleem. Duurzame stroom maakt een deel uit van duurzame energie. Vion wil in 2040 zijn totale scope 1 en 2 broeikasgasneutraal hebben. En dat betreft dan nog maar een fractie van de emissies. Voor 2050 zijn scope 1,2 en 3 op papier afgedekt, maar in het overzicht staat er niet voor niets een ‘?’ achter. Het is volstrekt onduidelijk hoe Vion dit denkt te bereiken.
Het NewClimate Institute (NCI) benoemt in zijn toellichtende pagina nog een paar aanvullende zaken. Die komen meestal uit het Sustainability Statement 2024 ( vionfoodgroup_Sustainability-Statement-2024.pdf , zie literatuurlijst) en zijn dus van na de eerste ronde van de KCI. Misschien wordt er toch knarsend iets in beweging gezet.
Vion heeft een plantaardige tak ME-AT (spreek uit mieiet) in Leeuwarden ( me-at.com ). Het NCI heeft echter geen ambities t.a.v. dit bedrijfsonderdeel kunnen vinden anders dan de algemene wens ‘leidend in Europa te willen zijn’.
Vion belooft een ‘road map’ naar net-zero, maar onduidelijk is wanneer die gepubliceerd wordt
Vion wil 35% minder emissies realiseren bij bepaalde varkensboederijen (via voer en mest) en bepaalde koeienboerderijen (via voer en methaan), maar onduidelijk blijft hoe men dat denkt te doen
Vion wil dat vanaf 2030 zijn soja t.b.v. diervoeder ontbossingsvrij is, maar ‘de concrete invulling daarvan lijkt zich nog in een vroeg stadium te bevinden’, aldus het NCI. De gezaghebbende benchmark bij dit voornemen, het Accountability Framework, wilde dit al in 2025 gerealiseerd zien. ( the-accountability-framework , zie literatuurlijst).
Aan veel minder vlees zal niet te ontkomen zijn. Vion moet naar zijn core business kijken.
Ter inleiding Provincies hebben een belangrijke rol in het complexe krachtenveld rond de vele, met elkaar concurrerende, claims op de beschikbare ruimte: landbouw, woningbouw, klimaatadaptatie, natuur en ook de energietransitie. Landelijk beleid moet vertaald worden naar concrete, regionale omstandigheden. En als de voorbije regering Schoof-1 (en laatst), überhaupt geen beleid maakt of zelfs schadelijk beleid, dan is het goed dat er één overheidsniveau lager nog enige mate van ordening overblijft.
De focus van deze site ligt op de provincie Noord-Brabant. Daar zit momenteel een College met redelijk wat progressieve invloed (geen BBB) en die doet het, binnen de grenzen van wat in dit land mogelijk is, goed.
Het energiedossier zit bij Bas Maes (SP).
Het beleid van de provincie N Brabant ligt momenteel vast tot 2030. Leidend zijn momenteel de Energieagenda 2019-2030 ( energieagenda NBrabant 2019-2030 ), met daarbinnen korter lopende uitvoeringsagenda’s, en de Omgevingsvisie. Ik heb op deze site eerder een artikel geschreven over de monitoring van deze Energieagenda op brabantse-en-landelijke-energie-en-mobiliteitmonitor/ .
Besparingsambitie in de Energieagenda 2019 – 2030
Het jaar 2030 nadert en er moet nagedacht worden over het vervolg tot 2050. Na een omvangrijk participatieproces heeft dat geresulteerd in het ‘Energieperspectief 2050’. Dat moet gezien worden als een toevoeging aan de bestaande Energieagenda. In dit aanloopproces hebben ruim 3000 Brabanders kunnen reageren, zijn er werkateliers georganiseerd waaraan ruim 70 organisaties een inbreng geleverd hebben, en zijn er in de vier RES-regio’s regiobijeenkomsten georganiseerd. Verder ligt aan het Energieperspectief een PlanMER ten grondslag.
Een korte samenvatting, waarin toegang geboden wordt tot de belangrijkste ondersteunende documenten, is te vinden op energiewerkplaatsbrabant.nl/nieuws+nieuwste . De officiële overheidspagina, met alle ondersteunende documenten, is te vinden op officielebekendmakingen.nl/prb-2026-615 . Het Energieperspectief 2050, en de ondersteunende documenten als bijlagen, zijn te vinden onder de TAB ‘Bekijk documenten’. Via beide locaties kan men een zienswijze indienen. Dat kan t/m 26 februari 2026. Mogelijk verdwijnt de overheidspagina daarna, dus wie op zeker wil spelen, moet de documenten voor die tijd downloaden. Indien nodig, zal ik in dit verhaal toegang blijven bieden.
Politieke totaal-ambities van het College. Deze zijn iets ambitieuzer dan die van het vorige College.
Het Energieperspectief zelf bevat vooral processen en politieke intenties, die getalsmatig worden weergegeven in de vorm van indicatief bedoelde taartdiagrammen. Bij het Energieperspectief hoort als bijlage een document ‘Verdieping op de opgave’. Daarin worden ook concrete getallen genoemd.
Ordenende beginselen Bij het samenstellen van het Energieperspectief zijn een aantal ordenende keuzes gemaakt.
Het Energieperspectief vertrekt vanuit de Brabantse waarden ‘betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust’. Rechtvaardigheid in de uitvoering is een meermalen gehanteerd argument.
Het document gaat uit van zes leidende uitvoeringsprincipes:
Beperk de energievraag
Zet de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel in
Vergroot het duurzame energieaanbod
Beperk het transport van energie (koppel de opweklocatie zoveel mogelijk aan de verbruikslocatie)
Breng vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar (opslag of vraagsturing – zet je wasmachine aan als de zon schijnt)
Faseer fossiele brandstoffen bewust uit
Voorkeursvolgorde ‘de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel’
Er zijn in het PlanMER drie schaalgroottes of systeemalternatieven, waarop gewerkt kan worden, geanalyseerd: de schaalgrootte lokale kracht; idem de grote opgaven gebundeld; en idem op grote schaal denken. Heel kort door de bocht kun je dat vertalen in de lokale of regionale schaal; de nationale schaal; en de internationale schaal. Gekozen is voor de schaalgrootte ‘lokale kracht’, omdat die decentraler is en daarmee meer kansen biedt op participatie en lokaal eigenaarschap, Tevens is er minder kans op grote storingen en is er weinig geopolitiek risico. Nadeel is kans op versnippering, nadeel is dat de ruimte vooral in Nederland ingevuld wordt, en dat ieder klein initiatief zijn eigen problemen moet oplossen (bijvoorbeeld hacken).
Mede vanwege dat laatste heeft de provincie de keuze uit drie soorten bestuurlijke ambitie: de provincie kan zich beperken tot faciliteren en stimuleren (waarmee het initiatief bij anderen komt te liggen met hooguit subsidieconstructies); de provincie kan reguleren (alleen maar zeggen wat mag en moet, maar dan zit de provincie er niet met geld in); en beide samen: faciliteren, stimuleren en regisseren, wat zowel dwang als steun mogelijk maakt. De ‘beide’-mogelijkheid is gekozen.
Het Voorkeursalternaatief Het Voorkeursalternatief (VKA) van het PlanMER is dus decentrale uitvoering met krachtig leiderschap van de provincie. Het lijkt me geen slechte keus.
Het VKA geeft in een soort stoplichtcode aan wat er gebeurt met de doelstellingen, en wat er gebeurt met milieu- en andere effecten, want die zijn er uiteraard ook. In deze overzichten betekent de stip de huidige sitiatie; betekent ‘referentiesituatie’ (het kleurloze stippelblokje) de uitkomst als het Energieperspectie 2050 niet doorgaat (dus de situatie als de ontwikkeling in 2030 stopt); en VKA (het gekleurde blokje) de situatie als het Energieperspectie 2050 wel doorgaat. De hoogte van de blokjes geeft een soort herinnering aan de onzekerheid in de uitspraken. De ‘hoofddoelstellingen’ zijn die van de Energieagenda 2019-2030,
De bronnenmix in 2050 Na al deze voorbereiding wat het Energieperspectief denkt dat er met de verschillende energie-indellingen gaat gebeuren (zie hieronder). Neem alle prognoses met een flinke korrel zout – zie ze maar als indicatief. Dat doet het Brabantse College van GS ook.
In 2023 is ca 93% van alle bronnen regelbaar (voor het overgrote deel fossie). Dat loopt terug naar grofweg 35% regelbaar
In 2023 komt grofweg 8% van de energie uit NBrabant zelf. Dat loopt op op naar grofweg 60%
De Brabantse energiemix in 2023 bestaat uit 25% elektriciteit, 4% duurzame warmte, 30% fossiele voertuigbrandstof en 42% aardgas. De Brabantse energiemix in 2050 bestaat uit 76% elektriciteit, 8% duurzame warmte, 26% waterstof en groen gas, en 0% aardgas en fossiele voertuigbrandstof
De bronnenmix in 2050 gaat er in meer detail uitzien als hieronder:
De energievraag per drager in PJ. Het Energieperspectief 2050 baseert zich op ‘lokale kracht’’. De laatste twee worden niet gebruikt. Het ‘lokale kracht’-scenario telt op tot 211PJ
Het taartdiagram is op zichzelf minder informatief dan het lijkt.
Dat je de gekleurde taartpunten als indicatief moet zien, is vrij logisch, gegeven de vele onzekerheden.
Groter probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet of deze mix de aanbodkant of de vraagkant beschrijft. Uit de verdiepingsbijlage blijkt dat het om de vraagkant gaat, dus om de energiedragers die aan de klant worden aangeboden (finaal verbruik).
Ander probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet op hoeveel energie de taart als geheel betrekking heeft. Het perspectief noemt nergens absolute getallen. Ook hier weer moet je naar de verdiepingsbijlage (bovenstaand staafdiagram) voor een antwoord op die vraag: men verwacht dat de totale energievraag daalt van 235PJ in 2023 naar 211PJ in 2050 (dat is dus de totale taart). Tevens geeft het staafdiagram absolute getallen voor enkele taartpunten samen. Overigens dacht men in de Energieagenda 2019-2030 (de voorganger van het Perspectief) nog dat de totale vraag naar energie in 2030 240PJ/y zou zijn. N Brabant zat dus in 2023 met 235PJ al onder de toenmalige prognose voor 2030 (zijnde 240PJ/y).
Wat beschouwingen bij afzonderlijke taartpunten.
De provincie wil geen monofunctioneel gebruik van grond voor alleen maar zonnepanelen. Er kan wel wat, maar niet veel, in combinatie met (‘icm’) bepaalde agrarische doelen, maar meer ‘icm’ met wind. Wind en zon samen is statistisch gunstig omdat ze niet hetzelfde gedrag vertonen.
‘Wind op zee’ telt als Brabants als die aanlandt in Brabant. Er is geen verhaal over participatie of eigendomsverhouding bij de productie van stroom uit wind op zee. Gaat de provincie zichzelf inkopen in de windturbineparken of aan een coöperatie meedoen?
Er ligt een besluit dat er 2GW windstroom uit zee aan gaat landen in Geertruidenberg, en er loopt onderzoek naar 2GW of 4GW aanlanding in Moerdijk. Een aansluiting van 2GW levert ongeveer 37PJ stroom. 6GW zou dus goed zijn voor ca 110PJ. Als daarvan ongeveer 40PJ naar de waterstofproductie gaat (resulterend in ca 28PJ waterstof, rest is restwarmte), en 70PJ naar de andere klanten, klopt de taartpunt grofweg.
Het is een terecht uitgangspunt dat men streeft naar minimalisatie van het elektriciteitstransport, en dus naar zoveel mogelijk verwerking ter plekke. Dat zal grote gevolgen hebben voor het gebied rond Moerdijk en Geertruidenberg. Dit mede omdat de Delta Rhine-leiding er langs komt die desgewenst de geproduceerde waterstof kan afvoeren naar klanten elders. Ik waag me niet aan uitspraken over de diverse bestaande, andere functies in dat gebied, zoals de woonfunctie
Waterstof en groen gas-kaart
Ook met wind op zee is er een stroomtekort. ‘Energie-import’ betekent stroom van buiten het Brabantse systeem, ‘Brabantse’ wind op zee daarin meegeteld.
Bij ‘elektriciteitscentrales wordt (in de verdiepingsbijlage) gedacht aan de biomassastook in de Amercentrale (mits die biomassa duurzaam is), en aan Small Modular Reactors (SMR), relatief kleine kerncentrales. Hierover een apart hoofdstukje. Ik denk zelf dat er ruimte is, zij het beperkt, voor (bij)stook van biomassa, en dat Amer-eigenaar RWE slecht bezig is met de stadsverwarming ( https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ )
De provincie ziet in het Energieperspectief voor groen gas een belangrijke, maar qua omvang beperkte rol (7PJ) voor bepaalde nichesituaties. De productie van groen gas hangt van tegengesteld werkende factoren af zoals relatief meer en op termijn absoluut minder uit mestvergisting, groeiende organische stromen uit de eiwittransitie, en vergassingstechnieken van houtig afval, waartegenover groeiende inzet van organisch materiaal voor andere doelen dan groen gas staan.
De provincie denkt dat er in grote delen van N Brabant potentie is voor ondiepe geothermie, en in kleine delen voor diepe geothermie (die warmer water oplevert). Er is ook ruimte voor aquathermie (uit oppervlakteater). Daar is in de afgelopen jaren veel onderzoek naar gedaan. Grofweg zou ongeveer eenderde van de gebouwde omgeving hiermee, als regel met elektrische ondersteuning, verwarmd kunnen worden via grote (>1500 aansluitingen) of kleine warmtenetten. De provincie onderzoekt of een publiek warmtebedrijf mogelijk is.
Small Modular Reactors (SMR) – algemeen De aandacht van de provincie N Brabant voor kernenergie is nog maar jong. Dit is het eerste meerjaren-verzameldocument dat er aandacht aan besteedt. Ongetwijfeld is er samenhang met de SMR-strategie van het Rijk dd 17 okt 2025 ( SMR-strategie Rijk_okt2025 ) . In hoeverre de provincie hier handelt omdat het moet, of omdat men het zelf wil, is moeilijk te peilen. Enerzijds vindt de provincie in het Energieperspectief dat er nader onderzoek nodig is of SMR’s echt kansrijk zijn in Brabant, anderzijds zit de provincie met geld in een bepaald type (zie verderop).
Ik ben geen principiële tegenstander bij voorbaat van welke energievorm dan ook, ook niet van kernenergie. Kernenergie ontwikkelt, in elk geval in de gebruiksfase, heel weinig broeikasgas en naar alle broeikasgasarme energievormen moet gekeken worden. Ik voel ook geen panische angst bij het woord. Ik heb in mijn jongere jaren, ten behoeve van mijn werk als natuurkundedocent, mijn diploma Stralingsbescherming A gehaald om (zwakke) radioactieve bronnen te mogen gebruiken. Bij verstandig gebruik is er niet veel aan de hand.
Dat neemt niet weg dat ik problemen heb met specifieke ontwerpen, zoals de grote oude Belgische centrales en Borssele. De gangbare lichtwaterreactoren op basis van uranium staan mij niet aan vanwege het quasi-eeuwiglevende afval, vanwege de relaties met kernwapens, vanwege de geringe versplijtingsgraad, vanwege de geopolitieke afhankelijkheid en omdat een serieus ongeval bij grote centrales grote gevolgen heeft. En wat betreft de nabije centrales, omdat het ouwe meuk is.
Maar de nucleaire techniek schrijdt voort en er zit beweging in sommige problemen, zij het vooralsnog vooral als experiment. De veiligheid van SMR’s bijvoorbeeld is sterk verbeterd, zowel omdat ze kleiner zijn dan conventionele centrales als omdat ze automatisch stoppen als er een probleem is. SMR’s zijn nog steeds experimenteel: er waren dd 2024 op de wereld maar twee SMR’s in gebruik, namelijk een exemplaar in Rusland, gemodelleerd op de aandrijving van een nucleaire ijsbreker, en een in China. Het experimentele karakter is mede oorzaak dat de eventuele bouw van een SMR in N Brabant 8 tot 11 jaar zou kosten. Voor de korte termijn heb je er, hoe dan ook, niets aan. Er is een goed Wikipedialemma over de Small Modular Reactor op https://en.wikipedia.org/wiki/Small_modular_reactor .
Small Modular Reactors – in het NRG Pallas onderzoek is kernenergie te vanzelfsprekend De provincie heeft NRG Pallas, ten behoeve van het Energieperspectief, om een beperkt onderzoek gevraagd waarin kernenergie in het algemeen, en SMR’s in het bijzonder, als een gegeven beschouwd werden dat niet zelf ter discussie stond. Het onderzoeksresultaat maakt deel uit van het Perspectief-pakket dat men kan downloaden. Er moest gekeken worden naar hoe drie reactor-grootteklassen bij gegeven koelmogelijkheden en gegeven gebruiksbeperkingen (Natura2000, woonkernen) en een gegeven energievraag passen. Het is geschematiseerd weergegeven in onderstaande tabel
Hoge waterbeschikbaarheid betekent in Brabant de Maas (categorie A). Als daar ergens een grote energievraag zou zijn (>750MWth ) heet de combinatie dan A1. De subscript ‘th’ betekent ‘thermisch’. Elke kerncentrale is in wezen gewoon een warmtebron, met welke warmte je verschillende dingen kunt doen. Je kunt er stroom mee maken (subscript ‘el’), maar dat met betrekkelijk laag rendement (een kwart tot een derde). Dus 750MWth aan de Maas betekent, als het meezit, 250MWel . De grootte-range ‘Small Modular Reactor’ loopt omhoog tot 300MWel en dan zijn ze eigenlijk niet ‘Small’ meer – Borssele is bijvoorbeeld 485MWel . Het is dus zeer wel mogelijk dat een aantal SMR’s opgeteld meer leveren dan een gewone, ouderwetse kerncentrale.
Met warmte kun je op zichzelf ook nuttige dingen doen, zoals industriële processen mogelijk maken, de stadsverwarming voeden, zout of brak water ontzilten (bijvoorbeeld als de drinkwaterwinning tegen zijn grenzen aanloopt), of de productie van waterstof makkelijker maken. SMR’s kunnen behoorlijk nut hebben in een goed verhaal.
Voor zo’n goed verhaal moet je ook andere infrastructuur inplannen, zoals de warmtenetten, de grote waterstof ‘backbone’ die er moet komen, en de hoogspanningsleidingen. Die zijn in de NRG Pallas-analyse niet als dwingende voorwaarde opgenomen, maar als wenselijke aanvulling.
Inpassingsmogelijkheden van SMR’s
Als je dat allemaal bij elkaar voegt, krijg je bovenstaande kaart (al die kaarten zijn overigens verrot onduidelijk). Die kaart leidt tot enkele interessante speculaties. Dat Moerdijk eruit springt is logisch (wat iets anders is als aangenaam). Maar bijvoorbeeld Veghel (klasse B1) springt eruit (als je goed kijkt) en de Theodorushaven in Bergen op Zoom. En als men nou eens zou besluiten om op de Eindhovense Brainport Industries Campus een groot datacenter te bouwen? Komt op papier in aanmerking voor een SMR (klasse B2 of B3, is niet goed te zien). Dus beperkte koelingsmogelijkheden, namelijk uit het nabije Beatrixkanaal, en dat kan ‘NK, natte koeling betekenen, mogelijk een koeltoren. Over koeltorens spreekt de NRG_Pallas-studie niet, wel over koelgebouwen van 10 – 30m hoog waar verdamping plaatsvindt.
Small Moduler reactors – wat ook ter discussie zou moeten staan Afgezien van dat SMR’s nog niet commercieel beschikbaar zijn, zijn er een paar dingetjes:
Men hoopt dat SMR’s gestandaardiseerd kunnen worden en prefab gebouwd, waardoor ze per MW goedkoper worden. Maar er zijn ruim honderd typen in ontwikkeling met nogal uiteenlopende kenmerken. Het is niet meteen duidelijk dat een en ander tot massaproductie kan leiden
Bijna alle ruim 100 typen hebben uranium als brandstof, hetgeen betekent dat alle narigheid van die grondstof blijft bestaan, zoals bijvoorbeeld het vele afval en de zeer lange levensduur van dat afval. Heel kort door de bocht: tien kleine reactors op uranium zijn even erg als één grote.
De nieuwste ontwikkeling zijn reactoren die werken met Thorium als uitgangselement en gesmolten fluorzouten daarvan als brandstof en koeling. Deze techniek is nog in ontwikkeling. De Chinezen hebben een kleine proefreactor opgestart in de Gobiwoestijn ( https://en.wikipedia.org/wiki/TMSR-LF1 ) en (met luchtfoto van het complex chinadaily.com.cn/a/202511/01 .
图1 TMSR-LF1堆本体离线安装启动
Het merkwaardige is dat het Brabantse Provinciebestuur zelf met vier miljoen Euro in de Nederlandse startup Thorizon (https://thorizon.com/ ) zit. Dit samen met het instituut DIFFER van de TU/e, ingenieursbureau DEMCON met een kantoor in o.a. Best, en VDL . Zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/doorontwikkeling-gesmolten-zout-reactor/ . Er zit ook 10 miljoen € van de EU in. Dit project zou ergens in 2028 tot iets zichtbaars moeten leiden. Het is merkwaardig dat de provincie in zijn Energieperspectief zijn eigen project niet eens noemt, en in de bijlage met het NRG Pallas-onderzoek verschijnt het maar in twee regels. Dit terwijl er goede redenen zijn om te geloven dat gesmolten zout-reactoren op thoriumbasis ordes van grootte minder afval maken (zelfs al bestaand afval kunnen verwerken), terwijl dat afval ordes van grootte minder lang radioactief blijft. Het zou goed zijn als het provinciebestuur niet alleen laat uitleggen wat de SMR’s kunnen, maar ook hoe ze werken en dus wat de bijeffecten zijn.
Alle warmte die een SMR maakt en die geen stroom wordt (minstens tweederde), en die niet op andere wijze nuttig gebruikt wordt, komt in de lucht of het oppervlaktewater terecht (dat geldt overigens voor bijvoorbeeld een gascentrale ook). In het oppervlaktewater neemt de temperatuur toe. Bij de kerncentrale in Borsele bijvoorbeeld mag het water van de Westerschelde na de centrale maar 3˚˚°C warmer zijn dan ervoor, maar de Westerschelde is groot en die 3°C wordt niet bereikt. Maar Brabantse kanalen en riviertjes zijn vaak klein, vooral in hete droge zomers, en dan kan die opwarming behoorlijk aantikken (vandaar die koeltorens). Zelfs de kerncentrales op de Maas hebben in het verleden wel eens voor temperatuurproblemen gezorgd. Sowieso mag de temperatuur van het oppervlaktewater van de Kader Richtlijn Water maar 25°C zijn. En als dat extra warme water door een Natura2000-gebied stroomt, kaan dat mogelijk een Natuurvergunning verplicht maken. De opwarming van het oppervlaktewater is dus op zijn minst een aandachtspunt.
Je mist aandacht voor het voor- en natraject van de exploitatie. De bouw en sloop leiden tot broeikasgassen, maar dat geldt op zich ook voor wind- en zonne-installaties. Maar bij wind en zon komt er in de exploitatie geen broeikasgas vrij, en bij uranium en thorium wel, namelijk in de mijnbouw die nodig is.De literatuur (Wikipedia) beweert dat thoriummijnbouw minder nadelen met zich meebrengt dan uraniummijnbouw. Een scope -1, -2 en -3-analyse is op zijn plaats. Het provinciale verhaal gaat tot nu toe alleen over scope-1.
Small modular Reactors: mijn uiteindelijke standpunt Al met al vind ik dat de provincie N Brabant niet aan SMR’s zou moeten beginnen die op de uraniumcyclus draaien. Ik beschouw het afvalprobleem niet als opgelost – daarin lijken ze nog steeds teveel op een gewone, moderne kerncentrale.
Het provinciebestuur mag proberen mij te overtuigen van de bouw van een tot enkele SMR’s op thoriumbasis. Dat kan nodig blijken om een zo broeikasarme energieproductie op te bouwen in 2050, en zo’n SMR bespaart veel ruimte. Maar dat moet dan met een verhaal dat inhoudelijk beter is dan wat er nu ligt.
Tenslotte vind ik dat energie in (semi)publieke handen moet zijn, zeker kernenergie. Er zijn risico’s en alles wat niet failliet mag, hoort niet op de markt.
========
Ik heb een zienswijze ingediend op het Energieperspectief 2050. Wie het wil lezen, kan het vinden op
In maart 2026 heeft de provincie alle 41 zienswijzen (rijp en groen, groot en klein) van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen. Op 31 maart 2026 hebben Gedeputeerde Staten het Energieperspectief 2050 vastgesteld, zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/energie-2050-duurzaam-zelfstandig-mogelijk/ . Deze webpagina biedt via doorverwijzing toegang tot alle documenten.
In het voorjaar komt het (op onderdelen aangepaste) Energieperspectief 2050 ter besluitvorming in Provinciale Staten.
Inleiding De klimaatopwarming leidt tot steeds extremer weer, onder andere tot steeds vaker steeds extremere regenval. Het in pre-klimaatjaren zorgvuldig opgebouwde watersysteem kan die extreme stortvloeden niet meer aan. Dat kan lokaal of regionaal tot calamiteiten leiden. De schok van de Eifel/Ardennenramp, met zijn taferelen uit Valkenburg, in 2021 (ruim 220 doden, vele miljarden schade) heeft het onderzoek verder versneld.
Tot nu toe leverde dat vooral natuurwetenschappelijke informatie op, zoals waterdieptes en verblijfstijden op straat. Zie https://www.bjmgerard.nl/water-op-straat-bij-hevige-regen-hoe-diep-en-hoe-lang/ . De onderzoeksopdracht is daarmee niet af, want uiteraard is iedereen geïnteresseerd in de maatschappelijke gevolgen.
De Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV)
De OVV heeft de behoefte aan inzicht in de maatschappelijke gevolgen opgepikt – vanuit zijn core business ‘veiligheid’. Vertrekkend vanuit de natuurwetenschappelijke inzichten, heeft de OVV in januari 2026 een studie uitgebracht ‘Onveiligheid door extreme regen’. Die is te vinden op https://onderzoeksraad.nl/onderzoek/veiligheidsrisicos-rond-wateroverlast/ .
Voor de OVV is ‘veiligheid’ een ruim begrip. In de context van wateroverlast valt er niet alleen direct levensgevaar onder, maar bijvoorbeeld ook zaken als gezondheidsschade, uitvallende maatschappelijke voorzieningen, maatschappelijke ontwrichting, of stress vanwege financiële rampspoed, met name bij arme mensen. De OVV noemt in dit verband rechtvaardigheidsoverwegingen.
Een rapport op basis van drie voorbeeld-thema’s De OVV heeft zijn rapport gebaseerd op drie case studies:
De vijf uur durende uitval van een stroomverdeelstation in Nijverdal
De urenlange sluiting van de SpoedEisende Hulp (SEH) in Doetinchem
Het overstromen, en onbewoonbaar worden, van woningen in Enschede.
In alle gevallen wordt er beschreven wat er precies gebeurd is, waarom het heeft kunnen gebeuren, of er iets aan gedaan kan worden (beleid). Waar dat zin heeft, wordt het specifieke voorbeeld veralgemeniseerd.
Nijverdal In een stroomverdeelstation eindigen hoogspanningskabels op op het maaiveld geplaatste transformaatoren, waarachter dikke kabels middenspanning voeren. Die gaan naar een verdeelsysteem dat levert aan de trafohuisjes in het omringende gebied (en die maken er weer 230V van).
Ligging in het dal van de Regge 10.000V…
Het stroomverdeelstation van Nijverdal ligt in het dal van de Regge. Het maaiveld van het station ligt niet veel hoger dan het Reggewater. Dat is niet ideaal, maar, zo vertelde Enexis aan de OVV, niemand wil zo’n station vlak bij zijn huis en zodoende worden wij vaak naar niet-ideale locaties verbannen – een typisch leermoment. Nijverdal hoort tot een groep verouderde inrichtingen, waarbij het verdeelsysteem in een kelder ondergebracht is. Dat ging tot dan toe altijd goed, en daarom werd de groep kelderopstellingen als groep beoordeeld, en werden de afzonderlijke leden van de groep niet individueel geanalyseerd vanwege de specifieke omgeving (leermoment). En dat had eenvoudig gekund, want de grondwaterstanden zijn gewoon openbaar beschikbaar. Maar Enexis had er nooit aan gedacht om ze op te vragen, en het waterschap en de gemeente Hellendoorn hadden er ook nooit aan gedacht om ze proactief aan te bieden (leermoment). Maar het had heel lang heel hard geregend, de Regge stond hoog en het grondwater ook, en op 36 december 2023 liep dat grondwater langs zoiets als een lekke mof de kelder in waar (leermoment) contactpunten niet geïsoleerd waren. Gaf een interessante kortsluiting. Nu had Enexis in twee opzichten geluk, waardoor de stroomstoring niet tot maatschappelijke ontwrichting leidde: het gebeurde midden in de nacht, iedereen sliep, en de reserve-inrichting in de kelder lag door stom toeval een paar cm hoger en was net niet door het water geraakt. Dat maakte snel herstel mogelijk en toen veel mensen wakker werden, was het probleem inmiddels opgelost. De technische opwaardering van dit soort verdeelstations stond al eerder op de rol en wordt nu planmatig uitgevoerd.
De SpoedEisende Hulp (SEH) van het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem Het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem ligt laag (tussen twee heuvels), en de SEH ligt lager dan laag, en is maar via één weg bereikbaar. Wateroverlast is hier niet onbekend en mede vanwege de leeftijd van het ziekenhuis (1965) waren er al nieuwbouwplannen elders, die inmiddels uitgevoerd worden.
Maar de 60 a 70mm in twee uur op zondagmiddag 21 juli 2024 waren van een niet eerder vertoonde orde. Het met rioolwater verontreinigde regenwater spoelde de ingang binnen, en uit de toiletten omhoog, en de toegangsweg was een rivier geworden. Je kunt dan moeilijk een ziekenhuis runnen. De SEH bleef zeven uur dicht.
Tegelijk was vlakbij de Zwarte Cross, een bekend cultureel massa-evenement, en was er (ook vanwege de regen) het dak van een speelpaleis ingestort (welk gebouw op tijd geëvacueerd was, maar ondertussen legde het wel beslag op de commandant van de brandweer).
De OVV benadrukt terecht dat een heftige gebeurtenis afhankelijk van de context een calamiteit kan worden. In dit geval ging er niet veel fout op de Zwarte Cross en was de evacuatie tijdig, zodat er geen onverwachte vraag was naar diensten van de gesloten SEH.
Voor de veralgemeniseringsstap (‘kan dit ook elders in Nederland gebeuren?’) heeft de OVV een publicatie van Investico Onderzoeksjournalisten geraadpleegd ( https://www.platform-investico.nl/onderzoeken/nederland-niet-voorbereid-op-hevige-regen ). Het antwoord is ja. Binnen de focus van deze site (NBrabant en NLimburg) betreft het de SEH van het Elkerliek in Helmond en het St Jans Gasthuis in Weert, die onbereikbaar worden vanwege ondergelopen toegangswegen, en het Bravis Ziekenhuis in Roosendaal, dat om dezelfde reden onbereikbaar wordt, en waarvan bovendien de SEH overstroomt.
Pathmos en Stevenfenne in Enschede; rechtvaardigheid bij rampen Hetzelfde extreme regencomplex als dat wat het Slingeland Ziekenhuis trof, ging op 21 juli 2024 ook boven Enschede te keer. Het centrum van Enschede ligt op de Twentse Heuvelrug, maar later gebouwde delen op de helling of, tientallen meters lager, onder aan de bult. Daaronder de wijk Stadsveld en de deel-wijken daarbinnen Pathmos en Stevenfenne. Zie bovenstaande plattegrond, die echter niet de feitelijke situatie weergeeft maar een modelberekening op basis van 70mm/uur regen. Feitelijk liepen in grote gebieden de straten op 21 juli 2024 meteen onder, en toen de smak water van de heuvelrug aankwam liep het rioolwater bij een deel van de woningen via de straat en de toiletten de huizen in.
Ook hier dat een calamiteit altijd in context ontstaat. In dit geval dat het rioolwater binnenkwam bij vooroorlogse (oudste 1914), slecht gebouwde woningen. De poreuze bakstenen zogen het rioolwater decimeters hoog de muren in. Daardoor ontstond er schimmel- en bacteriegroei met bijbehorend gevaar (direct of met vertraging) gevaar op infectieziektes. Dit verergerd omdat uit de natte vloerplanken formaldehyde vrijkwam. Er werden 79 huurhuizen geëvacueerd, waarvan 57 voor onbepaalde tijd. Die zijn functioneel onbewoonbaar geworden. Stress van jewelste.
De OVV noemt hier het rechtvaardigheidsbeginsel. De bewoners van de twee getroffen deelwijken behoren tot de armste en laagst opgeleide mensen in Enschede.
In zijn veralgemeniseringsslag is de OVV op zoek gegaan naar vergelijkbaar kwetsbare wijken elders in den lande. Dat is geobjectiveerd met CBS-cijfers. De WOZ-waarde en het bouwjaar modelleren de kwetsbaarheid van de woningen (50% van de woningen is vooroorlogs), de (sociaal-economische) SES-score de kwetsbaarheid van hun bewoners (onderste 30%). Zo vindt de OVV 47 buurten. De aardrijkskunde van de omgeving zit er dan nog niet in. Daarom heeft de OVV de 47 buurten op een hoogtekaart van Nederland geprojecteerd. Sommige wijken liggen onder een hoog gebied of laag, nabij een grote rivier.
De geselecteerde wijken (meest in grote of middelgrote steden) zijn goedkoop (WOZ-waarde is 2/3de van gemiddeld dd 2023); versteend; en vooral huur.
Bij stedelijke ontwikkeling wordt vaak de natuurlijke waterafvoer van een gebied verstoord. Hierboven een kaart van de gemeente Enschede die de afwaterende beken vanaf de Twentse heuvelrug toont rond 1900 en rond 2000 . Op zich kun je een beek soms wel in een riool stoppen, maar je maakt dan keuzes over de dimensionering. Als dat krap gebeurd is, en daarna gaat het vanwege het klimaat explosiever regenen, is er een probleem. In mijn woonplaats Eindhoven is informatie over verdwenen beken te vinden op https://www.waterineindhoven.nl/ .
Beleid De case studies bieden een goed zicht op wat de risicofactoren zijn, maar het zijn voorbeelden, geen bewijzen. Voor een beter beeld is de OVV, bijvoorbeeld via gesprekken met deskundigen, ook buiten de studies om de diepte ingegaan.
Eigenlijk alle deskundigen zeggen dat er met adaptatiebeleid een hoop te winnen valt, ook al verschillen ze van mening over hoeveel precies.
De OVV is in elk geval niet tevreden over hoe de overheid met de problematiek omgaat:
Het beleid is onvoldoende specifiek op veiligheid gericht. Voor zover er beleid is, gaat dat vooral over overlast en schade
Het beleid is te vrijblijvend. Er zijn bijvoorbeeld wel bouwrichtlijnen en stresstesten, maar die verplichten tot niets. Er is veel te weinig centrale sturing. Daardoor rommelt iedereen op lagere niveau’s maar wat aan en blijven maatregelen steken in kleinschaligheid en pilots. (Wat je ziet is dat Nederland al een paar jaar nauwelijks bestuurd is geweest (dat zeg ik, dat zegt niet de OVV). Het goede ‘water en bodem leidend-beginsel’ is door de ministers Madlener en Keijzer afgezwakt tot ‘Rekening houden met water en bodem’.
De samenhang van risicofactoren met hun maatschappelijke context (bijvoorbeeld kwaliteiten van woningen en armoede) blijft te veel buiten beeld. Ook in de tweede ronde stresstesten worden dit soort verbanden niet meegenomen
Er wordt te weinig gedaan met vroegwaarschuwing in wat men de ‘lauwe fase’ noemt. Zo mag het KNMI alleen maar vroege waarschuwingen uitbrengen aan overheidsorganen. Dat zou anders marktverstorend werken, omdat er ook commerciële weerberichtorganisaties zijn. Het KNMI had bijvoorbeeld het Slingelandziekenhuis niet mogen waarschuwen.
De regering wordt niet onder druk gezet door bange burgers, want er is onder de bevolking nog geen breed gedeeld urgentiegevoel – blijkt uit enquêtes. Men verkeert nog teveel in zalige gemoedsrust over wat een probleem zal gaan worden – misschien niet meer in delen van Enschede. Het oude waterschapsgebed om af en toe een klein watersnoodje gaat ook hier op.
In het laatste hoofdstuk worden deze gebreken op logische wijze omgezet in aanbevelingen, verdeeld over de categorieën;
De pilot De woningbouwcorporatie De Alliantie wil al zijn woningen in 2050 van het gas af hebben en is daar al een tijd mee bezig. Maar inmiddels is het ambitieniveau opgeschroefd en wil De Alliantie de verduurzaming ook grotendeels circulair uitvoeren en met aandacht voor biodiversiteit. De corporatie heeft daartoe een ‘challenge’ uitgebracht voor het op deze wijze, als pilot, renoveren van 12 (2*6) geschakelde sociale eensgezinswoningen in Bussum-Zuid (nabij de Bussumer Heide).
De woningen zijn in 1963 opgeleverd en zijn al eerder gerenoveerd geweest, met energielabel D als gevolg. De keuze was tussen sloop en herbouw, of nog eens renoveren voor 20 jaar. Besloten is tot het laatste en dat werd de pilot. Die heeft Europese subsidie ontvangen.
Ik vind het politiek te prijzen dat men niet lichtzinnig tot sloop overgaat. Vaak betekent sloop dat er een duurdere en kleinere woning voor terugkomt die niet perse meer sociaal is.
De renovatie is uitgevoerd volgens het RE-DO concept ( https://www.revolve-co.nl/ ). . Daarin werken samen De Alliantie, een aantal mensen en bedrijven in de hoek van biobased en circulair werken,, en Dé Warmtepompkelder (DWPK, dwpk.nl ).
Het resultaat van het circulair en biobased bouwen is dat 95% van de geoogste materialen een tweede leven krijgen, en dat de CO2 -uitstoot van het bouwproces zelf met 60% gedaald is t.o.v. de ‘traditie’.
De renovatie heeft besteedt ook aandacht aan biodiversiteit. In deze ‘bio-poot’ zijn ook spouwmuurkastjes voor mussen de gierzwaluwen meegenomen.
Het opmerkelijkste (aar mijn smaak) is de alternatieve verwarmingsopzet.
Zie o.a. .linkedin.com_dwpk-realiseert-mini-warmtenet-bij-woningcorporatie en dwpk.nl/projecten/project/ en linkedin.com_twintigdertig en DWPK . Het begint met kierdichting en isolatie. DWPK werkt met bodemwarmtesysteem. Het bedrijf heeft ervoor gekozen om vier boringen te doen tot op 285m diepte en daar een gesloten systeem (met een milieuvriendelijk koudemiddel) in te hangen. Die vier bronnen leveren (en nemen af bij koeling)) van een warmtepomp per individuele woning. Dat zijn er dus twaalf en die zijn gekoppeld, zodat er een mini-warmtenet ontstaat. De warmtevraag is individueel afrekenbaar. De warmtepomp kan 70˚C halen, zodat de radiator niet perse vervangen hoeft te worden. Sowieso hoeven er nauwelijks werkzaamheden in huis te worden uitgevoerd, want alleen de CV-installatie wordt vervangen door een boilervat (bewoners hoeven hun huis niet uit). De warmtepomp wordt geplaatst in een prefabkelder, van 1,20 bij 1,20 bij 1,40m, die in de tuin wordt ingegraven. Er is geen buitenunit, dus geen herrie. Levering aan de woning gaat, in elk geval in Bussum, via de kruipruimte en de meterkast naar het afgiftesysteem. Resultaat van dit alles is dat de woningen opgewaardeerd zijn naar A++ .
De kosten van het systeem worden verdeeld over de woningbouowcorporatie (die de warmtepompen overkoopt van DWPK). DWPK zelf, dat eigenaar blijft van het bronsysteem, en de bewoners. Het lijkt voor de bewoners financieel gunstig te zijn, maar er wordt geen getallen genoemd 9behalve een korte terugverdientijd t.o.v. gas).
Mocht men over bijvoorbeeld 20 jaar alsnog willen slopen, dan kan de putannex warmtepomp ongewijzigd naar de nieuwbouw worden omgezet.
De warmtepomp in zijn kubus
Enig kritisch voorbehoud is op zijn plaats
Het is een mooi verhaal, maar men vertelt het over zichzelf.
Het is jonge techniek. Het informatiemateriaal dateert van de tweede helft van 2025. Het is dus afwachten hoe de resultaten over de jaren uitpakken.
Informatie over de woonlasten is schaars
Niet vermeld wordt of de pilot ook zonder Europese subsidie rond was gekomen.
De gebruikte literatuur biedt geen duidelijkheid hoelang het systeem meegaat. Ergens wordt gesproken over ‘er ruim 20 jaar plezier van’. Uiteraard slijt de mechanica van de pomp, maar die is onderhoudbaar (makkelijk zelfs) en vervangbaar. Maar wil de watertemperatuur gemiddeld +12˚C blijven, zoals gesteld, dan moet er door koeling in de zomer ongeveer evenveel warmte in de bodem worden gestopt als er in de winter voor verwarming wordt uitgehaald. Het systeem is in feite een Warmte-Koude Opslag (WKO). ( https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/bodemwarmte/ ). Dat stelt beperkingen aan het gebruik van het systeem. Een professionele installateur rekent dat door en naar alle waarschijnlijkheid bezit DWPK die professionaliteit, maar er wordt in de internet-teksten over de pilot niet over gesproken.
Ik verwelkom technische ontwikkelingen die de balans tussen sloop en renovatie vaker richting renovatie laten doorslaan, en dat nog meer als dat bijna circulair gebeurt, maar geen enkele technische ontwikkeling is een wondermiddel. Ze blijven om een grondige en situatiegebonden analyse vragen.