Het levenseinde van de windmolenwiek

Artist impression van de A58 met een geluidswal van windmolenbladen

Vooraf
Om de klimaatcrisis te bestrijden is stroom nodig die niet met fossiele brandstof wordt geproduceerd. Windturbines, zowel op het land als op zee, zijn daartoe onmisbaar.
Er is veel verzet tegen nieuwe windturbines op het land – een standpunt dat ik niet deel. Tegenstanders gebruiken in hun verzet eigenlijke en oneigenlijke argumenten.

Tegenstanders argumenteren onder andere dat het tot nu toe nu slecht geregeld is wat er op het eind van de levenscyclus met een windturbine gebeuren moet.
Dit argument is grotendeels onjuist, omdat op dit moment standaard ergens rond de 85 a 90% van een windmolen na definitieve afloop van zijn levensduur gerecycled wordt. ‘Definitief’ betekent hier dat herplaatsing elders of opknappen en repareren onmogelijk is gebleken.
Er is echter een reëel probleem met de overblijvende 10 a 15%, zijnde de wieken. Turbinewieken zijn ontworpen als wegwerpartikel, Tot nu toe eindigen die meestal op de stort of in de verbrandingsoven (bijvoorbeeld in cementovens).  Dat hoort niet zo te zijn. Afzonderlijke landen en de EU als geheel willen van deze praktijken af, met als terecht gevolg dat er sinds pakweg 2020 naar alternatieven gezocht wordt. Dat begint te lopen. Daarover gaat dit artikel.

Het gaat om forse getallen. Een windturbine gaat 20 tot 25 jaar mee, hetgeen betekent dat de oudste turbines nu ‘op de markt’ beginnen te komen. En ook dat het aanbod vrij redelijk te voorspellen is. Europa produceerde in 2025 60.000 ton wiek-afval en dat zal in het jaar 2050 oplopen tot 800.000 ton (aldus TNO op basis van WindEurope).

Enkele vormen van onderscheid vooraf.

Het eerste is of je curatief of preventief kijkt. Curatief gaat over wieken die er al zijn (en die al afval zijn of dat worden), preventie gaat over nieuwe ontwerpen die al bij voorbaat op een hanteerbaar end of life-stadium ontworpen zijn.
Het tweede onderscheid is of een probleem vooral technisch is, of vooral economisch (en dan ook politiek). Dat zijn wezenlijk verschillende zaken die om wezenlijk verschillende oplossingen vragen. De recyclewereld wemelt van de goed bedoelde technische oplossingen, die het vervolgens op de vrije markt niet redden omdat het niet-duurzame aanbod goedkoper is (bijvoorbeeld bij plastic of textiel). Een verplichte verwijderingsbijdrage kan meer effect sorteren dan een briljante technische oplossing.
Het derde onderscheid (dat samenhangt met het tweede onderscheid) is hoever een beoogde oplossing in technisch opzicht is.
Voor brilliancy op laboratoriumschaal koop je  op zich weinig.

Curatief
Als je niet wil dumpen of zomaar verbranden, en als opknappen of de tweede handsmarkt geen oplossing is, kun je in Nederland bij twee clubs terecht. Het zijn allebei samenwerkingsverbanden (consortia).

De ene is de Dutch Circular Value Chain (CVC). Daarbinnen doet Business in Wind de ontmanteling van de turbine, levert de jonge startup Dura Vermeer Urban Miner de (zeg maar) bouwwerf en de bijbehorende ICT, en levert designbureau Superuse ontwerpen onder de handelsnaam Blade-Made. De GKB Group doet de feitelijke productie, The Footprinters rekent uit wat de klimaat- en milieufootprint is, en New Citizen Design plakt alle taken aan elkaar. Wie het na wil lezen, zie https://blade-made.com/home/portfolio-items/the-netherlands/ .
Het consortium maakt wat met een mooi woord ‘Urban Furniture’ heet (ondanks alle Engels is het geheel een Nederlandse club). De clou is dat je in het uiteindelijke product de molenwiek terug herkent.
De openingsafbeelding is een artist impression van hoe de A58 bij Oirschot er uit zou kunnen zien. In werkelijkheid liggen er in de testomgeving Innova58 van Rijkswaterstaat twee wieken aan elkaar, samen 60m lang en 3 a 4 meter hoog. De eerste testresultaten zijn gunstig: het testscherm doet het even goed als een betonnen scherm van 3,3 meter hoog. Innova58 is sowieso een interessante innovatieomgeving, ook vanwege andere projecten ( https://www.innova58.nl/ )
Hieronder de met stukken windmolenwiek opgebouwde speeltuin Wikado in Rotterdam.

Speeltuin Wikado in Rotterdam

Het levert leuke resultaten, maar de vraag is wel of je er grote getallen mee haalt die nodig gaan zijn. (Rijkswaterstaat moet nog zo’n 40 a 50km geluidsscherm opleveren).

Het alternatief voor wiekenmateriaal niet afbreken is wiekenmateriaal wel afbreken.

Kort door de bocht bestaat dat composietmateriaal voor ruim de helft uit glas en/of koolstofvezel en rond de 30% uit epoxy- of polyesterhars, plus nog wat ander spul.  Afbreken betekent idealiter dat je onbeschadigd de fibers enerzijds en de epoxyhars (en de rest) anderzijds weer van elkaar scheidt op zo’n manier dat je met de gescheiden producten nog wat nuttigs kunt doen, liefst zo hoogwaardig mogelijk.
Genoemde harsen zijn echter thermohardend: ze kunnen niet meer smelten. Daarom hield men tot voor kort recycling voor heel moeilijk of onmogelijk.

Springt (in Nederland) TNO in met een project om wel tot recycling te komen. TNO is de ruggengraat van de andere club, het werkverband Circle4Win ( project circle4win ). Dat is een driejarig project. Het project  is gericht op een commercieel bruikbare methode om toch windturbinewieken te recyclen. Het daartoe opgerichte consortium omvat elke cruciale stap: bladproductie (Suzlon), einde-levensduurmanagement (IX Decom), voorbewerking (D&E), thermolyse-recycling (Renewi), grondstoffenverwerking (Sibelco) en glasvezelproductie (Envalior).
Het project werd voor het eerst omschreven op 27 maart 2025 ( project-recyclen-windturbinebladen ) en had een vervolgbericht op 02 juli 2026 ( hoogwaardig-recyclen-windturbinebladen/ ).
TNO EnergieTransitie en het Brightlands Materials Center (BMC, coproductie van TNO en de provincie Limburg)) op de Chemelotcampus in Geleen hebben een thermolytische methode ontwikkeld.  Het turbinemateriaal wordt in een oven in zuurstofloze omgeving tot bijna 500°C verhit, waardoor de harsen ontleden tot brandbare gassen. Als alles goed gaat, komen de (als nieuw materiaal goedkope) glasvezel en de (als nieuw materiaal dure) koolstofvezel netjes schoon vrij te liggen. De vrijgekomen gassen worden gebruikt om de 500°C te bereiken.
Technisch moet je hier een heel eind mee kunnen komen. Dd 02 juli 2026 had de pilot ca 60kg teruggewonnen glasvezel geproduceerd. Als dat gecombineerd wordt met kunstharsen die wel kunnen smelten (thermoplasten), is dat nieuwe materiaal wel recyclebaar. Of men daar weer windmolenwieken van kan maken, moet blijken. In elk geval kan het gedowngraded worden tot eenvoudiger toepassingen (bijvoorbeeld auto-onderdelen).
Of het financieel zonder politieke maatregelen (bijvoorbeeld subsidie) uit kan, moet blijken – die vraag is minstens zo interessant. Het consortium wil een demonstratiefabriek bouwen met een capaciteit van ca 10.000 ton molenwiek per jaar. Die inrichting zou alle windturbinebladen van het Prinses Amalia windpark met 60 windturbines, een van de eerste Nederlandse offshore windparken die ontmanteld worden, in ongeveer één maand kunnen verwerken.

Uiteraard wordt er ook buiten Nederland aan het recyclen van windturbinebladen gewerkt. Voor een overzichtsartikel over wat diverse turbineproducenten doen, zie nedzero.nl_wind-in-the-sails-for-large-scale-recycling-of-wind-turbine-blades . Het voert te ver om hier alle producenten de revue te laten passeren.

Voor een eerder artikel op deze site, over de fabrikant Vestas, zie methode-ontwikkeld-om-windturbinebladen-geheel-te-recyclen .
Vestas lijkt erop te vertrouwen dat het met zijn recyclingtechniek voort kan gaan met de bestaande materialen (dus met thermohardende kunststoffen), zelfs met het perspectief om er opnieuw wieken van te maken. De tijd zal moeten leren of dat gaat lukken, maar dat lijkt me geen gelopen race. In dat geval zou dat betekenen dat curatief en preventief in elkaar beginnen over te lopen. Voor Vestas-standpunten zie vestas.com_sustainability/sustainability-product-offerings/blade-circularity .

Het verwerkingsschema van Vestas

Preventief
De vraag ligt voor de hand of voor nieuwe windturbinewieken niet meteen al een materiaal uitgekozen kan worden dat makkelijk te recyclen is.  Twee uiteenlopende voorbeelden hoe dat zou kunnen. Beide buiten Nederland, omdat er ons land geen windturbines meer gebouwd worden.

Het ene alternatief is de Duitse startup Voodin Blade Technology – een interessant idee met een handvol uitvoeringsvragen. De website geeft beperkt informatie, maar dit Change-artikel  vult dat op basis van nadere informatie aan.
De onzekerheid wordt mede gevoed omdat (op dit moment) levering voorzien is pas vanaf 2031, vanuit een nog te bouwen fabriek in Spanje. Er is nog geen praktijk.
Het bedrijf maakt (met 48 miljoen  EU-subsidie) rotorbladen uit hout, 20 tot 90m lang, alleen voor op het land (een belangrijke beperking).
Voodin Blade Technology stelt, uiteraard mede ter onderbouwing van de eigen positie, dat recycling van bestaande kunststofbladen financieel niet levensvatbaar zal blijken – wat moet blijken. De bladen zouden voor 100% recyclebaar zijn (er staat op de website niet bij wat dat precies betekent).
De wieken zouden met CNC-machines verspaand worden vanuit een grondvorm van speciaal voorbewerkt hout. Het CNC-programma is dus een computerfile en niet een enorme fysieke gietmal voor kunststof.. Zo’n gietmal wordt vernietigd als het bijbehorende type wiek uit de productie genomen wordt.  Een eigenaar van een niet meer courant type molen met kunststofwieken kan dus, na verloop van tijd,  geen wieken meer nabestellen, terwijl dat met uit hout verspaande CNC-wieken wel kan.

Bij Voodin Blade Technology

De grondstof is Laminated Veneer Lumber LVL). Daartoe worden bomen tot dunne lagen ‘geschild’ (‘fineer’). Die lagen worden weer op elkaar gelijmd, waarbij de nerf (ongeveer) steeds dezelfde kant op wijst. De techniek lijkt op multiplex, maar daar laat men de nerfrichting dus steeds verspringen.
LVL wordt in de bouw al enkele decennia gebruikt en is dus een bestaand product (zij het niet in lengtes tot 90m), dat niet speciaal voor Voodin ontwikkeld is. Voodin is wel de eerste die het voor dit doel gebruikt.
Het materiaal heeft belangrijke voordelen (het gaat bijvoorbeeld efficiënter met het hout in een boom om)), maar vraagt bij gebruik buiten goede bescherming tegen water, zeker in de heftige omstandigheden waarin windturbines hun werk doen. . Voor een goed artikel zie wikipedia_Laminated_veneer_lumber .

Een contrasterend tweede initiatief, ( RecycableBlade ), is van de grote Duitse windturbinebouwer Siemens Gamesa . Het bedrijf wil zijn turbines in 2040 100% recyclebaar hebben. Het is reeds bestaande techniek: de eerste bladen zijn in 2021 geleverd. Genoemde webpagina schakelt door naar een infographic .
Siemens Gamesa wil industriebrede afspraken en standaardisatie m.b.t. de recycling van windturbinewieken en steunt daartoe o.a. samenwerkingsprojecten zoals het Deense Decomblades , het Duitse Reusablade en het Deense Wisewind .
Siemens Gamesa blijft functioneren in de bestaande traditie hoe je grote turbinebladen maakt, maar heeft op één punt een cruciale stap gezet, namelijk dat nieuwe bladen al in de fabricagefase ontworpen zijn op de uiteindelijke ontmanteling, In essentie heeft Siemens Gamesa daartoe een nieuwe kunsthars ontwikkeld, die in een bad met een aangezuurd oplosmiddel bij 80°C smelt, waarna de afzonderlijke materialen afzonderlijk toegankelijk zijn (zelfs de hars), Siemens claimt daarbij niet dat die materialen ook weer voor turbinebladen bruikbaar zijn.
Siemans Gamesa heeft in 2025  een contract afgesloten om met dit nieuwe type blad een windpark voor de kust van Hull uit te rusten. In die regio komt een windturbinefabriek (zie voor een politieke beschouwing over dit soort werkgelegenheid https://www.bjmgerard.nl/farage-vernietigt-de-werkgelegenheid-en-liegt-daarover/).

Recyclebare Siemans Gamesa-bladen voor het windpark bij Hull

Huisbezitters in Florida vanwege klimaatrampen uit de verzekering gegooid – straks ook in Nederland?

Florida
Bloomberg Green Daily beschreef op 29 juli 2026 hoe de vele, sterk klimaatgerelateerde, rampen in Florida de (particuliere) verzekeringsmaatschappijen ertoe gebracht hebben om geen nieuwe klanten meer aan te nemen, honderdduizenden woningbezitters uit de verzekering te gooien en zelfs om de hele staat Florida voor gezien te houden. En dat terwijl de verzekeringspremie in Florida met $8292 per jaar al de hoogste van de VS is – over de hele VS gemiddeld is dat $2948.
Het artikel in de email-nieuwsbrief van Bloomberg  zit op de browser onder florida-s-fix-for-property-insurance-crisis-puts-more-risk-on-homeowners . Dat is achter de betaalmuur, maar voor €2 heb je een maand toegang.


Vijf jaar-gemiddeld zit de schade momenteel op ruim 36 miljard per jaar

Na de orkaan Ian, die goed was voor $67 miljard verzekerde schade, lag de sector in 2022 op zijn gat. Men was bang dat er straks helemaal geen maatschappij zou zijn die nog wilde verzekeren in Florida, en daarom nam het parlement van de staat Florida wetten aan die het voor woningeigenaren moeilijker maakten om tegen een verzekeringsmaatschappij  te procederen als die, naar de mening van de eigenaar, ten onrechte niet of te weinig uitbetaalde. De reactie van de maatschappijen was te verwachten, evenals de opkomst van een actiegroep als de Coalition for an insurable future ( https://coalitionforaninsurablefuture.com/ ). Aldaar een rapport met veel wetenschappelijk materiaal ( Climate-impact-on-insurance-May-2026.pdf ) – waaronder ook de observatie dat steeds meer mensen gevaarlijke staten als Florida (of bijvoorbeeld Califormie, vanwege de bosbranden) beginnen te ontvluchten.  
Uit dit rapport onderstaande afbeelding.

Bloomberg Green Daily baseert zich op materiaal van Climate Central, een NGO in de VS die klimaatwetenschap, en daarvan afgeleide wetenschap,  communiceert . Climate Central heeft een openbare site , waarvan ik  op https://www.climatecentral.org/climate-services/billion-dollar-disasters/mapping onderstaand rampenoverzicht van de VS gehaald heb, verbijzonderd naar Florida.  Lees 300B+ als ‘ruim 300 miljard) . Dat is opgeteld van 1980 t/m 2025, met de kanttekening dat de schade pas vanaf 1990 explosief groeit.

Nederland
Nu is Nederland niet Florida, maar de structuur van het verzekeringswezen is in Nederland niet wezenlijk anders dan in Florida. Nederland heeft zo zijn eigen risico’s en ook in Nederland zijn verzekeringsmaatschappijen particuliere, commerciële instellingen. Mogelijk zijn Europese verzekeringsmaatschappijen sterker en is het toezicht beter, maar dat is buiten mijn kennisgebied.

Er wordt in elk geval ook  in Nederland nagedacht over de relatie tussen klimaat enerzijds en verzekerbaarheid en hypotheken anderzijds. Voor een artikel  op deze site, zie https://www.bjmgerard.nl/klimaat-bedreigt-verzekerbaarheid-en-hypotheken/ .

Warmtebatterij met zand helpt een Fins dorp een week de winter door

De Finse onderneming Polar Night Energy (PNE) bouwt hele grote ‘zandbatterijen’. In essentie is dat een hele grote thermosfles met steenpoeder. Als er veel goedkope stroom is, wordt die als warmte in het steenpoeder opgeslagen. Daarbij worden hele hoge temperaturen bereikt.
Als het van pas komt, wordt die warmte weer afgegeven in de vorm van hete stoom,  heet water of hete lucht (zulks naar keuze) aan de stadsverwarming waaraan hij hangt, of eventueel aan de procesindustrie.

De machine op de foto is 13m hoog en 15m in diameter. Er zit 2 miljoen kg steenpoeder in.
Hij staat sinds kort in het Zuid-Finse dorp Pornainen (5000 inwoners). De installatie kan het dorp in de winter een week warm houden en in de zomer een maand.

Wie er een journalistiek verhaal over wil, kan terecht op het, op financiële dienstverlening gerichte, kabelkanaal CNBC ( finland-sand-battery-renewable-energy-storage  ) waaruit hier geput wordt. Een woordvoerder van PNE stelt dat door de constructie de stadsverwarming 70% broeikasgas bespaart en dat die 60% minder houtsnippers nodig heeft.

Wie dieper in de techniek wil duiken, kan kijken op https://polarnightenergy.com/nl/#onze-producten  . De getoonde installatie heeft daar een vermogen van 2MW en een energie-inhoud van 200MWh (hetgeen volgens Bartjes betekent dat hij 100 uur op vol vermogen kan draaien, en op een lager vermogen langer). Het opslagrendement is 85%.
De materie kan desgewenst de opslag verlaten onder een temperatuur van 100 tot 400°C..

Het basisidee van dit soort thermische opslag is al langer bekend. Het is geen raketwetenschap, maar met name de praktische techniek en het opschalen schijnen een probleem te zijn. De basisvarianten zijn opslag in water,  opslag in steenachtig materiaal en opslag in vloeibaar zout. Op deze site zijn al die varianten al eens langsgekomen, maar dat is al weer een tijd geleden.Vandaar enige extra controle.

Opslag in water is besproken in de uitvoering van Ecovat ( https://www.bjmgerard.nl/energy-day-tue-bespreekt-ecovat-systeem/ ) . Inmiddels bestaat Ecovat, later GroeneWarmte geheten, niet meer. Voor de gedachtenlijn in het artikel maakt het niet uit.
Opslag in steenachtig materiaal is besproken in https://www.bjmgerard.nl/warmteopslag-in-basalt-voor-het-ecodorp-in-boekel/  . Deze onderneming is nog regulier op Internet te vinden op https://cesar-energystorage.com/ .
Opslag in gesmolten zout wordt ontwikkeld door TNO en is besproken in https://www.bjmgerard.nl/4680/ . Voor de actualiteit zie o.a. https://www.tno.nl/nl/duurzaam/energie-gebouwde-omgeving/warmteopslag/  en https://www.tno.nl/nl/duurzaam/industrie/co2neutrale-industrie/duurzame-industriele-warmte/warmteopslag-maakt-grootschalige/ .

https://www.ecodorpboekel.nl/cesar-nl/

Update dd 28 juli 2026

Vlak nadat ik dit artikel geschreven heb, stond er in het blad Change.inc een verhaal over de toepassing van een warmteopslag in het Nij Smellinghe-ziekenhuis in Drachten.

Voor het verhaal over het ziekenhuis zie change.inc_nieuwe-warmtebatterij-helpt-dit-friese-ziekenhuis-drie-jaar-eerder-van-het-gas-af.
Voor het verhaal van het ziekenhuis zelf, met technische informatie,  zie nij-smellinghe-pioniert-in-2027-volledig-van-het-gas-af-met-revolutionaire-warmtebatterij . Daar komt onderstaande afbeelding vandaan.

Het ziekenhuis was met ruim 10.000 zonnepanelen, twee WKO-installaties, LED-verlichting en isolatie al een heel eind onderweg met verduurzamen. Wat nog restte was iets om stoom van 110°C te maken voor het desinfecteren van medische instrumenten, en daarvoor is een bron nodig van minstens  150°C (feitelijk is de bron 300°C). Met een warmtepomp zou dat op papier kunnen, maar het zou stroom vreten.

Daarom koos Nij Smellinghe voor een warmteopslag die (in dit geval) gevuld is met magnetiet (een vorm van ijzererts). Dat werk prima en er kan niets mee gebeuren.  De installatie is van Powerstove van het bedrijf Heatwacht uit Zwolle ( heatwacht.nl ).

In 2027 gaat Nij Smellinghe als eerste bestaande ziekenhuis in Nederland van het gas af.

Milieudefensie Eindhoven e.o. trapt ING-actie af

De landelijke vereniging Milieudefensie heeft al weer enige tijd geleden de bank ING als focus van actie genomen. Dat gebeurt omdat ING erg veel investeert in olie- en gasbedrijven (momenteel bijna €53 miljard). De effecten van de ontstane broeikasgassen lieten zich duidelijk merken in bijvoorbeeld de hittegolf van juni 2026.
Er is al een dagvaarding uitgebracht tegen ING.
Informatie over dit proces is te vinden op https://milieudefensie.nl/klimaatzaak-ing/info/veelgestelde-vragen-over-onze-nieuwe-klimaatzaak .

In de actie “Niet met mijn geld” wordt van ING geëist dat de bank stopt met het financieren van nieuwe olie- en gasbedrijven, stopt met mensenrechtenschendingen en (in lijn met Parijs) zijn uitstoot halveert. Dat heeft de vorm van een petitie (inmiddels door ca 35000 mensen ondertekend) waar deze eisen in staan. Als ING niet luistert, zal er een aansporing volgen om met veel mensen collectief over te stappen op een betere bank.
Informatie over de actie ‘Niet met mijn geld’ is te vinden op https://milieudefensie.nl/niet-met-mijn-geld/veelgestelde-vragen-niet-met-mijn-geld .

De actie is in Eindhoven afgetrapt op vrijdag 03 juli 2026, op het 18 Septemberplein. Ik heb aan die actie zitten regelen.
De actie werd visueel ondersteund door een schilderij van de ING-leeuw (van de hand van Dennie Boxem) die zich baadt in een bult olie. Voor die olie moest met plakkaatverf een groen alternatief aangestipt worden. Dat lukte goed.

Proef in Helmond met biobased asfalt

Hieronder staat een persbericht van KWS afgedrukt over een baanbrekende proef in Helmond met asfalt waarin een deel van het fossiele asfalt vervangen is door organische restproducten. Het persbericht is te vinden op https://www.circuroad.nl/nieuws/details/helmond-eerste-gemeente-waar-circuroad-biobased-asfalt-test  



Helmond eerste gemeente waar CIRCUROAD biobased asfalt test

Persbericht KWS             3-7-2026

Helmond heeft een landelijke primeur: het is de eerste gemeente waar CIRCUROAD biobased asfalt test. Een deel van het fossiele bindmiddel bitumen maakt in dit nieuwe type asfalt plaats voor een biobased bindmiddel op basis van restproducten uit de bosbouw, papierindustrie en uit de landbouw. Zo verlagen we de CO₂ uitstoot en gebruiken we minder niet-hernieuwbare grondstoffen. De komende 5 jaar meet CIRCUROAD grondig hoe het asfalt reageert op weer en verkeer.

Eerste praktijkproef bij een gemeente  

Het biobased bindmiddel is ontwikkeld binnen CIRCUROAD; een samenwerking van overheden, bedrijven en kennisinstellingen, met Rijkswaterstaat als host. In Helmond legde KWS, een van de deelnemers in CIRCUROAD, proefvakken aan van het type AC 11 surf met 30% hergebruikt asfaltgranulaat. Dubbel duurzaam dus!

De drie biobased bindmiddelen, ontwikkeld door Esha, Latexfalt en BituNed, zijn vooraf grondig in laboratoria getest door deze leveranciers en een bredere groep aannemers, waaronder KWS, Boskalis, AsfaltNu en Dura Vermeer. Bovendien werden eind 2024 al proefvakken aangelegd op InnovA58, het outdoor living lab van Rijkswaterstaat. Daar voldoet die deklaag na twee winters nog steeds aan alle eisen. Vorig jaar werden proefvakken aangelegd in de provincies Utrecht en Drenthe, en nu dus in Helmond. 

Wethouder Gaby van den Waardenburg van gemeente Helmond: “Wij zijn trots dat Helmond als eerste gemeente van Nederland deze praktijkproef mogelijk maakt. Met dit project dragen we bij aan de ontwikkeling van duurzame wegen. Zo zetten we samen een belangrijke stap richting fossielvrij asfalt als de nieuwe standaard.” 

Ingroeimodel richting fossielvrij asfalt

Elk jaar produceert Nederland 6,5 miljoen ton asfalt voor de aanleg en het onderhoud van 136.000 kilometer aan wegen. De jaarlijkse uitstoot van de hele asfaltketen ligt nu rond de 565 kton CO₂ per jaar. Van die uitstoot komt 42 procent van de productie van asfalt en daarbinnen heeft de winning en productie van het fossiele bitumen met ongeveer 80% de grootste invloed op de uitstoot. De opgave is dus groot, evenals de verwachte impact. 

De aanleg van het proefvak aan de Heikantseweg in Helmond is een belangrijke mijlpaal. De resultaten dragen bij aan de verdere ontwikkeling en grootschalige toepassing van biobased asfalt in heel Nederland en aan een toekomstbestendige asfaltketen.

Dineke van der Burg, CIRCUROAD programmamanager bij Rijkswaterstaat: “We werken met CIRCUROAD toe naar volledig fossielvrij asfalt op alle Nederlandse wegen. Daarom is het zo belangrijk dat we behalve op provinciale wegen en rijkswegen nu in Helmond ook op een gemeentelijke weg kunnen testen.” 

CIRCUROAD Programmamanager Joop Groen: “Tot en met 2031 test CIRCUROAD asfalt met 30% biobased bindmiddel. Daarna werken we richting 2050 geleidelijk toe naar 100%. “Door zo grondig en stap voor stap te werk te gaan, weten we zeker dat leveranciers en wegbeheerders er klaar voor zijn en dat de kwaliteit, duurzaamheid en levensduur aan alle eisen voldoet.”

Jack Backx, bedrijfsleider bij KWS: “Met dit project laten we zien dat duurzame innovatie ook binnen gemeentelijke infrastructuur direct toepasbaar is. Door samen te werken met de gemeente Helmond en CIRCUROAD realiseren we een belangrijke stap richting toekomstbestendige en circulaire wegenbouw.” 

Farage vernietigt de werkgelegenheid en liegt daarover

Bij elke duizendste passant op deze site (bruto) een artikel met een iets andere thematiek. Bij de 53000ste passant aandacht voor een journalist die ik graag lees, George Monbiot van The Guardian (ik steun trouwens die krant financieel, wat nodig is omdat het een van de weinige kwaliteitskranten is die onafhankelijk en geheel in eigen beheer wordt uitgegeven).

George Monbiot

In de Guardian van 10 juni 2026 maakt Monbiot gehakt van de leugens van Reform UK-leider Nigel Farage ( reform-obsession-british-jobs-net-zero-oil-and-gas-fossil-fuel ). Na hier en daar wat gemutatis gemutandis ook voor Nederland relevant, want ook ‘wij’ boren gas in de Noordzee en ook aan deze kant van de Noordzee heeft Farage broeders in de leugen.

Monbiot citeert statistisch materiaal uit onverdachte hoek, namelijk de Confederation of British Industry (CBI) – niet de meest progressieve instantie in Groot-Brittanië. In genoemd Guardianartikel kun je naar al dat soort informatie toe linken, maar om het de lezer dezes wat makkelijker te maken schrijf ik hier enkele van die links uit. Bijvoorbeeld (via een doorgeschakeld eerder Guardianartikel uk-green-economy-worth-more-than-100bn-a-year-net-zero kan met het originele onderzoek downloaden, dat het onderzoeksinstituut ECIU voor de CBI uitgevoerd heeft (dd juni 2026), en wel op  https://eciu.net/analysis/reports/the-race-for-net-zero .

Monbiot vergelijkt de werkgelegenheidscijfers

  • De Net Zero – economie geeft dd 2026 werk aan 1,1 miljoen fte’s , waarvan ruim 0,3 miljoen direct en de rest indirect. De rest van de groene economie (die groter is dan alleen maar het Net Zero-deel) is goed voor 0,6 miljoen fte.
    Dat aantal zal stijgen met 0,4 miljoen, omdat de regering banen wil scheppen voor mensen die in de fossiele industrie overbodig worden, en voor sociale doelgroepen.
  • De olie- en gas industrie gaf in 2023 werk aan 0,2 miljoen fte, waarvan 0,028 miljoen direct. Dat aantal is al geruime tijd dalend

De Net zero-sector in het UK  is op dit moment al goed voor ruim £100 miljard, en dat getal zal verveelvoudigen

Lees deze afbeelding uit het CBI-onderzoek als volgt (voorbeeld Schotland):
de Net zero-economie is daar goed voor een Bruto Toegevoegde Waarde (GVA) van
£10,2 miljard en dat is 4,9% van de omvang van de Schotse GVA.
Het aantal FTE is 104.800 en dat is 3,9% van de omvang van de Schotse werkgelegenheid.
Het optellen van alle FTE’s leidt tot het totaal van 1,1 miljoen direct + indirect.
Het optellen van alle GVA leidt tot de genoemde ruim
£100 miljard.
De spreiding van de economische activiteit is decentraler dan de overige Britse economie, waarin de rijkdom vooral in het zuidoosten geconcentreerd is – een belangrijk politiek gegeven in het UK

Zelfs de eigen kiezers van Farage zijn voor groene energie en tegen fraccen ( /inews.co.uk_farage-backlash-younger-reform-voters-net-zero-policies ). Waarom Farage dan toch over olie en gas blijft doordrammen: simpel en platvloers, omdat hij daarvoor betaald wordt. Onderzoeksbureau Desmog heeft aangetoond dat £24 miljoen, tweederde van de inkomsten van Farage’s  Reform UK-partij, van olieboeren afkomstig is ( desmog.com/2026/04/30/reform-uk-nigel-farage-millions-donations-fossil-fuel-interests-climate-science-deniers/ ) .

Dus liegt vicevoorzitter en energiewoordvoerder Richard Tice van Reform UK erop los dat er nog voor vele decennia gas in de Britse Noordzee zit – wat feitelijk geologisch onjuist is. Feit is dat het Britse deel van de Noordzee al heel lang een aflopende zaak is. In 2050 zal de opbrengst nog maar 3% zijn van die in 2025, en dan maakt het niet eens veel uit of je extra gaat boren.
Je kunt al dan niet vinden, zoals de Nederlandse regering vindt, dat je het laatste restje in het Nederlandse deel van de Noordzee nog goed kunt  gebruiken – maar het heeft geen zin om er  met veel fantasie gas bij te verzinnen dat er nauwelijks is, maar politiek goed uitkomt.

( carbonbrief.org/factcheck-nine-false-or-misleading-myths-about-north-sea-oil-and-gas/ )

Ondertussen bedreigt Tice, ondanks onwil van de eigen kiezers en ondanks de krachtige argumenten van de CBI,  duurzame bedrijven met allerlei gruwelijks voor het geval Reform UK aan de macht zou komen.

En ondertussen overstroomt Tice’s eigen kiesdistrict makkelijk, maar hij heeft zich sinds de laatstee overstroming  daar al ruim een jaar nog niet laten zien ( theguardian.com/environment/2026/mar/25/boston-lincolnshire-flooding-reform-uk-richard-tice-climate )

Wat men in mijn studentenjaren in Nijmegen al zei: “Als een fascist ademt, dan liegt hij”.

Sociale houten woningbouw spaart 6 miljoen kg CO2 uit


Bouwschets vet sociale houten woningbouwproject van woningbouwcorporatie Trudo

Dag van de Houtbouw
Op zaterdag  20 juni 2026 vond in heel Nederland de Dag  van de Bouw plaats, op zich al een interessant gebeuren. Binnen dit geheel vond er nog interessanter fenomeen plaats, namelijk de Dag van de Houtbouw. In mijn woonplaats Eindhoven kon je gaan kijken bij een de bouw van 200 sociale huur-appartementen van de Eindhovense woningbouwcorporatie Trudo.
Eerst even een verhaal vooraf.

Infoborden

Houtbouw, klimaat en bosbouw
Houtbouw  heeft belangrijke voordelen.

Staal en beton en baksteen brengen bij hun fabricage heel veel koolstof in de atmosfeer.
Een boom haalt koolstof uit de atmosfeer. Droog hout bestaat voor ongeveer de helft uit koolstof en zolang het hout hout blijft, blijft die koolstof opgeslagen. In principe kan timmerhout  koolstof bevatten van bomen die zelf al lang weggerot zijn en dat kan heel lang duren; Er is een houten Chinese tempel van zowat 1000 jaar oud, en een Noorse  Stavkyrke van bijna 900 jaar oud ( bjmgerard.nl/houtbouw-voor-het-klimaat-terug-naar-de-toekomst/ ).
Een houten huis, mits goed gebouwd en bewoond, woont fijn (‘feel wood’)
Je kunt mooie en soms ook spectaculaire gebouwen maken van hout ( bjmgerard.nl/waugh-thistleton-architects-beroemd-om-houtbouw/ of bijvoorbeeld https://woodrandd.com/ ), ook hoge flats. (Marco Vermeulen, die van mij op de middelbare school natuurkunde heeft geleerd, is nu de architect van het voorgenomen project Dutch Mountains, grotendeels van hout, op het terrein van de Eindhovense TU/e ( https://www.thedutchmountains.nl/ ).
Houtbouw leent zich van nature voor elementbouw in een bouwfabriek. Men maakt vreselijk precieze prefabelementen die op de bouwplaats alleen nog maar in elkaar gezet hoeven te worden. Dat kan heel snel. Verdere standaardisatie zou helpen, zowel in productiegemak als in hergebruik als een gebouw ooit weer afgebroken moet worden.

De conservatieve bouwwereld ziet heel veel beren op de weg, bijvoorbeeld inzake de brandveiligheid. Bovenstaand ‘beren’filmpje is van de brancheorganisatie Building Balance, waarin vertegenwoordigd een groeiend aantal aannemers en projectontwikkelaars die het wel aandurven met biobased bouwen (waarvan houtbouw een voorbeeld is). Zie https://durftegroeien.buildingbalance.eu/ .

Maar je moet inderdaad wel wat met brandveiligheid (trouwens, ook staal en beton begeven het als het maar lang genoeg heet genoeg is). Men maakt de dragende wanden van heel dik Cross Laminated Timber (CLT) dat afgedekt wordt met vocht- en brandwerend materiaal, en dat ook zonder dat door zijn dikte heel lang aan de buitenkant verkoolt voordat het aan de binnenkant zijn draagkracht verliest)

CLT ca 12 cm dik                                                        CLT met buitenbekleding

En een houten huis vraagt om een doordachte omgang met vocht. Een houten flat heeft een doordachte luchtbehandeling nodig.
En je moet iets tegen de beestjes doen. Architecten zijn gek op CLT en boktorren ook. Het is misschien de goden verzoeken om een CLT-huis naast een termietenhoop te zetten, maar in normale omstandigheden valt er goed mee te leven (wijst ook de praktijk uit) als het hout in de fabriek goed voorbewerkt wordt, droog gehouden wordt en gecoat wordt. Houtconservering is zo oud als de moderne mens en een vak apart (zie bijvoorbeeld https://en.wikipedia.org/wiki/Wood_preservation ). Veel ondernemingen verkopen je graag hun geheime wapen.
Al met al zijn dit technisch oplosbare problemen.

Is er genoeg hout?
Je komt daar een heel eind mee en daar is goede, betrouwbare statistiek van Probos over ( Paper+Is+er+genoeg+hout ), met literatuurlijst En desgewenst het EU-programma HOME for the Future ( www.homeforthefuture.org ).  Het Europese bosareaal  is in 70 jaar met een derde toegenomen, en dat kan nog verder groeien.
Van het in Europa gebruikte hout komt 80 a 90% uit Europa, meest naaldhout. In een gemiddelde houten woning gaat 50 kuub hout en als het aantal houten woningen in Nederland bijvoorbeeld van 1500 in 2020 naar 10.000 in 2030 zou gaan, zou dat richting een half miljoen kuub vragen op een Europese naaldhoutproductie van ca 110 miljoen kuub (stijgend). Op zich kan er dus een heleboel, mits een lange termijn-duurzaamheidsbeleid, mits minder houtexport uit Europa, mits aandacht voor klimaatschade aan het bos, en mits een rationele toedeling van houtproducten aan de hoogst mogelijke kwaliteit.
De kwaliteitskeur FSC zegt op zijn website “Onze doelstelling is om eind 2026 een aandeel van 15% houtbouw te realiseren binnen de sociale woningbouw. Dat is haalbaar: er is in de Europese gecertificeerde bossen voldoende capaciteit om jaarlijks ongeveer 800.000 woningen in hout te bouwen.”

Zie op deze site o.a. bjmgerard.nl/boswetenschapper-bouwers-kunnen-het-bos-juist-redden/ , maar er staat veel meer op over hout en bosbeheer.

et oude hoofdkantoor van Philips Nederland met het infokraampje ervoor

Het project van Trudo

Woningbouwcorporatie Trudo bouwt 200 sociale huurappartementen op het terrein dat hoort bij het voormalige hoofdkantoor van Philips Nederland aan de Boschdijk. Het is het grootste sociale huur-project in hout in Nederland.
Dat gebouw zelf is rijksmonument. Er zijn voor een nog onbepaald aantal jaren momenteel studenten van de TU/e in gevestigd. Dit gebouw deed niet mee met de open dag.

De webpagina bij Trudo van het project is https://www.trudo.nl/vb-boschdijk . Partners zijn:

  • Ten Brinke Vastgoedontwikkeling en Bekke & Partners Real Estate (BPRE);
  • Stedenbouwkundig ontwerp: diederendirrix
  • Architect: Paul de Ruiter
  • Landschapsarchitect: Buro Lubbers

De openingsafbeelding van dit artikel geeft schetsmatige plattegrond van het nieuw te houden sociale complex. Het rechthoekige, middelste gebouw was opengesteld voor bezoekers, het rechthoekige gebouw er rechts van nadert zijn hoogste punt en de rest is in het stadium van de fundering.
Genoemde twee rechthoekige gebouwen worden vijf woonlagen hoog, en de rest vier woonlagen.

Ik heb niet kunnen achterhalen hoeveel de appartementen moesten gaan kosten, behalve ‘sociaal’.  Vraag is of Trudo dat zelf al weet. Behalve het technische model lijkt ook het financiële model experimentele kantjes te hebben. Jolanda van der Zanden van Trudo Vastgoed op de website “Trudo heeft met de betrokken partijen naar meer dan alleen de investeringskosten gekeken. Vooral de totale waarde van houtbouw over de gehele levensduur maakt het verschil. Factoren zoals CO2-opslag, bouwsnelheid, duurzame kwaliteit, toekomstige wet- en regelgeving en beschikbaarheid van materialen en grondstoffen spelen ook mee. Bovendien leveren de eerste projecten veel kennis en ervaring op waardoor volgende projecten nog efficiënter kunnen worden uitgevoerd.”

Het project bespaart 6 miljoen kg CO2 .

Ik ben zelf bepaald geen bouwkundige – verwacht van mij geen deskundigheid.

Ik laat het zelf verder bij wat tekst en wat foto’s. Wie er technisch meer van wil weten, zie https://dagvandehoutbouw.nl/200-sociale-houten-huurappartementen-trudo-bewijst-dat-het-kan/ waaruit ik al eerder geciteerd heb

 Opengestelde pand                                                Liftschacht, omhoog kijkend

Alles is van hout op een paar dingen na: de fundering, de trappen (vanwege de herrie die anders optreedt) en de balkons op de verdiepingen. Verder uiteraard de nodige plastic pijpen, metalen schroeven en haken. Opvallend is dat ook de liftschacht in hout is uitgevoerd – meestal voert men dat als een soort stabiele kern in beton uit.

Bouwtekening met plattegrond van een appartement op de eerste verdieping van 75m2.

Appartement begane grond

Lezenswaardig Witboek Batterijtrends

De digitale Nieuwsbrief  CHANGE INC schrijft over wetenschappelijke en technische zaken in de context van toepassingen. CHANGE INC heeft een (gratis) whitepaper geschreven over enkele moderne trends in batterijen.  Het is toegankelijk via WHITEPAPER BATTERIJTRENDS .
Accu’s zijn er in allerlei soorten en maten, maar als je er een beetje gevoel bij wilt krijgen zonder specialist te moeten zijn, is het Witboek een lezenswaardige eerste stap.

Ik vind de opzet van het Witboek een beetje rommelig, maar de afzonderlijke verhalen zijn het lezen waard. Ik pik er twee hoofdstukken uit (met wat eigen uitzoekwerk erbij) om hier wat over te vertellen, namelijk het verhaal van de Natrium-ion accu en een verhaal over Nederlandse start-ups op accu-gebied.

De Natrium-ion accu
Je kunt de Natrium-ion accu zien als de kleine broer van de Lithium-ion accu. Hi werkt vergelijkbaar en heeft vier belangrijke voordelen en één belangrijk nadeel.
Het eerste voordeel is dat natrium een paar honderd keer zo goedkoop is als lithium. Dat komt mede omdat het (tweede voordeel) omdat het een bestanddeel van gewoon keukenzout is, dat je uit zoutlagen of eventueel uit zee kunt halen.  Ten derde is een natrium-ion accu veiliger en tenslotte werkt de batterij tot een fors eind onder het vriespunt. Nadeel  is dat de energiedichteid lager is. Een natrium-ion accu haalt (volgens het Witboek) 0,12 tot 0,16 kWh/kg , een Lithium-ion accu  0,14 tot 0,28kWh/kg .

(beeld is van CATL)

Voor statische toepassingen is die lagere energiedichtheid niet dramatisch belangrijk, voor rijdende toepassingen is het belangrijker.
Desalniettemin maakte de Chinese batterijreus CATL begin 2026 bekend ( catl.com/en/news/6720.html en ess-news_20april2026_a-closer-look-at-catls-new-sodium-ion-battery , sodium is natrium in het Engels ) dat het, samen met een Chinese autofabrikant, een elektrische auto met een natrium-ion accu in massaproductie gaat brengen met een energiedichtheid van 175kWh/kg. De accu zou bij -40˚°C nog 90% van zijn activiteit hebben.
CATL maakt zijn natriu,- en lithiummodellen mechanisch en qua vorm identiek, zodat ze op hetzelfde rijdende platform gemonteerd kunnen worden.  Men kan dan kiezen: natrium is goedkoper en kan beter tegen koud weer, lithium geeft betere prestaties.
Zie eventueel ook https://sodiumbatteryhub.com/ .

Elders in de wereld gebeurt ook van alles ( wikipedia_Sodium-ion_battery ), maar men is nog lang niet aan massaproductie toe.
Voor een eerder artikel op deze site zie nederlands-plan-voor-accus-met-alleen-veel-voorkomende-materialen/ , in welk project de Nederlandse zoutproducent Nobian een rol speelt.

Innovatieve Nederlandse accu-startups
Naast de in Arnhem gevestigde groep waaraan Nobian meewerkt, noemt Change drie Nederlandse startups: LeydenJar en LionVolt uit de Brainport regio, en ORE Energy uit Amsterdam.

In zijn algemeenheid valt er op dit moment tegen China niet op te concurreren. Er is best wel veel know how en er zijn best wel ideeën en pilots, maar als het massaal en goedkoop moet (en ook best wel goed), dan winnen op dit moment de grote Aziatische firma’s, waaronder die uit China. Bij NorthVolt probeerde Europa de achterstand te veel te snel en te moeilijk in te halen, en dat werd helaas een spectaculair fiasco. Helaas, want ik ben zelf sterk voor een krachtige en demokratische aansturing van economische bedrijvigheid. De onderliggende politieke en economische factoren in Europa zijn niet goed genoeg, maar ik mis de kennis om daarover met enig gezag te kunnen praten.
Ik  volg het wel zo goed mogelijk en heb bijvoorbeeld een artikel gewijd aan het ‘Nationaal Smart Storage Trendrapport’ dd 2024 (dan doen andere mensen het belangrijkste denkwerk en ik neem daar in dankbaarheid kennis van), zie op mijn site bjmgerard.nl/batterijen-in-nederland .

Men moet dus analyseren wat er in de huidige omstandigheden wel mogelijk is – met andere woorden, de juiste niche kiezen. In ‘mijn’ Brainportregio is daartoe bijvoorbeeld het Battery Competence Center opgericht (BCC, batterycompetencecluster ). Dat legt zich toe op hergebruik en recycling;  R&D  op het gebied van nieuwe generatie batterijmaterialen en –cellen en bijbehorende productieprocessen; batterijsystemen voor heavy-duty mobiliteit (oa voor DAF Trucks en VDL); en hergebruik en recyclling van batterijen.

Passend bij deze achtergrond hebben LeydenJar ( leyden-jar.com , een spin-off van TNO) en LionVolt ( lionvolt.com ) zich langs verschillende routes toegelegd op betere anodes (de anode is de -pool als de accu zich ontlaadt). Dat kan tot fors meer energieopslag leiden.
De anode is bedoeld om ingebouwd te worden in Lithium-ion accu’s.
LeydenJar kiest vooralsnog voor de niche van toeleverancier.
LionVolt wil zijn eigen batterijcellen gaan bouwen in Schotland.
Vooralsnog combineert men een beginnende productie, voor lichte objecten, nog met verdere research.
Het moet blijken wat er van de opschaling, als alles goed gaat, in Nederland terecht komt.
Onderstaand plaatje uit de brochure die men bij LeydenJar gratis kan opvragen.

ORE Energy ( oreenergy.com ) maakt ijzer-luchtaccu’s voor statische toepassingen, bijvoorbeeld opslag van zonne- en wind stroom, maar dat dan niet voor uren, maar voor dagen. Bij weinig wind en zon hoeven dan de gascentrales niet zo snel aan te slaan.
Het apparaat heeft de niet-zeldzame grondstoffen lucht, ijzer en water nodig. In essentie roest het ijzer (bij ontladen) en ontroest het (bij het opladen).

 Interessante materie!

Thorizon wil met overheidssteun Thorium-MSR bouwen

Inleiding en de betrokkenheid van Brabant
In Noord-Brabant (waarover ik bij voorkeur schrijf) is beleid in procedure voor de energiehuishouding na 2030 (in welk jaar op dit moment veel beleid stopt). In dat beleid krijgt kernenergie, naast andere CO2 – arme bronnen,  mogelijk een rol toebedeeld in de vorm van Small Modular Reactors Ik heb daar op deze site over geschreven op brabant-komt-met-energieperspectief-2050-inclusief-small-modular-reactors-en-wat-ik-daarvan-vind/ . Mijn stelling was daarin dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Er is een klein probleem: die dingen bestaan nog niet.

Kort na dit artikel verscheen er een persbericht van de Nederlands-Franse private scale up-onderneming Thorizon (niet beursgenoteerd), waarin een Memorandum of Understanding (MoU) bekend gemaakt werd tussen Thorizon enerzijds en

  • de provincies Zeeland en Noord-Holland en hun regionale ontwikkelingsbedrijven,
  • Invest-NL (een verzelfstandigd bestuursorgaan waarvan de aandelen bij het ministerie van Financiën liggen)
  • EPZ, de exploitant van de kerncentrale in Borssele
  • NRG PALLAS, de exploitant van de kerncentrale in Petten

De provincie NBrabant is geen partij in het MoU, maar heeft wel al eerder subsidie toegekend aan Thorizon.

Rond dit raamwerk hangen onderwijsinstellingen als de TU Delft, de TU Eindhoven (het programma Differ), De Zeeuwse HBO- en MBO-opleidingen, en ook onderzoeksinrichtingen als TNO en een ingenieuersbureau als Demeco (Zeeuws), en maakbedrijven als het Zeeuwse Schelde Exotech en de vanoorsprong Brabantse VDL-groep.

Het persbericht is te vinden op thorizon-epz-nrg-pallas-provinces-and-investors-sign-mou-to-build-europes-first-commercial-molten-salt-reactor-in-the-netherlands .
Voor een wat leesbaarder artikel in Change, in het Nederlands zie dit-zijn-3-troeven-waarmee-de-gesmoltenzoutreactor-van-thorizon-zich-gaat-onderscheiden .

 In het Memorandum wordt de intentie uitgesproken dat er in 2027 een, nog niet nucleaire, testfaciliteit gebouwd wordt op het terrein van Borssele; dat er in 2028 een wel-nucleaire demonstratieopstelling komt op het terrein van Petten; en dat er in 2034 een werkende thoriumcentrale opgeleverd wordt op het terrein van Borssele.
Die centrale moet 250MW warmte gaan leveren, die omgezet gaat worden in 100MW stroom (en 150MWrestwarmte, waarover niets gemeld wordt).

De reactorkern en een afzonderlijke cartridge, zoals Thorizon zich dat voorstelt

Van atoomonderzeeër tot LFTR
Vooraf  enkele mogelijke misverstanden wegwerken.
Er lopen vaak drie begrippen door elkaar.

  •  Een SMR is een Small Modular Reactor. Dat betekent niet meer dan dat de term letterlijk zegt: ‘Small’ betekent <300MW stroom (dat is overigens niet zo klein) en ‘Modular’ betekent dat er een bouwstroom is die in meerdere identieke inrichtingen voorziet die je kunt combineren. Verder betekent het niets. Een SMR kan op allerlei ’brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een Molten Salt Reactor (MSR)  zegt ook niet meer dan de term aanduidt: het koelmiddel is gesmolten zout. Ook een MSR kan op allerlei ‘brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een ‘Thoriumreactor’ betekent niet meer dan dat er (in hoofdzaak) thorium ingaat. Ook dat kan op allerlei technieken gebaseerd zijn. De ‘brandstof’ kan bijvoorbeeld in vaste of in vloeibare vorm aanwezig zijn.

Deze concepten komen in allerlei combinaties en in meerdere fabricagelanden voor, waardoor een wirwar aan reactortypes ontstaan is. Alleen daarom al is het lastig om tot een gestandaardiseerde bouwstroom te komen die mogelijk tot goedkopere reactoren zou kunnen leiden.

Het gros van de heden ten dage werkende reactoren is niet ‘small’, werkt met gewoon water onder hoge druk als koelmiddel (Pressured Water Reactor, PWR), en werkt op uranium in vaste vorm. Deze generatie-2 sector is de gevestigde macht met grote financiële belangen.
Het is een systeem met belangrijke nadelen. Desondanks is er,  rond 1970,  definitief voor gekozen. Wat een rol speelde was opgedane ervaring bij de eerste VS-kernonderzeeërs (zie wikipedia.org/wiki/Hyman_G._Rickover ), waar het type goed tot zijn recht kwam, en dat het relatief eenvoudig was om er bommen mee te maken.
Nadelen zijn (naast de bommen) bijvoorbeeld dat een PWR niet inherent veilig is. Mede daardoor zijn er enkele grote, bekende ongelukken gebeurd die de aanvaardbaarheid van kernenergie bij het publiek drastisch aangetast hebben. Andere nadelen zijn dat het radioactief afval honderdduizenden jaren weggestopt moet blijven en dat maar een klein deel van de energie in het uranium gebruikt wordt.

MSR-testopstelling Oak Ridge 1965-1969, waarvoor uiteindelijk niet gekozen is

De categorie waar rond 1970 niet voor gekozen is (ondanks positieve testresultaten) is die welke wij nu noemen Molten Salt Reactor. Daardoor is het concept een kleine 50 jaar op de plank blijven liggen.
Een aantal ontwikkelingen heeft eraan bijgedragen het concept weer van de plank af te krijgen.. De noodzaak van broeikasgasloze energie werd nijpend, er is discussie over of men met zon en wind kan leveren wat nodig is en vervolgens of men dat ook wil, er is een heftige strijd om de ruimte in Nederland, bij bepaalde toepassingen in de zware industrie ligt het moeilijk, er is geopolitiek rond olie en gas, en mogelijk kon seriebouw van reactoren goedkoper zijn?
Er is hier geen plek om deze discussie nog eens dunnetjes over te doen. Ik beschouw de toegenomen belangstelling voor relatief kleine en (verondersteld) goedkope kerncentrales in dit artikel als een gegeven feit, en redeneer in dit kader. Ik ben principieel niet bij voorbaat tegen welke energievorm dan ook.

De teksten van Thorizon zijn meer wervend dan informatief ( https://www.thorizon.com/ , de website van b ijvoorbeeld een Europese concurrent als copenhagenatomics vind ik beter), maar wat er wel gezegd wordt past bij een categorie die het MSR- en het thoriumconcept combineert. In het jargon heet dat een Liquid Fluoride Thorium Reactor (LFTR, in de volksmond ‘lifter’). Thorizon zegt van zichzelf niet dat het een ‘lifter’ is, maar ik doe hier alsof Thorizon in die categorie valt..
Over LFTR-en bestaat heel veel literatuur, veel meer dan een niet-vakman als ik  kan lezen. Ik hen een goed lemma van Wikipedia gevonden dat ik als onderlegger gebruik, namelijk Liquid_fluoride_thorium_reactor .

Kenmerken, plussen en minnen  van een LFTR
Thorium (de T in LFTR) komt in de natuur alleen voor als de zwak radioactieve  isotoop Th-232 (90 protonen, 142 neutronen). De stof is een stuk minder zeldzaam dan uranium en makkelijker winbaar. Soms zie je, na heftige storm, thoriumhoudend zwart zand ten noorden van Ameland. En bij de winning van zeldzame aarde-metalen komt vaak thoriumerts vrij als, tot nu toe, ongewenste bijmenging.

Thorium is zelf niet splijtbaar, maar kan een neutron invangen, waarna twee vervolgstappen komen, waarvan enkele varianten bestaan, die meestal leiden tot U-233 (92 protonen, 141 neutronen) en af en toe tot U-232.
Bij een splijting komen ook weer enkele neutronen vrij, waarvan een deel erin slaagt opnieuw een Th-232 kern om te zetten. Als dat per splijting er één is, houdt de reactor zichzelf op gang. Dat is niet vanzelfsprekend, want neutronen kunnen ook te hard gaan of in het verkeerde atoom terecht komen. Een ontwerp moet dus zuinig omgaan met neutronen. Dat stelt eisen aan de samenstelling van het koelmiddel en de vormgeving van het reactorvat.
Bij elke splijting komt, zoals bedoeld, warmte vrij. Die moet afgevoerd worden met het koelmiddel. De mogelijkheden om dat met water te doen zijn begrensd omdat steeds hogere drukken nodig zijn om steeds hogere temperaturen te bereiken. Dat kan tot stoomexplosies leiden. (Kerncentrales werken vaak met stoom van rond de 80 atmosfeer en 300oC.)
Hogere temperaturen echter bevorderen het rendement. Vandaar dat men er bij LFTR-en voor gekozen heeft voor een koelvloeistof die meestal bestaat uit een mengsel van gesmolten lithium- en berylliumfluoride (afgekort FLiBe, wikipedia.org/wiki/FLiBe ) dat, bij een druk die niet ver boven de atmosferische ligt en bij een optimale mengverhouding, een smeltpunt heeft van  459˚ C. Een reactor moet daar een eind boven zitten (bij Thorizon 550˚.C).

Gezuiverd FLiBe (ten tijde van Oak Ridge). 

By Bckelleher – Own work, CC BY-SA 3.0,

Het mengsel  is corrosief, Het stelt eisen aan de samenstelling van de leidingen. Thorizon wil dit eenvoudiger maken door hun cartridges  om de 5 a 10l jaar te verwisselen.
 De L van het Liquid in LFTR staat voor het gesmolten zout en de F voor Fluoride.

In een gangbare reactor, met een vaste kern, werken de splijtingsproducten gaandeweg hun oorzaak tegen. Daarom wordt in deze centrales slechts een klein deel (paar procent) van de aanwezige energie nuttig gebruikt. Daarna moet de door eigen toedoen vergiftigde splijtstofstaaf, met de meeste energie er nog in, uit de reactor, en staat hij jaren voor nop te koelen in een soort zwembad.
In een LFTR is ervoor gekozen om ook de ingaande Thorium en de gevormde uranium in de gesmolten fluoridevorm aanwezig te laten zijn. Hoe dat gerealiseerd wordt, kan van machine tot machine verschillen (voor zover dat nu al beoordeelbaar is).  Ook dan vergiftigt de reactie zichzelf, maar omdat de vloeistof kan stromen, kan het vergif er buiten het reactorvat worden uitgehaald – zoiets als  nierdialyse, maar dan een beetje ingewikkelder. Er is dus een chemische installatie aan de LFTR gekoppeld.
Op deze manier wordt een zeer hoog splijtingsrendement bereikt (bijvoorbeeld 98% van het inkomende thorium wordt nuttig verwerkt).
Het is denkbaar dat sommige van de verwijderde splijtingsproducten nut kunnen hebben (bijvoorbeeld als medische isotoop), maar dat is nog erg speculatief.

Een gebruiksklare LFTR heeft wel een starter nodig die de eerste neutronen levert. Dat moet iets zijn wat van zichzelf splijt, want dan neutronen. Bijvoorbeeld opgespaard U-233 of uranium of plutonium  uit afgedankte atoombommen.
Als er veel LTFR-en zijn, kan dat mogelijk een probleem worden, maar zover is het nu nog niet.

Een LFTR produceert zelf nauwelijks of geen langlevend afval omdat het proces niet of nauwelijks boven de U-233 uitkomt (dat splijt bijna volledig).  83% van het radioactieve afval moet dan 10 jaar opgeslagen worden, en de rest 300 jaar. Dan is alles terug, of onder, het oorspronkelijke radioactieve niveau. Het is een politiek standpunt wat men van die resterende opslagtermijn vindt. Ik vind het persoonlijk te overzien.
Lange halfwaardetijden ontstaan in een gangbare reactor die op U-235 werkt en een energetische ballast heeft van heel veel U-238. De 238-isotoop kan neutronen invangen waardoor zwaardere elementen ontstaan (de transuranen), waarvan plutonium (bommateriaal) de bekendste is. Die U-238 en de transuranen kunnen hele lange halfwaardeijden hebben die tot de beruchte opslagtermijnen leiden van honderdduizenden jaren.  
In principe kan er aan de gesmolten zoutmassa van een draaiende LFTR langlevend kernafval van elders worden toegevoegd, als dat kan splijten en zodoende neutronen levert. De reactor vernietigt dan dat reeds bestaande afval (waar, zoals gezegd, nog heel veel energie in zit). Dus als de LFTR naast de kerncentrale n Borssele komt te staan, zou het afval van de een de brandstof van de ander kunnen worden. Er is dan weinig gesjouw met radioactief materiaal nodig.
Dit alles idealiter. Men komt hierover optimistische bespiegelingen tegen, maar ik heb nog geen cijfers kunnen vinden.

De omvangrijke nijverheid die kernwapens produceert doet dat op basis van sterk verrijkt U-235 of op basis van Plutonium-239. Dat werkt ‘goed’.
Het is mogelijk kernwapens te maken op basis van het U-233 dat in thoriumcentrales ontstaat (het is gebeurd), maar het is niet praktisch vanwege de bijmenging van U-232. Beide zijn splijtbaar, maar U-232 gammastraalt als een gek en is dus impopulair in de omgang. Bijvoorbeeld omdat de elektronica van de bom er niet tegen kan. Landen die bereid en in staat zijn om atoombommen te maken hebben aan de gevestigde procedé’s rond U-235 en plutonium genoeg.

Een goed ontworpen LFTR stabiliseert zichzelf. Als er energie aan onttrokken wordt, koelt het systeem af en gaat het vanzelf harder werken (de vloeistof krimpt, de deeltjes komen dichter op elkaar en de reacties gaan sneller). Idem omgekeerd als het systeem warmer wordt.
Het systeem kan dus, tot op zekere hoogte, bijvoorbeeld de  wisselende opbrengst van zonnepanelen compenseren.
Onduidelijk is, tot nu toe, tot op welke hoogte. Dit soort beweringen zijn nog niet praktijkgetest.

LFTR-en zijn inherent (zonder continu menselijk toezicht) veilig. In het laagste punt van de inrichting zit een prop die kan smelten. Als de zelfregulerende mechanismes falen en de temperatuur te hoog oploopt, of als de stroom uitvalt die de prop koelt, loopt het mengsel weg in een afvalbak en stopt de reactie. Voor de restwarmte is natuurlijke circulatie genoeg.

Er zijn nog een heleboel technische kwesties (plus en min), en er is   nog heel wat R&D nodig, maar dat is te specialistisch voor deze kolommen.
Blijkbaar vertrouwt Thorizon voldoende op de eigen R&D tot nu toe, en daarmee op het eigen product. De praktijk van de komende jaren zal leren hoe gerechtvaardigd dit is.

RWE-centrale in het Duitse Hamm-üntrup. In de jaren ’80 heeft men hier geëxperimenteerd met een bepaald type thoriumreactor. Dat was geen succes. Foto zelf gemaakt in 2019. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Kernkraftwerk_THTR-300

Een politieke afsluiting
Deze weblog gaat mede over politiek. Wat vind ik hiervan?

Ik ben dit artikel begonnen met een verwijzing naar het Noord-Brabantse Energieperspectief 2050, waarin het denken over Small Modular Reactors een p[laats heeft.  Ongetwijfeld lopen in andere provincies vergelijkbare gesprekken. Gegeven de omvang van de SMR-en is het logisch dat provincies ernaar kijken.  Dat vraagt om een serieus politiek antwoord.

Over het Energieperspectief 2050 van de provincie N Brabant vond ik dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Toen was Thorizon nog niet in beeld. Ik heb dit artikel met deze stelling geopend.
Nu Thorizon sindsdien wel in beeld is gekomen, heb ik uiteindelijk nog steeds dezelfde mening. Ik twijfel er alleen heel sterk aan of het verhaal goed is.

Een eerste overweging, en niet eens de belangrijkste, is het geld. Thorizon noemt geen bedrag, maar n Change wordt ‘ruim € 1 miljard’ genoemd, waarvan ruim 40 miljoen binnen is. Dat valt nog niet eens tegen, als het dat inderdaad zou worden.

Een tweede, zwaardere, overweging is dat ik geen fluit van het tijdschema geloof, en dat op basis van een analyse van prof. Wim Turkenburg  ( https://midossier-hoe-snel-dragen-nieuwe-kleine-kerncentrales-smrs-commercieel-bij-aan-de-energievoorziening/ ).
Turkenburg werkt  met het puntensysteem van het NEA SMR Dashboard (NEA = Nuclear Energy Agency). Een ontwerp kan voor een aantal tussenstappen punten krijgen en bij 30 punten is er sprake van een opgeleverde, commercieel werkende centrale. Bij Turkenburg staat een groot aantal SMR-ontwerpen in een diagram (jaar sinds de start versus het aantal punten)
Thorizon (startjaar 2018) zit na zes jaar op 3 punten. Een oplevering in 2034, zoals beloofd, zou betekenen dat na 16 jaar (sinds 2018) de Thorizon ONE op 30 punten zou moeten zitten. Dat lijkt er niet op.

Waarna als derde vraag rijst hoe Thorizon ONE zich tot het grotere geheel van de broeikasgasloze nieuwe energie verhoudt. Als het een op zichzelf staand project wordt dat blijkt uit te lopen en meer kost dan begroot, is er geen man overboord want dat is men bij de overheid wel gewend. En op zich mag research en industriepolitiek geld kosten.
Maar als een rechtse meerderheid Thorizon ONE zou gebruiken als kapstok om met alle wind- en zonneparken te stoppen, hebben we een groot probleem. Dan hebben we vele jaren noch het een noch het ander. Met andere woorden: een Thorizon ONE die aanvullend op zon en wind enzovoort is, kan (het ontwerp leent zich er tot op zekere hoogte voor). Een Thorizon ONE die in plaats komt van wind en zon enzovoort zou een ramp zijn.
Het N Brabantse Energieperspectief 2050 definieert naast SMR-en goed pakket aan zon en wind en warmte (enzovoort), en vertrouwt kwantitatief nog niet op die SMR-en. Dat is verstandig.

Er moet (ten vierde) naar keteneffecten gekeken gaan worden (hoe kom je aan de thorium en wat doe je met het afval, ook al is dat veel minder en leeft het veel korter dan bij uraniumafval). Het is begrijpelijk dat dat niet nu al gebeurt, maar vroeg of laat zal het moeten.

Uiteraard (5) zullen er uitvoeringsvraagstukken komen, zoals wat waar onder welke voorwaarden mag komen te staan. Het is echter te vroeg om daar nu zinvol op in te kunnen gaan.

Tenslotte: ik vind dat de energieproductie in overheidshanden moet zijn, zeker als het om kernenergie gaat. Wat niet failliet mag, hoort niet op de markt thuis. De zeggenschapsverhoudingen bij de deelnemende partijen zijn niet altijd duidelijk.

Klimaat bedreigt verzekerbaarheid en hypotheken

Vooraf
Het SEO is een onafhankelijk economisch onderzoeksinstituut dat gelieerd is aan de Universiteit van Amsterdam ( wikipedia_SEO_Economisch_Onderzoek ).
In oktober 2025 heeft het SEO een rapport uitgebracht “The insurance costs of climate change’, te vinden op seo_de-verzekeringskosten-van-klimaatverandering . Het is geschreven door Pedro Romao, Emma Martinez en Nienke Oomes.
Dezelfde auteurs hebben een artikel geschreven voor de Economisch-Statistische Berichten (ESB) , te vinden op esb_klimaatverandering-drijft-verzekeringsclaims-op . En het Assurantie Magazine heeft er ook over geschreven, maar dat zit achter de betaalmuur.

Het rapport gaat over de stijgende kosten van verzekeringen door extreem weer, met als perspectief dat bepaalde zaken niet meer verzekerbaar zijn. En omdat die verzekerbaarheid de basis is voor bijvoorbeeld hypotheken, kan dat gevolgen hebben voor de woningmarkt.

Het SEO-rapport gaat over iets essentieels van groot politiek belang en is geloofwaardig in zijn stellingen. Helaas is het, naar mijn smaak, nogal rommelig geschreven. Mogelijk ligt dat aan mij als economische leek en zijn beroepseconomen aan elkaars rommeligheid gewend. Hoe dan ook, leken kunnen het beste het ESB-artikel lezen om een goede indruk te krijgen.
Als service aan de lezer heb ik een schematische samenvatting bijgevoegd, zie

De methode
Het werk bouwt voort op een eerder werk van Newman en Noy uit 2023, het is alleen niet altijd duidelijk waar Newman en Noy ophouden en SEO begint (het staat allemaal een beetje door elkaar). Newman en Noy hebben 185 gebeurtenissen meegenomen, verdeeld over de jaren 2000 t/m 2019, en hebben dat geëxtrapoleerd naar alle gebeurtenissen. Zodoende komen ze erop uit dat in die 20 jaar extreem weer mondiaal voor ca $5400 miljard aan verzekerde schade heeft doen ontstaan, waarvan 53% (zijnde ca $2860 miljard) voor rekening van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering was. Met andere woorden: als het klimaat gelijk gebleven was, hadden de maatschappijen $2860 miljard minder hoeven uit te keren.
Die schade is, zeggen Newman en Noy,, voor 60% in te boeken als veroorzaakt door loss of life en voor 40% door economisch verlies. Het SEO neemt deze verdeling zonder nadere toelichting over.

Het SEO heeft grofweg hetzelfde gedaan als Newman en Noy, maar dan met 617 gebeurtenissen over de periode en twee jaar opgeschoven (waarbij SEO de irritante gewoonte heeft om niet te zeggen of het 2002 tot of tot en met 2022 is – uit de context blijkt dat 20 jaar bedoeld wordt).

Beide werkstukken kijken vanuit het perspectief van de verzekeringsmaatschappijen: wat hebben we uitbetaald? Het SEO haalt zijn gegevens bij een bekende rampendatabank (de EM-DAT) en bij de vijf toonaangevende  herverzekeringsmaatschappijen (een herverzekeringsmaatschappij is  als het ware de verzekeraar van de verzekeraars. Alle bronnen hebben zo’n beetje hun eigenaardigheden en dat vraagt enig gepuzzel. Daarom staat er rondom groeicurves een behoorlijk wijde onzekerheidsband.

In de bovenste figuur hierboven geeft SEO de jaarlijkse mondiale uitbetalingen aan directe schade door extreem weer. Dat komt, opgeteld over 20 jaar, op grofweg ruim $1700 miljard uit.
In de onderste figuur hierboven geeft SEO zowel de jaarlijkse uitbetalingen aan directe schade, voor zover die door de klimaatopwarming veroorzaakt worden – schaalverdeling links -, alsmede de cumulatieve versie daarvan (een bedrag in een bepaald jaar wordt opgeteld bij de som van de voorgaande jaren – schaalverdeling rechts -). Die cumulatieve uitgaven eindigen op $614 miljard. Dat impliceert dat bij SEO het klimaat goed is voor ca 37% van de totale uitbetaalde, door extreem weer veroorzaakte schade.

De piek in 2005 is van de orkaan Katrina, die van 2017 van orkaan Harvey, en die van 2022 van orkaan Ian.

SEO legt niet goed uit hoe het kan dat hun voorgangers op zoveel hogere bedragen uitkwamen. Er wordt iets gemompeld over andere wijzen van omgang met data, bijvoorbeeld dat SEO vooral directe effecten meetelt en Newman en Noy daarnaast ook indirecte (secundaire) effecten meenemen. Echt duidelijk wordt het niet.

Dat maakt in zoverre niet veel uit, dat de relatieve cijfers voor de trends feitelijk informatiever zijn dan de absolute.  In de absolute cijfers (zie hieronder) speelt immers ook mee voor welk bedrag er verzekerd is. De schade in Noord-Amerika is groot omdat er veel cyclonen en tornado’s voorkomen, maar ook omdat er simpelweg veel verzekerd is. De schade wordt immers uitgedrukt in geld. Om diezelfde reden is de schade in Africa niet klein omdat daar geen klimaatgerelateerde weer-rampen voorkomen, maar omdat er in verhouding erg weinig verzekerd is. Maar die onderliggende werkelijkheid zit niet in het onderzoek. Daarom is de conclusie dat in de 20 jaar van 2002 – 2022 het klimaat meestal goed was voor ca 35 a 40% van de schade meer universeel bruikbaar.
Zo ook dat dat klimaatpercentage relatief stijgt. Van 2012 tot 2022 steeg alle extreem weer-schade met 4,9% per jaar, terwijl in die periode de klimaatgerelateerde extreem weer-schade met 6,5% per jaar steeg.

Bovenstaande figuur specificeert de klimaatgerelateerde extreem weer-schade per regio en per oorzaak. Dit mondiaal.

Als men dergelijke overzichten opsplitst in de eerste en de tweede 10 jaar, zie je (in dit geval uitgerekend voor alle extreem weer-schade) een toename in schade door bosbranden door droogte, en een lichte afname van schade door overstromingen.

Onverzekerbaarheid en hypotheken
SEO noemt, zij het in kort bestek, het toekomstbeeld dat huizen op gevaarlijke plaatsen straks niet meer, of slechts tegen veel hogere kosten,  verzekerbaar zijn. Een voetnoot verwijst naar een artikel uit de San Fransisco Chronicle van 25 sept 2024 ( sfchronicle_state-farm-insurance ) dat State Farm, de grootste opstalverzekeraar van Californië, bezig was te bezwijken – en toen moesten de verwoestende branden van januari 2025 nog komen ( https://www.bjmgerard.nl/los-angeles-brandt-maar-de-discussie-gaat-niet-over-klimaat/ ). Door premies fors omhoog te gooien, bestaat State Farm dd dit artikel nog steeds.
Ik heb het SF Chronicle-artikel als bijlage toegevoegd –>

De papieren NRC kopte op 10 jan 2025 over de situatie in de VS “Verzekeren tegen klimaatschade is privilege rijken’ ( nrc_verzekeraars-in-de-vs-zijn-steeds-huiveriger-om-alle-branden-en-stormen-nog-te-dekken )

Zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Branden_in_Zuid-Californi%C3%AB_in_januari_2025 .

Europa
Het ESB-artikelgaat iets dieper in op Europa, waar de klimaatopwarming harder gaar dan mondiaal gemiddeld. Hieronder de niet- en wel-klimaatgerelateerde extreem weer-schade, uitgesplitst naar oorzaak.

Je moet dat dus lezen als: overstromingen in Europa zijn voor 40% klimaatgerelateerd en veroorzaakten van 2002 – 2022 75miljard aan schade, van welk schadebedrag 30 miljard er zonder klimaatopwarming niet geweest zou zijn.

Uiteraard wordt er ook in de EU over schade en verzekeren gesproken. Daarover de koepel EIOPA, die over verzekeringen en bedrijfspensioenen gaat. Recentelijk is een discussiestuk uitgebracht over het afdekken met zoiets als een Europese pool van uitzonderlijke natuurrampen ( zie eiopa-and-esm-staff-propose-mechanism-better-manage-fallout-outsized-natural-catastrophes-2026-04-09 ). Indien gewenst, is het discussiestuk op deze pagina binnen te halen.

De EIOPA stelde eerder’, dat de klimaatschade in de EU in 2021, 2022 en 2023 ongeveer 50 miljard per jaar bedroeg. Daarvan is (zie ook bovenstaande webpagina) driekwart onverzekerd.

Zwentendorf aan de Donau bij de grote overstroming in  2024, zie https://www.bjmgerard.nl/aan-de-schone-maar-niet-zo-blaue-donau/. Foto MarktGemeinde Zwentendorf
Deze overstroming is van na de onderzoeksperiode en dus niet meegenomen.
De drie overstromingen in 2024 (Zuid-Duitsland, Midden-Europa en regio Valencia)  hebben de verzekeraars samen ruim 7 miljard gekost ( https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/ruim-7-miljard-schade-door-overstroming-in-europa ). Waarvan dus, volgens het SEO, ca 40% voor rekening van het  klimaat komt.

Nederland
Nederland heeft zijn eigen verhaal, maar dat is voor een ander artikel.