Handreiking RES 2.0

Nu alle Regionale Energie Strategie – regio’s (RES-regio’s) hun eerste opzet RES1.0 af hebben, en de lagere overheden deze goedgekeurd hebben, en alle gemeenten hun Transitie Visie Warmte ingeleverd hebben, gaat het vervolg vorm krijgen. Dat gaat uitlopen in de RES2.0 die op 1 juli 2023 afgerond moet zijn.
De Handreiking RES 2.0 (uitgebracht oktober 2021) is een beleidsdocument dat gidsend wil optreden in de periode van 01 januari 2022 tot 01 juli 2023. Beleidsdocument betekent dat het niet zelf juridische kracht heeft. Wel hebben de in de handreiking beschreven bestaande en toekomstige wetten juridische kracht, waarbij uiteraard de nieuwe (en al vaak uitgestelde) Omgevingswet genoemd moet worden.
De Handreiking RES 2.0 is te vinden op
https://www.regionale-energiestrategie.nl/ondersteuning/handreiking2/2049228.aspx .

Tevens op deze pagina, als toegevoegde bijlagen, een set werkbladen. Deze gaan gedetailleerd op onderwerpen in en worden regelmatig ververst.

Per 1 januari  2025 moeten alle omgevingsvergunningen voor de noodzakelijke windturbines, zonneparken etc rond zijn.

Tijdlijn RES

Wat was ook al weer de bedoeling?
In het Klimaatakkoord (juni 2019), dat t.o.v. 1990 49% minder CO2  wil in 2030 en 95% minder in 2050, zijn afspraken gemaakt over projecten ter praktische vormgeving.

Een van die projecten betreft de vorming van dertig regio’s die elk een Regionale Energie Strategie moeten definiëren. Die dertig regio’s moeten in 2030 samen twee hoofddoelen gerealiseerd hebben: de opwekking van 35TWh hernieuwbare elektriciteit en het afkoppelen van 1,5 miljoen woningen van het aardgasnet.

Op deze site staat een verhaal over elk van de RES-sen in Brabant en Zeeland. Het verhaal van mijn regio Zuidoost Brabant (het MRE-gebied) is te vinden op https://www.bjmgerard.nl/de-regionale-energiestrategie-zuidoost-brabant-mre/  en https://www.bjmgerard.nl/het-planmer-res-mre-beschouwd/ . De verhalen over de andere RES-sen zijn met wat zoekwerk ook wel te vnden.

Die 1,5 miljoen woningen vormen ongeveer 20% van de woningvoorraad.
De regio’s hebben daartoe elk een Regionale Structuur Warmte opgesteld voor gemeentegrens-overschrijdende warmtezaken, en vervolgens hebben alle gemeenten een Transitie Visie Warmte opgesteld.
Mijn verhaal over de Transitie Visie Warmte van de gemeente Eindhoven zit verwerkt in https://www.bjmgerard.nl/de-haasheat-financieringswijze-van-hybride-warmtepompen/

Aan de 35TWh ligt een schema ten grondslag.
Het Nederlandse elektriciteitsbudget ten tijde van het Klimaatakkoord bedroeg ongeveer 120TWH (430PJ). (Let wel dat het totale Nederlandse energiebudget ongeveer 7* zo groot is – vaak wordt de fout gemaakt om elektriciteit en energie te verwarren. Als gemeentes zeggen dat ze energieneutraal willen zijn, gaat het over het totale energiebudget).
Die 120TWh wordt opgesplitst in drieën:

  • Een portie van 49TWh komt van wind op zee
  • Een portie van 35TWh komt van grootschalige wind en zon op het land (grootschalige zon betekent >15kWpiek . Hierover gaat de RES.
  • Een portie van 36TWh is nog niet verduurzaamd in 2030, of wordt verduurzaamd met projecten die niet voor de RES meetellen (zoals kleinschalige zon op dak, elektriciteit uit biomassa of water, etc).

De Handreiking RES2.0 voegt, wat betreft warmte, geen wezenlijke nieuwe elementen toe aan wat er al ligt. Het verdere verhaal gaat daarom nu over de hernieuwbare elektriciteit.

Elke regio heeft een “bod” uitgebracht (Zuidoost-Brabant 2TWh), met bijbehorende gradaties van waarschijnlijke haalbaarheid. Het PBL heeft al die biedingen opgeteld en komt tot 31 – 46TWh in 2030.
Een flink deel van deze projecten bestond al of zal al in de pijplijn.
Een ander deel bestaat nog slechts als zoekgebied op het papier. Het is geen gelopen race dat al die projecten het ook inderdaad halen – überhaupt of vertraagd, want ook het elektriciteitsnet is een probleem. Een bepaalde overprogrammering is dus gewenst.

Nieuwe bedoelingen
De werkelijkheid staat niet stil en in maart 2021 meldde de daartoe opgerichte ‘Stuurgroep extra opgave’ dat de verduurzaming van de industrie 15 tot 45TWh aan eerdergenoemde 120TWh elektrische energie zal toevoegen. Zie https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2021/04/13/stuurgroep-extra-opgave .
Dat is een van de consequenties van het “aanpakken van de grote bedrijven”.
Voor de verhoging van de te dekken stroomvraag (dus van 120TWh naar 135 a 165TWh) denkt de Stuurgroep aan extra wind op zee. Dat mag van het Klimaatakkoord.

De grootste post overigens wordt nog niet in de Handreiking RES2.0 genoemd, namelijk de productie van synthetische brandstoffen voor het grensoverschrijdende zware vrachtverkeer, en voor de internationale scheepvaart en luchtvaart  (de ‘bunkers’). Een theoretische exercitie van TNO, aannemende dat de omvang van dit verkeer niet vermindert en aannemende dat Nederland de bunkers gaat verduurzamen die officieel geen deel uitmaken van het Nederlandse energiebudget,  komt ergens rond de 550TWh. Zie https://www.bjmgerard.nl/tno-onderzoek-naar-e-fuels-technisch-en-politiek-besproken/ .

De Handreiking verwijst dan ook naar nationale programma’s als het Programma Energie Hoofdstructuur (PEH, zie https://www.bjmgerard.nl/vier-scenarios-voor-het-energiesysteem-van-de-toekomst/ ) en Programma Energie Systeem (PES), waarin internationale componenten aan de orde komen.

Schema van het energiesysteem

Uitwerkingsvragen
De focus ligt in de Handreiking RES2.0 logischerwijs op de uitvoering van wat afgesproken is.

Daarbij hanteert de Handreiking vijf ‘werksporen’:

  1. Borgen van het gezamenlijk uitvoeren in en tussen regio’s in een uitvoeringsagenda;
  2. Bijdragen aan het gezamenlijk programmeren van duurzame energieopwek in samenhang met het regionale energiesysteem;
  3. Verankeren van RES 1.0 en RES 2.0 in het omgevingsbeleid, inclusief lokaal eigendom;
  4. Gedragen besluiten en uitvoering: permanente dialoog in een democratisch proces;
  5. Inzicht in de voortgang en bereikte resultaten via monitoring en verantwoording.
  6. Nationale randvoorwaarden.

Het is bestuurlijk jargon, dat interessanter is dan het lijkt.

  1. Betekent, voor de hand liggend, dat vastgelegd wordt wie wat doet (een Uitvoeringsagenda)
  2. Gaat over de feitelijke programmering, rekening houdend met van alles en nog wat. Het is ruimtelijke ordening die prioriteert tussen de locaties en faseert in de tijd. Zoekgebieden worden concreter, projecten worden gerealiseerd en aangesloten.
    Er is een afwegingskader om de vele verschillende functies onder te brengen: naast de energiefunctie ook zaken als de woningbouw, de stikstof, de waterberging, natuur en landschap, en liefst ook maatschappelijke acceptatie – waarvoor betaalbaarheid van de energie essentieel is. En dat alles terwijl de doelstelling, uitgedrukt in CO2 , gehaald moet worden.
    Een van de werkbladen is aan het afwegingskader gewijd.
  3. De uitkomsten van het proces moeten vastgelegd worden in (nu nog) de milieuwetten en de Wet Ruimtelijke Ordening en (straks) in de al vaak uitgestelde Omgevingswet annex Omgevingsvisies. Uiterlijk 01 januari 2025 moet dit rond zijn.
    Ook moet de uitkomst van het lokale participatieproces wettelijk worden vastgelegd, bijvoorbeeld wat er precies bedoeld wordt met lokaal eigendom .
  4. Er moet veel en gestructureerde aandacht zijn voor het proces. De procesparticipatie moet mede leiden tot een financiele participatie in enigerlei vorm (daarin kunnen keuzes gemaakt worden). Het Klimaatakkoord beveelt 50% lokaal eigendom aan, maar dat is niet wettelijk vastgelegd.
    Er is hierover een apart werkblad gemaakt, waarover ik verderop iets zal zeggen. Zie ook https://www.bjmgerard.nl/uitwerking-van-de-participatie-afspraken-in-het-klimaatakkoord/ .
    Het is mogelijk burgerberaden en burgerforums in te zetten (dat zijn twee verschillende dingen).
  5. De verantwoording en de daarvoor nodige monitoring moet geregeld worden.
    Het Plan Bureau voor de Leefomgeving (PBL) speelt daarin een hoofdrol. Dat maakt kwalitatieve en kwantitatieve analyses en helpt mee met het opstellen van een gemeenschappelijke set kernindicatoren en het inrichten van een digitale kaart.
  6. Het Rijk moet zijn zaakjes op orde hebben, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat tussen droom en daad geen wettelijke bezwaren in de weg zitten.
    Het Rijk is ook in beeld van wege zijn eigen grond en heeft voor hernieuwbare energie op rijksgronden het programma  OER lopen. Niet onbelangrijk voor Brabant, met zijn vijf militaire vliegvelden.
    Daarnaast moet het Rijk voor communicatie, regie en sturing zorgen.  
    Opmerkelijk genoeg staat er niet bij dat het Rijk ervoor moet zorgen dat het elektriciteitsnet afdoende werkt. Die taak legt men bij ‘de netbeheerders’ die gewoon zelfstandig opererende overheden zijn. Zegt iets over politieke concepties.

Werkbladen
Zoals gezegd, hoort bij de Handreiking een set werkbladen die regelmatig geactualiseerd wordt. Ik pik er drie uit voor een korte bespreking, het Werkblad  Juridische tips voor gemeentelijke regulering van “zon op dak” , het Werkblad participatie en het Werkblad Lokaal Eigendom. Op de website van de Handreiking zijn die te vinden.
Let wel dat hier de versie van jan 2022 besproken wordt. Mogelijk komen er nieuwere versies.

  • Het Werkblad  Juridische tips voor gemeentelijke regulering van “zon op dak”
    Let wel: het werkblad gaat over wat de titel zegt: juridische zaken. Het gaat dus niet over gemeentepolitieke aanpak als goedkope leningen, ontzorgingsconstructies  en dergelijke.

    In de wet is een Voorkeursvolgorde zon-PV vastgelegd, in de volksmond de ‘zonneladder’. Deze is juridisch zelfbindend voor het Rijk, maar heeft sterke invloed op lagere overheden.
    In de zonneladder worden natuur- en landbouwgebieden niet volledig worden uitgesloten, maar ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwateren of areaal in beheer van het Rijk (en provincies), waaronder bijvoorbeeld bermen van spoor- en autowegen. (Later ook zand/-grindputten).
    De voorkeursvolgorde houdt expliciet geen “volgtijdelijkheid” in. De volgorde is in het denken, niet in het handelen. Wie iets nieuws wil met veel zonnepanelen, moet  dus in zijn plannen langs beleidsmatige voorkeurslocaties lopen, maar hoeft met een park op de grond niet te wachten tot elk dak in de wijde omgeving bezet is.

En dat is maar goed ook, want met alleen pijnloze PV haalt men het doel niet.

De beleidsnota ‘Zonneparken en windturbines in Eindhoven’ uit 2020 bijvoorbeeld heeft becijferd dat je met alleen maar zon op dak in de stad Eindhoven idealiter 1,7 PJ kon halen van de huidige vraag ter grootte van 4,7PJ (1TWh = 3,6PJ).
Betere techniek zal meer aanbod opleveren, maar de vraag groeit nog veel harder. Meer woningen, elektrisch verwarmde woningen en elektrische auto’s brengen de geraamde vraag naar stroom in 2050 op ca 15PJ (waarin de verduurzaming van de industrie en de productie van waterstof nog niet meegerekend is).

Zon op dak heeft wel zin, maar telt voor de RES pas mee als het om meer dan ca 60 panelen tegelijk gaat  (>15kWpiek ). Zon op het dak telt wel mee voor het ruimere doel van de 49% minder CO2 in 2030 . Eindhoven wil 55% minder in 2030 en des te vreemder is het dat Eindhoven, als het puntje bij het paaltje komt, weinig of geen zonneparken op eigen grondgebied wil.

In de huidige  wetgeving is de plaatsing van zonnepanelen op een woningdak als regel vergunningvrij, uitzonderingen daargelaten als monumenten etc. Er is uitputtende rijksregelgeving voor woningen en de gemeente kan daar juridisch niet op inbreken, ook niet via bestemmingsplannen.
Voor niet-woningdaken, geluidsschermen, stortplaatsen etc geldt de bouwregelgeving niet en kan de gemeente wel ruimtelijk sturen.
De nieuwe Omgevingswet biedt meer rechtstechnisch gereedschap, maar uiteindelijk lijkt er voor bestaande situaties weinig te veranderen.
Dit is specialistische materie. Wie een juridische vraag op dit vlek heeft, moet zelf het Werkblad gaan lezen.

  • Het Werkblad participatie
    Ook dit Werkblad is vooral bestuurlijk en juridisch.
    Het verhaal gaat vooral over allerlei participatietechnieken in het beleidstraject (beleidsparticipatie) en in het uitvoeringstraject (projectparticipatie). Projectparticipatie kan tot financiële participatie leiden.

    Er bestaan risicodragende en risicovrije vormen van financiele participatie. De risicodragende komen in het volgende Werkblad aan de orde. Risicovrije participatie (bijvoorbeeld van belang voor sociale minima die in het betreffende gebied wonen en die geen risico kunnen lopen) zijn bijvoorbeeld de grondvergoedingen, omwonendenregelingen, en het gebiedsfonds.De bulk van de tekst gaat op aan een lijst met participatiemiddelen. Een greep daaruit als voorbeeld. De website https://www.energieparticipatie.nl/aan-de-slag/werkvormen gaat dieper op de technieken in.
  • Het Werkblad Lokaal Eigendom
    Het Klimaatakkoord bepleit (maar heeft dat niet juridisch vastgelegd) 50% lokaal eigendom. Bedoeld wordt risicodragend eigendom (je deelt ook mee in de verliezen) door rechtspersonen.
    Overigens is een combinatie mogelijk van risicodragende en niet-risicodragende participatie.

    ‘50%’ betekent 50% van het eigen ingebrachte vermogen. Als bijvoorbeeld een windturbine voor 80% met geleend geld gerealiseerd wordt, betalen de lokale eigenaren samen 10% van de investeringskosten(en bijvoorbeeld Raedthuis de andere 10%).

De lokale participatie kan ook 100% zijn, bijvoorbeeld als een groep gemeenten besluit een eigen energiebedrijf op te richten in eigen beheer, of een coöperatie besluit zelf een windpark te ontwikkelen.  Dat mag. Zie oa https://www.bjmgerard.nl/een-eigen-energiebedrijf-in-de-meierij/

Windpark De Krammer

Windpark De Krammer bijvoorbeeld is volledig gerealiseerd, en wordt beheerd, door de energiecoöperaties Zeeuwind en Deltawind. Het nominale vermogen is 102MW en de stroom wordt rechtstreeks afgenomen door DSM, Google, Nouryon en Philips.
Momenteel zit 60% van de aandelen bij de twee coöperaties en 40% bij de Franse duurzame energieproducent Kallista Energy, waarvan het ABP een van de aandeelhouders is.

Er bestaan allerlei vormen van (deels) maatschappelijk eigendom en dit werkblad geeft een grondig overzicht, met veel voorbeelden, van wat allemaal kan. Hieronder een zoekboom voor lagere overheden die met dergelijke initiatieven te maken krijgen.

TNO: behalve goedkope hernieuwbare zonnestroom ook duurzaam materiaalgebruik

Gebruik  van zonnepanelen groeit explosief
Het gebruik van zonnepanelen (Photo Voltaische systemen, PV) groeit heel snel.

Eind 2020 stond er mondiaal zo’n 700GWp opgesteld, goed voor ruim 4% van de mondiale elektriciteitsvraag. Dat kan in 2050 uitgegroeid zijn tot 10.000 – 80.000 GWp, beetje afhankelijk van wie je  gelooft. 60.000GWp lijkt een redelijk safe waarde.
Wat helpt is dat zonnestroom steeds goedkoper wordt. In gunstige gebieden heb je tegenwoordig een kWh  zonnestroom voor minder dan 2 €cent

In Nederland stond er eind 2020 ruim 10GWp, goed voor grofweg 10 miljard kWh, ca 35PJ. Dat is ruim 8% van de Nederlandse electriciteitsvraag (ruim 1% van het totale Nederlandse energiebudget, want dat is veel groter dan alleen elektriciteit – een veelgemaakte fout). Ook weer afhankelijk van wie je gelooft zal dat stijgen tot ca 100 a 200GWpin 2050. De laatste waarde zou dan goed zijn voor ergens rond de 750PJ, te realiseren op (bij het huidige rendement van 20%) ca 1000km2 netto. Bruto is dat meer, maar dat  hangt sterk van de constellatie af.
Het is lastig in te schatten of (orde van grootte) 750PJ genoeg is voor de stroomvraag in 2050. De huidige stroomvraag is 420PJ, maar die zal sterk stijgen, oa door warmtepompen, elektrische auto’s en de verduurzaming van de industrie.

Duurzaam is meer dan alleen maar goedkope groene stroom
Bij een dergelijke explosieve groei is het onverbiddelijk nodig naar het grotere plaatje te kijken, en niet alleen maar naar zoveel mogelijk stroom voor zo weinig mogelijk geld. .
Het moet ook gaan over de productie en over de sloop, en het moet niet alleen maar over geïnvesteerde en geoogste stroom gaan, maar ook over geïnvesteerde en teruggeoogste materialen.

De Nederlandse Publiek-Private Samenwerkingsorganisatie TNO (Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek) heeft in een recente publicatie “Tijd voor duurzame zonne-energie” een onderzoeksagenda opgezet om deze ruimere context in kaart te  brengen. Eindverantwoordelijk is de Nederlandse zonnestroomgoeroe, prof. Wim Sinke. Hij organiseerde er een webinar over op 09 december 2022, samen met zijn medewerkers Mara Hauck (ook werkzaam bij de TU/e) en Mirjam Theelen.
Het paper is te vinden op https://www.tno.nl/nl/aandachtsgebieden/energietransitie/roadmaps/hernieuwbare-elektriciteit/zonne-energie/pv/recyclebare-zonnemodules/ .
Het paper onderscheidt onderwerpen  die je als een technische evolutie kunt zien, technologische onderwerpen die een breuk zijn met wat er was (revolutionair), en maatschappelijke  inbedding, al dan niet combi.

Bij ‘stroom’ kan men op techneutenwijze blijven denken, met dien verstande dat vanaf nu ook de CO2 – footprint van het maken van het paneel meegeteld moet worden. Dat is een uitvoerbare exercitie en dat levert, na wat versimpelingen, op dat zonnepanelen in hun leven ongeveer 20* zoveel energie opleveren als het maken gekost heeft. Welk CO2 -getal bij die energie hoort, hangt er van af  met welke stroommix je vergelijkt.

In deze getallen zit verwerkt de productie en 25 jaar exploitatie, niet de afdankfase (die zou overigens minder dan 10% toevoegen). Een state of the art en in China geproduceerd paneel, dat 25 jaar in Noordwest-Europa dienst doet, heeft over die periode 55 gr CO2 per kWh  aan zijn jas hangen. Toekomstige systemen doen het beter en zelfs nog beter dan de aangegeven worst case-variant, omdat de toekomstige stroommix gunstiger zal zijn dan de huidige.

Bij stroom is ontwikkeling mogelijk op basis ‘business as usual’. Zonne-energie is nog niet uitontwikkeld en men vindt nog steeds nieuwe technieken (nieuwe materialen of meerlaags-panelen) die bijvoorbeeld het rendement verder opdrijven (nu ca 20%, kan 25 a 30% worden). Tot nu toe was het criterium vooral ‘meer stroom voor minder geld’, maar dat moet dus ruimer opgevat gaan worden. Geen techneut die in de stress schiet.

Opbouw van een PV-paneel

Bij materialen ligt het een stuk moeilijker dan bij stroom. Die zijn of worden schaars, zitten maar in een paar landen, en de winning gaat vaak met flinke milieuvervuiling mee gepaard. Of dwangarbeid, zoals gerapporteerd bij de fabricage van heel zuiver silicium.
Schaarste zit vaak waar men het niet verwacht. Dat koper en zilver (voor de contactstripjes) schaars zullen worden, ligt in de lijn der verwachtingen. Maar ook zoiets simpels als glas en silicium groeit tot een probleem  uit: er is zand zat op de wereld, maar lang  niet alle zand is zuiver genoeg. Bovendien vreet de productie van glas, en nog meer van zuiver silicium, energie.
On enig gevoel te krijgen: 2TWp (het dubbele van wat de wereld binnenkort haalt), bij 25% rendement, vraagt om 8000km2 glas. Dat is bijna evenveel als nu in de bouw en verwante sectoren gebruikt wordt.
De logistiek moet over de hele keten goed zijn en goed blijven

Recycling in de gebruikelijke zin des woords, zelfs als die goed werkt, zal de eerste decennia maar een klein deel (voorlopig een paar procent) van de oplossing zijn om de eenvoudige reden dat  er bij de huidige groei zeer veel meer panelen uitgaan dan terugkomen. (Ik heb eerder over recycling van PV-panelen geschreven, zie https://www.bjmgerard.nl/recycling-van-zonnepanelen-op-komst/ ).

TNO hanteert de “R-ladder”.

De R-ladder
  • R1 en R2 hebben daarbij betrekking op langere levensduren en minder materiaalgebruik. Dunne film-folies hebben per kWh minder materiaal nodig. Men kan daaraan in de ontwerpfase al werken.
  • R3 en R4 hebben betrekking op hergebruik (vandaar de lus in de schets0: repareren, onderhoud, opknappen en moderniseren. Dienstig zijn tweedehandsmarkten, revisie en ‘retrofitten’.
  • R5 en R6 hebben betrekking op ‘End of life’- scenario’s. ‘Recycling’ betekent hier het terugwinnen van materialen (zie het verhaal bij ROSI), R6 betekent meestal verbranden.

De EU probeert ook invloed uit te oefenen met minimumeisen voor eco-ontwerp en energielabeling en een systeem van ‘Groene publieke aanbesteding’. Er wordt nu gewerkt aan een eerste versie van een document met dergelijke grootheden.
In de recente Europese Groene Taxonomie zijn PV-systemen in praktijk altijd duurzaam. Een technisch advies uit eigen gelederen om een bovengrens te stellen aan de CO2 – footprint en die dan stapsgewijze in de toekomst te laten dalen, haalde het niet.

TNO vindt dat Europa weer zijn eigen zonnepanelen zou moeten gaan produceren en heeft dat opgeschreven in een artikelin de Volkskrant. Zie https://www.tno.nl/nl/aandachtsgebieden/energietransitie/roadmaps/hernieuwbare-elektriciteit/zonne-energie/europa-zonnepanelen-produceren/ .

Verwerkingsschema, specifiek voor zonnepanelen

Maatschappelijke aspecten
Toepassing in gebouwen en functies is het populairst. Daar kan meer dan alleen maar starre standaardpanelen op een dak zetten. Er  zijn interessante trends om PV integraal in constructies te verwerken, eventueel zelfs als bouwmateriaal (woningen, fietspaden, geluidsschermen). TNO verwijst hier naar een eerdere publicatie “Zonpositief: zonne-energie op weg naar impact” ( https://publications.tno.nl/publication/34637826/ZvsyVf/tno-2021-zonpositief.pdf ).

Ook als het om zonneparken op de grond gaat, nodig om voldoende omvang en snelheid te bereiken om de klimaatdoelen te halen, moet nagedacht worden om het goed te doen. Bijvoorbeeld landschapsinrichting en multifunctionaliteit.

Zonnepanelen, geïntegreerd in een gevel of in dakpannen.
De flats links zijn De Willem en De Zwijger in Best, de eerste Nul op de Meterflats in de sociale huursector. Het is vervangende nieuwbouw. Op de site van de NBA is informatie te vinden op https://www.nbarchitecten.nl/portfolio-items/de-willem-en-de-zwijger/ .

Een ander soort maatschappelijk probleem is dat de productgebonden verwijderingsbijdrage in 2014 is afgeschaft. In plaats daarvan werkt men nu met een omslagstelsel: de verwijderingskosten van bijvoorbeeld televisies die nu richting afval gaan, wordt omgeslagen over de televisies die nu nieuw worden verkocht.
In een min of meer statische markt werkt dat, maar in een exploderende markt als die van zonnepanelen niet: de verkoop is nu, maar de verwijderingskosten duren nog decennia. Dat systeem moet anders.

Update

Er wordt nagedacht om voor zonnepanelen en omvormers opnieuw een vorm van verwijderingsbijdrage te definieren.

De producentenorganisaties van zonnepanelen en omvormers, witgoed, consumentenelektronica, verlichting, gereedschappen en ICT richtten in januari 2020 de Stichting Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland (OPEN) op.
In een uitvoerig artikel in Solar van 07 jan 2022 ging de Stichting OPEN op de problematiek in. Ze legde uit dat de verwerking van zonnepanelen zichzelf niet uit de opbrengsten van de teruggewonnen materialen bedruipen kan en dat er dus op enigerlei wijze geld bij moet, en dat er nu zo weinig panelen terugkomen dat het niet loont om daar nu een serieuze fabriek voor te bouwen. Er is nog even tijd om geld, gebouwen en processen te realiseren.
Intussen volgt de Stichting Open wat er in het buitenland gebeurt en ook wat het lokale initiatiefCaparis Leeuwarden doet.
Verder benadrukt de Stichting OPEN dat als ereen verwijderingsbijdrage komt, iedereen verplicht mee moet doen.
De tekst van het artikel is hierna te lezen.


Wat ik van het coalitieakkoord 2021 – 2025 vind

Of liever gezegd, wat ik van hoofdstuk 2 van het Coalitieakkoord (Een Duurzaam land) vind, van de onderwerpen klimaat, energie, landbouw, natuur, stikstof, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Daar heb ik een klein beetje verstand van en daarop focust als regel deze website. De rest is uiteraard ook belangrijk, maar daarop zou mijn reactie geen meerwaarde hebben.

Grosso mode wordt in het hoofdstuk, een compromis tussen uiteenlopende partijen,  een redelijke set intenties gegeven.
Het is een reparatie-akkoord dat wil corrigeren dat eerdere kabinetten geen redelijke set intenties gaven of zelfs uitgesproken negatieve besluiten genomen hebben, zoals bijvoorbeeld afschaffing van het ministerie van VROM in 2010, bij het aantreden van Rutte 1.

Er ligt veel geld bij de intenties. Dat zegt echter niet alles, want geen geld is  niet het enige dat in de politiek ongelukkig maakt. Ook andere factoren dan geldgebrek kunnen gewenste ontwikkelingen remmen, zoals  gebrek aan ruimte, gebrek aan vakmensen een gebrek aan vertrouwen in Rutte IV, of een teveel aan ontzag voor grote economische machten en een teveel aan kapitalisme – ik beperk  me nu tot binnenlandse oorzaken.

Ik vind zelf het zwakste aspect van het hoofdstuk dat het te weinig inzicht geeft  in de samenhang der dingen – door anderen ook wel een gebrek aan visie genoemd. Het is teveel alleen maar een boodschappenlijst.
Het is me duidelijk dat het tot op zekere hoogte een hoofdlijnenakkoord is. Het probleem is dat de samenhang der dingen soms dermate fundamenteel is, dat dat een hoofdlijn zou moeten zijn.

Ik kom hier in afzonderlijke punten op terug.

Het coalitieakkoord is te vinden op https://www.kabinetsformatie2021.nl/documenten/publicaties/2021/12/15/coalitieakkoord-omzien-naar-elkaar-vooruitkijken-naar-de-toekomst .

Tata Steel Ijmuiden

Klimaatrechtvaardigheid en aanpak industrie
Milieudefensie wil dat ‘de grote bedrijven aangepakt worden’ en wil een actie beginnen tegen 30 grote bedrijven. Het coalitieakkoord spreekt van ‘maatwerkafspraken met de 10 tot 20 grootste uitstoters’.
Ongetwijfeld bedoelen ze niet hetzelfde. Van beide partijen zou men een beter politiek-economisch verhaal willen hebben.

“Maatwerkafspraken” zijn een rekbaar begrip. De regering dient het kapitalisme, maar daarbinnen bestaat de nodige vrijheid. De regering kon ook aandelen KLM kopen, nationaliseerde ten tijde van de crisis banken  en CDA en VVD in de Tweede Kamer waren niet vies van Tata Steel nationaliseren. Ik vind een indicatie van de inhoud van die ‘maatwerkafspraken’ een hoofdzaak die in het coalitieakkoord thuishoort. Wil de nieuwe regering een centraal gestuurd industriebeleid? Krijgen die bedrijven gewoon geld? Koopt de Nederlandse staat Aldel? Moet men verplicht instemmen met het voorgestelde grenstarief van de EU?
Lijkt mj dat daarover iets in het coalitieakkoord mocht staan.

Andersom geldt overigens hetzelfde, maar daar bestaat geen coalitieakkoord. De ‘grote bedrijven moeten aangepakt worden’ vinden Milieudefensie (en bijvoorbeeld ook Greenpeace en de SP). Vind ik ook, maar hoe dan? Moeten ze meer belasting betalen? Moeten ze sluiten? Moet de SDE++ subsidie als tegenprestatie om aandelen vragen? Moet de productie van zink en aluminium verboden worden? Gehalveerd?

ETS-prijs in €/ton CO2 t/m 31 aug 2020
ETS-prijs in €/ton CO2 in 2021

Overreden, beprijzen of wettelijke voorschriften? ETS en marginale heffing.
Dat zijn de drie basisstrategieën om milieu- en klimaatdoelen te realiseren. Inzetten op alleen maar overreden is vrijblijvend en gaat ervan uit dat het individu de schuld is (quod non), alleen maar beprijzen (zonder beschermende maatregelen) treft de economisch zwakste en wettelijke voorschriften zijn niet populair bij ondernemingsvriendelijke partijen.
Wat zou het mooi zijn als het coalitieakkoord steviger wetgeving bepleit had (en betere handhaving).
Het zou ook mooi geweest zijn als het coalitieakkoord melding gemaakt had van nieuwe democratische strategieën, zoals burgerraden (in de geest van XR) of (beter uitgewerkt) het preferendum van Van Reybroeck ( Het Preferendum? ). Ik vind dit soort kwesties een politieke discussie op hoofdlijnen.
Ik vind zelf dat elke strategie uit de trits zijn voor- en nadelen heeft, maar dat er in Nederland meer voorschrift en handhaving moet komen.

Ik vind dat beprijzing via het ETS (Emission Trade System) van de EU steeds beter werkt. De Nederlandse koolstofheffing daarentegen doet momenteel niks, want veel te laag. En huidige bodemprijs ligt ver onder de feitelijke prijs in het ETS. In hoeverre het ‘verhogen van de marginale heffing’, zoals in het coalitieakkoord staat, wat gaat betekenen, moet blijken. In de financiële tabel wordt er geen opbrengst ingeboekt.

Bestaande Nederlandse CO2-heffing

Zie https://www.bjmgerard.nl/co2-prijs-onder-het-eu-ets-schiet-door-de-e50-per-ton/ .
Een ‘beperking tot de ETS-sectoren’ (coalitie-akkoord) roept vragen op. Er zijn ETS-inrichtingen die niet in gebruikelijke zin een bedrijf zijn (in Zuidoost Brabant bijvoorbeeld de stadsverwarmingen van Helmond en Eindhoven) en er zijn heel veel bedrijven (veruit de meeste) die wel een klimaateffect hebben, maar die niet onder het ETS vallen (in Zuidoost-Brabant bijvoorbeeld ASML en Philips Medical Systems). Die vallen onder de EED of (nu nog) de Wet Milieubeheer. Het coalitieakkoord meldt daar tekstueel niets over.
In de financiele tabel gaat hier pas in 2026 geld bij.

Nyrstar_foto bgerard, ook wel de zinkfabriek in Budel

Gevolgen voor het ruimtegebruik van de te verwachten explosieve groei van de stroomvraag
Ongeacht alle politieke redeneringen kost het altijd twee elektronen om een zinkatoom te maken, en twee of drie voor een ijzeratoom. De natuurwetenschap trekt zich niets van politieke wenselijkheden aan.
Feitelijk betekent verduurzaming van de industrie vaak dat men direct of (via de omweg van waterstof indirect) elektrificeert. De productie van synthetische brandstof voor het lange afstands-vrachtautovervoer, de internationale scheepvaart en de luchtvaart betekent een verzesvoudiging van het bestaande elektriciteitsbudget (zie https://www.bjmgerard.nl/tno-onderzoek-naar-e-fuels-technisch-en-politiek-besproken/ ), ongeacht wie er de macht over heeft. Dit gaat gepaard met flinke verliezen.
Vervolgens is de vraag waar die stroom vandaan komt. Dat is niet uitzichtsloos, maar vraagt wel een strategisch debat. In hoeverre komt die uit Nederland?
Voor zover uit Nederland, hoeveel en hoe doen we dat met onze ruimtelijke ordening, gegeven de vele andere taken?
Als import (er is een verwijzing naar waterstofimport), zo ja waarvandaan?  En is die waterstof duurzaam? Ruilen we de afhankelijkheid van Poetin in voor die van Bin Salman en zijn elektrolyzers in de woestijn?
Zetten we een tariefmuur om Europa om klimaatonvriendelijke stroom tegen dumpprijzen buiten te houden?
Ik ben niet tegen import van energie (we voeren nu ook bijna alle energie in), maar ook daar is weer de vraag of dat vóór 2030 zoden aan de dijk zet.
Je zou willen dat het coalitieakkoord meer informatie gaf over dit soort strategische vragen.

De energiemix
Kort samengevat wil het coalitie-akkoord zoveel mogelijk CO2 – vrije energie, maar beperkt het in praktijk de productie ervan door allerlei negatieve keuzes. Het wil extra wind op zee (op zich niets tegen, maar er ligt al een Noordzeeakkoord – ook de Noordzee is eindig, zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energie-opwekken/windenergie-op-zee/nieuwe-routekaart# ), zon op dak (levert beperkt op), aardwarmte (wat niet overal kan), groen gas (grotendeels afkomstig uit mestvergisting of te weinig aanwezig, zie Grootschalige mestbewerking en groen gas ), aquathermie (wat slechts op sommige plaatsen tot warmte leidt mits toegevoegde stroom), zonneparken mits multifunctioneel (waar in principe iets voor te zeggen valt als duidelijker zou zijn wat ‘multi’ was), windparken mits aan heldere (maar niet genoemde) afstandseisen voldaan wordt (nu geluid aan de gevel-eisen) en ‘zo snel mogelijk’ geen energie uit houtige biomassa (welk standpunt vooral op bijgeloof berust en in praktijk wel  eens tegen zou kunnen vallen – zie https://www.bjmgerard.nl/kabinet-volgt-het-te-optimistische-ser-advies-biomassa/ ).
Als deze beperkingen wat voorstellen, schaden ze de productie van hernieuwbare energie, en als ze niet wat voor blijken te stellen zijn het loze praatjes).

Source US Department of Energy_IAEA

Zo komt men als vanzelfsprekend (gezien o.a. de VVD-standpunten) op kernenergie uit. Je kunt nu eenmaal niet alles verbieden.
Ik ben op zich geen principiële tegenstander van kernenergie, maar wel in praktijk tegen de huidige generatie centrales en meer speciaal van de ouwe meuk in België. Ik  schrijf daar wel een andere keer een apart verhaal over.
Als je een (vooralsnog denkbeeldige) probleemarme kerncentrale non stop waterstof zou laten maken, heb je volgens mij in principe een goed verhaal.
Maar ongeacht dit oordeel, vast staat dat die twee centrales in het gunstigste geval  pas ergens een eind na 2030 draaien en dat kernenergie veel subsidie zal vragen. Vraag is of men het met de 5 miljard cumulatief in de financiële tabel haalt.

Tot 2030 koppelt het coalitieakkoord vooral meer duurzame opwek-eisen aan meer duurzame opwek-verboden.

De Gebouwde omgeving
Ik ga daar niet wat van zeggen, want dat is een heel behoorlijk verhaal. Nu waarmaken.
De eerste (extra?) uitgaven zijn overigens pas in 2024 ingeboekt.

Mobiliteit, luchtvaart en scheepvaart
Over de luchtvaart: in het coalitieakkoord wil men de kwadratuur van de cirkel. Geen krimp van de luchtvaart, en toch krimp van de ellende en Lelystad misschien toch open (besluit is vooruit geschoven). Dit alles onder verwijzing naar de Luchtvaartnota die vooral vrijblijvende suggesties oppert. Ik denk dat de luchtvaart niet ontkomt aan krimp.
Maar ik heb hierover al eerder een artikel geschreven op de site van het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2), en daar verwijs ik naar ( https://bvm2.nl/het-coalitieakkoord-en-het-vliegen/ ).
Ik ben voor een kerosinebelasting en een tickettax (die moet €400 miljoen per jaar opbrengen).

Synthetische vliegtuigbrandstoffen hebben, behalve een klimaatvoordeel, ook een luchtkwaliteitvoordeel voor omwonenden. Ook na krimp van de luchtvaart is dit van belang. Vooralsnog is er niet wat anders wat zoden aan de dijk zet om het na krimp resterende luchtverkeer te verduurzamen. Voor personenauto’s is dat er wel (elektrisch), en daarom ben ik er voor om geen biobrandstoffen in autobrandstof te mengen en om deze, voor zover binnen de Europese richtlijnen geproduceerd, voor vliegtuigen te gebruiken.
Synthetische kerosine uit CO2 en waterstof kan in grote hoeveelheden gemaakt worden (met ongeveer 2% van de landoppervlakte van Saoedi-Arabië haal je het huidige wereldverbruik), maar het vraagt dan een onwaarschijnlijk hoge financiële investering.
Op de keper beschouwd is synthetische kerosine een vorm van energieopslag in chemisch gebonden waterstof, en daarmee een verbijzondering van de algemene wetmatigheden van de waterstofeconomie.

Aan wat er verder over auto’s en schepen in staat, heb ik niet wat toe te voegen.

Klimaatadaptatie:
Geen opmerking

Peel met stikstofoverschot
Peel zonder stikstofoverschot

Landbouw, natuur en stikstof
Dat is in principe een verhaal met goede intenties.
Maar er zijn in de loop van decennia meer verhalen met goede intenties geschreven, die de landbouwsector vervolgens bekwaam heeft weten te saboteren.

De boerenpartijen hebben het woord ‘onteigening’ uit het coalitieakkoord weten te houden. De passage ‘daar waar de opgave tot emissiereductie en natuurherstel dermate groot is dat vrijwilligheid niet langer vrijblijvendheid betekent, gaan we op het boerenerf het gesprek aan om samen te zoeken naar de mogelijkheden.’ roept bij mij niet meteen vertrouwen op.
Aan de andere kant, de nood is hoog bij de boeren en gezegd moet worden dat dat vaak ook is omdat anderen het probleem zijn (bijvoorbeeld de supermarkten en de Rabobank).

De Nederlandse landbouw is absurd groot en zal moeten krimpen, ook al omdat er grond nodig is voor andere doelen. Maar daar hoort een goede sociale paragraaf bij.

Het is met de geformuleerde intenties mogelijk een goed beleid te voeren. Of dat er in praktijk van komt, moet blijken. Er zit in elk geval geld bij maar, zoals gezegd, er is meer nodig dan alleen maar geld.

Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening
Ik ben hier de laatste jaren weinig mee bezig geweest en ga er niet veel over zeggen. Niet omdat ik het belang niet zie (integendeel), maar omdat ik er te weinig aan kan toevoegen.

Ik vind het in elk geval een groot goed dat de ruimtelijke ordening weer meer gecentraliseerd wordt en dat er weer een minister voor komt.  De vele conflicterende fysieke en sociale eisen, die aan de schaarse grond in Nederland gesteld worden, schreeuwen al veel langer om centrale aansturing.
Zie ook https://www.bjmgerard.nl/vier-scenarios-voor-het-energiesysteem-van-de-toekomst/  en https://www.bjmgerard.nl/grote-opgaven-in-een-beperkte-ruimte/ .

Als men die centralisatie eerder gepraktizeerd had (nog beter, als dat nooit afgeschaft was geweest) was er misschien een rijksbeleid geweest over datacenters (en verdozing enzovoort) geweest, en had niet de gemeenteraad  van Zeewolde, gesteund door een clandestiene privé-opvatting van ex-minister Wiebes,  een besluit mogen nemen waar hele Nederland nu last van heeft.

Waarmee ik overigens niet naar de andere kant wil doorslaan. Nederland heeft een heleboel datacenters, van groot tot klein, die geruisloos goed werk doen (bijvoorbeeld mijn website en mijn email). Het ene datacenter is het andere niet.
Ik ben tegen het Zeewolde-datacenter omdat het van Facebook is (vind ik geen onmisbare instelling), omdat het heel groot is, en omdat het net zo goed ergens anders kan staan (bijvoorbeeld in Duitsland).
Algemene vraag is welke voorzieningen wij in Nederland willen hebben en welke niet.

In Finland mag men pas een datacenter bouwen als van tevoren vast staat dat de warmte aan de stadsverwarming geleverd wordt. Dat voorschrift zou hier ook moeten bestaan.
Zie https://www.bjmgerard.nl/opnieuw-restwarmte-van-datacenters/ .

In zijn algemeenheid zijn datacenters een bijzonder voorbeeld van de algemene trend van elektrificatie van de industrie, die tot een verveelvoudiging van de stroomvraag zal leiden. Het coalitie-akkoord (maar bijvoorbeeld ook de politiek en een organisatie als Milieudefensie en Greenpeace) behandelen hier een structureel probleem alsof het incidenteel is.
We gaan deze discussie nog veel vaker krijgen.

Infrastructuur
Over het algemeen werken de intenties de goede kant op, behalve die over Schiphol en Lelystad: achterstallig onderhoud, verkeersveiligheid, meer en beter OV, de Lelylijn. Waarschijnlijk is het allemaal niet genoeg.
De A27 bij Amelisweerd moet niet verbreed worden.

Pas in 2030 en anders te weinig tussendoelen
Het is een verbetering dat de Klimaatwet aangescherpt wordt tot 55% CO2 – reductie in 2030, maar 2030 duurt nog lang. Wat je mist zijn dichterbij  liggende ijkmomenten. Je zou bijvoorbeeld willen dat het 2030-doel werd aangevuld met 31 december 2025, als het nieuwe kabinet zo ongeveer vertrekt (als alles goed gaat). Pakweg zoiets als bijvoorbeeld ‘35% CO2 – reductie op 31 dec 2025”, zodat het kabinet zijn eigen prestatie garandeert en de prestatie niet doorgeschoven wordt naar nog ongeboren opvolgers.
De timing van de uitgaven in de financiële bijlage is er wel, de timing van de beleidsmatige opbrengsten niet.

Sommige besluiten gaan überhaupt pas in 2030 is, zoals rekeningrijden. Dat is te laat.

Wie moet het doen?
Er zijn te weinig vakmensen die de taken, die op deze gebieden nodig zijn, uit te voeren. Het is prima om bijvoorbeeld technische opleidingen te stimuleren, maar de totale vijver is ook dan nog gewoon te klein. De passage elders in het coalitieakkoord over demografische ontwikkeling en arbeidsmigratie laat nog teveel vragen open. Het is mijn terrein niet, dus ik ga hier niet de geleerde uithangen. Ik heb al eens geschreven dat elke Syrier met kennis van het stoomwezen gelijk aan de bak kan ( zie Van stoom stoom stoom ). Je zou denken aan een betere diploma-erkenning, op arbeid gerichte bijscholing, etc.

Van Ibis tot halsbandparkiet, van alles te zien in Overvecht! (update 17 aug 2021)

(Dit artikel is een redactionele bewerking van een artikel uit mei 2018, met een flink stuk aanvulling op basis van nieuwere informatie)

Mijn zwager woont 10-en-een half hoog in een flat in de Utrechtse wijk Overvecht-Zuid. Mijn vrouw en ik hadden er begin mei 2018 een genoeglijk familiebezoek. De ontvangst was prima.

Mijn zwager kan als het ware vanaf zijn flat een aanschouwelijke cursus geven in renovatie en moderne energietechnieken, vooralsnog experimenteel.
Als je de ene kant opkijkt zie je de Arabelladreef-flat van de woningbouwvereniging Portaal, die levensloopbestendig gerenoveerd is en tientallen zonnepanelen op zijn platte dak heeft.
Kijk je de andere kant op, dan zie je de experimentele energie-aanpassingen aan de Henriettedreef, met een Ibis Powernest op het dak (vooralsnog demo).


Om de hoek ligt de Camera Obscuraflat, waar een energieneutrale pilot gerealiseerd is waarover ik al eerder geschreven heb (zie Nul op de Meter – woningen ).
Kijk je omlaag, dan zie je in de boomkruinen in de urban jungle aan je voeten een hele zwerm halsbandparkieten.

Kortom, er valt van alles te zien in Overvecht-Zuid.

Dit alles is nog kleinschalige Spielerei. Het echte werk moet plaatsvinden in de aangrenzende wijk Overvecht-Noord, waar in 2030 de gasleidingen vervangen moeten worden. De bedoeling is dat er geen gasleidingen terugkomen en dat roept een hoop vragen op bij de bewoners, vooral over waar ze dan aan in plaats van af moeten. Zie www.utrecht.nl/wonen-en-leven/duurzame-stad/energie/utrecht-aardgasvrij/overvecht-noord-aardgasvrij/ .

Maar ik wil het nu hebben over de Henriettedreef van de woningbouwvereniging Bo-Ex, want die experimenteert nu het interessantste.

De Henriettedreef
Bo-ex wilde regulier groot onderhoud doen aan deze flat. Er moesten nieuwe kozijnen met warmtewerend glas in, waardoor  vocht en tocht tot het verleden gingen behoren en de flats  ‘s zomers 2 graden koeler moesten worden. Om schimmel tegen te gaan, kregen bewoners een mechanisch- en vraaggestuurd ventilatiesysteem. De isolatie werd verbeterd. Door dit alles zou het energielabel van C/D naar B gegaan zijn.

Naast deze conventionele maatregelen wilde het consortium zeer experimentele maatregelen, die, bovenop het B-label, de flat energieneutraal of beter maken.

Bo-ex wilde experimenteren richting energieneutraal in 2019 en ging samenwerken in het consortium Inside Out, met daarin, naast Bo-ex, Nefit-Bosch Thermotechniek, Alkondor Hengelo, Bos Installatiewerken, LomboXnet, architectenbureau cepezed, Universiteit Utrecht en Hogeschool Utrecht, onder leiding van het Utrecht Sustainability Institute. Het project is mede gefinancierd door TKI Urban Energy uit de Toeslag voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) van het Ministerie van Economische Zaken.

Inside Out renovatiesysteem
Inside Out integreert installatiecomponenten zoals verwarming, ventilatie, isolatie en warm water tot drie multifunctionele bouwdelen en combineert deze met duurzame energieopwekking en lokale energieopslag in elektrische deelauto’s. De bouwdelen worden aan de buitenzijde van de flat geplaatst, vandaar de naam ‘Inside Out’. Dankzij duurzame energieopwekking en lokale energieopslag vermindert de piekbelasting op het net en profiteren bewoners van lage woon- en mobiliteitslasten. Het project betrekt nadrukkelijk bewoners bij het project; het gaat immers over hun woning. Tot slot wordt gewerkt aan de bijpassende financierings- en verdienmodellen. Het Inside Out-systeem wil zo een bijdrage leveren aan de seriematige renovatie van 250.000 hoogbouwwoningen tot energieleverende wooncomplexen in Nederland
.


De flat (58 woningen) heeft een grote kopse kant op het Zuidwesten. Daar zijn als eerste maatregel al een paar jaar geleden 108 zonnepanelen tegen aan geplakt en een display. Deze zonnewand is relatief groot en ziet er spectaculair uit, maar is tegenwoordig standaardtechniek.


Update dd 17 aug 2021
Een chronologisch overzicht is te vinden op https://tki-inside-out.nl/duurzame-renovatie-henriettedreef/ . Op 26 april 2018 (dus voordat de feitelijke renovatie annex opwaardering begon) is daar het eindoverzicht van de eerste fase te vinden, met cijfers.
De Henriettedreef is een Intervam-flat. Daar zijn er heel veel van in Nederland.
Het eindoverzicht noemt 55000 appartementen (500 a 1000 flatgebouwen) in verschillende systeembouwtypes waaronder Intervam, die op marktcondities op deze wijze aangepakt kunnen worden.
De meerprijs van de energieneutraliteit t.o.v. alleen maar een label B-renovatie bedraagt 38 tot 50 k€ per appartement.

Inmiddels is de renovatie voltooid. Het energiesysteem waarmee men begonnen is is niet meer dat waarmee men uiteindelijk geëindigd is. Maar het was dan ook een experimenteel proces.
Bij het begin van het proces stond er een IBIS Powernest op het dak (een combinatie van een kleine vertikale as-windmolen in een kubusachtig gebouw, bedekt met zonnepanelen).  Uiteindelijk is het Powernest verdwenen. De gemaakte afwegingen worden niet vermeld.
Als ik nu (juli 2021) vanaf het balkon van mijn zwager naar de Henriettedreef kijk, zie ik deze constructie:

Henriettedreef, Utrecht
Stalen dakconstructie voor zonnepanelen met daraonder warmtepompen

De typische dakconstructie bestaat helemaal uit zonnepanelen. Ook de gevels en de balkonafschottingen wekken energie op.
Onder de dakconstructie staan warmtepompen.
De flat is all-electric met lage Temperatuur-verwarming. Er is geen aansluiting meer op de stadsverwarming of het gas.

Een persbericht van dat men bezig is modulaire gevelelementen te plaatsen: https://boex.nl/News/3452/eerste-slimme-gevel-geplaatst-henrittedreef .

Het persbericht na voltooiing is te vinden op www.boex.nl/News/4146/eerste-energieleverende-hoogbouwflat-aan-de-henrittedreef-in-utrecht-opgeleverd–persbericht .
Het persbericht presenteert onderstaande foto:

Henriettedreef, Overvecht, Utrecht na oplevering renovatie en energieconstructie

Er staan een kwart miljoen vergelijkbare hoogbouwflats in Nederland.


IBIS Power
IBIS Power heeft het “powernest” ontwikkeld. Dat is een combinatie van een kleine Darieus/Savonius vertikale as-windturbine, die in een soort kubus zit met daarin sleuven die turbulentie verminderen en de wind concentreren.  Op de kubus is plaats voor zonnepanelen.
Het ontwerp is dus modulair.

Schema van IBIS Powernest

Zie www.ibispower.eu .

Op de Henriettedreef-flat staat vooralsnog een experimenteel exemplaar van 700W met één zonnepaneel van 295Wp.
De standaardversies heten Powernest 1.0 en idem 2.0 .

Het is allemaal kakelvers en dus is het nog niet mogelijk veel over de prestaties te zeggen. Op de website staat een filmpje, waarin de directeur spreekt over een voorlopig onderzoek van 11 augustus t/m 31 oktober 2017 (samen 81 dagen). De afbeeldingen zijn stills uit het filmpje.

Gemeld moet worden dat het in Utrecht relatief niet hard waait.

Prijzen worden niet genoemd.

Volgens het bedrijf zijn de bewoners tevreden en hebben ze geen last van herrie of trillingen.

Windsnelheid- en opbrengst van de demoversie op de Henriettedreef van 11aug-1 nov 2018

Zie de afbeelding hierboven.
Te zien is dat de machine begint te draaien bij een windsnelheid van 2,0 m/sec. Het is lastig om in deze figuur te schatten wat de gemiddelde opbrengst is (rechteras), maar die zal ergens rond de paar tiende kWh per dag zitten. Ik reken even met 0,3 kWh/dag, dus ergens rond de 110kWh/jaar.

Onderstaande grafiek geeft de gemeten opbrengst voor zon en wind samen. Even met de natte vinger 400kWh per jaar (dus het meeste van de zon).

Opbrengst van zon en wind samen op de Henriettedreef van 11 aug tot 1 nov 2018

Dat is niet veel, maar het is dan ook een demo-machine. Zou je hetzelfde doen met de zwaardere Powernest 2.0 , dan moet dat volgens het bedrijf 13200 kWh/jaar opleveren (zie hieronder). Ik kan de omrekening van het kleine naar het grote niet controleren, maar ik denk dat het van zon en wind samen is en dat de meeste energie van de zonnepanelen op de module komt.

Prognose wat de Powernest 2.0 zou opbrengen

Per Henrietteflat zou één full scale Powernest 2.0 – module dus zo’n 225kWh per jaar leveren. Samen met de vertikale wand moet men dan op ca 650kWh per flat per jaar uitkomen.
Misschien kan men meer Powernesten installeren, maar dat hangt van teveel factoren af waar ik geen zicht op heb.

Ik ben tot nu toe sceptisch over kleine windturbines en vooralsnog heeft de IBIS Powernest mij daar nog niet van afgeholpen. Het voornaamste effect zou wel eens kunnen zijn dat het overstekende dak van de module meer plaats biedt aan zonnepanelen als anders het geval zou zijn geweest.

Milieu Centraal noemt als gemiddeld stroomverbruik voor een eenpersoons huishouden 1930kWh/y en voor een tweepersoonshuishouden 3010kWh/y . Daar komt de stroom nog bij voor de verwarmingsinstallatie (moet vroeg of laat een warmtepomp worden met warmte-koude opslag), de lift, de noodverlichting etc. Met alleen een IBIS Power 2.0 en een heleboel zonnepanelen en opwaardering tot label B komt men er bij de Henriettedreef-flat niet.
Maar het consortium heeft nog meer onconventionele plannen. Voor een totaaloordeel is het nu te vroeg.

Aanvulling dd 12 mei2018: in een artikel in Duurzaam Gebouwd van januari 2018 wordt door de directeur voor de Powernest 2.0 een prijs genoemd van €55000 .
Hij noemt daar een energetische opbrengst aan zon en wind samen van tussen de 19000 en 30000kWh per jaar. Dat is na een verbetering van de prestatie met 30%. Die 13000kWh uit de tabel zal dan wel een wat ouder cijfer zijn.

De windunit van de IBIS vóór plaatsing op de Henriettedreef

ZON VOOR IEDEREEN – plan SP

Op 22 juni publiceerde de SP op zijn site dat de Tweede Kamer het SP-voorstel steunde om zonnepanelen op zoveel mogelijk daken te plaatsen. Het onderliggende plan heet “Zon voor iedereen”. Een beschrijving en mijn mening erover.
Om precies te zijn, mijn mening over het plan sec en apart over overwegingen er rondom heen.
Zie

CE Delft (2020)……………………………………………19 tot 35……………12 tot 20

De SP wil:

  • Zonnepanelen leggen op zoveel mogelijk woningdaken
    De SP heeft dit door CE Delft laten becijferen (Zon op Dak, oktober 2020), uit welke studie bovenstaande tabel is met tot dan toe bestaande schattingen.
    De studie van TKI Urban Energy is inmiddels uit en komt in 2050 op 65 TWh/jaar in 2050, als je 80% van de woningdaken vol kunt leggen.  
    CE Delft komt zelf op 12 tot 20 TWh bij koopwoningen en 7 tot 15 TWh bij huurwoningen.
    De Nederlandse huishoudens verbruikten in 2018 (en ongeveer ook in 2019) ca 21 TWh. Dit betreft alleen de post elektriciteit voor zover die uit woninggebonden stopcontacten komt.
  • Dit moet de huishoudens geld opbrengen, dus er moet een positief verdienmodel onder liggen. De dreigende afschaffing van de salderingsregeling en de postcoderoosregeling bedreigt dit. De SP is hier niet expliciet tegen, maar formuleert een doel en geen middel.
  • De energievoorziening weer publiek maken. Genoemd wordt de gemeente. Gemeenten moeten duurzame energie collectief kunnen inkopen.
  • Een  Masterplan isolatie en woningverbetering. Tot 2030 moeten 1,5 miljoen huur- en koopwoningen geïsoleerd worden, met ondersteuning van een warmtefonds zoals ontworpen door Milieudefensie, maar dan zonder leningen; vocht- en schimmelwoningen voorop.
  • Aanpak van de energiearmoede. Daartoe een huurbevriezing van woninglabels G,F,E en later D en C). Er moet een garantieregeling tegen faillissementen bij energiemaatschappijen komen. Verder een colportageverbod met energieaanbiedingen.
  • De verhuurdersheffing wordt afgeschaft, waarna de woningbouwverenigingen aan deze activiteiten deelnemen.
  • Het betalen van de ODE (Opslag Duurzame Energie) wordt herverdeeld naar 50% zware industrie en 50% voor huishoudens en MKB. Nu is dat 15-85 .
  • De steun aan fossiele brandstoffen wordt verminderd
  • Er komt een miljard uit het Nationaal Investeringsfonds
  • Om dit alles vorm te geven wordt een Klimaatrechtvaardigheidsfonds opgericht. De jaarlijkse begroting ziet er daarvan als volgt uit:
De Rijksbegroting wordt hierdoor lichter (in mio €) :
530 a 640 +1000 +1500 + 30 a 80 = 3060 a 3220 .

Wat ik ervan vind:

  1. Het Zon voor iedereen-voorstel sec is prima.
    Je kunt over details praten, zoals of een subsidie op woninggebonden opslagsystemen niet beter werkt dan voortzetting van de salderingsregeling, of gradaties daarvan.

  2. In de overwegingen rondom het voorstel maakt de SP keuzes die, mijns inziens, onjuist zijn en schadelijk kunnen werken.

  3. Zo laat de SP consequent het totaalplaatje van het Nederlandse energiebudget buiten  beschouwing en presenteert het Zon op dak-plan als een grotere oplossing dan het werkelijk is.
    Het Nederlandse energiebudget was in 2019 3014 PJ (omgerekend 837 TWh), waarvan 121 TWh in de vorm van elektriciteit.
    De range van 19 tot 35TWh moet hiertegen worden afgezet en is dan helemaal niet zo groot. Er is niet “zoveel dat gemakkelijk gedaan kan worden” zoals Lilian Marijnissen in haar artikel in De Telegraaf van 09 juli 2021 zei. Dat valt heel erg tegen. (Overigens haalde ze daar energie en elektriciteit door elkaar, een veel gemaakte fout. Het Zon op dak – voorstel doet dat niet).
  4. De provincies en de gemeenten zijn momenteel gebonden aan de Regionale Energie Strategieën (RES). De complete voorbereiding moet in 2025 t/m de vergunningverlening af zijn. Dit is een afspraak uit het Klimaatakkoord.
    De RES moet onder andere 35 TWh aan wind en grootschalige zon opbrengen (grootschalig is > 15 kWpiek , dat is in gunstige omstandigheden ergens rond de 70m2 ). Kleinschalige zon op dak (dat is wat de SP voorstelt, tenzij er op een of andere manier een collectieve organisatie aan gehangen wordt – een potentieel idee) telt voor de RES niet mee. Buiten de RES om wordt kleinschalige zon in het Klimaatakkoord al ingeboekt op 7 TWh.
    Gegeven de uitkomsten van CE Delft ga je met alleen zon op dak niet aan de eisen van de RES voldoen.
    Daarmee worden Statenfracties en gemeenteraadsfracties van de SP in een positie gedwongen dat ze tegen de RES, dus tegen het Klimaatakkoord, moeten ageren. Dat lijkt me erg navrant als de SP tegelijk klaagt dat er zo weinig duurzame energie in Nederland is. Het is vragen om problemen.
  5. Huishoudens vragen om meer energie dan alleen maar hun stroom. Ze gebruiken ook gas (ca 4* zoveel als stroom). En ze rijden auto, ze consumeren goederen waar energie in zit.
    Het SP-verhaal focust op één klein deel van het huishoudverbruik en blaast dat te ver op.
  6. Wat cijfers ter vergelijking:
    – De NS verbruikt 1,2 TWh , 100% groene stroom per jaar (windturbines)
    – De Nederlandse gezondheidszorg is goed voor ca 7% van de Nederlandse CO2 – uitstoot. Doe ook eens even ruwweg 7% van het energieverbruik, dus ruwweg 50 TWh, voor meer dan de helft in medische apparatuur, medicijnen en verdovingsgassen ( http://www.huisvandetoekomst.org/2021/01/buurt-op-menskracht-het-ziekenhuis.html ). Moeten de ziekenhuizen die 50 TWh op hun dak vinden?
    – De TU/e wekte in 2019 0,0007 TWh zelf aan groene stroom op en kocht 0,035 TWh aan windenergie in. Die MJA-inrichting is inmiddels voor elektriciteit nul.
    Hun huidige aardgasgebruik, via een warmtepomp met COP=4, vertaald naar stroom, vraagt nog eens 0,045 TWh. Dat moet nog vergroend worden.
    Heb je één universiteit.
    – Defensie in 2009 ongeveer 0,4 TWh stroom en (via een warmtepomp met COP=4) 0,2 TWh stroom warmte. Den Helder alleen is goed voor 0.1 TWh. Komt er nog eens bij de stroom om de brandstoffen synthetisch te maken, omt ergens boven de 1 TWh.
    Hoe stelt de SP zich voor om allerlei andere maatschappelijke taken aan hun stroom te helpen, als dat alleen maar met zon op daken mag?
  7. De SP schildert de industrie af als een soort black box, bevolkt met duivels die er alleen maar op uit zijn de energietransitie te frustreren. Het is hun schuld en daarmee is alles gezegd wat gezegd moet worden.
    Voor welk verhaal je dus niets koopt. “De industrie” kent een grote verscheidenheid, waaronder ook ondernemingen voor wie dit beeld opgaat. Het zou veel zinvoller zijn om dieper op de wetmatigheden van de industrie in te gaan, enerzijds op zaken als het ETS en de MJA en de milieuwetten, anderzijds op bijvoorbeeld vergroenende grote investeerders, weer anderzijds op de processen.
    Want wat eventueel duivels ook voor intentie hebben, veel processen zijn gebonden aan natuurkunde en scheikunde. Om zink te reduceren moet je nu eenmaal twee elektronen per zinkatoom hebben, en de politiek kan op zijn kop gaan staan, maar dat verandert niet. Ook Marx indertijd wist al dat de politieke theorie de wetenschap moest volgen en niet moest leiden.
    De zinkfabriek in Budel (foto in aanhef, goed voor 1,2 TWh) haalt sinds januari 2021 al zijn elektronen uit groene bron (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=15505 ).
  8. Ongetwijfeld zal het rendement en de geplaatste oppervlakte van zonnepanelen stijgen. Maar de totale Nederlandse vraag naar elektriciteit zal ook drastisch stijgen als we een waterstofeconomie krijgen, als het zwaar autotransport en scheep- en luchtvaart op synthetische brandstof gaan rijden, als ruimteverwarming elektrisch wordt (ook huizen), als de industrie gaat elektrificeren, als alle personenverkeer gaat elektrificeren, enz. De stroomvraag kan in 2050 vlot een paar maal zo hoog worden als de 121 TWh van nu, zelfs als de totale hoeveelheid energie sterk zou dalen t.o.v. de 837 TWh nu.
    Zelfs met de 200 TWh van TKI Urban Energy zon op alles (waarvan genoemde 65 TWh een deel is) , haal je dat nog niet. Zeker niet als de SP zich ook nog eens zou gaan uitspreken tegen zonneparken op de grond.
    Het is onverantwoord om allerlei vormen van energieopwekking af te schrijven, ten gunste van één vorm die politiek goed uitkomt.
  9. Ik ben het met de SP eens dat energie publiek moet zijn.
    Ik heb zelf in regen en kou tegen de verkoop van Essent staan demonstreren en de SP was ook tegen de verkoop van Eneco. Terecht. Maar ondertussen is het wel gebeurd.
    De SP wil nu langs de kleinschalige route zeggenschap terug verwerven en verwijst naar o.a. Duitsland, waar dit meer traditie is.
    Kijk je dan bij het paradepaardje Hamburg Energie ( http://www.hamburgenergie.de ), ziet goed uit, dan zie je een groeiende publieke onderneming, met 150.000 klanten (Hamburg heeft 946.000 woningen) de tweede van Hamburg, die ruim 20 windturbines heeft staan en daar heel blij mee is, ruim 12 MWpiek zon, en nog veel meer. Waarom kiest de SP Hamburg als politiek voorbeeld (zie de literatuur bij het Zon op land-plan), als de SP het Hamburgs doen en laten, waaronder hun investeringsbeleid, niet ook als voorbeeld neemt?
  10. De Nederlandse publieke energieproductiesector bestaat momenteel uit de energiecoöperaties, die volgens Hier Opgewekt (hun blad) samen ongeveer goed zijn voor 1/1000ste deel van het Nederlandse energiebudget (een paar PJ op 3000 PJ). Men kan wel stoer verklaren dat dit de norm moet worden, maar ik zie dat toch niet helemaal.
    En vervolgens wil de SP investeringen verbieden aan coöperatieve publieke instellingen die ze zelf als voorbeeld presenteert? Ik haat dit soort romantische kleinschaligheid rondom de dorpsmolen, die gebrek aan resultaat tot doel maakt.
    Sinds haar artikeltje in De Telegraaf hoeft Lilian Marijnissen haar gezicht overigens niet meer bij de Nederlandse coöperatieve sector meer te laten zien.
  11. Je kunt overigens windturbines verantwoord installeren, als je aan de juiste voorwaarden houdt.

Afsluitend.
Het wordt tijd dat de SP serieus over een macroverhaal op energiegebied gaat nadenken, en dat zal niet alleen maar leuk worden.
Er gebeurt van alles in Nederland. Er loopt een discussie over energiescenario’s (waarvan twee op basis van energie-autarkie en twee niet), zie https://www.bjmgerard.nl/?p=15387 . Er loopt een discussie over de vele tegenstrijdige eisen aan het ruimtegebruik in Nederland (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=15349 ).

Voor een opgeworpen, maar niet uitgevoerd, idee voor een eiegen energiebedrijf in Vught, Sint Michielsgestel en Boxtel zie Een eigen energiebedrijf in De Meierij?

De SP moet het klimaat tot prioriteit maken en dat kan alleen  meer met een compleet verhaal.

Verbetering en verduurzaming huurwoningen Woonbedrijf Geestenberg

Woningen in de Geestenberg

Update 24 sept 2020

Buurtenquête jaarwisseling 2019-2020 en gesprek met Woonbedrijf dd 24 sept 2020; enquêteresultaten hier te downloaden
Ik begeleid vanuit de SP een groep huurders van de Eindhovense woningbouwcorporatie Woonbedrijf, de Werkgroep Verduurzaming Huurwoningen Geestenberg, om verdere verbetering en verduurzaming van hun huurwoningen te bereiken. Deze woningen hebben in 2013 en 2014 groot onderhoud gehad en dat heeft tot duidelijke verbeteringen geleid, maar er blijft nog het nodige te wensen over. Zowel aan de technische uitvoering van het destijds tot stand gebrachte, als in de verduurzaming waarover nu heel anders gedacht wordt dan in die tijd.

De Geestenberg is een typische ‘bloemkoolwijk’ uit begin jaren ’70 .

Er is rond de jaarwisseling 2019-2020 een buurtenquête geweest met een goede respons. Daarna sloeg de pech toe in de vorm van èn een grote reorganisatie binnen Woonbedrijf èn Corona.

We hebben er voor gekozen om de resultaten van de enquête tot een verslag te systematiseren. Bij de uitwerking van de enquête bleek dat er in de categorie ‘overige opmerkingen’ een aantal opmerkingen waren over de badkamer en het ventilatiesysteem. De bevriende architect, die ons helpt, heeft daaraan naderhand bij twee woningen nog aanvullend onderzoek gedaan.
De gesystematiseerde enquête en het aanvullende badkamer-ventilatieverslag zijn schriftelijk als eerste ronde aan Woonbedrijf aangeboden. Ze zijn op het eind van dit verhaal te downloaden.

Door de diverse perikelen duurde het een tijd voor we met een delegatie van de bewonerswerkgroep in gesprek kon met Woonbedrijf. Uiteindelijk heeft dat gesprek op 24 september 2020 plaatsgevonden.

Intussen had Woonbedrijf tegen gunstige condities zonnepanelen aangeboden. De meeste van de geënquetteerde bewoners hebben hiervoor gekozen. De opbrengst is overigens berekend alsof er geen salderingsregeling was, zodat het eventuele afschaffen daarvan de ingeschatte opbrengst niet aantast. Plaatsing van de panelen is afgeraden als deze door situatiegebonden oorzaken financieel niet rendabel waren (bomen, ligging).
Bewoners die alsnog zonnepanelen willen kunnen Woonbedrijf bellen of mailen naar zonnepanelen@woonbedrijf.com .

Het gesprek met Woonbedrijf liep goed. De corporatie gaat een onafhankelijk bedrijf vragen om bij een beperkt aantal woningen een steekproef te doen. Onze Werkgroep mag de adressen aanleveren.
Na het eindrapport volgt een nieuw gesprek met Woonbedrijf.

Voor de verslagen zie:

Detailopname aansluiting achterpui op fundering met koudebrug

Update eind juni 2021

Trition-onderzoek geweest; buurtflyer juni 2021 om mee te doen aan kaartenactie
Inmiddels heeft het externe bureau Trition, eind januari en begin februari, bij vijf bewoners het binnenmilieu technisch onderzocht (dat is bovenstaande steekproef). Het eindrapport is nog niet beschikbaar gesteld.
Omdat er voor de vijf onderzoeken negen gegadigden waren, heeft de bevriende architect aangeboden om hier aanvullend onderzoek te doen. Dat heeft geresulteerd in een aanvullende brief naar Woonbedrijf. De tekst van de buurtflyer van juni 2021 is hier te vinden

Het bijbehorende kaartje is hier te vinden



Update 10 aug 2021 na kaartenactie en nieuw gesprek met Woonbedrijf

Huurders Geestenberg bieden een berg ‘schiet eens op-kaarten’ aan bij Woonbedrijf – voortgang buurtactie

Aanbieding van een berg Schiet eens op-kaarten bij Woonbedrijf dd 23 juli 2021

De buurtactie van huurders van woningen in de Geestenberg van Woonbedrijf verloopt traag, o.a. door Corona en een interne reorganisatie.

Eind januari en begin februari 2021 heeft het onafhankelijk bureau Trition in opdracht van Woonbedrijf vijf, door de Werkgroep  verduurzaming huurwoningen Geestenberg aangeleverde, adressen onderzocht. Het rapport was in maart klaar en sindsdien was er weinig meer vernomen. Vandaar een actie om kaarten te verspreiden en op te halen met de boodschap dat Woonbedrijf eens moest opschieten.
Er is een afspraak gemaakt om die kaarten aan te bieden en over de voortgang te praten, en wel op 23 juli 2021. Een delegatie uit de buurt bood zo’n 130  kaarten aan.

In het gesprek kwamen van weerszijden een aantal zaken naar voren.

  • Van de vijf door Trition onderzochte huizen voldeden er vier aan de norm
  • Trition formuleerde een aantal  verbeterpunten van structurele aard
  • Hiervoor heeft Woonbedrijf contact gezocht met aannemer Van Montfort die rond 2012-2013 het groot onderhoud-renovatie gedaan heeft. Van Montfort moet een Masterplan maken waarin zoveel mogelijk verbeterpunten worden meegenomen. Men heeft opnieuw voor Van Montfort gekozen omdat die de woningen kent, en de Geestenbergwoningen een lastige bouwconstructie hebben.
  • Misschien worden de vijf woningen proefwoningen
  • Woonbedrijf heeft vanwege capaciteitsgebrek voorrang gegeven aan regulier onderhoud, en Van Montfort kampt, zoals de hele bouw, met gebrek aan personeel en materialen.
    De timing van het Masterplan is daarom niet helemaal duidelijk.
  • Inmiddels heeft Woonbedrijf een nieuwe methode ontwikkeld om de veel voorkomende ‘sinkholes’ te repareren. Die ontstaan omdat de fundering rust op het maaiveld van de kruipruimte en er geen tegendruk is tegen naar binnen spoelend zand. De gekozen methode is een praktische vormgeving van een idee dat de vrijwillig meewerkende architect Maas van de Werkgroep al eerder ingediend had. In hoeverre hier sprake is van een oorzaak-gevolgrelatie is niet vermeld.
  • Een geanonimiseerde samenvatting van het Tritiononderzoek wordt gekoppeld aan het Masterplan
  • Woonbedrijf neemt, hoe dan ook, in september opnieuw contact op met de Werkgroep
  • Woonbedrijf ziet het regulier verhelpen van gebreken enerzijds en de verduurzaming anderzijds als twee gescheiden werelden. De Werkgroep vindt dat die twee in elkaar overlopen, bijvoorbeeld bij de ’s winters ijskoude entreehallen en de vloerisolatie.
    Bedacht moet worden dat bijvoorbeeld ook de koepel Aedes duurzaamheidsambities heeft en dat bijvoorbeeld door de EU-plannen van Timmermans mogelijk het gas duurder wordt. Als een en ander woonlastenneutraal moet, zoals ook afgesproken in het Nederlandse Klimaatakkoord, moet er dus een stuk minder gas verstookt hoeven te worden.
  • Er liggen, bij iedereen die wilde en waar dat kon, zonnepanelen. Er blijkt nog een nagekomen vraag te liggen die bij de volgende campagne moet worden meegenomen.
  • Bij het ophalen van de kaarten kwam op verschillende plaatsen naar voren dat huizen niet tegen extreme regenval konden. Soms stroomde het vanaf het dak de trap af (de verzekering begint moeilijk te doen), soms komt het vanuit de riolering omhoog (er is geen terugslagklep, maar ook het gemeenteriool lijkt te klein).
    Op deze, zeer recent binnengekomen, informatie had Woonbedrijf nog geen antwoord klaar. Voor zover de riolering een gemeentezaak is, zal via de SP in de gemeenteraad nadere informatie over het rioleringsplan gezocht worden.

Wordt vervolgd.

Aanbieding ‘Schiet eens op-kaarten’ aan Woonbedrijf op 23 juli 2021



Update dd 14 sept 2021

Beantwoording vragen over riolering
Hierboven is aangegeven dat de SP technische vragen zou stellen over de riolering in De Geestenberg. Het antwoord daarop kwam op 10 sept 2021 binnen.

Het blijkt dat er behoorlijke problemen zijn met de riolering in de Geestenberg, zowel in het koop- als in het huurdeel. Er zijn noodmaatregelen in de wijk uitgevoerd en er zijn aparte passages in het Gemeentelijk Riolerings Plan 2019-2022 aan gewijd ( https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR630208/1 ).

De tekst van de technische vragen, en het antwoord daarop, zijn hieronder te vinden:

Binnen laagbouw van de De Geestenberg bestaan hoogteverschillen. Ruwweg ligt het Noordelijk en Oostelijk deel (met de huurwoningen) orde van grootte een meter hoger dan het zuidelijke en westelijke koopdeel. Dat valt niet meteen op omdat de wijk nogal wat microrelief kent op de schaal van meters tot decameters.

Nederland kent het Actueel Hoogtebestand van Nederland. Dat heeft een horizontale resolutie van een meter of minder.
De openingspagina van het bestand is https://www.ahn.nl/ahn-viewer . Vanaf daar wordt verwezen naar een viewer die rechstreeks heet https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ .

De viewer staat tot om hoogteprofielen voor een wijk te maken. Ik heb er hieronder drie afgedrukt, maar iedereen kan dat ook zelf (zoom in tot formaat Geestenberg, kies de TAB AHN2, zet een beginpunt van de lijn en een eindpunt met dubbelklik, en klaar). De bewering dat het zuidelijk en westelijk deel lager ligt, volgt vanzelf.

Hierbij een notitie over het gemeentelijk rioleringsplan, waarover op 16 nov 2021 in B&W beslist is. Voor De Geestenberg zie blz.3, onderdeel Cb .

Hieronder de flyer over de riolering, die de SP in de hele Geestenberg uitdeelt in de week voor Kerstmis 2021.



Update dd 05 december 2021

Voet van een PV-paneel
Bladeren voor de afvoeropening

Dialoog met Woonbedrijf over binnenstromend water vanaf het dak
Deze foto’s zijn met de nodige moeite gemaakt op het dak van de één woonlaag-woning.

Het gaat in De Geestenberg om platte daken, uitgevoerd in een kuipmodel, waarvan de waterafvoer inpandig is (de afvoerbuis overigens is niet geïsoleerd). De afvoeropening is dus niet vanaf een tegen de buitenmuur geplaatste ladder te bereiken. Anders dan andere woningen hebben deze woningen dus geen dakgoot en geen uitwendige regenpijp.
Bij de renovatie dd 2012-2013 zijn de daken voorzien van externe dakisolatie, en weer later zijn er op veel woningen zonnepanelen geplaatst.De analyse van de Werkgroep is dat de bladeren de opening van de inpandige afvoer verstoppen, dat dat versterkt is doordat de zonnepanelen de microturbulentie veranderd hebben (bladeren hopen zich op), en dat de gevolgen  steeds ernstiger zijn omdat het vaker en harder regent (klimaat).
Als de bladeren de afvoer verstoppen, leidt dat bij heftige regenval ertoe dat de kuip volloopt. Het water zoekt de zwakste plek en stroomt daar dan de woning binnen. Bij de woning waar deze foto’s genomen zijn, was dat een dilatatievoeg, die de voorkant van de woning verbindt met de achterkant. Het water kwam hier over de volle breedte van de woning uit het plafond gestroomd.
Behalve tot groot leed van de huurder leidde dat er ook toe dat medewerkers van Woonbedrijf de woning weer moesten opkalefateren.
Vergelijkbare verhalen zijn van meer adressen bekend. In één geval leidde van de trap stromend water tot een val, en in een ander geval werd de huurder uit de verzekering gegooid na herhaalde overstromingen.

Het standaardantwoord (“verplichting huurder indien bereikbaar, bij eengezinswoning tot 2 verdiepingen”) werkt hier dus niet omdat de huurders niet op het dak kunnen en misschien ook niet mogen.

Woonbedrijf moet hier echt iets mee. Dit gaat het vermogen van huurders te boven gaat (als het huurders überhaupt al toegestaan is op het dak te lopen), en vraagt om een professionele aanpak. Je zou kunnen denken aan eens per jaar een hoogwerker langs laten rijden met een soort bladerenstofzuiger, maar wellicht zijn er betere methodes.
Mogelijk is Woonbedrijf met een rondje hoogwerker per jaar minder geld kwijt dan met de voortdurende stroom ad hoc-reparaties. En bovendien kan Woonbedrijf mogelijk aansprakelijk gesteld worden als er fysiek letsel optreedt.
En het is ook in het belang van de huurders. Een eventuele kleine bijdrage moet dan misschien gezien worden als een soort verzekeringspremie tegen overstromingsschade, die vanwege het klimaat steeds ernstiger en frequenter wordt.

De Werkgroep heeft de suggestie opgeworpen (waarover dd dec 2021 nog geen besluit genomen is) om een collectief onderhoudscontract met een dakdekker te overwegen, om jaarljks de bladeren weg te vegen. Op zijn minst zou een vrijblijvend een offerte gevraagd kunnen worden.
Dit idee is door Woonbedrijf behoedzaam verwelkomd.

Het PlanMER RES MRE beschouwd

Ter inleiding
Ik heb onlangs in deze blog een artikel gewijd aan de beoordeling door de Brabantse Milieu Federatie (BMF) van de RES 1.0 – stukken, zoals die door de vier Brabantse RES-regio’s op tafel gelegd zijn. Zie BMF beoordeelt ingediende RES-plannen .

Bij de beoordeling van de concept-RES 1.0 van het gebied van de Metropool Regio Eindhoven (MRE) maakte de BMF het voorbehoud dat deze concept-RES nog niet goed beoordeelbaar is, omdat die afhankelijk was van een nog lopende PlanMER-grocudure. Dat klopt: de beoordeling door de BMF van de Concept-RES was gedateerd 14 april en de ter visielegging van het PlanMER loopt van 03 mei 2021 t/m 14 juni 2021.
Het PlanMER is opgesteld door Bosch & van Rijn en heet formeel “PlanMER grootschalige zon en wind Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven”. Hij gaat dus slechts over een deelaspect van de Concept-RES 1.0 (dus bijvoorbeeld niet over warmte).
De concept-RES 1.0 met bijlagen is te vinden op  https://energieregiomre.nl/waar+staan+we+nu/default.aspx ), en de bijbehorende PlanMER op www.planmerresmre.nl/pdf.html#pagemode=bookmarks (digitaal – bovenin ene TAB naar de .pdf-versie).

Het PlanMER is zuiver beschrijvend. Het geeft alleen de feiten en laat de keuzes aan de politiek.

Om een RES 1.0 – document vast te stellen is een PLanMER niet verplicht. Vijf van de 30 energieregio’s in den lande hebben, als pilot, ervoor gekozen om zo’n PlanMER op te doen stellen, waarvan het MRE-gebied er dus één is. Zie http://www.regionale-energiestrategie.nl/bibliotheek/ruimtegebruik/res+en+milieueffectrapportage+mer/1797126.aspx  . Het is me niet helemaal duidelijk in hoeverre dit bij de MRE een positieve of een  negatieve reden heeft (in dat laatste geval zou het equivalent zijn met de befaamde studiecommissie die onoverbrugbare geschillen uitstelt). Hoe dan ook, er ligt nu een interessant document en het uitstel is in elk geval bereikt.  

Het voorbehoud dat de BMF maakte bij de beoordeling van de concept-RES 1.0 van de MRE was terecht. Sommige  van de kritiekpunten komen in het PlanMER aan de orde, zoals bijvoorbeeld wat de BMF “concentratiegebieden” noemt en de PlanMER “energielandschappen”. Eigenlijk zou de BMF zijn analyse opnieuw moeten doen, met de PlanMER erbij.

Zoekgebieden

Nummering zoekgebieden 1 t/m 38

Toen de PlanMER startte, lagen er al 37 zoekgebieden al vast. Die zijn vastgesteld in politieke raadplegingsprocedures in eerdere stadia van de RES, en dus niet met een of andere rigoureuze methode binnen de PLanMER zelf. Men kan dat negatief uitleggen dat politieke (on)wenselijkheden aan het zoekproces voorafgegaan zijn, en positief dat er al bij voorbaat gebieden gezocht zijn met multifunctioneel ruimtegebruik.
Aan deze zoekgebieden is een gebied 38 toegevoegd, zijnde een strook van 300m breed aan weerszijden van de snelwegen (voor zover dat gebied niet al elders meegenomen was).
Deze 38 zoekgebieden staan op bovenstaande kaart.

Voor zonne-energie hebben de opstellers van de PlanMER het bij deze 38 gebieden gelaten.
Voor wind-energie hebben de opstellers er alle mogelijke gebieden aan toegevoegd die niet op basis van harde criteria verboden waren – welke harde criteria het grootste deel  van het MRE-gebied al uitsluiten. De meeste van deze toegevoegde locaties waren al aan de orde geweest in een eerdere PlanMER, die de Kempengemeenten al opgesteld hadden. Zodoende is er een lijst gemaakt met 33 locaties die in de 38 locaties lagen, 24 locaties die daar niet in lagen maar wel in de eerdere PlanMER van de Kempengemeenten, en 8 locaties die niet  in de 38 lagen en ook niet in de Kempengemeenten.

Het zijn nog “gebieden”. Een PLanMER heeft een zeker abstractieniveau dat op projectniveau verder moet worden uitgewerkt.

Het PlanMER rekent met als voorbeeld een Vestas V150 met een ashoogte van 150m en een rotorstraal van 75m. Het vermogen daarvan is 4,2MWen dat levert in het MRE-gebied (bij gemiddeld 7,3 m/sec windsnelheid) 15,3GWh netto op (dus ruim 3600 vollasturen).

Harde en zachte belemmeringen
Er zijn, op het abstractieniveau van een PLanMER, harde en zachte belemmeringen.

De harde belemmeringen voor windenergie zijn (blz 41-42 verkort weergegeven):

BelemmeringMinimale afstand (m)Opmerking

Harde belemmeringen
Buisleidingen225 (tiphoogte) 
Hoogspanning225 (tiphoogte) 
Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant (NNB)75 (wieklengte)Dit sluit aan bij het provinciaal beleid. Overdraai = ‘plaatsing in’.
Panden75 (wieklengte)Deze minimumafstand voorkomt overdraai boven gebouwen.
Spoorwegen86 (wieklengte + 11)Afstandseis Prorail.
Vaarwegen105 (wieklengte + 30)Hier is de Beleidslijn Rijkswaterstaat gevolgd..
Vliegverkeer en radarn.v.tDe invliegfunnels (de 300-voetszone) en de CNS-cirkels zijn harde belemmering
Wegen – rijkswegen75 (wiek-lengte)Alleen voor rijkswegen, beleidsregel gaat niet over provinciale wegen.
Wegen – overige wegen20 (fundering)  De fundering van de windturbine moet vrij van de verharding liggen.
Windturbines600 (4*rotordiameter)Vuistregel ter voorkoming van windafvang
Woningen400 meterVuistregel tegen normoverschrijding geluid en slagschaduw. De daadwerkelijke afstand is op het detailniveau van een PlanMER niet te bepalen.
Zachte belemmeringen 
Vliegverkeer en radarNaast de harde CNS-vlakken ziet dit PlanMER de 500-voetszone als zachte belemmering: hier gelden zeer strenge regels t.a.v. radarverstoring. Hoewel windturbines hier weinig kans maken (TNO), is realisatie niet op voorhand uit te sluiten. 
NNB langs grootschalige infraEen strook van 300m langs grootschalige infrastructuur is een zachte belemmering voor windparklocaties, vanwege art. 3.38 IOV NBrabant. 300 meter is gekozen om enerzijds de koppeling met de grootschalige infrastructuur niet te verliezen en anderzijds nog enige schuifruimte te hebben voor individuele windturbines. Windparklocaties mogen niet geheel binnen deze zone vallen. Grootschalige infrastructuur zijn: rijks- en provinciale wegen, doorgaande vaarwegen en spoorwegen. 

De harde belemmeringen voor zonne-energie zijn, verkort weergegeven (blz 45):

BelemmeringOmschrijving
Bos (20m)Een buffer van 20m is gehanteerd om schaduwwerping te voorkomen.
NNB (20m)NNB wordt met een buffer van 20m als belemmering meegenomen.
Natura 2000 (20m)Natura 2000 wordt met een buffer van 20m als belemmering meegenomen.
Militair oefenterreinTen noorden van Eindhoven Airport ligt een militair oefenterrein dat in deze analyse als geheel is uitgesloten voor de ontwikkeling van zonneparken.
Panden op bedrijventerreinenOm de mogelijkheden op bedrijventerreinen te onderzoeken, maar wel rekening te houden met de belemmeringen die daar spelen is voor de bedrijventerreinen een buffer aangehouden van 20m rondom aldaar gelegen panden.
RecreatiebestemmingenGebieden met enkelbestemming recreatie zijn meegenomen als belemmering.
Wegen (8m)Wegen worden met een buffer van 8m vanuit de hartlijn als belemmering meegenomen.
WoonkernenIn de belemmeringenkaart zijn alle woonkernen meegenomen als belemmering.

Binnen wat de harde en zachte belemmeringen overlaten gaan effectbeoordelingen een rol spelen. Die worden voor een groot aantal onderwerpen ingeschat. Vervolgens worden die effectafstanden als basis voor de rapportage gebruikt.
Naast de belemmeringen op het abstracte niveau van een PLanMER zijn er grootheden die van belang worden op het concrete niveau van een individueel project.

Het Activiteitenbesluit Milieubeheer staat bijvoorbeeld rond windturbines geluidsniveau’s vast van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight aan de gevel. In bovenstaande figuur (berekend vanuit drie genoemde voorbeeldturbines op een rij) valt de effectafstand van 500m  ongeveer overeen met de 47 dB Lden -contour (en idem 1000m en de 42 dB Lden -contour).
Laagfrequent geluid wordt geacht voldoende afgedekt te zijn met de 47 dB Lden -norm.
Bij overschrijding kunnen exploitanten de turbine op een stillere stand zetten, wat enig productieverlies tot gevolg heeft.

Voor de slagschaduw geldt een wettelijke norm van 17*20 minuten per jaar.
Voor de als voorbeeld gebruikte drie voorbeeldturbines op een rij leidt dat tot bovenstaande criterium.
Bij overschrijding moet de turbine tijdelijk stilgezet worden, wat bij afstanden > 400 a 500m nauwelijks tot productieverlies leidt.

Op effectafstanden tot natuurgebieden kom ik verderop terug.

Alles bijeen becijfert het PlanMER de volgende verzameltabel voor wind. Eerst enige toelichting:

  • De rode kleur onder “Afstand tot netcapaciteit” is omdat Enexis-hoofdstation Hapert tot 2030 waarschijnlijk zijn taak  niet aankan. Daaronder valt ongeveer het westelijke kwart van het MRE-gebied.
  • De tweede kolom “zoekgebied” bevat de nummering volgens de Concept-RES 1.0. De eerste nummering bevat alle mogelijke zoekgebieden, waarbij K op “Niet Concept-RES, wel Kempen” slaat en B op “Niet Concept-RES, niet Kempen”.
    De eerste kolom plukt uiteen wat in de Concept-RES als cluster gezien wordt, en in kolom 1 als meerdere kleinere opstellingen. 20-1, 20-2 en 20-3 in de eerste kolom zijn dus samen 20 in de tweede kolom.
  • Per hoofdje is een basis gedefinieerd voor wat donkergroen, lichtgroen, grijs (neutraal), lichtgeel en donkergeel genoemd wordt.
    In bijvoorbeeld het hoofdje “woningen<500m” bestaat groen niet, is grijs <10 gevoelige objecten (als regel woningen), lichtgeel 10-30 idem, en donkergeel > 30.
    In zoekgebied 1-1 staan er dus 22 woningen binnen 500m van de geschetste voorbeeldopstelling van drie Vesta 150 – turbines. Zie blz 70.
    Een voorbeeldturbine wordt geacht 15GWh/jaar op te brengen. Zijn het er <=3, dan is de score lichtgroen, idem >=4 donkergroen. Grijs betekent in deze kolom “Hapert, dus nee”.

Een vergelijkbare tabel voor zonne-energie, ook weer met toelichting:

  • De nummering is alleen die van de Concept-RES 1.0, dus 1 t/m 38 .
  • Jaaropbrengsten zijn donkergroen >100GWh, lichtgroen als 50<opbrengst <100 GWh, en grijs als < 50GWH of 0 vanwege “Hapert”. De eenheid van opbrengst is dus de GWh (1TWh = 1000GWh)
  • Men rekent als vuistregel in het MRE-gebied met 1GWh/hectare*jaar bij onbelemmerde (bruto) opbrengst
  • Er zijn twee opbrengstkolommen, “min” en “max”.
    Deze zijn gebaseerd op een combinatie van landschapstypes (beekdalen, jonge en oude zandontginning, Peelkern- en Peelrandontginning, urbane gebieden) en landschapsstrategieën (inpassen, aanpassen en transformeren – dat loopt van weinig ingrijpend naar zeer ingrijpend).
    Bij elke strategie hoort per landschapstype een percentage dat vol gezet kan worden met zonneparken (de “draagkracht”) zonder dat het gebied zijn karakteristieke uiterlijk verliest.
    “Min” is op basis van inpassing, “Max” is op basis van transformatie.
    Zoekgebied 1 bijvoorbeeld bestaat uit 452 hectare jonge zandontginning en 289 hectare oude zandontginning (zie par. 7.3.3). In de strategie “inpassing” mag de eerste categorie vol gezet worden voor 15% (68ha) en de tweede voor 13% (38ha). Dat levert dus bruto 106ha, dus 106 GWh/jaar. In praktijk moet daar wat af om  aan netto te komen (een beplantingsrand, onderhoudspaden en dergelijke) en zodoende komt men aan 98GWh.
    Hieronder een overzichtstabel van percentages per strategie per landschapstype. Deze tabel en de voorbeeld-berekening zijn te vinden in h7.5 van de PlanMER.
Inpassingsvoorbeeld van een zonnepark in een jonge zandontginning


De zon-tabel per slot van rekening:

De opbrengst van grootschalige wind en zon versus de vraag
Uiteindelijk komt het PlanMER uit

  • op een mogelijke windopbrengst van 1,65TWH (1650GWh). Dat is op basis van de 38 zoekgebieden uit de Concept-RES 1.0 (dus zonder de daar aan toegevoegde extra zoekgebieden), en inclusief twee zoekgebieden die vanwege “Hapert” tot 2030 waarschijnlijk niet kunnen leveren. Exclusief die twee zoekgebieden is de som 1,28TWh.
  • Op een mogelijke zonopbrengst van 1,5TWh (in de minimale strategie “inpassing”) of 5,3TWh (in de maximale strategie “Transformeren”).

De Concept-RES 1.0 verdeelt de zelfopgelegde duurzame elektriciteitstaak van 2,0TWh uit wind en grootschalige zon als volgt:

  • 0,51TWh staat er al
  • 0,64TWh zit in de pijplijn (er is al een SDE+ – subsidie)
  • 0,28TWh zit in toekomstige “no regret-maatregelen”. Het gaat om zonprojecten die boven de RES-drempel vallen (1500kWpiek ) en dus meetellen, maar die zo klein ziojn dat ze op niet of weinig omstreden locaties passen als grote daken, vuilstorten, geluidsschermen, het vliegveld, etc).
  • Nog te realiseren op basis van grootschalige wind- en zonneparken 0,57TWh.

Het PlanMER moet dus 0,57TWh “leveren” en op zich lukt dat dus. Zelfs exclusief “Hapert” en bij de minst vergaande vorm van zonne-energie (inpassen) komt het PlanMER op 1,28 +  1,5TWh = 2,78TWh.
In de vormgeving van grootschalige zon- en windparken, zoals geëist op basis van het RES-programma) is dus wel ruimte voor enige mate van bestuurlijk compromis.

De vervolgdiscussie is moeilijker.

De RES gaat  niet alleen over grootschalige zon en wind, maar ook over warmte. Het PlanMER gaat daar niet over, want dat was niet gevraagd.
Maar als die warmte duurzaam geleverd moet worden in een regio, die vooralsnog niet over veel rest- en bodemwarmte beschikt, en die dus grotendeels elektrisch opgewekt moet worden, kost dat stroom. De Concept-RES 1.0 noemt op blz 37 een bedrag van 1,5TWh in 2050 wat, omdat dit in 2030 nog maar voor ongeveer 20% gerealiseerd hoeft te worden, in 2030 ongeveer 0,3TWh vraagt (met de nodige onzekerheid).
De vraag is of die 0,3TWh een reëel getal is en vervolgens, of die 0,3TWh deel uitmaakt van de 2,0TWh, of er boven op gezet moet worden.
De gebruikte formuleringen lijken er op te wijzen dat het “deel uitmaken van” is, maar dat lost een politiek probleem op en geen probleem in de echte wereld.

(Visualisatie van windparken. Tiphoogte bij voorbeeldturbine in dit verhaal is 225m)

Energie-autarkisch of niet?
De RES is slechts één van de afspraken, die gemaakt is in het kader van het Klimaatakkoord. Er is of komt ook een elektriciteitsvraag vanwege de waterstofeconomie, synthetische kerosine, de verduurzaming van het bedrijfsleven, enz. Ik verwacht zelf dat de nationale vraag naar duurzame elektriciteit enige malen groter wordt dan de huidige 120TWh. Dit zeker na het recente Shell-vonnis in de zaak van Milieudefensie en anderen.

De eerste vraag is nu of wij net doen of de vraagtoename een natuurwet is, of dat we bepaalde activiteiten verminderen of er zelfs afscheid van nemen. In het MRE-gebied bijvoorbeeld: moeten we het vliegvolume op Eindhoven Airport als natuurwet accepteren, of moeten we het gewoon rantsoeneren? Dus een grens aan brandstof en eventueel stroom.
De tweede vraag is of Nederland naar moeten streven om vraag naar duurzame energie, waaronder duurzame stroom, in eigen huis op te vangen (dus autarkisch zijn). Nederland is nu ook niet energie-autarkisch, Veruit het grootste deel van onze energie op dit moment wordt ingevoerd.

Verbijzonderd naar het PlanMER wordt de vraag of de beschikbare mogelijkheden voor grootschalige zon en wind inderdaad allemaal opgebruikt moeten worden.
De 0,57TWh, die nu gevraagd wordt, zal zichtbare, maar nog geen dramatische gevolgen in het landschap hebben. Dat wordt meer door de toekomst van de landbouw bepaald dan door de toekomst van de energie.
Maar als de grootschalige levering van wind- en zonnestroom richting 1,65 + 5,3TWh zou gaan, wordt het mogelijk een ander verhaal.

Er start nu de landelijke discussie rond het Programma Energiehoofdstructuur, waartoe bouwstenen aangeleverd zijn zoals bijvoorbeeld “Grote opgaven in een beperkte ruimte” van het PBL en “Vier klimaatneutrale energiescenario’s 2050  van Kalavasta en Berenschot, waarin bijvoorbeeld ook importscenario’s zitten.
Nu kun je nog niet veel met import, want er zijn nog geen landen die in 2030 duurzame energie en stroom over hebben. Maar de discussie daarover moet snel beginnen.
Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=15349 en https://www.bjmgerard.nl/?p=15387 .

Op dit moment valt er echter nog geen peil op te trekken welke uitkomst deze discussie heeft en op welke termijn die uitkomst nagestreefd wordt. Ik doe hierover op dit moment geen uitspraak.

Visualisatie van de omstreden windturbines bij Bladel, met één turbine in de NNB)

De BMF-brief over vogels
Op 25 mei 2021 heeft de Brabantse Milieu Federatie (BMF), mede namens het Brabants Landschap en Natuurmonumenten, een brief aan Provinciale Staten (PS) gestuurd om de bespreking van de RES in PS dd 28 mei te beïnvloeden. Een meerderheid in PS wees de wensen van de BMF af. De portefeuillehouder Van der Maat: “We begrijpen het en tegelijk vinden we het te kort door de bocht.” Voor windmolens in de buurt van natuur wil hij maatwerk.
Ik ben geen fan van VVD-er Van der Maat, maar in deze ben ik het ongeveer met hem eens.

De BMF wil

  • Zon en wind uitsluiten uit het NatuurNetwerk Brabant (NNB), ook in uitzonderingssituaties
  • Minstens 500m afstand tussen windturbines en de grens van het NNB
  • Minstens 1200m afstand tussen windturbines en weidevogelkerngebieden

Het PlanMER bevat, net als bij de eerder genoemde onderwerpen geluid en slagschaduw, ook voor de fauna effectschattingen en bijbehorende afstanden (h.6.6). Deze gaan minder ver als de wensen van de BMF. De PLanMER noemt afstanden die afhankelijk zijn van het soort natuurgebied en de vogelcategorie. De PLanMER ondersteunt, net als de BMF, zijn opvattingen met literatuur en SOVON-tellingen.

Samenvattend is het richtlijnensysteem van de PlanMER in een tabel onder te brengen (PlanMER blz 99).

Richtafstanden als beoordelingsgrondslag bij verschillende categorieën dieren en natuurgebieden

Dit te lezen als volgt:
Windturbines worden geacht geen significant effect (grijs) te hebben als ze >500m van een VogelRichtlijngebied (VR) af staan of >75m bij Habitatrichtlijngebieden (HR) of >200m van de NNB af staan (bij de BMF 500m), of als er in een gebied minder dan 22 beschermde soorten broedvogels zitten.
Enzovoort.

Kijkt men nu terug op de eerdere “Samenvattende beoordelingstabel windparklocaties”, dan ziet men dat geen enkel zoekgebied in staat is om zelfs onder de soepeler criteria van de PLanMER een score met allemaal grijs te krijgen, laat staan onder de veel scherpere criteria van de BMF.
Het BMF-voorstel betekent effectief een absoluut verbod op nieuwe windturbines in Zuidoost Brabant.

Daar staat tegenover dat de gevolgen van de klimaatopwarming voor de ecologie ook ernstig kunnen zijn (bijvoorbeeld habitatverlies door verdroging, bosbranden, ziektes of invasieve soorten). En dat de Wageningse studie, die de BMF noemt, ook een aantal mitigerende mogelijkheden noemt, zoals tijdelijk stilstand van turbines of markerende beschildering.
Verder kan de ecologie aanmerkelijk verbeterd worden door een gelijktijdig terugdringen van de rol van de intensieve landbouw.

Ook economische en technische redenen pleiten voor een bepaalde hoeveelheid windturbines in de energiemix. Bij een mix van zon en wind is bijvoorbeeld de productie gelijkmatiger.

Ik wil op dit moment, mede omdat de toekomst van de opwekking van duurzame elektriciteit nog niet vast staat, in dit spanningsveld geen categoraal verbod op windturbines in het MRE-gebied uitspreken, zoals de BMF feitelijk voorstelt. Ik vind het een afwegingssituatie met individuele kenmerken.

Toepassing van de strategieën inpassing – aanpassing – transformatie in een jonge zandontginning

BMF beoordeelt ingediende RES-plannen

Tijdslijn van de landelijke RES-operatie

De nationale link van het nationaal Programma RES is te vinden op www.regionale-energiestrategie.nl/home/default.aspx .

Criteria, wie ze definieert, en hoe
De Brabantse Milieu Federatie (BMF) heeft de ingediende RES-plannen (Regionale Energie Strategie) van de vier Brabantse RES-regio’s bestudeerd en beoordeeld. Dat doet ze op basis van een gemeenschappelijke visie van de BMF, Natuurmonumenten en Brabants Landschap, en ook op basis van een consultatie van ruim 100 Brabanders tijdens verschillende bijeenkomsten. De visie heet Energieopgaven en het Brabantse landschap en bevat zeven paragrafen. Deze visie is hieronder als bijlage toegevoegd.

Om de RES-plannen scoorbaar te maken, zijn de paragrafen onderverdeeld in 3*4 kleinere brokken:

  1. Energieopgave
    a)   Ambitie elektriciteit
    b)   Ambitie warmte
    c)   Besparing
    d)   Zon op verharding
  2. Zorgvuldig ruimtegebruik
    e)   Zonneladder
    f)   Windladder
    g)   Natuurpanorama’s
    h)   Concentratiegebieden
  3. Maatschappelijk draagvlak
    i)    Lokaal eigendom
    j)    Procesparticipatie
    k)   Maatschappelijke kosten en baten
    l)    Borging in beleid

Het geheel resulteert uiteindelijk in een ‘stoplicht-beoordeling’ per brokje, en die samen in een rapportcijfer.
In het hierna volgende neem ik per RES-gebied de infographic over. Bij mij is die statisch, maar in de bijgevoegde link staat de dynamische versie.
De infographic bevat ook de goede en slechte punten van het RES-plan in kwestie.

Verder per infographic een link naar een artikel van mijzelf op deze site over de betreffende RES. Mijn artikelen zijn geschreven op basis van de (toen juist aangeleverde) concept-RESsen 1.0.

Van de RES-regio West-Brabant, Hart van Brabant, en Noordoost-Brabant is de versie 1.0 inmiddels aangeleverd. De zelfbenoemde slimste regio van Nederland, het MRE-gebied, is nog niet verder dan een tweede concept van de RES 1.0. Daar hebben ze tot 1 juli 2021 de tijd voor, wat lastig is omdat de inspraak voor de bijbehorende PlanMER loopt t/m 10 juni.

Mijn mening
Ik ben lid van de BMF en Natuurmonumenten, ik waardeer over het algemeen de mening van de BMF en in mindere mate die  van Natuurmonumenten. De meningen van Het Brabants Landschap ken ik niet goed genoeg.
Ik vind bovenstaande systematiek alleszins verantwoord opgezet.
Desalniettemin zijn genoemde natuurorganisaties belangenbehartigers in een complex krachtenveld waarin hun opinies, in mijn optiek, zwaar maar niet oneindig zwaar wegen. De som van alle inspanningen moet er wel toe leiden dat Nederland over 50 jaar niet voor een groot deel onder water staat, want dat is ook niet best voor de natuur (althans, voor de boven water-natuur).
En uiteraard zijn er ook economische en politieke en maatschappelijke belangen.

In elk geval moet, naar mijn mening, de lopende RES-operatie in 2030 geheel afgerond zijn met op zijn minst (pakweg) een zeven voor de BMF-beoordeling.

De infographics

Bijbehorende link is www.brabantsemilieufederatie.nl/nieuws/infographic-res-1-0-west-brabant-krijgt-rapportcijfer-7-met-kanttekening/

De kanttekening is: “Door in de RES 1.0 sterk in te zetten op zon-op-dak en vooral bestaande windparken te vernieuwen en uit te breiden blijft de impact op natuur en landschap beperkt. Onze kanttekening betreft met name de ontwikkeling van windlocaties in de zuidelijke gebieden ná 2030. Wat ons betreft zijn andere locaties voor windturbines in West-Brabant logischer en meer geschikt.”

www.bjmgerard.nl/?p=12919

Bijbehorende link is www.brabantsemilieufederatie.nl/nieuws/reks-1-0-hart-van-brabant-krijgt-ruim-voldoende/

www.bjmgerard.nl/?p=12285

Bijbehorende link is www.brabantsemilieufederatie.nl/nieuws/infographic-res-noordoost-brabant-haalt-doelen-niet/

(Deze regio is er niet in geslaagd om regionale bindende afspraken te maken voor de energietransitie)

www.bjmgerard.nl/?p=12493

Bijbehorende link is www.brabantsemilieufederatie.nl/nieuws/huiswerk-voor-res-1-0-van-metropoolregio-eindhoven/

Commentaar: Voor een deel wordt de onvoldoende bepaald doordat er nog veel onduidelijk is en nader uitgewerkt moet worden. Zo is de verdeling van de totale opgave van 2 TWh naar zon-op-dak, zon-op-land, en wind-op-land nog niet gemaakt. Ook is de verdeling naar gemeenten nog onbekend. De reden ligt deels in het volgen van een plan milieueffectrapportage (plan m.e.r.) procedure, waarvan de uitkomsten de komende maanden worden meegenomen in de definitieve RES 1.0.

www.bjmgerard.nl/?p=13055

Lunchlezing TU/e over toenemend rendement zonnepanelen

Initiatieven op de TU/e voor buitenstaanders
De Eindhovense TU/e heeft interessante presentaties, die gratis zijn en ook voor buitenstaanders toegankelijk. Af en toe pik er een stukje bijscholing op.

Zo zijn er de lunchlezingen van een uur van EIRES (het Eindhoven Institute for Renewable Energy Systems). De pagina is www.tue.nl/en/research/institutes/eindhoven-institute-for-renewable-energy-systems/events/eires-lunch-lectures/ .

Verder is er vier keer per jaar een Energy Day (ca 3 uur durend). Zie www.tue.nl/en/research/research-areas/energy/energy-days/ .

Perovskiet
By Rob Lavinsky, iRocks.com – CC-BY-SA-3.0, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10146594


Groeiend rendement zonnepanelen
Op 12 maart 2021 heb ik (digitaal) een lunchlezing bijgewoond van Prof. Dr. Steve Albrecht van het Helmholtz-Zentrum Berlin & Technische Universität Berlin . In een half uur knalde hij er een heleboel sheets uit, waarvan ik er de meest gebruikersgerichte eruit haal.

Albrecht is hoofd van de groep die “perovskite tandem solar cells” onderzoekt. Zijn groep is te vinden op www.helmholtz-berlin.de/forschung/oe/se/perovskite-tandemsolarcells/index_en.html .

Perovskite is in zijn oorspronkelijke vorm een dieptegesteente (CaTiO3). Daarom is het van nature in de omstandigheden aan de aardoppervlakte niet stabiel.
De research komt er op neer om a) stabiel te verpakken en b) de basisformule te veralgemeniseren tot de vorm ABX3 , door welke verruiming men op allerlei manieren met het materiaal kan spelen.
Het kristalrooster heeft de vorm van diamant.

Kort door de bocht komt het verhaal er op neer dat je een laag silicium en een laag perovskiet tegen elkaar monteert (vandaar het woord ‘tandem’), en dat dan de twee materialen elk een stuk van het zonnespectrum in energie omzetten dat de ander niet gebruikt. Het zonnespectrum wordt dus efficienter gebruikt.
In beginsel is dit uitbreidbaar naar meer lagen, maar daar kwam de lunchlezing niet aan toe.

Het record van het Helmholtz stond in december 2020 op iets boven de 29%, maar de meeste constructies halen momenteel rond de 25%.
Let wel dat dit allemaal nog laboratoriumschaal is, en nog maar betrekkelijk kort getest. Er is nog geen massaproductie.

Er zijn meer instituten bezig. De TU/e heeft zelf een onderzoeksgroep ( www.tue.nl/en/research/research-groups/materials-simulation-modelling/impacts/perovskite-solar-cells/ ). Solliance is er mee bezig ( www.solliance.eu/shared-research/srp-perovskite-based-solar-cells/ ), en op deze site heeft al eerder een artikel gestaan over onderzoek vna ECN en Solliance ( www.bjmgerard.nl/?p=9039 ).

Rendement in overheidsdocumenten stijgt
De “vier scenario-studie” dd 2020 van Kalavasta en Berenschot, die van 2030 tot 2050 loopt, hanteert een PV-rendement van 24% (zie www.bjmgerard.nl/?p=15387 ).
In het recente (april 2021) rapport “Ruimtelijk potentieel van zonnestroom in Nederland”, waarover ik hoop binnenkort een artikel te kunnen schrijven, wordt gewerkt met 23%.

Ter vergelijking: toen ik in maart 2014 een paar zonnepanelen heb laten plaatsen, was het rendement nog 16% .

Vier scenario’s voor Het energiesysteem van de toekomst

Inleiding
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat ““Gasunie en TenneT samen met de regionale netbeheerders in 2019 het initiatief nemen om een integrale infrastructuurverkenning 2030-2050 op te stellen waarin inzichten vanuit de energiesector, vraagontwikkeling in de industrie en bevindingen vanuit de regionale energiestrategieën (RES’en) worden meegenomen. …. . Deze infrastructuurverkenning 2030-2050 dient als leidraad voor onder andere de investeringsplannen van de netbeheerders en voor investeringen door marktpartijen. De verkenning is gereed in 2021.”
Dit gebeuren heet inmiddels in de volksmond II3050.
Dit project verondersteld dat de afspraken in het Klimaatakkoord voor 2030 afgewerkt zijn, en meer specifiek dat de Regionale Energie Strategieën (RES-sen) hun doel bereikt hebben.

Het proces II3050 is in drie etappes verlopen, waarvan fase 1 en fase 3 tot een openbaar rapport geleid hebben.
Het rapport na fase 1 is van Berenschot en Kalavasta en heet “Klimaatneutrale energiescenario’s 2050”. Tegelijk met fase 1 is er, ook op 31 maart 2020, een rapport uitgebracht, in lijn met het eerdergenoemde,  door PosadMaxwan en Generation Energy “Ruimtelijke uitwerking Energiescenario’s”. Je zou dat, met een beetje goede wil, fase 1A kunnen noemen.
Beide rapporten zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/15/kamerbrief-klimaatneutrale-energiescenarios-2050 .
Het rapport na fase 3 is van de Gasunie, TenneT en de regionale netbeheerders (in Brabant Enexis). Het is gedateerd 29 apr 2021 en heet “Het energiesysteem van de toekomst”. Het is een fors rapport en zelfs de samenvatting is nog fors. Het is te vinden op www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2021Z07126&did=2021D15759 of op de site van de Gasunie www.gasunie.nl/energietransitie/energiesysteem-van-de-toekomst .

Dit artikel gaat over alle drie tegelijk.

Zienswijzeprocedure ‘Het energiesysteem van de toekomst’
Tegelijk met het verschijnen van ‘Het energiesysteem van de toekomst’ start het Rijk met een grote procedure, het “Programma Energiehoofdstructuur”. Op 20 mei 2020 gaf (toen nog) minister Wiebes in een Kamerbrief aan wat hem daarbij voor ogen stond. De brief en de Startnotitie voor dit programma zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/05/20/kamerbrief-over-afbakening-programma-energiehoofdstructuur .
Inmiddels is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau bij dit Programma Energiehoofdstructuur uit, waarop men een zienswijze kan indienen van 30 april t/m 10 juni 2021. De formaliteiten, alsmede toegang tot deze NRD-notitie, kan op www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/overige-projecten/programma-energiehoofdstructuur .
Ik raad iedereen aan om alvast van zich te laten horen. Dat houdt ook mogelijkheden open voor de toekomst.

De hier besproken documenten over de energiescenario’s, alsmede de recente publicatie  van het PBL over het toekomstig ruimtegebruik in Nederland ( www.bjmgerard.nl/?p=15349 ), kan men zien als een soort onderlegger voor deze zienswijze op de NRD.

De vier scenario’s en ga er niet niet alleen op het gevoel mee om
Berenschot en Kalavasta hebben er voor gekozen om vier scenario’s te ontwikkelen, die zich onderscheiden door wie er de belangrijkste zeggenschap heeft: de regio, de Nederlandse Staat, de EU of de wereldmarkt.
De scenario’s zijn bedoeld als denkexercities. Je hoeft niet voor een van de vier te kiezen. Zie ze als cornervlaggen bij een voetbalveld: ze markeren de uiterste posities, maar ertussen in speelt zich het spel af. Combinaties zijn mogelijk.

Bij elk scenario hoort een set kenmerken, waarvan hierna een overzicht.

Alle scenario’s bevatten slechts zakelijk-energetische kenmerken als Watt-en, Watt-en per km2 , omzettingsrendementen, kunstmestproductie, kosten en dergelijke.
Voor veel mensen zijn uiteraard ook niet-energetische argumenten van belang als de objectieve staat van de natuur en de menselijke beleving daarvan (dat zijn twee verschillende dingen), windmolenherrie en slagschaduwen, recreatiemogelijkheden, het landschap, niet-energetische toepassingen als mais en koeien. Dat geeft spanningsvelden die momenteel uitvoerig naar voren komen.

De scenario’s zelf zijn niet politiek of ideologisch – het is alleen maar een gedachtenoefening. Maar de mensen die er iets van vinden, kunnen wel een politieke of ideologische achtergrond hebben. Ik denk dat de gemiddelde Milieudefensie- of Greenpeace-aanhanger mentaal dichtbij scenario Regionale Sturing zit, en dat scenario Internationale Sturing aantrekkelijk is voor mensen die een groene versie van een neoliberale energiemarktaanpak zoeken.
Maar de gemiddelde Milieudefensie-activist heeft, behalve interesse in energie en klimaat, vaak ook interesse in het landschap en dat botst, want het Regionale Sturingscenario heeft ook de meeste wind- en zonneparken. Waartegen over staat dat in dit scenario de kringlooplandbouw verondersteld wordt, en daarmee dat de kunstmest grotendeels afgeschaft wordt.

Ik kan dus lezers dezes uit milieu-activistische kring slechts aanraden de primaire politieke reflexen even te onderdrukken, en serieus na te denken of toch niet een grotere import van stroom of stroom, verpakt in waterstof, aanvaardbaar is. En of je toch niet, nolens volens, na moet denken over onderwerpen die minder ruimtebeslag  vragen als biomassa uit reststromen.
En ik zou deze lezer willen aanraden de reflex te onderdrukken dat klein altijd fijn is, en dat elk bedrijf even verwerpelijk is, en dat CO2 onder de grond per definitie van de duivel is. De lezer heeft minder keus dan hij wellicht denkt.

Persoonlijk denk ik dat de toekomst zit in een mix van het meeste regionaal, met ambitie en organisatie van nationaal en zekere importmogelijkheden uit de EU (en het ETS als stok achter de deur). En persoonlijk zou ik politieke oordelen vellen over de wenselijkheid van sommige activiteiten, zoals de verkoop van de halve opbrengst van een wind op zee-park aan Amazon ( https://nos.nl/artikel/2367804-amazon-koopt-halve-stroomproductie-nederlands-windpark ) of hoe ver de wenselijkheid van datacenters gaat en wie daar de baas over is (weinig dingen zo slecht voor het energiebudget als Netflixen), en of wij inderdaad onze windmolens op zee voor 30% moeten inzetten om synthetische kerosine voor Schiphol te maken.

Dit gaat niet over de scenario’s zelf (die zijn redelijk objectief), maar over de omgang ermee. Ik pleit hier voor een doordachte, rationele en geïnformeerde omgang die verder gaat dan alleen maar gevoelens van diverse aard.

Sankeydiagrammen
Het werkstuk van de netbeheerders geeft een presentatietechniek, die Berenschot en Kalavasta niet geven, namelijk Sankeydiagrammen. Die zijn erg fijn om dingen uit te leggen.
 

De diagrammen geven de energiestromen inclusief de energie die in producten verwerkt zit (bijvoorbeeld in plastic of kunstmest), en inclusief dat deel van de synthetische brandstof voor scheep- en luchtvaart dat binnen Nederland gemaakt wordt.
De cijfers zijn voor 2050.
Links komt de energie het systeem binnen, naar onderen lopen de omzettingsverliezen, en rechts komt de energie het systeem weer uit. Het systeem is het Nederlandse energiebudget.

Wat betekenen de energiescenario’s in hectares op de grond?
Voor als iemand wil rekenen wat een TWh of een PJ betekent hebben PosadMaxwan en Generation Energy vuistregels gegeven.

(Bij zon moet kW als kWpiek gelezen worden. In Nederland komt 1 kWpiek –> 950kWh/y redelijk uit.
Bij wind op land komt 1kW –> 2500kWh redelijk uit, maar dat wisselt hoever men van zee woont en naargelang de omgeving. Op zee komt 1kW –> 4500kWh redelijk uit.
Als er bij wind op land staat 4MW/km2 , moet men dat in gedachten lezen dat één forse turbine van 4MW op een cirkel  staat van 564m. )
( Dit schema is vanwege de leesbaarheid incompleet. De cijfers bij de twee niet-getoonde scenario’s zijn echter een stuk lager.
Het is van Posad en dus zitten er slordigheidsfouten in dit schema.
Lees dit als volgt: panelen op het dak halen 195MWpiek per km2 (dat is netto). Op bestaande gebouwen is in theorie 1250km2 dak beschikbaar, maar in praktijk 26% daarvan dus 325km2, genoeg voor 63MWpiek. In het Regionale Sturing – scenario wordt 42MWpiek gewenst. Dus deze wens past op 66% van de realiter beschikbare dakoppervlak.
Zonneparken brengen per km2 minder op, omdat daar een deel niet bebouwd is (bruto). Enz.)

Brabant spreekt in de gezamenlijke RES-sen 7,0TWh (25PJ) af aan wind en grootschalige zon.
Een aannemelijke invulling zou zijn 1,2TWh wind (volledige uitvoering van het Brabantse deel van de 470,5MW uit de Structuurvisie Wind op Land) en 5,8TWh grootschalige zon (in de wei en op het dak alleen als dat dak groot genoeg is).
Aan wind zou dat vragen in Brabant ca 160 turbines van 3MW.
Aan zon vraagt dat om ongeveer 6000MWpiek en dus om 100km2 als de opstelling geheel extensief in de wei is, om 40km2 als de opstelling geheel intensief in de wei is, en 30km2 als de opstelling geheel op grootschalig dak zou staan. Waarschijnlijk wordt het combi.
Brabant is ruim 5000km2 , dus een dergelijke invulling zou 1 a 2% van de oppervlakte vragen – een typische waarde in de RES-sen.
Extensieve zonneparken zijn zeer wel met andere functies te combineren.

Men moet het leed niet overdrijven.


De industrie
Hier treden soms interessante effecten op.
Grofweg wordt die geacht jaarlijks te groeien met -1, 0, 1,1 % per respectievelijk scenario.
Bij industrieën waar niets speciaals mee gebeurt, zoals aluminium en voeding, leidt dat tot bovenstaande percentages.
Raffinage neemt sterk af. Bij de twee laagste scenario’s verdwijnt alle ruwe olie uit de circulatie en wordt vervangen door pyrolyse van afvalplastic (waarvoor waarschijnlijk import nodig is), en bij de twee hoogste scenario’s blijft fossiele olie in gebruik als feedstock voor producten, maar dat is wel fors minder.
Kunstmest duikelt in de laagste twee scenario’s omdat de landbouwpraktijk geacht wordt circulair te worden, waardoor veel minder nodig is.

In het regionaliseringshoofdstuk zijn er de vijf belangrijkste clusters apart uitgelicht.
Dat betreft in mijn deel van de wereld Rotterdam-Moerdijk, maar dat valt niet uit te splitsen naar alleen Moerdijk, en Chemelot bij Geleen (wat men vroeger het DSM-terrein noemde).
Chemelot is een bedrijfsterrein met een heleboel bedrijven erop, die een onderlinge wisselwerking hebben. Het is een beetje geforceerd om die in categorieën op te splitsen die handig zijn in de indeling van Berenschot en Kalavasta, maar als je dat toch doet, geeft dat interessante energiecijfers.

De verschillen tussen de vier scenario’s zijn niet gering.

Vliegtuigen en schepen
In Nederland getankte brandstof voor grensoverschrijdende vliegtuigen en schepen (de zogenaamde “bunkers”) valt niet onder het Nederlandse energiebudget en is daarmee extraterritoriaal. Dat is een van de redenen waarom er niet gewoon BTW en accijns voor betaald wordt.
Omdat de Rotterdamse haven en Schiphol erg groot zijn, gaat het om veel energie : in 2015 160PJ voor de luchtvaart en 510PJ voor de scheepvaart. In 2019 was het 714PJ (ter vergeljking: het totale primaire energiegebruik in Nederland in 2019, zonder lucht- en scheepvaart, was 3047PJ (CBS))
Berenschot en Kalavasta wagen zich niet aan de politieke vraag waarom Nederland zou moeten opdraaien voor het verduurzamen van een extraterritoriale energie waarvoor geen belasting betaald wordt. Evenmin stellen ze vragen bij de groeipercentages van (opnieuw) -1, 0, +1, +1% in de respectievelijke scenario’s voor de scheepvaart en -1, 0, +1 en +2% voor de luchtvaart.

Ze benaderen het probleem slechts technisch:”zijn wij in staat dit budget binnen Nederland te verduurzamen?”. Hun antwoord is “grotendeels niet” en voor het deel wat niet lukt, is extra import nodig en die heeft geen gevolgen voor Nederlands handelen.

Het deel wat wel lukt, komt tamelijk arbitrair tot stand. In het scenario Nationale Sturing staat de Noordzee ingeboekt voor 51,5PJ wind en het Klimaatakkoord staat 72PJ toe. Men kent nu het verschil van 21,5PJ (40% van 51,5) geheel aan synthetische brandstoffen voor lucht- en scheepvaart toe. Vervolgens wordt die 40% ook (arbitrair) aan de andere scenario’s toegerekend.
Uit het gehanteerde voorbeeld voor 2019 blijkt dat Kalavasta rekent met een omzettingsrendement van stroom in waterstof van 66%, en van stroom in brandstof van 52% . Er zijn mensen die dat optimistisch vinden, maar Kalavasta geldt hier wel als een authoriteit.
TNO hanteert in andere studies vergelijkbare percentages.

Vervoer
Wat plaatjes die voor zichzelf spreken.

Verbruik totale mobiliteit in absolute getallen.
De verdeling van het personenvervoer (boven) en vrachtvervoer (onder) over categorieën)


Huishoudens
Huishoudens gebruiken elektriciteit voor apparaten, elektriciteit voor warmte (via, al dan niet hybride met groen gas of waterstof, warmtepompen), en warmte uit andere bronnen. Onderstaand diagram bevat al deze posten.

Deze afbeelding vraagt enige uitleg.
De posten zonder streepjeslijn erom heen zijn individueel, die met een streepjeslijn erom heen komen via een warmtenet. Ongestreept lichtgrijs is een individuele gasketel, gestreept lichtgrijs is warmte via een gasgestookt warmtenet. Geothermie, AVI en restwarmte zijn altijd warmte en altijd via een warmtenet. Zonthermie is in praktijk individueel, maar het kan ook een warmtenet voeden.
Warmtepompen verplaatsen vooral warmte. Met bijvoorbeeld 1GJ stroom kan een warmtepomp 4GJ warmte een huis binnenbrengen. De resterende 3GJ komen uit de omgeving (atmosfeer, oppervlaktewater of bodem). Die verplaatste warmte wordt voorgesteld door witte omstreepte hokjes.

Onderstaande tabel geeft de aannames, die ten grondslag liggen aan bovenstaand diagram.