De GGD legt uit:” Luchtvervuiling is na roken de belangrijkste veroorzaker van ziekte en sterfte in Nederland. De gezondheidseffecten zijn vergelijkbaar met het dagelijks meeroken van vier sigaretten. Bij één op de zes kinderen met astma is dat toe te schrijven aan luchtverontreiniging. Gemiddeld leven Nederlanders hierdoor tien maanden korter. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukt dat elke verbetering van luchtkwaliteit gezondheidswinst oplevert.”
Juridisch krijgt dit vorm doordat het aangescherpte WHO-advies m.b.t. luchtnormen vanaf 2030 via de EU ook tot scherpere luchtnormen in Nederland gaat leiden (hoewel de EU-normen minder ver worden aangescherpt dan de WHO adviseert).
Hier ligt een verantwoordelijkheid voor de lagere overheden en de GGD probeert daaraan tegemoet te komen met een maatregelenpakket op de uitgesplitste gebieden wegverkeer; houtstook; landbouw; industrie; scheepvaart; luchtvaart; mobiele werktuigen; handel, diensten, overheid; consumenten overig. Zie https://ggdghor.nl/onderwerp/effectieve-maatregelen-gezonde-lucht/ .
Het overzicht is gestructureerd en breed maar gaat, naar mijn mening, niet heel diep. Misschien is dat voor adviezen aan lagere overheden beter.
Moleculaire mechanismen voor het ontstaan van roet uit aromatische verbindingen
Bij ‘Luchtvaart’ staan twee adviezen “verbied het maken van dienstreizen door eigen personeel per vliegtuig voor korte en middellange afstanden.” en “Zet in op elektrificatie van grondmaterieel op de luchthavens”. Beide zijn oud nieuws. De bewering overigens van de GGD dat ultrafijn stof (UFS) van zwavel in de kerosine komt is maar de halve waarheid. Er komt ook UFS in de lucht door onvolledige verbranding van (met name) onverzadigde koolwaterstoffen. Die vormen eerst individuele Pak-moleculen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) en die klonteren tot in of voorbij het UFS-stadium (en dan worden ze roet). Als je zoveel waterstof hebt dat je substantiële hoeveelheden kerosine zwavelvrij kunt maken, kun je ook overwegen om gewoon rechtstreeks synthetische kerosine te maken. Maar goed, de maatregel is wel een verbetering.
Bij “consument overig” staan voor de hand liggende voorbeelden als handhaving van het vuurwerkverbod, barbecue-vrije gebieden en als dan toch, dan een elektrische barbecueën en rookverbod in het openbaar.
Bij “mobiele werktuigen” staan een paar aanbevelingen die bij het brede publiek wat minder een deja vu – gevoel geven, omdat dat brede publiek nu eenmaal niet zoveel met mobiele werktuigen te maken heeft (kranen, stoomwalsen, veegwagens en zo). De aanbeveling “Word lid van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)” kan voor gemeenten zinvol zijn, aan “het verduurzamen van de eigen gemeentelijke mobiele werktuigen” wordt al jaren gewerkt, De “uitstoot van mobiele werktuigen meenemen in de vergunningen” ligt voor hand (zou al moeten gebeuren). “Inzettten op schonere evenementen” kan mogelijk voor sommige gemeenten nog een dingetje zijn.
De drie GGD’s in Brabant (West-Brabant, Hart van Brabant, en Zuidoost-Brabant) hebben zichzelf de opdracht gegeven om uit te zoeken ““Wat is de impact van luchtverontreiniging op ziektelast en vroegtijdige sterfte van inwoners in Noord-Brabant?”
waartoe de deelvragen nodig waren :
Wat is de blootstelling van inwoners van Noord-Brabant aan fijn stof (PM2.5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2)?
Hoe groot is de emissie van luchtverontreinigende stoffen door diverse bronnen in Noord-Brabant?
Uit de emissies (via de Emissieregistratie www.emissieregistratie.nl ) en uit verspreidingsmodellen volgen concentraties, uit concentraties en menselijke aanwezigheid volgen blootstellingsgegevens, en daaruit via dosis-effect modellen en empirische regels ziekte- en sterftecijfers.
Nagenoeg overal voldoet Noord-Brabant aan de nu van kracht zijnde luchtkwaliteitsnormen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL, de vigerende wetgeving). Dat is het resultaat van een beleid dat een aantal jaren goed gewerkt heeft, maar nu stagneert. Nagenoeg of helemaal nergens voldoet Noord-Brabant aan de sterk aangescherpte richtlijnen van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO). Dit laatste verbaast overigens niemand met enige kennis van zaken.
Zie voor de oude richtlijnen uit 2005, de Nederlandse (en EU-)wetgeving, en de nieuwe richtlijnen onderstaande tabel.
Oude WHo-richtlijnen, Europese wetgeving en nieuwe WHO-richtlijnen
Het GGD-onderzoek is conventioneel in die zin dat het alleen meeneemt wat wettelijk telt. Voordeel is dat er betrouwbare cijfers zijn, nadeel is dat er veel discussie is over ultrafijnstof en roet en Zeer Zorgwekkende Stoffen in uitlaatgassen. De GGD’s spelen erg op safe. Het GGD-rapport onderschat dus de problemen, maar over de omvang van die onderschatting valt weinig met zekerheid te zeggen.
De GGD’s geven inzichtelijke plaatjes over de bronnen per Veiligheidsregio. Er zijn in Brabant vier veiligheidsregio’s, maar Noordoost valt onder de GGD van Midden-Brabant.
Vier technische opmerkingen mijnerzijds:
De staafjes in Midden-Brabant zijn mede lager omdat het een kleiner gebied is en de lengte een kwantitatieve, absolute betekenis heeft
De hoeveelheden zijn opgeteld over de hele regio en dus de facto gemiddeld. Een lokale bron (bijvoorbeeld vliegveld Eindhoven bij PM2.5) kan dus lokaal sterk zijn terwijl hij over de regio weggemiddeld wordt
De statistiek is gebaseerd op de Emissieregistratie, dus op stof dat als stof uit een pijp komt. Secundair fijn stof, dat pas in de atmosfeer gevormd wordt uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxides, zit niet in de fijnstofcijfers.
In bijlage Vi staan alle staafjes genoteerd als nette cijfers
De brongegevens worden omgerekend tot concentraties voor de drie categorieën en dat per gemeente of zelfs per buurt. Omdat bekend is hoeveel mensen daar wonen, kunnen de concentraties van een weegfactor worden voorzien voor het aantal mensen dat er door getroffen wordt, en dan heet het een blootstelling. Die blootstellingen worden getoond met twee presentatiewijzen voor elke vuilcategorie (als voorbeeld er twee afgedrukt per gemeente en één per buurt):
Met de GGD Rekentool Luchtverontreiniging & Gezondheid (L&G) is het mogelijk om de gezondheidseffecten door blootstelling aan PM10, PM2,5 en NO2 te kwantificeren. Dat is voldoende zeker om van (waarschijnlijk) causale verbanden te spreken. Hoe de GGD dat doet valt in eerste instantie niet te achterhalen omdat de link in de voetnoot verdwaald is. Ga je wat puzzelen, dan kom je op een beschrijvende tekst die waarschijnlijk de bedoeling is op https://awgl.nl/projecten/ggd-rekentool-luchtkwaliteit-en-gezondheid-update-2021 . Beetje slordig. Je kunt daar het rapport en een Excelsheet downloaden en dan aan de slag. Ik heb dat niet gedaan en beperk me tot het bietsen van een kwalitatief plaatje en een tabel uit het rapport.
Verder geloof ik de GGD’s op hun woord. Ik doe niet aan complottheorieën, althans meestal niet en in elk geval niet bij de GGD.
Na enig geploeter komen hier concrete getallen uit voor extra ziektelast en extra sterfte. Ik geef die eerst als samenvatting en dan als voorbeeld de tabel voor Noordoost-Brabant uit de bijlage.
Gezondheidseffecten van luchtverontreiniging De mate van luchtverontreiniging leidt tot aanzienlijke gezondheidsschade. De gezondheidseffecten gemiddeld over heel Noord-Brabant zijn als volgt:
Bij 1 op de 5 (20,2%) kinderen met astma, is de astma toe te schrijven aan luchtverontreiniging.
Bij bijna 1 op de 4 (22,9%) volwassenen met een hartvaatziekte, is de ziekte toe te schrijven aan luchtverontreiniging.
Bij ruim 1 op de 7 (15,1%) longkankerpatiënten, is de longkanker toe te schrijven aan luchtverontreiniging.
De gemiddelde vroegtijdige sterfte door blootstelling aan PM10 en NO2 is in Noord-Brabant 358 dagen. Brabanders verliezen dus gemiddeld bijna een jaar door vervuilde lucht.
De gezondheidsschade door de blootstelling aan luchtverontreiniging is in Noord-Brabant vergelijkbaar met het meeroken van 4,9 sigaretten per dag. De lucht die bewoners in Noord-Brabant inademen is dus vergelijkbaar met de lucht die iemand zou inademen als een huisgenoot elke dag bijna 5 sigaretten binnenshuis rookt.
Doordat er een grote variatie is in blootstelling aan NO2, PM10 en PM2,5 tussen gemeenten, spreekt het voor zich dat ook de mate van gezondheidseffecten door luchtverontreiniging verschilt tussen gemeenten (dit geldt vervolgens ook voor buurten).
Beleid Het rapport eindigt met enkele pagina’s beleidsvoorstellen, die veelal als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze al deel uitmaken van ander beleid (bijvoorbeeld voor de veeteelt), en dat dat beleid vaak net onder de provincie valt (immers, de schaal van het rapport). De maximum snelheid omlaag is een nuttige bronmaatregel, maar, het Rijk gaat erover (en het VVD-congres probeert erover te gaan). Autovrije binnensteden eveneens nuttig, maar daar gaan gemeenten over.
Als voorbeeld van bronmaatregelen pak ik er de set aanbevelingen uit voor houtstook (kleinschalig door particulieren) en de industrie.
Houtstook
Minder houtstook; bv. door het verbieden van houtkachels als hoofdvervwarming, het voorkomen dat bestaande woningen van aardgas overschakelen op houtstook en het stimuleren van het dichtmaken van de schoorsteen
Houtstookvrije wijken stimuleren; bv. door middels een ‘programma houtstook’ regels op te nemen in het omgevingsplan
Verplichten van het volgen van een negatief stookadvies
Schoner stoken door goede voorlichting en een versnelde omschakeling naar schonere kachels
Subsidie op zonnepanelen en warmtepompen
Industrie
BBT verplicht stellen (bedoeld wordt ècht Best Beschikbare Technieken bg)
Opslag of overslag overkappen, toepassing goede filters
Verankeren van zo laag mogelijk vergunnen in lokaal beleid
Actieve advisering, controles en handhaving ter behoeve van preventie van brand of incidenten met chemische stoffen
Als voorbeeld van een overdrachtsmaatregel de wijze raad om scholen en woningen niette dicht op de snelweg te bouwen, en om woonhuisventilatie slim in te plannen. Maar overdrachtsmaatregelen genieten niet de voorkeur.
Ik adviseer lokale en provinciale politici en ambtenaren om eens een keer in de beleidsaanbevelingen van dit rapport te gaan grasduinen.
Afsluitend adviseren de GGD’s alle gemeenten, die dat nog niet gedaan hebben, om het Schone Lucht Akkoord te tekenen (de provincie heeft dat al gedaan en vele Brabantse gemeenten ook). Zie https://www.schoneluchtakkoord.nl/default.aspx .
De opzet van het onderzoek De Wet publieke gezondheid (Wpg) verplicht gemeenten om één keer in de vier jaar de gezondheidssituatie en gezondheidsbeleving van hun burgers in kaart te brengen. Deze taak besteden de gemeenten uit aan de GGD’s.
Die hebben hiertoe een opzet ontworpen die de “Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen” heet, plus een jaartal. Dit vierjaarlijks project is inmiddels uitgevoerd in 2012, 2016 en 2020. Het onderzoek monitort de gezondheid in brede zin. Volwassen is 18 t/m 64 jaar, oud is >= 65 jaar. Vanwege de lange looptijd en een eventueel internationale toepassing is het onderzoek sterk gestandaardiseerd opgezet. Verantwoordelijk zijn het CBS, de GGD’s en het RIVM.
Aan de versie van 2020 is op verzoek van de ministeries van I&W en Defensie een vragenlijst toegevoegd die specifiek over luchtvaartgeluid ging. Directe aanleiding was de Luchtvaartnota 2020-2050. De luchtvaartvragen hadden betrekking op ernstige hinder en (voor het eerst) ook op slaapverstoring. Het hier besproken rapport heeft betrekking op de toegevoegde luchtvragen. Er is een tweede rapport van het RIVM aangekondigd dat, later in 2022, nieuwe dosis-effect-relaties publiceert. Het rapport is te vinden op https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=747d536a-010b-485e-a522-3ed94f6fe212&title=Rapport+belevingsonderzoek+geluidhinder+en+slaapverstoring+2020.pdf .
De hinder-vragen worden in het rapport gegeven voor 2016 en 2020, zodat vergelijking mogelijk is. Voor de slaapverstoringvragen is dat niet mogelijk, omdat die in 2016 niet gesteld zijn.
De luchtvaartvragen kunnen onderverdeeld worden in
landsbrede vragen, bijvoorbeeld over luchtvaartgeluid in vergelijking met ander geluid, en over sociaal-demografische kenmerken (geluid zit niet alleen in de oren, maar ook ertussen)
vliegveldspecifieke vragen
Zoals te verwachten is, is de overlast sterk rond vliegvelden geconcentreerd. Zie kaartje van Nederland met door volwassenen gevoelde hinder per gemeente. Landsbreed genomen gemiddeldes (zoals demografische verbanden of hoe erg men luchtvaartgeluid vindt t.o.v. ander geluid) hebben dan ook niet veel zin.
Eigenlijk kan men alleen landelijk zinvol de conclusie trekken dat de hinder door luchtvaartgeluid in 2020 toegenomen is t.o.v. 2016. Maar omdat in het najaar van 2020 de Corona-epidemie woedde, is het lastig om dat gegeven te interpreteren. Er werd veel minder gevlogen, maar mogelijk zaten de mensen meer thuis en vonden ze het daardoor erger. Of mogelijk hebben ze een stuk van 2019 meegeteld. Dit valt niet te achterhalen.
Vliegveldspecifieke vragen In het onderzoek zijn elf Nederlandse vliegvelden meegenomen. Daarvan behandel ik Eindhoven Airport, Volkel met De Peel (als één vliegveld gezien), en Gilze-Rijen.
In 2020 waren er op vliegbasis Eindhoven 5475 militaire vliegbewegingen (een op de drie een Hercules), en 18.822 civiele (in niet-Coronajaren zijn er dat rond de 41.000 ).
Bovenstaande tabel geeft het percentage ernstig gehinderde volwassenen per gemeente, alsmede het aantal volwassen respondenten in die gemeenten. Men moet hier bedenken dat ook een gemeente al een groot middelingsgebied kan zijn. In Eindhoven bijvoorbeeld ligt het grootste deel van de gemeente buiten de invloedssfeer van het vliegveld. Alleen Noordwest-Eindhoven springt er uit. Verder moet bedacht worden dat de effectgebieden van Eindhoven, Volkel en Gilze-Rijen overlappen (bijvoorbeeld bij oefeningen op de Oirschotse Heide).
Hieronder het percentage volwassenen en ouderen rond vliegbasis Eindhoven met slaapproblemen.
De gezamenlijke GGD’s merken in het rapport verder nog op dat “In 2018-2019 vond de Proefcasus Eindhoven Airport plaats, waarbij met een brede groep stakeholders is toegewerkt naar een breed gedragen scenario voor toekomstige ontwikkeling van het vliegveld. In die periode heeft de GGD Brabant-Zuidoost een aanvullend milieubelevingsonderzoek uitgevoerd naar de hinderbeleving in de wijde omgeving van Eindhoven Airport (Van Ballegooij, M. & Van Gestel, A., 2019). Uit dat onderzoek blijkt dat ernstige geluidhinder en slaapverstoring zich niet beperken tot de zones die gebruikelijk in beeld gebracht worden (volgens de wettelijk voorgeschreven rekenmodellen) en beschouwd worden bij beleidsafwegingen. Dit leidt tot een forse onderschatting van de ervaren ernstige hinder en vooral ook de ernstige slaapverstoring in de wijde omgeving.” Dit onderzoek is niet te achterhalen.
Ter informatie, zonder nader commentaar, wat gegevens over respectievelijk Volkel en Gilze-Rijen: