Brabant komt met Energieperspectief 2050, incl Small Modular Reactors (en wat ik daarvan vind) (update)

Ter inleiding
Provincies hebben een belangrijke rol in het complexe krachtenveld rond de vele, met elkaar concurrerende, claims op de beschikbare ruimte: landbouw, woningbouw, klimaatadaptatie, natuur en ook de energietransitie.
Landelijk beleid moet vertaald worden naar concrete, regionale omstandigheden. En als de voorbije regering Schoof-1 (en laatst), überhaupt geen beleid maakt of zelfs schadelijk beleid, dan is het goed dat er één overheidsniveau lager nog enige mate van ordening overblijft.

De focus van deze site ligt op de provincie Noord-Brabant. Daar zit momenteel een College met redelijk wat progressieve invloed (geen BBB) en die doet het, binnen de grenzen van wat in dit land mogelijk is, goed.

Het energiedossier zit bij Bas Maes (SP).

Het beleid van de provincie N Brabant ligt momenteel vast tot 2030. Leidend zijn momenteel de Energieagenda 2019-2030 ( energieagenda NBrabant 2019-2030 ), met daarbinnen korter lopende uitvoeringsagenda’s,  en de Omgevingsvisie. Ik heb op deze site eerder een artikel geschreven over de monitoring van deze Energieagenda op brabantse-en-landelijke-energie-en-mobiliteitmonitor/ .

Besparingsambitie in de Energieagenda 2019 – 2030

Het jaar 2030 nadert en er moet nagedacht worden over het vervolg tot 2050.  Na een omvangrijk participatieproces heeft dat geresulteerd in het ‘Energieperspectief 2050’.  Dat moet gezien worden als een toevoeging aan de bestaande Energieagenda.
In dit aanloopproces hebben ruim 3000 Brabanders kunnen reageren, zijn er werkateliers georganiseerd waaraan ruim 70 organisaties een inbreng geleverd hebben, en zijn er in de vier RES-regio’s regiobijeenkomsten georganiseerd. Verder ligt aan het Energieperspectief een PlanMER ten grondslag.

Een korte samenvatting, waarin toegang geboden wordt tot de belangrijkste ondersteunende documenten, is te vinden op energiewerkplaatsbrabant.nl/nieuws+nieuwste  .
De officiële overheidspagina, met alle ondersteunende documenten, is te vinden op officielebekendmakingen.nl/prb-2026-615 . Het Energieperspectief 2050, en de ondersteunende documenten als bijlagen, zijn te vinden onder de TAB ‘Bekijk documenten’.
Via beide locaties kan men een zienswijze indienen. Dat kan t/m 26 februari 2026. Mogelijk verdwijnt de overheidspagina daarna, dus wie op zeker wil spelen, moet de documenten voor die tijd downloaden. Indien nodig, zal ik in dit verhaal  toegang blijven bieden.

Politieke totaal-ambities van het College. Deze zijn iets ambitieuzer dan die van het vorige College.

Het Energieperspectief zelf bevat vooral processen en politieke intenties, die getalsmatig worden weergegeven in de vorm van indicatief bedoelde taartdiagrammen. Bij het Energieperspectief hoort als bijlage een document ‘Verdieping op de opgave’. Daarin worden ook concrete getallen genoemd.

Ordenende beginselen
Bij het samenstellen van het Energieperspectief zijn een aantal ordenende keuzes  gemaakt.

Het Energieperspectief vertrekt vanuit de Brabantse waarden ‘betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust’.  Rechtvaardigheid in de uitvoering is een meermalen gehanteerd argument.

Het document gaat uit van zes leidende uitvoeringsprincipes:

  • Beperk de energievraag
  • Zet de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel in
  • Vergroot het duurzame energieaanbod
  • Beperk het transport van energie (koppel de opweklocatie zoveel mogelijk aan de verbruikslocatie)
  • Breng vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar (opslag of vraagsturing –  zet je wasmachine aan als de zon schijnt)
  • Faseer fossiele brandstoffen bewust uit

Voorkeursvolgorde ‘de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel’

Er zijn in het PlanMER  drie schaalgroottes of systeemalternatieven, waarop gewerkt kan worden, geanalyseerd: de schaalgrootte lokale kracht; idem de grote opgaven gebundeld; en idem op grote schaal denken. Heel kort door de bocht kun je dat vertalen in de lokale of regionale schaal; de nationale schaal; en de internationale schaal.
Gekozen is voor de schaalgrootte ‘lokale kracht’, omdat die decentraler is en daarmee meer kansen biedt op participatie en lokaal eigenaarschap, Tevens is er minder kans op grote storingen en is er weinig geopolitiek risico. Nadeel is kans op versnippering, nadeel is dat de ruimte vooral in Nederland ingevuld wordt, en dat ieder klein initiatief zijn eigen problemen moet oplossen (bijvoorbeeld hacken).

Mede vanwege dat laatste heeft de provincie de keuze uit drie soorten bestuurlijke ambitie: de provincie kan zich beperken tot faciliteren en stimuleren (waarmee het initiatief bij anderen komt te liggen met hooguit subsidieconstructies); de provincie kan reguleren (alleen maar zeggen wat mag en moet, maar dan zit de provincie er niet met geld in); en beide samen: faciliteren, stimuleren en regisseren, wat zowel dwang als steun mogelijk maakt.
De ‘beide’-mogelijkheid is gekozen.

Het Voorkeursalternaatief
Het Voorkeursalternatief (VKA) van het PlanMER is dus decentrale uitvoering met krachtig leiderschap van de provincie. Het lijkt me geen slechte keus.

Het VKA geeft in een soort stoplichtcode aan wat er gebeurt met de doelstellingen, en wat er gebeurt met milieu- en andere effecten, want die zijn er uiteraard ook.
In deze overzichten betekent de stip de huidige sitiatie; betekent ‘referentiesituatie’ (het kleurloze stippelblokje) de uitkomst als het Energieperspectie 2050 niet doorgaat (dus de situatie als de ontwikkeling in 2030 stopt); en VKA (het gekleurde blokje) de situatie als het Energieperspectie 2050 wel doorgaat.
De hoogte van de blokjes geeft een soort herinnering aan de onzekerheid in de uitspraken.
De ‘hoofddoelstellingen’  zijn die van de Energieagenda 2019-2030,

De bronnenmix in 2050
Na  al deze voorbereiding wat het Energieperspectief denkt dat er met de verschillende energie-indellingen gaat gebeuren (zie hieronder).
Neem alle prognoses met een flinke korrel zout – zie ze maar als indicatief. Dat doet het Brabantse College van GS ook.

  • In 2023 is ca 93% van alle bronnen regelbaar (voor het overgrote deel fossie). Dat loopt terug naar grofweg 35% regelbaar
  • In 2023 komt grofweg 8% van de energie uit NBrabant zelf. Dat loopt op op naar grofweg 60%
  • De Brabantse energiemix in 2023 bestaat uit 25% elektriciteit, 4% duurzame warmte, 30% fossiele voertuigbrandstof en 42% aardgas.
    De Brabantse energiemix in 2050 bestaat uit 76% elektriciteit, 8% duurzame warmte, 26% waterstof en groen gas, en 0% aardgas en fossiele voertuigbrandstof
  • De bronnenmix in 2050 gaat er in meer detail uitzien als hieronder:

De energievraag per drager in PJ. Het Energieperspectief 2050 baseert zich op ‘lokale kracht’’. De laatste twee worden niet gebruikt. Het ‘lokale kracht’-scenario telt op tot 211PJ

Het taartdiagram is op zichzelf minder informatief dan het lijkt.

  • Dat je de gekleurde taartpunten als indicatief moet zien, is vrij logisch, gegeven de vele onzekerheden.
  • Groter probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet of deze mix de aanbodkant of de vraagkant beschrijft. Uit de verdiepingsbijlage blijkt dat het om de vraagkant gaat, dus om de energiedragers die aan de klant worden aangeboden (finaal verbruik).
  • Ander probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet op hoeveel energie de taart als geheel betrekking heeft. Het perspectief noemt nergens absolute getallen. Ook hier weer moet je naar de verdiepingsbijlage (bovenstaand staafdiagram) voor een antwoord op die vraag: men verwacht dat de totale energievraag daalt van 235PJ in 2023 naar 211PJ in 2050 (dat is dus de totale taart). Tevens geeft het staafdiagram absolute getallen voor enkele taartpunten samen.
    Overigens dacht men in de Energieagenda 2019-2030 (de voorganger van het Perspectief) nog dat de totale vraag naar energie in 2030 240PJ/y zou zijn. N Brabant zat dus in 2023 met 235PJ al onder de toenmalige prognose voor 2030 (zijnde 240PJ/y).

Wat beschouwingen bij afzonderlijke taartpunten.

  • De provincie wil geen monofunctioneel gebruik van grond voor alleen maar zonnepanelen. Er kan wel wat, maar niet veel,  in combinatie met (‘icm’) bepaalde agrarische doelen, maar meer ‘icm’ met wind. Wind en zon samen is statistisch gunstig omdat ze niet hetzelfde gedrag vertonen.
  • ‘Wind op zee’ telt als Brabants als die aanlandt in Brabant.
    Er is geen verhaal over participatie of eigendomsverhouding bij de productie van stroom uit wind op zee. Gaat de provincie zichzelf inkopen in de windturbineparken of aan een coöperatie meedoen?
  • Er ligt een besluit dat er 2GW windstroom uit zee aan gaat landen in Geertruidenberg, en er loopt onderzoek naar 2GW of 4GW aanlanding in Moerdijk.
    Een aansluiting van 2GW levert ongeveer 37PJ stroom.  6GW zou dus goed zijn voor ca 110PJ. Als daarvan ongeveer 40PJ naar de waterstofproductie gaat (resulterend in ca 28PJ waterstof, rest is restwarmte), en 70PJ naar de andere klanten, klopt de taartpunt grofweg.
  • Het is een terecht uitgangspunt dat men streeft naar minimalisatie van het elektriciteitstransport, en dus naar zoveel mogelijk verwerking ter plekke. Dat zal grote gevolgen hebben voor het gebied rond Moerdijk en Geertruidenberg. Dit mede omdat de Delta Rhine-leiding er langs komt die desgewenst de geproduceerde waterstof kan afvoeren naar klanten elders.
    Ik waag me niet aan uitspraken over de diverse bestaande, andere functies in dat gebied, zoals de woonfunctie

Waterstof en groen gas-kaart

  • Ook met wind op zee is er een stroomtekort. ‘Energie-import’ betekent stroom van buiten het Brabantse systeem, ‘Brabantse’ wind op zee daarin meegeteld.
  • Bij ‘elektriciteitscentrales wordt (in de verdiepingsbijlage) gedacht aan de biomassastook in de Amercentrale (mits die biomassa duurzaam is), en aan Small Modular Reactors (SMR), relatief kleine kerncentrales. Hierover een apart hoofdstukje.
    Ik denk zelf dat er ruimte is, zij het beperkt, voor (bij)stook van biomassa, en dat Amer-eigenaar RWE slecht bezig is met de stadsverwarming ( https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ )
  • De provincie ziet in het Energieperspectief voor groen gas een belangrijke, maar qua omvang beperkte rol (7PJ) voor bepaalde nichesituaties.
    De productie van groen gas hangt van tegengesteld werkende factoren af zoals relatief meer en op termijn absoluut minder uit mestvergisting, groeiende organische stromen uit de eiwittransitie, en vergassingstechnieken van houtig afval, waartegenover groeiende inzet van organisch materiaal voor andere doelen dan groen gas staan.
  • De provincie denkt dat er in grote delen van N  Brabant potentie is voor ondiepe geothermie, en in kleine delen voor diepe geothermie (die warmer water oplevert).  Er  is ook ruimte voor aquathermie (uit oppervlakteater). Daar is in de afgelopen jaren veel  onderzoek naar gedaan.
    Grofweg zou ongeveer eenderde van de gebouwde omgeving hiermee, als regel met elektrische ondersteuning, verwarmd kunnen worden via grote (>1500 aansluitingen) of kleine warmtenetten. De provincie onderzoekt of een publiek warmtebedrijf mogelijk is.

Small Modular Reactors (SMR) – algemeen
De aandacht van de provincie N Brabant voor kernenergie is nog maar jong. Dit is het eerste meerjaren-verzameldocument dat er aandacht aan besteedt.
Ongetwijfeld is er samenhang met de SMR-strategie van het Rijk dd 17 okt 2025 ( SMR-strategie Rijk_okt2025 ) . In hoeverre de provincie hier handelt omdat het moet, of omdat men het zelf wil, is moeilijk te peilen. Enerzijds vindt de provincie in het Energieperspectief dat er nader onderzoek nodig is of SMR’s echt kansrijk zijn in Brabant, anderzijds zit de provincie met geld in een bepaald type (zie verderop).

By KVDP – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10000621
Diagram of NRC approved SMR type: Pumpless
light water reactordeveloped by NuScale Poweras mini nuclear reactor.

Ik ben geen principiële tegenstander bij voorbaat van welke energievorm dan ook, ook niet van kernenergie. Kernenergie ontwikkelt, in elk geval in de gebruiksfase, heel weinig broeikasgas en naar alle broeikasgasarme energievormen moet gekeken worden.
Ik voel ook geen panische angst bij het woord.  Ik heb in mijn jongere jaren, ten behoeve van mijn werk als natuurkundedocent, mijn diploma Stralingsbescherming A gehaald om (zwakke) radioactieve bronnen te mogen gebruiken. Bij verstandig gebruik is er niet veel aan de hand.

Dat neemt niet weg dat ik problemen heb met specifieke ontwerpen, zoals de grote oude Belgische centrales en Borssele. De gangbare lichtwaterreactoren op basis van uranium staan mij niet aan vanwege het quasi-eeuwiglevende afval, vanwege de relaties met kernwapens, vanwege de geringe versplijtingsgraad, vanwege de geopolitieke afhankelijkheid en omdat een serieus ongeval bij grote centrales grote gevolgen heeft. En wat betreft de nabije centrales, omdat het ouwe meuk is.

Maar de nucleaire techniek schrijdt voort en er zit beweging in sommige problemen, zij het vooralsnog vooral als experiment. De veiligheid van SMR’s bijvoorbeeld is sterk verbeterd, zowel omdat ze kleiner zijn dan conventionele centrales als omdat ze automatisch stoppen als er een probleem is.
SMR’s zijn nog steeds experimenteel: er waren dd 2024  op de wereld maar twee SMR’s in gebruik, namelijk een exemplaar in Rusland, gemodelleerd op de aandrijving van een nucleaire ijsbreker, en een in China. Het experimentele karakter is mede oorzaak dat de eventuele bouw van een SMR in N Brabant 8 tot 11 jaar zou kosten. Voor de korte termijn heb je er, hoe dan ook, niets aan.
Er is een goed Wikipedialemma over de  Small Modular Reactor op https://en.wikipedia.org/wiki/Small_modular_reactor .

Small Modular Reactors – in het NRG Pallas onderzoek is kernenergie te vanzelfsprekend
De provincie heeft NRG Pallas, ten behoeve van het Energieperspectief, om een beperkt onderzoek gevraagd waarin kernenergie in het algemeen, en SMR’s in het bijzonder, als een gegeven beschouwd werden dat niet zelf ter discussie stond. Het onderzoeksresultaat maakt deel uit van het Perspectief-pakket dat men kan downloaden.
Er moest gekeken worden naar hoe drie reactor-grootteklassen bij gegeven koelmogelijkheden en gegeven gebruiksbeperkingen (Natura2000, woonkernen) en een gegeven energievraag passen. Het is geschematiseerd weergegeven in onderstaande tabel

Hoge waterbeschikbaarheid betekent in Brabant de Maas (categorie A). Als daar ergens een grote energievraag zou zijn (>750MWth ) heet de combinatie dan A1.
De subscript  ‘th’ betekent ‘thermisch’. Elke kerncentrale is in wezen gewoon een warmtebron, met welke warmte je verschillende dingen kunt doen. Je kunt er stroom mee maken (subscript ‘el’), maar dat met betrekkelijk laag rendement (een kwart tot een derde). Dus 750MWth aan de Maas betekent, als het meezit, 250MWel .
De grootte-range ‘Small Modular Reactor’ loopt omhoog tot 300MWel en dan zijn ze eigenlijk niet ‘Small’ meer – Borssele is bijvoorbeeld 485MWel . Het is dus zeer wel mogelijk dat een aantal SMR’s opgeteld meer leveren dan een gewone, ouderwetse kerncentrale.

Met warmte kun je op zichzelf ook nuttige dingen doen, zoals industriële processen mogelijk maken, de stadsverwarming voeden, zout of brak water ontzilten (bijvoorbeeld als de drinkwaterwinning  tegen zijn grenzen aanloopt), of de productie van waterstof makkelijker maken.
SMR’s kunnen behoorlijk nut hebben in een goed verhaal.

Voor zo’n goed verhaal moet je ook andere infrastructuur inplannen, zoals de warmtenetten, de grote waterstof ‘backbone’ die er moet komen, en de hoogspanningsleidingen.  Die zijn in de NRG Pallas-analyse niet als dwingende voorwaarde opgenomen, maar als wenselijke aanvulling.

Inpassingsmogelijkheden van SMR’s

Als je dat allemaal  bij elkaar voegt, krijg je bovenstaande kaart (al die kaarten zijn overigens verrot onduidelijk). Die kaart leidt tot enkele interessante speculaties.
Dat Moerdijk  eruit springt is logisch (wat iets anders is als aangenaam). Maar bijvoorbeeld Veghel (klasse B1) springt eruit (als je goed kijkt) en de Theodorushaven in Bergen op Zoom.
En als men nou eens zou besluiten om op de Eindhovense Brainport Industries Campus een groot datacenter te bouwen? Komt op papier in aanmerking voor een SMR (klasse B2 of B3, is niet goed te zien). Dus beperkte koelingsmogelijkheden, namelijk uit het nabije Beatrixkanaal, en dat kan ‘NK, natte koeling betekenen, mogelijk een koeltoren. Over koeltorens spreekt de NRG_Pallas-studie niet, wel over koelgebouwen van 10 – 30m hoog waar verdamping plaatsvindt.

Small Moduler reactors – wat ook ter discussie zou moeten staan
Afgezien van dat SMR’s nog niet commercieel beschikbaar zijn,  zijn er een paar dingetjes:

  • Men hoopt dat SMR’s gestandaardiseerd kunnen worden en prefab gebouwd, waardoor ze per MW goedkoper worden. Maar er zijn ruim honderd typen in ontwikkeling met nogal uiteenlopende kenmerken. Het is niet meteen duidelijk dat een en ander tot massaproductie kan leiden
  • Bijna alle ruim 100 typen hebben uranium als brandstof, hetgeen betekent dat alle narigheid van die grondstof blijft bestaan, zoals bijvoorbeeld het vele afval en de zeer lange levensduur van dat afval. Heel kort door de bocht: tien kleine reactors op uranium zijn even erg als één grote.

De nieuwste ontwikkeling zijn reactoren die werken met Thorium als uitgangselement en gesmolten fluorzouten daarvan als brandstof en koeling. Deze techniek is nog in ontwikkeling. De Chinezen hebben een kleine proefreactor opgestart in de Gobiwoestijn ( https://en.wikipedia.org/wiki/TMSR-LF1  ) en (met luchtfoto van het complex chinadaily.com.cn/a/202511/01 .

1 TMSR-LF1堆本体离线安装启动 

  • Het merkwaardige is dat het Brabantse Provinciebestuur zelf met vier miljoen Euro in de Nederlandse startup Thorizon (https://thorizon.com/ ) zit. Dit samen met het instituut DIFFER van de TU/e, ingenieursbureau DEMCON met een kantoor in o.a. Best, en VDL . Zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/doorontwikkeling-gesmolten-zout-reactor/ .
    Er zit ook 10 miljoen € van de EU in. Dit project zou ergens in 2028 tot iets zichtbaars moeten leiden.
    Het is merkwaardig dat de provincie in zijn Energieperspectief zijn eigen project niet eens noemt, en in de bijlage met het NRG Pallas-onderzoek verschijnt het maar in twee regels.
    Dit terwijl er goede redenen zijn om te geloven dat gesmolten zout-reactoren op thoriumbasis ordes van grootte minder afval maken (zelfs al bestaand afval kunnen verwerken), terwijl dat afval ordes van grootte minder lang radioactief blijft.
    Het zou goed zijn als het provinciebestuur niet alleen laat uitleggen wat de SMR’s kunnen, maar ook hoe ze werken en dus wat de bijeffecten zijn.
  • Alle warmte die een SMR maakt en die geen stroom wordt (minstens tweederde), en die niet op andere wijze nuttig gebruikt wordt, komt in de lucht of het oppervlaktewater terecht (dat geldt overigens voor bijvoorbeeld een gascentrale ook).
    In het oppervlaktewater neemt de temperatuur toe. Bij de kerncentrale in Borsele bijvoorbeeld mag het water van de Westerschelde na de centrale maar 3˚˚°C warmer zijn dan ervoor, maar de Westerschelde is groot en die 3°C wordt niet bereikt. Maar Brabantse kanalen en riviertjes zijn vaak klein, vooral in hete droge zomers, en dan kan die opwarming behoorlijk aantikken (vandaar die koeltorens). Zelfs de kerncentrales op de Maas hebben in het verleden wel eens voor temperatuurproblemen gezorgd.  Sowieso mag de temperatuur van het oppervlaktewater van de Kader Richtlijn Water maar 25°C zijn.
    En als dat extra warme water door een Natura2000-gebied stroomt, kaan dat mogelijk een Natuurvergunning  verplicht maken.
    De opwarming van het oppervlaktewater is dus op zijn minst een aandachtspunt.
  • Je mist aandacht voor het voor- en natraject van de exploitatie. De bouw en sloop leiden tot broeikasgassen, maar dat geldt op zich ook voor wind- en zonne-installaties. Maar bij wind en zon komt er in de exploitatie geen broeikasgas vrij, en bij uranium en thorium wel, namelijk in de mijnbouw die nodig  is.De literatuur (Wikipedia) beweert dat thoriummijnbouw minder nadelen met zich meebrengt dan uraniummijnbouw.
    Een scope -1, -2 en -3-analyse is op zijn plaats.  Het provinciale verhaal gaat tot nu toe alleen over scope-1.

Small modular Reactors: mijn uiteindelijke standpunt
Al met al vind ik dat de provincie N Brabant niet aan SMR’s zou moeten beginnen die op de uraniumcyclus draaien. Ik beschouw het afvalprobleem niet als opgelost – daarin lijken ze nog steeds teveel op een gewone, moderne  kerncentrale.

Het provinciebestuur mag proberen mij te overtuigen van de bouw van een tot enkele SMR’s op thoriumbasis. Dat kan nodig blijken om een zo broeikasarme energieproductie op te bouwen in 2050, en zo’n SMR bespaart veel ruimte.
Maar dat moet dan met een verhaal dat inhoudelijk beter is dan wat er nu ligt.

Tenslotte vind ik dat energie in (semi)publieke handen moet zijn, zeker kernenergie. Er zijn risico’s en alles wat niet failliet mag, hoort niet op de markt.

========

Ik heb een zienswijze ingediend op het Energieperspectief 2050. Wie het wil lezen, kan het vinden op


==========

Update dd 02 april 2026

In maart 2026 heeft de provincie alle 41 zienswijzen (rijp en groen, groot en klein) van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen. Op 31 maart 2026 hebben Gedeputeerde Staten het Energieperspectief 2050 vastgesteld, zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/energie-2050-duurzaam-zelfstandig-mogelijk/ . Deze webpagina biedt via doorverwijzing toegang tot alle documenten.

In het voorjaar komt het (op onderdelen aangepaste) Energieperspectief 2050 ter besluitvorming in Provinciale Staten.


Belgische nucleaire prof tegen heropstart van Doel3 en Tihange2 – update2: ondeugdelijk staal gebruikt

In een groot interview in het Belgische blad Knack  stelt professor Walter Bogaerts “Met wat ik nu weet, zou ik een heropstart van de kerncentrales niet langer aanbevelen.” Zie 


Bogaerts is niet de eerste de beste. Hij is specialist in corrosie en metaalmoeheid in roestvrij staal, hoogleraar in Leuven en Gent, en een wereldwijd geraadpleegde expert in de petrochemie en de nucleaire sector.
Hij is geen activist tegen kernenergie. Integendeel, hij is ruim vijf jaar CEO geweest van Belgoprocess, een bedrijf dat geconditioneerd is in de verwerking, conditionering en opslag van kernafval.

Desalniettemin is hij het niet eens met de Belgische nucleaire waakhond, de FANC (Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle), en met het StudieCentrum voor Kernenergie SCK. Het verschil van inzicht gaat over Bogaerts’ vak, corrosie, in dit geval in de 20 cm dikke wand van het reactorvat (waarbinnen zich water van 3400C onder 150 atmosfeer bevindt. De corrosie leidt tot dunne, maar behoorlijk lange behoorlijke scheuren die evenwijdig aan het oppervlak lopen.
De discussie is niet zozeer of er corrosie kan optreden (dat staat vast), maar over a) hoe erg het is en met name b) of het erger wordt en c) of het metaal het zodanig kan begeven dat het water uit het vat loopt.
Het FANC en het SCK geven op deze drie vragen een geruststellend antwoord, Bogaerts (en zijn collega Digby Macdonald) niet (zie FANC-standpunt )

In de politiek moet men soms op basis van tegenstrijdige gegevens een besluit nemen, ook al zou je dat niet willen. De vraag is dus wie je gelooft als de deskundigen het oneens zijn.
Voor zover ik het probleem begrijp (corrosie is mijn vak niet), zijn er drie redenen waarom een stalen reactorvat kan gaan corroderen:
– Waterstofverbrossing (er zamelt zich in en tussen de kristallen steeds meer waterstof op, een bekend probleem). Als je aanneemt dat die waterstof alleen in het metaal terecht gekomen is bij de fabricage van de vaten, zit je op de lijn van de FANC, en als je aanneemt dat het een voortschrijdend proces is omdat de straling in het reactorvat steeds opnieuw watermoleculen splitst en waterstof en zuurstof, kom je dichtbij het standpunt van Bogaerts terecht (die in het interview dit niet met zoveel woorden gezegd heeft)
– Neutronenbestraling is een bekende oorzaak van verbrossing, die voortdurend doorgaat.
– Thermische stress in het materiaal door aan- en uitzetten van de centrale, wat op gezette tijden plaats vindt.
Volgens mij zijn het allemaal structurele en cumulerende oorzaken, die bovendien in vereniging werken.

Kristalfouten bij de fabricage zijn meestal, zoals Bogaerts zegt, ‘een vingernagel groot’. Bij de stillegging in 2012 vond men scheuren tot ruim 2 cm, en na de stillegging in 2014 van 15 tot 18 cm. Intussen zijn ook de detectiemethodes verbeterd, maar ‘ook in de vroege jaren ’80 bestonden er wel degelijk methoden om scheuren op te sporen’. En waarom ze toen dan niet ontdekt werden (Bogaerts) ‘omdat ze er niet waren of alleszins niet zo groot waren.’ en de FANC ‘de ingenieurs die destijds de ultrasooninspecties hebben uitgevoerd op basis van hun ervaring geoordeeld hebben dat er geen fouten gevonden waren die expliciet in het inspectieverslag moesten worden vermeld. Dat was conform de praktijken van die periode.’ En de FANC vindt de 15 tot 18 cm overdreven hoog ingeschat.
Een praktijktest met intensieve neutronenbestraling leidde tot spectaculair slechte en tot nu toe niet uitgelegde resultaten.
Bogaerts en de FANC zijn het erover eens dat deze reactievaten afgekeurd zouden worden, als je er nu mee kwam aanzetten.

Tihange

De discussie heeft internationaal aandacht getrokken, onder andere van de overheden uit naburige landen. De stad Aken heeft de exploitant van Tihange voor de rechter gedaagd. Die rechter krijgt daar een aardige klus aan.
De Duitse deelstaten NoordRijnland-Westfalen en Rijnland-Palts hebben aangekondigd een gezamenlijke klacht in te gaan dienen bij de EU en de Verenigde Naties.
De discussie laait nog hoger op omdat het kabinet net in deze tijd jodiumpillen ging verspreiden.

Op 11 maart 2016 meldde de Rheinische Post, dat de Belgische kerncentrales in Doel en Tihange niet over een gefilterd overdrukventiel beschikken. Dat is een voorziening die het mogelijk maakt om bij een calamiteit (bijvoorbeeld het smelten van de reactorkern) de ontstane overdruk gefilterd en gecontroleerd te lozen in plaats van ongefilterd en ongecontroleerd (bijv. bij een gunstige windrichting).
Alle Duitse centrales hebben na Tsjernobyl zo’n voorziening gekregen. Andere landen waren daar later mee, maar Fukushima heeft ook daar de doorslag gegeven.
Overigens helpt een filter alleen tegen deeltjes en niet tegen gasvormige splijtingsproducten zoals krypton en xenon.

Op 14 mei meldde de Belgische krant De Tijd dat de kans bestaat dat de kerncentrales stalen onderdelen bevatten die niet aan de normen voldoen. Men heeft het vele decennia niet al te nauw genomen in de Franse Creusot-fabrieken waar het staal vandaan komt. De Franse kerncentralebouwer Areva heeft de onderneming een jaar of tien geleden overgenomen. Areva heeft moeten opbiechten dat bij 400 onderdelen ‘onregelmatigheden’ waren vastgesteld.

Uitbater Electrabel van Doel en Tihange heeft gezegd dat het ‘te vroeg is voor conclusies‘.
De nucleaire waakhond FANC is sinds kort met de zaak bezig en heeft opheldering bij Areva gevraagd.

Voor het artikel in De Tijd zie http://www.tijd.be/ondernemen/milieu_energie/Onderzoek_sjoemelstaal_in_kerncentrales.9766259-3088.art .

Mijn politieke oordeel is dat het verhaal tegen heropening van Doel3 en Tihange2 een stuk sterker is dan het verhaal vóór heropening.

Dit oordeel is gebaseerd op de specifieke kenmerken van deze situatie. Mijn negatieve houding tegenover kernenergie is niet principieel. Als men ooit een centrale-ontwerp bedenkt dat bij atmosferische druk werkt, beheersbare corrosieproblemen kent, vanzelf stopt bij een ongeluk, afval produceert dat niet langer dan een paar honderd jaar radioactief blijft, en waarmee men moeilijk kernwapens kan maken, dan ben ik daar niet om principiële redenen tegen. Zo’n centrale bestaat nu niet en mogelijk is hij niet meer nodig als we twintig jaar verder zijn.
Maar dat laatste moet eerst nog blijken.

De demonstratie in Antwerpen tegen heropening van Doel en Tihange op 12 maart 2016
De demonstratie in Antwerpen tegen heropening van Doel en Tihange op 12 maart 2016

Op 19 januari hebben de Brabantse en Zeeuwse Milieufederaties, samen met WISE en de West-Brabantse milieuorganisatie Benegora, een openbare avond georganiseerd over hetzelfde onderwerp. Er waren ca 150 mensen.

Een verslag van de avond treft u aan hier –> Geslaagde informatieavond over kerncentrales Doel_19jan2016_BMF .