Thorizon wil met overheidssteun Thorium-MSR bouwen

Inleiding en de betrokkenheid van Brabant
In Noord-Brabant (waarover ik bij voorkeur schrijf) is beleid in procedure voor de energiehuishouding na 2030 (in welk jaar op dit moment veel beleid stopt). In dat beleid krijgt kernenergie, naast andere CO2 – arme bronnen,  mogelijk een rol toebedeeld in de vorm van Small Modular Reactors Ik heb daar op deze site over geschreven op brabant-komt-met-energieperspectief-2050-inclusief-small-modular-reactors-en-wat-ik-daarvan-vind/ . Mijn stelling was daarin dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Er is een klein probleem: die dingen bestaan nog niet.

Kort na dit artikel verscheen er een persbericht van de Nederlands-Franse private scale up-onderneming Thorizon (niet beursgenoteerd), waarin een Memorandum of Understanding (MoU) bekend gemaakt werd tussen Thorizon enerzijds en

  • de provincies Zeeland en Noord-Holland en hun regionale ontwikkelingsbedrijven,
  • Invest-NL (een verzelfstandigd bestuursorgaan waarvan de aandelen bij het ministerie van Financiën liggen)
  • EPZ, de exploitant van de kerncentrale in Borssele
  • NRG PALLAS, de exploitant van de kerncentrale in Petten

De provincie NBrabant is geen partij in het MoU, maar heeft wel al eerder subsidie toegekend aan Thorizon.

Rond dit raamwerk hangen onderwijsinstellingen als de TU Delft, de TU Eindhoven (het programma Differ), De Zeeuwse HBO- en MBO-opleidingen, en ook onderzoeksinrichtingen als TNO en een ingenieuersbureau als Demeco (Zeeuws), en maakbedrijven als het Zeeuwse Schelde Exotech en de vanoorsprong Brabantse VDL-groep.

Het persbericht is te vinden op thorizon-epz-nrg-pallas-provinces-and-investors-sign-mou-to-build-europes-first-commercial-molten-salt-reactor-in-the-netherlands .
Voor een wat leesbaarder artikel in Change, in het Nederlands zie dit-zijn-3-troeven-waarmee-de-gesmoltenzoutreactor-van-thorizon-zich-gaat-onderscheiden .

 In het Memorandum wordt de intentie uitgesproken dat er in 2027 een, nog niet nucleaire, testfaciliteit gebouwd wordt op het terrein van Borssele; dat er in 2028 een wel-nucleaire demonstratieopstelling komt op het terrein van Petten; en dat er in 2034 een werkende thoriumcentrale opgeleverd wordt op het terrein van Borssele.
Die centrale moet 250MW warmte gaan leveren, die omgezet gaat worden in 100MW stroom (en 150MWrestwarmte, waarover niets gemeld wordt).

De reactorkern en een afzonderlijke cartridge, zoals Thorizon zich dat voorstelt

Van atoomonderzeeër tot LFTR
Vooraf  enkele mogelijke misverstanden wegwerken.
Er lopen vaak drie begrippen door elkaar.

  •  Een SMR is een Small Modular Reactor. Dat betekent niet meer dan dat de term letterlijk zegt: ‘Small’ betekent <300MW stroom (dat is overigens niet zo klein) en ‘Modular’ betekent dat er een bouwstroom is die in meerdere identieke inrichtingen voorziet die je kunt combineren. Verder betekent het niets. Een SMR kan op allerlei ’brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een Molten Salt Reactor (MSR)  zegt ook niet meer dan de term aanduidt: het koelmiddel is gesmolten zout. Ook een MSR kan op allerlei ‘brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
  • Een ‘Thoriumreactor’ betekent niet meer dan dat er (in hoofdzaak) thorium ingaat. Ook dat kan op allerlei technieken gebaseerd zijn. De ‘brandstof’ kan bijvoorbeeld in vaste of in vloeibare vorm aanwezig zijn.

Deze concepten komen in allerlei combinaties en in meerdere fabricagelanden voor, waardoor een wirwar aan reactortypes ontstaan is. Alleen daarom al is het lastig om tot een gestandaardiseerde bouwstroom te komen die mogelijk tot goedkopere reactoren zou kunnen leiden.

Het gros van de heden ten dage werkende reactoren is niet ‘small’, werkt met gewoon water onder hoge druk als koelmiddel (Pressured Water Reactor, PWR), en werkt op uranium in vaste vorm. Deze generatie-2 sector is de gevestigde macht met grote financiële belangen.
Het is een systeem met belangrijke nadelen. Desondanks is er,  rond 1970,  definitief voor gekozen. Wat een rol speelde was opgedane ervaring bij de eerste VS-kernonderzeeërs (zie wikipedia.org/wiki/Hyman_G._Rickover ), waar het type goed tot zijn recht kwam, en dat het relatief eenvoudig was om er bommen mee te maken.
Nadelen zijn (naast de bommen) bijvoorbeeld dat een PWR niet inherent veilig is. Mede daardoor zijn er enkele grote, bekende ongelukken gebeurd die de aanvaardbaarheid van kernenergie bij het publiek drastisch aangetast hebben. Andere nadelen zijn dat het radioactief afval honderdduizenden jaren weggestopt moet blijven en dat maar een klein deel van de energie in het uranium gebruikt wordt.

MSR-testopstelling Oak Ridge 1965-1969, waarvoor uiteindelijk niet gekozen is

De categorie waar rond 1970 niet voor gekozen is (ondanks positieve testresultaten) is die welke wij nu noemen Molten Salt Reactor. Daardoor is het concept een kleine 50 jaar op de plank blijven liggen.
Een aantal ontwikkelingen heeft eraan bijgedragen het concept weer van de plank af te krijgen.. De noodzaak van broeikasgasloze energie werd nijpend, er is discussie over of men met zon en wind kan leveren wat nodig is en vervolgens of men dat ook wil, er is een heftige strijd om de ruimte in Nederland, bij bepaalde toepassingen in de zware industrie ligt het moeilijk, er is geopolitiek rond olie en gas, en mogelijk kon seriebouw van reactoren goedkoper zijn?
Er is hier geen plek om deze discussie nog eens dunnetjes over te doen. Ik beschouw de toegenomen belangstelling voor relatief kleine en (verondersteld) goedkope kerncentrales in dit artikel als een gegeven feit, en redeneer in dit kader. Ik ben principieel niet bij voorbaat tegen welke energievorm dan ook.

De teksten van Thorizon zijn meer wervend dan informatief ( https://www.thorizon.com/ , de website van b ijvoorbeeld een Europese concurrent als copenhagenatomics vind ik beter), maar wat er wel gezegd wordt past bij een categorie die het MSR- en het thoriumconcept combineert. In het jargon heet dat een Liquid Fluoride Thorium Reactor (LFTR, in de volksmond ‘lifter’). Thorizon zegt van zichzelf niet dat het een ‘lifter’ is, maar ik doe hier alsof Thorizon in die categorie valt..
Over LFTR-en bestaat heel veel literatuur, veel meer dan een niet-vakman als ik  kan lezen. Ik hen een goed lemma van Wikipedia gevonden dat ik als onderlegger gebruik, namelijk Liquid_fluoride_thorium_reactor .

Kenmerken, plussen en minnen  van een LFTR
Thorium (de T in LFTR) komt in de natuur alleen voor als de zwak radioactieve  isotoop Th-232 (90 protonen, 142 neutronen). De stof is een stuk minder zeldzaam dan uranium en makkelijker winbaar. Soms zie je, na heftige storm, thoriumhoudend zwart zand ten noorden van Ameland. En bij de winning van zeldzame aarde-metalen komt vaak thoriumerts vrij als, tot nu toe, ongewenste bijmenging.

Thorium is zelf niet splijtbaar, maar kan een neutron invangen, waarna twee vervolgstappen komen, waarvan enkele varianten bestaan, die meestal leiden tot U-233 (92 protonen, 141 neutronen) en af en toe tot U-232.
Bij een splijting komen ook weer enkele neutronen vrij, waarvan een deel erin slaagt opnieuw een Th-232 kern om te zetten. Als dat per splijting er één is, houdt de reactor zichzelf op gang. Dat is niet vanzelfsprekend, want neutronen kunnen ook te hard gaan of in het verkeerde atoom terecht komen. Een ontwerp moet dus zuinig omgaan met neutronen. Dat stelt eisen aan de samenstelling van het koelmiddel en de vormgeving van het reactorvat.
Bij elke splijting komt, zoals bedoeld, warmte vrij. Die moet afgevoerd worden met het koelmiddel. De mogelijkheden om dat met water te doen zijn begrensd omdat steeds hogere drukken nodig zijn om steeds hogere temperaturen te bereiken. Dat kan tot stoomexplosies leiden. (Kerncentrales werken vaak met stoom van rond de 80 atmosfeer en 300oC.)
Hogere temperaturen echter bevorderen het rendement. Vandaar dat men er bij LFTR-en voor gekozen heeft voor een koelvloeistof die meestal bestaat uit een mengsel van gesmolten lithium- en berylliumfluoride (afgekort FLiBe, wikipedia.org/wiki/FLiBe ) dat, bij een druk die niet ver boven de atmosferische ligt en bij een optimale mengverhouding, een smeltpunt heeft van  459˚ C. Een reactor moet daar een eind boven zitten (bij Thorizon 550˚.C).

Gezuiverd FLiBe (ten tijde van Oak Ridge). 

By Bckelleher – Own work, CC BY-SA 3.0,

Het mengsel  is corrosief, Het stelt eisen aan de samenstelling van de leidingen. Thorizon wil dit eenvoudiger maken door hun cartridges  om de 5 a 10l jaar te verwisselen.
 De L van het Liquid in LFTR staat voor het gesmolten zout en de F voor Fluoride.

In een gangbare reactor, met een vaste kern, werken de splijtingsproducten gaandeweg hun oorzaak tegen. Daarom wordt in deze centrales slechts een klein deel (paar procent) van de aanwezige energie nuttig gebruikt. Daarna moet de door eigen toedoen vergiftigde splijtstofstaaf, met de meeste energie er nog in, uit de reactor, en staat hij jaren voor nop te koelen in een soort zwembad.
In een LFTR is ervoor gekozen om ook de ingaande Thorium en de gevormde uranium in de gesmolten fluoridevorm aanwezig te laten zijn. Hoe dat gerealiseerd wordt, kan van machine tot machine verschillen (voor zover dat nu al beoordeelbaar is).  Ook dan vergiftigt de reactie zichzelf, maar omdat de vloeistof kan stromen, kan het vergif er buiten het reactorvat worden uitgehaald – zoiets als  nierdialyse, maar dan een beetje ingewikkelder. Er is dus een chemische installatie aan de LFTR gekoppeld.
Op deze manier wordt een zeer hoog splijtingsrendement bereikt (bijvoorbeeld 98% van het inkomende thorium wordt nuttig verwerkt).
Het is denkbaar dat sommige van de verwijderde splijtingsproducten nut kunnen hebben (bijvoorbeeld als medische isotoop), maar dat is nog erg speculatief.

Een gebruiksklare LFTR heeft wel een starter nodig die de eerste neutronen levert. Dat moet iets zijn wat van zichzelf splijt, want dan neutronen. Bijvoorbeeld opgespaard U-233 of uranium of plutonium  uit afgedankte atoombommen.
Als er veel LTFR-en zijn, kan dat mogelijk een probleem worden, maar zover is het nu nog niet.

Een LFTR produceert zelf nauwelijks of geen langlevend afval omdat het proces niet of nauwelijks boven de U-233 uitkomt (dat splijt bijna volledig).  83% van het radioactieve afval moet dan 10 jaar opgeslagen worden, en de rest 300 jaar. Dan is alles terug, of onder, het oorspronkelijke radioactieve niveau. Het is een politiek standpunt wat men van die resterende opslagtermijn vindt. Ik vind het persoonlijk te overzien.
Lange halfwaardetijden ontstaan in een gangbare reactor die op U-235 werkt en een energetische ballast heeft van heel veel U-238. De 238-isotoop kan neutronen invangen waardoor zwaardere elementen ontstaan (de transuranen), waarvan plutonium (bommateriaal) de bekendste is. Die U-238 en de transuranen kunnen hele lange halfwaardeijden hebben die tot de beruchte opslagtermijnen leiden van honderdduizenden jaren.  
In principe kan er aan de gesmolten zoutmassa van een draaiende LFTR langlevend kernafval van elders worden toegevoegd, als dat kan splijten en zodoende neutronen levert. De reactor vernietigt dan dat reeds bestaande afval (waar, zoals gezegd, nog heel veel energie in zit). Dus als de LFTR naast de kerncentrale n Borssele komt te staan, zou het afval van de een de brandstof van de ander kunnen worden. Er is dan weinig gesjouw met radioactief materiaal nodig.
Dit alles idealiter. Men komt hierover optimistische bespiegelingen tegen, maar ik heb nog geen cijfers kunnen vinden.

De omvangrijke nijverheid die kernwapens produceert doet dat op basis van sterk verrijkt U-235 of op basis van Plutonium-239. Dat werkt ‘goed’.
Het is mogelijk kernwapens te maken op basis van het U-233 dat in thoriumcentrales ontstaat (het is gebeurd), maar het is niet praktisch vanwege de bijmenging van U-232. Beide zijn splijtbaar, maar U-232 gammastraalt als een gek en is dus impopulair in de omgang. Bijvoorbeeld omdat de elektronica van de bom er niet tegen kan. Landen die bereid en in staat zijn om atoombommen te maken hebben aan de gevestigde procedé’s rond U-235 en plutonium genoeg.

Een goed ontworpen LFTR stabiliseert zichzelf. Als er energie aan onttrokken wordt, koelt het systeem af en gaat het vanzelf harder werken (de vloeistof krimpt, de deeltjes komen dichter op elkaar en de reacties gaan sneller). Idem omgekeerd als het systeem warmer wordt.
Het systeem kan dus, tot op zekere hoogte, bijvoorbeeld de  wisselende opbrengst van zonnepanelen compenseren.
Onduidelijk is, tot nu toe, tot op welke hoogte. Dit soort beweringen zijn nog niet praktijkgetest.

LFTR-en zijn inherent (zonder continu menselijk toezicht) veilig. In het laagste punt van de inrichting zit een prop die kan smelten. Als de zelfregulerende mechanismes falen en de temperatuur te hoog oploopt, of als de stroom uitvalt die de prop koelt, loopt het mengsel weg in een afvalbak en stopt de reactie. Voor de restwarmte is natuurlijke circulatie genoeg.

Er zijn nog een heleboel technische kwesties (plus en min), en er is   nog heel wat R&D nodig, maar dat is te specialistisch voor deze kolommen.
Blijkbaar vertrouwt Thorizon voldoende op de eigen R&D tot nu toe, en daarmee op het eigen product. De praktijk van de komende jaren zal leren hoe gerechtvaardigd dit is.

RWE-centrale in het Duitse Hamm-üntrup. In de jaren ’80 heeft men hier geëxperimenteerd met een bepaald type thoriumreactor. Dat was geen succes. Foto zelf gemaakt in 2019. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Kernkraftwerk_THTR-300

Een politieke afsluiting
Deze weblog gaat mede over politiek. Wat vind ik hiervan?

Ik ben dit artikel begonnen met een verwijzing naar het Noord-Brabantse Energieperspectief 2050, waarin het denken over Small Modular Reactors een p[laats heeft.  Ongetwijfeld lopen in andere provincies vergelijkbare gesprekken. Gegeven de omvang van de SMR-en is het logisch dat provincies ernaar kijken.  Dat vraagt om een serieus politiek antwoord.

Over het Energieperspectief 2050 van de provincie N Brabant vond ik dat ik geen kernenergie wil, small of niet,  op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Toen was Thorizon nog niet in beeld. Ik heb dit artikel met deze stelling geopend.
Nu Thorizon sindsdien wel in beeld is gekomen, heb ik uiteindelijk nog steeds dezelfde mening. Ik twijfel er alleen heel sterk aan of het verhaal goed is.

Een eerste overweging, en niet eens de belangrijkste, is het geld. Thorizon noemt geen bedrag, maar n Change wordt ‘ruim € 1 miljard’ genoemd, waarvan ruim 40 miljoen binnen is. Dat valt nog niet eens tegen, als het dat inderdaad zou worden.

Een tweede, zwaardere, overweging is dat ik geen fluit van het tijdschema geloof, en dat op basis van een analyse van prof. Wim Turkenburg  ( https://midossier-hoe-snel-dragen-nieuwe-kleine-kerncentrales-smrs-commercieel-bij-aan-de-energievoorziening/ ).
Turkenburg werkt  met het puntensysteem van het NEA SMR Dashboard (NEA = Nuclear Energy Agency). Een ontwerp kan voor een aantal tussenstappen punten krijgen en bij 30 punten is er sprake van een opgeleverde, commercieel werkende centrale. Bij Turkenburg staat een groot aantal SMR-ontwerpen in een diagram (jaar sinds de start versus het aantal punten)
Thorizon (startjaar 2018) zit na zes jaar op 3 punten. Een oplevering in 2034, zoals beloofd, zou betekenen dat na 16 jaar (sinds 2018) de Thorizon ONE op 30 punten zou moeten zitten. Dat lijkt er niet op.

Waarna als derde vraag rijst hoe Thorizon ONE zich tot het grotere geheel van de broeikasgasloze nieuwe energie verhoudt. Als het een op zichzelf staand project wordt dat blijkt uit te lopen en meer kost dan begroot, is er geen man overboord want dat is men bij de overheid wel gewend. En op zich mag research en industriepolitiek geld kosten.
Maar als een rechtse meerderheid Thorizon ONE zou gebruiken als kapstok om met alle wind- en zonneparken te stoppen, hebben we een groot probleem. Dan hebben we vele jaren noch het een noch het ander. Met andere woorden: een Thorizon ONE die aanvullend op zon en wind enzovoort is, kan (het ontwerp leent zich er tot op zekere hoogte voor). Een Thorizon ONE die in plaats komt van wind en zon enzovoort zou een ramp zijn.
Het N Brabantse Energieperspectief 2050 definieert naast SMR-en goed pakket aan zon en wind en warmte (enzovoort), en vertrouwt kwantitatief nog niet op die SMR-en. Dat is verstandig.

Er moet (ten vierde) naar keteneffecten gekeken gaan worden (hoe kom je aan de thorium en wat doe je met het afval, ook al is dat veel minder en leeft het veel korter dan bij uraniumafval). Het is begrijpelijk dat dat niet nu al gebeurt, maar vroeg of laat zal het moeten.

Uiteraard (5) zullen er uitvoeringsvraagstukken komen, zoals wat waar onder welke voorwaarden mag komen te staan. Het is echter te vroeg om daar nu zinvol op in te kunnen gaan.

Tenslotte: ik vind dat de energieproductie in overheidshanden moet zijn, zeker als het om kernenergie gaat. Wat niet failliet mag, hoort niet op de markt thuis. De zeggenschapsverhoudingen bij de deelnemende partijen zijn niet altijd duidelijk.

TNO produceert zonne-dakpan van perovskiet

TNO heeft, naar eigen zeggen als eerste, een zonne-dakpan ontwikkeld. Die bestaat uit een dakpan met een dunne flexibele laag folie, waarop een module op basis  van perovskiet. Dat staat in een persbericht dd 02 april 2026, zie tno.nl/perovskiet-zonnecellen-dakpan/02 april 2026 .
De onderliggende dakpan is ontwikkeld door het Hengelose start up-bedrijf Advanced Solar Applications Technology (ASAT).

Als met perovskiet één enkele, zuivere stof bedoeld wordt, is dat CaTiO3 . Daarnaast zijn er een aantal erop gelijkende mineralen die die je zou kunnen aanduiden als de perovskiet-familie ( zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Perovskieten ). Deze mineralen zijn  niet zeldzaam en kunnen soms ook synthetisch, uit andere grondstoffen, in elkaar gezet worden.

De Zonne-dakpan met uiteenlopende beschermingslagen (website TNO)

Dunne laag-zonnepanelen hebben voordelen boven de gangbare siliciumpanelen. Ze wegen minder en kunnen vanwege hun buigzaamheid gemakkelijker in gebouwen en infrastructuur ingepast worden. Er is minder energie en minder grondstoffen nodig voor de productie en die grondstoffen zijn ruim beschikbaar.

Nadeel  is dat het rendement lager is. In reële omstandigheden haalt de perovskietcel 12,4% en halen gangbare panelen 20%. (NB: de combinatie van perovskiet met gangbare zonnepanelen haalt veel hogere rendementen, maar dat is niet aan de orde op dakpannen).

De demo-dakpan is de volgende stap in een lopend research- en opschalingsproject dat gekoppeld is aan Brabantse industriepolitiek, gedragen door TNO/Solliance, de Provincie NoordBrabant en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM).
Het paneel is dus nog niet commercieel beschikbaar.

Voor verdere opschaling richting  commercialisatie heeft TNO in maart 2026 de spin out Perovian Technologies ( https://www.tno.nl/nl/newsroom/2026/03/tno-lanceert-perovion-technologies/ ) opgezet. Die moet de perovskiet-modules gaan uitrollen, ongeveer op de manier zoals een krant gedrukt wordt. Men hoopt de fabriek, waarin dat gaat gebeuren, in 2030 te gaan bouwen.

Extra informatie, desgewenst, op https://www.tno.nl/nl/duurzaam/energievoorziening/zonne-energie-technologie/perovskietzonnecellen/ en  https://www.zonnepanelen-gids.nl/soorten-zonnepanelen/perovskiet-zonnepanelen/

TNO Mass-Customization research pilot lijn waarop zonne-cellen en folies op maat gepositioneerd worden, en waarover een beschermende folie wordt aangebracht. (website TNO)

Enexis bedient je verwarming?

Ter inleiding
De congestieproblematiek van het stroomnet is bekend en wordt steeds acuter. Op 15 april 2026 stond bijvoorbeeld in het Eindhovens Dagblad dat voor grote delen van mijn regio Zuidoost Brabant inmiddels ‘code rood’ geldt, ook voor nieuwe woonwijken. En daarvan willen ze er een heleboel aanleggen in onze explosief groeiende regio.

Die congestie geldt vooral voor pieken en dan met name voor de avondpiek vaan 16 tot 20 uur. Naast andere aanpak probeert Enexis, de regionale beheerder van het laag- en middenspanningsnet, daarom piekbelastingen te verschuiven. Enexis maakt dat al mogelijk bij het laden van elektrische auto’s en met thuisbatterijen. Een algemene schets van dit beleid op de site van Enexis is te vinden op verschuiven-stroomverbruik-buiten-piekuren-kan-binnenkort-ook-met-hybride-warmtepomp/ (dd 12 januari 2026).

Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026

Om de anti piek-aanpak verder uit te breiden met hybride warmtepompen heeft Enexis, samen met andere maatschappelijke partners, in het Drentse Dalen een pilot opgezet om hybride warmtepompen collectief, van buitenaf, aan te sturen. Dat werd het DACS-HW programma ( https://dacs-hw.nl/  ). Huishoudens werden uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. 40% van de uitgenodigde huishoudens achter een specifiek transformatorhuisje, reeds in het bezit van een hybride warmtepomp, deed mee en dat telde op tot ca 100 huizen. Men kon zich ook weer afmelden, maar gebeurde weinig.
Bewoners moesten specificeren hoe ze het hebben wilden, en gaven dan de bediening van hun warmtepomp in handen van Enexis. Enexis heeft een collectief aansturingsprogramma uitgevonden waar het gewenste resultaat (bijvoorbeeld 19˚ C van 17 tot 23 uur) als randvoorwaarde inging, alsmede woningkenmerken, slimme meetdata en beschikbare netcapaciteit, en waar de gewenste temperatuur uitkwam.
Enexis kon dan bijvoorbeeld van afstand de hybride warmtepomp om 15 uur aanzetten (welk tijdstip buiten de piek ligt) en om 16 uur weer uit (deze getallen zijn een voorbeeld en komen niet van Enexis).

Resultaat is dat de avondpiek in deze specifieke omstandigheden, bij 40% deelname,  en bij dit specifieke transformatorhuisje, 10 tot 25% lager was. Verder bleek het gasverbruik van de huishoudens ruim 70% lager te zijn geworden (dat komt omdat bij  een hybride warmtepomp er voor de ruimteverwarming pas gas wordt ingezet als de stroom het niet meer aan kan, en bij piekverschuiving gebeurt dat dus minder vaak).

Het DACS-HW project heeft een persbericht uitgebracht ( persbericht DACS-HW dd 27 nov 2025 ) dat ik hieronder, net een steunkleur, integraal afdruk. Daarna kom ik er nog even op terug met een paar relativerende opmerkingen.

Luchtfoto van de wijk in kwestie_website DACS-HW website

=  =  =  =  =  =  =

PERSBERICHT: Slimme aansturing van hybride warmtepompen biedt oplossing tegen netcongestie op het laagspanningsnet

                                                                                              27 nov 2025

Pilot DACS-HW in Dalen toont het potentieel aan 

Een groot deel van een woonwijk voorzien van hybride warmtepompen zónder dat het stroomnet hoeft te worden verzwaard: in het Drentse Dalen is dit concept succesvol getest door een consortium van Enablemi, Enexis, Intergas, Inversable, Samen Energie Neutraal, Technische Universiteit Eindhoven en Voorstroom. Binnen het pilotproject DACS-HW werden honderd hybride warmtepompen bij huishoudens collectief en centraal aangestuurd, om te onderzoeken of op deze manier de capaciteit en flexibiliteit van het lokale stroomnet beter kan worden benut.

Collectieve sturing helpt een vol stroomnet 
De groei van (hybride) warmtepompen, laadpalen en elektrische apparaten zorgt voor toenemende belasting van het lokale stroomnet. Het stroomnet raakt steeds voller en er dreigt op sommige plekken zelfs overbelasting. In Dalen is aangetoond dat het laagspanningsnet aanzienlijk kan worden ontlast door de slimme en centrale aansturing van hybride warmtepompen. Het resulteerde in 10 tot 25% reductie van de avondpiek. Deze resultaten zijn specifiek voor deze wijk en testopzet – met circa 40% deelnemende huishoudens. Bram Gerrist, Directeur Innovatie & Ontwikkeling bij Enexis: “De pilot in Dalen toont aan dat het stroomnet beter wordt benut en dat op piekmomenten het lokale stroomnet wordt ontlast zonder dat bewoners comfort verliezen. Hierdoor kan een eventuele netuitbreiding worden uitgesteld of mogelijk zelfs worden voorkomen. Iets wat zowel de maakbaarheid van de energietransitie als de betaalbaarheid voor de bewoners ten goede komt”. 

Comfort en duurzaamheid voor bewoners
De hybride warmtepompen worden automatisch en centraal aangestuurd, waarbij bewoners altijd inspraak houden in het verwarmingsproces door middel van een comfortknop (‘opt-out’). Slechts een beperkte groep bewoners maakte hier gebruik van, wat het vertrouwen in het systeem benadrukt. Louis Visser, Manager Innovatie bij Intergas; “Door de prestaties van hybride warmtepompen in DACS-HW te optimaliseren, minimaliseren we het risico op netoverbelasting. Bewoners zien tegelijk het voordeel: meer dan zeventig procent minder gasverbruik voor verwarming. Dit resulteert direct in een lagere energierekening en een reductie in CO2-uitstoot.”

Innovatie en transparantie
Binnen de pilot wordt gewerkt met metingen, aanstuurscenario’s en dataverzameling via een open-source cloudplatform. Zowel data uit slimme meters en warmtepompen, als netdata worden veilig uitgelezen en transparant gedeeld, met volledige borging van privacy. De piekreductie lag tussen de 10 en 25 procent, afhankelijk van de gekozen aansturingsmethoden en wensen van bewoners. 

Draagvlak en betrokkenheid
Succesvolle energietransitie vraagt naast technologische vooruitgang om actief draagvlak en betrokkenheid van bewoners. In Dalen heeft veertig procent van de huishoudens deelgenomen aan de pilot, mede dankzij de transparante samenwerking en het tastbare duurzame resultaat. De ervaringen en resultaten bieden een waardevolle basis om deze innovatieve aanpak verder door te ontwikkelen en mogelijk uit te rollen naar andere wijken en gemeenten, en zo samen te werken aan een stabieler, zuiniger en toekomstbestendig energiesysteem.

Dit project is uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), binnen de MOOI-subsidieronde 2022.

=  =  =  =  = 

Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026

Drie relativerende opmerkingen mijnerzijds:

  • Een hybride warmtepomp bespaart bij individueel gebruik sowieso al ca 60 a 70% gas ,zegt Milieu Centraal  ( milieu centraal over de hybride warmtepomp/ . De extra besparing die het gevolg is van de collectieve aanpak moet dus gerekend worden over de 30 a 40% die nog over is (all-in hou je dus pakweg 10% gasverbruik  over)
  • Hybride warmtepompen zijn eigenlijk geen groot probleem (zegt ook het persbericht). De gemiddelde piekbelasting blijkt grofweg 0,85kW en het transformatorhuisje is zo gedimensioneerd dat alle woningen tegelijk 1,5kW mogen vragen.
    Maar dezelfde aanpak kan ook gehanteerd worden bij grotere stroomvreters, zoals een all electric-verwarming. Daar zet het meer zoden aan de dijk.
  • Een dergelijke aanpak is noodzakelijk, maar waarschijnlijk niet voldoende om de netproblematiek op te lossen

Oprichting Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar

Netbeheerder Enexis, de provincie Noord-Brabant en de Nationale Deelneming Warmte (NDW) hebben op 08 april 2026 een persbericht uitgebracht waarin gemeld wordt dat de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar is. (NDW is een dochter van het overheidsbedrijf Energie Beheer Nederland).
Op 2 april 2026 werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.
Er wordt samengewerkt met gemeenten en men staat positief tegenover bestaande of nieuwe kleinshalige collectieve oplossingen.

Politiek verantwoordelijk is gedeputeerde Bas Maes (SP)
Het persbericht staat hieronder afgedrukt en is te vinden op https://www.enexisgroep.nl/nieuws/onderzoek-ondersteunt-haalbaarheid-oprichting-regionaal-warmtebedrijf-brabant en op de site van de provincie.

De algemene warmtevisie van Enexis is te vinden op https://www.enexisgroep.nl/over-ons/onze-organisatie/strategie-waardecreatie/#referentie-warmtestrategie .

Op deze site is al eerder over dit onderwerp geschreven op https://www.bjmgerard.nl/onderweg-naar-een-provinciaal-warmtebedrijf/ .
Voor een achtergrondartikel over de mogelijke rol van coöperaties en over Deense ervaringen, zie https://www.bjmgerard.nl/energiecooperaties-willen-rol-bij-warmtenetten/ .

Aanleg coöperatief warmtenet Terheijden (bij Breda)

Onderzoek ondersteunt haalbaarheid oprichting Regionaal Warmtebedrijf Brabant

https://www.enexisgroep.nl/nieuws/onderzoek-ondersteunt-haalbaarheid-oprichting-regionaal-warmtebedrijf-brabant

Afgelopen jaar onderzochten provincie Noord-Brabant, Enexis Groep en de Nationale Deelneming Warmte (NDW – dochter van Energie Beheer Nederland) de financiële en juridische haalbaarheid van een publiek warmtebedrijf. Op 2 april werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.

Een publiek warmtebedrijf is een investering in de lange termijn: het helpt om de ontwikkeling van warmtenetten te versnellen, zorgt voor de laagste maatschappelijke kosten en bewaakt de betaalbaarheid. Het toekomstige RWB zal zich richten op de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van collectieve warmte, met Brabant als kerngebied. Dit is in lijn met de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw), die op 9 december 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer en sinds begin dit jaar in fases wordt ingevoerd. De wet bepaalt dat warmtebedrijven in meerderheid publiek moeten zijn. De investering in de warmtetransitie biedt op de lange termijn voordelen, zowel vanuit maatschappelijke waarde als vanuit publieke zakelijkheid. Zo draagt het RWB bij aan een betrouwbare, duurzame warmtevoorziening voor Brabanders, met minder afhankelijkheid van gebeurtenissen in het buitenland. Gemeenten hebben hierin een duidelijke regierol, terwijl het provinciale niveau schaalvoordelen, standaardisatie en bundeling van kennis en kunde mogelijk maakt.

Voldoende gebouwen en bronnen beschikbaar

Het RWB kan een belangrijke rol spelen in het aardgasvrij maken van gebouwen in Noord-Brabant. Uit de verkenning van de drie samenwerkende partijen blijkt onder meer dat ongeveer 400.000 woningen en 35.000 utiliteitsgebouwen aangesloten kunnen worden op een warmtenet. Voor deze woningen geldt dat aansluiten op een warmtenet tot de laagste nationale kosten leidt. Dit potentiële aantal rechtvaardigt ruimschoots de oprichting van het RWB, ook als zou blijken uit de Warmteprogramma’s waar gemeenten momenteel aan werken dat deze potentie lager wordt. Er zijn ook voldoende duurzame warmtebronnen aanwezig, zoals restwarmte, geothermie en warmte van rioolwaterzuiveringen en van rivieren. Dit betekent dat er ongeveer een derde van de woningen in Brabant aangesloten kan worden op een duurzaam warmtenet naast de 70.000 woningen die al op een bestaand warmtenet zijn aangesloten. De onderzoeksresultaten en de aanname van de Wcw, zorgen ervoor dat de partijen een vervolg willen geven aan hun huidige initiatief. In de samenwerkingsovereenkomst hebben ze daarom afspraken gemaakt hoe ze samen verder toewerken naar de oprichting van een RWB.

Energiezekerheid en betaalbaarheid

De partners vinden het belangrijk dat energie altijd beschikbaar is voor inwoners én dat energie voor iedereen betaalbaar blijft. Het nog op te richten regionale warmtebedrijf kan zorgen voor een eerlijke prijs en betrouwbare levering van energie. Het RWB wil samen met gemeenten vormgeven aan de warmtevoorziening in Brabant. Gemeenten houden zo regie, terwijl zij steun krijgen bij de voorbereiding en aanleg van warmtenetten. Het RWB ondersteunt gemeenten zodat zij zich volledig kunnen richten op hun wijkplannen, zonder zelf een warmtebedrijf te hoeven opzetten.

We onderzoeken wat binnen de Wcw mogelijk is om ook te werken aan andere, kleinschalige collectieve oplossingen die passen bij het karakter van de Brabantse dorpen. Betaalbare warmte voor Brabanders is hierbij het uitgangspunt. Doordat de provincie, Enexis Groep en NDW hun krachten bundelen krijgen gemeenten warmtenetten sneller en op een zorgvuldige manier van de grond. Zo krijgen wijken en dorpen sneller zicht op een betrouwbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas.

Planning

Het oprichten van een nieuw warmtebedrijf is ingewikkeld. Daarom plannen de partners hier voldoende tijd voor in. Zo voeren provincie, NDW en Enexis Groep in de eerste helft van 2026 ook gesprekken over de invulling van het RWB met alle Brabantse gemeenten die een warmtenet voorzien. Hiermee proberen we zo goed mogelijk aan te sluiten bij wensen en behoeften van gemeenten. We zoeken daarbij naar een gezonde balans tussen maatwerk en uniformiteit. De wijze waarop het RWB georganiseerd wordt moet maximaal bijdragen aan betaalbare warmte. Het uiteindelijke voorstel voor oprichting wordt waarschijnlijk voor het einde van 2026 aan Provinciale Staten voorgelegd. Na positieve besluitvorming door Provinciale Staten, Enexis Groep en NDW, kan gestart worden met de daadwerkelijke oprichting van het RWB en het opstellen van concrete investeringsvoorstellen voor warmteprojecten.

In Deense steden, zoals in Lemvig, zijn stadsverwarmingen gemeentelijk of collectief (foto mag overgenomen worden o.v.v. www.bjmgerard.nl )

Grote ondergrondse waterstofvondst in Lotharingen

Afkomstig van de website van FDE

Onderzoekers van het GeoRessources Laboratorium van de Universiteit van Lotharingen (gevestigd in Nancy en Metz), van de Franse overheidsrganisatie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, CNRS, en van energiebedrijf Française de l’energie (FDE) hebben met de PTH-2-put bij Pontpierre op bijna 4 km diepte een grote ondergrondse voorraad waterstof ontdekt. Zie (o.a.) georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project/ en persbericht FDE .
Voor een CNRS-filmpje zie  new-reportage-cnrs-lorraine-hydrogen-under-our-feet .

Mn spreekt van minstens 34 miljoen ton waterstof, maar er worden ook hogere getallen genoemd. Het kan zijn dat het reservoir doorloopt tot in België, Luxemburg en Duitsland. Voor zover de kennis nu reikt, is het de grootste waterstofbel ter wereld.

Eigenlijk is de waterstofvoorraad bij toeval ontdekt bij het uitvoeren van een ander onderzoek, namelijk naar de winning van Coal Bed Methane (CBM). Vroeger werden in  de regio Lotharingen, net als in de aangrenzende delen van Belgie en Duitsland, kolen gewonnen. Die mijnen zijn alweer geruime tijd dicht, maar er zitten nog steeds veel kolen in de grond.
Vaak is met die kolen methaan geassocieerd (wat de consument waardeert als aardgas en wat de mijnwerker vreest als mijngas). De gedachte achter het, daartoe in 2012 opgerichte, Regalor-project was om dat kolengas te winnen.
Bij proefboringen echter bleek dat het kolengas waterstof als bijmenging had, en dat de bijmengconcentratie hoger werd naarmate de boor dieper ging. Dat veroorzaakte opwinding, waarna de bijzaak hoofdzaak werd. Als het zou lukken om de waterstof te winnen, zou dat extreem waardevol zijn – veel waardevoller dan methaan. Waterstof wordt massaal ingezet in de chemische industrie en tot nu toe wordt bijna alle waterstof uit fossiel aardgas gemaakt (en vooralsnog relatief een beetje uit elektrolyse van water).

Er volgde fundamenteel onderzoek naar hoe het ondergrondse systeem in elkaar zat. Het uiteindelijke model is dat de bron van de waterstof zich onder de kolenlagen bevindt, dat die waterstof (een heel licht gas) naar boven wil migreren, en dat de kolenlagen die omhoog trekkende waterstof adsorberen. De eerste boringen hebben die geadsorbeerde waterstof gemeten.
Men gaat er van uit dat de waterstof ontstaat door een reactie van warm water met sideriet (in chemische termen ijzer(II)carbonaat).  De details moeten verdre opgehelderd worden.
Tegenover de ondergrondse  vorming van waterstof staat ook ondergrondse  ontsnapping en afbraak (waterstof is een reactief gas en sommige bodemorganismen vinden het heel lekker). Ook hiervan is nog lang niet alles bekend.

Dit is jonge wetenschap. De Pontpierreboring van het Regalor-II is bijvoorbeeld pas in december 2025 gestart.
Men heeft heel lang gedacht dat er geen noemenswaardige hoeveelheden waterstof in de bodem zaten, omdat men vooral keek naar olie en gas en de ontstaansomstandigheden voor olie en (meestal) gas zijn anders dan van waterstof.
De achterstand wordt overal ingehaald. De literatuur is vaak van na 2020.
De VS bijvoorbeeld heeft een programma opgezet (https://www.usgs.gov/centers/central-energy-resources-science-center/science/geologic-hydrogen#overview )) en bijvoorbeeld Franse onderzoekers kregen hun sideriet-publicatie over een gebied in Zuid-Amerika gepubliceerd in november 2025 ( https://doi.org/10.3390/min15111218 ) – dat sideriet leverde overigens, in de omstandigheden op 3 tot 6km diepte, verrassend veel waterstof op.

Voor de sier een reactievergelijking

Het eerdere artikel op mijn site ( https://www.bjmgerard.nl/waterstofmijnbouw/ ) was gebaseerd op de interactie tussen heet water en vulkanisch gesteente (serpentinisatie), waarvan men tot voor kort dacht dat het de dominante vorm was. Serpentinisatie is inderdaad een veel voorkomende vorm, maar de vraag is in hoeverre die dominant is.

Duidelijk is dat er nog veel uitgezocht moet worden, niet in het minst hoe je die waterstof in praktijk op verantwoorde wijze kunt winnen. In Lotharingen is daartoe het vervolgproject Regalor-II opgezet ( georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project  ). Dat loopt van 2025 tot 2028.

De waterstof blijkt op de dieptes, waar die ontstaat, onder hoge druk en temperatuur opgelost te zijn in water zoiets als bubbeltjes in champagne, maar dan heftiger.   Dat zijn omstandigheden die de gangbare mijnbouw niet eerder tegengekomen is. Hoe krijg je het gas gecontroleerd naar boven terwijl het water achterblijft, en dat bij 100 tot 200 atmosfeer en bijvoorbeeld 150˚ C?
Voor de kleine schaal, die van de metingen, is dit probleem opgelost.  Er is een sonde ontwikkeld ( de SYSMOG probe  ( https://www.solexperts.com/files/downloads/FP_SysMoG_Deepenglisch.pdf )die via een smal boorgat in de diepte gebracht kan worden. Er zit een membraan op waar de waterstof wel doorheen kan, en het water niet. De sonde is nu gebruikt om meetmonsters te nemen, maar zou doorontwikkeld moeten worden om op industriële schaal af te tappen.

Alle bij het project betrokkenen benadrukken dat het nog wel een paar jaar zal duren voor er eventueel waterstof op verantwoorde wijze en in bruikbare hoeveelheden naar boven komt.  Toch kijkt FDE al naar een exploitatievergunning.

De voordelen van heel veel zuivere waterstof zijn groot. Maar wat zeker ook beoordeeld moet worden, zijn de nadelen.

Men haalt onder druk staand gas uit onder druk staand water dat zelf op locatie blijft. Nog niemand heeft zich er tot nu toe in het openbaar aan gewaagd om in te schatten wat dat aan de oppervlakte betekent en dat zal wel moeten. Gaat het zoals in Groningen of is dat te voorkomen?

En het boorgat mag niet lekken. Waterstof versterkt de werking van methaan in de atmosfeer en heeft dus een indirect broeikasgaseffect dat het ermee bereikte verdwijnen van het van het fossiele broeikasgaseffect in onbekende mate zou tegenwerken.

Tenslotte: het landschappelijk effect van een onbekend aantal boorlocaties van onbekende omvang (voetbalveldgrootte? Buisleidingen?) is een punt van overweging. Tegenover de grote voordelen vind ik het zelf een klein nadeel, maar er moet wel naar worden gekeken.

Brabant komt met Energieperspectief 2050, incl Small Modular Reactors (en wat ik daarvan vind) (update)

Ter inleiding
Provincies hebben een belangrijke rol in het complexe krachtenveld rond de vele, met elkaar concurrerende, claims op de beschikbare ruimte: landbouw, woningbouw, klimaatadaptatie, natuur en ook de energietransitie.
Landelijk beleid moet vertaald worden naar concrete, regionale omstandigheden. En als de voorbije regering Schoof-1 (en laatst), überhaupt geen beleid maakt of zelfs schadelijk beleid, dan is het goed dat er één overheidsniveau lager nog enige mate van ordening overblijft.

De focus van deze site ligt op de provincie Noord-Brabant. Daar zit momenteel een College met redelijk wat progressieve invloed (geen BBB) en die doet het, binnen de grenzen van wat in dit land mogelijk is, goed.

Het energiedossier zit bij Bas Maes (SP).

Het beleid van de provincie N Brabant ligt momenteel vast tot 2030. Leidend zijn momenteel de Energieagenda 2019-2030 ( energieagenda NBrabant 2019-2030 ), met daarbinnen korter lopende uitvoeringsagenda’s,  en de Omgevingsvisie. Ik heb op deze site eerder een artikel geschreven over de monitoring van deze Energieagenda op brabantse-en-landelijke-energie-en-mobiliteitmonitor/ .

Besparingsambitie in de Energieagenda 2019 – 2030

Het jaar 2030 nadert en er moet nagedacht worden over het vervolg tot 2050.  Na een omvangrijk participatieproces heeft dat geresulteerd in het ‘Energieperspectief 2050’.  Dat moet gezien worden als een toevoeging aan de bestaande Energieagenda.
In dit aanloopproces hebben ruim 3000 Brabanders kunnen reageren, zijn er werkateliers georganiseerd waaraan ruim 70 organisaties een inbreng geleverd hebben, en zijn er in de vier RES-regio’s regiobijeenkomsten georganiseerd. Verder ligt aan het Energieperspectief een PlanMER ten grondslag.

Een korte samenvatting, waarin toegang geboden wordt tot de belangrijkste ondersteunende documenten, is te vinden op energiewerkplaatsbrabant.nl/nieuws+nieuwste  .
De officiële overheidspagina, met alle ondersteunende documenten, is te vinden op officielebekendmakingen.nl/prb-2026-615 . Het Energieperspectief 2050, en de ondersteunende documenten als bijlagen, zijn te vinden onder de TAB ‘Bekijk documenten’.
Via beide locaties kan men een zienswijze indienen. Dat kan t/m 26 februari 2026. Mogelijk verdwijnt de overheidspagina daarna, dus wie op zeker wil spelen, moet de documenten voor die tijd downloaden. Indien nodig, zal ik in dit verhaal  toegang blijven bieden.

Politieke totaal-ambities van het College. Deze zijn iets ambitieuzer dan die van het vorige College.

Het Energieperspectief zelf bevat vooral processen en politieke intenties, die getalsmatig worden weergegeven in de vorm van indicatief bedoelde taartdiagrammen. Bij het Energieperspectief hoort als bijlage een document ‘Verdieping op de opgave’. Daarin worden ook concrete getallen genoemd.

Ordenende beginselen
Bij het samenstellen van het Energieperspectief zijn een aantal ordenende keuzes  gemaakt.

Het Energieperspectief vertrekt vanuit de Brabantse waarden ‘betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust’.  Rechtvaardigheid in de uitvoering is een meermalen gehanteerd argument.

Het document gaat uit van zes leidende uitvoeringsprincipes:

  • Beperk de energievraag
  • Zet de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel in
  • Vergroot het duurzame energieaanbod
  • Beperk het transport van energie (koppel de opweklocatie zoveel mogelijk aan de verbruikslocatie)
  • Breng vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar (opslag of vraagsturing –  zet je wasmachine aan als de zon schijnt)
  • Faseer fossiele brandstoffen bewust uit

Voorkeursvolgorde ‘de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel’

Er zijn in het PlanMER  drie schaalgroottes of systeemalternatieven, waarop gewerkt kan worden, geanalyseerd: de schaalgrootte lokale kracht; idem de grote opgaven gebundeld; en idem op grote schaal denken. Heel kort door de bocht kun je dat vertalen in de lokale of regionale schaal; de nationale schaal; en de internationale schaal.
Gekozen is voor de schaalgrootte ‘lokale kracht’, omdat die decentraler is en daarmee meer kansen biedt op participatie en lokaal eigenaarschap, Tevens is er minder kans op grote storingen en is er weinig geopolitiek risico. Nadeel is kans op versnippering, nadeel is dat de ruimte vooral in Nederland ingevuld wordt, en dat ieder klein initiatief zijn eigen problemen moet oplossen (bijvoorbeeld hacken).

Mede vanwege dat laatste heeft de provincie de keuze uit drie soorten bestuurlijke ambitie: de provincie kan zich beperken tot faciliteren en stimuleren (waarmee het initiatief bij anderen komt te liggen met hooguit subsidieconstructies); de provincie kan reguleren (alleen maar zeggen wat mag en moet, maar dan zit de provincie er niet met geld in); en beide samen: faciliteren, stimuleren en regisseren, wat zowel dwang als steun mogelijk maakt.
De ‘beide’-mogelijkheid is gekozen.

Het Voorkeursalternaatief
Het Voorkeursalternatief (VKA) van het PlanMER is dus decentrale uitvoering met krachtig leiderschap van de provincie. Het lijkt me geen slechte keus.

Het VKA geeft in een soort stoplichtcode aan wat er gebeurt met de doelstellingen, en wat er gebeurt met milieu- en andere effecten, want die zijn er uiteraard ook.
In deze overzichten betekent de stip de huidige sitiatie; betekent ‘referentiesituatie’ (het kleurloze stippelblokje) de uitkomst als het Energieperspectie 2050 niet doorgaat (dus de situatie als de ontwikkeling in 2030 stopt); en VKA (het gekleurde blokje) de situatie als het Energieperspectie 2050 wel doorgaat.
De hoogte van de blokjes geeft een soort herinnering aan de onzekerheid in de uitspraken.
De ‘hoofddoelstellingen’  zijn die van de Energieagenda 2019-2030,

De bronnenmix in 2050
Na  al deze voorbereiding wat het Energieperspectief denkt dat er met de verschillende energie-indellingen gaat gebeuren (zie hieronder).
Neem alle prognoses met een flinke korrel zout – zie ze maar als indicatief. Dat doet het Brabantse College van GS ook.

  • In 2023 is ca 93% van alle bronnen regelbaar (voor het overgrote deel fossie). Dat loopt terug naar grofweg 35% regelbaar
  • In 2023 komt grofweg 8% van de energie uit NBrabant zelf. Dat loopt op op naar grofweg 60%
  • De Brabantse energiemix in 2023 bestaat uit 25% elektriciteit, 4% duurzame warmte, 30% fossiele voertuigbrandstof en 42% aardgas.
    De Brabantse energiemix in 2050 bestaat uit 76% elektriciteit, 8% duurzame warmte, 26% waterstof en groen gas, en 0% aardgas en fossiele voertuigbrandstof
  • De bronnenmix in 2050 gaat er in meer detail uitzien als hieronder:

De energievraag per drager in PJ. Het Energieperspectief 2050 baseert zich op ‘lokale kracht’’. De laatste twee worden niet gebruikt. Het ‘lokale kracht’-scenario telt op tot 211PJ

Het taartdiagram is op zichzelf minder informatief dan het lijkt.

  • Dat je de gekleurde taartpunten als indicatief moet zien, is vrij logisch, gegeven de vele onzekerheden.
  • Groter probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet of deze mix de aanbodkant of de vraagkant beschrijft. Uit de verdiepingsbijlage blijkt dat het om de vraagkant gaat, dus om de energiedragers die aan de klant worden aangeboden (finaal verbruik).
  • Ander probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet op hoeveel energie de taart als geheel betrekking heeft. Het perspectief noemt nergens absolute getallen. Ook hier weer moet je naar de verdiepingsbijlage (bovenstaand staafdiagram) voor een antwoord op die vraag: men verwacht dat de totale energievraag daalt van 235PJ in 2023 naar 211PJ in 2050 (dat is dus de totale taart). Tevens geeft het staafdiagram absolute getallen voor enkele taartpunten samen.
    Overigens dacht men in de Energieagenda 2019-2030 (de voorganger van het Perspectief) nog dat de totale vraag naar energie in 2030 240PJ/y zou zijn. N Brabant zat dus in 2023 met 235PJ al onder de toenmalige prognose voor 2030 (zijnde 240PJ/y).

Wat beschouwingen bij afzonderlijke taartpunten.

  • De provincie wil geen monofunctioneel gebruik van grond voor alleen maar zonnepanelen. Er kan wel wat, maar niet veel,  in combinatie met (‘icm’) bepaalde agrarische doelen, maar meer ‘icm’ met wind. Wind en zon samen is statistisch gunstig omdat ze niet hetzelfde gedrag vertonen.
  • ‘Wind op zee’ telt als Brabants als die aanlandt in Brabant.
    Er is geen verhaal over participatie of eigendomsverhouding bij de productie van stroom uit wind op zee. Gaat de provincie zichzelf inkopen in de windturbineparken of aan een coöperatie meedoen?
  • Er ligt een besluit dat er 2GW windstroom uit zee aan gaat landen in Geertruidenberg, en er loopt onderzoek naar 2GW of 4GW aanlanding in Moerdijk.
    Een aansluiting van 2GW levert ongeveer 37PJ stroom.  6GW zou dus goed zijn voor ca 110PJ. Als daarvan ongeveer 40PJ naar de waterstofproductie gaat (resulterend in ca 28PJ waterstof, rest is restwarmte), en 70PJ naar de andere klanten, klopt de taartpunt grofweg.
  • Het is een terecht uitgangspunt dat men streeft naar minimalisatie van het elektriciteitstransport, en dus naar zoveel mogelijk verwerking ter plekke. Dat zal grote gevolgen hebben voor het gebied rond Moerdijk en Geertruidenberg. Dit mede omdat de Delta Rhine-leiding er langs komt die desgewenst de geproduceerde waterstof kan afvoeren naar klanten elders.
    Ik waag me niet aan uitspraken over de diverse bestaande, andere functies in dat gebied, zoals de woonfunctie

Waterstof en groen gas-kaart

  • Ook met wind op zee is er een stroomtekort. ‘Energie-import’ betekent stroom van buiten het Brabantse systeem, ‘Brabantse’ wind op zee daarin meegeteld.
  • Bij ‘elektriciteitscentrales wordt (in de verdiepingsbijlage) gedacht aan de biomassastook in de Amercentrale (mits die biomassa duurzaam is), en aan Small Modular Reactors (SMR), relatief kleine kerncentrales. Hierover een apart hoofdstukje.
    Ik denk zelf dat er ruimte is, zij het beperkt, voor (bij)stook van biomassa, en dat Amer-eigenaar RWE slecht bezig is met de stadsverwarming ( https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ )
  • De provincie ziet in het Energieperspectief voor groen gas een belangrijke, maar qua omvang beperkte rol (7PJ) voor bepaalde nichesituaties.
    De productie van groen gas hangt van tegengesteld werkende factoren af zoals relatief meer en op termijn absoluut minder uit mestvergisting, groeiende organische stromen uit de eiwittransitie, en vergassingstechnieken van houtig afval, waartegenover groeiende inzet van organisch materiaal voor andere doelen dan groen gas staan.
  • De provincie denkt dat er in grote delen van N  Brabant potentie is voor ondiepe geothermie, en in kleine delen voor diepe geothermie (die warmer water oplevert).  Er  is ook ruimte voor aquathermie (uit oppervlakteater). Daar is in de afgelopen jaren veel  onderzoek naar gedaan.
    Grofweg zou ongeveer eenderde van de gebouwde omgeving hiermee, als regel met elektrische ondersteuning, verwarmd kunnen worden via grote (>1500 aansluitingen) of kleine warmtenetten. De provincie onderzoekt of een publiek warmtebedrijf mogelijk is.

Small Modular Reactors (SMR) – algemeen
De aandacht van de provincie N Brabant voor kernenergie is nog maar jong. Dit is het eerste meerjaren-verzameldocument dat er aandacht aan besteedt.
Ongetwijfeld is er samenhang met de SMR-strategie van het Rijk dd 17 okt 2025 ( SMR-strategie Rijk_okt2025 ) . In hoeverre de provincie hier handelt omdat het moet, of omdat men het zelf wil, is moeilijk te peilen. Enerzijds vindt de provincie in het Energieperspectief dat er nader onderzoek nodig is of SMR’s echt kansrijk zijn in Brabant, anderzijds zit de provincie met geld in een bepaald type (zie verderop).

By KVDP – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10000621
Diagram of NRC approved SMR type: Pumpless
light water reactordeveloped by NuScale Poweras mini nuclear reactor.

Ik ben geen principiële tegenstander bij voorbaat van welke energievorm dan ook, ook niet van kernenergie. Kernenergie ontwikkelt, in elk geval in de gebruiksfase, heel weinig broeikasgas en naar alle broeikasgasarme energievormen moet gekeken worden.
Ik voel ook geen panische angst bij het woord.  Ik heb in mijn jongere jaren, ten behoeve van mijn werk als natuurkundedocent, mijn diploma Stralingsbescherming A gehaald om (zwakke) radioactieve bronnen te mogen gebruiken. Bij verstandig gebruik is er niet veel aan de hand.

Dat neemt niet weg dat ik problemen heb met specifieke ontwerpen, zoals de grote oude Belgische centrales en Borssele. De gangbare lichtwaterreactoren op basis van uranium staan mij niet aan vanwege het quasi-eeuwiglevende afval, vanwege de relaties met kernwapens, vanwege de geringe versplijtingsgraad, vanwege de geopolitieke afhankelijkheid en omdat een serieus ongeval bij grote centrales grote gevolgen heeft. En wat betreft de nabije centrales, omdat het ouwe meuk is.

Maar de nucleaire techniek schrijdt voort en er zit beweging in sommige problemen, zij het vooralsnog vooral als experiment. De veiligheid van SMR’s bijvoorbeeld is sterk verbeterd, zowel omdat ze kleiner zijn dan conventionele centrales als omdat ze automatisch stoppen als er een probleem is.
SMR’s zijn nog steeds experimenteel: er waren dd 2024  op de wereld maar twee SMR’s in gebruik, namelijk een exemplaar in Rusland, gemodelleerd op de aandrijving van een nucleaire ijsbreker, en een in China. Het experimentele karakter is mede oorzaak dat de eventuele bouw van een SMR in N Brabant 8 tot 11 jaar zou kosten. Voor de korte termijn heb je er, hoe dan ook, niets aan.
Er is een goed Wikipedialemma over de  Small Modular Reactor op https://en.wikipedia.org/wiki/Small_modular_reactor .

Small Modular Reactors – in het NRG Pallas onderzoek is kernenergie te vanzelfsprekend
De provincie heeft NRG Pallas, ten behoeve van het Energieperspectief, om een beperkt onderzoek gevraagd waarin kernenergie in het algemeen, en SMR’s in het bijzonder, als een gegeven beschouwd werden dat niet zelf ter discussie stond. Het onderzoeksresultaat maakt deel uit van het Perspectief-pakket dat men kan downloaden.
Er moest gekeken worden naar hoe drie reactor-grootteklassen bij gegeven koelmogelijkheden en gegeven gebruiksbeperkingen (Natura2000, woonkernen) en een gegeven energievraag passen. Het is geschematiseerd weergegeven in onderstaande tabel

Hoge waterbeschikbaarheid betekent in Brabant de Maas (categorie A). Als daar ergens een grote energievraag zou zijn (>750MWth ) heet de combinatie dan A1.
De subscript  ‘th’ betekent ‘thermisch’. Elke kerncentrale is in wezen gewoon een warmtebron, met welke warmte je verschillende dingen kunt doen. Je kunt er stroom mee maken (subscript ‘el’), maar dat met betrekkelijk laag rendement (een kwart tot een derde). Dus 750MWth aan de Maas betekent, als het meezit, 250MWel .
De grootte-range ‘Small Modular Reactor’ loopt omhoog tot 300MWel en dan zijn ze eigenlijk niet ‘Small’ meer – Borssele is bijvoorbeeld 485MWel . Het is dus zeer wel mogelijk dat een aantal SMR’s opgeteld meer leveren dan een gewone, ouderwetse kerncentrale.

Met warmte kun je op zichzelf ook nuttige dingen doen, zoals industriële processen mogelijk maken, de stadsverwarming voeden, zout of brak water ontzilten (bijvoorbeeld als de drinkwaterwinning  tegen zijn grenzen aanloopt), of de productie van waterstof makkelijker maken.
SMR’s kunnen behoorlijk nut hebben in een goed verhaal.

Voor zo’n goed verhaal moet je ook andere infrastructuur inplannen, zoals de warmtenetten, de grote waterstof ‘backbone’ die er moet komen, en de hoogspanningsleidingen.  Die zijn in de NRG Pallas-analyse niet als dwingende voorwaarde opgenomen, maar als wenselijke aanvulling.

Inpassingsmogelijkheden van SMR’s

Als je dat allemaal  bij elkaar voegt, krijg je bovenstaande kaart (al die kaarten zijn overigens verrot onduidelijk). Die kaart leidt tot enkele interessante speculaties.
Dat Moerdijk  eruit springt is logisch (wat iets anders is als aangenaam). Maar bijvoorbeeld Veghel (klasse B1) springt eruit (als je goed kijkt) en de Theodorushaven in Bergen op Zoom.
En als men nou eens zou besluiten om op de Eindhovense Brainport Industries Campus een groot datacenter te bouwen? Komt op papier in aanmerking voor een SMR (klasse B2 of B3, is niet goed te zien). Dus beperkte koelingsmogelijkheden, namelijk uit het nabije Beatrixkanaal, en dat kan ‘NK, natte koeling betekenen, mogelijk een koeltoren. Over koeltorens spreekt de NRG_Pallas-studie niet, wel over koelgebouwen van 10 – 30m hoog waar verdamping plaatsvindt.

Small Moduler reactors – wat ook ter discussie zou moeten staan
Afgezien van dat SMR’s nog niet commercieel beschikbaar zijn,  zijn er een paar dingetjes:

  • Men hoopt dat SMR’s gestandaardiseerd kunnen worden en prefab gebouwd, waardoor ze per MW goedkoper worden. Maar er zijn ruim honderd typen in ontwikkeling met nogal uiteenlopende kenmerken. Het is niet meteen duidelijk dat een en ander tot massaproductie kan leiden
  • Bijna alle ruim 100 typen hebben uranium als brandstof, hetgeen betekent dat alle narigheid van die grondstof blijft bestaan, zoals bijvoorbeeld het vele afval en de zeer lange levensduur van dat afval. Heel kort door de bocht: tien kleine reactors op uranium zijn even erg als één grote.

De nieuwste ontwikkeling zijn reactoren die werken met Thorium als uitgangselement en gesmolten fluorzouten daarvan als brandstof en koeling. Deze techniek is nog in ontwikkeling. De Chinezen hebben een kleine proefreactor opgestart in de Gobiwoestijn ( https://en.wikipedia.org/wiki/TMSR-LF1  ) en (met luchtfoto van het complex chinadaily.com.cn/a/202511/01 .

1 TMSR-LF1堆本体离线安装启动 

  • Het merkwaardige is dat het Brabantse Provinciebestuur zelf met vier miljoen Euro in de Nederlandse startup Thorizon (https://thorizon.com/ ) zit. Dit samen met het instituut DIFFER van de TU/e, ingenieursbureau DEMCON met een kantoor in o.a. Best, en VDL . Zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/doorontwikkeling-gesmolten-zout-reactor/ .
    Er zit ook 10 miljoen € van de EU in. Dit project zou ergens in 2028 tot iets zichtbaars moeten leiden.
    Het is merkwaardig dat de provincie in zijn Energieperspectief zijn eigen project niet eens noemt, en in de bijlage met het NRG Pallas-onderzoek verschijnt het maar in twee regels.
    Dit terwijl er goede redenen zijn om te geloven dat gesmolten zout-reactoren op thoriumbasis ordes van grootte minder afval maken (zelfs al bestaand afval kunnen verwerken), terwijl dat afval ordes van grootte minder lang radioactief blijft.
    Het zou goed zijn als het provinciebestuur niet alleen laat uitleggen wat de SMR’s kunnen, maar ook hoe ze werken en dus wat de bijeffecten zijn.
  • Alle warmte die een SMR maakt en die geen stroom wordt (minstens tweederde), en die niet op andere wijze nuttig gebruikt wordt, komt in de lucht of het oppervlaktewater terecht (dat geldt overigens voor bijvoorbeeld een gascentrale ook).
    In het oppervlaktewater neemt de temperatuur toe. Bij de kerncentrale in Borsele bijvoorbeeld mag het water van de Westerschelde na de centrale maar 3˚˚°C warmer zijn dan ervoor, maar de Westerschelde is groot en die 3°C wordt niet bereikt. Maar Brabantse kanalen en riviertjes zijn vaak klein, vooral in hete droge zomers, en dan kan die opwarming behoorlijk aantikken (vandaar die koeltorens). Zelfs de kerncentrales op de Maas hebben in het verleden wel eens voor temperatuurproblemen gezorgd.  Sowieso mag de temperatuur van het oppervlaktewater van de Kader Richtlijn Water maar 25°C zijn.
    En als dat extra warme water door een Natura2000-gebied stroomt, kaan dat mogelijk een Natuurvergunning  verplicht maken.
    De opwarming van het oppervlaktewater is dus op zijn minst een aandachtspunt.
  • Je mist aandacht voor het voor- en natraject van de exploitatie. De bouw en sloop leiden tot broeikasgassen, maar dat geldt op zich ook voor wind- en zonne-installaties. Maar bij wind en zon komt er in de exploitatie geen broeikasgas vrij, en bij uranium en thorium wel, namelijk in de mijnbouw die nodig  is.De literatuur (Wikipedia) beweert dat thoriummijnbouw minder nadelen met zich meebrengt dan uraniummijnbouw.
    Een scope -1, -2 en -3-analyse is op zijn plaats.  Het provinciale verhaal gaat tot nu toe alleen over scope-1.

Small modular Reactors: mijn uiteindelijke standpunt
Al met al vind ik dat de provincie N Brabant niet aan SMR’s zou moeten beginnen die op de uraniumcyclus draaien. Ik beschouw het afvalprobleem niet als opgelost – daarin lijken ze nog steeds teveel op een gewone, moderne  kerncentrale.

Het provinciebestuur mag proberen mij te overtuigen van de bouw van een tot enkele SMR’s op thoriumbasis. Dat kan nodig blijken om een zo broeikasarme energieproductie op te bouwen in 2050, en zo’n SMR bespaart veel ruimte.
Maar dat moet dan met een verhaal dat inhoudelijk beter is dan wat er nu ligt.

Tenslotte vind ik dat energie in (semi)publieke handen moet zijn, zeker kernenergie. Er zijn risico’s en alles wat niet failliet mag, hoort niet op de markt.

========

Ik heb een zienswijze ingediend op het Energieperspectief 2050. Wie het wil lezen, kan het vinden op


==========

Update dd 02 april 2026

In maart 2026 heeft de provincie alle 41 zienswijzen (rijp en groen, groot en klein) van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen. Op 31 maart 2026 hebben Gedeputeerde Staten het Energieperspectief 2050 vastgesteld, zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/energie-2050-duurzaam-zelfstandig-mogelijk/ . Deze webpagina biedt via doorverwijzing toegang tot alle documenten.

In het voorjaar komt het (op onderdelen aangepaste) Energieperspectief 2050 ter besluitvorming in Provinciale Staten.


Sociale bouw redden met circulair werken en een mini-warmtenet

In de vakpers ( installatie.nl_warmtenet-bij-renovatie-sociale-huurwoningen-in-bussum) passeerde een renovatiepilot uit Bussum die een ruimere interesse verdient, maar dat met enige kritische zin.

De pilot
De woningbouwcorporatie De Alliantie wil al zijn woningen in 2050 van het gas af hebben en is daar al een tijd mee bezig. Maar inmiddels is het ambitieniveau opgeschroefd en wil De Alliantie de verduurzaming  ook grotendeels circulair uitvoeren en met aandacht voor biodiversiteit.
De corporatie heeft daartoe een ‘challenge’ uitgebracht voor het op deze wijze, als pilot, renoveren van 12 (2*6)  geschakelde sociale eensgezinswoningen in Bussum-Zuid (nabij de Bussumer Heide).

De woningen zijn in 1963 opgeleverd en zijn al eerder gerenoveerd geweest, met energielabel D als gevolg. De keuze was tussen sloop en herbouw, of nog eens renoveren voor 20 jaar. Besloten is tot het laatste en dat werd de pilot. Die heeft Europese subsidie ontvangen.

Ik vind het politiek te prijzen dat men niet lichtzinnig tot sloop overgaat. Vaak betekent sloop dat er een duurdere en kleinere woning voor terugkomt die niet perse meer sociaal is.

De renovatie is uitgevoerd volgens het RE-DO concept ( https://www.revolve-co.nl/ ). . Daarin werken samen De Alliantie, een aantal mensen en bedrijven in de hoek van biobased en circulair werken,, en Dé Warmtepompkelder (DWPK,  dwpk.nl ).

Het resultaat van het circulair en biobased bouwen is dat 95% van de geoogste materialen een tweede leven krijgen, en dat de CO2 -uitstoot van het bouwproces zelf met 60% gedaald is t.o.v. de ‘traditie’.

De renovatie heeft besteedt ook aandacht aan biodiversiteit. In deze ‘bio-poot’ zijn ook spouwmuurkastjes voor mussen de gierzwaluwen meegenomen.

Het opmerkelijkste (aar mijn smaak) is de alternatieve verwarmingsopzet.

Zie o.a. .linkedin.com_dwpk-realiseert-mini-warmtenet-bij-woningcorporatie en dwpk.nl/projecten/project/ en linkedin.com_twintigdertig en DWPK  . 
Het begint met kierdichting en isolatie.
DWPK werkt met  bodemwarmtesysteem. Het bedrijf heeft ervoor gekozen om vier boringen te doen tot op 285m diepte en daar een gesloten systeem (met een milieuvriendelijk koudemiddel) in te hangen. Die vier bronnen leveren (en nemen af bij koeling)) van een warmtepomp per individuele woning. Dat zijn er dus twaalf en die zijn gekoppeld, zodat er een mini-warmtenet ontstaat. De warmtevraag is individueel afrekenbaar.
De warmtepomp kan 70˚C halen, zodat de radiator niet perse vervangen hoeft te worden.
Sowieso hoeven er nauwelijks werkzaamheden in huis te worden uitgevoerd, want alleen de CV-installatie wordt vervangen door een boilervat (bewoners hoeven hun huis niet uit). De warmtepomp wordt geplaatst in een prefabkelder, van 1,20 bij 1,20 bij 1,40m, die in de tuin wordt ingegraven.  Er is geen buitenunit, dus geen herrie.
Levering aan de woning gaat, in elk geval in Bussum, via de kruipruimte en de meterkast naar het afgiftesysteem.
Resultaat van dit alles is dat de woningen opgewaardeerd zijn naar A++ .

De kosten van het systeem worden verdeeld over de woningbouowcorporatie (die de warmtepompen overkoopt van DWPK). DWPK zelf, dat eigenaar blijft van het bronsysteem, en de bewoners. Het lijkt voor de bewoners financieel gunstig te zijn, maar er wordt geen getallen genoemd 9behalve een korte terugverdientijd t.o.v. gas).

Mocht men over bijvoorbeeld 20 jaar alsnog willen slopen, dan kan de putannex warmtepomp ongewijzigd naar de nieuwbouw worden omgezet.

De warmtepomp in zijn kubus

Enig kritisch voorbehoud is op zijn plaats

  • Het is een mooi verhaal, maar men vertelt het over zichzelf.
  • Het is jonge techniek.  Het informatiemateriaal dateert van de tweede helft van 2025.  Het is dus afwachten hoe de resultaten over de jaren uitpakken.
  • Informatie over de woonlasten is schaars
  • Niet vermeld wordt of de pilot ook zonder Europese subsidie rond was gekomen.
  • DWPK werkt alleen met bodemwarmtesystemen. Maar in grote delen van Brabant mag je van de provincie niet door kleilagen heen boren of überhaupt niet boren.( https://www.bjmgerard.nl/bodemenergie-en-kleilagen-in-noord-brabant/ )
  • Hoe moet het als er geen kruipruimte is?
  • De gebruikte literatuur biedt geen duidelijkheid hoelang het systeem meegaat. Ergens wordt gesproken over ‘er ruim 20 jaar plezier van’. Uiteraard slijt de mechanica van de pomp, maar die is onderhoudbaar (makkelijk zelfs) en vervangbaar.
    Maar wil de watertemperatuur gemiddeld +12˚C blijven, zoals gesteld, dan moet er door koeling in de zomer ongeveer evenveel warmte in de bodem worden gestopt als er in de winter voor verwarming wordt uitgehaald. Het systeem is in feite een Warmte-Koude Opslag (WKO). ( https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/bodemwarmte/ ). Dat stelt beperkingen aan het gebruik van het systeem. Een professionele installateur rekent dat door en naar alle waarschijnlijkheid bezit DWPK die professionaliteit, maar er wordt in de internet-teksten over de pilot niet over gesproken.

Ik verwelkom technische ontwikkelingen die de balans tussen sloop en renovatie vaker richting renovatie laten doorslaan, en dat nog meer als dat bijna circulair gebeurt,  maar geen enkele technische ontwikkeling is een wondermiddel. Ze blijven om een grondige en situatiegebonden analyse vragen.

Proefboring naar aardwarmte in Nuenen afgerond

De proefboring in actie op 08 mei 2025_foto www.bjmgerard.nl

In het kader van het nationale geologische onderzoeksprogramma  SCAN heeft in de woonkern Stad van Gerwen van de gemeente Nuenen een proefboring plaatsgevonden. Puur wetenschappelijk gezien, moest de boring uitwijzen informatie opleveren over aardlagen tot bijna 1900m onder NAP. Van een van deze lagen, de z.g. laag van Breda, moest beoordeeld worden in hoeverre die laag poreus genoeg was om stromend water mogelijk te maken.
Het beoogde doel daarvan is een eerste indruk geven van de mogelijkheden van geothermie in het gebied. De praktische mogelijkheden hangen overigens van meer factoren af dan alleen maar een gunstige geologische structuur.

Het persbericht van SCAN is te vinden op scanaardwarmte.nl/onderzoeksboring-in-stad-van-gerwen .

Dd dit artikel waren er op de site nog geen uitkomsten te vinden, ook niet op de site waarnaar doorverwezen werd  https://www.nlog.nl/ .
Er stond wel een interview in het Eindhovens Dagblad (01 nov 2025) met Marten ter Borgh van Energie Beheer Nedeerland (EBN), het publieke energiebedrijf van de Nederlandse staat. Ter Borgh stelde dat de Laag van Breda, in elk geval op deze locatie, inderdaad waterdoorlatend genoeg is om geothermie technisch mogelijk te maken. De laag van Breda strekt zich uit onder het Oosten van NBrabant en het midden van Limburg.
De waterdoorlatendheid is nodig, omdat water op de ene locatie in de grond gepompt worden en er verderop, op een andere locatie, weer uitgehaald wordt. Tijdens de tocht van de ene put naar de andere neemt het water de aanwezige warmte op.
Die aanwezige warmte wordt niet in real time vervangen. Op een gegeven moment is het doublet dus uitgewerkt en moet er (na 30 jaar of zo) een nieuw komen.

In Nederland neemt de temperatuur in de ondergrond toe met ongeveer3oC per honderd meter diepte. De 500m tot 900m diepte van de Formatie van Breda is dus goed voor temperaturen die 15 tot 27oC warmer zijn dan die dicht onder het maaiveld.

Twee diepere lagen, die van Voort en die van Berg, bleken onvoldoende waterdoorlatend.

(website SCAN)

Voor woningen kunnen temperaturen in deze orde van grootte zinvol zijn als directe bron als de woning erop ingericht is (dat kan vooral in nieuwe, energiezuinige huizen), of als eerste stap in de woningverwarming bij oudere huizen (dan resulteert het in energiebesparing).
In beide gevallen is stadsverwarming nodig.

Een bedrijfstak die veel interesse heeft in geothermie, en die ook een voldoend grote omvang kan hebben deze warmte te absorberen, is de glastuinbouw. Het blad van Glastuinbouw Nederland ( glastuinbouwnederland.nl/nieuws/eerste-resultaten-geothermische-boring-stad-van-gerwen-beschikbaar ) geeft dan ook nog extra informatie over de proefboring.

Een ecocertificaat voor zonneparken

Ter inleiding
Grootschalige zonneparken roepen soms de kritiek op dat ze de bodem eronder verarmen en, en meer algemeen, ecologisch slecht zijn. Dat is niet geheel zonder reden en ook niet geheel met reden, want de afwezigheid van zonneparken (en de aanwezigheid van fossiele verbranding) roept nog meer ecologische schade op.

Een tweede reden is dat er in een vergunning vaak bij staat dat de inrichting – zinvol of niet –  na zoveel jaar weer moet worden afgebroken, en dat de grond weer voor de oorspronkelijke bedoeling gebruikt moet kunnen worden.

Zonneparken in Brabant. Dit is een uitvergrote still van de interactieve Arcgis-kaart . https://www.arcgis.com/apps/mapviewer/index.html?webmap=58d4f473f7fe4eef998edc7182dd1988&extent=6.2199,52.951,6.4735,53.0172 Er staan alle parken op die t/m 2024 gerealiseerd zijn.

Hetzij vanuit een positieve, hetzij vanuit een negatieve insteek wordt er al een aantal jaren gestudeerd op aanleg- en beheerplannen die een zonnepark ecologisch neutraal of zelfs positief is ten opzichte van de oorspronkelijke functie van de grond. Bij een zwaar bemeste, hartstikke dode maisakker is alles al gauw een verbetering.

Onlangs heeft dit tot de studie ‘EcoCertified Solar Parks’ geleid. Dit product is te vinden op EcoCertified  Solar Parks openbaar eindrapport 2025.pdf .  Er staat een artikel over in SOLAR 365 op groen-label-voor-zonneparken .

In de literatuurlijst van de studie staat een verwijzing naar de studie “Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland” uit 2021. Ik heb op deze site deze studie  gebruikt in een artikel zonneparken-en-ecologie-van-beweringen-naar-wetenschap . Er staan ook oudere artikelen over het onderwerp zonnepark-bodem-landbouw op mijn site, maar ik ga ze niet allemaal noemen.

Wel wil ik nog melding maken van een ander proces, dat tot eind 2022 parallel liep aan bovengenoemd proces, namelijk SolarEcoPlus, dat zich vooral bezig hield met bifaciële panelen (PV-panelen met twee actieve kanten). Zie https://www.bjmgerard.nl/solarecoplus/ .

In de aanloop naar de EcoCertified Solar Parks – studie is deze studie organisatorisch gekoppeld aan de SolarEcoPlus-studie. Er werkten dezelfde instituten aan, dus dat scheelde tijd.

Dit het park Lungendonk 20, Someren, dat aangelegd is door TP Solar. Ten tijde van de foto (april 2022) was men nog met de inrichting bezig Zie ook https://www.tpsolar.nl/lungendonk/ . Voordat het zonnepark werd, was dit akkerbouwgrond. Foto www.bjmgerard.nl

Er zat een zwaar gezelschap op het onderzoek: Wageningen voor de leiding en voor nieuwe methodes om biodiversiteit te meten, TNO berekende welke opstellingen tot welke bodembelichting ging leiden en hoeveel dat kostte, bureau Eelerwoude deed het veldwerk  en het vegetatiebeheer, en de branchevereniging Holland Solar vertegenwoordigde tien zonnepark-ontwikkelaars, die samen 18 zonneparken opengesteld hebben voor onderzoek.
Ook de Natuur- en Milieu Federaties waren betrokken.
Bovenstaand park Lungendonk 20 (gemeente Someren) van TP Solar is een van die 18.

Vegetatiebeheer
De basis van alles is wat er aan planten groeit. Dat hangt weer van veel dingen af: de bodemsoort, hoeveel licht de bodem bereikt en hoe lang (uitgedrukt als percentage van vol daglicht), hoe het regenwater toegang heeft, en hoe de vegetatie kort gehouden wordt.

Dat is sterk situatiegebonden en sowieso moet dus elk nieuw park eigenlijk een vegetatiebeheerplan maken (als men tenminste een eco-certificaat wil).

Men wilde vier vegatatiebeheerprocedures onderzeken:

  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel laten liggen
  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel afvoeren
  • Resultaatgericht maaien (maaien als de vegetatie erom vraagt)
  • Drukbegrazing met schapen (drukbegrazing betekent dat je er korte tijd veel schapen opzet. Die beesten vreten dan alles en als je er lange tijd weinig schapen op zet, vraten ze alleen wat ze lekker vinden)

In alle  gevallen moet er gefaseerd gemaaid worden, dus het terrein bij stukjes en beetjes afwerken.

Men had het leuk bedacht: op 12 parken elk 4*1 hectare voor elk van de vier types beheer, en dan kijken wat er met de vegetatie gebeurde en met de vlinders en de vleermuizen en de spinnen en de mijten en het ondergrondse gewoel, en de bodemkoolstof.
Helaas, toen kwam Corona en soms was het te nat om te maaien en soms week de mindset en het leefritme van de diertjesvrijwilligers een beetje af van dat van de parkeigenaren. Dus er is wel een hoop ervaring opgedaan met vegetatiebeheer op zonneparken en hoe je daarvoor met schapen moet omgaan, maar niet welke beheersvorm welke consequenties heeft voor grotere en kleinere wilde beestjes.
Op basis van de ervaring lijkt bijvoorbeeld vegetatiebeheer op het Lungendonkpark moeilijk. De robotmaaier wordt overal gestuit door balken en geen schaap kan onder het lage uiteinde van de PV-panelen. (Gebruik ook geen lammetjes, want die klimmen op de panelen als die lager dan 60cm boven de grond liggen).

Wat wel en niet werkt als vegetatiebeheermaatregel

Bodemkoolstof en bovengrondse en ondergrondse flora en fauna in het onderzoek
Zolang men de onbeantwoorde vraag naar de fauna-effecten van vegetatiebeheer buiten beschouwing laat, zijn er op basis van het onderzoek bij de 18 parken uitspraken mogelijk.
Bovendien is er oudere literatuur en modelberekeningen regenen niet weg.
En sommige maatregelen kan men ook wel zonder academische titel bedenken (bijvoorbeeld dat als je hazen en egels binnen wilt hebben, die onder het hek door moeten kunnen, of door een klein gat). En dat vleermuizen graag een rij bomen hebben als geleide van A naar B, was ook al wel bekend.
Tussen de panelen en langs de rand van het veld blijkt het spinnen- en insectenleven te vergelijken  soms met intensieve, soms met extensieve graslanden. Onder de panelen is bij reëel bestaande zonneparken de situatie een stuk slechter.
Vogels gedijen beter op zonneparken dan op zwaar bemest grasland of maisakkers, voelen zich meer senang bij extensief beheer van het zonnepark en zitten het liefste in de rand van het zonnepark.
Vleermuizen blijken niet graag bij  zonneparken te verblijven (althans niet van die nu reëel bestaan).

Deze tabel berust op een andere proef op een eigen stukje weiland in Wageningen. Bij 40% opvallend licht wordt dan 4,81 ton bovengrondse biomassa per hectare per jaar geproduceerd. Daarvan is 42% koolstof. Die wordt geacht onder de grond te eindigen. Als dit regime 30 jaar wordt volgehouden, is de hoeveelheid organische stof in de bodem 2% hoger dan hij geweest zou zijn zonder zonnepark. Het inzaaien van schaduwtolerante planten verbetert dit resultaat.

De bodemkoolstof en daarmee de ondergrondse beestjes (bijvoorbeeld regenwormen en nematoden)  blijken sterk van de hoeveelheid opvallend licht af te hangen. De ondergrondse biomassa volgt de bovengrondse.
Bij minder dan 8% van vol daglicht,, gaat het organische stofgehalte (en daarmee ook de ondergrondse beestjes) snel achteruit. Dergelijke parken bestaan, maar het tegendeel ervan ook. Binnen de onderzochte 18 parken ontvangt bij park Wagenborgen 78% van de grond onder de panelen minder dan 10% licht, terwijl dat bij park Haringvliet slechts 12% van de grondoppervlakte betreft (bij Lungendonk zit 36% van de grond onder de 10% licht). .
Tussen de 20 en 30% gaat het organisch stof-gehalte langzaam achteruit en bij 40% belichting blijft het dus grofweg hetzelfde (zie bovenstaande tabel) .

Met enig gesprokkel en geïmproviseer is er een verhaal uitgekomen.
Het uiteindelijke certificaat is op doorontwikkeling gebouwd en verwacht veel feedback te krijgen van de toekomstige praktijk. Dat zou wel eens waar kunnen zijn.

Wat je ecologisch zou willen
Ecologische meerwaarde van zonneparken hangt men op aan drie uitgangspunten annex richtlijnen::

  • Een gezonde bodem.
    Op de donkerste plekken moet de belichting minstens 20% van daglicht zijn. In praktijk leidt dat op de lange duur tot een soort (bodemafhankelijke) referentiewaarde.
    Regenwater moet gelijkmatig over de bodem verdeeld worden. Dat betekent spleten tussen de PV-panelen.
    Bodemverdichting en schade aan drainages moet voorkomen worden.
  • Het bereiken van Basiskwaliteit Natuur in de vorm van ecologisch functionele graslanden.
    Minstens 18% van het park blijft onbedekt, hetzij tussen, hetzij rond de panelen. De minimale afstand tussen rijen panelen moet minstens 2,5m zijn (wat overigens ook voor het maaibeheer nodig is).
    Afhankelijk van de situatie 1 tot 3* per jaar maaien en het maaisel afvoeren. Het park gefaseerd maaien.
    Geen pesticiden.
  • Versterking van bestaande, lokale natuurwaarden en landschappelijke inpassing
    Genoemd wordt een aantal natuurlijke elementen en minimumvereisten daarvan, zoals bomenrijen, watergangen, faunapassages en dergelijke.

Natuurkundige voorbeeldkengetallen. Op de horizontale as de hellingshoek, op de vertikale as het percentage zonnepark dat bedekt is met panelen, en weergegeven het aantal vollasturen links en de opbrengst van het park per m2 park.
Zo zijn er ook fimanciële kengetallen.

In combinatie met de economie
Uiteraard willen de exploitanten dat de kWh-prijs van de geproduceerde stroom niet teveel omhoog gaat door de ombouw naar ecologisch. Moet je eerst weten hoe je dat zou moeten berekenen.

TNO heeft daartoe een bestaand kostenmodel, in samenspraak met de branche-organisatie Holland Solar, uitgebreid en geactualiseerd. Er gaan natuurkundige en financiële kengetallen in en voor een bepaald type constructie komt er dan, via een Netto Contante Waarde-berekening over 15 jaar, uit wat het per kWh extra kost om de opstelling ecologisch verantwoord te maken.
Het ene deel van de berekening gaat ‘klassiek’: bouw plus exploitatie  en geen ecologie. Eelerwoude levert de cijfers om het extra maaibeheer te kunnen berekenen.

 De linkse, tweezijdige Oost-West opstelling, is ecologisch een ramp en het extra maaien zou €6,50 per 100m2 paneel kosten – en dan heb je mogelijk ook nog een ARBO-probleem. Schapen, als het al lukt om die onder de opstelling te krijgen, kost de helft.

De rechtse, zonvolgende opstelling staat in Bockelwitz-Polditz aan de Mulde in Duitsland (bij de 18 onderzochte opstellingen zat niet een dergelijke constructie) kost ecologisch maaibeheer niets extra’s. Dit is ongeveer het andere uiterste.

Deze bestaande mogelijkheden zijn, in combinatie met de sector, geoptimaliseerd. Toegevoegd zijn de gedachte om brede spleten tussen de panelen toe te staan (wat uiteraard tot grotere tafels leidt) en/of om de panelen enigszins transparant te maken. In beide gevallen brengt dat de belichting onder de panelen op 15 of 20% te brengen.

Het uiteindelijke label
Uiteindelijk is er gekozen voor een systeem met zes thema’s (hierboven de zes grote groene hokken), en verspreid over die zes thema’s 25 indicatoren. Elke indicator levert maximaal vijf punten (die soms dubbel of half meetellen in het eindresultaat). Sommige van die indicatoren moeten perse voldoende zijn (>=3).
De ondergrens voor bijvoorbeeld de indicator ‘Bodembelichting’ “bijvoorbeeld luidt “Minimale bodembelichting van 10% op het gehele terrein; daarnaast voor de bodem onder en tussen tafels minimale bodembelichting van 15% op minimaal 60% van het terrein; en minimale bodembelichting van 40% op minimaal 25% van het terrein (conform huidige bodembelichtingstoets). Schaduwtolerante plantensoorten moeten ingezaaid worden om de afname van bodemgezondheid te beperken.
Dit is beter dan huidige situatie bij de bestaande parken, maar niet goed genoeg als eindsituatie.

Zo zijn er twaalf ondergrenzen.
Een andere ondergrens is bijvooorbeeld dat er van een extensief beheerd agrarisch perceel moet worden uitgegaan (men kan dus niet ecologisch een natuurgebied vol zetten met PV-panelen).

Dit is de manier waarop gerekend wordt.
Lees dit als volgt: Thema 01 ‘uitgangspunten ontwikkeling’  telt  de indicator ‘voormalig grondgebruik’ die op een schaal van 1 t/m 5 één maal meetelt, en de indicator ‘koppelkansen natuur’ (ook weer van 1 t/m 5) die een half maal meetelt. Maximum van dit thema dus 7.5, voldoende (de ondergrens) is 3.

Het label wordt voor vijf jaar afgegeven en de eisen worden eens par jaar of twee jaar geactualiseerd.  Daarbij wordt de ondergrens stapsgewijze opgehoogd.
Er hoort een organisatie bij die de certificaten aflevert  The Greenlabel Institute ( https://www.thegreenlabelinstitute.org/  ) en een personeelsbestand aan adviseurs en beoordelaars.

Omdat de uitkomsten afhangen van de gekozen constructie van de PV-panelen, is het systeem in eerste instantie bedoeld voor nieuwe situaties. Maar het staat een exploitant vrij om zijn bestaande park te toetsen aan het label – maar dat is dan vrijblijvend.

Uiteindelijk hoopt de sector er vier belangrijke voordelen mee te winnen:

• Aantoonbare meerwaarde flora en fauna en bodemgezondheid voor investeerders
• Toegang tot subsidies en andere financiële stimuleringsregelingen
• Verbeterde concurrentiepositie in duurzame aanbestedingen
• Helpen in de beeldvorming naar buurtbewoners en andere stakeholders

Nog nieuwe zonneparken?
Een ding is jammer, en dat is dat de Voorkeursvolgorde Zon zo aangescherpt is door (toen nog) minister Jetten, dat het bijna onmogelijk is om nog een regulier zonnepark te bouwen. Zie https://www.bjmgerard.nl/bijna-verbod-op-zonneparken-een-slechte-zaak/ .
De laatste aanscherping in dit verband dateert van 2023, en valt dus in de looptijd van het onderzoek naar dit label. Het maakte de stemming er niet beter op. Feitelijk is er dus nu een label ontwikkeld voor zonneparken op landbouwgrond, die niet meer gerealiseerd mogen worden. Hoera!

Ondertussen wordt, zoals het er nu voor staat,  ook de salderingsregeling afgeschaft en moeten mensen betalen voor teruglevering aan het net. De groei van de productie van zonne-energie op ondergronden, die wel binnen de Voorkeursvolgorde passen, ligt ook stiil.

Misschien dat de nieuwe “sterke man” Jetten zich eens op zijn zonne-energiestandpunten moet gaan bezinnen.

En zo ziet uiteindelijk het certificaat er uit

Milieudefensie Eindhoven aanwezig bij demo tegen gasboringen in Ternaard

Ik ben een klein rood stipje bij de rechte lijn van de P, iets aan de hoge kant van het midden (de waterplas in de kwelder is de lage kant)

Milieudefensie Eindhoven heeft het protest tegen de voorgenomen gasboring in Ternaard van afgelopen zaterdag 06 september 2025 ondersteund. Ik was zelf ook aanwezig. De demonstratie was georganiseerd door Milieudefensie en de Waddenvereniging. Mijn taak was om zoveel mogelijk mensen in de bus vanuit Den Bosch te krijgen.

De spreker namens Milieudefensie besteedde aandacht aan het zeer recente onderzoek, in opdracht van Milieudefensie, naar de nieuwe velden die Shell van plan is aan te boren, waaronder in Nederland, waaronder dus in Ternaard. De spreker namens de Waddenvereniging stelde onder andere dat Nederland het risico loopt de Unesco-status voor het uniele gebied Waddenzee kwijt te raken vanwege de mijnbouw.
Een korte samenvatting van met name Shell in Nederland is te vinden op https://milieudefensie.nl/actueel/onderzoek-nieuwe-olie-en-gasvelden-van-shell-in-nederland . Een uitgebreide samenvatting van het rapport/ maar dan mondiaal,  is te vinden op /nieuw-onderzoek-bevestigt-de-olie-en-gasplannen-van-shell-verergeren-de-klimaatcrisis .
Er blijkt uit:

  • Shell heeft in totaal 1.196 olie- en gasvelden volledig of deels in zijn bezit. Hiervan zijn 700 olie- en gasvelden (59%) nog niet in gebruik genomen, en 496 (41%) wel al in gebruik genomen.
    Hiervan 84 in Nederland, waarvan 30 nieuw.
  • Als Shell stopt met nieuwe olie- en gasvelden aanboren, zou dit maar liefst 5,2 miljard ton CO2-uitstoot voorkomen. Dat is evenveel als 36 keer de jaarlijkse uitstoot van heel Nederland!
  • Als Shell doorgaat met nieuwe velden betekent dit dat de CO2-uitstoot van Shell’s productietak in 2030 met 4% kan toenemen (in vergelijking met 2022).
  • Als Shell al zijn olie- en gasvelden (onontwikkeld en ontwikkeld) aanboort, loopt de CO2-uitstoot op tot  10.8 billion tonnes CO2: dat is 1/4 van de wereldwijde CO2-uitstoot.

De demonstranten ontplooiden en een goed georganiseerde choreografie negen hele grote spandoeken met op elk één letter, samen vormend de boodschap ‘Stop Shell’. De drone keek toe en zag dat het goed was. Voor mooie, bewegende beelden zie https://www.youtube.com/watch?v=GlEPBKKXBw4 .

En hoewel de Waddenzee, vanuit Eindhoven, zo ongeveer aan de andere kant van het land ligt, was de regio Eindhoven toch met minstens een handvol mensen vertegenwoordigd.

Voor meer informatie, en voor een link naar het onderzoek, zie https://milieudefensie.nl/actueel/shell-kan-ook-in-nederland-nieuwe-olie-en-gasvelden-aanboren .

Update dd 05 dec 2025

De actie heeft succes gehad en de gasboring bij Ternaard gaat niet door!

Dat heeft minister Hermans laten weten.
Er was brede tegenstand: milieuorganisaties hebben er betoogd (o.a. Milieudefensie), maar ook het Staatstoezicht Op De  Mijnen was tegen vanwege de te verwachten bodemdaling die, in combinatie met de zeespiegelstijging, het voortbestaan van d Waddenzee zou gaan bedreigen.
uiteindelijk heeft mininster Hermans de NAM voor €163 miljoen uitgekocht.

Voor het bijbehorende NOS-bericht zie https://nos.nl/artikel/2592354-gaswinning-onder-waddenzee-bij-ternaard-wordt-afgekocht-voor-163-miljoen-euro .
Het nieuwsbericht van Milieudefensie is te vinden op https://milieudefensie.nl/actueel/samen-winnen-we-shell-mag-niet-boren-naar-gas-onder-de-waddenzee .