Van chemische naar ecologische bestrijding – 1

Ik was bij het KNAW-symposium “Van chemie naar ecologie – perspectieven voor ecologische gewasbescherming” op 19 februari 2016. Het was heel druk. Veel professoren, maar ook mensen uit het bedrijfsleven en andere geïnteresseerden.
Ik ga er in twee verhalen over vertellen. Dit verhaal gaat over risico’s en baten van biociden voor de mens, het andere over risico’s voor het ecosysteem.
Veel van wat hier gezegd gaat worden is in de professionele wereld een open deur. Deze site wil vooral natuurwetenschappelijke kennis vertalen en verspreiden naar politieke contexten, en daarvoor is deze kennisoverdracht zinvol.

Baten en risico’s voor de mens
Hierover sprak Martin van den Berg, hoogleraar toxicologie bij het IRAS van de Universiteit van Utrecht (zie http://www.dub.uu.nl/gebruiker/martin-den-berg ). Hij is tevens adviseur van de Gezondheidsraad, de WHO en het UN Environmental Program.

Er is verschil tussen “hazard” en “risk”. “Hazard” is een pure stofeigenschap (cyaankali is zeer giftig), maar de “risk” ervan is zeer gering omdat de kans dat je de stof onbedoeld binnenkrijgt nagenoeg nul is. “Risk” wordt bepaald door de intrinsieke giftigheid en de blootstelling samen. Het niet maken van dit onderscheid leidt tot veel discussies.

(Alles in Italic komt niet van Van den Berg, maar van mij. Ik wil een paar opmerkingen aan het verhaal toevoegen.
De nu lopende felle discussie over het verlengen van de toelating van glyphosaat binnen de EU vertoont kenmerken van deze verwarring – glyphosaat is het actieve bestanddeel van de onkruidverdelger Roundup. Het WHO-onderdeel IARC plaatst glyphosaat in de categorie ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ – een hazard -, terwijl de producerende bedrijven met man en macht lobbyen bij de Europese Commissie ‘dat de mens van glyphosaat geen kanker krijgt’. Het Bundesinstitut für Risicobewerbung formuleert het als “
no carcinogenic risk to humans is to be expected from glyphosate if it is used in the proper manner for the intended purpose”. Dat klinkt als een risk.
Het helpt niet dat de bedrijven (waaronder een door Monsanto geleide coalitie) zich beroepen op drie interne rapporten die vanwege bedrijfsgeheimen niet onthuld zouden mogen worden.
Wat aan de andere kant ook niet helpt is dat glyphosaat bij de bestrijders ervan een soort duivelse icoonfunctie heeft, terwijl op bijvoorbeeld de FAO-pesticidenlijst
ACCEPTABLE DAILY INTAKES, PROPOSED MRLs AND ESTIMATED GLs je van alle pesticiden van glyphosaat het meeste binnen mag krijgen. Zoek maar op http://www.fao.org/fileadmin/templates/agphome/documents/Pests_Pesticides/JMPR/Evaluation94/annexi.pdf .
Dit is geen pleidooi voor glyphosaat, maar wel een pleidooi om wat minder ritueel en wat meer analytisch naar landbouwgiften te kijken. Een stof als bentazon komt in het Brabantse grondwater en in de Maas ongeveer even veel voor als glyphosaat, maar je mag er drie keer zo weinig van binnen krijgen. Bentazon is dus eigenlijk gevaarlijker, maar daarover hoor je nooit iemand.

De IARC-classificatie
De IARC-classificatie

Het is verder van belang, aldus weer Van den Berg, je te realiseren dat chemici tegenwoordig hoeveelheden van 10-15 gram kunnen aantonen. (Dat is zo vreselijk weinig, dat je zo ongeveer elke stof in elk willekeurig monster kunt aantonen.) Ergens onder de 10-6 de gram (een microgram, μg) is het toxicologisch niet meer van belang.

Als er dus in Duits bier 30μg/liter glyphosaat zit (NRC, 26 feb 2016), is er dus een blootstellingsroute die toxicologisch nog van belang kan zijn. De Acceptable Daily Intake voor glyphosaat is 300 μg per kg lichaamsgewicht per dag, dus een volwassene van 70kg “mag” 700 liter bier per dag drinken.
Er zijn, zoals gezegd, ergere vergiften dan glyphosaat.

Voor alle giftige stoffen geldt een dosis-effectrelatie. Hieronder een voorbeeld van een niet-genoemd vergif. Let op de logarithmische horizontale as (elke streep is *10).
dosis-effectrelaties humane toxicologie

Van den Berg wees erop dat voor zwangere vrouwen en kinderen de dosis veel kritischer komt! In dit voorbeeld zit er tussen de dosis van een zwangere en een niet-zwangere vrouw zowat een factor 100 verschil.
De meeste vergiften hebben een NOAEL, een drempel waaronder ze geen uitwerking meer hebben. Dat geldt niet voor genotoxische stoffen. Daarvan worden er geen nieuwe meer gemaakt.

Hormoon-verstorende stoffen (Endocrine Disrupting Chemicals) hebben bijna altijd een drempelwaarde, maar geven toch reden tot zorg. Ze zijn niet in een Petrischaal te onderzoeken en hebben, mede omdat ze in een functionerend hormoonsysteem terecht kunnen komen, een complexe werking.
Ook diermodellen hebben hier maar een beperkte waarde, omdat de ontwikkeling van de menselijke hersenen in de vroege kinderjaren er niet meer getest kan worden. Van den Berg noemde in dit verband een onderzoek, waaraan hij meegewerkt had, en dat de daling van de IQ bij kinderen onderzocht had in reactie op blootstelling aan organofosfaten.

lost IQ-points and OP

En ook
maatschappelijke kosten EDC-bestrijdingsmiddelen
(ED = Endocrine Disruptors – waaronder biociden, maar ook andere stoffen)

Van den Berg sloot af met een statement over de Derde Wereld.
Wij zitten in zoverre in een luxe positie dat wij ons hier wat kunnen permitteren. Kort door de bocht:
Er zijn in ons deel van de wereld nauwelijks ziekten die door insecten worden overgedragen, en als wij niet spuiten verliezen wij bijvoorbeeld 20% van de oogst.
In Afrika is dat heel anders. Daar is het vergeven van de door insecten overgedragen ziekten en als ze daar niet spuiten, houden ze maar 20% over. Bestrijdingsmiddelen daar zijn (in elk geval in de huidige omstandigheden) een kwestie van leven of dood.
ziekteverwekkende insecten

Tenslotte: Van den Berg benadrukte dat zijn verhaal vooral over toxische effecten op de mens ging, omdat dat zijn leerstoel is.
Hij deelde de zorgen over de toxische effecten op het ecosysteem. Daarover het tweede verhaal.