Klimaatplannen bedrijven – focus op Vion

De voorgeschiedenis
Milieudefensie vindt dat bedrijven een klimaatplan moeten hebben dat in lijn is met het Akkoord van Parijs. Het eerste slagveld was, en is nog steeds, Shell ( milieudefensie–shell-klimaatzaak ). Volgend op de eerste Shell-uitspraak heeft Milieudefensie 29 andere bedrijven aangeschreven, allen grote systeemspelers die onder Nederlands recht vallen. Het verzoek was dat de bedrijven een ‘Paris-proof’ klimaatplan zouden inleveren. Dat is gebeurd.
Die plannen zijn in 2022 beoordeeld door het Duitse  NewClimate Institute (NCI, https://newclimate.org/). Dat  maakte er in zijn Klimaat Crisis Index (KCI) meestal gehakt van.

Als vervolg heeft Milieudefensie een dagvaarding uitgebracht tegen de bank ING wegens het financieren van fossiele bedrijven. De dagvaarding is demonstratief afgeleverd, zie tussenstand-ing-proces-van-milieudefensie (en van daar af verder terug). Dd nu is de zaak nog niet voor de rechter geweest, maar waarschijnlijk begint het juridische steekspel in 2026.

Inmiddels is Milieudefensie een campagne begonnen tegen Ahold Delhaize ( albert-heijn-faq en bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af )

Een Milieudefensie-ploeg bij Albert Heijn in de Eindhovense Roostenlaan

De overige 28 bedrijven (om juridische reden niet meer Shell en ING) hebben opnieuw een aanschrijving gekregen tot een deugdelijk klimaatplan. Die zijn opnieuw aangeleverd en opnieuw beoordeeld door het NewClimate Institute. De bevindingen in deze tweede ronde van de Klimaat Crisis Index (KCI) zijn op 23  februari 2026 verschenen op nieuwe-klimaatcrisis-index-2026 . Aldaar het volledige (Engelstalige) onderzoek in heel  kleine lettertjes, in de Fact Sheet een goede samenvatting en in ‘Hoe zat het ook al weer?’ de hoofdlijnen van wat er gebeurd is.

De methode van het  NewClimate Institute
Het NewClimate Institute baseert zich op schriftelijke bronnen, vaak als jaarverslagen door het bedrijf zelf aangeleverd. Het is dus een literatuurstudie, waarbij een interessante literatuurlijst  hoort.
Het eerste resultaat is aan de bedrijven voorgelegd, zodat die desgewenst konden reageren.

Het resultaat, de Klimaat Crisis Index 2026, bestaat uit een algemeen deel en een hoofdstuk per bedrijf.

De klimaatpolitiek van de bedrijven wordt beoordeeld op:

  1. De klimaatdoelen die het bedrijf zich stelt
  2. Welke maatregelen het bedrijf treft om die doelen te halen
  3. Wat doen ze met de restemissies die na het nemen van die maatregelen nog overblijven?
  4. Hoe betrouwbaar geven ze hun feitelijk plaatsvindende emissies weer?

 Die doelen en handelingen worden langs een dubbele maatlat gelegd, de ‘transparancy’ en de ‘integrity’.
‘Transparancy’ is ongeveer het Nederlandse transparantie: of een bedrijf een helder inzicht in zijn doen en laten geeft (ongeacht of dat doen en laten goed of slecht is).
‘Integrity’ is iets anders dan het Nederlandse ‘integer’. Het betekent zoiets als ‘geloofwaardig en volledig’.

De dubbele maatlat leidt tot een soort stoplichtvolgorde voor de doelen en voor de feitelijke maatregelen.

Ad 1. Rangorde van de doelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Stellantis redelijk transparant, heeft een matig doel voor 2030 en 2040, en geen doel voor 2035 en 2050.

Ad 2. Rangorde van de maatregelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Vattenfall Nederland goed transparant over zijn maatregelen, en krijgt een ‘matig’ oordeel over zijn plannen.

Ad 3. Stellantis wil zijn restemissies aanpakken via biochar (zoiets als houtskool), Schiphol, Ahold Delhaize en Vattenfall zegt iets met de restemissies te willen, maar zeggen niet wat.

Ad 4. Ahold Delhaize, Dow Chemical, LyondellBasell, pensioenfonds PFZW, Unilever en Vion brengen de emissies redelijk in beeld; de helft van de bedrijven doet dat matig; Boskalis, ExxonMobil, KLM, Schiphol, Vopak, bp en Cargill doen dat zwak of zeer zwak.

Al met al lijkt de KCI als geheel van 2026 een pietsie beter dan die van 2022.

Specifiek Vion
Deze site wil, waar dat kan en zinvol is, focussen op regionaal nieuws. Van de lijst van 28 is de onderneming die het sterkst aan Brabant gekoppeld is, de varkensslachter Vion in Boxtel. Milieudefensie heeft daar al vaker gedemonstreerd, zie klimp-ga-voor-krimp

De woordvoerder van VION, luisterend naar een lokale spreker (28 nov 2024)

Het hoofdstuk per bedrijf bevat een voor alle bedrijven gelijk gestructureerd overzichtsformat , vergezeld van een pagina met specifieke informatie over het bedrijf.

Vion is redelijk transparant over zijn emissies. Dat is een verbetering t.o.v. de eerste ronde van de KCI in 2022.
Het bedrijf loosde in 2024 7,6Mton CO2,eq (7,6 miljard kg broeikasgas). Daarvan valt (afgerond)

  • 0,1Mton in scope 1 (het eigen functioneren van het bedrijf);
  • 0,1Mton in scope 2 (inkoop van door anderen geproduceerde energie);
  • 0,3 Mton in scope 3 downstream (bijvoorbeeld de verwerking van Vionse halffabrikaten door andere ondernemingen verderop in de keten);
  • 6,9Mton in scope 3 upstream onder het label ‘FLAG’;  en
  • 0,3Mton in scope 3 upstream onder het label ‘non-FLAG’.

‘FLAG’ betekent ‘Forest, Land, Agriculture’ en gaat vooral over andere broeikasgassen dan CO2 , zoals methaan en lachgas. Dit heeft betrekking op veranderd landgebruik, productie van diervoeders, boerende koeien en varkens, en dergelijke.

De transparantie over de emissies wordt niet gevolgd door een transparantie over de doelen en de middelen om die te bereiken. Daardoor zit de totale transparantie van Vion in de categorie ‘slecht’ en de totale integrity in de categorie ‘allerslechtst’.

Vion wil in 2030 zijn emissies over scope 1,2 en 3 samen met 42% verminderd hebben t.o.v. 2021. Het bedrijf is bezig zijn doelstellingen voor 2030 in scope 1 en scope 2 te halen. In scope 3 heeft het bedrijf een onbekend deel van de emissies uitgezonderd, zodat niet beoordeeld kan worden of dit aan de 1,5°C van ’Parijs’ gaat voldoen.
Pessimisme is in dit geval op zijn plaats, omdat Vion het behalen van zijn 2030-doel vooral ziet naderen omdat het bedrijf vestigingen sluit of verkoopt (het gaat economisch slecht). De emissies worden dus voor een deel niet verminderd, maar verplaatst.

Nog onduidelijker dan over de doelen die Vion denkt te halen, is Vion over de middelen. De beperkte verbetering t.o.v. de eerste KCI-ronde uit 2022 betreft vooral de beloftes op papier.
Vion wil in 2030 op 100% duurzame stroom zitten, maar zat in 2024 nog maar op 17% – nog onduidelijk is waar de rest vandaan komt. Er worden veel woorden besteed aan dit minuscule deel van het probleem.
Duurzame stroom maakt een deel uit van duurzame energie. Vion wil in 2040 zijn totale scope 1 en 2 broeikasgasneutraal hebben. En dat betreft dan nog maar een fractie van de emissies.
Voor 2050 zijn scope 1,2 en 3 op papier afgedekt, maar in het overzicht staat er niet voor niets een ‘?’ achter. Het is volstrekt onduidelijk hoe Vion dit denkt te bereiken.

Het NewClimate Institute (NCI) benoemt in zijn toellichtende pagina nog een paar aanvullende zaken. Die komen meestal uit  het Sustainability Statement 2024 ( vionfoodgroup_Sustainability-Statement-2024.pdf , zie literatuurlijst) en zijn dus van na de eerste ronde van de KCI. Misschien wordt er toch knarsend iets in beweging gezet.

  • Vion heeft een plantaardige tak ME-AT (spreek uit mieiet) in Leeuwarden ( me-at.com ). Het NCI heeft echter geen ambities t.a.v. dit bedrijfsonderdeel kunnen vinden anders dan de algemene wens ‘leidend in Europa te willen zijn’.
  • Vion belooft een ‘road map’ naar net-zero, maar onduidelijk is wanneer die gepubliceerd wordt
  • Vion wil 35% minder emissies realiseren bij bepaalde varkensboederijen (via  voer en mest) en bepaalde koeienboerderijen (via voer en methaan), maar onduidelijk blijft hoe men dat denkt te doen
  • Vion wil dat vanaf 2030 zijn soja t.b.v. diervoeder ontbossingsvrij is, maar ‘de concrete invulling daarvan lijkt zich nog in een vroeg stadium te bevinden’, aldus het NCI.
    De gezaghebbende benchmark bij dit voornemen, het Accountability Framework, wilde dit al in 2025 gerealiseerd zien. ( the-accountability-framework , zie literatuurlijst).

Aan veel minder vlees zal niet te ontkomen zijn. Vion moet naar zijn core business kijken.

Sojaveld in Argentinië

Avond over voedselsysteem  en AHeijn-petitie

Milieudefensie Eindhoven eo. Heeft op 26 november 2025 een avond georganiseerd over het voedselsysteem en de, daarmee samenhangende, Albert Heijn-petitie. Het was in Lab-1.

Eerst bracht Mathilde de Jeu van de landelijke staf van Milieudefensie een presentatie over het voedselsysteem en de rol van de supermarkten daarin. Onder aan dit bericht is deze presentatie downloadbaar.
Het gaat over de verdeling van de broeikasgasuitstoot over de onderdelen van het voedselsysteem met als categorieën o.a. de boerderij, verpakkingen, transport, ontbossing en landdegradatie, en afval (lijst niet compleet, zie de presentatie)
De supermarkten zijn een soort poortwachter voor dit systeem, en hebben dus een belangrijke functie die ze niet adequaat invullen. De uitstoot over de hele voedselketen zou moeten halveren, maar daalt niet of nauwelijks of stijgt  soms zelfs.

(kort na deze avond kwam de Superlijst Groen 2025 uit, die een en ander cijfermatig onderbouwt. De Lidl komt van de grote ketens er veruit het beste uit. Zie https://milieudefensie.nl/actueel/superlist-report-nl-environment-2025-nl.pdf )

Na Mathilde de Jeu sprak Edwin Grootens, ook van de landelijke staf van Milieudefensie, over de Albert Heijn-petitie. Elders op deze site is daar meer over te lezen.

Tot slot heb ik verteld over waar de afdeling Eindhoven van Milieudefensie mee bezig is. Dat betreft op de eerste plaats de Albert Heijn-campagne (die vier dagen eerder van start gegaan was), medewerking aan demonstraties, andere bedrijf-en-klimaatzaken, maar ook het oppervlaktewater.
Zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af/ .

Tijdens de avond zijn enige tientallen ‘Smoestuintjes’ uitgezet.

De presentatie is hieronder te vinden.

Milieudefensie trapt A Heijn-actie af

Op zaterdag 22 november 2025 heeft Milieudefensie op 31 locaties in Nederland de Albert Heijn – petitie-actie afgetrapt.
Ik heb georganiseerd aan, en meegeholpen met de actie bij de Albert Heijn in het Winkelcentrum Woensel in Eindhoven. Zie hierboven. We hebben daar 165 Smoestuintjes uitgezet en een tiental direct ingevulde petities. Smoestuintjes lijken op de ‘moestuintjes’ van Albert Heijn, maar zijn ‘smoes’ omdat Albert Heijn een hoop PR tegen zijn imago aangooit, maar niet of nauwelijks levert wat de onderneming belooft.

De petitietekst, waar je voor kunt tekenen, is:

Daarom roepen wij Albert Heijn en Ahold Delhaize op:
 Neem je verantwoordelijkheid als grote speler en verminder je uitstoot.
 Maak plantaardig eten de makkelijke, betaalbare keuze voor iedereen.
 Maak biologische producten geen luxe, maar betaalbaar voor iedereen.

Inhoudelijke informatie op www.milieudefensie.nl/albert-heijn en daar de ‘veelgestelde vragen’.

Hieronder wat plaatjes van een smoestuintje (de ‘ribbe’ is ongeveer 7cm)..

Als je ook wilt meedoen, ga naar bit.ly/smoestuintjes
Onder op de smoestuintjes staat een QR-code (zie hieronder) die na inscannen bij hetzelfde adres uitkomt.

Een ecocertificaat voor zonneparken

Ter inleiding
Grootschalige zonneparken roepen soms de kritiek op dat ze de bodem eronder verarmen en, en meer algemeen, ecologisch slecht zijn. Dat is niet geheel zonder reden en ook niet geheel met reden, want de afwezigheid van zonneparken (en de aanwezigheid van fossiele verbranding) roept nog meer ecologische schade op.

Een tweede reden is dat er in een vergunning vaak bij staat dat de inrichting – zinvol of niet –  na zoveel jaar weer moet worden afgebroken, en dat de grond weer voor de oorspronkelijke bedoeling gebruikt moet kunnen worden.

Zonneparken in Brabant. Dit is een uitvergrote still van de interactieve Arcgis-kaart . https://www.arcgis.com/apps/mapviewer/index.html?webmap=58d4f473f7fe4eef998edc7182dd1988&extent=6.2199,52.951,6.4735,53.0172 Er staan alle parken op die t/m 2024 gerealiseerd zijn.

Hetzij vanuit een positieve, hetzij vanuit een negatieve insteek wordt er al een aantal jaren gestudeerd op aanleg- en beheerplannen die een zonnepark ecologisch neutraal of zelfs positief is ten opzichte van de oorspronkelijke functie van de grond. Bij een zwaar bemeste, hartstikke dode maisakker is alles al gauw een verbetering.

Onlangs heeft dit tot de studie ‘EcoCertified Solar Parks’ geleid. Dit product is te vinden op EcoCertified  Solar Parks openbaar eindrapport 2025.pdf .  Er staat een artikel over in SOLAR 365 op groen-label-voor-zonneparken .

In de literatuurlijst van de studie staat een verwijzing naar de studie “Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland” uit 2021. Ik heb op deze site deze studie  gebruikt in een artikel zonneparken-en-ecologie-van-beweringen-naar-wetenschap . Er staan ook oudere artikelen over het onderwerp zonnepark-bodem-landbouw op mijn site, maar ik ga ze niet allemaal noemen.

Wel wil ik nog melding maken van een ander proces, dat tot eind 2022 parallel liep aan bovengenoemd proces, namelijk SolarEcoPlus, dat zich vooral bezig hield met bifaciële panelen (PV-panelen met twee actieve kanten). Zie https://www.bjmgerard.nl/solarecoplus/ .

In de aanloop naar de EcoCertified Solar Parks – studie is deze studie organisatorisch gekoppeld aan de SolarEcoPlus-studie. Er werkten dezelfde instituten aan, dus dat scheelde tijd.

Dit het park Lungendonk 20, Someren, dat aangelegd is door TP Solar. Ten tijde van de foto (april 2022) was men nog met de inrichting bezig Zie ook https://www.tpsolar.nl/lungendonk/ . Voordat het zonnepark werd, was dit akkerbouwgrond. Foto www.bjmgerard.nl

Er zat een zwaar gezelschap op het onderzoek: Wageningen voor de leiding en voor nieuwe methodes om biodiversiteit te meten, TNO berekende welke opstellingen tot welke bodembelichting ging leiden en hoeveel dat kostte, bureau Eelerwoude deed het veldwerk  en het vegetatiebeheer, en de branchevereniging Holland Solar vertegenwoordigde tien zonnepark-ontwikkelaars, die samen 18 zonneparken opengesteld hebben voor onderzoek.
Ook de Natuur- en Milieu Federaties waren betrokken.
Bovenstaand park Lungendonk 20 (gemeente Someren) van TP Solar is een van die 18.

Vegetatiebeheer
De basis van alles is wat er aan planten groeit. Dat hangt weer van veel dingen af: de bodemsoort, hoeveel licht de bodem bereikt en hoe lang (uitgedrukt als percentage van vol daglicht), hoe het regenwater toegang heeft, en hoe de vegetatie kort gehouden wordt.

Dat is sterk situatiegebonden en sowieso moet dus elk nieuw park eigenlijk een vegetatiebeheerplan maken (als men tenminste een eco-certificaat wil).

Men wilde vier vegatatiebeheerprocedures onderzeken:

  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel laten liggen
  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel afvoeren
  • Resultaatgericht maaien (maaien als de vegetatie erom vraagt)
  • Drukbegrazing met schapen (drukbegrazing betekent dat je er korte tijd veel schapen opzet. Die beesten vreten dan alles en als je er lange tijd weinig schapen op zet, vraten ze alleen wat ze lekker vinden)

In alle  gevallen moet er gefaseerd gemaaid worden, dus het terrein bij stukjes en beetjes afwerken.

Men had het leuk bedacht: op 12 parken elk 4*1 hectare voor elk van de vier types beheer, en dan kijken wat er met de vegetatie gebeurde en met de vlinders en de vleermuizen en de spinnen en de mijten en het ondergrondse gewoel, en de bodemkoolstof.
Helaas, toen kwam Corona en soms was het te nat om te maaien en soms week de mindset en het leefritme van de diertjesvrijwilligers een beetje af van dat van de parkeigenaren. Dus er is wel een hoop ervaring opgedaan met vegetatiebeheer op zonneparken en hoe je daarvoor met schapen moet omgaan, maar niet welke beheersvorm welke consequenties heeft voor grotere en kleinere wilde beestjes.
Op basis van de ervaring lijkt bijvoorbeeld vegetatiebeheer op het Lungendonkpark moeilijk. De robotmaaier wordt overal gestuit door balken en geen schaap kan onder het lage uiteinde van de PV-panelen. (Gebruik ook geen lammetjes, want die klimmen op de panelen als die lager dan 60cm boven de grond liggen).

Wat wel en niet werkt als vegetatiebeheermaatregel

Bodemkoolstof en bovengrondse en ondergrondse flora en fauna in het onderzoek
Zolang men de onbeantwoorde vraag naar de fauna-effecten van vegetatiebeheer buiten beschouwing laat, zijn er op basis van het onderzoek bij de 18 parken uitspraken mogelijk.
Bovendien is er oudere literatuur en modelberekeningen regenen niet weg.
En sommige maatregelen kan men ook wel zonder academische titel bedenken (bijvoorbeeld dat als je hazen en egels binnen wilt hebben, die onder het hek door moeten kunnen, of door een klein gat). En dat vleermuizen graag een rij bomen hebben als geleide van A naar B, was ook al wel bekend.
Tussen de panelen en langs de rand van het veld blijkt het spinnen- en insectenleven te vergelijken  soms met intensieve, soms met extensieve graslanden. Onder de panelen is bij reëel bestaande zonneparken de situatie een stuk slechter.
Vogels gedijen beter op zonneparken dan op zwaar bemest grasland of maisakkers, voelen zich meer senang bij extensief beheer van het zonnepark en zitten het liefste in de rand van het zonnepark.
Vleermuizen blijken niet graag bij  zonneparken te verblijven (althans niet van die nu reëel bestaan).

Deze tabel berust op een andere proef op een eigen stukje weiland in Wageningen. Bij 40% opvallend licht wordt dan 4,81 ton bovengrondse biomassa per hectare per jaar geproduceerd. Daarvan is 42% koolstof. Die wordt geacht onder de grond te eindigen. Als dit regime 30 jaar wordt volgehouden, is de hoeveelheid organische stof in de bodem 2% hoger dan hij geweest zou zijn zonder zonnepark. Het inzaaien van schaduwtolerante planten verbetert dit resultaat.

De bodemkoolstof en daarmee de ondergrondse beestjes (bijvoorbeeld regenwormen en nematoden)  blijken sterk van de hoeveelheid opvallend licht af te hangen. De ondergrondse biomassa volgt de bovengrondse.
Bij minder dan 8% van vol daglicht,, gaat het organische stofgehalte (en daarmee ook de ondergrondse beestjes) snel achteruit. Dergelijke parken bestaan, maar het tegendeel ervan ook. Binnen de onderzochte 18 parken ontvangt bij park Wagenborgen 78% van de grond onder de panelen minder dan 10% licht, terwijl dat bij park Haringvliet slechts 12% van de grondoppervlakte betreft (bij Lungendonk zit 36% van de grond onder de 10% licht). .
Tussen de 20 en 30% gaat het organisch stof-gehalte langzaam achteruit en bij 40% belichting blijft het dus grofweg hetzelfde (zie bovenstaande tabel) .

Met enig gesprokkel en geïmproviseer is er een verhaal uitgekomen.
Het uiteindelijke certificaat is op doorontwikkeling gebouwd en verwacht veel feedback te krijgen van de toekomstige praktijk. Dat zou wel eens waar kunnen zijn.

Wat je ecologisch zou willen
Ecologische meerwaarde van zonneparken hangt men op aan drie uitgangspunten annex richtlijnen::

  • Een gezonde bodem.
    Op de donkerste plekken moet de belichting minstens 20% van daglicht zijn. In praktijk leidt dat op de lange duur tot een soort (bodemafhankelijke) referentiewaarde.
    Regenwater moet gelijkmatig over de bodem verdeeld worden. Dat betekent spleten tussen de PV-panelen.
    Bodemverdichting en schade aan drainages moet voorkomen worden.
  • Het bereiken van Basiskwaliteit Natuur in de vorm van ecologisch functionele graslanden.
    Minstens 18% van het park blijft onbedekt, hetzij tussen, hetzij rond de panelen. De minimale afstand tussen rijen panelen moet minstens 2,5m zijn (wat overigens ook voor het maaibeheer nodig is).
    Afhankelijk van de situatie 1 tot 3* per jaar maaien en het maaisel afvoeren. Het park gefaseerd maaien.
    Geen pesticiden.
  • Versterking van bestaande, lokale natuurwaarden en landschappelijke inpassing
    Genoemd wordt een aantal natuurlijke elementen en minimumvereisten daarvan, zoals bomenrijen, watergangen, faunapassages en dergelijke.

Natuurkundige voorbeeldkengetallen. Op de horizontale as de hellingshoek, op de vertikale as het percentage zonnepark dat bedekt is met panelen, en weergegeven het aantal vollasturen links en de opbrengst van het park per m2 park.
Zo zijn er ook fimanciële kengetallen.

In combinatie met de economie
Uiteraard willen de exploitanten dat de kWh-prijs van de geproduceerde stroom niet teveel omhoog gaat door de ombouw naar ecologisch. Moet je eerst weten hoe je dat zou moeten berekenen.

TNO heeft daartoe een bestaand kostenmodel, in samenspraak met de branche-organisatie Holland Solar, uitgebreid en geactualiseerd. Er gaan natuurkundige en financiële kengetallen in en voor een bepaald type constructie komt er dan, via een Netto Contante Waarde-berekening over 15 jaar, uit wat het per kWh extra kost om de opstelling ecologisch verantwoord te maken.
Het ene deel van de berekening gaat ‘klassiek’: bouw plus exploitatie  en geen ecologie. Eelerwoude levert de cijfers om het extra maaibeheer te kunnen berekenen.

 De linkse, tweezijdige Oost-West opstelling, is ecologisch een ramp en het extra maaien zou €6,50 per 100m2 paneel kosten – en dan heb je mogelijk ook nog een ARBO-probleem. Schapen, als het al lukt om die onder de opstelling te krijgen, kost de helft.

De rechtse, zonvolgende opstelling staat in Bockelwitz-Polditz aan de Mulde in Duitsland (bij de 18 onderzochte opstellingen zat niet een dergelijke constructie) kost ecologisch maaibeheer niets extra’s. Dit is ongeveer het andere uiterste.

Deze bestaande mogelijkheden zijn, in combinatie met de sector, geoptimaliseerd. Toegevoegd zijn de gedachte om brede spleten tussen de panelen toe te staan (wat uiteraard tot grotere tafels leidt) en/of om de panelen enigszins transparant te maken. In beide gevallen brengt dat de belichting onder de panelen op 15 of 20% te brengen.

Het uiteindelijke label
Uiteindelijk is er gekozen voor een systeem met zes thema’s (hierboven de zes grote groene hokken), en verspreid over die zes thema’s 25 indicatoren. Elke indicator levert maximaal vijf punten (die soms dubbel of half meetellen in het eindresultaat). Sommige van die indicatoren moeten perse voldoende zijn (>=3).
De ondergrens voor bijvoorbeeld de indicator ‘Bodembelichting’ “bijvoorbeeld luidt “Minimale bodembelichting van 10% op het gehele terrein; daarnaast voor de bodem onder en tussen tafels minimale bodembelichting van 15% op minimaal 60% van het terrein; en minimale bodembelichting van 40% op minimaal 25% van het terrein (conform huidige bodembelichtingstoets). Schaduwtolerante plantensoorten moeten ingezaaid worden om de afname van bodemgezondheid te beperken.
Dit is beter dan huidige situatie bij de bestaande parken, maar niet goed genoeg als eindsituatie.

Zo zijn er twaalf ondergrenzen.
Een andere ondergrens is bijvooorbeeld dat er van een extensief beheerd agrarisch perceel moet worden uitgegaan (men kan dus niet ecologisch een natuurgebied vol zetten met PV-panelen).

Dit is de manier waarop gerekend wordt.
Lees dit als volgt: Thema 01 ‘uitgangspunten ontwikkeling’  telt  de indicator ‘voormalig grondgebruik’ die op een schaal van 1 t/m 5 één maal meetelt, en de indicator ‘koppelkansen natuur’ (ook weer van 1 t/m 5) die een half maal meetelt. Maximum van dit thema dus 7.5, voldoende (de ondergrens) is 3.

Het label wordt voor vijf jaar afgegeven en de eisen worden eens par jaar of twee jaar geactualiseerd.  Daarbij wordt de ondergrens stapsgewijze opgehoogd.
Er hoort een organisatie bij die de certificaten aflevert  The Greenlabel Institute ( https://www.thegreenlabelinstitute.org/  ) en een personeelsbestand aan adviseurs en beoordelaars.

Omdat de uitkomsten afhangen van de gekozen constructie van de PV-panelen, is het systeem in eerste instantie bedoeld voor nieuwe situaties. Maar het staat een exploitant vrij om zijn bestaande park te toetsen aan het label – maar dat is dan vrijblijvend.

Uiteindelijk hoopt de sector er vier belangrijke voordelen mee te winnen:

• Aantoonbare meerwaarde flora en fauna en bodemgezondheid voor investeerders
• Toegang tot subsidies en andere financiële stimuleringsregelingen
• Verbeterde concurrentiepositie in duurzame aanbestedingen
• Helpen in de beeldvorming naar buurtbewoners en andere stakeholders

Nog nieuwe zonneparken?
Een ding is jammer, en dat is dat de Voorkeursvolgorde Zon zo aangescherpt is door (toen nog) minister Jetten, dat het bijna onmogelijk is om nog een regulier zonnepark te bouwen. Zie https://www.bjmgerard.nl/bijna-verbod-op-zonneparken-een-slechte-zaak/ .
De laatste aanscherping in dit verband dateert van 2023, en valt dus in de looptijd van het onderzoek naar dit label. Het maakte de stemming er niet beter op. Feitelijk is er dus nu een label ontwikkeld voor zonneparken op landbouwgrond, die niet meer gerealiseerd mogen worden. Hoera!

Ondertussen wordt, zoals het er nu voor staat,  ook de salderingsregeling afgeschaft en moeten mensen betalen voor teruglevering aan het net. De groei van de productie van zonne-energie op ondergronden, die wel binnen de Voorkeursvolgorde passen, ligt ook stiil.

Misschien dat de nieuwe “sterke man” Jetten zich eens op zijn zonne-energiestandpunten moet gaan bezinnen.

En zo ziet uiteindelijk het certificaat er uit

Provincie NBrabant ontwikkelt nieuw gewasbeschermings-middelenbeleid

De context
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de akkerbouw heeft in de afgelopen jaren langs verschillende routes tot heftige discussies geleid: metingen door een actiegroep als Meten=Weten, een zaak van Milieudefensie in Drente, uitspraken van rechters die negatief uitpakken voor met name bollentelers (en daarbinnen voor  lelietelers), een steeds duidelijker link tussen bestrijdingsmiddelen en neurodegeneratieve ziektes als bijvoorbeeld Parkinson (in Frankrijk al erkend als beroepsziekte bij boeren), de erkenning door het CTGB (College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden) dat de toetsingsprocedures onvoldoende oog hebben voor neurologische effecten, maar bijvoorbeeld ook de omzetting van grasland naar akkerbouw na beëindiging van de veeteelt en het gegeven dat bollen slechts korte tijd op hetzelfde perceel geteeld kunnen worden.

Voor eerdere artikelen op deze site zie https://www.bjmgerard.nl/rechtbank-limburg-verbiedt-lelieteelt-in-sevenum/ en https://www.bjmgerard.nl/rechter-verbiedt-gifspuiten-op-lelies/ en https://www.bjmgerard.nl/sp-stelt-vragen-over-de-lelieteelt-in-noord-brabant/ .

De provincie die er het eerst en het meest mee te maken kreeg was de provincie Drente.
Er ligt een onderzoek van Hilbrands Laboratorium uit Wijster, opgespannen door 19 lelietelers. Het persbericht over het resultaat is te vinden op https://www.hlbbv.nl/nl/actueel/bewezen-in-drenthe-duurzamere-lelieteelt/ . Uit het rapport blijkt dat het een heel stuk minder kan met gif spuiten – de telers waren verrast.
Het plan is om in 2027 qua gebruik per hectare terug te zakken tot op het niveau van de aardappelteelt (waarop min of meer dezelfde middelen gespoten worden, maar dan een stuk minder, maar nog steeds veel). Sterkere lelies helpt ook erg mee. Volledig biologisch lelies telen is tot op zekere hoogte mogelijk, maar heeft veel nadelen.
Wie dieper in de materie wil duiken zonder het hele rapport te lezen, kan bij RTV Drente terecht op rtvdrenthe_fors-minder-landbouwgif-mogelijk .

Inmiddels speelt het probleem ook  flink op in andere provincies, waaronder Noord-Brabant.

Gladiolenteelt bij Grave (foto bjmgerard@gmail.com)

Het proces in de provincie Noord-Brabant.
Men (niet ik) kan een heel boek schrijven over het onderwerp, maar nu de aandacht beperkt tot de focus van deze website, namelijk Noord-Brabant.

De provincie wil het bestaande, beperkte beleid optoppen met een geheel nieuw beleid tegen gewasbeschermingsmiddelen (GBM).

De eerste stap in die richting Actieplan Gewasbeschermingsmiddelen is een zogenaamde 80%-versie: de bedoeling staat erin, de compositie van de tekst is behoorlijk rommelig, maar je kunt er al wel, wederzijds tot niets verplichtend, op reageren. De ZLTO heeft dat gedaan ( inbreng ZLTO ).
Het Actieplan is te vinden op Actieplan gewasbescherming 80%-versie . Het is nog niet duidelijk wanneer dit plan politiek behandeld gaat worden.

SP-woordvoerder Irma Koopman heeft zich sterk gemaakt voor het voorgestelde nieuwe beleid. Ze heeft erover in de regionale kranten  gestaan ( https://www.ed.nl/den-bosch/landbouwgif-gaat-verder-in-de-ban-in-brabant-spul-zakt-zelfs-richting-drinkwaterbron~ad43fdf2/ ).
In dat artikel wordt trouwens ook gemeld dat een ladinkje landbouwgif op weg is naar een diepe drinkwaterbron in Lith, wat Brabant Water tot een extra zuiveringsstap dwingt. Helmond en Vessem gingen Lith al voor.

Wat erg helpt, is dat de partij BBB zich door eigen onkunde buiten het provinciebestuur gemanoevreerd heeft. Dat werk in het landbouwdossier een stuk makkelijker.

De structuur  van het voorgestelde Actieplan
Het (concept)-Actieplan bestaat uit een relatief korte hoofdtekst (bestaande uit een Inleiding en hfdst 2) en een relatief lange lijst van zeven bijlagen. De structuur is helaas nog rommelig, het zou veel beter kunnen.

Het verhaal wordt inhoudelijk opgehangen aan vijf (in hfdst 2 gedefinieerde) hoofdlijnen:

  • Hoofdlijn 1: Beter in beeld brengen wat het huidig gebruik van chemische GBM is en wat de negatieve gevolgen zijn van het gebruik. Dit draagt bij aan het verbeteren van de aangrijpingspunten van onze beleidsmaatregelen.
  • Hoofdlijn 2: Sturen op duurzaam grondgebruik in overgangsgebieden rondom Natura2000-gebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden door middel van regulerende en stimulerende maatregelen. In de uit- en afspoelingsgevoelige gebieden, waaronder de beekdalen, zetten we in op stimulerende maatregelen.
  • Hoofdlijn 3: Proactief samenwerken met gemeenten aan het verminderen van gezondheidsrisico’s nabij kwetsbare gebieden/functies zoals woonwijken, speeltuinen en zorgvoorzieningen.
  • Hoofdlijn 4: Extra inzet op verduurzaming in gebieden met ruimte voor hoogproductieve, duurzame landbouw
  • Hoofdlijn 5: Duurzamer agrarisch grondgebruik van provinciale pachtgronden.

De bijlagen bevatten uitleg, en dat is soms erg fijn. Het helpt om tussen de vele bomen het bos weer een beetje te zien.

  • Bijlage 1 geeft een begrippenlijst naar juridische categorieën, zoals de onderverdeling van pesticiden in GBM en toevoegingsstoffen enerzijds en biociden anderzijds (waaraan verder geen aandacht wordt geschonken). Begrippen horen meestal bij specifiek genoemde EU-regels.
    Genoemd worden chemisch synthetische pesticiden (die niet perse gevaarlijker zijn dan ‘natuurlijke’ middelen), laag-risico stoffen en daarbinnen groene laag risico-stoffen, microbiële middelen en biostimulanten. De uitleg rammelt een beetje t.a.v. natuurlijke middelen.
  • Bijlage 2 onderscheidt naar meer praktijkgerichte criteria:
    * waartegen ze zich richten: insecten; schimmels; onkruid; mijten en teken; bodemaaltjes
    * emissieroutes: uitwaaien door de lucht (drif, 10%); afspoeling (bovengronds) of uitspoeling (ondergronds) van het landbouwperceel (35%); en erfafspoeling (55%)
    * gebruikscijfers per ‘doelgroep’ (lichte daling  2012-2020)
    * naar ambitie (EU vooralsnog die uit 2009, poging van de EC om deze aan te scherpen is mislukt).
    De Nederlandse ambitie is halvering t.o.v. 2015-2017 van de verkoop  van chemisch werkzame stoffen, en specifiek van de gevaarlijkste stoffen daarbinnen. In 2022 zaten die percentages op 55 resp 80%.
    * Naar de rol die de diverse overheden spelen in de vergunningvrlening en handhaving: EU (richtlijnen en voorzorgbeginsel); nationale overheid (toelating en vrijstelling via CTGB = College voor Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden), arbeidstechnische eisen; milieubeleid); provincie (uitwerking van hogere wetgeving); gemeenten (Omgevingswet binnen de hoger vastgestelde kaders, met name in nieuwe situaties) en de waterschappen (monitoring en een extra trap in de rioolwaterzuiveringsinstallatie)
  • Bijlage 3, die sterk dubbelt met bijlage 7, gaat jurisprudentie en voorzorgsbeginsel. De recente jurisprudentie focust op de meest vervuilende teelt, die van lelies, en kent in praktijk twee gebiedem:
    * Met nabije Natura2000 – gebieden als argument. Het moet aannemelijk gemaakt worden dat de teelt niet tot significante schade leidt (‘passende beoordeling’) en dat de teelt, als dat niet lukt; vergunningsplichtig is (Raad van State). Deze uitspraak geldt ook voor andere gewassen dan alleen lelies.
    * Met gezondheidseffecten van omwonenden als argument. De rechter mag het Europese voorzorgbeginsel hanteren om in bepaalde situaties het gebruik van GBM te verbieden, ook als het CTGB die toegelaten heeft. Belangrijkste overweging is dat GBM niet getoetst worden  op neurotoxiciteit (met name vanwege Parkinsonrisico’s). Overigens erkent het CTGB dit manco en wijt het aan het ontbreken van een goed onderzoeksprotocol.
    Het voorzorgbeginsel speelt een steeds belangrijker rol.
  • Bijlage 4 bespreekt trends en ontwikkelingen:
    * Algemeen vanwege de klimaatverandering en het negatieve effect daarvan op de voedselproductie
    * Bij de overheden: nationaal de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 (annex Uitvoeringsprogramma) en provinciaal dossiers als Sturen op grondgebruik; de Kader Richtlijn Water; de Overgangsgebieden en de Aanpak landelijk gebied
    * In de land- en tuinbouwsector: een verschuiving naar milieuvriendelijk bestrijdingsmiddelen; Integrated Crop Management (ICM); de (nog te ontwikkelen) Milieu-indicator Gewasbescherming; robotisering en precisielandbouw; en verschuiving van teelten van de volle grond naar onder glas
  • Bijlage 5 geeft (overigens op rommelige wijze) de verdeling in NBrabant van de 234156 hectare cultuurgrond naar gewas : 41,3% gras, 18,8% snijmais, 8,9% aardappels, 7,0% granen en de rest is verdeeld over een groot aantal afzonderlijke akkerbouw- en tuinbouwgewassen
  • Bijlage 6 beschrijft wat de provincie nu doet om het gebruik en de verspreiding  van GBM tegen te gaan.
    Het is een beetje typisch om wat er nu gebeurt achteraan in een Actieplan te zetten. Ik ben dus zo vrij om de inhoudelijke bespreking te beginnen met wat nu gebeurt.

Wat de provincie NBrabant nu doet of al wil doen
Dit is geordend op de eerder genoemde vijf hoofdlijnen.

Hoofdlijn 1: om een beter beeld krijgen van het huidige gebruik, en gevolgen,

  • heeft de provincie biodiversiteitsmonitoren voor de melkveehouderij, de graasdierhouderij en de akkerbouw. GBM zijn daarin een factor. De monitoren kunnen eventueel tot financiële beloning leiden
  • wil de provincie betere bedrijfsadministratiesystemen helpen ontwikkelen voor GBM

Hoofdlijn 2::

  • er ligt een Actieplan Biologische Landbouw 2024-2027. Dat wil dat in 2030 op 15% van het Brabantse landbouwareaal biologisch gewerkt wordt. Daartoe bestaan concrete uitvoerende regelingen.  Toegestaan worden alleen GBM van natuurliike oorsprong, die CTGB- en Skal-goedgekeurd zijn
  • stimulering van en hulp bij de omschakeling op  natuurinclusieve landbouw. Daarin zijn GBM niet verboden, maar worden wel zo weinig mogelijk gebruikt
  • ondersteuning van Agroforestry door steun aan Brabantse en Nederlandse netwerken op dit gebied. De agroforestry gebruikt minder GBM dan monocultuurteelten
  • het al sinds 2001 bestaande initiatief Schoon Water, aanvankelijk gericht op grondwaterbeschermingsgebieden en in 2012, wegens succes, uitgebreid naar heel Brabant. Soort scholings- en ondersteuningstraject waaraan momenteel 110 grote en ongeveer 500 kleine boerenbedrijven meedoen
  • inzet van de Europese Gemeenschappelijk Landbouw Beleid-subsidie (die via de provincie loopt) voor productieve investeringen, waaronder die welke  gericht zijn op minder GBM (bijvoorbeeld zoals die in bijlage 4 genoemd staan)
  • het praktijkproject BodemUP. Een betere bodem heeft minder behoefte aan kunstmest en GBM.

Hoofdlijn 3:

  • er bestaan nu geen provinciale activiteiten, gericht op het beperken van gezondheidseffecten van GBM

Hoofdlijn 4:

  • de provincie werkt al 25 jaar met de ZLTO samen in Landbouw Innovatie Brabant (LIB). Daarin concrete maatregelen in de geest van bijlage 4.
  • In het studieproject Boerderij van de Toekomst Zuidoostelijk zand worden nieuwe bedrijfssystemen onderzocht, waarbi minder GBM een van de uitdagingen is
  • Het eerder genoemde Actieplan biologische landbouw 2024 – 2027
  • In het kader van de Financiering van Start-ups en Scale-ups worden rpojecten gesteund op het gebied van onkruidrobotica , smart farming en precisielandbouw

Hoofdlijn 5: provinciale grond wordt duurzamer verpacht

  • Met de Grondregeling natuurinclusieve landbouw. Voorwaarde is geen chemische GBM
  • Met de Beleidsregel Grond voor graasdierhouderij. Grond nabij waardevolle natuur kan aan de provincie verkocht en teruggehuurd worden, mits dat grasland blijft (wat een waarde in zichzelf is). Op grasland worden bijna geen GBM gebruikt.
  • Op verpachte grond nabij Natura2000-gebieden  mogen geen kunstmest en chemische GWB worden gebruikt

Wat de provincie aan het bestaande beleid wil toevoegen
Opnieuw geordend op de vijf hoofdlijnen.

Hoofdlijn 1: de volumecijfers van GBM zijn op nationaal niveau bekend, maar de kennis op provinciaal niveau van volumes en gevolgen is onvolledig.

  • De provincie gaat zijn invloed aanwenden bij het Rijk en bij het InterProvinciaal Overleg (IPO) om tot een centrale registratie van de cijfers te komen die nu alleen binnen afzonderlijke bedrijven bekend zijn. Daarmee zou het Rijk eindelijk de Uitvoeringsverordening 2023 van de EU vorm geven. Nu lijkt dit op de lange baan geschoven.
    De provincie kan op deze kennis beleid baseren en ondernemers kunnen onderling benchmarken.
  • Op rijksniveau zijn ook andere zaken te verhapstukken, zoals betere toelatingsprotocollen van GWB en van het gebruik van GWB en biociden door particulieren.
  • Het Landelijk Meetnet GWB Land- en Tuinbouw produceert voor het ministerie van I&W cijfers over oppervlakte- en grondwater, maar deze cijfers komen nauwelijk decentraal bij de boeren terecht. Toch zouden die er veel baat bij kunnen hebben, bijvoorbeeld voor Integrated Crop Management.
    De waterschappen zouden fijnmaziger kunnen gaan meten in gebieden met risicoteelten, ook zeer om nuttige kennis terug te leveren.
  • Er zijn kennisleemtes die moeten worden onderzocht, zoals
    * welke groepen GBM voor welke toepassingen omgewenst zijn (bijvoorbeeld vanwege kinderen of weidevogels)
    * hoe het voorzorgbeginsel in algemene zin en in specifieke zin wat betreft GBM breder toegepast kan worden
    * idem de vormgeving van de zorgplicht, zoals aan de orde gesteld in het RLI-advies ‘Greep op gevaarlijke stoffen’ (2020).
    * Samen met de waterschappen gaan kijken wat de negatiefste risicoteelten zijn
    * Kijken of er een financiële beloning kan komen voor gewenst gedragGBM, en combinaties en afbraakproducten daarvan, opnemen in beheerplannen van Natura2000-gebieden
    * Hoe enerzijds de vergunningverlening, en anderzijds de handhaving, verbeterd kan worden. Dit mede gezien het te verwachten grotere aantal juridische procedures. Dit zal versterking van de Omgevingsdiensten  vereisen, die tot nu toe op dit onderwerp weinig in beeld zijn (het werk zit nu vooral bij de NVWA en de waterschappen).

Hoofdlijn 2:  de provincie wil sturen op duurzaam grondgebruik in grondwaterbeschermingsgebieden en in Overgangsgebieden naar Natura2000-gebieden.

  • De provincie wil een combinatie van verplichtende en stimulerende maatregelen in grondwaterbeschermingsgebieden. De provincie heeft daar dwingende bevoegdheden. Beide sets van maatregelen zijn in de geest zoals al eerder aangegeven. Ook de Kader Richtlijn Water (KRW) speelt hier een rol.
  • T.a.v. Overgangsgebieden is een nieuw  Ontwerp-Programma Overgangsgebieden aangeboden, dat (als het goed is) eind 2025 politiek vastgesteld wordt, en dat begin 2026 definitief wordt.  
    Door duurzaam grondgebruik en herstel van het watersysteem moet het aangrenzende Natura2000-gebied verbeterd worden. Landbouw blijft in deze zones toegestaan, maar moet zich schillen in beperkte emissies van nutriënten, van GBM en van een natuurgestuurd waterpeil. Dit regime moet over een periode van een aantal jaren va kracht worden. In die tijd zijn er steunmaatregelen.
    Het Rijk stemt in met het beginsel, maar beperkt zijn steun voorlopig tot randzones rond de Veluwe en de Peel.
  • Er wordt een kaart gemaakt voor gebieden met risico op af- en uitspoeling van GBM (hellingen, zandgronden, beekdalen). Dit mede vanwege de Jader Richtlijn Water. De mogelijkheden om hieraan maatregelen te koppelen worden verkend.

Hoofdlijn 3: in de Omgevingswet zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor gezondheidsbelangen. De provincie heeft als doelstelling ‘drie gezonde levensjaren erbij’ en heeft hier daarom belang bij.
Voor gemeenten is dit vaak een moeilijk onderwerp. De porvincie gaat daarom samenwerken met gemeenten  inzake chemische GBM om kennis te ontwikkelen en bijvoorbeeld voorbeeld-beleid te schrijven. Er liggen handreikingen van Natuur en Milieu en Urgenda en het ministerie van LNV.

Hoofdlijn 4: in hoogproductieve (‘gewone’)  landbouwgebieden moet van rijkswege omgeschakeld worden van middelvoorschriften naar doelvoorschriften. Op papier moet dat, via meer flexibiliteit en maatwerk, tot een meer dynamische en innovatieve sector leiden, maar er is nog geen praktijk ontwikkeld. In deze gebieden kan minder verplicht worden en het resultaat is mogelijk onvoldoende.
De provincie wil onderzoeken of een breed gesteund programma voor Integrated Crop Management opgezet kan worden, in samenhang met het lopende programma’s BodemUP en Schoon Water.

Hoofdlijn 5: vanaf 2026 worden alle ruilgronden (1400 hectare) uitgegeven met een erop rustend verbod op kunstmest en chemische GBM, met voorrang voor boerenbedrijven met een Duurzaamheidscertificaat.

Wat er niet in staat
De provincie biedt met zijn Actieplan een ruim assortiment aan maatregelen. De vraag naar wat er niet in staat ligt niet meteen voor de hand, maar moet volledigheidshalve toch gesteld worden.
Ik zie dit niet meteen zelf, maar als lezers dezes daarover wat kwijt willen, kan dat als commentaar bij dit artikel.

Onderstaand overzicht is voor heel veel gewassen te vinden op https://www.milieumeetlat.nl/nl/milieubelastingkaarten/language/nl.html .

‘Mest is geen afval’ – een nieuwe studie naar een oude wens

De aanleiding voor dit artikel
De directe aanleiding voor dit artikel is het promotieonderzoek van Marrit van der Wal naar verbeteringen in de techniek om  mest te bewerken, gericht op het terugwinnen van de nutriënten fosfor, stikstof en kalium.
Het onderzoek vond plaats bij een instelling die men wellicht niet meteen zou verwachten, de Eindhovense TU/e die men toch eerder associeert met energie, elektrische auto’s en ASML-technici. Maar de universiteit heeft ook een chemische technologie-afdeling, en daarbinnen een Group Membrane Materials and Processes. Het onderzoek van Van der Wal draait om een optimale inzet van die membranen.

Het proefschrift van Van der Wal is te downloaden op https://research.tue.nl/en/publications/no-time-to-waste-manure-membrane-processes-for-nutrient-separatio .

Het verschijnen van het proefschrift leidde tot een paginagroot artikel in de NRC, dat te vinden is 2025/07/03/mest-is-een-grondstof-we-moeten-het-niet-meer-als-afval-zien .

Marrit van der Wal, aldus de NRC, komt uit, en woont en werkt nog steeds, in Friesland. Ze heeft ruim contact met de agrarische wereld in die provincie.

De afbeeldingen in dit artikel  komen ut het proefschrift.

De context
Auteur Jelka Pospig van het NRC-artikel schrijft contextloos en alsof het onderwerp nieuw is, maar feitelijk leidt het onderwerp al vele jaren tot intensieve discussies op nationaal en Europees niveau. ‘Mest niet als afval zien’ en ‘Mest is het bruine goud’ en aanverwante slogans worden al decennialang gehanteerd. In die zin is Van der Wal een passant in een langlopend schouwspel.

Mestbewerking is een complexe context waarbinnen zowel kansen als bedreigingen bestaan. Men kan er daarom met een negatief en met een positief perspectief naar kijken. Die perspectieven zijn verstrengeld.

Het basale verhaal is dat de Nederlandse landbouw een volledig uit zijn krachten gegroeid waterhoofd is. Ons kleine land is de tweede agrarisch exporteur ter wereld. Zie desgewenst wat-ik-van-de-boerenacties-vind-en-van-de-nederlandse-landbouw/ .
Eveneens basaal is het productieschema van de Nederlandse veeteelt, waarin het beperkte inheemse diervoedingsaanbod aangevuld wordt door vanuit de hele wereld diervoeding naar Nederland te slepen. Dat wordt omgebouwd tot koe, varken, schaap en hun producten, waarna enorme hoeveelheden  mest hier achterblijven en de producten grotendeels geëxporteerd worden.
De uit zijn krachten gegroeide veeteelt leidt tot grote milieu- en klimaatproblemen, die effectief Nederland al jarenlang op slot zetten – de mestproblematiek is er daar één van. Verder kost het de boeren een hoop geld om van hun mest af te komen, als dat überhaupt al legaal lukt.
Het negatieve perspectief is dat men van de mest af wil onder voortzetting van de omvang van de bron ervan. Niet voor niets wordt het project ‘No time to waste’, waarvan het proefschrift van Van der Wal een product is, mede gefinancierd door alle grote namen uit het Nederlandse agro-industriële complex.

Het positieve perspectief is dat er een kringlooplandbouw moet komen met een veel  lagere milieu- en klimaatfootprint, en dat als onderdeel daarvan er minder kunstmest toegepast (en dus geproduceerd) wordt, en dat die productie klimaatvriendelijker wordt. Niet voor niets staat bijvoorbeeld kunstmestfabriek Yara (in Sluiskil en Vlaardingen) op de doelwittenlijst van Milieudefensie.
Men mag aannemen dat het Nederlandse agro-industriële complex, al dan niet van harte, ook vooruitgang zoekt in dit positieve perspectief.

Hoeveelheid dieren dd december 2023, en de bijbehorende hoeveelheid mest

Het grote wantrouwen is nu dat vorderingen vanuit het positieve perspectief vooral ingezet worden om het negatieve perspectief te versterken. Met andere woorden: als het mestoverschot circulair kan worden opgelost, mogen ‘we’ nog steeds evenveel koeien en varkens houden. Dit terwijl het mestoverschot slechts één van de milieuproblemen rond de intensieve veeteelt is.
Het wantrouwen wordt versterkt doordat mestbewerking veronderstelt dat men het hele jaar door erg veel  mest op een kluitje heeft. Dat is slechts in zoverre mogelijk als delen van de industriële intensieve veehouderij nog toekomst hebben.

Dit wantrouwen heeft in Nederland en Europa een verlammende uitwerking.

Wat kun je op papier in positieve zin met mest?
Als men vooral een positieve bril opzet, kan mestbewerking drie waardevolle producten leveren: biogas na vergisting; droge materie die veel fosfaat (P) bevat; en een waterige oplossing die stikstof (N)- en kalium (K)-verbindingen bevat. Deze toepassingen zijn niet nieuw, maar al vele jaren gevestigde praktijk. (Waar over P, N en K gesproken wordt, wordt bedoeld de chemische verbinding waarin zij in water voorkomen).

Over biogas is elders op deze site het nodige geschreven, maar dit onderwerp blijft nu buiten beschouwing.

De gedachte is dat de droge materie een gerecyclede fosfaatbron is – nieuwe fosfaat is mondiaal een schaarse en eindige delfstof. Deze steekvaste mest of digestaat kan na een soort pasteurisatie,  eventueel gevolgd door andere bewerkingsvormen, minstens voor een deel in binnen- en buitenland worden afgezet.
Deze vaste fractie leidt tot niet heel veel controverses.

De dunne fractie (na bewerking ook wel aangeduid als mineralenconcentraat) is niet exporteerbaar, omdat men vooral water rondrijdt en dat is heel duur. De Nederlandse agrarische sector en hun vertegenwoordigers in Nederland en Europa hopen dan ook al heel lang dat die vloeibare fractie als stikstof-kalium mest zou kunnen dienen ter vervanging van de kunstmestkorrels van (bijvoorbeeld) Yara. In het Europese jargon heet dat Renure (REcovered Nitrogen from manURE). De lobby heeft geresulteerd in een aan de Nitraatrichtlijn gekoppeld concept-voorstel van de Europese Commissie, dat in 2024 ter raadpleging voorlag en waarover de EC eind 2025 duidelijkheid zal geven. De lange doorlooptijd van dit onderwerp onder andere omdat er een aantal hardnekkige, praktische problemen optreden:

  • de N:K-verhouding in de dunne fractie is vaak anders als die welke te begunstigen planten willen. Tot nu toe is het niet mogelijk de N en de K er apart uit te halen.
  • er zit vaak troep in de mest (zware metalen, hormonen, medicijnresten)
  • de nutriënten zitten in onpraktisch sterk verdunde vorm in de dunne fractie.
  • de toepassing van Renure kan tot een verplaatsing van de problemen leiden van Nederland naar elders, waardoor er wel in Nederland, maar niet mondiaal een verbetering optreedt. Zoals Humberto Delgado Rosa, directeur biodiversiteit bij de Europese Commissie, onlangs in de Tweede Kamer zei: Renure is geen silver bullet.
    Wie de tekst van het concept wil inzien, zie afgesloten Renure-raadpleging EU 2024 .

Mijn houding ten aanzien van mestbewerking is sceptisch, maar niet principieel afwijzend. Er moeten goede milieuvergunningen zijn en de totale verwerkingscapaciteit moet passen bij een veel kleinere veestapel. Voor een uitgebreid, maar alweer ruim vier jaar oud, artikel op deze site zie https://www.bjmgerard.nl/grootschalige-mestbewerking-en-groen-gas/ .

Wat voegt het proefschrift van Van der Wal toe aan de bestaande kennis?
Van der Wal heeft, vanuit de methodes van de procestechnologie, twee samenhangende problemen rond de verdere verwerking van digestaat aangepakt. Digestaat is de massa die overblijft nadat mest vergist is. In essentie is digestaat mest waaraan koolstof en wat zwavel onttrokken is (die zijn in het biogas gaan zitten). Juridisch is digestaat nog steeds mest.

Deze afbeelding beschrijft de algemene kenmerken van diverse filtertechnieken. Hieraan vooraf gaat de (niet getekende) dik-dunscheiding. Van der Wal gebruikte twee Reverse osmosis-stappen achter elkaar.

Op de eerste plaats heeft ze een systematische studie gewijd aan uitvlokmiddelen bij de dik-dunscheiding van digestaat. Volgens haar is daar nog te weinig kennis van.
Om dik-dunscheiding in digestaat tot stand te brengen start men met eenvoudige middelen als bijvoorbeeld een zeefbandpers. Maar uit de vloeistof die daaruit druipt zit nog steeds vaste materie, maar dan in de vorm van kleine deeltjes. Dat is vervelend, want daarna volgen diverse filtertechnieken en die kleine deeltjes verstoppen de filters.
Om die kleine deeltjes er zoveel mogelijk uit te krijgen worden uitvlokmiddelen toegepast en Van der Wal heeft uitgezocht bij welke chemische kenmerken die uitvlokmiddelen het beste werken.

Op de tweede plaats heeft Van der Wal uitvoerig geëxperimenteerd op diverse combinaties van filters, filtertechnieken, zuurgraden en drukverschillen (volgens de NRC rook het niet altijd fris in haar laboratorium).  Haar belangrijkste doel is om een werkwijze tot stand te brengen die het mogelijk maakt om stikstof (N) en kalium (K) apart te krijgen (iets wat tot dan toe niet  kon) en om zoveel mogelijk (zuiver) water uit de dunne fractie af te scheiden.
Dat lukt redelijk (zie de afbeelding hieronder) en volgens Van der Wal zou het nog beter moeten kunnen. Voorbehoud is dat verschillende digestaat-types erg uiteen kunnen lopen en dit is voor één voorbeeldtype. Lees de afbeelding als volgt:
In de eerste kolom gaat (als rekenvoorbeeld) 1000kg digestaat. Daarvan eindigt 67kg in de vaste fractie, 302kg in water met daarin opgelost kalium (en stikstof), 133kg in water met opgeloste stikstof, en 499kg als water dat geloosd kan worden (dat is in zichzelf een groot voordeel).
In de tweede kolom wordt dezelfde gedachte anders verwoord. Men begint (als rekenvoorbeeld) met 1,0 kg P, waarbij in praktijk 3,0 kg K hoort en 3,1kg N. De dik-dunscheiding gooit er 1,0kg P uit (plus een restje N en K), de eerste osmosestap gooit er een mengsel van N en K uit, en de tweede stap een mengsel dat vooral uit N bestaat (de N en de K opgelost in water).

Bij Van der Wal kost dit schema, bij de gebruikte digestaatsoort, €6,90 per m3 (op basis va een stroomprijs van €0,15 per kWh).

In haar afsluitend hoofdstuk geeft Van der Wal aan dat er nog een hoop gestudeerd kan worden.
De dik-dun scheiding, en de daaraan ontsnappende kleine deeltjes, blijven een belangrijke aandachtspunt, onder andere omdat de erop volgende filters regelmatig schoongemaakt moeten worden. De toevoeging van ijzer- of aluminiumionen zou de afvangst van P kunnen verbeteren.
Van der Wal heeft haar experimenten uitgevoerd bij kamertemperatuur. De resultaten zouden beter kunnen zijn bij andere temperaturen.
De troep in het digestaat is een probleem. In de werkwijze van Van der Wal komen zink- en koperionen, alsmede bacteriën in bovenstaande afbeelding in de middelste stroom terecht en de vraag is of die aan de Europese Renure-normen (nu nog concept) kan gaan voldoen. Een vervolgvraag is of dit probleem met alleen verdere studie op te lossen is.
Van der Wal meent dat de laatste stroom wel aan de (nog concept) Renure-norm voldoet

De Europese Renure-normen in concept

En heeft de studie nut gehad?
Daarvoor moet je naar de NRC, met enig commentaar van mijn hand toegevoegd.

Voor de boeren heeft het ‘macro’ vooralsnog geen nut. Juridisch worden digestaat, en de ervan afgeleide producten  nog steeds behandeld als ruwe mest. Het maakt voor de fosfaat- en stikstoflimiet per hectare niet uit of die stoffen ruw of na bewerking op een akker- of weiland terecht komen. Dat is overigens al sinds jaar en dag bekend.
Daarnaast is er nog geen Renure-wetgeving, . Zoals gezegd, is er wel een concept maar dat is nog geen richtlijn. Bovenstaande tabel is een verkorte bewerking van de bijlage bij de Ontwerp-richtlijn in afgesloten Renure-raadpleging EU 2024 . De aanpak van Van der Wal zal toch echt op goedkeuring op basis van de definitieve richtlijn moeten wachten. De terughoudendheid van de EC t.a.v. Renure is overigens ook al sinds jaar en dag bekend.

En dan moet nog blijken wat Renure precies op gaat lossen. Mogelijk scheelt het de Nederlandse boeten geld omdat ze minder kunstmest hoeven aan te schaffen, maar daarmee is nog niet duidelijk wat dit mondiaal aan klimaat- en circulariteitwinst oplevert.

Voor Van der Wal als persoon is het proefschrift nuttig geweest. Ze is nu doctor en, volgens de NRC, heeft ze nu een baan bij het Center of Expertise Water Technology (CEW) in Leeuwarden. Dat is een niet op winst gerichte stichting, deels gesubsidieerd, die toegepast onderzoek doet op het gebied van watertechnologie ( https://www.cew.nl/ ).
Geen slechte keuze.

Demo bij hoofdkantoor RABObank

Agro-Ecologie Netwerk en Toekomstboeren; Christian Climate Action; Extinction Rebellion Landbouw; Extinction Rebellion Utrecht; Klimaatnetwerk FNV; Milieudefensie Jong Utrecht; Milieudefensie Utrecht; Scientist Rebellion en Scientists for Future hadden een demonstratie georganiseerd op 22 mei 2025 bij het hoofdkantoor van de RABObank in Utrecht. Toen was daar de vergadering van de certificaathouders van de bank.
Ik ben daar vanuit Eindhoven bij geweest.

De RABObank was onder andere doel vanwege de financiering van ontbossing in het Amazonegebied en elders – wat bijdraagt aan een volstrekt uit de hand gelopen veeteelt in Nederland.
De RABObank heeft ook nog geen klimaatplan en is een van de door Milieudefensie aangeschreven bedrijven. De bank speelt een belangrijke rol in de nieuwe campagne van Milieudefensie, die zich focust op de voedselproductie.
Voor uitgebreidere inhoudelijke verhalen zie https://www.greenpeace.org/nl/bossen-categorie/66698/kap-de-geldstroom-naar-ontbossing/ en https://milieudefensie.nl/actueel/geef-banken-geen-geld-meer-voor-kettingzagen .

Het programma werd aan elkaar gepraat door cabaretier Dolf Jansen en kende als sprekers (onder meer) Valentijn Wösten, die samen met MOB juridische procedures voert in o.a. stikstofzaken; Sigrid Deters van Greenpeace, juist terug uithet Surinaamse regenwoud; een biologische akkerbouwer uit de Noordoostpolder; en een spreker namens World Animal Protection en namens Extinction Rebellion.
En er was muziek.

In het publiek zichtbaar veel mensen van Extinction Rebellion en de Partij voor de Dieren.

Ahold Delhaize  kan zijn duurzaamheidsverplichtingen best wel zelf betalen

Intro
Bij elke 1000ste bezoeker aan deze site een wat afwijkend verhaal en bij de recente 44000ste een verhaal over de duurzaamheidsinspanningen van Ahold Delhaize (AD) of liever, over het gebrek daaraan. Ahold Delhaize (AD)  is het internationale moederbedrijf waarvan Albert Heijn (AH) de Nederlandse dochter is.

Reden is: Milieudefensie bracht in de nacht voor de afgelopen Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) van AD een rapport van bureau Profundo uit ter ondersteuning van Milieudefensie’s oproepen aan het concern. Ik was bij de buitenactie van die AVA (https://www.bjmgerard.nl/bij-de-ava-van-ahold/ ) en heb daarmee impliciet het Profundorapport voor waar aangenomen. Ik vind dat als je een document impliciet ondersteunt, je het eigenlijk gelezen moet hebben, ook al is dat, in dit geval, noodzakelijkerwijs achteraf.

Voor mij is dat ‘afwijkend’. Bedrijfseconomie is mijn terrein niet, de detailhandel nog minder, en dat alles ook nog in het Engels met veel juridische vaktermen. Het is moeilijk leesbaar. Afijn, ik doe het mezelf aan.

Een samenvatting van, en toegang tot, het Profundorapport is te vinden op https://milieudefensie.nl/actueel/aandeelhoudersvergadering-ahold-rapport . Het is geschreven door Gerard Rijk en Barbara Kuepper.

Hoofdstuk 1 van het rapport beschrijft de financiële prestaties van AD (met af en toe een uitstapje naar de dochteronderneming Albert Heijn). Dit hoofdstuk dient als basis voor de beweringen in enerzijds hoofdstuk 2 en 3 en anderzijds in hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 2 en 3 gaan over de broeikasgasemissies van AD en wat daaraan niet gedaan wordt en wel gedaan zou kunnen worden.
Hoofdstuk 4 gaat over hoe AD omgaat met de biologische landbouw, en hoe dat anders zou kunnen.

Feitelijk zijn enerzijds h.2 en h.3 samen een deelstudie, en is h.4 een geheel andere deelstudie. Het enige gemeenschappelijke is dat ze hun uitkomsten beide afzetten tegen de financiële cijfers in h.1.  De bedragen uit beide deelstudies mogen niet zomaar opgeteld worden, omdat dat tot dubbeltellingen kan leiden.

Het financiële wedervaren van AD (h.1)

( NA = Not Available, niet beschikbaar)

De omzet van AD is inmiddels gegroeid tot zo’n 89 miljard Euro.
De Free Cash Flow was, gemiddeld over de jaren 2020 t/m 2023, ca 2100 miljoen per jaar (met jaarlijkse schommelingen rond dit gemiddelde van een paar honderd miljoen.
Die Free Cash Flow gaat grotendeels op aan dividend voor de aandeelhouders, en het terug inkopen van eigen aandelen.

AD is geen noodlijdend concern.

De broeikasgasemissies en wat daaraan gedaan zou kunnen worden (h.2 en h.3)
Profundo heeft, op basis van eigen rapporten van AD, in bovenstaande grafiek de feitelijke broeikasgasemissies van het concern in grafiek gezet (zie boven).

Het betreft hier emissies over de hele keten, in technische termen scope 1, 2 en 3 samen.
Simpel gezegd komen scope 1 en 2 samen erop neer wat nodig is om het apparaat draaiende te houden: de winkels en kantoren va het concern, de bedrijfsauto’s, en dergelijke.
Scope 3 komt ongeveer neer op de emissies die vrijkomen bij de productie van de goederen die ingekocht worden, plus een klein beetje consumentengedrag.

Er vallen een paar dingen over de grafiek te zeggen, deels ook op basis van een, hier niet afgedrukte, tabel 9 en tabel 13.

  • de trend is dat de broeikasgasemissies van AD nog steeds gewoon stijgen
  • AD heeft een eigen reductiedoel van 37% t.o.v. 2020, wat in praktijk neerkomt op een overblijvende emissie in 2030 van ongeveer 40 miljoen ton (40Mton) CO2,eq per jaar. (De toevoeging ‘eq’ slat erop dat de landbouw ook broeikasgassen als methaan en lachgas in de atmosfeer brengt. )
    Het halen van het ‘Parijs-doel’ in het internationale Klimaatakkoord van het IPCC zou een reductie in 2030 tot 36,5Mton nodig maken.
  • tot nu toe doen de doelen van Ahold Delhaize (AD)voor spek en bonen mee in ht duurzaamheidsbeleid
  • in 2024 ging er bij AD, concernbreed en over de hele keten, 66,9Mton CO2,eq de lucht in (technisch is dat ‘locatie  gebaseerd). Daarvan namen scope 1 en 2 samen 3,3 Mton CO2,eq voor hun rekening. de rest is scope 3.
    De  broeikasgasemissies van AD worden dus volledig gedomineerd door de ingekochte goederen.
  • Van die 66,9 Mton CO2,eq kwam 23,7 Mton CO2,eq  vrij bij de productie van dierlijk eiwit: diverse soorten vlees (samen 15,0), zuivel (8,2) en eieren (0,5 Mton CO2,eq )
  • de Profundostudie rekent verder met de 66,9 Mton CO2,eq die over 2024 vrijkwam, en met het IPCC-doel van 36,5 Mton CO2,eq  in 2030 waar het naar toe moet.
    Profundo zoekt dus middelen hoe AD het verschil, zijnde 30,4 Mton CO2,eq , kan invullen

Als eerste stap gaat Profundo, op basis van een eerdere studie voor het WWF, van uit dat 53% van de ketenemissies van broeikasgassen bij de boeren zit, 13% bij de detailhandel, en 34% bij alles daar tussen in.
Met die laatste  twee posten houdt Profundo zich verder niet bezig. Het bureau concentreert zich op de 53% van 30,4 Mton CO2,eq die bij de boeren in mindering moeten komen. Dat betreft 16,1 Mton CO2,eq .

Profundo vult die 16,1 Mton CO2,eq op twee manieren in.

  1. De eerste manier is een eiwittransitie (zie boven).
    Het eiwit dat AD nu in zijn voedsel aanbiedt, is voor 33% plantaardig en voor 67% dierlijk. Profundo rekent met een scenario waarin 33-67 wordt 50-50, een scenario 60-40 en idem 70-30. Ik kies als voorbeeld het middelste scenario.
    Wat er staat is dat in het 60-40 plantaardig-dierlijk scenario, vergeleken met idem 33-67 , er 9,5 Mton CO2,eq  minder bij de productie van dierlijk eiwit vrijkomt, waartegenover staat dat er 2,4Mton CO2,eq  meer vrijkomt bij de vervangende productie van het planaardig eiwit. Netto dus een reductie van 7,1 Mton CO2,eq .
  2. Blijft over een taakstelling van 16,1 – 7,1 = 9,1 Mton CO2,eq  (hierin zit een afrondingseffect).
    Profundo roept hier McKinsey te hulp ‘The Agricultural Transition: Building a Sustainable Future (juni 2023). In deze publicatie worden 28 maatregelen genoemd, waarvan Profundo de vier beste voor de veeteelt en de vijf beste voor de akkerbouw in de studie heeft opgenomen. Op gezag van McKinsey wordt aan elke maatregel een kostprijs per bespaarde ton CO2,eq  gehangen, welke kostprijzen na middeling ingekookt worden tot één kostprijs van $71 per bespaarde ton CO2,eq .
    Hierbij wordt stilzwijgend aangenomen dat het met de McKinsey-maatregelen inderdaad lukt om op de gewenste overblijvende 36,5 Mton CO2,eq  in 2030 uit te komen. Dit wordt niet onderbouwd.

Inmiddels zitten we in h.3 ‘’An Ahold Delhaize Climate Impact Fund’ waarin gerekend wordt wat het AD zou moeten kosten, ook weer opgesplitst naar bovenstaande 1. en 2.
Aangenomen wordt dat AD goed is voor de helft van de kosten, en de rest van de keten voor de andere helft. Hoe de rest van de keten dat doet, verschijnt niet in beeld.
Verder worden bepaalde kengetallen uit de branche gebruikt, waarvan ik de realiteit niet beoordelen kan.
Alles bij elkaar zou AD, in de visie van Profudo 280 miljoen € per jaar moeten uittrekken voor de eiwittransitie (voorlichting, marketing, financiering) en 322 miljoen per jaar € voor deMcKinsey-maatregelen. Samen 602 miljoen € per jaar. Dit moet jaarlijks toegevoerd worden aan het Clmate Impact Fund (Ten overvloede: de rest van de voedselketen zou dus jaarlijks hetzelfde bedrag bijeen moeten brengen.)

Dit geplaatst tegenover de eerder genoemde Free Cash Flow van rond de 2100 miljoen brengt Profundo (en Milieudefensie) tot de slotsom dat Ahold Delhaize de vereiste klimaattransitie best zelf kan betalen.
Ik heb mijn reserves over de veel te suggestieve precisies die je met dit soort geraamd modelwerk op papier krijgt, maar ik denk dat het globaliter klopt.

Overigens meldt Profundo dat de Jumbo ook al een fondsje heeft, maar daar zegt de familie Van Eerd niet veel over. Als de twee genoemde activiteiten de enige zijn, zit er niet veel in. Maar het principe is interessant.

De overstap naar biologische producten (h.4)
Op dit moment is binnen Ahold Delaize (AD) ca 3% van de voedselverkoop biologisch (bij Albert Heijn ligt dat overigens iets hoger, over een groot aantal voedingsproducten gemiddeld ca op 4,4% dd 2024).
Profundo wil weten wat de overstap zou kosten naar elk van drie scenario’s: 15% biologisch in 2030; 25% biologisch in 2035; en 100% biologisch in eveneens in 2035.
Ik kies voor mijn voorbeelden weer het middelste scenario.

Om de vraag te kunnen beantwoorden, moet je uiteraard weten hoe het systeem werkt in al zijn aspecten: productie, handel, verpakking, enz. Dat blijkt een bijna onmogelijke vraag. Er zijn boekenkasten vol geschreven over de opbrengsten, en de stabiliteit daarvan, van biologische versus conventionele landbouw, leidend tot zeer uiteenlopende resultaten. Daar komen bij verschillen in bewerking , verpakking, aparte productstromen, labeling, verschil in koopkracht bij doelgroepen, lagere kosten, subsidies, etc.

Profundo kiest als conclusie dat modern biologisch boeren in ontwikkelde markten tot een lagere opbrengst per hectare leidt. Wat betreft de winstgevendheid stelt Profundo dat de signalen gemengd zijn, maat dat, voor zover die er zijn, ze vooral optreden bij de prijzen die de boeren voor hun producten krijgen (dus aan het begin van de keten).
Daarna volgt de rest van de keten: trasport, groothandel, verdere bewerkingen.

Profundo  legt de nadruk op  huismerken en op bederfelijke goederen (‘perishable’)

(Wholesale = groothandel, food retailer = de toonbank)

Lees bovenstaande grafiek als volgt: biologisch vlees is bij de boer 30% duurder dan gewoon vlees. Bij de groothandel is het 52% duurder en op de toonbank is het 61% duurder.
Deze prijsverschillen komen uit een veelheid van bronnen in Europe en de VS en zijn dus experimenteel vastgelegd.

De verschillen zouden op papier kleiner kunnen zijn. Dat komt omdat de tussenbewerkingen en de eindverkoop voor biologische waren niet, of niet zoveel, duurder hoeven zijn voor biologische producten dan voor gewone producten. Dat zou een dempend effect moeten hebben  op de prijsverschillen tussen biologisch en gewoon, die voor in de keten het  grootst zijn en achter in de keten dus kleiner.

Dat is de theorie, maar hoe kwantificeer je dat?
Profundo heeft daartoe zijn eigen model gecreëerd met als kengetallen de bruto marges die gangbaar zijn bij  voedselbewerkers als Friensland Campina (zuivel), Vion (vlees), Greenyard (groenten en fruit), en JD Peet en Refresco (voor koffie en thee resp. frisdrank en sap in de categorie ‘niet-bederfelijke waar’).
Verder is de voor AD gangbare bruto marge van 31% aangehouden (de inkoop kost 69% van de verkoop).
De marges zijn voor biologische en reguliere waren dezelfde.
Het effect is te zien in de tabel hieronder.

Lees dit als volgt:
Als een mandje met reguliere producten bij AD voor €100 de deur uit gaat, zou de biologische variant daarvan volgens het model van Profundo  €116 mogen kosten. Een deel van de meerkosten is reëel.
In werkelijkheid gaat hetzelfde mandje met biologische producten voor €156 de deur uit. Het verschil van €56 – €16 = €40 is prijsopdrijving die niet vanwege het systeem nodig is.
De afbeelding aan het begin van dit hoofdstuk slaat op dit voorbeeld.
Profundo neemt in zijn model verder aan dat deze prijsopdrijving van biologische waren fifty-fifty gedeeld wordt tussen AD zelf en de voedselbewerkers. Voorbeeld bij het vlees vann Vion: voor €100 regulier vlees zou biologisch €128 mogen kosten, maar kost in praktijk €161. De prijsopdrijving van €161 – €128 = €33 gaat in het Profundomodel voor de helft naar AD en voor de andere helft naar Vion.

Ondertussen heeft de bijkomende vraag naar hoe de biologische consument getild wordt de aandacht afgeleid van de vraag waarmee het verhaal startte, namelijk wat de overgang van (voorbeeld het middelste van de drie scenario’s) 3% naar 25% biologisch in de periode tot 2035 zou kosten. De kennisbasis onder dit antwoord wordt gegeven in Appendix 3.
Het gaat weer over huismerken van bederfelijke goederen. Deze combinatie is goed voor 21% van de voedselomzet van AD.

De Profundotekst geeft een getallenbrei die ik de lezer wil besparen. Fanatici kunnen zelf gaan kijken.
Als AD  alle voedsel volledig biologisch zou helpen maken tegen redelijke meerkosten, ontploft de bruto winst vanaf 2028. Als men 25% van alle voedsel tegen dezelfde redelijke meerkosten biologisch zou willen maken, verdampt de bruto winst rond 2030 voor de helft.
Beperkt men zich ertoe om 25% van de waren biologisch te maken die èn huismerk zijn èn bederfelijk (ca 21% van de totale voedselomzet), dan blijft het effect op de bruto winst in 2035 beperkt tot een verlies van 17%.

Wie graag rekent, kan op de te verwachten toekomstige meerkosten van bederfelijke huismerk -scenario’s een Netto Contante Waarde – berekening loslaten en die tegenover het totale aandelenkapitaal van AD zetten (dd febr 2025 30,7 miljard). De NCW-uitkomst blijft een eind onder het aandeelkapitaal.

Profundo concludeert dat Ahold Delaize een geleidelijke overgang op 100% biologische bederfelijke waar-huismerken zou kunnen betalen als het moet, en dat AD een overgang op 25% bederfelijke waar-huismerken relatief gemakkelijk zou kunnen betalen.

De aandeelhouders krijgen dan wel wat minder.

Tot slot
Minder broeikasgassen enerzijds en biologisch boeren anderzijds zijn niet identiek. Men mag de getallen uit h.2 en h.3  niet zonder meer bij die van h.4 optellen vanwege dubbeltellingen. Die dubbeltellingen komen in de wereld omdat  beide gebieden elkaar wel een heel eind overlappen. Geld dat AD zou uitgeven aan meer biologisch boeren zou ongetwijfeld ook een positieve invloed hebben op de broeikasgasemissie, alleen valt dat niet een op een zomaar even te berekenen.
Profundo heeft zich daar niet aan gewaagd.

Bij de AVA van Ahold

Milieudefensie heeft van het voedselsysteem een nieuwe speerpunt gemaakt en mede daarom is Ahold doelwit. Ahold is het grotere concern waarvan Albert Heijn onderdeel is.
Vanwege het doelwit-zijn stond Milieudefensie op 09 april 2025 aan de overkant van de straat van het Zaantheater, waar de jaarlijks Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) is. Ik was er ook bij, evenals een ander lid van onze Eindhovense Milieudefensiegroep. Ik bleef buiten en zij ging binnen met de groep die kritische vragen ging stellen. Achteraf bleek dat vijf keer gelukt.

De voedselproductie heeft een grote impact op het klimaat. Het maakt wel uit om welke productievorm het gaat. Minder kunstmest, minder bestrijdingsmiddelen en minder emissie van de broeikasgassen CO2, methaan en lachgas (en ook van stikstof, maar dat is een ander verhaal). Velen pleiten om die reden voor biologische landbouw.

Maar middernacht voor de AVA bracht Milieudefensie een rapport van onderzoeksbureau Profundo uit, waaruit bleek dat Ahold zich beduidend meer op de aandeelhouderswinst richtte dan op het klimaat. Wie dat rapport na wil lezen (alsmede een fact sheet en Q&A), kan terecht op https://milieudefensie.nl/actueel/factsheet-rapport-profit-or-planet .
Het onafhankelijke onderzoeksbureau Profundo toont aan dat Ahold Delhaize liever de aandeelhouders verrijkt dan duurzame oplossingen zoekt voor een schone planeet. Extra pijnlijk: juist de duurzame klant wordt misbruikt als pinautomaat voor de aandeelhouder en betaalt de hoogste prijs…
Ook kan Ahold volgens de onderzoekers de internationale klimaatdoelen gewoon halen! Als een bescheiden deel van de winst naar verduurzaming gaat in plaats van naar de vermogende aandeelhouders, kan de uitstoot worden verminderd in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs.
Voor 690 miljoen euro per jaar kan Ahold de totale kosten betalen voor een beleid dat aan het Klimaatakkoord van Parijs voldoet. Dat is 26% van de 2 miljard euro die wordt uitgekeerd aan aandeelhouders. Deze kosten zijn lager dan de 700 miljoen euro die Ahold Delhaize nu jaarlijks aan marketing uitgeeft.”

Aldus het persbericht bij het onderzoek.

De eis van Milieudefensie is dat Ahold in 2030 50% minder CO2,eq moet uitstoten, in absolute zin en over de hele keten (dus scope 1, 2 en 3 samen) t.o.v. 2019. De vraag aan de aandeelhouders was of Ahold daarvoor ging zorgen?

Er waren drie andere groepen die een appeltje te schillen hadden met Ahold.

Er waren ca 15 activisten van Animal Equality, die de hele tijd op luide toon ‘Shame on you’ riepen tegen de overkant van de straat.
Er was een handvol mensen van de NGO Migrant Justice uit het Noordoosten van de VS, die werknemers in de zuivel ondersteunen (de VS-supermarkt Hannaford valt onder Ahold). Hun actie heet Milk with Dignity. De groep had een dag later een gesprek op het kantoor van Ahold.


Tenslotte was er de bekende groep BDS, die actie voert ter ondersteuning van de Palestijnen en hier in beeld is omdat Ahold Israëlische landbouwproducten verhandelt die  mogelijk uit de bezette Westelijke Jordaanoever komen.

ABZ De Samenwerking, vestiging Eindhoven, krijgt mogelijk dwangsom

De diervoederfabriek ABZ De Samenwerking (in de volksmond nog steeds ABZ Diervoeding)  heeft van de OmgevingsDienst ZO Brabant (ODZOB) een aanschrijving gekregen dat er een dwangsom dreigt, omdat het bedrijf zijn vergunning fors overtreden heeft. In een brief van het College van B&W aan de gemeenteraad dd 20 december 2024, die uitgegaan is vanwege ‘de gevoeligheden in de omgeving  en de politieke aandacht’, is dit bevestigd. B&W stemmen met de brief van de ODZOB in. Zoals gebruikelijk in het bestuursrecht, krijgt ABZ de kans om een zienswijze in te dienen en om de vergunning te gaan naleven. Het is dus nog niet duidelijk of het tot een dwangsom komt.

De brief van B&W bevat verder geen details.
Het Eindhovens Dagblad, bij monde van Mark Wijdeven, wijdde op 23 december 2024 een artikel aan het onderwerp ( https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/18095/pages/21/articles/2181594/21/2 ). Daarin staan wel details.
ABZ mag in zijn fabriek in Eindhoven jaarlijks 186 miljoen kg diervoer maken en 5616 uur per jaar draaien. Bij een controle op 11 oktober 2024 bleek dat in de voorafgaande 365 dagen het bedrijf bijna 234 miljoen kg veevoer geproduceerd had, in 404 uur meer dan mocht. In de aanschrijving zegt de gemeente dat de grenzen in de vergunning er zijn om de omgeving te beschermen tegen overlast. ‘Wij beoordelen de overtreding als zeer zwaarwegend’, aldus de brief.
Het bedrijf zegt zich van geen kwaad bewust te zijn.

ABZ De Samenwerking heeft bij de provincie een aanvraag liggen voor een productie van 350 miljoen kg per jaar, gedurende 8760 uur per jaar – dat is het hele jaar, 24/7 . Hierover is nog geen beslissing genomen.

Bovengenoemde cijfers zijn door B&W van Eindhoven genoemd als antwoord op vragen van de Eindhovense Partij voor de Dieren dd het voorjaar van 2024. Ze zijn te vinden op https://eindhoven.notubiz.nl/modules/4/Raadsvragen/919200 .

ABZ Diervoeding heeft op meer plaatsen hommeles met de omgeving, bijvoorbeeld ook in Nijkerk (zie o.a. https://www.nijkerkerveen.org/milieuactivisten-projecteren-protesttekst-op-silos-abz-diervoeding/ ) en Markelo (zie o.a. https://www.dorpsraadmarkelo.nl/markelo-laat-je-stem-horen-over-uitbreidingsplannen-abz-diervoeding/ en https://www.gelderlander.nl/lochem/abz-diervoeding-na-markelo-ook-in-eindhoven-in-de-fout-ook-miljoenen-kilos-teveel-voer-gemaakt~a7b5df46/251890534/ )
In Eindhoven was er recentelijk een demonstratie waaraan XR, Milieudefensie Eindhoven en omwonenden deelnamen (zie https://www.bjmgerard.nl/demonstratie-van-xr-en-milieudefensie-eindhoven-naar-abz-de-samenwerking/ ).

In het spoor van de landelijke aanschrijvingsactie van grote bedrijven heeft Milieudefensie Eindhoven ABZ Diervoeding aangeschreven met de eis dat de broeikasgasemissie van de onderneming (opgeteld scope 1,2 en 3 – met name scope 3 is gigantisch) in 2030 bijna gehalveerd moest zijn t.o.v. 2019 ( zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-regio-eindhoven-verzoekt-abz-de-samenwerking-om-klimaatplan/  ). Het moge duidelijk zijn dat Milieudefensie Eindhoven er geheel op tegen is dat in plaats daarvan ABZ De Samenwerking zijn productie in Eindhoven bijna wil verdubbelen.

Wordt ongetwijfeld  vervolgd.