Burgers in Brabant willen stevige sanering veehouderij

Mijn medestrijders voor een betere landbouw in Noord-Brabant Frank van den Dungen, Cyril Hoevenaars en Geert Verstegen hebben een opinieartikel in het Financieel Dagblad geplaatst . Ze zijn verbonden aan het Brabants Burgerplatform. Met hun instemming druk ik dit artikel op mijn site af.

Zie ook https://brabantsburgerplatform.nl/ .



Financieel Dagblad                       09 aug 2020

Burgers in Brabant willen stevige sanering veehouderij

In het kort

  • Omwonenden van megastallen zien omgeving onleefbaar worden.
  • Ze vrezen voor hun gezondheid.
  • Ze pleiten voor radicale verandering van de veehouderij.

Nederland heeft de grootste veedichtheid van Europa. En Noord-Brabant is koploper. Als paddenstoelen schoten de stallen daar de laatste decennia uit de grond. Dat brengt sociale spanningen met zich mee op het Brabantse platteland.

Illustratie: Hein de Kort voor Het Financieele Dagblad

Onder de veehouders neemt de concurrentie toe. De boerenslimmigheid dus ook. Veehouders zoeken vaker de rand op en gaan er steeds meer overheen. Dat wordt dan weer ingedamd met regelgeving. Omwonenden raken intussen in een spagaat. Ze begrijpen best dat sommige boeren uitbreiden om investeringen terug te verdienen. Maar anderen blijven steeds meer en grotere stallen bouwen. Dat maakt het leefgebied steeds minder leefbaar.

In de gebieden met veel vee is velen malen meer stank en overlast toegestaan dan in de rest van Nederland. Dus burgers moeten daar nadrukkelijker opkomen voor hun eigen leefomgeving. Het rijk, de provincie en de gemeente doen dat al jaren niet. Burgers willen krimp van de veestapel en meer aandacht voor de negatieve effecten van de veehouderij. Van ernstige stankoverlast en verstening van het platteland, tot verlies van biodiversiteit en oplopende gezondheidsrisico’s.

‘Burgers blokkeren geen distributiecentra en snelwegen. Ze trekken niet naar Den Haag. Maar ze gaan wel allemaal stemmen’

Bij hun recente acties hamerden de boeren op meer ontwikkelruimte, minder regelgeving en een gelijk speelveld. Ook de burgers in het buitengebied, die daar meestal al jarenlang wonen en de overlast alsmaar hebben zien groeien, pleiten voor zo’n gelijk speelveld. Zij willen minder veedichtheid en leefbare normen. Burgers blokkeren geen distributiecentra en snelwegen. Ze trekken niet naar Den Haag. Maar ze gaan wel allemaal stemmen. Ze begrijpen dat individuele boeren gebruik maken van de ruimte die het systeem hen biedt. Daarom pleiten burgers voor een stevige sanering en voor radicale vernieuwing van de veehouderij.

Onvermijdelijk

Alles wijst erop dat de veehouderij, die groot werd door minimalisatie van kosten en maximalisatie van bulkproductie, het einde van zijn cyclus nadert. Onze maatschappij is zich steeds beter bewust van de minpunten in het proces en de negatieve bijwerkingen, en stelt hogere eisen aan de kwaliteit van voedsel.

Boeren staan voor een lastig dilemma. Wil je als ondernemer door op de ingeslagen weg van grootschaligheid, dan is ons land te klein. Want de richting is bepaald: we gaan naar een circulaire veehouderij. En als we ‘circulair’ invullen op nationale of regionale schaal, is forse krimp van de veestapel onvermijdelijk, gezien de beschikbare gronden en de beperkte hoeveelheid reststromen van de voedingsindustrie.

Daarbij moet je als veehouder ook met de beleidsmatige effecten van de coronapandemie rekening houden. Waarschijnlijk wordt er een rem gezet op het wereldwijde gesleep met vee en vlees. De trend neigt, ook elders in West-Europa, onmiskenbaar naar veilig voedsel van dichter bij huis.

‘Wetenschappers wijzen op gezondheidsrisico’s voor de bewoners van de veedichte gebieden, waar eerder Q-koorts, stank, fijnstof, stikstof en nu ook corona als donkere wolken samenklonteren’

Bovendien leggen steeds meer wetenschappers de vinger op de gezondheidsrisico’s voor de bewoners van de veedichte gebieden, waar eerder Q-koorts, stank, fijnstof, stikstof en nu ook corona, als donkere wolken samenklonteren.

Boeren hebben vanouds een binding met hun dieren, met hun grond, met het landschap én met de omwonenden. Een groot deel van de huidige veehouders is deze binding verloren. Omwonenden zijn de tegenpartij geworden.

Maar het tij keert. Ook in Den Haag, waar de boeren jarenlang wind in de zeilen geblazen werd. De overheid heeft haar rug gerecht. Soms onder druk van de rechtspraak. Soms door nieuw inzicht. ‘De vrijheid van de een kan niet ten koste gaan van de gezondheid van de ander’, sprak premier Mark Rutte onlangs kernachtig. Gezondheid lijkt daarmee voor het eerst zwaarder te wegen dan economisch gewin.

Arbeidsmigranten

Tegelijk groeit in Den Haag het besef dat we met zijn allen stiekem een hoge prijs betalen voor de export van al dat vee en vlees en de werkgelegenheid voor voornamelijk arbeidsmigranten. De schade aan klimaat, natuur en biodiversiteit en de kosten van extra gezondheidszorg, de achteruitgang van bodem, lucht en water en de torenhoge subsidies voor mestvergisting werden tot op heden niet aan de vee-industrie toegerekend. De zorgen om een nieuwe pandemie en de klimaattransitie zullen leiden tot meer realistische rekensommen.

‘In Den Haag groeit het besef dat we met zijn allen stiekem een hoge prijs betalen voor de export van al dat vee en vlees’

De boeren zijn ogenschijnlijk solidair. Maar er is een concurrentieslag tussen intensieve veehouderij en melkveehouderij. Om reststromen en om mestafzet. Als de overheid niet kiest, kiest de markt. Dan kunnen we waardevolle bedrijven verliezen.

In de intensieve veehouderij hebben relatief veel ondernemers niet meer grond dan het bouwvlak waarop de stallen staan. Ze hebben alleen binding met de euro’s . Ze willen in megastallen zoveel mogelijk vlees tegen zo laag mogelijke kosten produceren. Deze bedrijven horen niet thuis in het buitengebied. Vee-industrie hoort gewoon op een industrieterrein.

Legbatterij

‘Boeren die het probleem veroorzaakten, kunnen het ook weer oplossen. Door weer boer te worden’

Boeren die het probleem veroorzaakten, kunnen het echter ook oplossen. Door weer boer te worden. Door weer een verbinding aan te gaan met hun dieren, het landschap en hun buren. Door verantwoordelijkheid te nemen voor natuur en biodiversiteit op hun gronden. Boeren zijn ondernemend genoeg.

Maar boeren hebben bondgenoten nodig: burgers die een nieuwe koers voor een kleinschalige veehouderij onderschrijven. Burgers die hen ook als consument willen steunen. Daarom moeten boeren en burgers aan tafel, en met een plan naar Den Haag.

Dat plan omvat sanering van de vee-industrie op het platteland én een perspectief voor een nieuwe generatie. Want eigenlijk wil iedereen dat boeren met minder vee in een natuurlijke omgeving een eerlijke boterham kunnen verdienen.

Frank van den Dungen, Cyril Hoevenaars en Geert Verstegen zijn bestuursleden van het Brabants Burgerplatform.

NVWA veel negatief in het nieuws – logisch gevolg systeemfouten

Een piek aan problemen
De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) komt met enige regelmaat negatief in het nieuws. Maar in de laatste weken was die regelmaat wel erg hoog. Een lijstje:

  • (RTL Nieuws van 25 juli, zie www.rtlnieuws.nl/nieuws/artikel/5172849/nvwa-noordelijke-slachthuizen-friesland-drenthe-groningen-ziek-onderzoek en NRC van 25 en 27 juli 2020)
    Het Openbaar Ministerie heeft een strafrechterlijk onderzoek naar drie slachterijen in het Noorden van het land moeten afbreken, omdat de NVWA er niet in slaagde binnen een redelijke tijd bewijsmateriaal aan te leveren. Die zouden zieke dieren hebben vervoerd en geslacht, en fraude hebben gepleegd om het vlees te kunnen verkopen. Dat onderzoek liep al sinds 2018. “Wij onderzoeken nu waarom het niet binnen anderhalf jaar afgerond kon worden” aldus een woordvoerder “en als we dat weten, zullen we daar ook maatregelen bij nemen”.
  • (Eindhovens Dagblad 27 juli 2020, NRC 28 juli 2020 en RTL Nieuws 25 juli 2020, zie www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5173423/kort-geding-nvwa-offerfeest-slachthuizen )
    Twee halalslachters in Nijkerk en Harderwijk wilden Coronaveilig kunnen slachten voor het islamitische Offerfeest, een belangrijk religieus feest en bovendien een grote bron van inkomsten. Ze hadden, zonder enige aanwijzing van de NVWA,zelf maar een plan gemaakt en toen ineens, poef, moest de tent dicht van de NVWA. Dit zonder enig toelichtend dossier.
    De NVWA beweert dat er wel contact is geweest en richtlijnen zijn uitgevaardigd, maar de rechtbank in kort geding gaf de slachters gelijk en eiste dat de NVWA ‘constructief’ overleg aan moest gaan als er aanpassingen nodig waren.
    (Ik spreek hiermee geen persoonlijke mening uit over halal slachten en slachten in het algemeen).
  • (De Boerderij van 28 juli 2020, zie www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2020/7/VVD-onderzoek-naar-afhandeling-meldingen-mestfraude-619224E/ en het Eindhovens Dagblad van 15 juli 2020). Daar stond n dat er in verschillende sloten in Reusel en Someren teveel stikstof en fosfor zat. VVD-er Helma Lodders is al langere tijd met het onderwerp bezig en heeft er vragen op poten over gesteld op 27 juli 2020 ( https://helmalodders.vvd.nl/nieuws/40385/vragen-over-de-aanpak-van-mestfraude-door-de-nvwa ). Lodders stelt dat de NVWA een van de kanalen is waarlangs meldingen gedaan kunnen worden over illegale lozingen, dat de NVWA een te beperkte definitie van mestfraude hanteert, dat er een aantal meldingen binnengekomen was waar de NVWA niets mee gedaan had.
  • (De Boerderij, 28 juli 2020, zie www.boerderij.nl/Akkerbouw/Nieuws/2020/7/Pootgoedsector-furieus-op-NVWA-voor-afbreken-fraudeonderzoek-619472E/ )
    Breeders Trust is een branche-organisatie die, kort door de bocht, voor de sector het copyright op aardappelrassen bewaakt. Zeeland Trade had met vervalste certificaten pootaardappels aan boeren in België verkocht. Het onderzoek door Breeders Trust loopt al sinds 2019 en heeft geresulteerd in aangifte. Die de NVWA had moeten uitzoeken, maar die heeft het onderzoek stopgezet, “Tot nu toe heeft de pootgoedsector bewezen corrigerend te kunnen optreden tegen illegaal pootgoed. Nu doen we een keer een beroep op de overheid en dan wordt het onderzoek stopgezet.”
    Helma Lodders heeft ook hier vragen over gesteld (ze stelt trouwens goede vragen).

Structuurfouten
Dat het publiek en de sector in wanhoop emotioneel reageren valt te begrijpen.
Ik ben geen als regel complotdenker, maar in dit specifieke geval is dat op zijn plaats. De complotteurs zitten bij het CDA en, in mindere mate, bij D66.

Alle Nederlandse inspecties zijn onderbemand en afgetakeld, maar daarnaast zit de NVWA ook nog eens bij het verkeerde ministerie. De slager keurt bijna letterlijk zijn eigen vlees.
Om te snappen hoe de huidige, dieptrieste situatie kon ontstaan, moet men in de geschiedenis van de NVWA duiken.

Men kan het geloven of niet, maar vroeger had Nederland een Keuringsdienst van Waren met een internationaal befaamde reputatie en waarvoor de voedingssector sidderde en beefde. In 2002 gingen er 120.000 inspecties uit, resulterend in 27000 waarschuwingen en bijna 10000 processen verbaal.
Dat beschrijft Marcel van Silfhout in zijn boek “Uitgebeend – hoe veilig is ons voedsel nog?” Op Bol.com is het nog tweedehands te krijgen (www.bol.com/nl/f/uitgebeend/9200000025422605/ ), maar anders heeft de bibliotheek het misschien.

Vroeger viel de Keuringsdienst van Waren onder Volksgezondheid. Daartegen organiseerde de landbouwsector een jarenlange stammenstrijd, door Van Silfhout de ‘boerenoorlogen’ genoemd. Meerdere aanvallen zijn afgeslagen (o.a. in 1986 en 1993), maar in 2003 plantte het nieuw aangetreden kabinet Balkenende-II (CDA, VVD (dus de partij van Lodders) en D66) alsnog, in een soort coup bij verrassing, de Keuringsdienst van waren over naar het ministerie van Landbouw. Daar zit het nu nog (kijk maar op www.nvwa.nl ).
Als “Haagse Haantjes” bij deze staatsgreep noemt Van Silfhout voor het CDA Maxime Verhagen en (toen demissionair Landbouwminister) Veerman, en D66-er Brinkhorst. De CDA-ers legden bij de onderhandelingen de eis op tafel dat de VWA (inmiddels versterkt met de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV), van VWS naar Landbouw over moest komen, want anders wilde Verhagen geen minister worden. Dat was ten tijde van de (potentieel voor mensen gevaarlijke) vogelgriep en  kort na de varkenspest en mond-en-klauwzeer.
Multinationals als DSM en Unilever, die hun voedselzaken als regel op orde hadden, waren tegen de overgang. In een manifest van beide: ”Het controleren en het adviseren lopen door elkaar heen, terwijl je die uit elkaar moet houden. Controle moet echt controlezijn, met een adviseur. Nu is de NVWA partner in crime en het ministerie ook.” In deze mening gesterkt door de Consumentenbond.
De Tweede Kamer liet het passeren.

Alle laboratoria verdwenen en een indrukwekkende personeelskrimp volgde (van 2200 in 2004 tot 1500fte in 2007). Van de inspectiefrequentie uit 2003 was nog maar het twaalfde deel over.
Onder CDA-er Henk Bleeker werd er nog verder het mes gezet in het apparaat, zodanig dat ook uitvoerend inspecteur-generaal Schreuder het niet meer kon aanzien en in een eigen adviesbureau vluchtte. Er werd toen nauwelijks meer gecontroleerd.
Onder CDA-er Verburg werden er ook nog eens de Algemene Inspectie Dienst en de Plantenziektekundige Dienst aan vastgeplakt. Achteraf, aldus Van Silfhout op gezag van toenmalig VWS-topambtenaar Bekker, is er een waterhoofd ontstaan en de beoogde bezuiniging kostte in praktijk veel meer geld dan eerst.

Van de 1000 personeelsleden van de vroegere Keuringsdienst van Waren waren er in 2013 nog 340 over, en die moesten 100.000 Nederlandse voedsel- en horecabedrijven onder de loep nemen.

Van Silfhout beschrijft het allemaal in meer bestuurlijke detail dan waar deze kolommen plaats voor bieden.
Daarnaast ook hoofdstukken per dierziekte onder beeldende namen als ‘Gekke koeien en gifkippen’, ‘Broodje Salmonella’, de ‘Vergeten bacterie’ (de q-koorts), en ‘Kadaverdiscipline’.

Lezing van het boek wordt aangeraden.

De gemeente Eindhoven was heel erg blij toen men de kapitale overheidsdienst NVWA had binnengehaald. Er werd een kapitaal pand neergezet aan de Montgomerylaan. Heel lang stonden in glanzende metalen letters naast het Rijkswapen ‘Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit’. Op een archieffoto van de site van Foodlog zijn die letters nog te zien.
Nadien is het pand omgebouwd. Op dit moment (juli 2020) is de NVWA nog slechts medehuurder. De letters zijn van de gevel verdwenen, maar je kunt nog zien waar ze stonden en min of meer wat er stond.
Een en ander lijkt symptomatisch voor de neergang van de dienst.


O ja, je moet stevig drukken om gehoord te worden.

SP stelt vragen over Gezondheidsraad-rapport over bestrijdingsmiddelen. Parkinson als beroepsziekte?

Persbericht dd 25 juli 2020

De Gezondheidsraad heeft een rapport uitgebracht “Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden”. ‘Vervolg’ , want het is een continuing story waarin steeds meer studiemateriaal beschikbaar komt. Inmiddels boekenkasten vol. De regering en de Tweede Kamer hadden om dit advies gevraagd.
Zie www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2020/06/29/vervolgadvies-gewasbescherming-en-omwonenden .
De SP in Provinciale Staten heeft in 2017 en in 2019 ook al vragen  gesteld over dit onderwerp, maar toen kon respectievelijk wilde het College van GS geen antwoord geven – het laatste omdat een belangrijke studie toen nog niet officieel uit was. Die is nu wel uit en ligt mede onder het rapport van de Gezondheidsraad, dus de vragen nog maar eens gesteld, met wat aanpassingen vanwege het nieuwe rapport.

Alle onderzoeken samen tonen statistisch significante verbanden tussen bestrijdingsmiddelen enerzijds en Parkinson anderzijds (dat wou de Tweede Kamer weten). Het verband is niet hard genoeg om ‘oorzakelijk’ te mogen heten, maar wel hard genoeg om het Europese voorzorgsbeginsel toe te passen. Dat leidt tot het advies dat de verduurzaming van de landbouw intensiever en sneller moet.
In Frankrijk is Parkinson inmiddels officieel tot beroepsziekte onder telers verklaard. Duitsland overweegt hetzelfde.

Er is ook een statistisch significant verband tussen bestrijdingsmiddelen en neurologische problemen bij ongeboren en jonge kinderen.

RIVM_Bestrijdingsmiddelen en omwonenden

De Gezondheidsraad doet ook een paar concrete uitspraken op deelgebieden.

  • Met name in de bollenteelt (die apart onderzocht is) wordt het meest gespoten. In de, minder goed onderzochte, fruitteelt wordt minder gespoten, maar vaak wel horizontaal of omhoog. Nader onderzoek is hier nodig.
  • De boeren trekken zich te weinig van het beleid aan. Ze blijven met  het giftigste gif spuiten en ruimen zelden verpakkingen en restanten op de juiste wijze op.
    Arbeiders worden vaak onvoldoende geïnstrueerd – niet zozeer zij die spuiten, want die zijn wel beschermd en geschoold, maar zij die na het spuiten werkzaamheden verrichten. Het gevaar houdt niet gelijktijdig met het spuiten op.
  • Effecten zijn aantoonbaar tot op 250m van de bron.
  • Er wonen in Nederland 90.000 mensen binnen 50m van een bollen- of fruitperceel. 18% van de bevolking in landelijk gebied woont binnen 250m van een landbouwperceel, anders dan gras.

De provincie is niet de eerste lijn tegen gewasbeschermingsmiddelen, en heeft alleen wettelijke bevoegdheden in waterwingebieden. Desalniettemin boekt het project ‘Schoon Water voor Brabant’ op vrijwillige basis toch goede resultaten.

Er is echter meer mogelijk, zij het niet altijd wettelijk vastlegbaar.
De provincie kan bijvoorbeeld streven naar spuitvrije zones, op vrijwillige basis afspraken maken of de gemeenten stimuleren dat te doen, monitoringsprogramma’s en verder onderzoek mede financieren, en spuitvrije zones vastleggen in de Interim Omgevingsverordening.

De vragen aan GS gaan over wat er op dit gebied mogelijk is. Ze zijn te vinden op –>

Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO)

Zie ook https://www.bjmgerard.nl/?p=8817 en https://www.bjmgerard.nl/?p=1395 en https://www.bjmgerard.nl/?p=5762

SER-advies schrapt biomassa voor energiedoeleinden te snel en op te losse gronden

De ‘polder’ en wat eraan vooraf ging
In 2013 kwam in de SER een Klimaatakkoord tot stand, op basis waarvan in 2020 Nederland 14% van zijn energie duurzaam moest opwekken, en in 2023 16%. Daarvan mocht 25PJ uit (bij)stook van biomassa in kolencentrales komen. Verder moesten de duurzaamheidscriteria voor biomassa bovenwettelijk worden aangescherpt (wat gebeurd is).
Zie www.ser.nl/nl/thema/energie-en-duurzaamheid/energieakkoord/database .

Inmiddels is de Nederlandse biomassawetgeving waarschijnlijk de strengste ter wereld.

Zoals hier vaker betoogd (en zoals ook de SER stelt) is biomassa een ruim begrip, van mest tot biodiesel tot rioolslib tot snoeiafval tot dunningshout. In 2018 was biomassa goed voor 61% van alle duurzame energie.
Een deel van de biomassa is houtig en een deel van de houtige biomassa komt uit het bos. In 2018 werd er in Nederland voor ruwweg 22PJ aan hout verbrand in alle min of meer grootschalige inrichtingen samen, en daarvan kwam het grootste deel niet uit het bos. De houtige biomassa kwam voor driekwart uit Nederland en voor een kwart uit andere landen in Europa.
Cijfers zijn altijd goed om de proporties te zien.
Zie www.bjmgerard.nl/?p=9853 .

De SER is de polder en de polder poldert tot er een compromis is, en de 25PJ was bij Greenpeace en andere milieuorganisaties niet van harte.
Ondertussen ging de discussie door, en liep zelfs hoog op, soms over feiten maar meestal over meningen die  vaak weinig met feiten te maken hebben. Ik heb hierover in deze kolommen veel bericht.

Categorieën toepassingen van biomassa

De discussie werd van overheidswege gekanaliseerd via een advies van Haskoning DHV, een dubbeladvies (in coproductie) van het PBL en CE Delft (zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 ) naar een nieuw SER-advies “Biomassa in balans”.

Dat is uitgebracht door de vaste bezetting van vakbondsleden, werkgeversafgevaardigden, Kroonleden en vertegenwoordigers van het ministerie, aangevuld met mensen namens Natuur en Milieu en Milieudefensie, en adviseurs uit kringen van het PBL, CPB, Nederlandse Bank MVO-NI en iemand vanuit een circulaire economie-onderneming.
In de twee dragende commissies zaten geen mensen, die herkenbaar uit de energiewereld of de bosbouw komen.

Een samenvatting van Biomassa in Balans
Het SER-advies gaat (dat is een keuze vooraf) niet over voedsel.

De SER wil dat biogrondstoffen bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot, aan de circulaire economie en als bodemverbeteraar.
Het doel “bodemverbetaar” wordt als voorwaarde ingebouwd voor duurzame productie en keert niet als zelfstandig beargumenteerd doel terug. Daardoor wordt niet duidelijk wat men zich hier bij moet voorstellen.
De SER meent dat er voor veel energieopwekking al technische mogelijkheden bestaan (uit zon en wind). De technische noodzaak om energie uit biomassa in te zetten beperkt zich steeds verder tot onderwerpen als zwaar wegtransport, luchtvaart en (zee)scheepvaart. Dat zou een overgangsfase zijn, omdat er, naar de mening van de SER, vanaf 2030 andere oplossingen in beeld komen zoals verdere energiebesparing en Power to Liquid-brandstoffen.
Daarom moeten zaken als lagetemperatuurwarmte, licht wegtransport (personenauto’s) en elektriciteit op niet al te lange termijn niet meer door biomassa mogelijk gemaakt moeten worden – dus geen hout meer in de stadsverwarming, geen bioethanol meer in de tank en centrale elektriciteitsopwekking nog slechts voor piekbelastingen.

Samenvatting van de voorstellen

De niet meer voor energie benodigde biomassa zou basis moeten worden voor een materialen en groene chemie. Als voorbeeld verschijnen zaken als biocomposieten en biobeton uit olifantsgras, maar verder blijft het bij de algemene categorie-aanduiding ‘biobased economy’. Op de langere termijn wordt dit de norm en de energieproductie de uitzondering, al kan er na deze vormen van cascadering restmateriaal achterblijven waar men niets anders meer mee kan dan energie produceren.
Uit een suikerbiet bijvoorbeeld komt als vanouds suiker, maar ook groen gas en veevoer. De SER meent dat deze stromen niet meer als hoofd- en bijstroom aangeduid kunnen worden, maar dat ze als onderling gelijkwaardig gezien moeten worden – waarbij de duurzaamheidseisen voor alle stromen gelden, liefst geharmoniseerd (dus dezelfde duurzaamheidseisen voor hout, papier en warmte). Idealiter bestaat voor de SER het woord ‘reststroom niet’.

Toepassingen van de suikerbiet. Hiermee wil niet gezegd zijn dat al deze toepassingen gelijktijdig mogelijk zijn.

Het verbranden van biomassa is bij de SER niet hoogwaardig en andere doelen, min of meer per definitie, wel. Het woord ‘hoogwaardig’ krijgt geen expliciete definitie. Het is een soort containerbegrip.

De  SER meent dat de Europese RED II – richtlijn, aangevuld met de ILUC-richtlijn en met de bovenwettelijke bepalingen in de SDE+-subsidievoorwaarden, op zich een goede aanpak zijn om de duurzaamheid van biomassa te waarborgen. Het probleem is alleen, dat RED II alleen bedoeld is voor elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer. RED II zou ook moeten gaan gelden voor bijvoorbeeld bouwmaterialen en chemische grondstoffen.
De SER is tevreden over de bij RED II horende certificerings- en verificatiestructuur.
RED II biedt de mogelijkheid om van toepassing verklaard te worden op installaties onder de 20MWth ingangsvermogen (vaste biobrandstof) en 2MWth (gasvormige biomassa). De SER pleit ervoor om dat te doen.
En passant stelt de SER voor om de drempel voor de Omgevingsvergunningsplicht in verband met de luchtkwaliteit te verlagen. Grotere installaties met een uitgebreide rookgasreiniging kunnen negatieve effecten op de luchtkwaliteit nagenoeg geheel voorkomen.

De SER redeneert vanuit een kapitalistische markteconomie. Bedrijfsleven en overheid zijn samen verantwoordelijk, maar de markt is hoofdzaak en de overheid ondersteunend.

De vraag of er genoeg biomassa is voor de Nederlandse behoefte is moeilijk te beantwoorden. Zowel de geschatte vraag als het geschatte aanbod zijn een zeer brede range aan schattingen. In de EU (en a fortiori mondiaal) is er ruim genoeg om de Nederlandse behoefte af te dekken, maar dan rijst de vraag hoeveel % Nederland daarvan naar zich toe mag trekken. Als naar rato, dan naar rato van wat? Die vraag is niet objectief beantwoordbaar en de SER houdt hier de boot af. Zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 .

Wat ik er van vind
Ik heb er een gemengd oordeel over en uiteindelijk is dat meer negatief dan positief.

Ik deel de mening van de SER dat het nodig is om het gebruik van biomassa voor energie enerzijds en voor chemie en materialen anderzijds in elkaar te schuiven. Op zich is dat iets wat moet. En in beginsel steun ik het cascaderingsbeginsel en heeft groene chemie mooie beginselen (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Groene_chemie ).
Verder ben ik het met de praktische eisen eens dat de Omgevingsvergunningen moeten worden aangescherpt en dat een goede rookgasreiniging bijna alle luchtvervuiling tegenhoudt. Open haarden en pelletkachels zijn niet schoon te krijgen en moeten worden uitgefaseerd.
Ik deel de waardering van de SER voor de systematiek van de Europese RED II -richtlijn en het bijbehorende certificerings- en verificatiesysteem. Een uitbreiding naar andere sectoren dan alleen elektriciteit, warmte en koeling en transport is voor mij bespreekbaar, maar ik wil hen dan wel eerst gezien hebben.
Ook vind ik het juist dat op korte termijn de bijmengplicht van biodiesel en -ethanol in personenauto’s moet worden afgeschaft.

Maar ik vind het SER-advies onverantwoord optimistisch.

De beslisboom van de SER

Het neemt te makkelijk aan dat het bedrijfsleven de uitdagingen aanpakt. De verhalen klinken mooi, maar in praktijk zitten bedrijven vaak op hun kont tot het probleem met overheidsgeld voor ze opgelost is of tot ze keihard moeten.
De geschiedenis van de biokerosine in Europa is een voorbeeld. In 2011 plande de EC het Biofuel FlightPath Initiative . Dat moest in 2020 2Mton/y aan biokerosine produceren (goed voor 93PJ, ca 4% van de Europese kerosinemarkt). Maar het zou de tickets voor een typische 1000-km vlucht een paar Euro duurder gemaakt hebben en dat was voor de luchtvaartmaatschappijen een onbegaanbaar pad. En als er dan toch wat moest, was het ETS of Corsia goedkoper dan biokerosine. Zodoende worden er in Europa pas sinds heel kort (bij Neste Oil)  een paar druppels bio jet fuel vervaardigd.
Neste Oil was veel groter in de biodiesel, o.a. vanwege de eenvoudige reden dat vanwege de bijmengverplichting de afzet gegarandeerd was, en omdat biodiesel goedkoper om te maken is en aan minder strenge eisen hoeft te voldoen.
Biobrandstof komt tot nu toe tot stand op basis van overheidsverplichting en niet op basis van de vrije markt. .

Jet fuel prijs – fossiel en bio

In zijn algemeenheid kom je in artikelen over groene chemie vooral woorden tegen als ‘kans’, ‘pilot’, ‘research’ en dergelijke. Er is weinig concrete grootschalige bestaande productie.
Trouwens, dezelfde discussie als over concurrentie tussen brandstof en voedsel kan ook gaan spelen over de concurrentie tussen groene chemie en voedsel. Wie bepaalt welk deel van de suikerbiet suiker wordt of plastic wordt of biogas wordt?

Ik vind de SER aan de overmoed lijdt dat als iets technisch kan of denkbaar is, dat daarmee eigenlijk al vast staat dat het ook inderdaad zal gebeuren.

Biokerosine kent al vele jaren technisch rijpe of bijna rijpe grondstof-productcombinaties, maar de mondiale productie mag nauwelijks naam hebben. De fabriek in Delfzijl van SkyNRG bijvoorbeeld (die afgewerkte olie en vet verwerkt) moet nog gebouwd gaan worden, en nu al begint de SER met aanduidingen als “overgangsmaatregel” en “in 2030 een nieuwe techniek”. Je mag blij zijn als die fabriek in Delfzijl dan überhaupt goed is begonnen te draaien.
Ik moet ook nog zien dat er in 2030 inderdaad een commercieel opgeschaalde, werkende Power to Liquid-brandstoftechniek is. Niet zozeer omdat de techniek onmogelijk is (dat kan wel, vooralsnog op schaal van liters), maar omdat het gigantische hoeveelheden stroom vreet en er een gigantische ingreep in de infrastructuur nodig is. Het verhaal over het datacenter in de Flevopolder is er kinderspel bij.
Persoonlijk denk ik, dat de biokerosine gewoon in het pakket blijft en dat daarnaast er ook Power to Liquid-kerosine komt, en dat beide samen nog niet genoeg zijn bij het huidige groeitempo van de luchtvaart.

Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel

Een ander voorbeeld waar de SER veel te makkelijk over denkt is over groen gas. Dat idee wordt eventjes van stal  gehaald (de beeldspraak is bijna letterlijk van toepassing). Tot eigen noodlot laat de SER hier het woord “veeteelt” ongenoemd.
De Groen Gas-website ( https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ ) noemt een ambitie van 70PJ in 2030. Bij nadere lezing blijkt dat daarvan minstens tweederde uit mest te moeten komen.
Nu garandeer ik iedereen die dit in Oost-Brabant of de Achterhoek komt voorstellen een heftig onthaal. De landbouw is daar zo uit de klauwen gelopen dat bij elk idee in die richting bij wijze van spreken de hooivorken ter hand genomen worden. En ik zeg dat dan nog met enige sympathie richting mestvergisting of -vergassing, want ik ben zelf voorstander. Maar vergeet het maar als je niet minstens gelijktijdig een kwart minder dieren in de aanbieding hebt.
Misschien kunnen de geachte afgevaardigden van Natuur en Milieu eens in die contreien op missiebezoek gaan?

Houtsnippers. Anders dan vaak gedacht, bedient de versnipperaar vooral de papierfabriek en plaatmateriaalfabriek. Dat brengt meer op en brandhout betaalt per kuub tamelijk slecht. Er wordt al eeuwen resp. decennia duurzaam  materiaal gemaakt.
Nou kun je van houtsnippers ook (hemi)cellulose (en daaruit weer suikers en daaruit weer andere stoffen) maken, en lignine (waar je bijvoorbeeld fenol uit kunt maken en dan weer fenolformaldehyde-lijm). Het gebeurt alleen maar mondjesmaat omdat dezelfde lijm uit aardolie goedkoper is. Kans dat het de houtsnippers meer waard zou maken en dat het lonender wordt om hout te versnipperen….

Ik ben niet tegen (zelfs voor) groene chemie, maar de absoluutheid waarmee de verhoudingen in tien jaar omgedraaid worden is ongemotiveerd.

Andersom uitgedrukt wordt ook veel te gemakkelijk gezegd dat er voor de elektriciteitsproductie duurzame alternatieven zijn en dat er binnenkort geen elektriciteitsproductie uit biomassa meer nodig is. Dat probleem is overigens niet alleen maar geld, maar nog meer ruimtelijke ordening.

De locatie van de Amercentrale

Ga eens rekenen aan Noord-Brabant en aan de Amer9-centrale.
NBrabant verbruikt nu ongeveer 290PJ en als het in lijn bezuinigt met landelijk, is dat in 2050 260PJ (en zeg, in 2030 270PJ). Die moet in 2030 tot stand komen met 50% minder CO2, dus moet NBrabant in 2030  all-in 135PJ duurzaam hebben staan (eigenlijk meer, want die 50% is ten opzichte van 1990). In 2019 was dat all-in (schatting) 24PJ.
De gezamenlijke Regionale Energie Strategieën (RES) van Brabant zijn samen ongeveer goed voor 24PJ hernieuwbare grootschalige elektriciteit, als iedereen voor elkaar krijgt wat men belooft. Die 24PJ dubbelt met de bestaande wind en grootschalige zon die er in 2019 stond, samen orde van grootte 4PJ). Moet er dus nog, in het kader van de RES, orde van grootte 20PJ = 24-4 bij tussen nu en 2030. De uitvoering van de RES is een bestuurlijke mega-operatie.
Voor de warmtepoot van de RES moet er extra warmte ontwikkeld worden, voor een deel afkomstig uit elektriciteit en voor een deel niet. Doe voor 30.000 huizen tot 2030 eens 1PJ.
Naast  die mega-operatie RES zal er spontaan buiten de RES ook nog wel het een en ander bijkomen. Doe eens met de natte vinger (met lijntjes doortrekken) dat er autonoom nog 10PJ bijkomt (het gaat maar om ordes van grootte).
Voor de Amer9 bestaan tot nu toe twee mogelijkheden: of  bestaat vanaf 2025 op basis van 100% biomassa, of hij bestaat niet meer. De centrale, zoals die nu is, is goed voor ca 17PJ stroom en 4PJ warmte. Nu zal hiervan ongeveer de helft, ca 10PJ, al opgenomen zijn in de bestaande duurzame 24PJ, en de andere helft, de ongeveer 11PJ die nog duurzaam moet worden, nog niet.
Als de Amer9 blijft draaien, voegt hij vanaf 2025 ongeveer 11PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 66PJ (24+20+1+10+11).
Als de Amer9 dicht gaat, voegt hij vanaf 2025 ongeveer -10PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 45PJ (24+20+1+10-10).
Kortom, de Amercentrale scheelt een slok op een borrel. Sluiting van de Amercentrale betekent ongeveer een extra RES. Om op hetzelfde punt uit te komen, moet de provincie Brabant nu, naast de bestaande RES, nog een tweede RES gaan uitvoeren.
De gedachte van de SER dat er binnenkort genoeg alternatieven zijn en dat de elektriciteitsproductie uit biomassa overbodig is, is een onbewezen bewering die in Brabant nergens op slaat.

Het is opnieuw zo’n vorm van techniekovermoed dat als iets technisch denkbaar is, het daarmee vast staat dat het dan ook zal gebeuren.
De SER hanteert een ‘brede welzijnsbenadering’ op basis van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. Maar de landschapsbeleving van omwonenden en het geluid en de slagschaduw van windturbines zitten daar niet in. En dat is een politiek mogelijk ongewenst, maat politiek belangrijk gegeven.

De afspraken in het Klimaatakkoord moeten worden uitgevoerd. Na de RES moet daartoe nog heel veel extra beleid gerealiseerd worden. Dat zal nog moeite genoeg kosten. Het sluiten van een biomassacentrale die goed draait, niet tot klachten in de omgeving leidt, geen extra elektrische infrastructuur nodig heeft en min of meer regelbaar is, en waar een groot warmtenet aanhangt dat anders, in elk geval voor onbepaalde tijd, op Russisch gas gestookt moet worden,  lijkt me niet de snuggerste aanpak.

Wat zou ik doen als ik minister was?
Op de eerste plaats beloven dat ik, ondanks alles, geen extra (Russisch) gas ga importeren, en zou ik de Tweede Kamer vragen om dit ook uit  te spreken.

By Samuel Bailey (sam.bailus@gmail.com) – Own work, CC BY 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8454588

Ik zou mij op de tweede plaats realiseren, en dit met de Tweede Kamer bespreken, dat de Staat der Nederlanden historisch berucht is om de grilligheid van zijn energiebeleid – dit tot grote schade. Deze SER-move is de zoveelste zwieper in een lange geschiedenis.
Elke vorm van planmatig lange termijn-denken wordt in Nederland op deze wijze met kracht bestreden.

Ten derde zou ik het besluit nemen om tot een soort strategisch compromis te komen tussen de, op zichzelf reële, verlangens van de groene chemie-sector enerzijds en de, eveneens reële,  voortgezette inzet van biomassa voor energiedoeleinden anderzijds.
Dat betekent een zoektocht naar lange termijn-afspraken met leveranciers en een dirigistische politieke sturing wie wat krijgt. De vrije markt moet aan banden gelegd worden.

Ik zo eisen dat de groene chemie-sector met een strategisch plan komt waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de deelnemende bedrijven aangeven welke inspanningen ze zelf leveren. Een dirigistische industriepolitiek is hierbij denkbaar.
Onmisbare bestemmingen als biokerosine (bij voorkeur op basis van RED II annex IX A en IX B) en stookolie voor zeeschepen hebben voorrang. Bijmenging van ethanol  en biodiesel in tanks van personenwagens wordt afgeschaft.

Verder zou ik een nader te bepalen aantal bestaande grote energieprojecten definieren die beschermd worden zodat ze kunnen doorgaan, als met de exploitanten overeenstemming kan worden bereikt over de condities. De milieuvergunningen moeten aangescherpt worden met een rookgasreiniging op ALARA-basis.
De Amer9-centrale is een van deze projecten.
Aan deze projecten wordt op een of andere manier een eindigheidsperspectief gekoppeld, maar dat kan lang zijn. In die tijd moet er een plan worden ontworpen en uitgevoerd om het biomassaverbruik van deze projecten geleidelijk aan terug te dringen.
Voor de Amer9 is deze overgangstermijn bijvoorbeeld 15 of 20 jaar, rekenend vanaf 2020.

Stante pede na “Remkes” vragen aan nieuw provinciebestuur wat zij nou gaan doen – update 02 juli en 22 juli

Maandag 8 juni 2020 verscheen “Niet alles kan overal”, het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek, onder voorzitterschap van Johan Remkes.
Op woensdag 10 juni vuurde SP-woordvoerder Henri Swinkels al een groot aantal vragen af op het nieuwe Brabantse provinciebestuur (met Forum), dat vast helemaal niet blij is met het boekwerk van Remkes.

Hieronder de tekst van de vragen.


Het adviescollege (de commissie Remkes) stelt onder andere dat, om tot een aantoonbaar en geloofwaardig herstel van de natuur te komen, een hoger ambitieniveau noodzakelijk is en niet volstaan kan worden met maatregelen louter op basis van vrijwilligheid.

Daar bij het tot stand komen en uitvoeren van een effectief en juridisch houdbaar maatregelenpakket ook de provincies een belangrijke rol spelen, heeft de SP fractie de volgende vragen:

In uw bestuursakkoord staat “Wij nemen eerder en nog te verschijnen rapporten van de commissie Remkes ter harte en vertalen deze – waar nodig en mogelijk – naar de Brabantse situatie”. ‘Ter harte nemen’ betekent een goede raad aannemen. U zegt dus (op voorhand) de goede raad van de commissie Remkes aan te nemen. De commissie raadt u in dit Eindadvies echter aan om per natuurgebied taakstellend lange termijn reductiepaden op te stellen, waar u in uw bestuursakkoord er uitdrukkelijk voor kiest deze niet (meer) op te stellen. De commissie raadt u tevens aan (overeenkomstig de SP-motie M183-2019 ‘garantie reductiepaden’) om vrijkomende stikstofruimte eerst in te zetten voor het realiseren van de volgens het reductiepad te realiseren depositieafname, alvorens deze (juridisch houdbaar) in te kunnen zetten voor nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. U zegt daarentegen in uw bestuursakkoord geen extra afroming van stikstofruimte te realiseren ten behoeve van natuur als dat ten koste gaat van de ontwikkelkracht van Brabant.

  1. Uw bestuursakkoord bevat aldus tegenstrijdige passages. Welk deel of welke delen van uw bestuursakkoord moet bij nader inzien worden weggestreept?
Henri Swinkels

De commissie Remkes stelt dat in 2030 een binnenlandse emissiereductie van 50% ten opzichte van 2019 bereikt moet zijn. Dit is een “noodzakelijke randvoorwaarde om natuurherstel in de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden (voor 2050) te kunnen realiseren, en is ook nodig om te voorkomen dat toestemmingverlening aan nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, door een overschot aan stikstof wordt belemmerd.”

  1. Onderschrijft uw college de relatie die de commissie Remkes legt tussen emissiereductie en natuurherstel? Onderschrijft u tevens dat natuurherstel gegarandeerd moet zijn om weer stikstofruimte juridisch houdbaar te kunnen toebedelen aan economische activiteiten?
  2. Heeft uw college, net als de commissie Remkes, voor ogen om uiterlijk in 2050 tot een volledig herstel van de (ook Brabantse) natuurgebieden te komen? Zo ja, onderschrijft u dan dat (om dat te realiseren) reeds voor 2040 in alle Brabantse Natura2000-gebieden de stikstofdepositie onder de KDW gebracht moet worden? Zo nee, in welk jaar voorziet uw nieuwe aanpak BOS in volledig herstel?
  3. De nu nog geldende Brabantse Aanpak Stikstof beoogt per Natura2000-gebied, met een ‘duidelijk pad voor afname van de stikstofneerslag’, een depositiereductie van 25 tot 40 procent in 10 jaar. In welke jaar zou met de BAS een reductie van 50% ten opzichte van 2019 mogelijk zijn? Verwacht u dat in de te ontwikkelen BOS dit moment eerder of later zal liggen? Hoeveel eerder of later en waarom?
  4. Welke maatregelen staan uw college ter beschikking om – indien programmatisch of juridisch noodzakelijk – de afname van stikstofdepositie te versnellen? In welke mate is deze afname daarmee gegarandeerd? Welke van deze maatregelen bent u bereid op te nemen in de BOS?
  5. Daar nationale doelstellingen vertaald moeten worden naar provinciale en provincies aldus met verschillende doelstellingen te maken kunnen krijgen, is het mogelijk dat Noord-Brabant (indien het advies wordt overgenomen) een nog hogere (dan 50% in 2030) reductie van de stikstofneerslag dient te realiseren. Bent u voornemens in de BOS de mogelijkheid op te nemen om tussentijds maatregelen te verscherpen zodat op een eventuele landelijke beleidslijn met een stevigere ambitie of resultaatverplichting geanticipeerd kan worden? Welke maatregelen zijn daartoe voorzien in de BOS? Hoe realistisch acht u een resultaat verplichting tot een hogere reductie dan 50% in 10 jaar als vastgehouden wordt aan vrijwillige deelname?

Het adviescollege noemt als een van belemmerende factoren voor een succesvolle aanpak van de stikstofproblematiek, het ontbreken van echte keuzes voor de lange termijn. Het advies noemt onder andere “de neiging om hoge ambities vast te stellen, maar realisatietermijnen vooruit te blijven schuiven en te reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft”.

  1. Herkent u uw eigen handelswijze in de kenschets van het adviescollege? Zo ja, welke lessen trekt u daaruit? Zo nee, herkent u zich dan niet in de neiging hoge ambities vast te stellen, in het vooruitschuiven van realisatietermijnen (zoals die van te realiseren stalaanpassingen) of het vooral reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft?

Vooralsnog werkt ook de Brabantse aanpak met streefwaarden en inspanningsverplichtingen. Het adviescollege bepleit echter om in plaats van te werken met inspanningsverplichtingen, te gaan werken met resultaatverplichtingen. Voorgesteld wordt de nationale (en provinciale) doelstellingen in de Wet natuurbescherming vast te leggen.

  1. Welke voordelen ziet het college bij het formuleren van (wettelijk verankerde) nationale en provinciale doelstellingen (resultaatverplichtingen), zowel wat betreft het garanderen van het noodzakelijke natuurherstel als ten behoeve van de juridische houdbaarheid van de stikstofaanpak?

Het adviescollege raadt aan zeer selectief en veel gerichter (uitsluitend nabij Natura2000-gebieden) om te gaan met uitkoop en verplaatsing van veehouderijbedrijven en daarbij dan niet te werken met generieke regelingen gebaseerd op louter vrijwilligheid. De mogelijkheid tot gedwongen uitkoop biedt dan een betere borging van het beoogde resultaat, tevens nodig voor juridische houdbaarheid van de aanpak.

  1. Wat is de visie van het college op deze raad van de commissie Remkes? Herkent het college de mogelijke voordelen met betrekking tot het verkrijgen van juridische houdbaarheid? Zijn er “voor betrokkenen wellicht ook voordelen te benoemen aan het instrument van “verplichte opkoop of verplaatsing”? Bij welk ambitieniveau (percentage depositiereductie) is het instrument van gedwongen uitkoop of verplaatsing voor uw college onvermijdelijk?
Brabantse varkenshouderij

Over de mogelijkheid om Natura2000-gebieden aan te passen, zoals u in uw bestuursakkoord zegt te willen onderzoeken, is het advies helder. Dat kan uitsluitend wanneer sprake is van een wetenschappelijke fout bij aanwijzing van het gebied of als door autonome (externe) klimatologische of natuurlijke ontwikkelingen, die niet ‘gecounterd’ hadden kunnen worden, het behalen van natuurdoelen niet meer mogelijk is.

  1. Betekent dit dat uw onderzoek hiermee is afgerond? Constateert u nu met de SP dat uw idee om ten behoeve van economische ontwikkelingen Natura2000-gebieden “aan te passen”- naast dat het getuigt van het vasthouden aan een door de commissie Remkes onderkende traditioneel belemmerende factor: onvoldoende borging van natuurbelang – geen enkele kans maakt bij het Europese Hof van Justitie.

Tot slot:

  1. Wat is de inzet van uw college bij bespreking van het Eindadvies in het IPO en met de minister? Heeft uw college een voorkeur om met andere provincies en het ministerie te komen tot generieke maatregelen of maakt iedere provincie bij voorkeur een eigen maatregelenpakket? Is uw college voornemens zich aan gezamenlijk overeengekomen landelijk beleid en de aldaar gestelde normen, doelen en budgetten te conformeren?
  2. In reactie op het advies zegt de fractievoorzitter van FVD Brabant in Nieuwsuur: “We hebben het hier natuurlijk over een juridisch probleem, waarvoor maatregelen worden genomen in de ECHTE wereld, die impact hebben op ECHTE mensen.” Is uw voltallige college het met hem eens dat er slechts sprake is van een in oorsprong juridisch probleem? Zo ja, welke gevolgen heeft of krijgt dat voor de Brabantse aanpak die immers de problematiek van een te hoge stikstofdepositie op het relatief grote aantal stikstofgevoelige natuurgebieden in Brabant als uitgangspunt neemt?
  3. In hetzelfde interview stelt de fractievoorzitter van FvD Brabant dat Remkes “de provincies aan de bal” moet laten. Letterlijk zegt hij: “Wij hier in Noord-Brabant weten precies wat we moeten doen” en “als hij ons de ruimte geeft om dat uit te voeren, dan lijkt me dat een stuk beter”. Is uw college het met deze uitspraak eens? Strookt deze opmerking met uw afspraak in het bestuursakkoord: “Vanaf 2020 nemen we in beginsel nieuwe landelijke beleidslijnen als uitgangspunt voor het beleid in Brabant. We laten ons hierbij leiden door landelijk geaccepteerde modellen”?
  4. Op welke wijze gaat uw college Provinciale Staten betrekken bij de provinciale reactie op dit eindadvies?

Namens de Socialistische Partij

Henri Swinkels



Op 30 juni gaf het (recentelijk verrechtste) College van GS antwoord op deze vragen. Althans, in formele zin want GS vluchtte in vaagheid en verschool zich vooral achter de minister. Het advies van de commissie-Remkes wordt gekenmerkt als een advies aan het kabinet, en niet meer als een document dat de provincie Brabant in eigen recht bindt. en waarover de mening van PS niet meer gevraagd wordt.
Een kwantitatieve ambitie mbt de Kritische Depositie Waarde (KDW) ontbreekt en zo ook wat betreft de kwaliteit van de Natura2000-gebieden. De ambitie is die van het Rijk ‘gunstig, en waar dat niet mogelijk is, beter’.
Wat precies de inzet van GS is bij lopende onderhandelingen in het IPO en met de minister, en of daarbij het bestaande Brabantse beleid als uitgangspunt genomen wordt (dat geakkordeerd is door een meerderheid) of een nieuw beleid (dat nog niet door PS is vastgesteld) wil GS niet zeggen.

Het antwoord is flut en dat was te verwachten. Voor de tekst van de beantwoording zie



Indiener Henri Swinkels is zo boos, dat hij er een set vervolgvragen tegen aan gegooid heeft. Hij probeert daarin het College van GS zo nauwkeurig vast te prikken op een nauwkeurig omschreven antwoord. Voor de tekst van deze vervolgvragen zie

Ook deze vervolgvragen zijn weer beantwoord. Het blijft in dezelfde sfeer. Het hogere doel is achter het kabinet aanlopen en niet meer doen dan moet, en een concrete uitwerking voor Noord-Brabant moet wachten tot de winter.
Voor de tekst van de beantwoording zie

Zeven km3 olivijn om de aarde te redden?

De aanleiding
Ik kwam op Facebook in een discussie terecht over een oude bekende, het mineraal olivijn als middel om CO2 uit de lucht te halen. Af en toe laait die discussie weer op, de laatste keer vanwege een artikel in de NRC dat “zeven km3 olivijn genoeg is om de aarde te redden”. Zie www.nrc.nl/nieuws/2020/06/19/zeven-kubieke-kilometer-olivijn-om-de-aarde-te-redden-a4003381?fbclid=IwAR3I_V2ZeqkfkYdfEss7c0hPT42YdlNneP1LkcDsb9LgxfqCxLc_PZGoaeY .

De discussie gaat terug op prof. Olaf Schuiling. Kennislink wijdt een pagina aan hem ( www.nemokennislink.nl/publicaties/peridotieten-zijn-gek-op-co2/ ). Daar blijkt overigens dat die “zeven km3 “  “zeven km3per jaar” moet zijn en dat de redding van de wereld neerkomt op het compenseren van alle verbranding van fossiele brandstoffen.

Olivijnzand
(afbeelding links By Rob Lavinsky, iRocks.com – CC-BY-SA-3.0, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10448817 )

Wat is olivijn en hoe gedraagt het zich?
Olivijn is een dieptegesteente. Het kristal is stabiel op zo’n 400km diepte en wordt alleen aan het aardoppervlakte gevonden als er diepe lava aan de oppervlakte uitgestroomd is. Dat gebeurt soms. Het materiaal dankt zijn naam aan de kleur en kan in extreme gevallen edelsteenkwaliteit bereiken.

De chemische samenstelling is XYSiO4 . Daarbij kunnen X en Y staan voor magnesium (Mg), tweewaardig ijzer (Fe) , en voor sporenelementen waarvan het giftige nikkel (Ni) de belangrijkste is. Als zowel X als Y magnesium is, heet het mineraal Forsteriet.
Meestal zit Olivijn in een menggesteente waarin bijvoorbeeld ook witte asbest kan voorkomen.

Het kristal is aan de oppervlakte niet meer stabiel en verweert daarom. Het kan ook gewoon van nature CO2 binden, alleen gebeurt dat uiterst onpraktisch langzaam als het materiaal gewoon een bonk is.

De verweringsreactie is voor forsteriet (in een waterig milieu)

2H2O + 4CO2 + Mg2SiO4 –> 2Mg2+ + SiO2 + 4HCO3

SiO2 is gewoon kwartszand en het HCO3-ion (ook wel het bicarbonaation) is wat je ook krijgt als je bakpoeder of zuiveringszout  in water gooit.
De reactie is dus niet exotisch.

Voor het verweren van olivijn moet er water en CO2 kunnen toetreden. En omdat zich een korstje kan afzetten, is het handig als het materiaal in beweging blijft.
Toetreding gaat makkelijker bij een groot oppervlak, en dus een kleine korrel.
Wil je dus iets met olivijn, dan moet je het mijnen, transporteren, en heel fijn malen en verspreiden. Dat kost energie en als regel CO2 en dat moet je in mindering brengen op de opbrengst. Je moet dus een Life Cycle Assessment maken (LCA).

Recente research en praktijk
Het artikel in de NRC (in de geo-engineeringbijlage van 20 juni 2020) baseerde zich op een onlangs gestarte praktijkproef van Deltares, een gerenommeerd kennisinstituut. Wat Deltares erover kwijt wil, is te vinden op www.deltares.nl/nl/projecten/olivijn-validatie-rekenmodel-met-veldproef-op-campus-van-deltares/ .

Rijkswaterstaat RWS) heeft in 2012 zo’n LCA gemaakt (onderstaande illustraties zijn uit die publicatiue afkoomstig). De verwijzing is http://publications.deltares.nl/1203661_000.pdf en die is te vinden op bovenstaande Deltares-pagina. Daar staat ook een praktijkproef in Rotterdam. De zoekterm rws olivijn geeft nog wel meer resultaat.

Zuivere forsteriet kan per 1 kg forsteriet 1.25 kg CO2 binden. Na diverse aftrekposten blijft ongeveer 1 kg CO2 per 1 kg forsteriet over.

Het titelblad van de studie van RWS geeft goed aan wat RWS als mogelijke toepassing ziet.

Daarnaast heeft RWs gebruik in de landbouw geanalyseerd.

Het analyseresultaat beschrijft hoe snel het olivijn voor 80 en 100% wegverweerd is. Dat is vooral afhankelijk van

  •  de korrelgrootte (kleinere korrel, snellere verwering)
  • de omgevingstemperatuur (warmer is sneller, tropen werken beter dan gematigde breedtes)
  • hoe zuur het water is (hoe zuurder, hoe sneller). Omdat landbouwgrondwater zuurder is, gaat het in de landbouw sneller.

Al met al praat men in de landbouw over jaren tot decennia en in de kustlijn over decennia tot enkele eeuwen.

Voor- en nadelen
Het nut van olivijn is in meerdere opzichten dubbelzinnig.

Het is juist dat olivijn primair CO2 uit de lucht bindt .

Maar de stof doet dat in water en daarbij ontstaat het HCO3-ion . Dat kan op verschillende  manieren doorreageren.
Het eindmengsel kan neerslaan tot het onoplosbare MgCO3 ,bijvoorbeeld als het water opdroogt. Dan komt de helft van de gevangen CO2 alsnog in de lucht, maar de andere helft zakt naar de bodem of wordt een witte aanslag.
Het HCO3-ion kan ook reageren met zuurionen ( H+). Per H+ ion komt er dan weer een CO2– molekuul in de lucht (dat is precies wat zuiveringszout doet met brandend maagzuur – leve de Rennie). Maar het H+ ion kan ook uit zure regen of uit stikstofdepositie komen. En het H+– ion kan ook in de verzuurde oceaan zitten, die door het HCO3-ion een beetje minder zuur wordt.
Het kan ook zijn dat een HCO3-ion een mossel tegenkomt en zich aanbiedt om een schelp mee te bouwen.
Men kan dus niet met alleen de primaire reactie volstaan en moet ook een theorie opbouwen over het vervolg.

Je kan olivijn op goede gronden dus zien  als een klimaatoplossing die soms zuur bindt, maar ook als een zuurbinder die soms het klimaat helpt. Die twee sluiten elkaar uit.

In principe kan men olivijn zien als een stof die kalk vervangt bij het ontzuren van landbouw- of bosbodems (want uit kalk komt bij het zuurbinden CO2 vrij) . Bij olivijn ook, maar die CO2 had je eerst gevangen.
Bijkomend voordeel is dat uit olivijn magnesiumionen vrijkomen, die planten graag opnemen voor de opbouw van chlorophyll. Het is overwogen om olivijn als meststof in te zetten, maar het probleem is vooral de nikkelbijmenging. Die ligt ver boven de interventiewaarde van vervuilde bodems. Nikkelloze olivijn zou een interessante grondstof zijn.

Olivijn is een interessante stof, maar geen wondermiddel. Men moet niet alleen de primaire reactie analyseren, maar ook het natraject.

Goeie stunt: Greenpeace-directeur wil nieuwe voorzitter LTO worden

Nu Calon opgestapt is, zoekt de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) een nieuwe voorzitter. Greenpeace-directeur Joris Thijssen zag z de kans schoon en solliciteerde maar vast.
Een en ander is na te lezen in De Boerderij van 10 juni 2020 en op de website van Greenpeace www.greenpeace.org/nl/greenpeace/40704/greenpeace-directeur-solliciteert-naar-lto-voorzitterschap/ . Daar staat ook de antwoordbrief en verdere documentatie.

Thijsen vindt zichzelf de juiste persoon “Als directeur Greenpeace Nederland werk ik vol enthousiasme aan een landbouwsysteem dat past binnen de grenzen van natuur en klimaat. Kortom, een landbouwsysteem dat niet langer aanjager is van de teloorgang van de Nederlandse natuur en ontbossing in landen als Brazilië en
niet langer een te grote bijdrage levert aan de uitstoot van broeikasgassen in Nederland. Maar ook een landbouwsysteem dat gezondheidsrisico’s, dierenwelzijnsproblematiek en verdere achteruitgang van de boerenstand voorkomt. Dit is cruciaal om onze aarde leefbaar te houden.
Het is inmiddels overduidelijk: ons kleine landje kan niet langer de tweede landbouwexporteur ter wereld zijn en tegelijk onze klimaat- en natuurdoelen halen
.”

En “Graag zet ik mijn vaardigheden in voor de enorme uitdaging waar de landbouw voor staat; een halvering van de stikstofuitstoot binnen een termijn van tien jaar, in plaats van minister Schouten op te roepen het advies van commissie Remkes te ‘negeren’ . Dat betekent dat ik zou willen werken aan een omslag naar ecologische landbouw en veehouderij met drastisch minder dieren. Op die manier worden meerdere maatschappelijke problemen in een keer aangepakt.
Ook zou ik de minister van LNV willen bijstaan om de spelregels zo te veranderen dat de positie van de (kleinschalige) boer en teler in de keten wordt versterkt en deze een eerlijke prijs krijgt voor een duurzamer product
.”

Waarna nog vele goede voornemens volgen.

De sollicitatiebrief is hieronder te vinden.

Brabantse varkenhouderij

Algemeen directeur Van den Heuvel, die tijdelijk de baas is bij LTO, schreef een nette brief terug waarin hij Thijssen er op wees dat hioj er een beetje vroeg bij was. eerst wilde de LTO nog met de leden in gesprek over het profiel van de nieuwe voorzitter die, uiteraard, vooral als taak had het standpunt van de leden uit te dragen.
Desalniettemin wordt Thijssen uitgenodigd voor een gesprek.

De antwoordbrief van Van den Heuvel is hieronder te vinden.

Goeie stunt van Greenpeace. Het is overigens terecht dat Greenpeace differentieert binnen de boerenstand. Boeren zijn er in alle soorten en maten en velen hebben het goed met de wereld voor.

Antwoord op vragen in PS over Peelbrand

De Peel op Wikipedia

Even terug in de tijd
Op 21 april ontstond er brand in de Deurnesche Peel, een Natura2000-gebied. Door de droogte, de wind en de ontoegankelijkheid brandde uiteindelijk 800 van de 1000 hectare af.  Het werd de grootste natuurbrand uit de bekende Nederlandse geschiedenis.
Het smeult overigens ondergronds nog steeds.

Over dit onderwerp heb ik eerder geschreven op Deurnsche Peel minivariant Australische bosbrand?https://www.bjmgerard.nl/?p=12337 .

In Provinciale Staten hebben de VVD en de SP vragen gesteld aan Gedeputeerde Staten (GS). Die zijn onlangs beantwoord. Het leest alsof het zo ongeveer de laatste politieke handeling van ex-gedeputeerde Grashoff (GroenLinks) geweest is.

Peel met stikstofoverschot
Peel zonder stikstofoverschot

De VVD-vragen en het antwoord erop
De belangrijkste VVD-vragen waren de laatste twee:
“5. Bent u het met de VVD-fractie eens dat er een goed evenwicht moet bestaan tussen enerzijds de inspanningen die gevraagd worden van de Brabantse samenleving (zoals stikstofreductie in alle sectoren en financiële bijdragen voor natuurherstel) en anderzijds de mate waarin het geloofwaardig is dat gebieden die vatbaar zijn voor brand zich kunnen herstellen tot het niveau wat gewenst is volgens de Natura-2000 aanwijzing?
6. Bent u in verband hiermee bereid om een onderzoek te doen naar de effectiviteit van voornoemde (financiële en maatschappelijke) inspanningen in relatie tot de kans dat de betreffende gebieden ooit hersteld kunnen worden tot de kritische depositiewaarden?”

Met andere woorden, de VVD suggereert eigen wel van de Deurnesche Peel als Natura2000-gebied af te willen. Of ze echt denken dat dat kan, of dat het vooral een show richting de boerenachterban is, laat ik in het midden.
In elk geval krijgt de VVD in het antwoord, vanwege Corona ondertekend namens GS door de ambtelijk programmamanager Natuurontwikkeling, geen poot aan de grond.
Algemeen kan worden vastgesteld (zei het antwoord) dat ons menselijke voortbestaan mede afhankelijk is van de natuurlijke soortenrijkdom en het daaraan gerelateerde ecologisch evenwicht. Het gevraagde verband tussen kosten en natuurbaten is vertaald in de wettelijk vastgelegde beheerplannen voor de Natura2000 gebieden. En die plannen moeten gewoon worden uitgevoerd. De brand was wel groot, maar niet op alle plaatsen even intens. Er is mogelijk nog flora en fauna over die als basis voor herstel kan dienen.
Daartoe is het project Leegveld geformuleerd, dat onder andere een verdere vernatting van de Peel wil. Het geld ligt klaar, maar er lopen nog Raad van State-procedures.

Het antwoord op vraag 6 was dan ook treffend kort : “Nee. Zie het antwoord op vraag 5.”

De vragen van de VVD en de antworoden erop zijn te vinden hieronder:

Topografische kaart De Peel

De SP-vragen en het antwoord erop
De SP vond dat de brand wel een mini-uitvoering van de Australische bosbranden leek, en vroeg zich af de droogte een klimatologisch beïnvloede trend was en of het provinciale beleid daar wel tegen opgewassen was. De SP haalde de KNMI-curves van het neerslagtekort aan.

De beantwoording door dezelfde projectmanager was een stuk enthousiaster dan de beantwoording op de VVD-vragen.
Er ligt “een gebiedsgerichte aanpak, zoals opgenomen in de Visie klimaatadaptatie, inclusief de uitwerking van de bestuursopdracht ‘Stoppen van de verdroging met een waterrobuuste inrichting van Brabant’ en via de lijn van klimaatstresstesten, adaptatiedialogen en het Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie Zuid-Nederland dat we samen met de gemeenten en waterschappen opstellen.” Aldus GS. De droge zomers van 2018 en 2019, en het droge voorjaar van 2020 dat tot de Peelbrand leidde, laten zien dat dat nodig is.
Behalve de droogte, spelen ook de aangrenzende landbouw en de grondwateronttrekkingen voor beregening, drinkwater en industrie een rol bij de verdroging van natuurgebieden als de Peel, die door die verdroging weer brandgevaarlijker wordt.
Het inrichtingsplan Leegveld, waarin vernatting van de Deurnesche Peel, kan bij een gunstioge uitspraak van de Raad van State in 2021 worden uitgevoerd.

Het Deltaplan Hoge Zandgronden werkt op zich wel, maar de kans op te weinig zoetwater in de toekomst bestaat.

Er is beleid om de natte natuurgebieden weer nat te maken, en ook om de bestaande bossen te revitaliseren, o.a. door naaldbossen te diversificeren met loofbomen.

Het feitelijke beheer zit sinds 2016  bij een driemanschap van gemeente, Veiligheidsregio annex Brandweer, en de natuurbeheerder(s). Een van de gesignaleerde problemen is dat niemand bij natuurbranden volledig probleemeigenaar is, en dat daarom niemand volledig doorzettingsmacht heeft. Er bestaan al wel natuurbrandbestrijdingsplannen.
Het driemanschap gaat de brand en de bestrijding daarvan (die opgeschaald is geweest tot GRIP3) evalueren.

De volledige tekst van SP-vragen en -antwoorden zijn hieronder in te zien.

Refresco, Maarheeze, het grondwater en het proces (twee updates)

Na publicatie van onderstaand artikel heeft de SP in Provinciale Staten vragen gesteld over een deelaspect van de vergunning, namelijk de monitoring van grondwater. Over de andere aspecten kan nog niet wat gevraagd worden, omdat die op dat moment (dd 09 juni 2020) nog onder de rechter waren. Je krijgt dan bij voorbaat geen antwoord. Dd 20 juli 2020 is de zaak nog steeds onder de rechter.
Tot de grondwatermonitoring is inmiddels een eerste aanzet gemaakt. Die was niet naar tevredenheid van de omgeving, vandaar de vragen. De vragen zijn te vinden op www.bjmgerard.nl/?p=12841 .
Inmiddels zijn deze vragen ook al weer beantwoord. Het is geen flutantwoord, maar het kon wel beter. Zie www.bjmgerard.nl/?p=13085 .
Er vindt nader contact met omwonenden plaats.

De Brabantse Milieu Federatie heeft in haar nieuwsbrief een long read aan dit artikel gewijd. Ik ben hier blij mee.

Van Winters tot Refresco
In Maarheeze (gemeente Cranendonck) wordt al heel lang drank gefabriceerd en daar hoort al sinds achter in de 19de eeuw de naam ‘Winters’ bij, toen nog in brouwerijvorm. Die ging in 1914 failliet en in 1918 begon een andere Winters (Everard) een likeurenfabriek. Na vele ups en downs, die er hier niet toe doen, werd het uiteindelijk een bottelarij, die steeds meer in opdracht werkte voor andere merken zoals Seven-Up. Dat liep goed en in 1957 werd er een fors pand gebouwd ten zuiden van Maarheeze. Toen werd Winters Frisdranken BV opgericht.
Die BV kwam in 1989 in zwaar weer terecht en na weer de nodige besognes kwamen Winters en zijn pand in 2007 in handen van de multinational Refresco, een ‘contractfiller’.
Refresco is overigens een jong bedrijf (1999) en heeft nooit een lokale binding gehad. Die probeert het bedrijf wel te suggereren.

Refresco en het grondwater
In al die flesjes samen gaat heel veel water en dat werd ter plekke uit de grond getrokken. De grondwaterspiegel in de tot dan toe vochtige omgeving daalde, ongeveer 10 a 15 cm door Refresco maar mogelijk ook door de landbouw en de ruilverkaveling. Het gebied is nu droger, waardoor het bebouwbaar werd. De bebouwde kom rukte op en vanaf 1970 staan de huizen tot aan de rand van het terrein.

Refresco draait momenteel op een vergunning uit 1997. Die staat het bedrijf toe om 500.000m3/jaar grondwater op te pompen. Dat  gebeurt in twee watervoerende pakketten: in laag 3 van 30m tot 58m diepte (383.000m3), en in laag 8 van 174 tot 216m diepte (117.000m3) . De onderste laag voldoet aan het formele kwaliteitskeurmerk ‘mineraalwater-bronwater’.

Overigens blijkt voor 1,00 liter eindproduct 1,85 liter grondwater nodig te zijn. In de vergunning wordt geëist dat dat teruggebracht wordt naar 1,4 in 2025.
Deelt men de huidige toegestane 500.000m3 door 1,85, dan zit het bedrijf met 270.000m3 netto dicht onder de bestaande milieuvergunning van 290.000m3 . De voorgenomen groei maakt dus ook een nieuwe omgevingsvergunning nodig.

Refresco wil uitbreiden.

In eerste instantie (2016) wilde het bedrijf de winning verdubbelen: 125.000m3 uit de ondiepe laag en 875.000m3 uit de diepe laag. De provincie NBrabant (zijnde in deze het bevoegd gezag) wees dit af  omdat de diepe laag al over-geëxploiteerd was. Er ging systematisch meer water uit dan in.
In de terminologie van de Europese KaderRichtlijn Water (KRW) was dit grondwaterlichaam, de ‘Maas Slenk Diep’ ‘in slechte toestand’.

De provincie gaf gelijktijdig aan dat het beleid zich niet verzette tegen meer grondwater uit de ondiepe lagen. Dat is bij Refresco minder populair, want het telt niet als mineraalwater en de laag is vatbaarder voor vervuiling.
Maar ‘impopulair’ is iets anders als ‘onmogelijk’. Er kwam een nieuwe aanvraag op 09 augustus 2018, inhoudend 633.000m3 uit de ondiepe laag en ongewijzigd 117.000m3  uit de diepe laag oppompen. De provincie heeft deze vergunning verstrekt bij besluit dd 01 april 2019.











De tekening hieronder is genomen langs de doorsnede A A’.
Bij de stip ligt Maarheeze.

https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/bodemwijzer/kaartinformatie/Geohydrologische_deelgebieden_en_profielen.htm . De stip is Maarheeze. Dit is de macro-kaart.
UIt de N2000-effect studie van Haskoning (bijlage). Dit is de micro-kaart van de bodemopbouw rond de fabriek. De impliciete aanname is hier dat de lagen netjes continu zijn en dat er geen gaten in zitten. Zo micro echter is de bodemstructuur niet bekend.

Inmiddels had de provincie op 07 september 2018 een nieuwe beleidsregel ingevoerd.
Nu wordt het even ingewikkeld.

De totale provincie NBrabant krijgt, over alle lagen samen, per jaar 260 miljoen m3 grondwater binnen en kan ergo op papier zoveel grondwater uitgeven.
De feitelijk door industrie en drinkwaterbedrijven opgepompte hoeveelheid grondwater, over alle lagen samen, in de totale provincie NBrabant bedraagt per jaar ca 220 miljoen m3 water. Dit getal is tamelijk constant. Het is exclusief de landbouw, die gemiddeld goed is voor 35 miljoen m3 water, maar dat getal fluctueert sterk.

Vóór september 2018 was er in de hele provincie NBrabant voor alle onttrekkingen samen vergund 300 miljoen m3 water, waarbij de provincie aanvragen stopte vanaf 250 miljoen m3 water. De vergunde situatie lag (en ligt) dus hoger dan de feitelijk gerealiseerde situatie. De bedrijven pompen dus minder op dan waar ze recht op hebben. Ondertussen is dat recht wel een recht.
Ná september 2018 werd het vergunningsplafond voor alle onttrekkingen samen in NBrabant op 250 miljoen m3 water vastgesteld.
Dat is de macrowerkelijkheid. De som echter van alle microwerkelijkheden is nog steeds de oude vergunde ruimte van 300 miljoen m3 water. Om de som van alle oude micro-vergunningen op de nieuwe macro-limiet te krijgen, moeten de bedrijven ongebruikte vergunningsruimte inleveren. Daar kunnen ze niet zomaar toe worden gedwongen. De provincie moet dus bij al die instanties gaan bedelen of de een kleinere vergunning willen accepteren. Dat is nog niet gebeurd.

Als de vergunningaanvraag van Refresco (ter grootte van 0,75 miljoen m3 waarvan 0,25 miljoen m3 nieuw) behandeld zou worden volgens de wetgeving dd de aanvraag 09 aug 2018, moest de provincie de opgetelde limiet van de andere bedrijven van 300  naar 299,75 miljoen m3 water terugpraten. De provincie zag dat als haalbaar gedurende de looptijd van het vervolg van de vergunningverlening, maar het moest nog wel eerst gebeuren.
Als de vergunningaanvraag behandeld zou worden volgens de beleidsregel dd het besluit (01 april 2019), moest de provincie de opgetelde limiet van de andere bedrijven van 300  naar 249,75 miljoen m3 water terugpraten. Dat is uitzichtsloos.

De provincie nam de situatie ten tijde van de aanvraag als uitgangspunt. Men kan de aanvraagdatum, zo vlak voor de datum van de nieuwe beleidsregel, als een wel erg opmerkelijk toeval zien.

Grondwaterlichaam Maas Slenk Diep (KRW), waarin geen nieuwe boringen mogen plaatsvinden

Zienswijzen en een proces
De ontwerpbeschikking leidde tussen 27 november 2018 tot 07 januari 2019 tot erg veel zienswijzen, onder andere van de Brabantse Milieu Federatie (BMF), van een Collectief Burgerinitiatief van 58 omwonenden, het waterschap, de gemeente, de hengelsportvereniging, de ZLTO en enkele individuele personen.
Men komt in de zienswijzen redelijk heftige taal in tegen, waarin onder meer gerefereerd werd naar Groningse taferelen en nog eens een reeks eerdere milieuovertredingen van Refresco opgelepeld werd (waarbij in 2018 bijna de waterzuivering van Soerendonk het begeven had).
Verder maakt de logistiek om suiker aan te voeren, en de bijbehorende machinerie, volcontinu een pokkeherrie, en veroorzaakt forse trillingen in de nabije woonwijk. Een aantal zienswijzen begaf zich dus buiten de sfeer van de Waterwet. Een deel daarvan werd verwezen naar het vervolgtraject.

De formulering  dat een multinational ter plekke voor een prikje goed grondwater kon oppompen en met weinig productiepersoneel (als regel niet uit het typische forensendorp Maarheeze) voor 80% voor de export werkt, vond de provincie juridisch geen geldig argument.
Het effect van het klimaat op het grondwater (is die 250 miljoen kuub per jaar straks nog steeds 250 miljoen kuub?) was nog niet te voorspellen, aldus weer de provincie – en dus juridisch onbruikbaar.

Voor zover binnen de Waterwet vallend was er volgens de provincie niets ernstigs aan de hand. Volgens het model bleef de grondwaterdaling aan de oppervlakte beperkt tot centimeters. De 1 cm-daling contour reikt tot ca 3 km van Refresco en is tegen die tijd ononderscheidbaar van toevallige factoren. Met de zettingen door inkrimpende kleilagen zou het wel meevallen en schade, die vooral optrad bij ongelijke zettingen, waren niet te verwachten.
Zo allemaal niet, dan was er de schaderegeling.
En als je het model niet vertrouwde en waarnam dat Haskoning zowel voor Refresco werkte als voor de provincie, dan had je als bewoner maar een second opinion moeten vragen. En tja, een ander model, dat bestond niet.

In zijn zienswijze keerde het waterschap De Dommel zich tegen de provincie.

Vooral de omwonenden zitten in een moeilijk parket. Die vrezen zowel een probleem als het grondwater daalt als wanneer het grondwater stijgt.
Als het daalt, zou dat kunnen betekenen dat de kleilagen in de grond gaat zetten en dat hun huizen bijvoorbeeld scheuren.
Als daarentegen Refresco het gezeur zat zou zijn en ‘toedeloe’ zou zeggen, zou het grondwater weer met 10 a 15 cm stijgen en zouden bijvoorbeeld de kruipruimtes kunnen onderlopen. (Zoiets is bijvoorbeeld in Eindhoven gebeurd toen de industrie stopte met pompen en voormalige, maar inmiddels bebouwde moerasgebieden weer terug richting moeras gingen. Dat werd een complete massabeweging waar ik als gemeenteraadslid veel contact mee heb gehad.) De bewoners wilden al bij voorbaat boter bij de vis. Waarop het antwoord van de provincie was dat er in de oude vergunning überhaupt niets geregeld was en dat het nu tenminste op papier geregeld was.

Uiteindelijk werd het concept-besluit zonder substantiele wijzigingen omgezet in het definitieve besluit.

https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/bodemwijzer/kaartinformatie/Geohydrologische_deelgebieden_en_profielen.htm . De stip is Maarheeze.

Dat kwam voor de rechter met als eisers de BMF, de Dorpsraad Maarheeze en de Vereniging Duurzaam en Groen te Maarheeze. De rechter kwam op 01 april 2020 tot een tussenvonnis, dat op 28 april 2020 gepubliceerd werd. Zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:1946&showbutton=true&keyword=refresco .

De rechter vond dat de provincie ten onrechte, bij wijze van uitzondering, had gehandeld op basis van de oude regelgeving en daarbij slechts het belang van Refresco had laten meewegen. De rechter vond daarmee het provinciale besluit onvoldoende gemotiveerd. De letterlijke tekst:

  • 9.3)      Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde vergunning niet kan worden verleend bij toepassing van het ten tijde van het besluit geldende beleid. Een aanvraag hoort in beginsel getoetst te worden aan het beleid zoals dat geldt ten tijde van het besluit. Dat heeft verweerder op zichzelf ook onderkend, gezien de motivering om daarvan in dit geval af te wijken en het beleid toe te passen zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.
  • 9.4       Hoewel dat niet met zoveel woorden is gedaan, heeft verweerder in feite toepassing gegeven aan artikel 4:84 van de Awb. Uit de motivering van het besluit (zie pagina 12 van de ontwerpbeschikking) blijkt immers dat verweerder van opvatting is dat toepassing van de beleidsregel voor Refresco wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen zou hebben.
  • 9.5       De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn afwegingen om af te wijken van het geldende beleid op zichzelf de genoemde belangen van Refresco heeft kunnen betrekken. In het feit dat er al lange tijd overleg is gevoerd met Refresco en de gang van zaken rond de afwijzing van de vorige aanvraag ziet de rechtbank echter geen omstandigheid die afwijking van het geldende beleid rechtvaardigt. Met het verstrijken van de tijd heeft Refresco ook het risico genomen dat het vigerende beoordelingskader zou worden gewijzigd. Uit het besluit kan verder niet worden afgeleid dat verweerder bij zijn afweging ook andere betrokken belangen voldoende heeft betrokken, respectievelijk dat de gevolgen voor Refresco zorgvuldig zijn afgezet tegen de met het beleid te dienen doelen.
  • 9.6       Tegenover het belang van Refresco bij vergunning van meer grondwateronttrekking staat het grote belang van goed grondwaterbeheer dat met de beleidsregel wordt gediend. Verweerder heeft opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat in het watersysteem jaarlijks circa 250 miljoen m3 grondwater van nature wordt aangevuld. Een goed grondwaterbeheer conform de doelstellingen van de Waterwet impliceert dat er niet structureel meer water wordt onttrokken dan er wordt aangevuld.
  • 9.7       Verweerder heeft desgevraagd ter zitting uiteengezet dat er weliswaar aan ongeveer 300 miljoen m3 onttrekkingen is vergund, maar dat die feitelijk niet gerealiseerd wordt. Door in afwijking van de beleidsregel de vergunning te verlenen wordt de grens van 250 miljoen m3 aan feitelijke onttrekkingen niet overschreden, aldus verweerder. Verweerder is voornemens om de vergunde hoeveelheid terug te brengen en heeft aangegeven daarom in gesprek te treden met vergunninghouders waarvan bekend is dat zij jaarlijks (duidelijk) minder feitelijk onttrekken dan vergund, om te bezien of afspraken kunnen worden gemaakt over de onttrekking. Verweerder heeft echter niet kunnen aangeven wat concreet de beoogde reductie van vergunde hoeveelheid is. Duidelijk is verder dat de gesprekken waarop verweerder doelt vooralsnog vrijblijvend zijn en dat er (nog) geen concrete voornemens zijn om vergunningen al dan niet gedeeltelijk in te trekken. Zodoende heeft verweerder bij vergunningverlening een voorschot genomen op de uitkomst van gesprekken met andere vergunninghouders, zonder concrete aanleiding om aan te nemen dat die gesprekken zullen leiden tot vermindering van de vergunde hoeveelheid te onttrekken grondwater én dat die vermindering zo groot zal zijn dat de vergunde onttrekking zal worden gereduceerd tot 250 miljoen m3. De rechtbank merkt daarbij op dat het nog maar de vraag is of een vergunninghouder geheel vrijwillig afstand zal willen doen van zijn vergunde rechten.

De provincie krijgt zes weken om alsnog een deugdelijke motivering aan te leveren.
Het is mij, als niet-jurist, niet duidelijk wat dat inhoudt. Moet de provincie de werkelijkheid verbeteren of alleen maar het verhaal over de werkelijkheid?

www.kwrwater.nl/projecten/droogte-in-zandgebieden-van-zuid-centraal-en-oost-nederland/

Nabeschouwing
De vraag is in hoeverre macrogetallen, die jaargemiddeld en voor Brabant als geheel  gelden, ook voor afzonderlijke delen en tijdstippen gelden (bijvoorbeeld bij een hete en droge zomer op de zandgronden), als de landbouw juist meer beregent.
Een recente KNMI-studie geeft aan dat het neerslagtekort in de zomer in Oost- en Zuid-Nederland trendmatig lijkt toe te nemen.

Volgens de BMF bestaat er geen deugdelijk kwantitatief model waarin de watervraag van de natuur meegenomen wordt.
De provincie heeft onderzoeker Bartolomeus van de KWR (het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven) gevraagd systematisch onderzoek te doen naar de uitwerking van meteorologische en hydrologische droogte op systemen, en om een handelingsperspectief te ontwikkelen. Zie www.kwrwater.nl/projecten/droogte-in-zandgebieden-van-zuid-centraal-en-oost-nederland/ .
De BMF laat ook eigen onderzoek doen. Dat zou voor de zomer van 2020 klaar moeten zijn.

Refresco

Het grondwaterbeheer is verdeeld tussen het Waterschap en de provincie, vindt de BMF. Daardoor wordt het te weinig als een integraal vraagstuk behandeld. De regie zou geheel bij de provincie moeten liggen. Het Deltaplan Hoge Zandgronden is vooral een subsidieregeling voor vrijwillige projecten. Er gebeuren goede dingen in (waaronder met rijksmiddelen), maar je wint er de oorlog niet mee zolang de landbouw mag blijven beregenen. Het is dus geen leidend beleidskader.
Daartoe zou de provincie het onttrekkingsbeheer moeten aanscherpen en aan de beleidskant meer moeten sturen. Enerzijds op een doordachte rantsoenering, anderzijds op een vergroting van de koek door het water in het gebied beter vast te houden.

De ultieme vraag is natuurlijk of je zo zachtjes aan de eindigheid niet in het politieke systeem moet gaan inbouwen. In alles rondom Refresco is nog niet aan de orde geweest of het publiek steeds meer frisdrank moet willen drinken. Misschien moet men daar nee opzeggen en het productievolume bij Refresco gewoon zo laten. De status quo zou voor de omwonenden de beste oplossing zijn.
Misschien gaat een suikertaks ons grondwater redden?

Bij de suikertax-actie van Foodwatch
www.foodwatch.org/nl/onze-campagne-themas/onze-campagnes/voeding-en-gezondheid/suikertaks/


Het gestolen licht

De documentaire van Peter Bosman
Peter Bosman had een documentaire gemaakt over de schade (nauwkeurig gezegd één van de schadevormen) die het vliegen veroorzaakt. Die was bedoeld voor documentairefestivals, maar die gingen vanwege Corona niet door.
De documentaire gaat over strepen (contrails) en de daaruit voortkomende (induced-)cirrusbewolking. Door corona wordt er zeer veel minder gevlogen en dat zie inderdaad in de lucht.
Daarom heeft Bosman besloten om de documentaire kosteloos online te zetten. De nederlandstalige versie is te vinden op https://youtu.be/RAFZU-beDa0 . De afbeeldingen hierna zijn stills uit de documentaire.

Contrails zijn wel eens aanleiding voor wilde complotverhalen over duistere Illuminati die allerlei enge dingen met de mensheid zouden willlen, maar daar gaat deze documentaire niet over. Die bevat goede natuurkunde en scheikunde en laat relevante deskundigen aan het woord, waaronder Paul Peeters en weerman Reinier van den Berg.

Het KNMI houdt de boot af over contrails en cirrus. Het kent alleen ‘hoge sluierbewolking’ zonder een oorzaak te benoemen. Men zou dit een versluierend taalgebruik kunnen noemen.

De hemel tijdens en na de Eyjafjallajökull-uitbarsting

Contrails ontstaan bij specifieke combinaties van druk, temperatuur en relatieve luchtvochtigheid. Dit wordt beschreven in het Schmidt-Appleman criterium uit 1940. Militairen kennen dit criterium uiteraard en kunnen, als ze niet vanaf de grond gezien willen worden, proberen om, onder of over gebieden heen te vliegen waar die strepen kunnen ontstaan.


Het Schmidt-Applemancriterium

In de documentaire komt ook Vincent Dekker aan te woord, die wetenschapsjournalist was bij trouw en die zeer gedreven net zijn zonnepanelen bezig is. Het viel hem op dat als er veel strepen in de lucht zijn, hem dat wel een kwart kon schelen in de opbrengst van zijn zonnepanelen. Op 15 februari 2020 kwam hij zonder contrails aan 6,78kWh en bij hetzelfde weertype, op 16 februari, op 5,12kWh.
10% verlies op een kwaaie dag is een gangbaar getal.
Over alle PV-panelen in Nederland kan dat per dag oplopen tot €600.000 waarde van verminderde opbrengst.

Nu is dat een piek-effect. Gemiddeld is het uiteraard minder. Een geïnterviewde Oostenrijkse professor heeft er onderzoek naar gedaan en noemt een jaargemiddeld lichtverlies van 0,5 tot 1% verlies reëel, en daarmee tot 0,5 tot 1% gewasopbrengst, wat resulteert in €2500 tot €5000 per bedrijf per jaar.
Volgens Harald van der Meulen van Wageningen tikt dat over heel Europa aan tot ruwweg € 1 miljard per jaar opbrengstderving in de landbouw.

Klimaateffecten van contrails en induced cirrus
Bosman spreekt in zijn documentaire in het voorbijgaan over een opwarmend effect van contrails en cirrus, maar legt dat niet echt uit omdat het hoofdthema over verlies van zichtbaar licht op de grond gaat.

Hierna een toevoeging door mijzelf .
Het weerkaatsen van zichtbaar licht door contrails en cirrus (dus overdag) heeft op zich een koelend effect op de aarde. Toch is het netto effect van contrails en cirrus opwarmend, omdat ook de uitgaande infraroodstraling (IR) weerkaatst wordt (en dat gebeurt overdag en ’s nachts). Niet voor niets vriest het ’s winters het hardst in heldere nachten: de IR-straling vliegt ongehinderd door wolken de ruimte in.

Alle effecten samen leiden tot een specifiek klimaatpatroon. Dat o.a.uitgelegd staat in IMPACT OF AVIATION ON CLIMATE (Brasseur, 2016), waaruit de volgende afbeeldingen afkomstig zijn.  

(RF is een wetenschappelijke afkorting die in praktijk ongeveer evenredig is met een temperatuurverandering
NH = Northern Hemisphere, BC – Black Carbon (roet) – bedoeld wordt het directe effect, LC = Linear Contrail)

Ook vanuit klimaatperspectief is het van belang om contrails en cirrus mee te nemen.