Klimaat maakt het bier duurder

Steven Davis van de University of California, Irvine heeft becijferd wat er met de bierprijs gebeurt als de gerst door het klimaat aan extremere droogte of regen wordt blootgesteld. De rampjaren 2014 en 2017, locatie Montana, waren aanleiding.

Steven Davis, Univ. of California, Irvine

Een abstract van het artikel is te vinden op www.nature.com/articles/s41477-018-0263-1 .
Een wat sappiger beschrijving is te vinden op www.scientificamerican.com/article/trouble-brewing-climate-change-closes-in-on-beer-drinkers/ .

Het ging met een drie staps-model.
Het eerste model was een gangbaar klimaatmodel om de kans op extreem natte en droge periodes te schatten bij een stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde met 1,7; 2,6; 3,1 of 4,8°C tussen nu en 2100.
Het tweede model was een gerstmodel hoe die plant op die omstandighedenreageert.
Het derde model is economisch, hoe de bierprijs reageert op schaarste.

Logisch.

Het kan 3 tot 17% in de gerstopbrengst schelen, en dat kan de wereld-gemiddelde bierpijs 15% omhoog jagen. Maar dat kan van land tot land verschillen. Ariel Ortiz-Bobea, een econoom aan Cornell University, zegt in een second opinion ‘dat ze in Frankrijk meer wijn drinken, dus als er minder bier is, stijgt de prijs niet zo’. In Duitsland ligt dat anders.

Iers bier _ www.flickr.com/photos/sami73 op Wikipedia

Maar het ergste rampscenario speelt zich af in Ierland, waar het bier, volgens het gruwelijkste scenario, 193% duurder wordt.

Het kon nog wel eens erger tegenvallen, zegt Davis. Behalve schaarser, worden gerstekorrels ook slechter. En nog niet onderzocht is wat de hop doet. Dus mogelijk gaat het bier ook slechter smaken.

Nu bestaan er grotere problemen dan de bierprijs. Maar het verhaal staat voor een algemene trend, aldus Ortiz-Bobea: het wordt een monumentale uitdaging om de boerderijen tegen weerrampen te beschermen. Het kon wel eens hele vervelend worden.

En dan heb je geen bier meer.

EenVandaag over het stikstofrapport rond Eindhoven Airport

EenVandaag zond op 20 september 2018 een uitzending uit over het stikstofrapport van Haskoning over het vliegveld, waar eigenlijk in stond dat de situatie op sommige Natura2000 – gebieden zo slecht was, dat er geen vlucht meer bij kon op Eindhoven Airport.

Dat rapport was er eerst wel en toen weer niet en toen weer wel. Duidelijk is het nog steeds niet en het lijkt er sterk op dat men een onwelgevallig rapport achter heeft willen houden.

Wie de uitzending van EenVandaag terug wil zien, kan terecht op https://eenvandaag.avrotros.nl/item/werd-een-kritisch-rapport-over-de-groei-van-vliegveld-eindhoven-verzwegen/ .

Een inhoudelijk verhaal over hoe het probleem in elkaar zit en hoe de PAS werkt op Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld  .

  

Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld

De Programmatische Aanpak Stikstof
De top van de Nederlandse natuurgebieden wordt beschermd door de Europese Natura-2000 richtlijn. Nederland heeft die wet geïmplementeerd door ruim 160 van die gebieden aan te wijzen en de bescherming onder te brengen in de Wet natuurbescherming.

Die gebieden staan soms zwaar onder de druk. Zeker in Brabant met zijn enorme intensieve veeteelt. Die loost grote hoeveelheden stikstof (in de ammoniakvorm), en die komt uiteindelijk in de bodem terecht en wordt daar nitraat.
Maar ook alles wat bij hoge temperatuur verbrandt wordt produceert uit stikstof uit de lucht stikstofoxides (NO en NO2 , samen aangeduid als NOx ). Die stikstofoxides reageren weer in het grote reactievat dat gewone mensen als ‘de atmosfeer’ aanduiden, en worden uiteindelijk ook omgebouwd tot nitraat.
Daarnaast komt er veel nitraat via de mest en de kunstmest in het oppervlaktewater.

Waar veel nitraat in de grond zit, groeien vooral brandnetels en bramen en dat is natuurlijk niet het gewenste lot van onze Natura2000 – gebieden. Toch zitten sommige van die gebieden al ver boven hun taks.

Daarom is er met veel moeite een nationaal programma opgetuigd, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit project loopt van 2015 t/m 2021. Het is hele ingewikkelde wetgeving, maar in de kern komt het er op neer dat men met een extra set emissiebeperkingen aan de bron (bijv. luchtwassers) en met beheersmaatregelen in het veld (bijv. afplaggen) wat extra ruimte heeft gecreëerd, de depositieruimte. De helft van die ruimte moet aan de natuur worden gegeven, de andere helft mag praktisch gebruikt worden. Daardoor gaat de daling van de stikstofdepositie iets minder traag dan die anders gegaan was.

Toedeling van eventuele depositieruimte

De depositieruimte wordt op papier in  vieren verdeeld:

  • groei van stikstofclaims die vanzelf gaat (bijv. meer auto’s)
  • de gezamenlijke groei van een groot aantal nieuwe projecten, die ieder voor zich onder een drempelwaarde zitten
  • ruimte die gereserveerd is voor prioritaire projecten (de overheid claimt al bij voorbaat)
  • de ruimte die vrij gebruikt kan worden.

De PAS is inmiddels in Brabant een gevreesde naam. De aanleg van de N69 is een prioritair project en wordt door de PAS om die reden niet geblokkeerd, maar de aansluiting van de N69 op de A67 bij de Koningshof wordt wel geblokkeerd omdat de dames en heren bestuurders in hun oneindige wijsheid dit als twee aparte projecten hadden aangemerkt, en dit slimmigheidje zich nu tegen hun keert omdat die aansluiting niet op de prioritaire lijst staat.

Na veel juridisch leed is de PAS om advies voorgelegd aan het Europees Hof. Dat duurt altijd heel lang, en de eerste tekenen lijken erop te wijzen dat het Europees Hof eerder strenger dan minder streng zal zijn. Bijvoorbeeld dat de stikstofruimte niet meer op de pof kan worden uitgegeven, zoals nu.

De prioritaire projecten staan op een limitatieve lijst en daar staat de uitbreiding van Eindhoven Airport niet op. Toch kan men moeilijk ontkennen dat straalmotoren bij hoge temperatuur werken en dus stikstofoxides vormen.

In de la
Een probleem lag dus voor de hand. Ergens hoog heeft iemand (terecht) verordonneerd dat er een stikstofstudie moest komen en die heeft Royal Haskoning DHV uitgevoerd.
Waaruit inderdaad veel ongemak bleek, waarna het eindresultaat (naar ons is meegedeeld) in  een la belandde (in welke la, dat is ons niet bekend). In maart 2018 hebben Eindhovense gemeenteraadsleden van Groen Links en de PvdA naar het lijk in de la gevraagd, waarna dat alsnog tot leven kwam en zich op 6 september 2018 bij de Eindhovense projectleider Verhoeven meldde. Daarna is het zonder ruchtbaarheid alsnog op de site Samen op de Hoogte gezet, waar het nu nog staat. Zie http://samenopdehoogte.nl/over-ons/nieuws .
BVM2 kwam erachter omdat Een Vandaag belde of wij hier iets van af wisten. Toen dus niet.

Feitelijke deposities in 2014 en (berekend) in 2020 in de Kampina en de Oisterwijkse vennen

Een probleem: het vliegveld kan zonder ingreep niet groeien

Normaliter is de drempelwaarde 1 Mol N per hectare per jaar (dat is 14 gram). Ter vergelijking: de depositie op bijvoorbeeld De Kampina kan boven de 2000 Mol/ha*y zitten en dat is een stuk meer als de kritische depositiewaarde, die als norm gebruikt wordt.
Maar als de stikstofruimte al bijna op is, wordt de drempelwaarde verlaagd naar 0,05 Mol/ha*y, en er zijn gebieden waar de drempelwaarde inmiddels 0,00 is.

Dat betekent dat elke aktiviteit, die in enig kwetsbaar Natura2000-gebied meer dan 0,05 Mol/ha*y laat neerslaan, vergunningplichtig is of zelfs dat al niet meer – dan mag het gewoon sowieso niet.

Het lijk in de la bevatte dus schattingen van toename in de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden ten gevolge van uitbreiding van het vliegveld. Die waren gebaseerd op de LTO-emissieberekeningen van CE Delft en de bijbehorende groeiscenario’s (zie Emissies van Eindhoven Airport in kaart gebracht ).
Toen het lijk weer opdook, bleek bijvoorbeeld dat het dichtstbij gelegen Natura2000-gebied Kempenland West zelfs in het lichtste groeiscenario l (van 43000 naar 55000 vliegbewegingen) met 0,67 Mol/ha*y op zijn vennetjes erbij kreeg. (Voor gegevens over Kempenland-West zie www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=11&id=n2k135 ).

Nu zou Kempenland-West nog in aanmerking komen voor een vergunning. Blijkbaar zit daar nog wat rek.

Maar zelfs in het lichtste groeiscenario zit die rek er bij de Maasduinen, het Leenderbos-Groote Heide-De Plateaux, en de Weerter- en Budelerbergen en Ringselven niet meer in.
Ook voor bepaalde vegetatietypen, waar ook gelegen (actief en herstellend hoogveen en zeer zwak gebufferde vennen) is de limiet simpelweg nul.

Als het vliegveld harder groeit, neemt het aantal onmogelijkheden steeds verder toe en liggen de gebieden steeds verder weg.
In het hoogste groeiscenario bijvoorbeeld ontstaan er problemen tot diep in Zuid-Limburg, op de Brabantse Wal en in het dal van de Vecht en de Regge.

Nu is het verstandig om zowel de ene kant als de andere kant op wat kanttekeningen aan te brengen.

Op de eerste plaats: de PAS heeft een eindige looptijd (2015 -2021). Uiteraard moet worden afgewacht wat er daarna gebeurt, hoewel de Europese bescherming nog steeds geïncorporeerd moet worden.
Op de tweede plaats kan de overheid besluiten om de uitbreiding van het vliegveld tot prioritair project te verklaren. Dat klinkt leuk, maar de totale stikstofruimte neemt niet toe en dus krijgt dan een andere instantie de ellende. De boeren bijvoorbeeld.

Aan de andere kant: het rekenmodel telt het wegverkeer van en naar het vliegveld niet mee (dat hoeft niet) en telt het militaire verkeer niet mee (want dat groeit niet).

 

BVM2 gaat heel goed volgen wat er gebeurt.

De oplossing kan het probleem zijn

Er is een nieuwe techniek, het superkritisch vergassen van natte biomassa. Dat kan van alles zijn, van zuiveringsslib tot drijfmest. Deze techniek verdient aandacht in de milieuhoek, Hij biedt zowel grote kansen als bedreigingen.

Wat is superkritisch vergassen?
Bij superkritisch vergassen wordt natte biomassa verhit tot boven het kritische punt van water. Dat ligt bij 374°C en 221Bar (1 bar is ongeveer 1 atmosfeer).

Superkritisch diagram

Boven het kritisch punt gedraagt water zich geheel anders. Er is geen onderscheid meer tussen vloeibaar en gasvormig water. Het water verliest zijn polair karakter, waardoor organische stoffen ineens goed oplossen en zouten ineens slecht.
Normaliter gaan chemische reacties dubbel zo snel als ze plaatsvinden bij 10°C meer. Bij 374°C of hoger gaan chemische reacties dus heel snel, zo snel dat bijna alle organische molekulen worden afgebroken. Alle zouten slaan neer en komen in een soort pekelslurrie terecht, die kan worden afgescheiden.

De afbraak leidt tot een menggas dat heeft ruwweg de verbrandingswaarde van biogas heeft en ook waterstof kan bevatten. De netto energiebalans van het systeem kan positief zijn en die energie komt voor een deel in bruikbare, want chemische, vorm vrij.
Om het systeem te laten werken moet je eerst een heleboel water op minstens 374°C brengen. Dan gebeurt er van alles en uiteindelijk moet de temperatuur weer omlaag tot de oude waarde. De meeste afkoelende warmte kan worden gebruikt om het inkomende water voor te verwarmen, maar er blijft altijd een hoop water over van bijv. 50°C of zo. Je moet zo’n inrichting dus eigenlijk al bij voorbaat inpassen in een warmtenetwerk.

Het is heel erg nieuwe techniek. Eigenlijk een techniek die de universiteiten verlaten heeft maar daarbuiten nog niet tot grootschalige wasdom gekomen is. De techniek zit dus in de Valley of Death en zoals bekend, wordt die bevolkt door vele duivels die in vele details wonen. Je kunt er dus nog niet alles van zeggen.

Zuiveringsslib
Stowa, het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven, heeft in Karlsruhe een eerste verkennend onderzoek laten doen naar de mogelijkheden om zuiveringsslib superkritisch te vergassen. Het tekent de situatie dat Stowa naar Karlsruhe moest, omdat de daar 50 tot 100 liter natte biomassa per uur kunnen doorvoeren, terwijl die capaciteit in Nederland in de milliliter/uur ligt.

Het eerste onderzoek is in 2016 gepubliceerd (zie www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202016/STOWA%202016-16.pdf ). Het is eigenlijk een goede tekst om enig inzicht te krijgen van wat de methode voorstelt.
Daar staat onder andere dat ongeveer 95% van de organisch gebonden koolstof afgebroken wordt. Interessant is dan wat er in die overblijvende paar procent zit. Het onderzoek vermeldt niet wat er specifiek met bijv. bestrijdingsmiddelen gebeurt. De koolstof-fluorbinding (zoals bijv. in fipronil) is sterk.

Mogelijke samenstelling van het menggas na superkritische vergassing

In de specifieke toepassing ‘zuiveringsslib” heeft het menggas ongeveer bovenstaande samenstelling.

Een recent vervolgonderzoek aan de Supersludge (waarin Stowa, de waterschappen De Dommel en Aa en Maas, en Slibverwerkinng NBrabant deelnemen) is gepubliceerd in juli 2018. Zie www.stowa.nl/publicaties/supersludge-demonstratie-van-zuiveringsslib-superkritisch-water .

Proefcontainer voor superkritische vergassing van twee Brabantse waterschappen

Bewerking van biomassa en mest en de proeffabriek
Waar toepassing van deze techniek op zuiveringsslib vooral voordelen biedt, bestaan er bij het bewerken van biomassa zowel voor- als nadelen. Ook mest is natte biomassa.

De discussie is niet hypothetisch, want er is onlangs in Alkmaar een proeffabriek geopend van SCW-systems (zie www.scwsystems.com/index.html ). Deze wordt gesteund door RVO, de provincie Noord-Holland en de Gasunie.

De proeffabriek van SCW in Alkmaar
Stroomschema van de proeffabriek

De techniek heeft zeker voordelen. De inrichting levert warmte en groen gas op en vernietigt op efficiente wijze het overgrote deel (zo niet alle) micro-organismen, virussen, sommige bestrijdingsmiddelen, de meeste of alle medicijnresten en hormonen. Er is nu eenmaal weinig dat 374°C of meer overleeft.
Verder worden nitraat en fosfaat-zouten in een geconcentreerde vorm afgescheiden. Ze kunnen dus gemakkelijker uit het grond- en oppervlaktewater gehouden worden.
Waarschijnlijk stinkt het eindproduct niet meer.
De website van de fabriek geeft geen informatie wat er met chloor- en fluorhoudende organische verbindingen gebeurt. Het is mij dus niet duidelijk in hoeverre dit aspect van het milieu gebaat is bij deze natte vergassing.

De mogelijke nadelen zitten in de context. De paradox daarbij is dat de kracht van het systeem tevens de zwakte is.

Ten eerste het aantal dieren.
Dat wordt gereguleerd via de hoeveelheid mest die op het land mag worden uitgereden, en die hoeveelheid wordt op zijn beurt uitgedrukt in een aantal kg fosfaat per hectare.
De gangbare vergisting van mest heeft geen invloed op het aantal dieren (of een zwak remmende invloed bij covergisting), omdat digestaat, het eindproduct van de vergisting, juridisch nog steeds mest is en scheikundig nog steeds evenveel fosfaat bevat.
Het eindproduct van superkritische vergassing is zeker in juridische zin geen mest meer. Het is groen gas, schoon water en een slurrie aan anorganische zouten. Er vervalt dus een beschermingsconstructie tegen een groter aantal dieren. Maar  de veeteelt veroorzaakt meer problemen dan alleen het mestprobleem. Omwonenden zullen een groter aantal dieren nog steeds niet leuk vinden.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten

Ten tweede de bodem.
Het gehalte aan organische stof in de bodem is het resultaat van een ingewikkelde balans tussen continue aanvoer en continue aanvoer. Gemiddeld over heel Nederland is die balans momenteel in evenwicht. Maar de balans kan per grondsoort, en in hetzelfde gebied van perceel tot perceel verschillen en hangt mede af van de agrarische bedrijfsvoering.
Die organische stof levert belangrijke ecodiensten: waterberging, koolstofopslag, biodiversiteit, gewasopbrengsten.
Ik denk dat er wel wat rek zit in de mest en bodem – romantiek van de biologische landbouw. Maar zeker niet zoveel dat je zonder enige vorm van aanvoer van organische stof kunt. De vraag is de superkritische vergister indirect de koolstof in de bodem op gaat stoken.
Bij gangbare vergisting speelt dit probleem veel minder, omdat grofweg tweederde van de inkomende biomassa niet vergist wordt, waaronder het moeilijkst afbreekbare deel.

het belang van de bodem voor ecosysteemdiensten

Ten derde het verband met de afvalverwerking.
Sommige soorten afval kun je zien als natte biomassa. Mogelijk kan superkritische vergassing nieuwe impulsen geven aan de afvalverwerking. Maar aan de andere kant is een dergelijk systeem, behalve superkritisch, ook super fraudegevoelig. Wat gebeurt er als iemand er een zak drugsafval in mikt of een lading fipronileieren?

Een van de twee ruimtelijke vormen van fipronil. Wat gebeurt er met die fluoratomen?

De website van SCW Systems kijkt slechts met dollartekens in de ogen naar de energetische opbrengst. Op zich is daar niets mis mee, zolang de gevolgen in de hand gehouden worden. Dat betekent andere politiek die het nieuwe systeem inkadert in een groter geheel.

Als men niet meer met de fosfaatwetgeving het aantal dieren in de hand zou kunnen houden, moet dat op andere manieren gebeuren.
Nu is het organische stof – gehalte een kwestie van de individuele boer. Men zou dat moeten veranderen in die zin, dat er een richtinggevende bodempolitiek ontwikkeld zou moeten worden.
Ik kan niet goed beoordelen of de bestaande afvalverwerking ingesteld is op deze nieuwe techniek. Mogelijk wel – en dan de handhaving nog.

Milieumensen doen er goed aan om zich in deze techniek in te lezen.

De back-up bij

Het probleem
De Californische amandeloogst is jaarlijks goed voor $21 miljard, maar dan moeten die amandelen wel eerst bestoven zijn geweest. Het gaat om ca 4000km2 en dat areaal groeit nog steeds. De amandel is het tweede gewas van Californië.
De bestuiving vindt plaats in februari.

Men bestuift met de Europese honingbij (die in de VS niet inheems is). Voor een dergelijke massale bestuiving zijn 1,9 miljoen kolonies nodig, drie kwart van wat er in de VS staat.
De telers knijpen hem als een ouwe dief, want het gaat slecht met de honingbij in de VS. In de afgelopen 11 jaar schommelde de jaarlijkse wintersterfte tussen de 29 en 45%. Een keer kwaad weer en er is een ramp.

Aldus de Scientific American van maart 2018.

Die hoge sterfte ligt vooral aan de Amerikanen zelf. De Nederlandse wintersterfte onder honingbijen schommelt al een paar jaar rond de normale 10% en ook de Europese sterfte valt al een paar jaar erg mee.
Nu valt er meer te zeggen over het welzijn van honingbijen dan alleen de winterstefte, maar op dat punt heeft het beleid in elk geval succes gehad.

Bijensterftecijfers in Nederland (links) en in Europa

De grote monocultures in de VS zijn groter en meer mono, en de bijenkorven worden in vrachtauto’s van kust naar kust gesleept, van de amandelen naar de kersen naar de appels enzovoort. En als er een keer toevallig niets bloeit, hebben ze toevallig weinig of niets te eten.
Daarnaast heeft de VS zijn eigen insecticidenregime en zijn Varroamijt en besmettingen zijn bijna wetmatig als je zowat twee miljoen korven op een kluitje zet.
Het is een soort slavernijbestaan voor de honingbij.

De back-up bij
Een andere bij zou welkom zijn. Helaas zijn de drie andere soorten, die regelmatig gebruikt worden, of verboden of in februari nog niet wakker.

Zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Osmia_lignaria .

Verschijnt de BOB, de Blue Orchard Bee in beeld (Blauwe Boomgaard Bij, een Osmia-soort), die in de VS wel  inheems is. Het is een relatief  hanteerbaar beest en het is een vreselijk efficiente bestuiver – een BOB-wijfje bestuift even goed als 30 honingbij-werkers.

Er zijn wel een paar kleine problemen.

De BOB is solitair. In haar eigen buis-huisje is ze enige koningin en werkster tegelijk.
Ze kruipt uit het buisje (een stengel of zo) waar haar moeder, die ze nooit zal zien, de eieren gelegd heeft, paart onmiddellijk met een mannetje dat er verder niet toe doet, zoekt haar eigen buisje, legt daar rond de acht eieren in en propt intussen het buisje vol met honing en nectar. Daarna zet ze een prop op het buisje (het is, technisch gesproken, een metselbij). Daarna gaat ma weg en dood – ze kan vier tot acht weken leven, maar omdat de amandelbloesem het maar twee weken uithoudt, leeft ze in een grote monoculture korter.
Een jaar later komen de jongen uit en herhaalt het verhaal zich. Voor het uitkomen van de jongen is een koele periode nodig. Daarom is de bij in Californie niet inheems.

De vraag was dus nu hoe je een solitaire bij in massaproductie kunt brengen.
Daartoe nam de grootste amandelboer van Californie, de Wonderful Orchards, bioloog Gordon Wardell in dienst. Na een uitputtende studie was de truc om de beesten te verwennen, voor zover dat in de Californische monocultures mogelijk is (het weer in Central Valley is in elk geval goed) en dan de nestbuisjes in de koeling te doen tot het moment waarop de nieuwe aanwas nodig is. Je moet het groot aanpakken en zorgen dat er per nest minstens één jong uitkomt dat in leven blijft en haar rol speelt. Liefst uiteraard meer dan een.
In het voorjaar van  2018 zou dat Wardell voor het eerst  gelukt zijn. Hij kon 128.000 BOB-sters loslaten en dat zou zijn baas 320 honingbijkorven gescheeld hebben.
De diertjes zouden 22 $cent per stuk gekost hebben plus wat overhead en het lijkt zelfs wat goedkoper dan een korf honingbijen kopen. Vooralsnog echter waren de beesten niet te koop en waren ze voor het eigen bedrijf bestemd.

Het klinkt allemaal uiteraard simpeler dan het is. Honingbijen hebben hun plagen, maar Osmia’s ook: muizen, vogels, schimmels en zelfs padden die geduldig bij de buisjes zaten te wachten.
Er is nog veel research nodig.

Echter, op het moment suprême zag Wonderful Orchards, na acht jaar onderzoek, op het laatste moment toch van het idee af. Het Scientific American-artikel van maart 2018 was toen al gedrukt.
In een later onlineartikel op www.scientificamerican.com/article/a-promising-backup-to-the-honeybee-is-shut-down/ corrigeert het blad de eerdere berichtgeving. Wonderful Orchards wil niet meer kwijt dan dat het de kosten en de reproductieve betrouwbaarheid van een en ander toch te onzeker vindt.

Een andere Amerikaan, Watts, vangt BOB’s in het wild en kweekt daarmee. Hij verkoopt wel en heeft een wachtlijst, hoewel bij deze methode de Osmia duurder is dan de honingbij.
Watts heeft de voorraad Osmia’s van Wonderful Orchards overgenomen.

Wonderful Orchards heeft de US Department of Agriculture en universitaire wetenschappers toegestaan op het terrein verdere research te blijven doen.

Europese boomgaardexploitanten gebruiken ook Osmiasoorten, maar krijgen veel makkelijker een hoge vermenigvuldigingsfactor omdat ze kleinere percelen hebben, minder gif spuiten en extra bloemrijke gewassen in hun boomgaard zetten).

De moraal
Als je een beetje antropocentrisch redeneert, vraag je je af of het niet beter zou zijn om de honingbij uit haar slavernij te verlossen. In Europa kon dat ook. Het is een goede vraag, maar voor het antwoord moet de Amerikaanse landbouw op zijn kop gezet worden.

Ondertussen gaat de BOB-aanpak, andersom werkend, mogelijk gewenste effecten krijgen. Als een amandelboer eigenaar is van zijn eigen BOB-sters, wordt hij misschien voorzichtiger met gif dan hij was toen hij zijn honingbijkorven huurde van de andere kant van het continent. En roeit hij misschien niet al zijn paardenbloemen (weet ik veel wat honing geeft) uit tussen de amandelbomen.
Wie weet voeden de Bob-sters de boeren nog op.

Een erfsessie met Milieudefensie bij de Ruurhoeve

De intentie van Milieudefensie – kansen en problemen
Milieudefensie wil naar een landbouw die volhoudbaar is in Nederland. Daartoe zijn er verschillende campagnes georganiseerd, zoals Allemaal Lokaal, Eerlijke melk, en Van Erf tot Erf. Op deze site is daarover het nodige te lezen.
In de campagne Van Erf tot Erf hebben vrijwilligers van Milieudefensie boeren geïnterviewd. Milieudefensie Eindhoven heeft met drie boeren in Eindhoven en één in Nuenen gepraat.  Alle interviews samen in den lande hebben geresulteerd in een mooi E-book (zie Milieudefensie presenteert in Ebook gebundelde interviews met boeren ).

Als vervolg op Van erf tot Erf heeft Milieudefensie vijf Erfsessies belegd. Daarvoor waren steeds boeren uitgenodigd, burgers en mensen namens Milieudefensie – een soortement mini-SER.
Op 18 juni 2018 was er een Erfsessie bij De Ruurhoeve in Hoogeloon, een bedrijf van de familie Ansems. Dat bedrijf is overigens wel gewend aan aanloop en daarop ingericht met een gastenzaal: in 2012 (zegt hun website) kwamen er ruim 11000 bezoekers over de vloer.
Voor Milieudefensie Eindhoven waren Dorry en ik er (mooie afstand voor de nieuwe E-bike).

Erf van de Ruurhoeve

Actieleider Bart van Opzeeland zette de grote lijnen van de strategie uiteen. Milieudefensie stond vroeger vooral tegenover de landbouw. Die polariserende strategie leverde weinig resultaat op en veel chagrijn. Daarom is Milieudefensie het anders gaan aanpakken.
Milieudefensie is geïnteresseerd in vormen van landbouw die wèl houdbaar zijn in Nederland. Veel boeren hebben dezelfde interesse. Daartoe wil Milieudefensie een band opbouwen met de sector. Vandaar al die campagnes. Allemaal Lokaal benadrukte het kringloopidee, Eerlijke melk wilde 5 cent per liter meer voor de melk om een verantwoorde bedrijfsvoering mogelijk te maken, Van erf tot Erf bracht allerlei concepten in beeld en de Erfsessies moeten uitmonden in een “erfpact”.

Milieudefensie schrijft daarover op de eigen site https://milieudefensie.nl/doe-mee/erfsessies :

     Boer en consument naast elkaar

Wij vinden het belangrijk dat boer en consument naast elkaar komen te staan. Samen kunnen we de toekomst van ons eten veranderen. Als we elkaar ontmoeten en in gesprek gaan, ontstaat er meer respect voor elkaar. Dat doen we tijdens de Erfsessies. We beginnen met samen eten en eindigen met een Erfpact. Dit Erfpact vat samen waar boeren en burgers met elkaar aan gaan werken om eerlijk en gezond eten op ons bord te krijgen.

Bart van Opzeeland (foto Milieudefensie)

Na een maaltijd werd er in wisselende groepen gediscussieerd over drie slagzinnen: “Eerlijk voor de boer”, “Eerlijk voor de consument” en “Eerlijk voor het milieu”. Daar komt veel bij kijken.

Men kan zich iets bij de positieve wensen voorstellen: een schaal die te overzien is, zoveel mogelijk op kringloopbasis, een gezonde bodem en weinig gif, koeien in de wei, het landschap sparen, en niet te vergeten een eerlijke prijs, enz.
Onvermijdelijk kwamen er ook problemen naar voren. De redenen, waarom Milieudefensie vroeger actievoorde tegen de landbouw, zijn immers niet verdwenen – en al helemaal niet in Brabant. De collectieve problematiek van de Brabantse landbouw rust als een loden last op individuele boeren, die het goede willen. Ook die moeten iets met mest en fijn stof en stalderen.
Daardoor bestaan er tussen de drie thema’s spanningen, zoals bleek uit een korte discussie over de Nederlandse Voedsel- en Waren Authoriteit (NVWA), die vanuit “eerlijk voor de consument” versterkt moet worden en die bij de boeren de kwaaie pier is vanwege de fipronilcrisis. Of dat als je uit kringloopoverwegingen alle melk in Nederland zou willen verkopen, meteen de melkprijs instort vanwege de overproductie.

Actieleider Bart van Opzeeland gaat alle flappen van deze en de vier andere bijeenkomst verwerken tot een mooi verhaal. Dat moet uitmonden in een op te stellen “erfpact”.
Dat gaat nog een klus worden.

Het kaasmagazijn van De Ruurhoeve

De Ruurhoeve
De Ruurhoeve (www.ruurhoeve.nl/)  staat bekend om zijn kaas en wint daar prijzen mee. De kaasfabricage dateert van 1988. Ze mogen als enige kaasboerderij in Nederland de naam ‘abdijkaas’ gebruiken. Daar gaat bier in van de trappisten van De Koningshoeve uit Berkel-Enschot. Ik heb er een flink stuk oude kaas van gekocht en het smaakt voortreffelijk.

De landwinkel, die er bij hoort, verkoopt ook andere producten dan kaas. Die komen uit de buurt.

De Ruurhoeve heeft 60 volwassen zwartbonte Holstein-Frisian koeien (met 50 stuks jongvee) die van 60 hectare gras leven, en 13 ha mais. De beesten kunnen naar buiten als ze daar zin in hebben.
De Ruurhove experimenteert met in Nederland gekweekte soja (zie bijv. www.demolenaar.nl/2015/01/13/nederlandse-soja-voer-voor-melkkoeien/ ).
Kalveren blijven een tijd bij de moeder.
Ze werken met akkerranden die niet geëxploiteerd worden langs de sloot dat daar geen mest in terecht komt, maar ook voor biodiversiteit).
Antibiotica worden niet preventief gebruikt (wat overigens in deze branche de standaard is).

De Ruurhoeve  is niet helemaal biologisch, omdat er af en toe nog gespoten wordt en men, wat antibiotica toedienen aan zieke dieren, wat minder streng in de leer is dan biologische boeren.

Koeien bij De Ruurhoeve.

Een mooi bedrijf!

OCI Nitrogen gaat grote mestvergister bouwen op Chemelot-terrein (update dd 29 juni 2018)

OCI Nitrogen is een groot chemisch bedrijf dat voortkomt uit twee activiteiten van de DSM (nl DSM Agro en DSM Melamine). De twee bedrijven zijn in 2010 opgekocht door de Egyptische multinational OCI, welke ze samengevoegd heeft tot één onderneming met de huidige naam. (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/OCI_Nitrogen ).
De fusie-onderneming zit nog steeds op wat toen het DSM-terrein (bij Geleen) heette en nu Chemelot. OCI houdt zich nog steeds vooral bezig met de productie van stikstofhoudende kunstmest en melamine.

Op dit terrein wil OCI Nitrogen, samen met Re-N Technology uit Hilvarenbeek, een mestvergister bouwen die jaarlijks 700.000 ton mest kan bewerken (dat is ongeveer 3,5% van alle mest in Zuid-Nederland). De naam wordt Zitta Biogas Chemelot. De provincie Limburg heeft de omgevingsvergunning al verleend.
Zie https://chemelot.nl/nieuws/oci-nitrogen-en-re-n-technology-ontwikkelen-biogasinstallatie-op-chemelot en www.ocinitrogen.com/NL/newscenter/Pages/Biogasinstallatie-maakt-productie-op-Chemelot-duurzamer.aspx .

Het realiseren van het plan hangt er van af of het SDE+ subsidie krijgt. Ik heb daarover nog niets vernomen. Zo ja, dan hoopt men in 2020 in bedrijf te zijn.
Update: op 27 juni 2018 meldde De Boerderij, dat er geen SDE+ – subsidie verstrekt wordt. Het bevoegd gezag RVO zegt niet waarom, maar verwijst naar andere projecten, zoals Agrogas in Varsseveld, dat €59 miljoen krijgt voor een vergister die 8 miljoen m³ biogas gaat maken. Zitta zou 40 miljoen m³ biogas gaan maken. Een financieel motief bij RVO ligt voor de hand.
De drie grootste mestvergistingsprojecten in 2017 zijn samen goed voor bijne €160 miljoen aan SDE+ .
Agrogas is al ruim 10 jaar bezig met de realisatie van zijn vergister.
De initiatiefnemers van Zitta beraden zich op de toekomst.

Er bestaan trouwens ook plannen (het is me niet duidelijk hoe ver die zijn) om een Zitta Biogas Tilburg (op de Spinder) op te richten.

Het schema van de beoogde vestiging op Chemelot:

Het schema van de mestbewerker Zitta Biogas

Het is uit de beschrijving niet duidelijk of het om een mono- of covergister gaat.
In de beschrijving van OCI Nitrogen bestaat de 700 miljoen binnenkomende biomassa slechts uit mest. Er is geen sprake van andere biomassa. De som van alle optelbare output-kilo’s zit een flink eind onder de input-kilo’s en ook dat doet vermoeden dat er geen aanvullend organisch materiaal binnenkomt. Ik zou dus denken dat het om een monovergister gaat, ware het niet dat er in de tekening co-vergister staat. Meer duidelijkheid is gewenst.
Ik hou het er toch maar op dat het om een monovergister gaat.

Het is een plan dat bij mij enerzijds bewondering oproept, en anderzijds vragen.

De plus
Enerzijds ben ik er principieel voor dat alle mest vergist wordt, alvorens er wat dan ook mee gebeurt, en dat daarna de kringlopen (met name die van fosfaat) zoveel mogelijk gesloten worden. Dat gebeurt hier. Verder ben ik er ook voor dat reststromen (zoals in dit geval de afvalwarmte van de kunstmest- en melamineproductie) hergebruikt worden en dat gebeurt hier ook.
Dat hergebruik is mogelijk omdat de vergister op een groot industrieterrein staat, dat gespecialiseerd is op grootschalige en soms gevaarlijke chemische processen. Omdat Chemelot een privaat terrein is, heersen er op Chemelot veiligheidsvoorschriften die verder gaan dan die welke publiek afgesproken zijn. Zo beschouwd is er moeilijk een beter terrein te bedenken dan dit terrein.

Chemelot. Door Michiel1972 – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=9896960

Het jaarlijkse resultaat bestaat uit

  • 43 miljoen m3 biogas (bij een 50-50 methaan-CO2 verhouding en bij 50°C) goed voor 50 miljoen kg en voor 0,58PJ . De monovergister zou dan all-in ongeveer 0,8GJ/ton halen. Zou kunnen.
    Voor 0,58PJ stroom uit zonnepanelen heb je een park nodig van ongeveer (bruto) 1,5km2 (150 hectare).
  • 75 miljoen kg droge mestkorrels, die het overgrote deel van het fosfaat bevatten dat eerst in de mest zat
  • Iets meer dan 30 miljoen kg, wat men noemt, “vloeibare kunstmest”
  • 300 miljoen kg schoon water als vloeistof
  • En (om de balans sluitend te maken) ongeveer 240 miljoen kg water in de dampvorm. Er wordt in de plannen niet vermeld wat daarmee gebeurt.
  • En (niet in gewicht uit te drukken) een ontsmetting en een gereduceerde stank van het product. Ik ga er van uit dat een professionele inrichting als deze, op een dergelijke locatie, zijn atmosferische emissies onder controle krijgt.

Dit alles aan de positieve kant van de balans.

De min
Er zijn twee categorieën onopgeloste hoofdproblemen.

De ene categorie betreft naar welke keten je kijkt.
De korte keten (die van de varkenskont tot mestkorrel, methaan en vloeibare kunstmest) is netto energetisch rendabel en hergebruikt materiaal, en kan bij een goede vormgeving binnen zijn beperkingen duurzaam zijn.
De lange keten begint momenteel in het tropisch regenwoud en loopt via allerlei emissies,  bodemuitputting en andere onwenselijke fenomenen tot een volledig uit de hand gelopen veeteelt. De lange keten is zeker niet duurzaam.
Het probleem is echter dat op de lokale en regionale schaal slechts zeer beperkt wat tegen de onhanteerbare omvang van de veeteelt te doen valt, en dat de landelijke politiek niet wil.
Er is op zichzelf niets op tegen, en veel op voor, om alle mest te bewerken op een wijze als hier geschetst, maar dan op basis van een veel kleinere veestapel. Alleen, die is er niet en vooralsnog komt die er niet.

Kalkammonsalpeter van OCI Nitrogen

Zolang de veeteelt wel te groot voor Nederland  is, betreft de tweede categorie de mate waarin de fosfaat en het nitraat uit het Nederlandse systeem kunnen worden gebracht. Pas als dat lukt, wordt mestbewerken mestverwerken.
Vergisten op zichzelf brengt geen mest uit het systeem. Alleen de vervolgbewerkingen kunnen in principe uit het systeem treden.
Omdat Nederland vol zit, betekent “buiten het systeem brengen” in praktijk “exporteren”. De beschrijving van Zitta Biogas (voor zover deze op Internet te vinden is) doet er geen uitspraak over in hoeverre dat zal lukken. Vooralsnog wordt dat slechts zonder nadere argumentatie verondersteld.
De mestkorrels moeten in de toekomst concurreren met de ruwe mest, die nu met verhitten als enige bewerking geëxporteerd mag worden. Het moet blijken of de betere kwaliteit van de mestkorrels ten opzichte van ruwe mest opweegt tegen een prijs, die waarschijnlijk ook hoger is. Mogelijk lukt dat.
Van de dunne fractie is onduidelijk of er iets zinvols mee gedaan kan worden. De omschrijving “vloeibare kunstmest” klinkt sjiek, maar in de praktijk zitten, bij experimenten tot nu toe, de nutrienten er zeer sterk verdund in en in de verkeerde verhouding stikstof staat tot kalium (teveel kalium kan leiden tot dierziektes). Bovendien zitten er, zonder nadere bewerking, hormonen, medicijnresten, zware metalen en zo in. Uit het installatieschema blijkt niet dat er op dit concentraat een verdere nabewerking wordt toegepast.
Wageningen verwacht tot nu toe weinig heil van dit “concentraat” en deskundigen noemen het in De Boerderij “wensdenken” (www.wur.nl/nl/nieuws/Invloed-van-kunstmeststatus-op-afzet-mineralenconcentraat-gering.htm ).
Mogelijk kan een professioneel chemisch bedrijf dingen die anderen niet kunnen, maar vooralsnog blijkt dat uit niets.
Vooralsnog eindigt er heel erg veel stikstof, al dan niet legaal, in het grond- en oppervlaktewater.

De plus plus de min
De koninklijke weg zou zijn om een breed akkoord te sluiten waarin de verschillende energetische, klimatologische en agrarische problemen aan elkaar gekoppeld worden en de veeteelt niet langer te groot is voor Nederland.
Maar dit paradijs bestaat niet, er bestaan alleen dilemma’s (sommige reëel, andere vals).

Mijn idee zou zijn om, zolang de situatie zo is als die is, van alle mestbewerking te eisen dat die begint met een vergistingsstap, dat er ergens daarna voldoende verhitting plaats vindt, dat het hele proces professioneel volgens high tech-criteria verloopt, en dat de vergunning langlopende afzetcontracten voor fosfaat en nitraat als voorwaarde eist.
In technische zin kan men zich nauwelijks een betere omgeving voor een dergelijke grootschalige inrichting voorstellen als deze beoogde inrichting op Chemelot.
Als ze nou ook nog tussen nu en 2020 eens afzetcontracten op tafel konden leggen?

Milieudefensie presenteert in Ebook gebundelde interviews met boeren

Van erf tot Erf – hoe wordt ons eten gemaakt?
Milieudefensie wil boer en consument dichter bij elkaar brengen. Laten zien hoe je eten wordt gemaakt. Zo zullen boeren en consumenten meer naast elkaar staan in plaats van tegenover elkaar. En dat is nodig want alleen samen kunnen we voor verandering zorgen. Daarom zijn ruim 100 vrijwilligers rond de jaarwisseling 2017-18 van erf tot erf langs gegaan bij boeren in het hele land. De gesprekken gingen over hoe de toekomst van boeren eruit ziet. En over hoe je gezond eten op een duurzame en eerlijke manier kan maken.
De veeteelt komt vaak negatief in het nieuws. De sector als geheel is te groot geworden voor Brabant. Afzonderlijke boeren echter hebben verhalen die je soms graag wilt horen.

De Genneper Hoeve in Eindhoven

Milieudefensie Eindhoven heeft met vier boeren gepraat. Leonhard en Bernard met Erik van de Ven en Tiny Schepens, beide varkenshouders in Eindhoven resp. Gerwen, en Dorry en Sanne met de biologische varkenshouderij De Blije Big in Eindhoven en de Genneper Hoeve, een gemengd bedrijf, ook in Eindhoven. Het waren zeer interessante gesprekken.

De interviews zijn samengebracht in een E-book. Dat is te vinden via https://milieudefensie.nl/actueel/van-erf-tot-erf-verhalenbundel-nu-online . Het is zeer de moeite waard om te lezen.

Mestongeval Makkinga leidt tot veroordeling bedrijf in hoger beroep

Wat er gebeurd is en het vonnis
Op 19 juni 2013 wilde het bedrijf Heeres Mix & pomptechniek uit Abbega een opdracht uitvoeren om in het Friese Makkinga een mestsilo, waarin nog rundermest aanwezig was, schoon te maken en om een kapotte mestmixer te vervangen. Het werd een drama.

De eerste werknemer van Heeres ging met adembescherming de silo in en raakte bedwelmd. De tweede werknemer, die aan de buitenkant op de ladder de wacht hield, ging daarop (zonder enige bescherming) ook de silo in en raakte ook bedwelmd. De veehouder zelf volgde en raakte ook bedwelmd, waarna een werknemer van het loonbedrijf dat de mest moest afvoeren hetzelfde lot onderging.
De twee werknemers van Heeres overleden, evenals de veehouder. De man van het andere loonbedrijf overleefde met blijvende schade.
De vader van de veehouder heeft nog (vergeefs) geprobeerd met een tractor met een hefvork erop de silo kapot te rammen. Pas de brandweer, met perslucht, kreeg met veel moeite een gat onderin de wand gezaagd waardoor de lichamen uit de silo gehaald konden worden.

De onuitroeibare neiging van mensen om andere mensen te helpen droeg hier bij aan een onbedoeld drama dat alleen maar verliezers kent.

Luchtmasker en compressor in Makkinga

Directeur Heeres van genoemde onderneming moest zich voor de rechter verantwoorden, eerst voor de Rechtbank in Zwolle en daarna voor het Gerechtshof in Leeuwarden. Hem werden overtredingen van de arbeidsomstandighedenwetgeving ten laste gelegd. Beide instanties kwamen tot dezelfde uitspraak: een ton boete, 240 uur werkstraf, en een jaar voorwaardelijk.

De uitspraak van het Gerechtshof is te vinden op https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2018:5635 .

Het vakblad de Boerderij schrijft veel over deze zaak. Wie het verhaal in gewone mensen-taal wil lezen, kan kijken op www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2018/6/Verdachte-ongeval-mestsilo-Makkinga-opnieuw-veroordeeld-299407E/ .

Mestgassen en spuiwater
Onbewerkte mest is gore zooi en per definitie levensgevaarlijk, tenzij je of heel goed uitkijkt of geluk hebt, zelfs in ruimtes die niet eens helemaal afgesloten zijn.
Vooral H2S (zwavelwaterstof) is een verraderlijke killer, en soms staat ook blauwzuur (waterstofcyanide, HCN) onder verdenking.
CO2 is zwaarder dan lucht en kan daarom in een besloten ruimte verstikkend werken.
Ammoniak (NH3) is ook heftig, maar als regel niet meteen dodelijk en lichter dan lucht, evenals methaan (dat niet erg toxisch is).
Alle gassen zijn uiterst brandbaar.

Eigenschappen van H2S en HCN

Rundermest is in zoverre extra gevaarlijk, omdat er na verloop van tijd een korst op komt. Daaronder verzamelen zich de gassen, die als een wolk vrij kunnen komen als bij bewerkingen de korst breekt.

Men komt in alternatieve kringen wel eens een soort mest en bodem – romantiek tegen. Misschien toch goed om vragen te stellen over de voorgeschiedenis van die mest.

Heeres beriep zich in het hoger beroep op het gegeven dat de mest in de silo aangezuurd was met spuiwater van een luchtwasser, dat hij dat niet wist, en dat als hij dat wel geweten had, hij de klus niet aangenomen had. De schuld lag dan ook, volgens hem, bij de veehouder. Deze uitspraak leidde tot heftige emoties.
Spuiwater van een chemische luchtwasser bevat als regel zwavelzuur (wat in overmaat toegevoegd wordt om maar zoveel mogelijk ammoniak te vangen), en het toevoegen van zwavelzuur aan mest kan inderdaad chemische evenwichten verschuiven, waardoor zure gassen als H2S en HCN omhoog kunnen wolken.
Het gerechtshof ging hier uiteindelijk, na raadpleging van enkele deskundigen, niet in mee. Heeres had een punt, maar dat punt werd niet zwaar genoeg bevonden. Ook zonder spuiwater was de mest al zo levensgevaarlijk, dat de klus niet op deze wijze uitgevoerd had mogen worden.

De Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV)
De OVV heeft naar aanleiding van het ongeval in Makkum een onderzoek verricht naar mestgassen (zie www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/1959/dodelijk-ongeval-in-mestsilo-te-makkinga/publicatie/1517/gevaren-mestgassen-onderschat ).

Aantal geregistreerde mestongevallen in Nederland

De OVV zegt dat het ongeval in Makkinga niet op zichzelf staat. Tussen 1980 en 2013 hebben zich in Nederland ten minste 35 ernstige ongevallen met mestgassen voorgedaan. Daarbij vielen 57 slachtoffers, waarvan 28 doden.
De OVV meent dat dit het topje van de ijsberg is, en dat veel ongevallen niet gemeld worden. Bijvoorbeeld niet, als er geen mensen overlijden of gewond raken, maar wel dieren.

De drie doden door H2S bij Reiling in Sterksel zijn hierin niet meegenomen, omdat het daar niet om mest ging, maar om waterzuiveringsslib.

Mogelijk berust de stijging in de laatste vijf jaar mede op een betere rapportage. Maar vast staat ook dat er in deze periode sprake is geweest van toenemende “bij-mixing”.

Letterlijk zegt de OVV:
Kennis en risicobesef
Mestongevallen vinden vooral plaats in besloten ruimten zoals een silo of tank (voor transport en uitrijden) en in stallen tijdens het mixen van de mest in de ondergelegen kelder. Het merendeel van de ongevallen ontstaat doordat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen worden getroffen, zoals het gebruik van geschikte adembeschermingsapparatuur, het regelmatig mixen van de mest en het zorgen voor voldoende ventilatie. Het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen bij het werken met mest komt naar het oordeel van de Raad vooral door het ontbreken van kennis en daardoor onderschatting van de gevaren. Een belangrijke oorzaak van het tekort aan kennis en risicobesef is dat de gevaren van mestgassen niet worden behandeld in agrarische opleidingen.

Risicoverhogende ontwikkelingen
De ontwikkelingen in de agrarische sector van de afgelopen decennia hebben de kans op ongevallen vergroot. Schaalvergroting, strengere milieuwetgeving en aanscherping van het mestbeleid hebben er toe geleid dat meer mest wordt geproduceerd, de mest gedurende langere tijd wordt opgeslagen en de mestopslagen afgesloten zijn. Verder worden in toenemende mate stoffen als spuiwater (een soort vloeibare kunstmest afkomstig uit luchtwasinstallaties) toegevoegd aan de mest, wat de vorming van mestgassen kan versterken. Hiermee zijn ook de risico’s groter geworden, wat te weinig aandacht heeft gekregen in de sector zelf en bij de overheid.”

De OVV signaleert dat de stallen, en de bijbehorende kelders en silo’s, steeds groter geworden zijn. Dat komt mede omdat de periode, waarin geen mest mag worden uitgereden, langer wordt en dat dus de mest langer bewaard moet worden. Er treden overschotten op en er moet vaker geroerd worden.
Vanwege het milieu zijn mestsilo’s steeds vaker afgedekt. De opkomst van emissie-arme roostervloeren maakt dat het boven die vloer beter is (hoewel ook dat mis kan gaan), maar dat het eronder dus slechter is.
De laatste jaren wordt er steeds meer bijgemengd bij de mest. Dit levert soms risico’s op.

De OVV zoekt de oplossing in scherpere regels en meer aandacht in het agrarisch onderwijs, zulks vooral te realiseren door de branche-organisaties.

Overzicht van gevaarlijke situaties

Waarom niet het probleem zelf aanpakken?
De beperking van het rapport van de OVV is dat er geen maatregelen aan de orde komen die de oorzaken van de gevaren aanpakken, maar alleen de omgang met de gevaren. De OVV en het Gerechtshof behandelen de vraag slechts als een ARBO-probleem.
Mij interesseert de vraag of dat, wat vanuit de ARBO-optiek logische maatregelen zijn, in lijn of in tegenspraak zijn met wat men vanuit de milieu- en klimaatproblematiek zou willen.

Er staat in elk geval minstens één deur wagenwijd open.
Aan de ARBO-onveiligheid ligt ten grondslag dat er teveel mest is, en dat die te lang bewaard moet worden. Dat komt weer omdat er teveel dieren zijn, en omdat daardoor de regels steeds strenger worden. Minder dieren is beter voor arbeidsveiligheid, milieu en klimaat.

Er wordt steeds meer bijgemixt o.a. omdat er steeds meer luchtwassers zijn (waaronder chemische), en omdat die standaard spuiwater produceren met ammoniumsulfaat en zwavelzuur. Beide mogen door de mest gemixt worden (de eerste omdat ammoniumsulfaat in technische zin als kunstmest geldt en de tweede omdat het niet verboden is – het gebeurt soms om de ammoniak die nog in de mest zit te neutraliseren, maar tegelijk kan dat zwavelzuur H2S en HCN vrijmaken).
Minder dieren leidt tot minder ammoniak leidt tot minder luchtwassers leidt tot minder spuiwater.
Met zou het chemische spuiwater als chemisch afval kunnen definieren.

Ik ben nog voorzichtig met een andere gedachte, namelijk dat het vergisten en hygieniseren van mest , behalve dat het gunstig is voor klimaat en milieu (dat staat op zich vast) ook voor de arbeidsveiligheid gunstig is. Ik denk dat dat zo is, maar daar staan nog vraagtekens bij.
De beste mestbewerking die ik met eigen ogen heb zien werken was die bij zuivelboerderij Den Eelder (zie Op werkbezoek bij zuivelboerderij Den Eelder ). Daar staan 550 volwassen koeien op stal (het is dus een hele grote boerderij). De stront wordt met een lopende band-schuif non-stop tussen de koeienpoten door in een put geschoven, vanwaar het in real time met een ondergrondse pijpleiding naar een flinke monovergister gaat, die elektriciteit levert en veel proceswarmte voor de zuivelverwerking en voor het hygieniseren van het digestaat (dat is wat uit de vergister komt).

De monovergister van Den Eelder.
(op de foto dhr. Gosselink van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM)

De gevormde H2S-verontreiniging wordt als onderdeel van het proces afgevangen, de methaan wordt als doel van het proces opgevangen.
De combinatie van vergisten en (vooral) hygieniseren reduceert het aantal gramnegatieve bacterien (waaronder salmonellen, E.Coli en Q-koorts ) drastisch.
Pas vergiste mest (dat heet digestaat) is een stuk minder gevaarlijk als onvergiste mest.
Daar staat tegenover dat er leidingen en pompen zitten tussen de stal en de vergister, waar onbewerkte mest doorheen loopt. Verder is het mij niet duidelijk hoe het digestaat zich gedraagt als dat maanden zou moeten worden opgeslagen –  wat dus moet omdat er in totaal teveel mest is – gaan zich dan opnieuw gevaarlijke gassen vormen?

Mijns inziens liggen hier nog de nodige onderzoeksvragen.

Natuurmonumenten in actie voor insecten

Onder de titel “alle beestjes helpen” onderneemt Natuurmonumenten een publiciteitsoffensief vanwege de ondergang van de insecten in Nederland. In 30 jaar verdween driekwart van die beestjes die, anders dan wel eens gedacht, ook vaak nuttig zijn.

Natuurmonumenten wil dat iedereen zoveel mogelijk stukjes groen in de eigen omgeving claimt voor de natuur, al is het in de eigen tuin of op het eigen balkon.

Je kunt een gratis Insectengids bestellen (met kans op een verblijf bij Landal Greenparks ter waarde van €350 ).

Uitleg en bestelling op www.natuurmonumenten.nl/gids .