Ik heb in een vorig artikel over de landsbrede SDE+ – beschikkingen voorjaar 2016 gezegd dat ik nog wat zou gaan grasduinen. Conform de focus van deze website heb ik naar Brabant gekeken.
Samenvatting Brabantse beschikkingen 2016 voorjaar, deel 1Samenvatting Brabantse beschikkingen 2016 voorjaar, deel 2
Vooraf: ik heb alleen de lijst met antwoorden gezien, niet de lijst met aanvragen. Ik kan dus niet beoordelen er in hoeverre er significant verschil is tussen beide. Het enige voor de hand liggende verschil is dat in de beschikkingen t.o.v. de aanvragen onevenredig veel goedkope of onvermijdbare projecten zitten. Bij gebrek aan beter ga ik er van uit dat er geen ander significant verschil is.
Wat valt op?
Er is extreem veel biomassavermogen toegekend. Landelijk ging 67% van het nieuw beschikte vermogen naar biomassa. In Brabant is dat, het is niet geheel onverwacht, meer, maar wel erg veel meer. In Brabant ging 94% van het nieuw beschikte vermogen naar biomassa. Sommige mensen in linkse partijen en de milieubeweging vinden het bon ton om (zonder veel kennis van zaken) op energie uit biomassa te schelden. Misschien moesten ze dat toch maar eens wat minder gaan doen en op zijn minst afzonderlijke situaties eerst analyseren. Van dat nieuwe Brabantse biomassavermogen ging 63% naar de bij- en meestook in de Amercentrale, en 30% naar de stadsverwarming in Tilburg en Breda.
De locatie van de Amercentrale
Wat gebeurt er met de Amer-9? De bij- en meestook in de Amercentrale houdt op als de regering deze kolencentrale (de Amer-9) inderdaad gaat sluiten. Die kans is niet gering. Het sluiten van de Amer-9 heeft een voordeel en twee nadelen. Het voordeel is dat er geen CO2 uit kolen meer in de lucht komt. Het eerste nadeel is dat er vooralsnog hetzelfde vermogen uit gas zal worden opgewekt, waarbij ook CO2 vrijkomt, maar minder. Voor het klimaat is dit per saldo winst. Het tweede nadeel is dat de meegestookte biomassa goed is voor 8,8PJ per jaar. Brabant wil in 2020 toegroeien naar ca 40PJ duurzame energieopwekking, en die 8,8PJ is daarvan een slok op een borrel.
Geen wind en geen zonneboilers toegekend Ik vind het typisch dat er in Brabant niet één windenergieproject en niet één zonne-thermie project toegekend is. Elders in den lande zijn die wel toegekend.
Zonne-energie (PV) versnipperd Wat in het oog springt is dat onevenredig veel zonnepaneel-projecten (157 van de 179) onevenredig weinig vermogen opleveren (32,8 van de 701,9MW), en nog onevenredig minder van de productie (0,11 van de grofweg 10 a 15PJ die in totaal toegevoegd zijn inclusief de Amer-9). Vanwege de veel ruimere bedrijfstijd levert het ene nieuwe geothermieproject met 0,17PJ per jaar al meer op dan alle zonnepanelen samen. Wil zonne-energie (PV) kwantitatief zoden aan de dijk gaan zetten in Brabant, dan moeten er heel veel oppervlak komen. Dat halen we niet met alleen maar een heleboel goedbedoelde, maar versnipperde kleine projecten. Op de vliegbasis Eindhoven zou bijv. veel meer kunnen staan als de 80kWpiek die Eindhoven Airport op zijn dak mag gaan plaatsen (Rotterdam Airport plaatst bijvoorbeeld 500kWpiek).
Mestvergisting Op mestgebied wordt het leven van vijf bestaande installaties verder voortgezet. Die werken als WKK-installatie (maken warmte en stroom). 13,6MW bij 5855 bedrijfsuur per jaar, dus ze leveren 0,29PJ per jaar. Bij “verlengde levensduur mestcovergisting WKK” gaat per kWh 7,1 cent subsidie, bij nieuwe installaties van dit type 8,5 cent/kWh en bij zonnepanelen per kWh 9,3 cent. Men kan van alles vinden van mestcovergisting, maar ze zijn in de SDE+ 2016 rendabeler dan zonnepanelen.
Mestvergister
Gemeenten Geen enkele Brabantse gemeente is als zodanig in de prijzen gevallen. In den lande is het in 2016, eerste tranche, alleen de gemeente Korendijk gelukt om SDE+ subsidie te krijgen. Het kan dus wel en in 2014 waren er 181 beschikkingen voor gemeentelijke overheden. Waarom nu niet, is mij niet bekend. Niet aangevraagd?
Bedrijven en instellingen hebben samen 179 beschikkingen gevangen die in Brabantse gemeenten terecht zijn gekomen. Daarvan onwaarschijnlijk veel in de gemeente Breda. Die heeft er meer dan de volgende 10 samen. Van die 59 Bredase beschikkingen lijkt het grootste deel van commerciele huize. Als de gemeente Breda hierop beleid gezet heeft, zou ik graag dat beleid vernemen. Misschien kunnen andere gemeenten ervan leren.
Ik heb in deze kolommen al vaker over de stadsverwarming in het algemeen en die in de Eindhovense wijk Meerhoven in het bijzonder geschreven, en ook over de Warmtewet.
De stadsverwarming heeft twee, jegens elkaar vijandige, kanten die mij beide sympathiek zijn: enerzijds dat een stadsverwarming een goede manier is om zuinig met energie om te gaan, anderzijds dat bewoners vaak uitermate boos zijn vanwege de manier waarop de kosten bij hun in rekening gebracht zijn.
Wie over dat laatste meer wil lezen, moet maar kijken naar mijn commentaar bij de evaluatie van de Warmtewet (zie De Warmtewet moet anders! ).
De techniek van de biomassacentrale
Vandaag alleen over de technische kant van de biomasssacentrale in Meerhoven en dat is omdat Ennatuurljk op 20 juli 2016 daar een open dag had georganiseerd. Iedereen mocht in de biomassacentrale komen kijken waarmee de stadsverwarming in hoofdzaak gevoed wordt
(hieronder de basiswarmte).
Schema van de stadsverwarming in Meerhoven
De biomassacentrale draait er gemiddeld 500 ton hout per week doorheen. Dat hout komt van terreinbeheerders in pakweg het MRE-gebied (transportafstanden tot enige tientallen kilometers). Elk jaar is er een aanbesteding. De instanties die mogen leveren krijgen er €28 tot €30 per ton voor. Dat bedrag zou bijvoorbeeld Staatsbosbeheer kunnen helpen bij het beheer van het Leenderbos.
Het hout moet gesnipperd zijn (0,5 tot 5cm), onbehandeld en er mag geen zand inzitten.
De oven produceert stoom, die goed is voor 1,13MWel en 5,6MWth . Als de biomassacentrale de voorziene 50 weken per jaar nonstop draait, zou dat goed zijn voor ruim 30TJ elektriciteit en 170TJ warmte. Het zal in praktijk wel minder zijn, maar ik heb nog niet kunnen achterhalen
hoeveel minder.
De warmte gaat naar ruim 3000 woningen in de deel-wijken Grasrijk en Zandrijk, de stroom gaat het elektriciteitsnet in.
Het netto overall rendement van het systeem zit rond de 80%.
Het systeem heeft buffer- en backup voorzieningen.
In de twee weken dat de centrale buiten gebruik is, en in extreme situaties, wordt de levering voortgezet met gasturbines.
Het ‘torentje’ naast de centrale is een buffervoorraad voor ongeveer 4 uur warmtelevering.
De biomassacentrale in Meerhoven
Als ik de rondleider goed begrepen heb, worden de afgassen gereinigd met een Venturiwasser en daarna een doekfilter. Verder is een katalyti-
sche DeNox-installatie voorzien.
De as gaat als vulmiddel in asfalt.
Er zijn mij geen klachten bekend over de effecten van de biomassacentrale op de omgeving.
Een korte geschiedenis van de stadsverwarming Meerhoven Meerhoven is als ecologisch moderne wijk ontworpen. Ik weet dat goed, omdat ik in de gemeenteraad zat toen alle plannen passeerden. Sindsdien is er nogal wat water bij de wijn gedaan. Het concept stadsverwarming gold in de jaren ’90 als modern-ecologisch. Ik deelde dat oordeel. De tijden zijn drastisch veranderd, maar ook nu nog vind ik dat een bestaande, technisch goede stadsverwarming doorslaggevende ecologische voordelen heeft. Of je er nu nog een zou moeten bouwen, is een ander verhaal dat nu te ver voert.
De stadsverwarming in Meerhoven als geheel is ouder dan de biomassacentrale.
De eerste woningen zijn opgeleverd rond of kort na 2000. Uit die tijd zijn dus ook de meeste leidingen.
De warmte kwam toen uit vijf gasgestookte warmte-krachtkoppelingen in Grasrijk en Zandrijk.
Vroegere WKK-wijkinstallatie
De biomassacentrale is in 2011 aan het bestaande systeem toegevoegd. De vijf vroegere WKK-inrichtingen verloren hun rol als productie-eenheden grotendeels (behalve in uitzonderlijke omstandigheden), en werden distributielocaties (in bovenstaand schema het middelste grijze hok).
De huidige onvrede van bewoners vloeit voort uit de wijze, waarop de aanlegkosten verrekend zijn. Een onevenredig deel van de onrendabele top is richting bewoners geschoven en dat is niet erg transparant gebeurd. De effecten daarvan zitten nog steeds in de tarieven.
Bovendien zijn huizen, die op de stadsverwarming aangesloten zijn, soms slechter dan overigens vergelijkbare huizen die niet op de stadsverwarming aangesloten zijn.
Voor zover mijn kennis reikt, is minstens een deel van de onvrede terecht.
Ik heb er echter moeite mee dat een kritiek op financiele aspecten van een concreet vormgegeven stadsverwarming omgezet wordt in een aanval op het concept als zodanig.
De biomassa-centrale op Strijp T
Het Eindhovense biomassaprogramma Zoals veel steden, heeft ook Eindhoven de ambitie om op termijn energieneutraal te worden. Dat is overigens geen geringe opgave.
Onderdeel is een biomassaprogramma, dat momenteel uit 6 centrales bestaat.
Strijp T heeft overigens de hele buurt in de rook gezet (zie Houtrook op Strijp T ongevaarlijk? ). Dat kwam, naar men tijdens de open dag zei, doordat het hout te nat was, doordat de warmtevraag nog klein was, dat daardoor de centrale aan de ondergrens van zijn regelvermogen zat, en dat daardoor de verbrandingstemperatuur te ver zakte). Mogelijk. Maar het had niet mogen gebeuren.
Er staan geen bedrijfstijden bij, waardoor het jaarlijkse verbruik niet rechtstreeks geschat kan worden.
Wel meldt genoemde bron dat De Tongelreep jaarlijks 7600 ton CO2 bespaart. Als de Tongelreep anders met aardgas zou zijn gestookt, was dat gas goed geweest voor 136TJ.
Zo ook meldt de bron dat de overige vier centrales samen (Strijp S is nog in voorbereiding) goed zijn voor 21.600 ton CO2 , wat op dezelfde basis overeen zou komen met 386TJ.
Om dit alles enigszins te plaatsen: het totale finale energiegebruik van de gemeente Eindhoven (dat wat als energie wordt afgeleverd aan huishoudens, bedrijven, scholen etc) zit op 19.000 a 20.000 TJ. Dat cijfer kan worden vergeleken met bovenstaande TJ-aantallen.
Er is dus nog veel te doen en elke denkbare techniek moet uit de kast worden gehaald.
Tijdens het provinciale Energiefestival op 1 juni 2016 waren er allerlei workshops en excursies. Een interessante excursie ging met de bus naar zuivelboerderij Den Eelder, bij Kerkwijk en Ammerzoden. Eigenaar is de familie Van der Schans.
Zie ook http://www.deneelder.nl.
Op Den Eelder hebben ze momenteel 550 melkkoeien en 350 stuks jongvee op eigen (zware klei)grond. Het is dus een relatief grote boerderij. Een deel van de koeien staat een deel van de tijd in de wei.
Den Eelder draait (het zijn mijn woorden, niet die van hen) half-biologisch. De familie zegt veel elementen van biologisch boeren toe te passen, maar ze gebruiken kunstmest en ze passen in een eerder stadium dan biologische boeren curatieve antibiotica toe. Preventieve antibiotica worden niet toegepast.
De familie Van der Schans wilde wat betekenen voor een duurzamer aarde. Op zijn minst moest het eigen bedrijf energieneutraal. Ze wilden niet aan een windturbine en kozen uiteindelijk voor het vergisten van de mest van hun koeien.
Daar kun je twee kanten mee op: mono- en covergisting. Bij monovergisting wordt alleen de mest zelf vergist, bij covergisting gaat er plantaardig materiaal en bepaalde soorten afval en reststoffen bij. Elk van beide technieken heeft voor- en nadelen.
Covergisting brengt makkelijk 5 tot 10 keer zoveel op (in mest zelf zit niet heel veel energie, die zit vooral in de maïsstengels en het bermgras dergelijke), maar de prijzen van covergistingsmateriaal kunnen omhoog schieten bij schaarste en/of als ze in Duitsland gesubsidieerd worden.
Uiteindelijk heeft men op Den Eelder voor monovergisting gekozen op het eigen erf.
De mestschuif
De mest wordt verzameld met een permanent doorlopend schuifsysteem, naar de vergister gevoerd en daar in real time verwerkt. Daardoor komt er maar heel weinig methaan uit de mest in de atmosfeer. Dat is een groot voordeel, want het is een krachtig broeikasgas.
Omdat er in mest op zich relatief weinig energie zit (het is veel water), is voor een bescheiden vermogen een forse installatie nodig.
De monovergister. (op de foto dhr. Gosselink van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM)
De installatie verwerkt 15.000 ton dagverse mest per jaar en produceert daarmee jaarlijks via een gasmotor 0,50 miljoen kWh elektrische energie (1,8TJ) en (via die motor en een kachel) 1,5 kWh miljoen warmte (5,4TJ) in de vorm van water van 110⁰C.
De installatie heeft €800.000 gekost en bespaart jaarlijks voor 10% van dat bedrag aan stroom en gas. Daarnaast krijgt Den Eelder 12 jaar lang SDE+ subsidie. Het komt net uit.
Het processchema
Daarnaast liggen er bij Den Eelder ongeveer 1100 zonnepanelen op het dak van de bedrijfsgebouwen. Die moeten volgens de gangbare statistiek jaarlijks ongeveer 0,85TJ leveren.
Een deel van de 1100 zonnepanelen
Als je alles optelt (wat officieel niet mag) kom je aan 8,0TJ per jaar. Dat dekt volgens Van der Schans ongeveer de eigen jaarlijks energiebehoefte. Hij levert niet veel terug aan het net.
Van der Schans erkent de gangbare wijsheid dat het vergisten niet helpt voor de fosfor- en stikstofproblematiek, waaraan de wettelijke bepalingen zijn opgehangen. Hij zou ooit nog wel eens een scheidingsinstallatie achter zijn vergister willen hangen om het restproduct uit de vergister, het digestaat, tot kunstmestvervanger op te waarderen..
Een blik op de melkverwerkingstechniek
Als men de zaal met de melkverwerkingstechniek ziet, en de vergister en de zonnepanelen, rijst de vraag in hoeverre het eigenlijk zinvol is een scherpe scheiding te hanteren tussen een agrarische en een industriële bestemming.
Bij de Raad van State speelt dat ongetwijfeld een rol. Maar als die niet in beeld is, kan men zich gevoeglijk de vraag stellen hoe materieel eigenlijk het verschil is tussen een groot boerenerf en een klein industrieterrein.
Ik had beloofd nav de Uitvoeringsagenda Energie een derde artikel te schrijven, dat specifiek inging op de Quick Scan Warmte Noord-Brabant.
Die Quick Scan is een typisch verhaal.
De eerste reden is dat de Quick Scan gebruikt wordt om in het begin (blz9) de Uitvoeringsagenda Energie een wetenschappelijke tint te geven, terwijl de provincie zichzelf op het eind een taak oplegt (uitgedrukt in % van 287PJ). De koppeling tussen beide valt niet te achterhalen. Of die koppeling is goed verstopt, of ECN heeft zijn scan voor Piet Snot gemaakt.
Ontwikkeling bij autonoom beleid als de landelijke NEV-maatregelen uit het Energieakkoord uitgevoerd zijn
Tweedens: de provincie maakt op blz9 een ernstige fout door hier bij-
stook in de Amercentrale en in de industrie, ter waarde van 6,4PJ, op te nemen. Die 6,4PJ zit al in de maatregelen waarmee ECN, op basis van autonoom beleid en uitvoering van maatregelen uit de Nationale Energie Verkenning (NEV), tot 36,4PJ duurzame opwekking in 2020 komt (zie boven). Dat is niet genoeg want 12,4% (zie mijn eerste artikel over dit onderwerp), en daarom doet ECN een pakket aanbevelingen, die het %
duurzame opwekking iets boven de gewenste 14% tillen. Dat pakket staat correct verwoord op blz 9 (bolletje 1,2,3,4,6). Bolletje 5 (genoemde 6,4PJ) mag daar niet staan, want dubbelop. Consequenties heeft dit niet, want het staatje wordt toch verder niet gebruikt.
Het is bovendien sowieso de vraag of de Amer9 open blijft.
Tenslotte geeft ECN om mij onduidelijke redenen alleen warmteopties als aanvullende maatregelen. Het klopt dat warmte een grote post is, en het is inderdaad verstandig om naar warmtemaatregelen te kijken, en ECN komt ermee tot 14%, maar het is niet logisch om je daartoe te beperken. Waarom niet bijvoorbeeld extra zonne-energie opgevoerd? Per slot van rekening moet er na 2020 verder verduurzaamd worden en zelfs al eerder als het Urgenda-vonnis standhoudt..
Maar de warmtevoorstellen van ECN zijn interessant in eigen recht want er moet sowieso een Brabants warmteplan komen (zie Brabants warmteplan nodig ). Daarom loop ik er doorheen.
De berekening van de opbrengst van de Nul op de Meter-operatie (NodM) Dit is een ingewikkeld verhaal! Ik heb er minstens een uur op zitten puzzelen. Ik geef het toch, want er is tot nu toe onverantwoord weinig informatie over dit onderwerp gegeven. Ik weet overigens niet of het verhaal op de natte vinger van ECN berust of op bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten. Ik denk het eerste.
Het verhaal heeft drie hoofdmoten: het aantal woningen, de besparing per woning, en de extra eisen die die besparing stelt.
– Het aantal. In de NEV worden 100.000 NodM-huizen opgevoerd als nationale maatregel. Brabant is 14,4% van Nederland, dus heeft Brabant er 14400 van het Rijk ‘te goed’. Het is me niet duidelijk of dat financieel al afgedekt is.
Brabant wil in 2020 40000 huizen NodM maken. Het verschil met die 14400 wordt opgevoerd als “Brabantse plus”. ECN rekent dus met 25600 woningen.
– ECN gaat er van uit dat de gemiddelde woning label B is (realistisch?). Die verbruiken elk gemiddeld 14991kWh warmte uit gas (1686m3 – realistisch?).
Als de woning NodM wordt, verbruikt hij in het model van ECN nog 8510kWh. Dat is een besparing van 14991-8510 = 6481kWh = 23,3GJ. Dit bij 25600 huizen –> 0,59PJ besparing.
Die 8510kWh wordt toegevoerd met een warmtepomp met een COP van 2,6. Dat kost 8510/2,6 = 3273kWh aan stroom. Het verschil 8510-3273 = 5237kWh = 18,8GJ wordt opgevoerd als besparing per woning. Over 25600 woningen –> 0,48PJ besparing.
– Die 3273 kWh stroom moet ergens vandaan komen. Bij NodM-huizen betekent dat extra opwekking door zonnepanelen, over 25600 huizen –> 0,30PJ extra opwekkingstaak .
Bovendien gebruiken de bewoners ook stroom voor het leven van alledag, bij ECN 3000kWh (het huidige gemiddelde). Over 25600 huizen –> 0,28PJ vervangende opwekkingstaak . ECN gaat ervan uit dat deze 0,58PJ (=0,30+0,28) er inderdaad komt, en boekt het resultaat in als provinciale plus aan duurzame opwekking, zonder die overigens op blz 9, als bolletje 7 te noemen.
Dat betekent 22,6GJ per woning. Bij de huidige standaardpanelen betekent dat 29m2, dus 20 panelen per dak. Kan alleen als een deel van die panelen in de wei komt te staan.
Het zou verstandig zijn om de NodM-operatie eens een keer goed in PS door te praten.
Besparingen anders dan woningen ECN denkt dat het (als provinciale plus) mogelijk moet zijn om 2,3PJ te besparen door een betere afstelling van utiliteitsgebouwen (overheid, diensten, handel). Bij de industrie krijgt de provincie geen poot aan de grond, denkt ECN. Daar wordt geen extra besparing als provinciale plus geprogrammeerd.
Geothermie
Geothermie in Brabant is nu afwezig. ECN gaat (op gezag van de provincie) uit van geothermie t.b.v. de Helmondse stadsverwarming (die daartoe eerst wel fors opgekalefaterd moet worden) en van drie industriele projecten, elk goed voor 0,25PJ. Samen dus 1,0PJ opwekking als provinciale plus.
Verduurzaming warmtenet Amer en Eindhoven ECN gaat ervan uit dat het Amer-warmtenet open blijft en voor de helft gevoed wordt uit biomassa-bijstook of geothermie, en dat Eindhoven geen extra verduurzaming krijgt. Dat resulteert in een totaal van 0,74PJ duurzame opwekkingals provinciale plus, welk getal verder nauwe-
lijks gespecificeerd wordt.
Biogas en mestvergisting In het autonome beleid (zie tabel) zijn volgens ECN de categorieën rioolwater, covergisting, overige vergisting en groen gas (=idem na zuivering tot aardgaskwaliteit) samen goed voor 2,3PJ in 2015 en 3,6PJ in 2020.
ECN meent dat het (als provinciale plus) redelijk is als aanvullende
duurzame 0,2PJ in te programmeren voor een GFT-vergister en 0,3PJ voor monovergisting van mest. Voor nog meer covergisting van mest ziet ECN geen ruimte bij gebrek aan voldoende covergistingsmateriaal.
Mestvergister
Kleinschalige durzame warmte ECN meent dat in de categorieën zonneboilers, biomassaketels en warmtepompen (anders dan in NodM-woningen) ongeveer 0,5PJ opwekking toegevoegd kan worden aan de ca 4PJ die al in het autonome beleid zit (mits de bijbehorende maatregelen inderdaad uitgevoerd worden).
Biomassa in de (meer grootschalige) industrie Op basis van ervaringen bij bedrijven en clusters als Moerdijk, Cosun en Bavaria heeft het autonome beleid al ca 4PJ ingeboekt. ECN meent dat het redelijk is om als provinciale plus twee biomassaketels extra te programmeren, samen goed voor 1,6PJ opwekking.
Restwarmte in de industrie Het theoretische potentieel aan 120⁰C-afvalwarmte in Brabant is ongeveer 12PJ. Tussen droom en daad zitten echter wetten in de weg en veel praktische bezwaren en uiteindelijk maakt ECN dit voor 2020 af op 2PJ.
Merkwaardig genoeg telt hergebruik van afvalwarmte in de landelijke wetgeving niet mee voor de duurzame taakstelling. ECN telt die 2PJ bij de besparing op.
Al met al Al met al meent ECN dat het op warmtegebied als provinciale plus boven op het landelijke beleid mogelijk moet zijn om
– 5,4PJ te besparen (1,1 NodM, 2,3 utiliteitsbouw, 2,0 restwarmte industrie)
– 4,9PJ duurzaam op te wekken (0,74 verduurzaming warmtenetten excl Helmond, 1,0 geothermie incl Helmond, 0,5 biogas, 0,5 kleinschalige warmteprojecten, 1,6 twee nieuwe biomassaketels industrie, 0,58PJ extra PV-opwekking tbv NodM)
De provincie Noord-Brabant heeft eind februari 2016 de Uitvoeringsagenda Energie uitgebracht (Zie http://www.brabant.nl/actueel/nieuws/2016/februari/-/media/B0B2BB7CD35D4B4FAC50368F4902A488.pdf ). Deze uitvoeringsagenda presenteert het programma waarmee de provincie de zelfgestelde taak om het nationale Energieakkoord uit 2013 en het Brabants Energie-
akkoord waar te maken wil waarmaken. Het is dus een belangrijk document. Daarom verdient het een kritische beschouwing. Ik ga daartoe drie artikelen schrijven: een kwantitatieve beschouwing, een kwalitatief-politieke beschouwing en een analyse van het aanvullende materiaal t.b.v. een Brabants Warmteplan.
Die vraag is makkelijker gesteld dan beantwoord. Eerst mijn eindconclusies, daarna de uitleg:
a) de beoogde besparing van 1,5% per jaar en 14% duurzame opwekking worden zonder nadere maatregelen niet gehaald (landelijk ook niet).
b) het Uitvoeringsprogramma voorziet in aanvullende maatregelen
c) daarmee worden de taken net wel of net niet gehaald, als alles goed gaat
d) de uiteindelijke duurzame opwekkingstaak leunt op drie grote bronnen waarvan er twee twijfelachtig zijn en één onwenselijk
e) de agenda is onduidelijk.
f) de zeggenschap van de provincie is beperkt
g) de thema’s Sustainable Energyfarming en Energieke landschappen zijn getalsmatig zwak uitgewerkt
h) mijn eindoordeel: niet ideaal, maar de beste praktische kans om te beginnen. Het afbreukrisico is reëel. Voeg reserveprojecten toe.
Brabantse energiebelans van Telos over 2011
Ad a): wat verbruikt Brabant en wat haalt Brabant zonder aanvullend beleid? Er bestaat een goede nationale statistiek, maar niet van het energieverbruik van afzonderlijke provincies. Er moeten dus een vertaalslag gemaakt worden en daar zit interpretatieruimte in.
Ik had zelf voor Brabant een Finaal Energetisch Verbruik (FEV) ingeschat (energie die rechtstreeks aan de klant is afgeleverd) van 325PJ door Brabant als 15% van Nederland te schatten. Telos (zie de Brabantse energiebalans hierboven) komt op een FEV in 2011 van 297PJ . Het is onduidelijk waarop Telos dit baseert. De Klimaatmonitor (zie www.klimaatmonitor.databank.nl/ ) komt op een FEV van 297PJ in 2013. Maar het totaal van alle provincies is dan kleiner dan het Nederlandse FEV. Er is dus ergens een portie zoekgeraakt (medio februari 8,7%). Onduidelijk is hoe die over de provincies verdeeld is.
Neem ik de Nationale Energieverkenning 2015 en Brabant 14,4% van Nederland, dan heeft Brabant een FEV van 303PJ.
Het Brabants Energie Akkoord noemt als FEV 312PJ.
Uit het Brabants Energie Akkoord
De quick scan, die de provincie door ECN heeft laten uitvoeren t.b.v. het Uitvoerinsgprogramma (en die misleidend Quick Scan Warmte heet terwijl hij over meer dan alleen warmte gaat), noemt voor 2015 290PJ. Zie Quickscan Warmte Noord-Brabant_ECN_feb2016
De verschillende benaderingen komen dus redelijk overeen.
Ga ik gemakshalve uit van Telos, dus van 297PJ in 2013, dan zou er t.o.v. 2014 tot 2020 6*1,5%=9% bespaard moeten zijn, dus 27PJ eraf, dus 270PJ over. Dat beschouw ik als taakstelling.
De ECN-Scan (dus de provincie) komt zonder aanvullend beleid in 2020 op 287PJ. Zonder nadere maatregelen haalt de provincie de besparings-
taak dus niet.
Ontwikkeling bij autonoom beleid als de landelijke maatregelen uit het Energieakkoord uitgevoerd zijn (uit de Quick Scan van ECN)
Als er in 2020 270PJ over is, moet 14% daarvan duurzaam zijn dus 38PJ. Op basis van de Quick Scan van ECN denkt de provincie aan 36,4PJ te komen. Zonder nadere maatregelen haalt de provincie de duurzame opwekkingsstaak dus niet.
Als er in 2020 287PJ over is (zoals ECN en de provincie zeggen), moet daarvan 14% = 40,2PJ duurzaam zijn.
Ad b) en ad e): nadere maatregelen en de indeling De Uitvoeringsagenda hinkt op twee gedachten. Het verhaal begint met een ordening op natuurkunde en eindigt met een ordening op vijf maatschappelijk thema’s. De samenhang tussen beide wordt niet benoemd. Dat kan tot merkwaardige verschillen leiden. Die vallen niet meteen op, omdat er alleen bij de weergave van de ECN-scan absolute getallen genoemd worden. Mogelijk denkt men dat het publiek het anders te moeilijk vindt.
In geen van beide ordeningen wordt een beginjaar genoemd.
De vijf maatschappelijke thema’s in de UItvoeringsagenda
Op blz 9 noemt de provincie natuurkundige maatregelen uit de ECN-scan (inclusief het voorgenomen landelijk beleid). De ECN-scan komt zonder aanvullend provinciaal beleid tot 3PJ besparing en 36,4PJ duurzame opwekking.
Daarop wordt een provinciale plus gezet
– van 5,4PJ aan besparing (1,1 Nul op de meter, 2,3 betere afstemming utiliteitsbouw, 2,0 restwarmte industrie) en
– van 4,9PJ aan duurzame productie (0,74 verduurzaming warmtenetten excl Helmond, 1,0 geothermie (4 projecten incl Helmond), 0,5 biogas, 0,5 kleinschalige projecten, 1,6 biomassa industrie (2 ketels) en 0,58PJ (tbv overblijvende elektriciteitsvraag om woningen Nul op de Meter te krijgen).
In deze aannames zit enig optimisme. Zo wordt aangenomen dat er in 2020 40000 woningen Nul op de Meter zijn (waarvan als provinciale plus 25600) en dat je op elke woning 20 gangbare zonnepanelen kunt leggen.
Op blz 40, 41 en 42 worden percentages (van 287PJ) genoemd per thema. Aan besparing wordt daar over de vijf thema’s samen ingeboekt 1,5+1,5 +2,5+0,0+0,5=6,0%, zijnde 18PJ over de jaren nu tot 2020.
Zo ook wordt daar als duurzame opwekking ingeboekt 2,0+2,5 + 6,5+0,0+3,0%=14%.
Als de ECN-besparing gehaald wordt, gaat het om 14% van 282PJ=39,5PJ, als de tweede systematiek gehaald wordt gaat het om 14% van 269=37,7PJ.
Ad c): wordt de taak gehaald?
De duurzame opwekkingstaak wordt (als je ervan uitgaat dat de lande-
lijke maatregelen waarop de ECN-scan berust inderdaad gehaald worden) in de eerste systematiek net gehaald ,want 36,4+4,8PJ > 40,2PJ.
In de tweede systematiek wordt de duurzame opwekkingtaak gehaald, omdat die er a priori ingestopt is.
Ik vind dat de besparingstaak voorschrijft dat in 2020 de totale FEV 270PJ moet zijn.
In de ECN-systematiek wordt dat niet gehaald (287PJ-5,4PJ > 270PJ).
In de tweede systematiek wordt die net wel gehaald (287PJ–18PJ=269PJ).
Ad d): een kritische beschouwing van drie bronnen van ECN
In het lijstje, waarin ECN uitlegt (zie hierboven) hoe het aan 36,4PJ
duurzame energie komt, staan drie posten die kritische aandacht ver-
dienen.
– een post van 3,4PJ ‘houtkachels huishoudens’. Deze post is niet
twijfelachtig, want dit mag en is een bestaand getal. Het is wel onwenselijk, omdat houtkachels in huishoudens soms ernstige effecten op de omgeving hebben.
– een post van 4,8PJ ‘meestook centrales’ is, wat mij betreft, niet per definitie onwenselijk maar wel twijfelachtig omdat men er van uitgaat dat de Amer9 open blijft. Die loopt op kolen met biomassabijstook en gaat mogelijk dicht.
– Een post van 6,0PJ biobrandstof (was in 2015 2,9PJ). Ik vind dat zowel de haalbaarheid als de wenselijkheid nadere uitleg verdienen.
Ad f): beperkte zeggenschap provincie ECN stelt dat de provincie niet in staat is bij de industrie, bovenop de
Rijksinitiatieven, een eigen besparing te realiseren. De provincie hoopt wel 2,0PJ industriële restwarmte te kunnen hergebruiken, maar kan dat niet afdwingen. Zo ook 1,6PJ duurzame opwekking door biomassa als voeding voor stoomketels.
Dat let de provincie niet om bij het thema “energieneutrale industrie” 2,5% (7,4PJ) besparing in te boeken en 6,5% (18,7PJ) duurzame opwekking. De provincie meent dit te kunnen bereiken via vergunningen en handhaving, en via samenwerkingsovereenkomsten.
Het verschil in inschatting tussen ECN en de provincie is frappant.
Ad g): Sustainable Energyfarming en Energieke landschappen
De thema’s “sustainable energyfarming”en “energieke landschappen” zijn getalsmatig nauwelijks uitgewerkt. Er staan vooral sociale en
bestuurlijke passages die heel mooi zijn, maar waar niet aan te rekenen valt.
Op het einde wordt er op de bonnefooi een getal aan gehangen van 3% duurzame opwekking (zijnde 8,6PJ), voor Sustainable Energy Farming en Energieke landschappen samen.
Die 8,6PJ is heel erg weinig. Hij gaat al meer dan op aan windenergie (3,5PJ), vergisting en biogas (3,4PJ), en biotransportbrandstoffen (6,0PJ). Dat kan gewoon niet kloppen.
Wat hier ontbreekt is een forse opbrengst uit zonneparken.
Uit de factsheet 2014 van Telos
Ad h): het eindoordeel Mijn eindoordeel is dat de Uitvoeringsagenda technisch en natuur-
kundig zeker niet ideaal is, maar wel de beste praktische kans om te beginnen. Als alles zo gaat als de provincie zich voorstelt, is het verschil tussen wens en taakstelling in 2020 niet dramatisch.
Dàt het zo loopt als men zich voorstelt, is bepaald niet vanzelfsprekend.
Ik zou, als ik provincie was, flinke reserveprojecten definieren, en ik zou die zoeken in zonneparken. Dat is de grote afwezige in de berekeningen. Ik zou zeker 5PJ (10km2) neerzetten aan zonneparken. Die reserve ben je al kwijt als bijvoorbeeld de Amer9 dicht gaat.
Om de effecten in kaart te brengen, heeft het Ministerie van EZ Ecorys gevraagd de wet te evalueren. Minister Kamp heeft veel ambitie op warmtegebied. Warmte moet helpen het Energieakkoord te halen. (Ik deel deze ambitie overigens.)
Ecorys heeft deze Evaluatie op 9 februari 2016 aangeleverd ( kamerbrief-over-evaluatie-warmtewet.pdf en rapporten/2016/02/09/evaluatie-warmtewet-en-toekomstig-marktontwerp-warmte ). Een grondig werkstuk dat te veel facetten belicht om hier systematisch te behandelen. Ik beperk mij hier tot de stadsverwarming, maar het gaat bijvoorbeeld ook over alternatieven, toegang van derde partijen tot het warmtenet en over de eindigheid van gas als maat der Nederlandse dingen.
Het grote warmteplaatje en het maatschappelijk belang Om het geheel te plaatsen eerst het totaalplaatje. Het totale energieverbruik in 2013 bedroeg 3227PJ. Dit budget wordt als volgt opgedeeld: 1096PJ heet ‘feedstock en verliezen’: ongeveer 658PJ eindigt in industriële producten zoals plastic, en 438PJ in afvalwarmte (onbedoelde warmte die ongebruikt geloosd wordt). De 45PJ blijft buiten beschouwing. 2086PJ wordt geleverd aan de eindverbruiker als elektriciteit, t.b.v. het transport, en voor 1224PJ als bedoelde warmte.
Van die bedoelde warmte wordt 1076PJ gebruikt waar hij wordt opgewekt (bijv. in een huiskamer), en wordt 148PJ getransporteerd.
Die 148PJ gaat voor ca 112PJ naar industriele netten, en voor ca 36PJ naar niet-industriele netten.
In de niet-industriele netten gaat ca 4PJ naar de glastuinbouw en 27PJ naar huishoudens, scholen etc die bij de ACM aangemeld zijn. De rest, ca 5PJ, is niet aangemeld (er zijn uitzonderingsbepalingen). De Warmtewet gaat over die 27PJ.
De maatschappelijke belangen zijn: – dat er in totaal minder warmte nodig is, waardoor er in totaal ook minder energie nodig is. – dat er minder afvalwarmte op het oppervlaktewater geloosd wordt (verslechtert de waterkwaliteit) – dat een deel van de onbedoelde warmte bedoelde warmte wordt – dat de warmtebronnen duurzaam worden Ik ben zelf in de huidige omstandigheden voorstander van stadsverwarmingssystemen, mits een aantal voorwaarden.
De ervaringen van huishoudelijke consumenten De Vereniging Eigen Huis heeft in 2015 een warmte-enquête uitgezet onder 15000 panelleden, waarvan er 1307 reageerden, waarvan er 488 aan een warmtenet hingen. Daarvan voelde 43% zich niet beschermd door de wet en 57% zou er het liefst onderuit gaan. Ook enkele andere kleinschalige onderzoeken tonen flinke onvrede. Om de aantallen te plaatsen: bij de ACM zijn 762.569 aansluitingen bekend, waarvan de grote meerderheid huishoudens. Enige relativering van de respons is dus op zijn plaats. Ecorys stelt dat een flink deel van de aangesloten huishoudens zich onvoldoende beschermd voelt
Het beoogde doel van de wet was de bescherming tegen twee gevaren: dat de consument meer betaalt dan een vergelijkbare afnemer gas (het Niet Meer Dan Anders- of NMDA-beginsel), en het voorkomen van overwinsten bij de exploitant. Dat laatste lukt eenvoudig, want een warmtenet is momenteel een economisch marginale activiteit. Over het eerste doel zegt Ecorys: “Ten aanzien van het eerste uitgangspunt kan men concluderen dat een gebonden afnemer van warmte beter wordt beschermd dan voor de inwerkingtreding van de Warmtewet en over het algemeen niet meer betaalt dan een gemiddelde verbruiker van gas. In sommige gevallen worden warmteafnemers echter wel bloot gesteld aan additionele kosten. Dit betreft met name aspecten rondom de warmtelevering die nog niet gereguleerd zijn en die buiten de NMDA maximumprijs vallen”
Op het variabele deel bestaat de kritiek dat het NMDA-beginsel vergeleken wordt met de gemiddelde gasafnemer, en dat je je eigen gasleverancier niet mag kiezen.
De meeste onvrede betreft de gebruiksonafhankelijke componenten. Weer Ecorys:” De uitgespaarde integrale kosten van een cv-ketel zijn onderdeel van de opbouw van de maximale gebruiksonafhankelijke kosten (vastrecht). Afhankelijk van de hoogte en de opbouw van de niet gereguleerde eenmalige aansluitbijdrage (voor aansluitingen op een nieuw net) bestaat er een kans op dubbeltelling. De kosten voor een aansluiting op een nieuw warmtenet worden in de praktijk door de warmteleverancier soms onderbouwd met een opsomming van de uitgespaarde kosten van bijvoorbeeld: aansluiting op het aardgasnet, aanschaf cv-ketel, bouwkundige voorzieningen, rookgaskanaal en bijdrage aan EPC-reducerende maatregelen.” Daarnaast wordt er geklaagd over ongunstig vastgestelde leidingverliezen, vreemde regelingen rond huur of koop van afleversets (en de onduidelijke definitie daarvan waardoor toezicht door de ACM in praktijk onmogelijk is), niet transparante vaststellingen etc.
Dat van die “EPC-reducerende maatregelen” is cru. Voor een woning, die voor de stadsverwarming gebouwd is, mag die stadsverwarming in de Energie Prestatie Coëfficient (EPC) als bovengemiddeld plus meegeteld worden, waardoor de woning zelf minder dan gemiddeld mag zijn. De combinatie moet aan de EPC-eis voldoen. Daardoor zijn veel voor de stadsverwarming gebouwde woningen slechter geïsoleerd dan een vergelijkbare woning op gas. De stadsverwarmingsbewoner betaalt dus meer stookkosten in een slechtere woning terwijl hij, met een beetje mazzel, ook nog opdraait voor het op de bouwkosten bespaarde bedrag.
Nog één passage uit Ecorys, want daar gaat de juridische procedure in Meerhoven over: “Eenmalig aansluittarief nieuw net Voor een aansluiting op een nieuw warmtenet worden geen gereguleerde tarieven bepaald. Vaak zijn de kosten voor een dergelijke aansluiting bij de prijs van de woning inbegrepen. De Memorie van Toelichting bij de Warmtewet geeft aan dat bij nieuwbouw de aansluitbijdrage tot stand komt in overleg tussen projectontwikkelaar, gemeente en warmteleverancier. Dit overleg zou zich afspelen in een situatie waarbij de project- ontwikkelaar en gemeente vrije keuze hebben ten aanzien van de energievoorziening en er geen sprake zou zijn van een gebondenheid ten gevolge van een monopoliepositie. In praktijk is deze eenmalige aansluit- bijdrage vaak anders dan de naam suggereert. Het tarief is vaak niet direct gerelateerd aan de werkelijke kosten voor de gerealiseerde aansluiting maar vormt een sluitpost om het betreffende warmteproject levensvatbaar te maken.
Voor dergelijke aansluitingen zijn aansluittarieven tot € 7.000 bekend. Het is vaak echter niet transparant welk bedrag wordt betaald voor de feitelijke aansluiting en welke bedrag daar nog bovenop komt met het oog op de rentabiliteit van het project. De ACM wordt daarbij geconfronteerd met verbruikers die jaarlijks nog een termijnbedrag moeten betalen ten behoeve van deze ‘eenmalige’ aansluitbijdrage.”
Conclusies Ecorys komt in h.7 tot een waslijst aan conclusies en adviezen, die er samen op neerkomen dat het systeem grondig op de schop moet. Een kleine selectie:
Het NMDA-beginsel zou op korte termijn uitgebreid moeten worden met een index-beginsel. Warmte moet aantrekkelijker gemaakt worden, omdat de financiën op dit moment zowel aan de leverende als aan de ontvangende kant een probleem zijn. Een onrendabele top zou afgedekt kunnen worden, zoals dat elders bij duurzame energie ook gebeurt middels de SDE+ regeling.
Ecorys stelt voor de aansluiting van een nieuwe gebruiker op een nieuw warmtenet alsnog te reguleren. De interessante vraag is of dat met terugwerkende kracht zou kunnen.
Veel mensen balen Uit een onderzoek van de Vereniging Eigen Huis (VEH) dd juni 2015 blijkt dat ruim de helft van de warmteafnemers onder afnameplicht uit zou willen, als dat kon. Dat staat in de Evaluatie van de Warmtewet door Ecorys (9 februari 2016) (zie rapporten/2016/02/09/evaluatie-warmtewet-en-toekomstig-marktontwerp-warmte ). Bij dezelfde VEH zijn sinds begin 2014 (toen de wet van kracht werd) ca 4300 klachten binnengekomen, waarvan ca 3000 over de tarieven en de rest vooral over de monopoliepositie.
Het burgerinitiatief in Helmond Ook in Helmond is de onvrede al jaren heel groot. Dat heeft geleid tot een Burgerinitiatief Stadsverwarming, waarin aan de gemeente drie dingen gevraagd werden. 1) Te komen tot ontbinding van de verplichting tot afname van warmte bij exploitant Ennatuurlijk 2) Bij de start is afgesproken dat er gebruik wordt gemaakt van restwarmte (van de elektriciteitsproductie). Klopt dit nog of wordt er alleen gas gebruikt voor de stadsverwarming en wordt er geen elektriciteit (en dus geen restwarmte) meer opgewekt? 3) De raad moet een onderzoek instellen om, samen met de gebruikers, te komen tot een modern, betaalbaar warmtenet. Dit kunnen ook andere energiebronnen zijn of de aanleg van een gasleidingennet. Vrijheid voor de consument. (Zie http://www.helmond.nl/BIS/2016/Notities%20en%20kaarten/Raadsnotities/RN%20007%20Burgerinitiatief%20stadsverwarming.pdf )
Het antwoord Op 1 december 2015 namen B&W het besluit om: 1) te antwoorden dat de gemeente niet over de afnamecontracten ging, en dat de minister bevoegd gezag was 2) te antwoorden dat er inderdaad nog steeds gebruik gemaakt wordt van restwarmte 3) een voorstel aan de gemeenteraad voor te leggen “Verduurzaming Stadsverwarming, Versnelling duurzaamheid”. Dit voorstel is op 5 januari 2016 aangenomen.
De bijlagen bij dit voorstel omschrijven de installatie als volgt. De installatie bedient 6500 huishoudens en een aantal bedrijven. Hij dateert rond 1985. Hij bestaat uit twee SToom- En Gasturbines (STEG) die elk 25MW warmte en 25MW elektriciteit kunnen leveren. Daarnaast staat er een gasketel van 40MW en grote buffers waarmee warmte kan worden opgeslagen. Een dergelijk systeem heet een Warmte-Kracht Koppeling (WKK). In 1985 was dit een moderne WKK-installatie en ook nu nog moet er een heel behoorlijk systeemrendement mee gehaald kunnen worden. Maar nu is het systeem oud. Kort na 2020 moeten er grote investeringen gedaan worden om de zaak aan de praat te houden, maar voor die tijd zijn er ook al problemen. In 2013 waren er klachten over lekkages in de hoofdleidingen, maar die zijn inmiddels weer een eind opgekalefaterd. De “last mile” leidingen naar de huizen zouden nog goed zijn.
Commentaar (bgerard) Bij vraag 1: hier doet zich de verkoop van de publieke voorzieningen voelen (door de gemeente Helmond van de WAMOB en door de provincie van Essent, beide aan RWE). Mijn partij, de SP, heeft zich hier vergeefs tegen gekeerd. De exploitatie van een stadsverwarmingsnet is, anders dan vaak gedacht, een economisch marginale activiteit. Uit een onderzoek uit 2010 van (toen nog) de NMA bleek, dat het overgrote deel van de grote netten niet aan de vaste lasten plus 6,3% rente kwam. Overigens bleek ook dat de kleinverbruikers 13% meer zouden gaan betalen, en de grootverbruikers minder). Daarna is deze activiteit in handen gekomen van Ennatuurlijk, waarin pensioenfonds PGGM en Dalkia (=Veolia). Ik vermoed dat deze bedrijven rendement zoeken op iets wat eigenlijk nauwelijks rendabel is en daartoe trucs hanteren. Bij vraag 2: De elektriciteitsprijs (op de beurs) zit nu rond de 2,5 a 3 cent per kWh. Dat is onwaarschijnlijk laag. Dat komt door overproductie, door de lage kolenprijs en door de energiesubsidies. Voor die stroomprijs kunnen WKK- installaties niet draaien en die worden dan ook in den lande steeds vaker stilgelegd. Die in Helmond draait nog omdat de warmteopslag toestaat dat er in de dure uren gedraaid kan worden. Verder (vermoed ik) omdat men het onderhoud uitstelt en met een installatie doorwerkt die op zijn tandvlees loopt. Bij vraag 3: Er wordt echt niet achteraf nog een gasnetwerk aangelegd. Alle trends wijzen de andere kant op. Een andere individuele oplossing (bijv. met een warmtepomp, inclusief de noodzakelijke woningaanpassingen) acht ik voor duizenden huishoudens onbetaalbaar en mogelijk ook niet betrouwbaar genoeg. Ik denk dat Helmond aan zijn stadsverwarming blijft vastzitten. Dat die modern en betaalbaar moet worden spreekt vanzelf.
Geothermiekansen, uit Geothermische energie uit Trias aquifers in de ondergrond van Noord-Brabant
Het verduurzamingsvoorstel Een korte behandeling doet het voorstel onrecht, maar helaas (kijk anders op http://www.helmond.nl/BIS/2016/Notities%20en%20kaarten/Raadsnotities/RN%20007%20Voorstel%20Verduurzaming%20Stadsverwarming%20Versnellingsagenda%20Duurzaamheid.pdf ). Enkele belangrijke onderwerpen: – De woningbouwvereniging Woonpartners heeft 2000 huizen in de Rij- pelberg, Brouwhuis en Helmond-Oost. Die hebben bijna allemaal label C of D en Woonpartners wil dat in 2020 verbeterd hebben tot label B. Daarbij wil Woonpartners streven naar lagere woonlasten. – Helmond wil de stadsverwarming uiterlijk 2018 op geothermie overzetten. Op zich een logische gedachte, maar de case is niet erg duidelijk opgeschreven. Sowieso is er nog erg weinig ervaring in Brabant met deze energievorm, en is de bodem slecht in kaart gebracht. Helmond hoopt water van 90⁰C op te kunnen pompen van 3 km diepte en daarmee één of twee STEGS te kunnen voeden. – Het voorstel noemt als mogelijkheid om de STEG te voeden met hout of met biogas uit mest, maar dat is niet verder uitgewerkt.
Commentaar (bgerard) Het verduurzamingsvoorstel is een goede stap, maar er is meer nodig, o.a. voor de 4500 huizen op de stadsverwarming die niet van Woonpartners zijn, en op de nog langere termijn voor de rest van Helmond. Helmond is partner in de provinciale Nul op de Meter-deal. De eerste stap zou moeten passen bij een toekomstige Helmondse Nul op de Meter-strategie.
In verband met de toekomst van het Amer-warmtenet probeer ik deskundigheid op te bouwen om uiteindelijk tot een afsluitend oordeel te komen. Daartoe had ik op 1 febr 2016 een uiterst aangenaam gesprek met prof. David Smeulders van de TUE. Zijn leerstoel heet officieel Energy Technology.
Een aantal punten uit het gesprek in een korte weergave.
Het inruilen van een stadsverwarming in een wijk als De Reeshof door 15000 individuele atmosferische warmtepompen zou een stap achteruit zijn. Bovendien zou het overgrote deel van de bewoners dat niet kunnen betalen
Het zou wel eens zo kunnen uitpakken dat een massale inzet van atmosferische warmtepompen, werkend als airco’s, het Urban Heat Island effect versterkt. De hittegolven worden heter. Het lijkt er nu al op dat op een warmtekaart van Tilburg, bij een hittegolf, de rijkere wijken gemiddeld iets warmer zijn.
Het is mogelijk een stadsverwarmingssysteem met een verscheidenheid van bronnen te voeden
‘Varende warmte’ kan zo’n bron zijn. Het is mogelijk om overschotwarmte uit grote industriële complexen via de binnenvaart naar locaties te varen waar een tekort is (ik heb hieraan een apart artikel op deze site gewijd, zie Varende warmte en een alternatieve voeding van het Amer-netwerk )
Bodemwarmte (uit de bovenste paar honderd meter van de bodem) hoeft niet zo categorisch te worden afgewezen als de provincie lijkt te doen. Er zijn plaatsen waar je niet door kritische aardlagen hoeft te boren. Bijvoorbeeld de TUE en de Eindhovense Heuvelgalerie hebben een bodemwarmtesysteem.
Het vraagt wel kennis om zo’n systeem te laten functioneren. Er moet jaargemiddeld evenveel warmte terug in de bodem als er uitgehaald wordt, want anders organiseer je op termijn de permafrost in de bodem (thermische uitputting). Het betekent in praktijk een flinke Warmte-Koude Opslag, aangevuld met enige geothermie.
Bodemwarmte kan worden ingezet in nieuwbouwwijken, maar dat moet men niet op individuele basis willen. Dat is een recept voor burenruzie.
Lage temperatuurwarmte (25-500C) van bedrijven kan met een warmtepomp opgefokt worden, zodat een stadsverwarming ermee gevoed kan worden.
Geothermie kan dienstig zijn
Men zou zich een groeimodel kunnen voorstellen, waarin een stadsverwarming (na het vervallen van de kolenstook) bijvoorbeeld in het eerste jaar voor 90% op gas draait, en dat het aantal duurzame bronnen geleidelijk aan aangekoppeld wordt (waarbij gas vooralsnog achtervang blijft).
Er is op dit gebied erg weinig expertise en daardoor overbelasting bij de wel-experts. Soms liggen er bakken vol met meetdata waar niemand iets mee doet. Daardoor worden talloze quick wins niet herkend. Onlangs wisten zijn bachelorstudenten een overbodige aanschaf in de publieke sfeer van €150.000 tegen te houden (nog niet gepubliceerd onderzoek).
Bij ‘Stroomversnelling’, een netwerk van ambitieuze bouwers, toeleveranciers, corporaties, gemeentes, financiers, netbeheerders en anderen die samen aan de slag gaan om Nul op de Meter renovaties en nieuwbouw mogelijk te maken, zit veel kennis, ook van financieringsmodellen.
Het ingenieursbureau DWA uit Bodegraven heeft een concept ontwikkeld om restwarmte per schip te vervoeren. Sinds september 2014 wordt dit in een consortium ontwikkeld, waarin o.a. ook ECN zit en een handvol bedrijven uit deze sector. Gebruik eventueel als startpagina http://www.dwa.nl/?detail_id=10781&father=2. Het initiatief krijgt Topsector Energiesubsidie.
De basisgedachte is uitermate simpel.
Algemeen bekend zijn ‘handenwarmertjes’ (hotpacks). Dat is een zaakje natriumacetaat, opgelost in water. Bij de overgang van vloeibaar naar vast komt warmte vrij (zo’n 52⁰C een half uur lang). Legt men het zakje met vaste inhoud in heet water, dan neemt de inhoud warmte op en wordt weer vloeibaar.
Met wat gedachtensprongen lijkt het ‘varende warmte-beginsel’ hierop, zij het dat met andere stoffen gewerkt wordt. Die moeten aan technische eisen voldoen (geschikte smeltwarmte en een smelttemperatuur rond de 100⁰C , voldoende stabiel na duizenden cycli), enz. Er zijn wat kandidaten, maar de precieze samenstelling daarvan is nog een geheim van ECN. Waarschijnlijk mag de TUE meehelpen er wat onderzoek aan te doen.
Dit soort materialen heten Phase Change Materials (PCM’s).
De schipper vaart met een goed geïsoleerde binnenvaarttanker (liefst met een stel duwbakken) naar bijvoorbeeld Pernis (waar de petrochemische industrie altijd een heleboel warmte over heeft), laadt de warmte in de PCM’s met een warmtewisselaar. Hij tjoekert naar Geer-
truidenberg en voert daar het proces in omgekeerde richting uit waarbij de warmte eindigt in het stadsverwarmingsnet.
De binnenvaartorganisatie Schuttevaer is enthousiast.
Je kunt er eenvoudig wat aan rekenen.
In een 3000 ton – duwbak (eigenlijk een soort varende thermosfles) kan ongeveer 800GJ.
De warmtevraag van de op de Tilburgse stadsverwarming aangesloten woningen, bedrijven en instellingen is volgens de Tilburgse warmtevisie “Verduurzaming warmtenet Tilburg” 1,33PJ/jaar. Het ene getal delen door het andere geeft 1666 duwbakken per jaar. Zou te overzien zijn.
Nu is het bij dit soort technische oplossingen altijd verstandig om eerst even over het probleem en over de beperkingen na te denken.
Er zijn in het oog lopende voordelen.
– De kostenstructuur van een stadsverwarming lijkt op die van een kerncentrale: je moet eerst onwaarschijnlijk veel geld investeren, en daarna is het goedkoop. Bij een stadsverwarming zit het meeste geld in het leidingennetwerk met toebehoren. Voor ‘varende warmte’ is geen schokkende investering in infrastructuur nodig. Er is al een overschot aan binnenvaarttankers. Je hebt ombouwkosten, kosten van laad- en lospunten en variabele kosten.
– Het ‘varende warmte-systeem’ heft aan beide kanten de monopoliesituatie op. Warmteproducenten zitten niet meer decennia lang aan één afnemer vast (wat ze tot nu toe uitermate schichtig maakt). Vice versa warmteafnemers. Er kan gehandeld worden in warmte.
– het systeem adresseert het probleem dat Nederland ongeveer 14% van zijn energieinput ongebruikt weggooit als afvalwarmte (441 van de 3255PJ).
Er zijn ook nadelen en beperkingen cq ontwikkelopgaven.
– Het systeem verkeert nog in de pilotfase.
– Op dit moment wordt het systeem geschikt geacht voor vaarafstanden tot enkele tientallen kilometers. De afstand Pernis – Geertruidenberg (voorbeeld) over het water langs Dordrecht is zo’n 60km.
– Men beweert dat het financieel gunstig is, maar ik heb nog geen begroting gezien.
Samenvattend is mijn oordeel dat de ontwikkeling serieuze aandacht verdient en misschien een deel van het probleem van de doorstart van het Amer-netwerk kan helpen oplossen.
De provinciale SP (waarvan ik fractiemedewerker ben) loopt er tegen aan dat per 1 januari 2016 de Amer 8 dicht is, en dat mogelijk ook de Amer 9 dichtgaat. Beide zijn kolencentrales met biomassabijstook. Aan die centrales hangt een warmtenetwerk, waarmee de afvalwarmte (overigens na oppimpen onderweg en bijstook) bij ongeveer 41000 huishoudens, zo’n 300 bedrijven, de kastuinbouw in de Madese polder, de Tilburgse Universiteit en het Tweestedenziekenhuis aankomt. Er ligt een leveringsverplichting tot 2024, maar onduidelijk is hoe die ingevuld gaat worden na de sluiting en vóór 2024 (gas? afval verbranden? duur- zaam?), en ook wat er gaat gebeuren na 2024.
Het gaat, hoe dan ook, om hoeveelheden duurzame energie die andere hoeveelheden in de schaduw stellen (bijvoorbeeld een stuk meer dan de totale Brabantse opbrengst van windenergie in de toekomst).
Warmtenetten op de Amercentrales
De exploitant van het netwerk, de firma Ennatuurlijk, leeft in permanente staat van onmin met vele bewoners die zich verenigd hebben (zoals in de Tilburgse Reeshof), en die dat zelfs Brabantbreed aan het doen zijn. Het komt mij voor dat de boze bewoners ergens wel een punt hebben, maar ik weet van de financiële kant van de zaak (nu nog?) te weinig af voor een eindoordeel.
De provincie staat buiten de beheer-perikelen. Zij kan gaan vinden dat zij met het probleem te maken heeft, maar dan alleen vanuit haar duur- zame energie-taakstelling. Maar met onwillige honden is het kwaad duurzame kersen eten.
Ik voer op dit moment gesprekken over het onderwerp. Wie mij hier- over wil spreken, hij of zij nodige mij uit met een mailtje.
De SP in Provinciale Straten heeft vragen gesteld. Zie onder.
———————————
Vragen ex art. 43 van de SP-fractie
10 jan 2016
Gevolgen van de toekomstige sluiting van de Amer-centrales
In het Energie-akkoord is opgenomen, dat de Amer-8 centrale gesloten gaat worden. Later uitgesproken politieke wensen kunnen er toe leiden dat ook de Amer-9 centrale gesloten wordt. Beide zijn kolencentrales die ook een flinke hoeveelheid biomassa verwerken. De twee centrales leveren samen 1245MW elektrisch en 600MW warmte.
Met die warmte worden stadsverwarmingsnetten gevoed die enige tienduizenden huishoudens in Tilburg, Breda en Geertruidenberg van warmte voorzien, alsmede het Twee Steden-ziekenhuis, de Universiteit Tilburg en enkele bedrijfscomplexen. Als de Amer-8 en eventueel ook de Amer-9 sluiten, moet er een alternatief komen. Over dit alternatief wordt druk gediscussieerd, waarbij zowel individuele oplossingen (maar in het stadsverwarmingsgebied ligt geen aardgasnet) als voortgezette collectieve oplossingen in beeld zijn.
De provincie is in deze geen bevoegd gezag en is juridisch tot niets gehouden.
Er zijn echter wel goede redenen te noemen waarom de provincie beleidsmatig interesse zou kunnen hebben in de gevolgen van de sluiting van de Amercentrale(s). – De provincie heeft op zich genomen om aan het Brabants equivalent van het Energieakkoord te voldoen, hetgeen betekent (t.o.v. 2013) 9% te besparen en van wat overblijft 14% duurzaam op te wekken. Dat komt neer op ongeveer 29PJ resp. 41PJ. Als beide centrales volledig zouden sluiten, wordt de hoeveelheid nu in Brabant opgewekte duurzame energie met (naar schatting) 12 a 13PJ teruggebracht (**zie voetnoot). Het bereiken van de zelfopgelegde taakstelling wordt dus veel moei- lijker. – In de lopende discussies wordt vaak gepreludeerd op de provinciale Nul op de Meter – beloftes. – Mocht men kiezen voor een voortgezette collectieve oplossing, dan rijst de vraag met welke warmte dit net dan gevoed moet worden. Aardgas zou kunnen, maar gegeven de provinciale ambities zou het een goede gedachte zijn het net, minstens voor een deel, met duurzame warmte te voeden. Geothermie zou een rol kunnen gaan spelen. De provincie heeft hierin een natuurlijke positie. Afvalwarmte van andere bedrijven zou mogelijk kunnen. De provincie heeft goede contacten met het bedrijfsleven en is vertrouwd met industriepolitiek. – De provincie heeft een Energiefonds
Dit alles brengt ons als SP tot de volgende vragen: 1) Is het College van GS bekend met de sluiting van de Amercentrale(s) en de gevolgen daarvan? 2) Beschouwt het College van GS deze sluiting, de gevolgen ervan en de toekomstige warmtevoorziening van de regio als een issue die beleidsmatig provinciale aandacht verdient? 3) Heeft het College van GS wellicht al gedachten gewijd aan deze materie en er zich een oordeel over gevormd, al dan niet neergelegd in documenten? 4) Is het College bereid om het Nul op de Meter-project te koppelen aan de problematiek van de stadsverwarming na sluiting van de Amercentrale(s)? Zo ja, bestaan daaromtrent binnen het College al gedachten? 5) Is het College bereid te laten onderzoeken in hoeverre geothermie een bijdrage zou kunnen leveren? Er ligt al een Green Deal Geothermie met o.a. Tilburg en Breda. 6) Is het College bereid een rol te spelen om bedrijven, die in aanmerking komen als potentiele warmteleverancier, in contact te brengen met een door te ontwikkelen warmtenet?
Joep van Meel Nico Heijmans
** Voetnoot: elektrisch: 1245MW bij 8000 vollasturen bij 20% biomassabijstook is 7,2PJ thermisch: 600MW bij 2500 vollasturen is 5,4PJ Deze berekening moet gezien worden als een orde van grootte – schatting.