Ter inleiding De Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE) heeft een paper uitgebracht, dat diepgaand beschrijft hoe, hoeveel en onder welke voorwaarden biomassa als duurzame energie betiteld mag worden. Dat is vaak. Het paper is te downloaden op http://www.nvde.nl/nvdeblogs/nvde-position-paper-biomassa-en-bio-energie/ .
Het paper
bestaat uit twee delen. Er is eerst een
wetenschappelijke tekst van 28 pagina’s over alle vormen van biomassa. Vervolgens
is er voor de deelcategorie ‘houtige biomassa’ een samenvatting gemaakt in de
vorm van 10 vragen-en-antwoorden .
Diverse soorten biomassa en hun gebruik (hout is maar een deel van een grotere categorie)
Ik vind het
fantastisch. Blijkt dat de kennis, die ik zelfstandig bijeen gesprokkeld heb en
die in diverse artikelen op deze site verwoord is, bijna tot in de finesses overeenkomst
met de analyses van de NVDE.
Bovendien gaat de NVDE soms zover de diepte in, dat ik er nog wat van kan
leren, o.a. over de korte stikstofkringloop.
Ik ben blij
dat de NVDE eindelijk zijn verantwoordelijkheid neemt en de vele broodje
aap-verhalen helpt bestrijden die over dit onderwerp in omloop zijn.
Overzicht van de SDE+ – subsidies voor diverse doelen. Alle biomassaprojecten samen zijn over 2012 t/m 2018 goed voor ca 16 van de 42 miljoen € daadwerkelijk uitgegeven subsidie
Subsidies De diverse gruwelbeweringen over biomassasubsidies zijn zo’n broodje aap-verhaal. In het Algemeen Dagblad (annex Eindhovens Dagblad) wordt van “€11,4 miljard voor allerlei biomassa-installaties” gewag gemaakt die op geen enkele manier verantwoord worden. Ik heb actief gezocht naar een methode om op een of andere manier die 11,4 miljard kon terugvinden, alsmede over hoeveel jaar dat was, alsmede wat precies bedoeld werd met “allerlei biomassa-installaties” (er is veel meer biomassa in gebruik dan alleen het hout waarover het artikel ging), maar noppes. Men kletst maar wat. Het EASAC-rapport en Louise Vet hebben het over €3,6 miljard in acht jaar (welke acht jaar?) voor houtbijstook in kolencentrales (dus al heel wat minder als het EhvDagblad), maar parkeren je in de literatuurverwijzing bij de openingspagina van de SDE+-regeling met 25295 resultaten – en daarna zoek het maar uit. Dit is regelrecht academisch onfatsoen en een reden te meer dat dit artikel niet door een eventuele peer review had mogen komen. Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=10525 .
Hierboven
wat de SDE+-regeling feitelijk van 2012 t/m 2018 uitgegeven heeft voor de
diverse sectoren. Benadrukt moet worden dat biomassa een containerbegrip is
waarvan hout maar een deel is. Snel even uit de losse hand schattend kom ik
hierboven op 16 miljard over 2012 t/m 2018 voor alle vormen van biomassa samen.
Stikstof De energiesector is goed voor 0,3% van de Nederlandse stikstofdepositie. Dit mede omdat het statische inrichtingen zijn waar een goede rookgasreiniging uitgevoerd kan worden, inclusief soms een DENOX-installatie. Dat een dergelijke geringe hoeveelheid een rol speelt, is omdat andere sectoren (als vooral de landbouw, maar ook het verkeer) de boel dusdanig verziekt hebben dat elke groei van iets kleins tot een probleem leidt.
Het rapport van DNV GL ( zie https://www.bjmgerard.nl/?p=10699 ) zegt dat biomassaketels relatief meer stikstof uitstoten dan aardgas. Dat is ook zo omdat aardgas geen biologische stikstof bevat en (bijvoorbeeld) hout wel. Aan de ene kant wordt die stikstof bij verbranding omgezet in NOx. Aan de andere kant legt groeiend hout ook weer stikstof vast. Kort door de bocht gezegd, wordt het meerbedrag aan stikstof bij biomassastook in de korte cyclus ook weer opgenomen in nieuw hout. Er geldt dus hetzelfde voor als voor koolstof.
Duurzaamheidscriteria Het Position Paper gaat hierop dieper in. Ik beperk mij tot een afbeelding.
SFM = Sustainable Forest Management; BKG Balans = BroeiKasGas balans = Richtlijn 2009/28/EG Koolstofschuld = dat je eerst koolstof vrijmaakt voor die weer terug keert ILUC = Indirect Land Use Change Chain of Custody = documentatieverplichting over de levensloop)
Fijnstof-emissie Bij het verbranden van dingen komt fijn stof vrij. Als het een inrichting is waar er eerst geen stond is dat een verslechtering, waartegen over een klimaatverbetering staat. Dit vraagt om afweging van belangen. Het hangt er onder andere van af hoe goed de techniek is, hoe groot de capaciteit en de afstand tot woningen. Als er al een inrichting stond die stof loosde, en die wordt verbouwd, kan het om een vooruitgang gaan. Moderniteit en grootschaligheid bevorderen relatief lage emissies.
Inleiding Er loopt een discussie, die emotionele vormen aanneemt en af en toe op een geloofsstrijd gaat lijken, over de inzet van biomassa als vorm van duurzame energie. In zekere zin is het de uiting van een grotere trend, dat veel mensen in abstracto voor duurzame energie zijn, maar in concreto tegen allerlei vormen. Er zijn volksstammen tegen wind, het verzet tegen zonneparken begint zich te roeren, en kuddes linkse mensen vinden dat biomassa van de duivel is (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=8899 ). Streep al die mogelijkheden weg en je houdt niets over. Terwijl het duurzame energieverhaal en en en is en niet of of of. Je hebt gewoon alles nodig. Dat zei onlangs Heleen de Coninck nog op het Groen Links-congres (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=9445 ).
Vandaar dat
ik in deze kolommen, als het om biomassa gaat, vooral nuchterheid en cijfers
breng.
Onlangs is uitgekomen de Jaarrapportage 2018 van het “Gebruik van houtige biomassa voor energieopwekking” van het Platform Bio-energie, PBE (zie www.platformbioenergie.nl , de rapportage is daar te vinden). Het is een aanleiding om weer eens in te gaan tegen populaire misverstanden en drogredenen (bijvoorbeeld bij Zembla en Lubach). Ik behandel de volgende vragen:
Hoeveel duurzame energie was er in
2018 en welk aandeel heeft biomassa
daarin?
Mag je biomassa gelijk stellen aan
hout?
Zo nee, wat voor biomassa is er dan
nog meer?
Is alle gebruikte hout afvalhout?
Is het gebruikte hout gecertificeerd
duurzaam?
Waar komt het hout vandaan?
De biomassacentrale in Meerhoven
Het CBS en vraag 1) Nederland heeft een prima statistisch bureau, het CBS, en heel veel vragen kunnen daar gewoon worden opgezocht. In het verslag van PBE wordt gebruikt de hernieuwbare energietabel https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83109NED/table?dl=1FBA8 . Daar staat het eindverbruik (‘finale verbruik’), grofweg dat wat volgens afspraak aan de klant wordt afgeleverd. Zeg maar de output van het systeem. De input was groter, omdat er onderweg verliezen optreden en er geïnvesteerd wordt in chemische producten. Ik kijk naar 2018.
De CBS-tabel zegt dat er 157,0PJ aan de klant wordt afgeleverd, toe te rekenen aan duurzame bronnen, en verdeeld over de bestemmingen elektriciteit, warmte en vervoer. In de meest linkse kolom staan de bronnen: waterkracht, wind, zon, aard-bodem-buitenluchtwarmte en biomassa. Ter vergelijking: het geheel aan energie dat aan de klant wordt afgeleverd is ruim 2100PJ.
Van die 157,0PJ
duurzame energie komt 95,3PJ uit biomassa. Het aandeel biomassa in het totaal
aan duurzame energie bedraagt dus 61% (=95,3/157,0).
Het PBE-verslag 2018 en vraag 2) Het PBE is een organisatie van leveranciers of afnemers van organisch materiaal t.b.v. energieproductie. Dat betekent op dit moment voor hout in praktijk verbranden.
Het PBE geeft aan in 2018 1.65 miljard kg hout te doen verbranden. Dat valt niet een op een om te rekenen in energie, omdat de warmteopbrengst afhangt van hoe droog het hout is. Het PBE geeft daarover geen cijfers. Het ene uiterste is dat het hout ovendroog is. Dan levert het ca 19MJ/kg. De door het PBE genoemde hoeveelheid komt dan overeen met 31PJ. Het andere uiterste is dat het hout vers geoogst is. Dan levert het 8 tot 10MJ/kg, afhankelijk van of de waterdamp in de rookgassen wel of niet mag condenseren. De door het PBE genoemde hoeveelheid komt dan overeen met 13 tot 17PJ. Ergens tussen beide in ligt de werkelijkheid. Luchtdroog hout zou ongeveer op 22PJ uitkomen en dat lijkt een redelijke, maar met veel speling omgeven, schatting.
Hoe dan ook is de hier geschetst houtbijdrage veel minder dan de 95PJ, die het geheel aan alle biomassa-activiteiten aan de klant aflevert. Binnen het geheel aan biomassa is houtstook dus een ondergeschikte post, ergens rond de 20 a 25% .
Het PBE werkt op een niet erg duidelijke manier met percentages. Het kan wel kloppen, maar je wordt op het verkeerde been gezet doordat de categorieën rioolwaterzuiveringen en afvalverbranders in beeld verschijnen. Pas na goede lezing wordt duidelijk dat deze alleen meetellen, voor zover het om houtvezels gaat. En waarvan het percentage genomen wordt, verspringt steeds; en het resultaat telt niet altijd op tot 100%. Bij een volgend verslag moet men er eens een beroepsredacteur met kennis van getallen naar laten kijken. Het verslag wekt een eerlijke, maar onhandige indruk.
Het CBS
en vraag 3)
De CBS-tabel noemt als bronnen van energie uit biomassa :
Het
PBE-verslag en vraag 4) De eerste sheet van
h.2 (zeg maar 2a) zegt nadrukkelijk dat het bij nagenoeg alle hout om afvalhout
gaat.
673
miljoen kg is gebruikt B-hout
605
miljoen kg zijn reststromen uit bos- en groenbeheer
202
miljoen kg zijn reststromen uit de agro-, food- en houtindustrie
159
miljoen kg komen uit afvalwater of gaan de afvalverbrander in
8,5
miljoen kg is schoon A-hout
——
1647,5 miljoen kg
Sheet h.2b
is een specificatie van de 605 miljoen kg uit sheet h.2a, maar er ontbreekt een
stukje. Onduidelijk is waar dat gebleven is.
Al met al vind ik de claim dat nagenoeg alle hout voor energiedoeleinden binnen Nederland afvalhout is, gerechtvaardigd. Het beeld dat hele bossen uit de grond gerukt worden en rechtstreeks de versnipperaar ingaan, is een broodje aap-verhaal dat mede de wereld in geholpen is door Zembla en Arjan Lubach.
Vraag 5) Van de 1647,5 miljoen kg is 441 miljoen kg gecertificeerd. Voor nadere details zie de figuur. Dat lijkt weinig, maar ik kan niet meteen beoordelen of het ook werkelijk weinig is. Ik weet niet voor welk soort afvalhout überhaupt een certificering bestaat. Hier ligt de zwakste plek van het verhaal.
Vraag 6) In 2018 kwam 77% van het energiehout uit en Nederland, en de rest uit Europa. Er kwam geen hout uit de VS en nagenoeg geen hout uit de rest van de wereld.
Schoon verbranden Het jaarverslag 2018 van het PBE gaat niet over de kwaliteit van de verbrandingsgassen. Maar omdat daar veel over te doen is, toch enkele opmerkingen. Nogal eens wordt gedaan alsof een professionele grootschalige houtstookinrichting niet beter is dan de buurman, die je terroriseert met zijn stinkende en rokende houtkachel. Dit beeld is ten onechte.
Mijns
inziens moet kleinschalige houtstook door particulieren in stedelijk gebied
verboden worden vanwege de milieubezwaren. De verbranding vindt vaak bij een te
lage temperatuur plaats en de verbrandingsgassen worden niet gezuiverd.
Proces-
en risico-analyse Berenschot van SDE+/GVO in 2017 In 2017 heeft het
bureau-Berenschot voor regering en parlement een onderzoek uitgevoerd naar de
Regeling SDE+ (Stimulering Duurzame Energie) en naar de Regeling Garanties van
Oorsprong (GVO). Daaruit kwamen vijf risico’s bij duurzame warmte en
mestvergisting naar voren. Ook heeft Berenschot aanbevelingen gedaan.
Warmte Men kan SDE+ – subsidie krijgen voor duurzame warmte. Die warmte moet uiteraard ook daadwerkelijk worden ingezet voor wat volgens de criteria ‘nuttig’ heet. Dat bleek soms moeilijk te controleren. De afspraak is nu dat de controlerende instantie CertiQ meer geautomatiseerd en vaker meetgegevens binnen moet krijgen en dat de toepassingen een code krijgen. Bij hoog risico-toepassingen gaat RVO vaker controleren.
Duurzame energie als % van alle energie (7,4% = 158PJ)
Mestvergisting Bij covergisting moet minstens 50% dierlijke mest gebruikt worden, en bij monovergisting minstens 95%. In beide gevallen kan er toeslagmateriaal ingezet worden. Er bestaat een limitatieve lijst met wat daarvoor gebruikt mag worden. Die blijkt echter moeilijk te controleren. Bij grote bedrijven moet de accountant zelf controleren wat er met de stront bijgemengd wordt, en bij kleine bedrijven mag dat worden uitbesteed aan een meetbedrijf.
Tot nu toe stond niet in de subsidievoorwaarden van de SDE+ dat een vergister aan de meststoffenwetgeving moet voldoen. Nu wel, en dat maakt het mogelijk de subsidie bij wangedrag in te trekken en maakt meer gerichte controles mogelijk.
De rubriek ‘covergisting” houdt vanaf 2019 op te bestaan en gaat onder de categorie ‘allesvergisting’ vallen. Co-vergisten brengt nu geen financieel voordeel meer, waardoor het genoemde 50%-aandeel niet meer gecontroleerd hoeft te worden.
Er zijn overtredingen die bestuurlijk zijn en/of op basis van de subsidievoorwaarden afgehandeld kunnen worden. Er zijn twee situaties rond vergistingsbedrijven die SDE+subside hebben, waar een vermoeden van fraude is (en dus het strafrecht geldt).
Maar mestvergisting is niet alleen een probleem, het levert ook op. De ruim 200 installaties in Nederland die biomassa, mest of beide vergisten, produceren bijna 12PJ aan elektriciteit en/of groen gas en/of hernieuwbare warmte. Een schets van de context om dit getal te plaatsen. De totale hoeveelheid duurzame energie in Nederland bedroeg in 2018 158PJ, goed voor 7,4% van alle energie (www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/22/aandeel-hernieuwbare-energie-naar-7-4-procent ), waarvan ongeveer 12PJ uit zonne-energie. Mestvergisting leverde dus in 2018 ongeveer evenveel energie als zonnepanelen. De hoeveelheid energie uit zonnepanelen zal groeien, maar zo ook de hoeveelheid uit mestvergisting. Men verwacht dat er nog 85 bedrijven bijkomen, samen goed voor bijna 10PJ.
Energie uit wind en zon (CBS)
Men ziet overigens
ook aan de eerste CBS-grafiek dat de grotere categorie biomassa, waarvan
mestvergisting een onderdeel is, goed is voor 61% van alle duurzame energie
(dus 96PJ).
Biomassa kent zijn dilemma’s en daarbinnen mestvergisting ook (zoals de veronderstelde relatie met de te grote veestapel). En omgevingsvergunningen moeten goed zijn. Maar ik verzet mij tegen de huidige trend om beide per definitie politiek te verdoemen.
Het politieke besluit De Staat der Nederlanden heeft het door Urgenda aangespannen proefproces verloren. De rechter bepaalde (ook in hoger beroep) dat Nederland in 2020 een kwart minder broeikasgassen moet uitstoten dan in 1990 . Dat gaan de Staat niet halen. Het PBL heeft becijferd dat het percentage tussen de 17 en de 24% zal liggen. Er is een gat van 2 tot 17 Mton CO2, eq (een Mton is 1 miljard kilo).
Op 12
februari 2019 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen, waarin staat dat
De kolencentrale Hemweg (Amsterdam) voor 31 december 2019 dicht moet
De kolencentrales van Uniper en Engie op de Maasvlakte, en van RWE aan de Eemshaven voor in 2020 dicht moeten
Overzicht van de effecten van het ‘binnenlandse scenario’
Het CE Delft – onderzoek Op verzoek van Natuur en Milieu, Greenpeace en het Longfonds heeft CE Delft doorgerekend wat dat voor gevolgen zou hebben. CE Delft heeft drie scenario’s opgesteld:
Het referentiescenario (bestaand beleid, waar de sluiting van de Hemweg al in zit, en waarin genoemde drie andere centrales doorfunctioneren t/m 2029)
Het kolencentrale sluiten-scenario, waarin genoemde drie centrales op 1 jan 2020 dichtgaan, en er in het buitenland niets verandert (het ‘binnenlandse scenario’) . Dit resulteert in extra gasstook en extra import
Een gevoeligheidsscenario, waarin in dezelfde periode ook extra kolen- en bruinkoolcentrales in Duitsland dichtgaan
Gevolgen van alleen het binnenlandse scenario:
Drie
extra centrales sluiten jaagt binnen de Nederlandse staatsgrenzen 8 – 10,5 Mton
broeikasgas minder de lucht in. Aan het vonnis is voldaan.
Omdat
in het buitenland de centrales harder moeten werken, bederft dat de pret voor
ongeveer de helft. Binnen de EU-grenzen is de daling 4 – 6 Mton.
De
groothandelsprijs van stroom gaat een paar tiende cent/kWh omhoog (in 2020 van
4,2 naar 4,5 cent/kWh. Voor een gemiddeld huishouden scheelt dat ca €15 per
jaar
Er
komt wat minder gif in de lucht. Vooral voor zwavel scheelt het.
De
stroomvoorziening blijft gegarandeerd
De
drie centrales stoken wat biomassa bij. Dat telt als duurzame energie. Nederland
moet van de EU 14% halen. Als de drie centrales niet gesloten worden, zou dat
in praktijk op 12,3% blijven steken. Worden ze wel gesloten, dan is het 11,7%
(plus of min flink wat).
De
exploitant lijdt overal, opgeteld over 10
jaar, netto 2 miljard of minder verlies. De staat bespaart zich 1,2
miljard euro aan SDE+ – subsidie
Gaat
tegelijk Duitsland ook centrales sluiten, dan moeten bij ons de gasgestookte centrales
wat harder werken, en dat bederft de voordelen binnen de landsgrenzen in lichte
mate.
Het ETS Er worden wel eens lelijke dingen gezegd over het Emission Trade System, de koolstofbeprijzing van de EU. Het is een soort bonus-malussysteem waarin boeven rechten moeten aankopen en helden kunnen verkopen. Daar staat een prijs voor. Dat leidt tot een waterbedeffect. Het totaalbedrag van alle rechten (de ‘cap’) daalt langzaam. Tot voor kort was dat een farce, want er waren zoveel rechten uitgegeven dat de prijs effectief nagenoeg nul was (een paar Euro). Maar er is flink ingegrepen. De cap gaat sneller dalen en er is in 2019 een soort verdwijnput geïnstalleerd, waarin alle ongebruikte rechten vernietigd worden voor zover het surplus meer is dan één jaar veiling. Als de Nederlandse kolencnetrales inderdaad dichtgaan en wel voor 2022, verdwijnen hun koolstofrechten in de verdwijnput.
Het verloop van de ETS-prijs (Sandbag)
Inmiddels is de prijs gestegen tot ca €24/ton CO2 . CE Delft verwacht dat de prijs verder stijgt tot €31/ton in 2025 en tot €46 in 2029. Het begint te werken, maar eigenlijk zou de prijs nog hoger moeten worden.
De Amer 9 – centrale in Geertruidenberg De Brabantse centrale is expliciet uitgezonderd in de CE Delft-studie. Dit op basis van politieke besluitvorming. In 2020 draait de centrale op 80% biomassa en 20% kolen, en dat moet uiterlijk 2030 toe naar 100% biomassa. Daarmee wordt de centrale niet langer gezien als een kolencentrale.
De Amercentrale
De centrale kan 600MW elektrisch leveren en 350MW thermisch aan de stadsverwarming. Maar die neemt uiteraard wisselend af en daarom prikt CE Delft de Amercentrale gemiddeld op 700MW. Het klinkt als een redelijke schatting. Staat het ding 8500 uur per jaar aan, dan levert hij in totaal ongeveer 21 PJ, waarvan (bij 80%) 17PJ duurzaam. Dat tikt aan voor het Brabantse duurzame energie-budget.
BMF-verzoek Na de nodige interne perikelen is de Brabantse Milieu Federatie (BMF) zich bestuurlijk weer aan het oprichten. De BMF oriënteert zich op kennis van relevante onderwerpen, waaronder energiekwesties. Gezien de grote invloed van duurzame energie op het landschap, en de intensieve veehouderij is dat logisch.
De BMF heeft al eens avonden belegd voor de achterban, die ook gebukt gaat onder het enerzijds van de natuur en het anderzijds van de duurzame energie. Binnenkort gaat het, na de jaarvergadering, over de Regionale Energie Strategieën.
Een traditioneel discussieonderwerp is het onderwerp biomassa. Ik sta daar anders in dan veel BMF-ers. Als je de standpunten tot karikaturale one liners zou verengen, zou ik bijvoorbeeld vinden dat professionele houtstook best wel een rol kan spelen in de energievoorziening en dat een bos een gewas is dat niet anders moet worden benaderd dan boerenkool, en zouden anderen vinden dat er veel meer bos moet komen, elk bos natuurgebied moet worden, met een sacrale uitstraling en associaties met het hondje Idefix. Het botst wel eens.
Aan de andere kant weet ik veel af van energie in Brabant en de BMF (nog) niet. Zodoende stuurde de BMF mij een uitnodiging door, die ze van het Wetenschappelijk Bureau van Groen Links gekregen hadden voor de conferentie “Biomassa: voedsel, grondstof of brandstof?” op 24 mei 2019. Een zinnig onderwerp. Bij deze een reflectie.
Ik schatte
in dat mij als SP-er geen onmiddellijk levensgevaar bedreigde als ik op de
uitnodiging in zou gaan. Dat bleek te kloppen.
Heleen de Coninck
De GroenLinks – conferentie Die was best goed
opgezet. Er zaten zo’n 150 mensen in de grote zaal van Villa Jongerius in
Utrecht (zonder uitzondering spierwit, gemengd van leeftijd en m/v). Keynotespreekster
was Heleen de Coninck ( www.ru.nl/english/people/coninck-h-de/
), universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en een van
de mede-auteurs van het IPCC-rapport van 2018 (IPCC SR 1.5) dat waarschuwde
voor het overschrijden van de 1,5°C.
Verder spraken kort GroenLinks Tweede Kamerlid Tom van der Lee en (in een
panelconstructie met elk een pitch) Jelmer Vierstra (projectleider grondstoffen
Natuur en Milieu); Martin Junginger (hoogleraar Biobased Economy aan de
Universiteit van Utrecht, Bart Dehue (projectleider duurzame warmte van
NUON/Vattenfall) en Jorrit Nuijens (wethouder GroenLinks in Diemen, waar een
grote biomassacentrale moet komen).
’s Middags waren
er vier workshops, alle interessant maar helaas tegelijk. Ik heb ‘Biobrandstoffen
voor transport’ gekozen.
Na afloop discussie met de hele sprekersset.
Heleen de Coninck Onder die limiet blijven heeft duidelijk voordelen (zo overleeft bijvoorbeeld een deel van het koraal op aarde); we zitten nu op 1,0°C; en onder de 1,5°C -limiet blijven vraagt om veranderingen op een schaal, zoals die nog nooit eerder vertoond is. Bij ongewijzigd beleid wordt de limiet ergens rond 2040 doorbroken. Met opgeteld een verandering van alle persoonlijke levensstijlen haal je het niet. Er is een systeemverandering nodig.
Daarvoor moet alles uit de kast. Ook biomassa, mits mits een aantal zaken. Vooral een combinatie van BioEnergy met CarbonCapture and Storage (BECCS) heeft zin. In augustus komt er een speciaal rapport van het IPCC over biomassa, landgebruik en BECCS.
In de
discussie stelde De Coninck dat biomassa niet bij voorbaat moet worden
afgeschreven. ‘DE BIOMASSA’ als categorie bestaat niet. Het is een zeer
uiteenlopende groep technieken die niet met één categoraal oordeel beoordeeld
kan worden.
Junginger Het ene extreem, aldus Junginger, is een palmolieplantage bouwen op veengrond. Dat is om allerlei redenen een drama dat je niet moet willen. Het andere extreem is als ik mijn heg knip, composteer en de brokstukken die dan nog niet kapot zijn opstook. Niets mis mee. De meeste biomassa zit tussen die extremen in.
Je kunt het
beste biomassa inzetten waar geen fossiel alternatief is, zoals in de
scheepvaart, de luchtvaart of de chemie.
In de discussie ging Junginger tegen de veelgehoorde mythe in dat men zomaar hele bomen in de versnipperaar stopt (een door een misleidende uitzending van Zembla gevoed waanidee bg). Van volwassen bomen gaat alleen de top naar de versnipperaar en de stam gaat naar de zagerij. Hooguit zijn jonge bomen een twijfelgeval.
Tom van der Lee en de zaal. Van der Lee functioneerde in het spanningsveld tussen wat sommige GroenLinksers graag willen horen en wat de realiteit dicteert.
De realiteit is, aldus Van der Lee, dat biomassa goed is voor 120PJ van de 3100PJ op de Nederlandse energiebegroting en dat kan meer worden. Als je daarvan af zou willen, zou dat heel wat vragen. GroenLinks zegt dan ook niet ‘NEE’ tegen alles, probeert zich aan heldere criteria te houden, en wil in elk geval een standstill. Het volgen van de cascaderingsladder is in elk geval een vereiste (overigens een breed aanvaard standpunt in de politiek bg). Biokerosine gaat voor bijstook in centrales. Maar er zijn dilemma’s (zoals dat bijvoorbeeld geschetst werd door een GroenLinks-bestuurder uit Helmond). Moet je de stadsverwarming voeden met biomassa of met aardgas? Dan toch maar biomassa. Het perfecte is bij voorbaat onhaalbaar.
Zodoende
ontspon zich een discussie tussen Van der Lee en een aantal anti-biomassa-fundamentalisten
in het publiek, alsmede een enkele anti-stadsverwarmingsfundamentalist. Ik vond
dat Van der Lee won, maar ik kan niet in hoofden kijken.
De workshop “Biobrandstoffen voor transport”. Daar spraken eerst Loes Knotter voor het Platform Duurzame biobrandstoffen (een initiatief van het ministerie van I&W) en Paul Peeters van de Hogeschool in Breda, kerosinekenner en geen onbekende bij luchtvaartactiegroepen en voor mij inmiddels een oude bekende. Hij heeft nog materiaal aangeleverd voor mijn afstudeerscriptie (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=8829 ). Zie verder ook https://platformduurzamebiobrandstoffen.nl/ en www.cstt.nl/Staff/Paul-Peeters/8 .
Knotter gaat over alle brandstoffen, ook over benzine en diesel. Alles bijeen een nog klein, maar groeiend marktaandeel. Vol trots liet ze een grafiekje zien dat het gemiddelde CO2-besparingspercentage van biobrandstof inmiddels boven de 80% zat. In Nederlandse diesel zit geen palmolie.
Peeters betoogde dat biokerosine op korte termijn een gat kon dichten, maar nadelen had die electrofuels (Power to Liquid) veel minder hadden . Maar die laten langer op zich wachten. In beide gevallen kan de luchtvaart niet blijven doorgroeien. In het ene geval is het landgebruik voor gewassen de beperkende factor, in het andere geval dat voor windturbines etc.
Mijn positie en wat mij opviel Wat mij opviel is dat het voedselaspect tijdens de conferentie nauwelijks aan de orde kwam. Daarover bestaat inmiddels min of meer een gunstige consensus, waardoor dit aspect een gepasseerd station begin te worden. Verder viel me op dat biomassa vooral geïdentificeerd wordt met bomen. Maar rioolslib is ook biomassa en gemaaid bermgras ook, en ook varkensmest en een deel van het huishoudelijk afval. Er zit meer niet-boom dan wel-boom in het biomassa-aanbod (zie de CBS-cijfers).
Onderverdeling van biomassa naar categorieën (CBS)
Ik voel mij
vooral thuis bij de ‘ja, mits’ – posities van De Coninck en Junginger. Voor
mensen, die deze site bijhouden, kan dat geen verrassing zijn. Het is èn èn èn
èn en de luxe van òf òf òf bestaat niet.
Ik
constateer verder dat mijn positie, grosso modo beschouwd, niet wezenlijk
afwijkt van die van de GroenLinksfractie. Ik sta er alleen wat vrijzinniger in.
Je zou op dit moment erg kritisch moeten nadenken of je een nieuwe stadsverwarming op biomassa laat draaien. Er beginnen zich alternatieven af te tekenen die echter vooralsnog financieel onbereikbaar lijken ( www.bjmgerard.nl/?p=8645 ). Algemeen: ik ben het geheel eens met de uitspraak van Van der Lee dat het perfecte bij voorbaat onhaalbaar is. Dit geldt echter niet alleen de inzet van biomassa, maar dat geldt de gehele duurzame energie. Er zijn altijd spanningsvelden te ontwaren (bos versus andere Natura 2000, productiebos versus natuurlijk bos, zonnepark versus landbouwgrond, wind versus woonwijken, wind versus vleermuizen, enz enz). Het vraagt om een kritische analyse, maar wat mij betreft mag de duurzame energie vaak winnen.
Vrachtschepen zijn ongelooflijk
energie-efficiënt
Iemand die ik aan de Tafel Duurzame Brandstof van de Proefcasus ontmoette, en
die intimus is in het wereldje van de synthetische kerosine, zei dat er
momenteel één fabriek is in Los Angeles, die een momenteel beetje biokerosine
verkoopt. “Als die biokerosine de haven uitvaart” zei hij “bespaart de
biokerosine 85% CO2. Als die boot door de Pacific en het
Panamakanaal vaart, en dan naar Zweden, bespaart dezelfde biokerosine bij
aankomst nog steeds 75%”. Met andere
woorden, een tocht van 17.000km heeft maar een klein klimaateffect.
(Uit Sustainable Energy without the hot air, David MacKay) (Uit Sustainable Energy without the hot air, David MacKay)
Mits met een modern vrachtschip. Moderne vrachtschepen zijn ongelooflijk energie-efficient. Wijlen David MacKay ( zie www.bjmgerard.nl/?p=2863 ) geeft in zijn boek “Sustainable Energy without the hot air” (blz 92 en 95) als kengetal voor een moderne olietanker 0,017kWh per ton*kilometer. Als je daarmee vaart, rekende hij uit, heb je na 10.000 km met 29 km/uur varen virtueel 1% van je olievoorraad opgemaakt. Dat zit zelfs nog onder wat mijn kennis zei, maar die zal de bemanning wel meegeteld hebben. Nog meer op blz 92 en 95: een dry cargo vrachtschip doet 0,08 kWh/ton*km, en een vrachttrein ongeveer 0,07kWh/ton*km . Ter vergelijking: een vrachtauto doet ongeveer 1,0 kWh/ton*km en een vliegtuig ongeveer 1,7kWh/ton*km.
Het zijn
kengetallen en ze zijn netto. Het zijn gemiddeldes in hun categorie dd 2010, en
geven alleen wat ten laste van de nuttige lading geboekt wordt.
Import van houtsnippers In de discussie over het verbranden van houtsnippers (bijv. in de Amercentrale) wordt veel onzin verkocht. Men voelt in milieukringen te veel en men rekent te weinig. “Moeten wij HELEMAAL vanuit Amerika houtsnippers gaan invoeren, dat kan toch nooit rendabel zijn!” De precieze betekenis van het woord rendabel wordt in dit verband meestal niet gedefinieerd. Het argument slaat niet meer dan een gat in de lucht.
Het kan namelijk wel rendabel zijn als hiermee bedoeld wordt dat de in Rotterdam afgegeven energie beduidend meer is dan de bewerking en het transportmiddel onderweg hebben opgesoupeerd. En dat is het geval. Blijkt bij het rekenen dat eigenlijk alleen het transport telt. De machines (bijv. de hijskraan en de houtversnipperaar) hebben een groot vermogen, maar werken zo kort dat het niet aantikt.
Je kunt dus
werken met de transportkengetallen van MacKay.
Ik heb in 2012 voor het toenmalige SP-Tweede Kamerlid Paulus Jansen uitgerekend wat het energetisch zou kosten, en zou opleveren, om 1 ton luchtdroog hout van Winnipeg in Midden-Canada 2600km op de vrachttrein te zetten naar Halifax, en het daar op de boot (dry cargo vessel) naar Rotterdam te laden (5000km verder). Komt op 0,07*2600 + 0,08*5000 kWh = 582 kWh = 2,1GJ. Een ton luchtdroog hout levert 13,5GJ aan stookwarmte op. Ergo is het energetisch rendabel.
Ik zal niet
zeggen dat dit energetisch ideaal is, maar andere vormen van duurzame energie
zijn ook niet ideaal. Men vergelijkt niet wit met zwart, maar grijs met grijs.
Het is niet anders.
De uitkomst
is een orde van grootte en valt naar twee kanten op te rekken.
Je kunt
zeggen dat een boot stoken met hout (virtueel) een lager motorrendement heeft
dan stoken met olie, dus als je (virtueel) de boot laat varen op zijn eigen
hout, je meer dan 2.1GJ kwijt bent (bijv. 3). Zo redenerend ben je 3GJ kwijt om
10,5GJ binnen te brengen. Een EROEI (Energy Return On Energy Investment) van 3,5.
Dat is ongeveer teerzanden en zo, dus zeer matig.
Aan de andere kant kun je ook zeggen dat als er in Canada een bron staat van goedkope lage temperatuur-warmte en je je hout zonder extra energieopwekking ovendroog kunt krijgen, je op 20GJ/ton komt. Dan breng je met virtueel 3GJ 17GJ binnen en dat is een heel wat beter plaatje.
(RVO; 1000 kuub zaaghout is 800 ton)
Maar in praktijk haalt de EU zijn houtsnippers ook uit het Zuidoosten van de VS of uit de Baltische landen. Hoe pakt dat per ton hout uit? Van Savannah in Georgia naar Rotterdam is 7000km varen. Doe er nog eens 500km rail bij, daar landinwaarts en hier naar de Amercentrale, dan kom je op 0,07*500 + 0,08*7000 = 595kWh = ook 2,1GJ. Van Estland naar Rotterdam is 2600km varen. Met 300km rail komt het op dezelfde wijze 230kWh = 0,83GJ uit. Met 0,83GJ (eventueel wat meer) investering virtueel 12 a 13GJ stookwarmte binnenhalen is een alleszins aanvaardbare EROEI, zeker indien het hout gratis (in energetische zin) ovendroog gemaakt kan worden.
Latere toevoeging: In de nieuwe RED II – richtlijn, die december 2018 van kracht geworden is, worden de broeikasgasemissies over de gehele levensduur (dus LCA) in nauwgezette tabellen gegeven, afhankelijk van de transportafstand. Een voorbeeld: Voor de broeikasgasemissies (inclusief niet-CO2) worden voor “Houtspaanders van hakhout met korte omlooptijd (populier onbemest)” (blz 195) de volgende standaardwaarden gegeven in gr CO2, eq / MJ: afstand 1-500 km 7 afstand 500 -2500 km 10 Afstand 2500 – 10000 km 16 Afstand > 10000 km 28 De moraal is dat voor afstanden binnen Europa het transport nauwelijks broeikasgassen toevoegt. Daarna loopt het op. Qua orde van grootte zit je dan ongeveer op dezelfde resultaten als de kengetallenbenadering vna MacKay.
Is meestook van houtsnippers duurzaam? Op basis van dit verhaal valt dat niet te zeggen. Dit verhaal zegt slechts dat transport van hout over de oceaan geen groot klimaateffect heeft. In de argumentatie kan het zee- en treintransport dus slechts een bescheiden rol spelen.
Mijns
inziens kan het verstoken van hout (en meer algemeen van biomassa),
bijvoorbeeld in de Amercentrale, duurzaam zijn als aan voorwaarden voldaan is.
Bij de productie moet er sprake zijn van een goed bosbeheer, en bij de
verbranding moet op efficiente wijze zowel elektriciteit geproduceerd worden
als restwarmte gebruikt (zoals in de Amercentrale gebeurt).
Ik krijg af en toe vragen van lezers van mijn site. Dat vind
ik leuk. De verspreiding van kennis, voor zover ik die heb, is een soort
roeping.
Ik kreeg een vraag van meneer M. uit Wehl in Gelderland, die
iets vraagt wat mogelijk ook voor anderen relevant is. Ik publiceer (met
instemming) de vraag en mijn antwoord.
Op 17-5-2019
om 15:47 schreef M:
Dag Gerard,
Ik had een vraag: ik woon in Wehl in Gelderland, een dorp met 6500 inwoners.
Kun je bij
piekmomenten bij hele zonnige dagen, de overtollige stroom van een groot aantal
woningen, leveren aan een warmtebatterij, die op zijn beurt het plaatselijke
openluchtzwembad, thans gasgestookt, mede verwarmen?
Vriendelijke groet M.
Zwembad De Byvoorde in Wehl
Mijn antwoord:
Geachte heer M., eigenlijk bestaat uw vraag uit drie vragen:
1) kun je overtollige stroom omzetten in warmte?
2) kun je die warmte opslaan? (wat u een warmtebatterij
noemt)
3) kun je daarmee een zwembad verwarmen?
Ik moet voorop stellen dat ik geen installatietechnicus ben en ik ken de
omstandigheden in Wehl niet. Als u echt iets wilt, moet u er een vakman
bijhalen. Ik kan u in algemene zin antwoord geven, maar dat is te weinig als u
echt wilt gaan investeren.
Ad 1.
Ja, daar is geen kunst aan. De elektrische waterkoker is een voorbeeld.
Ad 2. In algemene zin is het antwoord ja. Daartoe bestaan verschillende systemen. Ik zal u verwijzen naar artikelen op mijn site, die u als voorbeeld kunt zien. Er zijn echter ongetwijfeld meer mogelijkheden. U kunt kijken op www.bjmgerard.nl/?p=5806 (het systeem van Ecovat) en www.bjmgerard.nl/?p=4680 (een TNO-systeem op basis van gehydrateerde zouten) en www.bjmgerard.nl/?p=6139 (systemen van bodemenergie) en www.bjmgerard.nl/?p=9371 (in grond- of afvalwater). In praktisch-technische zin en in economische zin kan ik uw vraag niet beantwoorden, omdat ik daarvoor van alles zou moeten weten (en dan nog). Daarvoor moet u naar een gespecialiseerd bureau stappen.
Ad 3. Ja, dat is normale techniek. In het opslagmedium ligt een warmtewisselaar en in de machinerie van het zwembad eveneens en die zijn verbonden met buizen. Overigens kan zoiets in beginsel twee kanten op werken, mocht u het water van het zwembad te warm vinden. Het hangt van de omstandigheden af of u geheel of gedeeltelijk van het gas af kunt. Als het warmteaanbod niet groot is, kunt u water bijvoorbeeld verwarmen van 15 naar 17 graad C. Dan heeft u nog steeds gas nodig, maar van 15 naar 20 vraagt meer gas dan van 17 naar 20 graad C.
Een project zoals u dat schetst, kan interessant zijn voor een gemeente of
voor de provincie. U zou eens kunnen vragen of er bij die overheidsinstellingen
een ambtenaar rondloopt die zich specifiek met dit soort vragen bezighoudt, en
die weet waar je in uw omgeving voor advies of een ontwerp terecht kunt. Het
klinkt alsof het project in beginsel subsidieerbaar is.
Wat is aquathermie en wat zijn de
voorwaarden? Er is een Green Deal
Aquathermie gesloten. Dat is een beleidsdocument, dat gebaseerd is op een
technisch document van CE Delft en Deltares. Dat is te vinden op www.ce.nl/publicaties/2171/nationaal-potentieel-van-aquathermie
.
Hierna wordt in het kort de techniek beschreven op basis van CE Delft/Deltares
(ook de afbeeldingen). De opdrachtgever van deze studie was STOWA, zoiets als
het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven.
Men kan
warmte aan water onttrekken om elders te verwarmen.
Als dat water oppervlaktewater is, heet dat TEO (Thermische Energie Oppervlaktewater).
Als het afvalwater is TEA. Daarnaast kan warmte onttrokken worden aan
drinkwater of rioolwater, maar dat levert veel minder op en blijft hier buiten
beschouwing.
Schematische weergave van een Thermische Energie uitOppervlaktewater – installatie
TEO haalt ’s
zomers warmte uit het water en stopt dat in een warmte-koudeopslag (WKO) in een
watervoerende laag in de grond. Dat kan met open vormen van WKO, een bestaande
techniek waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
’s Winters wordt het water opgepompt en of centraal met een warmtepomp verwarmd
tot 70°C, waarna het geschikt is voor bestaande woningen. Het
alternatief is dat het onder 25°C verwarmd wordt, waarna individuele
warmtepompen het per woning op de gewenste temperatuur brengen – wat kan in
nieuwbouw met aangepaste verwarmingssystemen.
Je kunt met TEO ook koelen, maar daar is veel minder vraag naar.
Voor
afvalwater (TEA) bestaan vergelijkbare schema’s op woningniveau (maar dat laat
CE Delft on-onderzocht) en bij persleidingen, rioolgemalen en uitstroomkanalen
van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI). Omdat hier minder een
seizoensinvloed is, is geen tussentijdse opslag nodig.
Schema hoe in de zomer de temperatuur afgeroomd wordt
Voor aquathermie is een stadsverwarmingsinstallatie een vereiste. De exploitatiemogelijkheden van een warmtenet zijn dan ook de eerste beperkende factor op de inzet van TEO. De warmtevraag in een buurt moet > 2000GJ/jaar zijn en de dichtheid > 600 GJ/ha*jaar (RVO, Afwegingskader Locaties 2013). Verder beperkt CE Delft zich tot een transportafstand van 5km tussen bron en wijk. Die watergangen zijn meegenomen, die in het Nationaal Watermodel zitten ( www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/applicaties-modellen/applicaties-per/watermanagement/watermanagement/nationaal-water/ , zie onder ‘Zoetwaterverdeling). Dit is een voorbeeldplaatje van wat er in dat model meegenomen wordt:
Schematisatie van het Dommel-watersysteem zoals gebruikt in het LSM-model
Uiteraard
kan een oppervlaktewater maar eindig leveren en binnen 5 km kunnen meer buurten
liggen. Daarvoor moet gerekend worden.
De opbrengst TEO kan verrassend veel opbrengen. Op dit moment is de landelijke warmtevraag van de gehele gebouwde omgeving (woningen, scholen, utiliteit etc) ongeveer 500PJ, waarvan 334PJ bediend zou kunnen worden met een warmtenet. Van die 334PJ kan ongeveer 200PJ geleverd worden met TEO. In 2050 is de geschatte landelijke warmtevraag van idem 350PJ, waarvan 234PJ geschikt voor warmtenetten. Daarvan kan ca 152PJ geleverd worden door TEO.
Met TEA zou
ongeveer momenteel technisch ongeveer 70PJ mogelijk zijn, en economisch 56PJ.
Brabant
Geografische weergave van het potentieel van TEO: warmteleverende waterlichamen en waterontvangende stadsdelen (in % van de vraag)
Er is alleen
een geografische onderverdeling beschikbaar voor TEO. Voor TEA bestaat er
alleen nog een landelijk totaal.
Toch wel merkwaardige uitkomsten. Een waterrijke stad als Den Bosch zou dus voor meer dan de warmtebehoefte van de gebouwde omgeving verwarmd kunnen worden met warmte uit het oppervlaktewater (mits WKO en mits een stadsverwarming enz). En ook in Helmond zou veel mogelijk moeten zijn. Hieraan heeft stadsverwarmingsexploitant Ennatuurlijk zelfs gerekend bij het verkennen van de toekomst van de Helmondse stadsverwarming (met de Zuid-Willemsvaart als bron – je ziet hem op de tekening liggen). Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=8645 .Men vond het toch te duur en wil nu een van de twee ketels met hout gaan stoken.
Kosten Het financiele
bureau Rebel Group heeft van negen projecten de kasstromen doorgerekend om een
indruk te krijgen van de economische mogelijkheden. Ze bevatten allemaal een
WKO (de TEO + WKO in Houten bestaat al). Krijg je dit plaatje, met twee
Brabantse projecten:
(IRR = Internal Rate of Return, het netto rendement van de investeringen)
Kritische kanttekeningen
De
studie van CE Delft bevat geen milieuparagraaf. Het verlagen van de
oppervlaktewatertemperatuur in de zomer zou gevolgen kunnen hebben, ook al zou
je als leek inschatten dat het een verbetering is.
Al
die TEO-installaties en WKO-inrichtingen vormen samen een giga-programma
Er
zullen ook nog heel wat politieke stappen gezet moeten worden om de verplichte
aansluiting van hele wijken op de stadsverwarming aanvaardbaar te maken
De
totale warmtevraag van de hele gebouwde omgeving zit op dit moment ergens rond
de 500PJ, waarvan TEO er ca 200PJ leveren kan, maar de totale primaire energievraag
in Nederland was in 2018 3147PJ (zie www.ebn.nl/wp-content/uploads/2018/01/EBN-Infographic-2018-pdf.pdf
). Het nut is
groot, maar lang niet groot genoeg.
De Green Deal Op de bevindingen van CE Delft en Deltares is de Green Deal Aquathermie gebaseerd (C-229). Zie www.greendeals.nl/green-deals/green-deal-aquathermie .De tekst is een soort maatschappelijk contract tussen twintig partijen, enerzijds drie ministers, anderzijds een groot aantal lagere overheden, de Erasmusuniversiteit en enkele ondernemingen. Uit Brabant doen mee Brabant Water en Waterschap Brabantse Delta en Aa en Maas. De twintig Partijen specificeren in de overeenkomst wat hun inbreng is. Op een wat grotere afstand hebben zich daarnaast ook twintig Partners aangemeld, een heel divers gezelschap waaronder niemand herkenbaar uit Brabant. Het budget is 1,25 miljoen, waarvan een miljoen van het Rijk.
Inleiding De verduurzaming van
Noord-Brabant heeft ook een belangrijke warmteparagraaf (zie www.bjmgerard.nl/?p=5553 ).
In dit provinciale warmteplan is 1,3PJ/y ingeruimd voor geothermie. Om
een indrukte krijgen hoeveel dat is: het totale Brabantse energiebudget zit
ergens rond de 290PJ en de opbrengst van alle Brabantse windturbines samen,
indien gerealiseerd, en het is ruwweg evenveel als de windturbines langs de A16
op gaan brengen ( zie www.bjmgerard.nl/?p=6463 ).
Geothermiekansen, uit Geothermische energie uit Trias aquifers in de ondergrond van Noord-Brabant
Het geothermie-getal is uiterst indicatief. Het berust op
een inschatting op basis van algemene geologische overwegingen van wat de
ondergrond mogelijkerwijs zou kunnen leveren. De afbeelding geeft het
macro-plaatje, terwijl je pas echt iets weet met een heleboel micro-plaatjes.
Daarvoor is detailonderzoek nodig, maar dat loopt nog en kent tegenslagen.
Geothermie kent namelijk risico’s. Het Staatstoezicht Op De Mijnen (SODM) publiceerde in juli 2017 het rapport ‘De Staat van de Geothermie’, waaruit naar voren kwam dat bij zorgvuldig werken geothermie mogelijkheden biedt, maar dat er niet altijd zorgvuldig gewerkt werd. Zie www.sodm.nl/documenten/rapporten/2017/07/13/staat-van-de-sector-geothermie . Boren bij breuken in de ondergrond (en die zijn er nogal wat in Brabant) kan tot aardbevinkjes leiden (zoals gebeurde in mei 2018 bij de put van een paprikateler in Venlo, waar het project stil gelegd is). En kan per ongeluk olie of gas aanboren en het grondwater kan langs een boorgat vervuilen. Overigens zat Brabant Water, via de dochteronderneming Hydreco, zelf in de geothermie (Update okt 2023: nu doet Hydreco alleen warmte koude-opslag.) Het grootste probleem, zegt SODM vrij vertaald, is dat er teveel enthousiaste amateurs bezig zijn.
Aanleiding Daarom hebben een aantal partijen, waaronder de provincie, Geothermie
Brabant BV, DAGO (de brancheorganisatie), een aantal gemeenten en Brabant Water
een pakker veiligheidsrichtlijnen ontwikkeld. Dat werd op 31 januari 2019
gepresenteerd.
Er gaat met dubbele buizen gewerkt worden (zodat het opgepompte water niet in
het grondwater kan komen), de boorput wordt gecementeerd en er komt permanente monitoring.
Zie www.brabant.nl/actueel/nieuws/2019/januari/richtlijn-voor-veilige-aardwarmte
, waar
ook onderstaande afbeelding vandaan komt.
Infographic bij de veiligheidsrichtlijn Geothermie van 31 jan 2019
De Green Deal
Geothermie Brabant en voorafgaande onderzoeken De veiligheidsrichtlijn is een episode in een langlopend traject, namelijk
de Green Deal Geothermie Brabant uit 2016. Men wil vijf projecten ontwikkelen,
die 20.000 woningen, drie productiebedrijven en meerdere glastuinders van
warmte voorzien. Te weten warmtelevering aan:
de industrie in Tilburg-Noord
Bavaria in Lieshout
de Helmondse stadsverwarming
glas- en tuinbouw in Asten/Someren
het Amernet in Tilburg en Breda en omstreken
(dat aan de Amer 9- centrale hangt, die kolen en biomassa stookt
Overigens denkt Ennatuurlijk erover om de eerste
gasgestookte ketel in de Helmondse stadsverwarming door een houtgestookte ketel
te vervangen. Geothermie wordt nu gezien als een optie voor de toekomst,
mogelijk voor de tweede ketel. Zie www.bjmgerard.nl/?p=8645
.
Men verwacht dat de vijf projecten samen 135.000 ton CO2
besparen wat, als dit anders met aardgas geleverd zou zijn, goed zou zijn voor
2,4PJ. Maar het is niet alleen maar aardgas, maar ook kolen en biomassa die
meer CO2 per energie-eenheid in de lucht brengen, dus het zou best
kunnen dat de 1,3PJ, die in de provinciale tabel staat voor deze vijf
projecten, klopt.
Naar de vorm is het initiatief in een BV-vorm gegoten ‘Geothermie
Brabant B.B.’ . Die heeft de website http://www.geothermiebrabant.nl/
.
In onderstaande afbeelding (getoond bij de Energy Days op de
TU/e) gaat het bij de vijf projecten om de categorie Mid-deep.
Ik ben betrokken bij het opzetten van een buurtactie in de Eindhovense wijk De Geestenberg. Hieronder de opzet van de actie. De tekst is overgenomen van de Eindhovense SP-site.
De Eindhovense wijk De Geestenberg is een typische ‘bloemkoolwijk’ van begin jaren ’70. De laagbouw in de wijk bestaat uit 269 huurwoningen, die eigendom zijn van Woonbedrijf, en uit 411 koopwoningen. Woonbedrijf heeft in 2014 en 2015 groot onderhoud aan zijn huurwoningen uitgevoerd. Dat heeft geresulteerd in een aantoonbare verbetering en een mooiere buitenkant. Het verschil met de (niet gerenoveerde) koopwoningen is in één oogopslag te zien.
Maar de
nieuwe situatie is zeker niet perfect en kan verder verbeterd worden. Nu de
energietarieven omhoog gaan, zou het een goede zaak zijn als het verbruik
omlaag ging.
De SP heeft daarom de huurders in de Geestenberg uitgenodigd voor een gesprek op het nabijgelegen partijkantoor. Dat was op 20 februari 2019. Verder waren onder andere bij het gesprek aanwezig Stephaan Maas, emeritus-architect uit Eersel, Paulus Jansen, interimvoorzitter van de Woonbond (de landelijke organisatie van huurdersorganisaties), en Bernard Gerard, die verantwoordelijk was voor de opzet en het aan de avond voorafgaande buurtonderzoek. De aanpak heeft niet als vooropgezet doel dat de woningen van het gas af moeten, maar wel dat ze zover mogelijk richting energieneutraal gaan
Op de voorgrond Paulus Jansen
Paulus
Jansen schetste het Sociaal Huurakkoord, dat de Woonbond afgesloten heeft met
Aedes, de landelijke koepel van woningbouwcorporaties.
Er is €100 miljoen subsidie voor verduurzaming van woningen, ook al is dat uit
de eigen doos van de verhuurdersheffing.
Stephaan Maas had zich door middel van archiefonderzoek en (bij wijze van steekproef) bezoek aan een woning een eerste indruk gevormd van de technische kant. Hij noemde de woningen, na het eerdere groot onderhoud, nu ‘matig geïsoleerd’. De woningen bevatten behoorlijke koudebruggen, waarvan hij enkele schetsen liet zien. De Rc – waarde zou boven de 5 moeten zitten en zit nu, voor zover achterhaalbaar, tussen de 2,5 en de 3. Er zijn zowel kleinere als grotere verbeteringen denkbaar, zoals ook zonnepanelen. Uit het publiek kwam nogal wat commentaar op de hal en de meterkast, en ook op de afwerking van de kruipruimte
Detail van de onderkant van de nieuwe schuifpui. De nieuwe pui rust op de oude ondergrond en die is niet goed. Dit is een koudebrug.
Bernard Gerard noemde enkele veelgehoorde punten aan de deur, zoals inderdaad de hal, het ontbreken van vloerisolatie bij sommige woningen (een nieuw aanbod zou wenselijk zijn). En klachten over de aansluiting van nieuwe kozijnen op de oude ondergrond. Totaliter vindt men wonen in de Geestenberg geen drama, maar ook niet optimaal. Ook zonnepanelen op de platte daken van de woningen werden genoemd. Hij noemde een aantal vervolgstappen die in de Eindhovense context gezet konden worden, zoals de vorming van een werkgroep, een bezoek aan het Helmondse Energiehuis, contact met de Energiecoöperatie 040Energie, en uiteindelijk een gesprek met de verhuurder.
De buurt krijgt een verslag en er gaan verdere stappen gezet worden om tot een
buurtwerkgroep te komen.