NEN-norm benadeelt bouwen in hout

In Cobouw van 04 december 2020 maken wetenschappers en houtbouwers enerzijds zich boos over de staal- en betonlobby anderzijds, die in Europese normcommissies bewerkt zouden hebben dat de koolstofopslag in biologische bouwmaterialen niet mag meetellen voor de duurzaamheid. “Afgelopen jaar is de norm (NEN-EN 15804) weer aangepast. Expliciet staat daarin dat je tijdelijke CO2-opslag niet mag waarderen in de berekening voor een duurzaam gebouw over de hele levensduur”, verklaart Mantijn van Leeuwen, algemeen directeur van het Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie (NIBE, zie www.nibe.org/nl ).

Stavkyrke uit Urnes, Noorwegen, gebouwd in 1132, geheel uit hout

Volgens het artikel is de betonsector panisch, maar daarvoor wordt geen hard bewijs geleverd.

Zie www.cobouw.nl/duurzaamheid/nieuws/2020/12/forse-kritiek-op-weglaten-co2-opslag-in-milieuberekening-houten-huis-101290962?utm_source=Vakmedianet_red&utm_medium=email&utm_campaign=20201204-cobouw-std&utm_content= .

De discussie gaat over de tijdelijkheid van de opslag, en daarmee over wat er met het hout gebeurt. De huidige officiele aanname is dat het hout na de eerste woning verbrand wordt. Maar in praktijk zijn producten als Cross Laminated Timber (CLT) goed minstens nog één keer her te gebruiken, (zeker als er meer gestandaardiseerd gebouw gaat worden bg). Pas bij een derde leven, aldus het artikel, ga je over verspanen denken t.b.v. spaanplaat (en dan zit de koolstof nog steeds in het materiaal) , en pas in het vierde leven stook je het hout op voor duurzame energie. Je zit dan ruim boven de honderd jaar die het IPCC als ‘permanente opslag’ aanmerkt.
En in die tijd is er een hoeveelheid beton en staal niet vervaardigd, wat ook weer een heleboel CO2 scheelt.

Zelfs de eerste generatie houtbouw kan veel langer dan 100 jaar meegaan. Dit is de Chinese Sakyamuni-pagode uit 1056, bijna geheel van hout. Het ding heeft al verschillende grote aardbevingen overleefd en hoefde, tot de Japanners er in de oorlog op schoten, nauwelijks gerepareerd te worden. Zie https://nl.qaz.wiki/wiki/Pagoda_of_Fogong_Temple .

Het eigenaardige is dat de Stichting Nationale Milieudatabase https://milieudatabase.nl/ ) vanaf 1 jan 2021 de opslagvoordelen van CO2 wel zichtbaar maakt , maar dus niet officleel in de MPG-berekening verwerkt (Milieu Prestatie voor Gebouwen). Dit uit angst vanwege processen vanwege de Europese norm. Een houten rijtjeshuis zou zelfs een negatieve MPG moeten kunnen halen.

Een en ander stelt opnieuw de vraag naar de juiste balans in de omgang met de bossen aan de orde, dus waar waardevolle exploitatie overgaat in overexploitatie. De in het artikel geciteerde schrijver Pablo van der Lugt vindt dat het tijd wordt voor een Nationaal Houtakkoord.

Dalston Works is the world’s largest CLT building, and a landmark project in our ambition to roll out the use of timber construction in high-density urban housing, across London and beyond.
The ten-storey, 121-unit development is made entirely of CLT, from the external, party and core walls, through to the floors and stairs, weighing a fifth of a concrete building of this size, and reducing the number of deliveries during construction by 80 per cent.

Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=10505 .

Provincie, waterschap en het grondwater (II)

Eerdere vragen ( www.bjmgerard.nl/?p=13469 )
Bij de strijd om de grondwateronttrekking door de frisdrankbottelaar Refresco in Maarheeze (welke zaak nog steeds onder de rechter is), deden de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel onderling afwijkende uitspraken over de toestand van het ondiepe grondwater.

De Brabantse SP heeft vragen gesteld over hoe dat nou kon.

Die vragen zijn op 22 september 2020  beantwoord ( https://www.brabant.nl/bestuur/provinciale-staten/statenstukken/statenvragen-en-antwoorden/download?qvi=1564904 ). Het was een nogal technisch verhaal en daarom heeft de SP het verhaal ter becommentariëring voorgelegd aan de drie Brabantse waterschappen (het grondwaterlichaam in kwestie Zand Maas strekt zich over een groot deel van Brabant uit). Een functionaris van waterschap Brabantse Delta gaf antwoord (van De Dommel nog niet wat gehoord…. ).

Bij elkaar is het beeld dat de twee instanties anders kijken, maar dat de vraag is of ze dat moeten blijven doen.

Methodiek van de beoordeling waterkwaliteit volgens de KRW

De provincie heeft met de Kaderrichtlijn Water te maken (hier grondwater). Daarin staan een heleboel doelen: kwalitatieve als de chemische en de ecologische staat, en ook volumedoelen.
Het Waterschap kijkt beperkter naar alleen de grondwaterstand (dus het volume). Op basis van eigen onderzoek (door Artesia) kwam het waterschap tot de uitspraak dat het grondwater van 2015 tot 2018 (het einde van de meetperiode) langzaam daalde.
De provincie vindt dat op het grote geheel niet significant.

Het Artesia-onderzoek
Dat was eerst niet te vinden en nu wel, op http://onderzoeksbank.brabant.nl/onderzoeksbank/onderzoek/evaluatie-beregeningsbeleid-trendanalyse-beregeningsbeleid-2018 .

De drie waterschappen hebben in 2014 en 2015 een nieuw, ‘meer flexibel’ beregeningsbeleid opgezet en ze wilden weten of dat van invloed was op de stand van het ondiepe grondwater. Artesia heeft dat geprobeerd op te meten over lange tijd en heel veel putten – wat een signaal opleverde met (vind ik als leek) nogal wat ruis. Enige reserve past volgens mij.
De rapportage kijkt terug vanaf 2018. Dat in 2018 alle lijnen bij elkaar komen is een gevolg van de keuze dat 2018 als nulpunt genomen is.
Artesia zet in de sector gebruikelijke wiskundige modellen in om de meteorologische (en daarmee ook de klimatologische) en de menselijke ingrepen uit elkaar te  trekken. Dat lijkt enigszins gelukt.

Het klimatologische effect is eenvoudig dat de grondwaterspiegel in dit opzicht gewoon het neerslagoverschot volgt.

Hierboven het verloop van de grondwaterspiegel (GHG = Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand, GVG = idem voorjaar en GLG = idem Laagste), voor zover die overwegend het resultaat is van menselijk handelen. Meteo- en klimaatinvloed is afgesplitst, wat aangetoond wordt door de stippellijn NO Tilburg (NeerslagOverschot Tilburg), die geen relatie met de rest van de grafiek heeft.
De daling vanaf 1980 was door mensen aangericht onheil. Daarop is vanaf ongeveer 1990 traag werkend beleid gezet, resulterend in o.a. een door alle provincies vastgesteld GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime). Brabant stelde het in 2003 vast. ( www.clo.nl/indicatoren/nl041403-gewenst-grond–en-oppervlaktewaterregime-ggor ). Daarna, en mogelijk zelfs daardoor, steeg de grondwaterspiegel weer. Het laat zich nalezen in de Beleidsevaluatie Verdrogingsbestrijding NBrabant 2018 van Berenschot voor de provincie ( http://onderzoeksbank.brabant.nl/onderzoeksbank/download?id=341&onderzoek=250/ ).
Men kan zich dus voorstellen dat het Waterschap het als een niet te verwaarlozen signaal ziet dat het grondwater vanaf 2015 weer daalt. Ten overvloede, door menselijk handelen en dus niet door het klimaat.
En die daling ligt volgens de waterschappen niet aan de veranderde beregening. Want in sommige plekken in Brabant wordt nog steeds niet flexibel beregend, en je ziet geen verschil.
Artesia is voorzichtig, want het meetbestand laat niet altijd harde conclusies toe, maar noemt een veranderde onttrekking door de drinkwaterwinning, de industrie en de landbouw als iets wat een gedegen analyse verdient.

Veranderd beleid
Hoe dan ook, er is reden voor voorzichtigheid, want wat nu ‘niet significant’ is, zo het kunnen worden.  Men zou zelfs het voorzorgsbeginsel kunnen aanroepen.

En die voorzichtigheid krijgt vorm, schrijft de ambtenaar van Waterschap Brabantse Delta in zijn antwoord. “Die voorzichtigheid heeft nu al  invloed op het grondwaterbeleid van de provincie Noord-Brabant. In directe zin is door Gedeputeerde Staten al een voorlopige stop gezet op uitbreiding van onttrekkingen door de industrie. Daarnaast werken provincie en waterschappen, samen met ZLTO, terreinbeheerders en BMF, industrie en Brabant Water in het Breed Bestuurlijk overleg Grondwater (BBG) naar een nieuw strategisch grondwaterbeleid, waarbij de inzet is om het gebruik van grondwater meer in evenwicht te brengen met de aanvulling van grondwater. Met andere woorden; het grondwatergebruik in evenwicht te brengen en houden met de draagkracht van het grondwatersysteem. Dit doen we deels vanwege de licht dalende trend die we nu al zien, maar ook omdat we verwachten dat met klimaatveranderingen en ruimtelijk-economische ontwikkelingen in de provincie, de druk op het grondwater nog groter gaat worden dan dat die nu al is. De eerste stap op weg daar naar dat nieuwe grondwaterbeleid is onlangs gezet door het gezamenlijk opstellen van een redeneerlijn op weg naar dat nieuwe beleid.”

Benieuwd of dit nieuwe beleid van invloed is op Refresco.

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking (in meter)

Het Nederlandse bos is niet in de uitverkoop

In De Groene verscheen op 26 augustus 2020 het artikel “Het bos in de uitverkoop – Dit is landbouw met bomen”. Zie www.groene.nl/artikel/dit-is-landbouw-met-bomen .

Ik ben het grotendeels niet met dit artikel eens. Nog sterker, ik vind dat Groene-journalist Marcel ten Hooven hier niet, zoals de borstklopperij van de Groene laat pop-uppen, gedurfd en diepgravend bezig is en dat hij moeilijke vragen wel uit de weg gaat.

“Het bos” blijkt bij nader inzien in het artikel beperkt tot het bos van Staatsbosbeheer (SBB). SBB beheert 27% van het Nederlandse bos, dus impliciet krijgen Natuurmonumenten en de provinciale landschappen en de klooosterorden en de andere particuliere bosbezitters ook een veeg uit de pan.

Het artikel is één grote aanval op Staatsbosbeheer, en daaronder op het kabinetsbeleid, gepersonifieerd door Henk Bleker in 2010, zaliger politieke gedachtenis. Met de kritiek op Bleker ben ik het overigens eens.
Journalistiek is het geen goed artikel. Het is uit de emotie geschreven, laat vooral tegenstanders aan het woord, hanteert slechts natuurbeheer als maatstaf en Ten Hooven heeft niet aan hoor en wederhoor gedaan.

 Ik heb de balen van dat voortdurende inhakken op Staatsbosbeheer. Volgens mij is SBB een van de betere organisaties in dit land en een goede natuurbeheerder die, anders dan bijvoorbeeld Natuurmonumenten en de provinciale landschappen, niet stelselmatig de boot afhoudt als het om een bijdrage aan het klimaatbeleid gaat.
En voor alle duidelijkheid: ik heb geen direct belang bij SBB. Ik wordt er niet door betaald en ben er niet in dienst en mijn belang gaat niet verder dan dat ik met genoegen door het Leenderbos fiets, dat door SBB fraai van een monotone dennenplantage uit de crisisjaren ’30 (met kinderarbeid en de schop) in een Natura2000 – gebied is omgetoverd.

De aanplant van het Leenderbos in de crisisjaren 1930 (met kinderarbeid en de schop)
De betaalkeet uit de tijd van de werkverschaffing in het Leenderbos (bij het SBB-kantoor)

In essentie gaat het artikel van Ten Hooven over drie deelonderwerpen:

  • de houtoogst versus het natuurbelang als principe
  • de omvang van de houtoogst
  • de uitvoeringswijze van de houtoogst

Ik ga in dit artikel schrijven over de eerste twee onderwerpen. Er is zeker discussie mogelijk over het derde onderwerp (welke discussie inmiddels volkomen gepolariseerd is) en elders op deze site heb ik daar al wel aandacht aan besteed (zie Over het EASAC-rapport “Multi-functionality and sustainability in the EU’s forests ), maar voor nu laat ik het commentaar op de uitvoeringswijze over aan een reactie van SBB zelf op de eigen site: www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/nieuws/2020/09/reactie-op-artikel-groene-amsterdammer .

Wat is Staatsbosbeheer?
Dit maar eerst even, want dat is nodig.
SBB is een Zelfstandig Bestuurs Orgaan (ZBO), op basis van een wet uit 1998. Andere voorbeelden van ZBO’s zijn de Sociale Verzekerings Bank en het CBR (zie www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/rijksoverheid/zelfstandige-bestuursorganen ). Dat betekent dat de instelling redelijk zelfstandig is, maar niet absoluut. De minister kan beleidsregels uitvaardigen en heeft grote invloed via de subsidiecontracten (welke subsidies, sinds Bleker, voor het grootste deel van de provincies komen).
Die leggen aan SBB een veelheid van taken op, zoals uitvoering van de Wet Natuurbeheer, de Natura2000-wetgeving, maar ook beheer en onderhoud van fietspaden en wandelroutes, hulp bij de klimaataanpak, sociale eisen, en bijvoorbeeld ook een minimum percentage van de jaarlijkse bijgroei in het bos dat geoogst moet worden (60%).

SBB is in 1899 gestart met een eerste, utilitaire taak, namelijk het vastleggen van stuivend zand op de Veluwe en in de duinen met bos, en de aanleg van bos voor de Limburgse mijnen. In 1928 kwam er als tweede taak bij de bescherming van het natuurschoon, en later als derde taak de landinrichting, en na de Tweede Wereldoorlog als vierde taak de recreatie. In recente tijden begint als vijfde taak op te komen de ondersteuning van het klimaatbeleid.
SBB is dus een soort Nutsbedrijf en geen op één doel gerichte vereniging met leden, zoals bijvoorbeeld Natuurmonumenten. Het is daarom principieel onjuist het functioneren van SBB slechts aan natuurbeschermingsmaatstaven af te meten (zoals Ten Hooven doet).

Het mantra van SBB is dus Beter Beschermen, Meer Beleven en Duurzaam Benutten (dat laatste dus ook!).

Boomstammen in het Leenderbos, opgewaardeerd van monotoon productiekosten tot Natura2000-gebied.

Natuur is meer dan alleen bos – er is ook biodiversiteit buiten het bos
Voor Ten Hooven, en de mensen die hij aan het woord laat, is slechts ‘bos’ het referentiekader. Alle bos is waardevolle natuur of wordt dat vanzelf, en de rest wordt niet genoemd.

Maar slechts een derde van het bezit van SBB bestaat uit bos. De Peel bijvoorbeeld is ook van SBB en daar wil men het liefst niet teveel bomen. Een dergelijk gebied heeft zijn geheel eigen biodiversiteit. De Peel is een voorbeeld dat natuuropvattingen verschuiven.
SBB beheert 30.000 hectare veen.

Peelexcursie
Stuifzand in de Schoorlese Duinen

De stuifzanden zijn een ander voorbeeld. Waar die vroeger vastgelegd moesten worden, mogen die nu weer gecontroleerd stuiven en dan zijn ze soms Natura2000-gebied (zoals bijvoorbeeld in de Schoorlese Duinen).

Het meest opvallende manco in het artikel van Ten Hooven is dat je nergens het woord ‘Natura2000’  aantreft – de belangrijkste juridische borging van het Nederlandse natuurbeleid. Zonder de Europese Natura2000 – wetgeving was er geen stikstofuitspraak van de Raad van State geweest – en ook de bossen van Ten Hooven hebben last van die stikstof.

Het niet noemen van het begrip ‘Natura2000’ is in de invalshoek van Ten Hooven logisch, omdat dat daar niet in past. De meeste bossen zijn geen Natura2000, en de meeste Natura2000-biotopen zijn geen bos.
Het kan dus zeer wel gebeuren dat een Nutsbedrijf als SBB, dat het overheidsbeleid vorm moet geven, laagwaardig bos kapt om hoogwaardige natte heide met vennen te ontwikkelen. Zoiets is bijvoorbeeld bij ons gebeurd op de Strabrechtse Heide om het Beuven te redden, dat (mede) werd leeggezogen door de dennenbomen. Zie Het ven, het grondwater en het bos .

Goede doelen verschuiven en conflicteren onderling
Voor Ten Hooven en de mensen, die hij aan het woord laat, ligt het ideaal in de bosaanpak van de jaren ’80. Het bos als zelfregulerend systeem met zo weinig mogelijk interventies van buiten en oogst als bijzaak, voor zover met dit hogere doel te verenigen. Het ‘wilde’ bos.

Maar de tijden zijn veranderd.
Het klimaat is een probleem, zo ook de circulaire productie, en het grondwater is minstens een aandachtspunt. Het bijbehorende overheidsbeleid is mede veranderd en omdat SBB een gesubsidieerde ZBO is, moet SBB mee.

Anders dan andere natuurorganisaties denkt SBB niet meteen ‘het klimaat is mooi, maar niet bij ons’ (lees de ‘Constructieve’ Zonneladder). SBB denkt mee en heeft een goede klimaatparagraaf ( www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/dossiers/klimaat-en-natuur ). Het onderhoud van het Leenderbos levert snippers voor de stadsverwarming van Meerhoven en SBB wil ook wel eens nadenken of er niet ergens een windmolen of zonnepark kan staan. Dit ongetwijfeld tot verdriet van echte puristen.
In die klimaatparagraaf hoort ook het voornemen thuis (dat al in begin van uitvoering is) om op eigen terrein 5000 hectare nieuw bos aan te leggen, en om 5000 hectare veen te vernatten.

En men moet men zich een circulaire productie voorstellen zonder een afname van beton en plastic en staal, en een toegenomen houtbouw? De enige manier om langdurig en systematisch steeds meer koolstof op te slaan in hout is door het te oogsten en voor een langlevende toepassing te gebruiken. Er is prachtige houtbouw denkbaar en de oudste houten bouwwerken zijn zowat duizend jaar oud (zie Waugh Thistleton architects beroemd om houtbouw en dan verder teruglinken naar een Chienese houten tempel uit 1056 en een Scandinavische houten stavkirche uit de 12de eeuw).
Anders dan door Ten Hooven beweerd, blijft een bos (zijnde een statistische boom) niet eeuwig koolstof opslaan (en als het bos voortijdig doodgaat vanwege droogte, brand op beestjes, is dat zelfs maar heel kort).

Dus waarom geringschattend doen over ‘Landbouw met bomen’? Er is grote vraag naar hout en dat is met goede redenen. Waarom is het gebruik van hout maatschappelijk gewenst en de productie ervan niet? Het is geen wiet…

En sommige bomen zijn in sommige omstandigheden slecht voor het grondwater.

Loblolly Pine plantage in de VS

Dat wil niet zeggen dat de jaren 80-opvatting aan waarde verloren heeft, maar wel dat het niet meer HET doel is, maar EEN doel tussen andere essentiele doelen. Veel natuurliefhebbers hebben moeite met deze omslag en zitten in een soort meervoudige spagaat tussen natuur en klimaat en houtproductie en verdroging. Dat is begrijpelijk en inderdaad pijnlijk, maar daar kom je alleen maar uit met een soort synthesevisie.
Ik vind dat Staatsbosbeheer een betere synthesevisie heeft dan bijvoorbeeld Natuurmonumenten.

Verzamelde info uit de jaarverslagen van Staatsbosbeheer

Slechte research
Ik vind dat Ten Hooven slechte research gedaan heeft. Eigenlijk geen, behalve dat hij ergens het geïsoleerde getal ‘25 miljoen in 2019’ in zijn verhaal slingert zonder enige verdere context – een bekende demagogische tactiek. Diepgravende en gedurfde journalistiek had toch wel wat meer cijfers bij elkaar kunnen sprokkelen.
Het is nu eenmaal moeilijk om met één getal een toename te bewijzen.

Dat moet beter kunnen, dacht ik, en ik heb de jaarverslagen vanaf 2001 bij elkaar gepuzzeld (lukt wel, maar niet altijd eenvoudig) en de belangrijkste gegevens geordend weergegeven (wat nog meer gepuzzel vraagt omdat SBB wel het geld systematisch bijhoudt, maar niet het hout). Uiteindelijk vind je wat je zoekt, maar SBB zou er goed aan doen in zijn jaarverslagen ook standaard productiekengetallen op te nemen.

Als nou Ten Hooven zijn huiswerk gedaan had, had hij kunnen zien dat de kap van SBB na 2010 inderdaad toegenomen is. De gemiddelde jaarlijkse kap van 2001 t/m 2010 (=Bleker) bedraagt 310.000 m3/y (als je bij 2003 begint 318.000), en van 2011 t/m 2019 bedraagt die 350.000 m3/y (waarbij ik 2019, waar de verslaglegging te kort schiet) op 300.000 geprikt heb).
De oogst is dus niet helemaal stabiel op rond de 300.000 m3/y , zoals SBB zegt, maar stabiel op rond de 350.000 m3/y , ook weer niet dramatisch hoger.
Sinds 2016 wordt een deel van de extra kap, die in de tabel gerapporteerd wordt, veroorzaakt door de essentaksterfte. Dat is een besmettelijke agressieve schimmelziekte waartegen geen geneeswijze bestaat.

Er vallen nog wel wat zaken op, zoals

  • Sinds Bleker ligt het kapvolume hoger dan vóór Bleker, maar stijgt niet verder.
  • De helft tot tweederde van de houtopbrengst gaat op aan kosten
  • SBB verdient nu iets meer dan de helft van zijn geld zelf
  • De andere inkomsten veel hoger zijn dan de houtinkomsten (huur en pacht, vakantiehuisjes, zadenverkoop, excursies, etc)
  • Sinds Bleeker de houtopbrengst in € ongeveer gelijk gebleven is, terwijl de andere inkomsten ruim verdubbeld zijn
  • Tot 2008 handelde SBB ook in hout van derden. Dat leidde tot scheve gezichten in de branche en daar zijn ze mee gestopt.

Volgens mij runt Staatsbosbeheer zijn tent nog niet zo slecht. Jaarlijks draait men een beetje in de plus, en dat wordt inhoudelijk opnieuw ingezet. Die 5000 hectare nieuw bos en veen moet ergens uit betaald worden.

Overigens heeft SBB criteria bij het kappen:

  • Hooguit 74% van de jaarlijkse bijgroei wordt geoogst
  • Ondergronds materiaal blijft in de grond
  • Van stammen wordt 87% gebruikt voor hout, papier, plaatmateriaal en 13% voor brandhout
  • Van tak- en tophout wordt 10 a 20% als biomassa geoogst, vooral op rijkere (vruchtbare) grond. De rest blijft in het bos.
Bestemmingen van rondhout dat vrijkomt bij Staatsbosbeheer (eigen site)

Biomassa en energiehout
SBB heeft in 2002 (samen met Natuurmonumenten) de dochteronderneming Energiehout BV opgericht. Daarin zijn de biomassa-activiteiten ondergebracht. Sinds 2006 wordt die (summier) in het financiele overzicht genoemd.
Inmiddels is SBB volledig eigenaar van Energiehout BV.

Het is lastig om een beeld te krijgen van wat er inhoudelijk precies in Energiehout BV gebeurt, omdat je alleen twee financiele eindcijfers ziet. In de begeleidende tekst wordt geen consistent beeld geschetst. Van Energiehout BV is geen jaarverslag te vinden.

Vast staat dat er diverse soorten biomassa bij SBB vrijkomen.
In verschillende jaarverslagen komen hoeveelheden houtige biomassa voorbij van rond de 50.000 ton per jaar.
Energiehout BV geeft op zijn site dat SBB per jaar 200.000 ton gras maait ( www.energiehout.com/producten/default.aspx ). Dat gaat allerlei kanten op, van dierentuinen tot de verpakkingindustrie tot groene chemie bij Avantium tot de vergister voor groen gas.
Daarnaast is er ook nog restmateriaal van het beheer van moerassen.

Er valt te weinig peil op te  trekken om tot nette kolommen in de matrix te komen. Mijn advies aan SBB zou zijn om meer werk te maken van de verslaglegging van wat er bij Energiehout BV gebeurt. Niet omdat dat geheimzinnig is, maar omdat transparantie hier helpt.

PS: In een reactie zegt een woordvoerder van Staatsbosbeheer mijn aanbevelingen voor een betere verslaglegging intern ingebracht te hebben.
Een deel van de extra kap die in de tabel gerapporteerd wordt, betreft essen die gekapt zijn vanwege de essentaksterfte. Dat is een besmettelijke agressieve schimmelziekte waartegen geen geneeswijze bestaat. Zie www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/dossiers/bos-en-hout/essentaksterfte .

Waterschap en Provincie oneens over ondiep grondwater – vragen SP

Grondwaterlichaam Zand Maas (uit KWR-factsheet provincie)

De frisdrankbottelaar Refresco in Maarheeze wil de hoeveelheid opgepompt grondwater uit de ondiepe lagen drastisch verhogen. De omgeving voert actie tegen dit voornemen en het is nu onder de rechter. Daarom heeft het nu geen zin om vragen te stellen over deze specifieke zaak zelf.
Ik heb voor de SP in Provinciale Staten met de actievoerders in Maarheeze gesproken.

De SP heeft al eerder vragen gesteld over een niet-juridisch aspect van dit dossier, namelijk de monitoring van het grondwater rond Refresco en de betrokkenheid van de omwonenden daarbij. Deze vragen zijn gedeeltelijk naar tevredenheid beantwoord.
Voor eerdere publicaties zie GS willen omwonenden in monitoringswerkgroep grondwater Refresco .

Uit het Refrescodossier, maar daar juridisch niet dwingend mee verbonden, blijkt mede dat het Waterschap en de provincie verschillend denken over de toestand van het ondiepe grondwater in Brabant.

In het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016 – 2021 en in de daarop volgende Statenmededeling (10 april 2018) ‘Grondwateronderzoeken als basis voor ontwikkeling nieuw grondwateronttrekkingsbeleid’ stelt de provincie dat het ondiepe grondwater (in vaktaal het grondwaterlichaam Zand Maas) stabiel is. De Statenmededeling van 10 april 2018 is omgezet in een Beleidsregel dd 07 september 2018.

Het Waterschap echter beweert dat dit grondwaterlichaam achteruit gaat en beroept zich op een, na de Beleidsregel uitgevoerd, onderzoek van Artesia BV waaruit dat zou blijken. De provincie vindt de door Artesia gevonden daling niet significant en het Waterschap wel. Dit onderzoek is echter niet openbaar, zodat de inhoud niet beoordeeld kan worden.
Als de ondiepe grondwaterspiegel door industriële onttrekkingen zou dalen, zou dat kunnen betekenen dat boeren extra moeten beregenen. Daardoor zou de waterspiegel nog verder kunnen dalen.

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking (in meter)

Het Waterschap meent dat de Kader Richtlijn Water (KRW) geen verdere daling toestaat. Het Waterschap meent dan ook dat nieuwe en verruimde vergunningen moeten wachten op het nieuwe strategische grondwaterbeleid, dat opgenomen zou moeten worden in het PMWP vanaf 2021.

De strekking van dit meningsverschil is mogelijk Brabantbreed.

De SP-fractie in Provinciale Staten heeft vragen over dit onderwerp gesteld. Deze zijn te vinden op –>

GS willen omwonenden in monitoringswerkgroep grondwater Refresco

Refresco Benelux BV in Maarheeze vult heel veel blikjes frisdrank met uit de eigen diepte opgepompt grondwater. De onderneming wil de opgepompte hoeveelheid verhogen van 500.000 naar 750.000 m3. De uitbreidende onttrekking vindt plaats op enige tientallen meters diepte en zal invloed hebben op de grondwaterspiegel in de omgeving. Daar staan woningen en liggen Natura2000-gebieden.
De provincie wil toestemming geven, maar die wordt door twee organisaties van omwonenden en door de Brabantse Milieu Federatie (BMF) aangevochten. In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant onlangs een kritische tussenuitspraak gedaan, maar nog geen eindvonnis gewezen.

De bestreden vergunning stelt eisen aan de monitoring van het grondwater. Daartoe moet een monitoringsplan worden opgesteld, waarvan de uitkomsten op gezette tijden in een op te richten werkgroep worden besproken. In die werkgroep moeten “minimaal de provincie, de gemeente, het Waterschap en Refresco zijn vertegenwoordigd”.
De Dorpsraad Maarheeze is één keer op een heel laat moment in kennis gesteld van de eerste bijeenkomst van deze werkgroep, waardoor iemand van de Dorpsraad op het nippertje aanwezig kon zijn. Daarna is er niets meer vernomen.

De Socialistische Partij  (SP) in Provinciale Staten, bij monde van milieuwoordvoerder Swinkels, had hier vragen over gesteld. Zie Refresco, Maarheeze, het grondwater en het proces (update) en SP stelt vragen over monitoring grondwaterspiegel rond Refresco .
Gedeputeerde Staten (GS) hebben die op 30 juni 2020 beantwoord. Zie

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking 9in meter)

GS erkennen dat de grondwaterstand kan leiden tot water in de kelders en lokaal tot verzakkende funderingen. Burgers, en dus ook omwonenden van Refresco, hebben dus een direct belang en de natuur ook. Daarom wil GS dat “(een vertegenwoordiger van) omwonenden agendalid en toehoorder is van de monitoringswerkgroep.”
Omdat de aanwezigheid van bewoners niet in de letterlijke tekst van de vergunning genoemd is, is hun aanwezigheid, volgens GS, de verantwoordelijkheid van Refresco.
De bewoners kunnen hun reactie op het concept-monitoringsplan inbrengen via de gemeente Cranendonck, waaronder Maarheeze valt. De gemeente wordt geacht de bevolking te vertegenwoordigen.

In genoemde eerste bijeenkomst (dd 05 dec 2019) is een concept-monitoringsplan voorgelegd. Daarna heeft het werk stilgelegen in afwachting van de einduitspraak van de Rechtbank. Als die voor Refresco positief is (en de nog af te geven milieuvergunning en Natuurvergunning ook), kan Refresco vier weken na het opleveren van het definitieve monitoringsplan starten. Het agendalid krijgt namens de omwonenden het plan, en ook de gemeente kan het beschikbaar stellen.

De expliciete erkenning van de rechten van omwonenden is een stap vooruit.
Een volgende stap vooruit zou kunnen zijn om de omwonenden een rechtstreekse stem in de monitoringswerkgroep te geven, en niet via de omweg van de gemeente. De voorliggende vergunning benoemt deze mogelijkheid niet, maar wijst hem ook niet af. Er staat ‘minstens’. Misschien kan hier nog eens over nagedacht worden.

Stante pede na “Remkes” vragen aan nieuw provinciebestuur wat zij nou gaan doen – update 02 juli en 22 juli

Maandag 8 juni 2020 verscheen “Niet alles kan overal”, het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek, onder voorzitterschap van Johan Remkes.
Op woensdag 10 juni vuurde SP-woordvoerder Henri Swinkels al een groot aantal vragen af op het nieuwe Brabantse provinciebestuur (met Forum), dat vast helemaal niet blij is met het boekwerk van Remkes.

Hieronder de tekst van de vragen.


Het adviescollege (de commissie Remkes) stelt onder andere dat, om tot een aantoonbaar en geloofwaardig herstel van de natuur te komen, een hoger ambitieniveau noodzakelijk is en niet volstaan kan worden met maatregelen louter op basis van vrijwilligheid.

Daar bij het tot stand komen en uitvoeren van een effectief en juridisch houdbaar maatregelenpakket ook de provincies een belangrijke rol spelen, heeft de SP fractie de volgende vragen:

In uw bestuursakkoord staat “Wij nemen eerder en nog te verschijnen rapporten van de commissie Remkes ter harte en vertalen deze – waar nodig en mogelijk – naar de Brabantse situatie”. ‘Ter harte nemen’ betekent een goede raad aannemen. U zegt dus (op voorhand) de goede raad van de commissie Remkes aan te nemen. De commissie raadt u in dit Eindadvies echter aan om per natuurgebied taakstellend lange termijn reductiepaden op te stellen, waar u in uw bestuursakkoord er uitdrukkelijk voor kiest deze niet (meer) op te stellen. De commissie raadt u tevens aan (overeenkomstig de SP-motie M183-2019 ‘garantie reductiepaden’) om vrijkomende stikstofruimte eerst in te zetten voor het realiseren van de volgens het reductiepad te realiseren depositieafname, alvorens deze (juridisch houdbaar) in te kunnen zetten voor nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken. U zegt daarentegen in uw bestuursakkoord geen extra afroming van stikstofruimte te realiseren ten behoeve van natuur als dat ten koste gaat van de ontwikkelkracht van Brabant.

  1. Uw bestuursakkoord bevat aldus tegenstrijdige passages. Welk deel of welke delen van uw bestuursakkoord moet bij nader inzien worden weggestreept?
Henri Swinkels

De commissie Remkes stelt dat in 2030 een binnenlandse emissiereductie van 50% ten opzichte van 2019 bereikt moet zijn. Dit is een “noodzakelijke randvoorwaarde om natuurherstel in de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden (voor 2050) te kunnen realiseren, en is ook nodig om te voorkomen dat toestemmingverlening aan nieuwe activiteiten of aan uitbreiding van bestaande activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, door een overschot aan stikstof wordt belemmerd.”

  1. Onderschrijft uw college de relatie die de commissie Remkes legt tussen emissiereductie en natuurherstel? Onderschrijft u tevens dat natuurherstel gegarandeerd moet zijn om weer stikstofruimte juridisch houdbaar te kunnen toebedelen aan economische activiteiten?
  2. Heeft uw college, net als de commissie Remkes, voor ogen om uiterlijk in 2050 tot een volledig herstel van de (ook Brabantse) natuurgebieden te komen? Zo ja, onderschrijft u dan dat (om dat te realiseren) reeds voor 2040 in alle Brabantse Natura2000-gebieden de stikstofdepositie onder de KDW gebracht moet worden? Zo nee, in welk jaar voorziet uw nieuwe aanpak BOS in volledig herstel?
  3. De nu nog geldende Brabantse Aanpak Stikstof beoogt per Natura2000-gebied, met een ‘duidelijk pad voor afname van de stikstofneerslag’, een depositiereductie van 25 tot 40 procent in 10 jaar. In welke jaar zou met de BAS een reductie van 50% ten opzichte van 2019 mogelijk zijn? Verwacht u dat in de te ontwikkelen BOS dit moment eerder of later zal liggen? Hoeveel eerder of later en waarom?
  4. Welke maatregelen staan uw college ter beschikking om – indien programmatisch of juridisch noodzakelijk – de afname van stikstofdepositie te versnellen? In welke mate is deze afname daarmee gegarandeerd? Welke van deze maatregelen bent u bereid op te nemen in de BOS?
  5. Daar nationale doelstellingen vertaald moeten worden naar provinciale en provincies aldus met verschillende doelstellingen te maken kunnen krijgen, is het mogelijk dat Noord-Brabant (indien het advies wordt overgenomen) een nog hogere (dan 50% in 2030) reductie van de stikstofneerslag dient te realiseren. Bent u voornemens in de BOS de mogelijkheid op te nemen om tussentijds maatregelen te verscherpen zodat op een eventuele landelijke beleidslijn met een stevigere ambitie of resultaatverplichting geanticipeerd kan worden? Welke maatregelen zijn daartoe voorzien in de BOS? Hoe realistisch acht u een resultaat verplichting tot een hogere reductie dan 50% in 10 jaar als vastgehouden wordt aan vrijwillige deelname?

Het adviescollege noemt als een van belemmerende factoren voor een succesvolle aanpak van de stikstofproblematiek, het ontbreken van echte keuzes voor de lange termijn. Het advies noemt onder andere “de neiging om hoge ambities vast te stellen, maar realisatietermijnen vooruit te blijven schuiven en te reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft”.

  1. Herkent u uw eigen handelswijze in de kenschets van het adviescollege? Zo ja, welke lessen trekt u daaruit? Zo nee, herkent u zich dan niet in de neiging hoge ambities vast te stellen, in het vooruitschuiven van realisatietermijnen (zoals die van te realiseren stalaanpassingen) of het vooral reageren op wat op korte termijn prioriteit heeft?

Vooralsnog werkt ook de Brabantse aanpak met streefwaarden en inspanningsverplichtingen. Het adviescollege bepleit echter om in plaats van te werken met inspanningsverplichtingen, te gaan werken met resultaatverplichtingen. Voorgesteld wordt de nationale (en provinciale) doelstellingen in de Wet natuurbescherming vast te leggen.

  1. Welke voordelen ziet het college bij het formuleren van (wettelijk verankerde) nationale en provinciale doelstellingen (resultaatverplichtingen), zowel wat betreft het garanderen van het noodzakelijke natuurherstel als ten behoeve van de juridische houdbaarheid van de stikstofaanpak?

Het adviescollege raadt aan zeer selectief en veel gerichter (uitsluitend nabij Natura2000-gebieden) om te gaan met uitkoop en verplaatsing van veehouderijbedrijven en daarbij dan niet te werken met generieke regelingen gebaseerd op louter vrijwilligheid. De mogelijkheid tot gedwongen uitkoop biedt dan een betere borging van het beoogde resultaat, tevens nodig voor juridische houdbaarheid van de aanpak.

  1. Wat is de visie van het college op deze raad van de commissie Remkes? Herkent het college de mogelijke voordelen met betrekking tot het verkrijgen van juridische houdbaarheid? Zijn er “voor betrokkenen wellicht ook voordelen te benoemen aan het instrument van “verplichte opkoop of verplaatsing”? Bij welk ambitieniveau (percentage depositiereductie) is het instrument van gedwongen uitkoop of verplaatsing voor uw college onvermijdelijk?
Brabantse varkenshouderij

Over de mogelijkheid om Natura2000-gebieden aan te passen, zoals u in uw bestuursakkoord zegt te willen onderzoeken, is het advies helder. Dat kan uitsluitend wanneer sprake is van een wetenschappelijke fout bij aanwijzing van het gebied of als door autonome (externe) klimatologische of natuurlijke ontwikkelingen, die niet ‘gecounterd’ hadden kunnen worden, het behalen van natuurdoelen niet meer mogelijk is.

  1. Betekent dit dat uw onderzoek hiermee is afgerond? Constateert u nu met de SP dat uw idee om ten behoeve van economische ontwikkelingen Natura2000-gebieden “aan te passen”- naast dat het getuigt van het vasthouden aan een door de commissie Remkes onderkende traditioneel belemmerende factor: onvoldoende borging van natuurbelang – geen enkele kans maakt bij het Europese Hof van Justitie.

Tot slot:

  1. Wat is de inzet van uw college bij bespreking van het Eindadvies in het IPO en met de minister? Heeft uw college een voorkeur om met andere provincies en het ministerie te komen tot generieke maatregelen of maakt iedere provincie bij voorkeur een eigen maatregelenpakket? Is uw college voornemens zich aan gezamenlijk overeengekomen landelijk beleid en de aldaar gestelde normen, doelen en budgetten te conformeren?
  2. In reactie op het advies zegt de fractievoorzitter van FVD Brabant in Nieuwsuur: “We hebben het hier natuurlijk over een juridisch probleem, waarvoor maatregelen worden genomen in de ECHTE wereld, die impact hebben op ECHTE mensen.” Is uw voltallige college het met hem eens dat er slechts sprake is van een in oorsprong juridisch probleem? Zo ja, welke gevolgen heeft of krijgt dat voor de Brabantse aanpak die immers de problematiek van een te hoge stikstofdepositie op het relatief grote aantal stikstofgevoelige natuurgebieden in Brabant als uitgangspunt neemt?
  3. In hetzelfde interview stelt de fractievoorzitter van FvD Brabant dat Remkes “de provincies aan de bal” moet laten. Letterlijk zegt hij: “Wij hier in Noord-Brabant weten precies wat we moeten doen” en “als hij ons de ruimte geeft om dat uit te voeren, dan lijkt me dat een stuk beter”. Is uw college het met deze uitspraak eens? Strookt deze opmerking met uw afspraak in het bestuursakkoord: “Vanaf 2020 nemen we in beginsel nieuwe landelijke beleidslijnen als uitgangspunt voor het beleid in Brabant. We laten ons hierbij leiden door landelijk geaccepteerde modellen”?
  4. Op welke wijze gaat uw college Provinciale Staten betrekken bij de provinciale reactie op dit eindadvies?

Namens de Socialistische Partij

Henri Swinkels



Op 30 juni gaf het (recentelijk verrechtste) College van GS antwoord op deze vragen. Althans, in formele zin want GS vluchtte in vaagheid en verschool zich vooral achter de minister. Het advies van de commissie-Remkes wordt gekenmerkt als een advies aan het kabinet, en niet meer als een document dat de provincie Brabant in eigen recht bindt. en waarover de mening van PS niet meer gevraagd wordt.
Een kwantitatieve ambitie mbt de Kritische Depositie Waarde (KDW) ontbreekt en zo ook wat betreft de kwaliteit van de Natura2000-gebieden. De ambitie is die van het Rijk ‘gunstig, en waar dat niet mogelijk is, beter’.
Wat precies de inzet van GS is bij lopende onderhandelingen in het IPO en met de minister, en of daarbij het bestaande Brabantse beleid als uitgangspunt genomen wordt (dat geakkordeerd is door een meerderheid) of een nieuw beleid (dat nog niet door PS is vastgesteld) wil GS niet zeggen.

Het antwoord is flut en dat was te verwachten. Voor de tekst van de beantwoording zie



Indiener Henri Swinkels is zo boos, dat hij er een set vervolgvragen tegen aan gegooid heeft. Hij probeert daarin het College van GS zo nauwkeurig vast te prikken op een nauwkeurig omschreven antwoord. Voor de tekst van deze vervolgvragen zie

Ook deze vervolgvragen zijn weer beantwoord. Het blijft in dezelfde sfeer. Het hogere doel is achter het kabinet aanlopen en niet meer doen dan moet, en een concrete uitwerking voor Noord-Brabant moet wachten tot de winter.
Voor de tekst van de beantwoording zie

Over het EASAC-rapport “Multi-functionality and sustainability in the EU’s forests”

Inleiding
Ik heb veel, en af en toe goede, discussies op Facebook over “biomassa”. Bedoeld wordt dan hout voor energiedoeleinden, wat niet vanzelfsprekend is want lang niet alle biomassa is hout, lang niet alle hout komt uit het bos en lang niet alle doeleinden betreffen energie.
Mijn uitgangspunten, zoals ik die steeds naar voren breng, in slagzinnen:

  • Voor de bosbouw op de gematigde breedtes (bijv. de EU) gelden heel andere stellingen dan voor die in de tropen. De bossen in de EU zijn netto een koolstofsink .
  • We hebben hout nodig omdat het een mooi en duurzaam constructiemateriaal is, dat bovendien klimaatzondaars als plastic, staal en beton kan vervangen
  • Bij de productie van timmerhout ontstaat uit dezelfde bomen een scala aan pulphoutproducten als spaanplaat, papier, celstof, en energiehout
  • Energiehout brengt relatief weinig geld op en is daarom niet de drijvende kracht achter de dynamiek in de bosbouw. Overvloedige statistiek wijst uit dat het bij energiehout om ondergeschikte hoeveelheden gaat t.o.v. de totale houtoogst, zowel in m3 als in €
  • Zonder biomassa haal je de doelen van de energietransitie moeilijk of slechts ten koste van andere nadelen
  • Een categorische afwijzing van ‘biomassa’ of houtige biomassa is daarom schadelijk. Een goede regulering is belangrijk.
Boskenmerken in de EU

In de discussies komt ook naar voren dat er wel reden tot bezinning is. Om het kortheidshalve met een voorbeeld aan te duiden: de kapvlakte van Zembla lag er niet vanwege de biomassacentrales, maar waarom ligt er überhaupt een kapvlakte? Kan dat nou niet anders?
Je komt dan in een bredere discussie die niet zozeer over energiehout gaat, maar over het bredere gebied van de bosbouw. Ik zocht daartoe goede literatuur en heb er het rapport “Multi-functionality and sustainability in the European Union’s forests” bij gepakt van de EASAC (de European Academies Science Advisory Council” . Het rapport dateert van april 2017 . Het is te vinden op https://easac.eu/publications/details/multi-functionality-and-sustainability-in-the-european-unions-forests/ . In de Expert Group zaten 21 zware deskundigen, waaronder voor Nederland professor Nabuurs.

Ik ga dat hierna samenvatten, en daarna geef ik er een reactie op.

Vooraf twee opmerkingen.

De eerste is dat het rapport uit 2017 is. Sindsdien is de politieke omgeving veranderd in die zin, dat de RED II – richtlijn in de EU van kracht is geworden. Op blz 25 en 26 stelt de Expert Group, dat de Europese Commissie (EC) de aanbevelingen grotendeels overgenomen heeft in een voorstel voor de herziening van de RED I – richtlijn. Ik ga er nu even van uit dat het EC-voorstel inderdaad in de nieuwe RED II-richtlijn terecht gekomen is (dat heb ik niet precies gecontroleerd, maar het lijkt er wel op).

De tweede opmerking is dat het cijfermateriaal in de EASAC-studie een ratjetoe is. Er is een boekenkast aan literatuur gebruik die allemaal weer net andere presentatiewijzen hanteren. Andere jaartallen, andere definities, de ene keer wordt CO2 op geslagen, de andere keer C (op elementbasis). Met name in box 4 is dat een probleem en bovendien staat  daar een rekenfout in. Ga dus niet proberen het ene diagram naast het andere te leggen, tenzij je er verstand van hebt en er enkele uren studie voor over hebt.


Multi-functionality and sustainability in the European Union’s forests”

Voor het rapport zijn biodiversiteit en klimaat hoofdzaak en andere aspecten een externe factor.

Er is 161 miljoen hectare (ha) in de EU, waarvan 9% plantage (bijv. olijven en Eucalyptus), 87% semi-natuurlijk en 4% natuurlijk, waarvan de helft ‘strictly undisturbed’. Ongeveer een kwart van het totale areaal is Natura2000 – gebied (N2000). Bos bestaat in allerlei soorten en maten, maar in 1/3de van het Europese bos domineert één soort boom en in maar 20% staan vier soorten bomen of meer.

De bosexploitatie heeft in veel landen een belangrijke economische functie, maar ook het bosbeheer bestaat in allerlei soorten en maten. Noordelijke landen praktizeren vaak clear  cut-oogst, voorafgegaan door periodieke dunningen (dunning betekent dat men onderweg een aantal kleine boompjes weghaalt om één grote boom te laten groeien. Dat is een gebruikelijke praktijk in de bosbouw bg). Een andere beheersvorm is de continuous cover forestry (  https://en.wikipedia.org/wiki/Continuous_cover_forestry ), waarin individuele bomen geselecteerd worden en het bos als geheel blijft staan, retention forestry (https://en.wikipedia.org/wiki/Variable_retention ), waarbij in de exploitatie behoud van milieuwaarden voorop staat, of helemaal geen management.

Het EASAC-rapport bevat (in h.3.2) een uitgebreide beschrijving van hoe de (potentiele) tegenstelling tussen bosbouw en biodiversiteit verzacht kan worden. Bovenstaande begrippen spelen daar een rol in. Voor de biodiversiteit belangrijk zijn liggende dode bomen, holle bomen, zeldzame soorten en grote oude bomen (oud is meestal > 200 jaar). Dat leidt tot enkele actieperspectieven:
– Spaar plukjes oude, maagdelijke bossen
– Handhaaf of introduceer ook in beheerde bossen elementen als dood hout en holle bomen. Certificeringsschema’s als FSC en PEFC moedigen dat aan, maar het is niet genoeg
– Kap delen van beheerde bossen niet als schuilplaats voor biodiversiteit en verhoog hun biodiversiteit

Stroomschema van hout in de EU

Traditioneel levert een bos timmerhout en plaatmateriaal en pulphout, dat vooral voor papier en karton. Celstof is nieuw en nog nieuwer zijn groene chemie-producten via bioraffinage. Brandhout is op zich traditioneel, maar neemt in omvang toe doordat andere producten in de pulphoutsector afnemen.
In het stroomschema komt er in de EU-bossen samen jaarlijks 1277 miljoen m3 hout bij (o.b. betekent Over Bark, dus de schors telt mee).
Daarvan wordt 546 miljoen m3 niet geoogst en 178 miljoen m3 blijft als dood hout in het bos achter (wat van belang is voor de biodiversiteit). Beide verhogen dus de koolstofopslag in het bos.
Verder komt er nog 33 miljoen m3 uit parkonderhoud, rioolwaterzuiveringen etc bij.
De geoogste portie (inclusief het parkenhout etc 731+33) verdeelt zich in vier hoofdstromen: brandhout (209 miljoen m3 = 27%), hout, papier en industriele toepassingen van pulphout. Lussen betekenen recycling.
Na een hoop gezigzag komt uiteindelijk 337 miljoen m3 (=44%) in de energiesector terecht. Deels dus direct en deels als afval.

Men kan op twee manieren kijken naar het specifieke energieaspect.
In de traditionele praktijk op veel plaatsen in de EU (bijvoorbeeld in Scandinavie) is de energieopbrengst deel van de keten. De lokale warmte-krachtcentrale draait op afval van de hoofdproducten hout en papier.
In (veronderstelde) moderne praktijken is de winning van hout voor energiedoeleinden het hoofddoel, hetzij voor warmte, hetzij voor elektriciteit, hetzij voor beide.

Cruciaal is dan de zogenaamde parity time. Dit voor de leek lastige begrip moet eerst uitgelegd worden.

Uitleg van het begrip parity time

Op het moment T=0 staat er een beginnend bos. Dat groeit en zamelt, steeds langzamer, koolstof op – de curve vlakt af.
Op Tkap wordt er een dot koolstof uit het bos gehaald. Bij verbranding komt die snel in de atmosfeer. Daar hoort bij hout een aantal GJ bij. Datzelfde aantal GJ hoort bij gas bij een dot koolstof die minder dan half zo groot is, en bij kolen bij een dot koolstof die iets kleiner is (afhankelijk van hoe droog het hout is en wat voor soort kolen). Het nadeel van de (rode) neerwaartse sprong wordt dus vergoed door het voordeel (de groene opwaartse sprong) van de CO2 – besparing uit gas en kolen.
Vervolgens wordt het bos herplant (dat is in de EU verplicht) en groeit weer als vanouds. Op een gegeven moment Tpar is de in het bos vastgelegde koolstof plus de bespaarde fossiele koolstof even groot als die in het bos vastgelegd zou zijn als er niet gekapt was en alles verder goed gegaan was met het bos. Na Tpar is er sprake van een netto besparing in het systeem als geheel.
De tijd tussen Tkap en Tpar wordt de parity time genoemd.
Als het fout gaat met het bos (droogte of brand of beestjes of stormen) duikt de blauwe stippellijn omlaag en is de parity time veel kleiner.

Dit model als zodanig (het is van Nabuurs) is niet omstreden.

De parity time kan sterk uiteenlopen, van enkele jaren tot enkele eeuwen en vooral dat laatste leidt tot discussie. Een korte parity time is gunstig voor het klimaat en een lange parity time niet omdat je geen eeuwen de tijd hebt – aldus de EASAC. Het omslagpunt is uiteraard arbitrair, maar vaak neemt men 40 jaar. (Ook de Nederlandse SDE+ – voorwaarden doen dat).

Je krijgt nou dit soort plaatjes (de linkerhelft is t.o.v. kolen en de rechterhelft t.o.v gas, in de legenda moet het derde hokje groen zijn, en coppice is wat wij hakhout of rijshout noemen: je kapt van een individuele boom die verder leeft):

Parity time bij het uitbreiden van boshandelingen tbv energie

Je moet dit als volgt lezen: als je 50% meer residuen uit het bos haalt dan in 2010 gebeurde, heb je dat er t.o.v. kolen in een paar jaar uit en t.o.v. van gas in een jaar of 60.
Als je 10% meer hele Zuid-duitse beuken slechts voor energiedoeleinden zou kappen, heb je dat er qua koolstof t.o.v. kolen in ruim twee eeuwen uit. In de literatuurverwijzing onder de afbeelding zegt Nabuurs overigens dat de kans dat dat gebeurt niet groot is.

Hetzelfde verhaal kan ook op andere wijze worden weergegeven.

In deze tabel is elektriciteit het enige product en wordt de restwarmte van de stroomproductie weggegooid. Er zitten dus omzettingsverliezen in. Zou een deel van de restwarmte gebruikt worden (in bijvoorbeeld de stadsverwarming), dan gaan alle kg CO2 – bedragen in onderling ongeveer gelijke mate omlaag.
In de twee linkerkolommen is biomassa qua broeikasgassen over 40 jaar gunstiger dan aardgas. Alle kolommen zijn over 40 jaar gunstiger dan kolen.

Biomassa verliest van bronnen waaraan over de levenscyclus (<40 jaar) weinig koolstof verbonden is, zoals zon en wind. (Maar daarmee treedt de EASAC-studie buiten de zelfopgelegde focus, omdat dan niet in rekening gebrachte factoren gaan meespelen als ruimtegebruik en landschap bg).

In zijn algemeenheid is de relatie tussen bos en klimaat complex en werkt twee kanten op.
De klimaatverandering kan positief of negatief werken op het bos, en het bos kan positief en negatief werken op het klimaat.
Dat laatste omdat voor het klimaat meer zaken meetellen dan alleen de CO2 , zoalsl methaan- en lachgasontwikkeling in moerasbossen of het effect van en donker bos in de sneeuw. In ongunstige omstandigheden kunnen in de EU de opwarmende effecten van een bos groter zijn dan de koelende effecten.

Tot zover de samenvatting van  het EASAC-rapport.


De RED II-richtlijn en de voorwaarden voor de Nederlandse SDE+ – subsidie

Sinds december 2018 is de RED II- richtlijn (Renewable Energy Directive II) van kracht (breed gesteund in het Europese Parlement). Het is de opvolger van de eerste Directive uit 2009. Die gaat over een breed gebied waarvan energie uit biomassa een deel is en waarvan biomassa uit bossen weer een deel is. Hij is te vinden op https://ec.europa.eu/energy/topics/renewable-energy/renewable-energy-directive/overview_en .
Het is complex, fors boekwerk dat in  dit kader niet volledig behandeld kan worden. Om de geest van het geheel weer te geven noem ik als voorbeeld “overweging 102” uit een lange reeks overwegingen die uitmonden in artikelen waarvan ik  als voorbeeld artikel 29.7 en 29.10 geef.

Overweging 102 stelt als intentie “Om ervoor te zorgen dat bosbiomassa, ondanks de toenemende vraag ernaar, op een duurzame manier wordt geoogst in bossen met gewaarborgde herbebossing, dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan gebieden die expliciet zijn aangewezen ter bescherming van de biodiversiteit, de landschappen en specifieke natuurlijke elementen, dat de biodiversiteit wordt beschermd en dat koolstofvoorraden worden gevolgd, dient houtachtige grondstof enkel uit bossen te komen waarin wordt geoogst volgens de beginselen van duurzaam bosbeheer die zijn ontwikkeld in het kader van internationale bosbouwprocessen zoals Forest Europe en die worden uitgevoerd door middel van nationale wetgeving of de beste beheerpraktijken op niveau van het oorsprongsgebied. De beheerders moeten de nodige stappen zetten om het risico op het gebruik van niet-duurzame bosbiomassa voor de productie van bio-energie tot een minimum te beperken. Daartoe moeten de beheerders een op risico gebaseerde aanpak invoeren. In dit verband is het passend dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen operationele richtsnoeren ontwikkelt inzake de controle op de naleving van de op risico gebaseerde aanpak, na raadpleging van het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen.”

RED II artikel 29 lid 7
RED II artikel 29 lid 10

De RED II-richtlijn beperkt zich meestal tot kwalitatieve bewoordingen wat, gegeven de veelheid aan landen en biotopen, moeilijk anders kan. De vertaling van de Europese richtlijn naar Nederlandse wetgeving heeft plaatsgevonden in de Wet Milieubeheer en de subsidievoorwaarden voor de SDE+-regeling.
De certificatie, verificatie en handhaving van de duurzaamheidseisen van de vaste biomassa zijn verankerd in  het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen ( https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-427.html ). Dit juridische document is vertaald in het inhoudelijks document “Verificatieprotocol vaste biomassa voor energietoepassingen” ( www.rvo.nl/sites/default/files/2019/02/SDE%20verificatieprotocol%20NL.pdf ).

Dit Verificatieprotocol omvat de RED II – richtlijnen, maar daarnaast ook aanvullende. Wat voorbeeld-criteria:

  • C1.1 eist bijvoorbeeld nu al een CO2-reductie van 70%
  • C4.1: De bosbeheereenheid waaruit het hout afkomstig is, wordt beheerd met het oog op het op lange of middellange termijn behouden of vergroten van koolstofvoorraden
  • C4.3 Gemiddeld minder dan de helft van het volume van de jaarlijkse rondhoutproductie uit bossen wordt gebruikt als biomassa voor energieopwekking. Rondhout afkomstig uit dunningen of uit productiebossen met een rotatietijd van 40 jaar of minder is vrijgesteld van deze eis (Wat betekent dat je twee regimes hebt: bomen als wilgen en populieren, die als regel korter dan 40 jaar meegaan; of bomen die langer meegaan, in welk geval minstens de helft van de eindkap geen brandhout mag worden. Een dunning is dat men gaandeweg een aantal jonge kleine bomen weghaalt om één boom groot te laten worden. Het dunningsmateriaal is niet geschikt voor planken. Deze regel gaat verder dan RED II.)
  • C7.1 Terreinen met een hoge beschermingswaarde en representatieve gebieden van bostypen die binnen de bosbeheereenheid voorkomen, zijn in kaart gebracht, geïnventariseerd, worden beschermd en zo mogelijk versterkt. De terreinen kunnen één of meer van de volgende waarden omvatten: diversiteit aan soorten, ecosystemen en habitats, ecosysteemdiensten, ecosystemen op landschapsniveau en culturele waarden.
  • C8.4 On nodige schade aan het ecosysteem wordt voorkomen door toepassing van reduced impact logging en voor de omstandigheden meest geschikte methoden en technieken voor wegenbouw.

Het Nederlandse biomassabeleid is strenger dan RED II.

De koolstofbalans van de gezamenlike bossen in de EU (C op elementbasis)

Eindoordeel
De positie van de EASAC lijkt een beetje op die van de virologen in het OMT.
Als het virus de enige afwegingsfactor zou zijn, ging Nederland langdurig op slot. Maar het virus is niet de enige afwegingsfactor. Er is ook nog zoiets als de economie en het dagelijkse leven. Dat weten de virologen zelf ook heel goed en daarom komen er in het spanningsveld maatschappelijke compromissen tot stand.
Als de bosdeskundigen van de EASAC helemaal hun zin zouden krijgen, gebeurde er heel weinig in het bos (en dan nog zouden er vanwege het klimaat en andere oorzaken problemen bestaan). Maar  de maatschappij wil terecht hout en papier en energie en groene chemie, en daarom komen er maatschappelijke compromissen tot stand.
In beide gevallen zijn de compromissen mogelijk niet ideaal.

De EASAC-studie brengt mij tot een paar uitspraken:

  • Er is geen sprake van massale ontbossing in de EU. Integendeel, het bosareaal groeit gestaag. Exploitatie en koolstofvastlegging kunnen samen gaan.
  • Dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn (integendeel), maar die problemen zijn niet het gevolg van ontbossing.
  • Je kunt grofweg een termijn aanduiden voor de parity time waaronder het verbranden van hout uit bossen het klimaat kan dienen, en waarboven dat verbranden schadelijk is. Onder de 40 jaar overheerst de winst en boven de 100 jaar overheerst het verlies.
    Hele bomen vellen voor brandhout komt altijd boven de 100 jaar uit. Uitsluitend ten behoeve van de energiewinning moet je dat niet doen (maar het gebeurt ook niet).
  • Het vastleggen van hout in planken en plaatmateriaal kan langdurig koolstof opslaan en kan het klimaat dienen, ook als dat uit oude bomen komt (een goede houtrecycling zou dan nuttig zijn bg). Bovendien vervangt het hout en staal.
    Er is niets mis met een zorgvuldig vormgegeven houtproductie.
  • In het traditionele scenario is de energiewinning deel van een keten waarvan de dynamiek gedomineerd wordt door traditionele producten en energieproductie een afgeleide is.
    De diverse statistieken en stroomdiagrammen, alsmede de prijsverhoudingen, maken aannemelijk dat de bosexploitatie nog steeds grotendeels dit traditionele scenario volgt. Er worden geen grote gezonde bomen gekapt met brandhout als enig doel en in Nederland val je dan buiten de SDE+subsidie.
  • De logica is dan dat de hoeveelheid energiehout beperkt blijft tot wat bijproduct van de algemene houtexploitatie is.
  • De traditioneel vaak toegepaste clear cut-techniek is niet wetmatig nodig. Er zijn alternatieven die in plaats van of in combinatie met de clear cut de biodiversiteit van een bos kunnen verbeteren. Onvermijdelijk gaan hier compromissen opgesteld worden en keuzes gemaakt.
  • De emoties worden gekoppeld aan de energieproductie, maar zijn in feite een natuurdiscussie. Zembla toonde niet de houthonger van de verbrandingsovens aan, maar de onaangenaamheden van de clear cut-bosbouw.
  • De emotiediscussie in de Schoorlese Duinen gaat over natuurbeheer (wat moet je aan met een honderd jaar oude monocultuur van dennebomen). De verkoop van vrijkomend hout is een bijzaak.
  • Programma’s in Nederland om meer bos aan te leggen moeten gesteund worden

Ik voel mij in mijn uitgangspunten bevestigd, maar nu met een betere onderbouwing.

Tenslotte staat mij één zaak niet aan in de EASAC-opstelling, en dat is hun preoccupatie met bos als enige bron van natuur en biodiversiteit. Ik vind dat ook van Nabuurs in persoon.
In de strikte logica van EASAC zou je de Strabrechtse Heide en de duinen en de Limburgse kalkgraslanden en de Peel moeten gaan bebossen. Ik ben het daar helemaal niet mee eens, om twee redenen.

  • Die natuurgebieden zijn een eigenstandige bron van biodiversiteit en natuurbeleving. Klokjesgentianen en zandhagedissen en hoogveenmoerassen en gladde slangen vind je niet in het bos. Als Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer dus een laagwaardige partij dennen kapt ten gunste van een natte heide-biotoop, kan dat een vooruitgang zijn.
  • Driekwart van de bossen in de EU (zegt EASAC) is geen Natura2000-gebied , en een groot deel van de Natura2000-gebieden is geen bos.
    De EU-landen zijn wettelijk verplicht hun Natura2000-gebieden te behouden en zelfs te verbeteren. Als Staatsbosbeheer in het Schoorlese bos oude dennenbomen die geen Natura2000 zijn voor een deel vervangt door stuifduin dat wel Natura2000-gebied is, voert SBB zijn wettelijke taak uit.
    De, soms emotionele, campagne om elk bos te behouden ten faveure van welke andere bestemming dan ook, wordt op die manier indirect een aanval op het Natura2000-principe en dat helpt de PVV en Forum, die niets liever zouden willen dan al Natura2000 opdoeken.
    De Natura2000-gebieden zijn het voornaamste wapen in de strijd tegen de stikstofdepositie.
Zandhagedis

Antwoord op vragen in PS over Peelbrand

De Peel op Wikipedia

Even terug in de tijd
Op 21 april ontstond er brand in de Deurnesche Peel, een Natura2000-gebied. Door de droogte, de wind en de ontoegankelijkheid brandde uiteindelijk 800 van de 1000 hectare af.  Het werd de grootste natuurbrand uit de bekende Nederlandse geschiedenis.
Het smeult overigens ondergronds nog steeds.

Over dit onderwerp heb ik eerder geschreven op Deurnsche Peel minivariant Australische bosbrand?https://www.bjmgerard.nl/?p=12337 .

In Provinciale Staten hebben de VVD en de SP vragen gesteld aan Gedeputeerde Staten (GS). Die zijn onlangs beantwoord. Het leest alsof het zo ongeveer de laatste politieke handeling van ex-gedeputeerde Grashoff (GroenLinks) geweest is.

Peel met stikstofoverschot
Peel zonder stikstofoverschot

De VVD-vragen en het antwoord erop
De belangrijkste VVD-vragen waren de laatste twee:
“5. Bent u het met de VVD-fractie eens dat er een goed evenwicht moet bestaan tussen enerzijds de inspanningen die gevraagd worden van de Brabantse samenleving (zoals stikstofreductie in alle sectoren en financiële bijdragen voor natuurherstel) en anderzijds de mate waarin het geloofwaardig is dat gebieden die vatbaar zijn voor brand zich kunnen herstellen tot het niveau wat gewenst is volgens de Natura-2000 aanwijzing?
6. Bent u in verband hiermee bereid om een onderzoek te doen naar de effectiviteit van voornoemde (financiële en maatschappelijke) inspanningen in relatie tot de kans dat de betreffende gebieden ooit hersteld kunnen worden tot de kritische depositiewaarden?”

Met andere woorden, de VVD suggereert eigen wel van de Deurnesche Peel als Natura2000-gebied af te willen. Of ze echt denken dat dat kan, of dat het vooral een show richting de boerenachterban is, laat ik in het midden.
In elk geval krijgt de VVD in het antwoord, vanwege Corona ondertekend namens GS door de ambtelijk programmamanager Natuurontwikkeling, geen poot aan de grond.
Algemeen kan worden vastgesteld (zei het antwoord) dat ons menselijke voortbestaan mede afhankelijk is van de natuurlijke soortenrijkdom en het daaraan gerelateerde ecologisch evenwicht. Het gevraagde verband tussen kosten en natuurbaten is vertaald in de wettelijk vastgelegde beheerplannen voor de Natura2000 gebieden. En die plannen moeten gewoon worden uitgevoerd. De brand was wel groot, maar niet op alle plaatsen even intens. Er is mogelijk nog flora en fauna over die als basis voor herstel kan dienen.
Daartoe is het project Leegveld geformuleerd, dat onder andere een verdere vernatting van de Peel wil. Het geld ligt klaar, maar er lopen nog Raad van State-procedures.

Het antwoord op vraag 6 was dan ook treffend kort : “Nee. Zie het antwoord op vraag 5.”

De vragen van de VVD en de antworoden erop zijn te vinden hieronder:

Topografische kaart De Peel

De SP-vragen en het antwoord erop
De SP vond dat de brand wel een mini-uitvoering van de Australische bosbranden leek, en vroeg zich af de droogte een klimatologisch beïnvloede trend was en of het provinciale beleid daar wel tegen opgewassen was. De SP haalde de KNMI-curves van het neerslagtekort aan.

De beantwoording door dezelfde projectmanager was een stuk enthousiaster dan de beantwoording op de VVD-vragen.
Er ligt “een gebiedsgerichte aanpak, zoals opgenomen in de Visie klimaatadaptatie, inclusief de uitwerking van de bestuursopdracht ‘Stoppen van de verdroging met een waterrobuuste inrichting van Brabant’ en via de lijn van klimaatstresstesten, adaptatiedialogen en het Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie Zuid-Nederland dat we samen met de gemeenten en waterschappen opstellen.” Aldus GS. De droge zomers van 2018 en 2019, en het droge voorjaar van 2020 dat tot de Peelbrand leidde, laten zien dat dat nodig is.
Behalve de droogte, spelen ook de aangrenzende landbouw en de grondwateronttrekkingen voor beregening, drinkwater en industrie een rol bij de verdroging van natuurgebieden als de Peel, die door die verdroging weer brandgevaarlijker wordt.
Het inrichtingsplan Leegveld, waarin vernatting van de Deurnesche Peel, kan bij een gunstioge uitspraak van de Raad van State in 2021 worden uitgevoerd.

Het Deltaplan Hoge Zandgronden werkt op zich wel, maar de kans op te weinig zoetwater in de toekomst bestaat.

Er is beleid om de natte natuurgebieden weer nat te maken, en ook om de bestaande bossen te revitaliseren, o.a. door naaldbossen te diversificeren met loofbomen.

Het feitelijke beheer zit sinds 2016  bij een driemanschap van gemeente, Veiligheidsregio annex Brandweer, en de natuurbeheerder(s). Een van de gesignaleerde problemen is dat niemand bij natuurbranden volledig probleemeigenaar is, en dat daarom niemand volledig doorzettingsmacht heeft. Er bestaan al wel natuurbrandbestrijdingsplannen.
Het driemanschap gaat de brand en de bestrijding daarvan (die opgeschaald is geweest tot GRIP3) evalueren.

De volledige tekst van SP-vragen en -antwoorden zijn hieronder in te zien.

SolarEcoPlus

Ik druk hier een persbericht af van het Nationaal Consortium Zon in Landschap over het initiatief SolarEcoPlus. Dit is te vinden op https://zoninlandschap.nl/projecten/i216/solarecoplus .

Het consortium zegt van zichzelf “Het Nationaal Consortium Zon in landschap is een initiatief van ECN part of TNO en richt zich op ondersteuning van grootschalige integratie van zonne-energie in het landschap, zodanig dat dit als ontwerpopgave wordt gezien en de uitvoering zorgvuldig en verantwoord plaatsvindt, en de energietransitie versnelt. De potentie van grondgebonden zonneparken in 2050 is 45.000 MWp op ca. 1.5% van het Nederlandse landbouw areaal (325km2).“.

In het consortium zitten inmiddels flink wat onderzoeksbureau’s, universiteiten, natuurorganisaties, bedrijven en ook de provincies Drente, Flevoland, Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Utrecht.
Goede vraag is waarom Noord-Brabant en Limburg en bijvoorbeeld de Brainportregio ontbreken. Zie https://zoninlandschap.nl/deelnemers .


Het schema van SolarEcoPlus

Een samenwerkingsverband van LC Energy, TNO, Wageningen University & Research, Eelerwoude en SolarCentury gaat onderzoek doen naar het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit en biodiversiteit. Het streven is om voor dit onderzoek 6 nieuwe test-zonneparken in Nederland te realiseren. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) subsidieert het SolarEcoPlus-project met 3,6 miljoen euro. Dit initiatief is ontstaan binnen het Nationaal Consortium Zon in Landschap.

Het hoofddoel van het onderzoeksproject SolarEcoPlus is om ecologische en economische opbrengsten van zonneparken opgebouwd met innovatieve tweezijdig werkende panelen te bepalen voor de meest voorkomende grondsoorten in Nederland: zand, veen en klei. ‘We zijn blij met de verleende subsidie voor ons project. De ecologische consequenties van een zonnepark zijn op dit moment onbekend’, zegt Friso Huizinga van LC Energy. ‘Dat maakt het nemen van een beslissing over de komst van een park lastig voor gemeentes en vertraagt daarmee de energietransitie. Daarom is het heel belangrijk dat er onderzoek wordt gedaan.’

Ruimte tussen panelen
Uit recent Duits onderzoek blijkt dat er positieve effecten kunnen zijn op biodiversiteit en bodemkwaliteit als er ruimte tussen de panelen blijft. In een standaard zonnepark zou dit echter leiden tot hogere stroomkosten. Met technologisch innovatieve tweezijdig werkende (bifacial) zonnepanelen levert een grotere afstand tussen panelen juist meer op omdat ook de achterkant van de panelen zonlicht omzet in stroom. Omdat de productiekosten van tweezijdig werkende panelen marginaal verschilt van de standaard zullen de ecologische condities in deze parken kunnen verbeteren voor dezelfde business case.

Primeur voor Nederland
Tijdens het onderzoek worden in elk testpark minimaal 700 kWp aan bifacial zonnepanelen op vier verschillende manieren gepositioneerd; zuid, oost-west, verticaal, en zonvolgend (draaiend om één as), om te bepalen wat de relatie is tussen effecten op de bodemkwaliteit, biodiversiteit en de stroomopbrengst. Hierdoor is het mogelijk om op basis van kwantitatieve gegevens eco-positieve zonneparken te ontwerpen. Voor Nederland is het testen van zonnepanelen in verticale opstelling en met een zonvolgend systeem in deze toepassing een primeur. Wageningen Research heeft een meetprotocol opgesteld om de ecologische impact te monitoren en te vergelijken met een nulmeting.  Daarbij zal zowel biodiversiteit boven de grond (flora, vogels, insecten) als ondergronds worden gemeten. Ook de bodemvruchtbaarheid en koolstofopslag in de bodem zijn onderwerp van studie.


Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard) (Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Op deze site is al vaker aandacht besteed aan zowel bifaciele panelen als aan bodem- en natuuraspecten van zonneparken.

Bifaciele panelen staan bijvoorbeeld als geluidsscherm langs de A50 bij Uden. Die weg loopt daar pal Noord-Zuid, maar omdat licht vanuit het oosten en westen kan invallen, valt de totale opbrengst bepaald niet tegen. Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=11499 .

Ik heb ook aandacht besteed aan de effecten van zonneparken op de bodem. Onder bepaalde voorwaarden kunnen die beter zijn dan van het agrarische gebruik dat ze vervangen. Niet voor niets zit bijvoorbeeld ook de Vlinderstichting in het Consortium.
Zie www.bjmgerard.nl/?p=12475 en www.bjmgerard.nl/?p=11263

Refresco, Maarheeze, het grondwater en het proces (twee updates)

Na publicatie van onderstaand artikel heeft de SP in Provinciale Staten vragen gesteld over een deelaspect van de vergunning, namelijk de monitoring van grondwater. Over de andere aspecten kan nog niet wat gevraagd worden, omdat die op dat moment (dd 09 juni 2020) nog onder de rechter waren. Je krijgt dan bij voorbaat geen antwoord. Dd 20 juli 2020 is de zaak nog steeds onder de rechter.
Tot de grondwatermonitoring is inmiddels een eerste aanzet gemaakt. Die was niet naar tevredenheid van de omgeving, vandaar de vragen. De vragen zijn te vinden op www.bjmgerard.nl/?p=12841 .
Inmiddels zijn deze vragen ook al weer beantwoord. Het is geen flutantwoord, maar het kon wel beter. Zie www.bjmgerard.nl/?p=13085 .
Er vindt nader contact met omwonenden plaats.

De Brabantse Milieu Federatie heeft in haar nieuwsbrief een long read aan dit artikel gewijd. Ik ben hier blij mee.

Van Winters tot Refresco
In Maarheeze (gemeente Cranendonck) wordt al heel lang drank gefabriceerd en daar hoort al sinds achter in de 19de eeuw de naam ‘Winters’ bij, toen nog in brouwerijvorm. Die ging in 1914 failliet en in 1918 begon een andere Winters (Everard) een likeurenfabriek. Na vele ups en downs, die er hier niet toe doen, werd het uiteindelijk een bottelarij, die steeds meer in opdracht werkte voor andere merken zoals Seven-Up. Dat liep goed en in 1957 werd er een fors pand gebouwd ten zuiden van Maarheeze. Toen werd Winters Frisdranken BV opgericht.
Die BV kwam in 1989 in zwaar weer terecht en na weer de nodige besognes kwamen Winters en zijn pand in 2007 in handen van de multinational Refresco, een ‘contractfiller’.
Refresco is overigens een jong bedrijf (1999) en heeft nooit een lokale binding gehad. Die probeert het bedrijf wel te suggereren.

Refresco en het grondwater
In al die flesjes samen gaat heel veel water en dat werd ter plekke uit de grond getrokken. De grondwaterspiegel in de tot dan toe vochtige omgeving daalde, ongeveer 10 a 15 cm door Refresco maar mogelijk ook door de landbouw en de ruilverkaveling. Het gebied is nu droger, waardoor het bebouwbaar werd. De bebouwde kom rukte op en vanaf 1970 staan de huizen tot aan de rand van het terrein.

Refresco draait momenteel op een vergunning uit 1997. Die staat het bedrijf toe om 500.000m3/jaar grondwater op te pompen. Dat  gebeurt in twee watervoerende pakketten: in laag 3 van 30m tot 58m diepte (383.000m3), en in laag 8 van 174 tot 216m diepte (117.000m3) . De onderste laag voldoet aan het formele kwaliteitskeurmerk ‘mineraalwater-bronwater’.

Overigens blijkt voor 1,00 liter eindproduct 1,85 liter grondwater nodig te zijn. In de vergunning wordt geëist dat dat teruggebracht wordt naar 1,4 in 2025.
Deelt men de huidige toegestane 500.000m3 door 1,85, dan zit het bedrijf met 270.000m3 netto dicht onder de bestaande milieuvergunning van 290.000m3 . De voorgenomen groei maakt dus ook een nieuwe omgevingsvergunning nodig.

Refresco wil uitbreiden.

In eerste instantie (2016) wilde het bedrijf de winning verdubbelen: 125.000m3 uit de ondiepe laag en 875.000m3 uit de diepe laag. De provincie NBrabant (zijnde in deze het bevoegd gezag) wees dit af  omdat de diepe laag al over-geëxploiteerd was. Er ging systematisch meer water uit dan in.
In de terminologie van de Europese KaderRichtlijn Water (KRW) was dit grondwaterlichaam, de ‘Maas Slenk Diep’ ‘in slechte toestand’.

De provincie gaf gelijktijdig aan dat het beleid zich niet verzette tegen meer grondwater uit de ondiepe lagen. Dat is bij Refresco minder populair, want het telt niet als mineraalwater en de laag is vatbaarder voor vervuiling.
Maar ‘impopulair’ is iets anders als ‘onmogelijk’. Er kwam een nieuwe aanvraag op 09 augustus 2018, inhoudend 633.000m3 uit de ondiepe laag en ongewijzigd 117.000m3  uit de diepe laag oppompen. De provincie heeft deze vergunning verstrekt bij besluit dd 01 april 2019.











De tekening hieronder is genomen langs de doorsnede A A’.
Bij de stip ligt Maarheeze.

https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/bodemwijzer/kaartinformatie/Geohydrologische_deelgebieden_en_profielen.htm . De stip is Maarheeze. Dit is de macro-kaart.
UIt de N2000-effect studie van Haskoning (bijlage). Dit is de micro-kaart van de bodemopbouw rond de fabriek. De impliciete aanname is hier dat de lagen netjes continu zijn en dat er geen gaten in zitten. Zo micro echter is de bodemstructuur niet bekend.

Inmiddels had de provincie op 07 september 2018 een nieuwe beleidsregel ingevoerd.
Nu wordt het even ingewikkeld.

De totale provincie NBrabant krijgt, over alle lagen samen, per jaar 260 miljoen m3 grondwater binnen en kan ergo op papier zoveel grondwater uitgeven.
De feitelijk door industrie en drinkwaterbedrijven opgepompte hoeveelheid grondwater, over alle lagen samen, in de totale provincie NBrabant bedraagt per jaar ca 220 miljoen m3 water. Dit getal is tamelijk constant. Het is exclusief de landbouw, die gemiddeld goed is voor 35 miljoen m3 water, maar dat getal fluctueert sterk.

Vóór september 2018 was er in de hele provincie NBrabant voor alle onttrekkingen samen vergund 300 miljoen m3 water, waarbij de provincie aanvragen stopte vanaf 250 miljoen m3 water. De vergunde situatie lag (en ligt) dus hoger dan de feitelijk gerealiseerde situatie. De bedrijven pompen dus minder op dan waar ze recht op hebben. Ondertussen is dat recht wel een recht.
Ná september 2018 werd het vergunningsplafond voor alle onttrekkingen samen in NBrabant op 250 miljoen m3 water vastgesteld.
Dat is de macrowerkelijkheid. De som echter van alle microwerkelijkheden is nog steeds de oude vergunde ruimte van 300 miljoen m3 water. Om de som van alle oude micro-vergunningen op de nieuwe macro-limiet te krijgen, moeten de bedrijven ongebruikte vergunningsruimte inleveren. Daar kunnen ze niet zomaar toe worden gedwongen. De provincie moet dus bij al die instanties gaan bedelen of de een kleinere vergunning willen accepteren. Dat is nog niet gebeurd.

Als de vergunningaanvraag van Refresco (ter grootte van 0,75 miljoen m3 waarvan 0,25 miljoen m3 nieuw) behandeld zou worden volgens de wetgeving dd de aanvraag 09 aug 2018, moest de provincie de opgetelde limiet van de andere bedrijven van 300  naar 299,75 miljoen m3 water terugpraten. De provincie zag dat als haalbaar gedurende de looptijd van het vervolg van de vergunningverlening, maar het moest nog wel eerst gebeuren.
Als de vergunningaanvraag behandeld zou worden volgens de beleidsregel dd het besluit (01 april 2019), moest de provincie de opgetelde limiet van de andere bedrijven van 300  naar 249,75 miljoen m3 water terugpraten. Dat is uitzichtsloos.

De provincie nam de situatie ten tijde van de aanvraag als uitgangspunt. Men kan de aanvraagdatum, zo vlak voor de datum van de nieuwe beleidsregel, als een wel erg opmerkelijk toeval zien.

Grondwaterlichaam Maas Slenk Diep (KRW), waarin geen nieuwe boringen mogen plaatsvinden

Zienswijzen en een proces
De ontwerpbeschikking leidde tussen 27 november 2018 tot 07 januari 2019 tot erg veel zienswijzen, onder andere van de Brabantse Milieu Federatie (BMF), van een Collectief Burgerinitiatief van 58 omwonenden, het waterschap, de gemeente, de hengelsportvereniging, de ZLTO en enkele individuele personen.
Men komt in de zienswijzen redelijk heftige taal in tegen, waarin onder meer gerefereerd werd naar Groningse taferelen en nog eens een reeks eerdere milieuovertredingen van Refresco opgelepeld werd (waarbij in 2018 bijna de waterzuivering van Soerendonk het begeven had).
Verder maakt de logistiek om suiker aan te voeren, en de bijbehorende machinerie, volcontinu een pokkeherrie, en veroorzaakt forse trillingen in de nabije woonwijk. Een aantal zienswijzen begaf zich dus buiten de sfeer van de Waterwet. Een deel daarvan werd verwezen naar het vervolgtraject.

De formulering  dat een multinational ter plekke voor een prikje goed grondwater kon oppompen en met weinig productiepersoneel (als regel niet uit het typische forensendorp Maarheeze) voor 80% voor de export werkt, vond de provincie juridisch geen geldig argument.
Het effect van het klimaat op het grondwater (is die 250 miljoen kuub per jaar straks nog steeds 250 miljoen kuub?) was nog niet te voorspellen, aldus weer de provincie – en dus juridisch onbruikbaar.

Voor zover binnen de Waterwet vallend was er volgens de provincie niets ernstigs aan de hand. Volgens het model bleef de grondwaterdaling aan de oppervlakte beperkt tot centimeters. De 1 cm-daling contour reikt tot ca 3 km van Refresco en is tegen die tijd ononderscheidbaar van toevallige factoren. Met de zettingen door inkrimpende kleilagen zou het wel meevallen en schade, die vooral optrad bij ongelijke zettingen, waren niet te verwachten.
Zo allemaal niet, dan was er de schaderegeling.
En als je het model niet vertrouwde en waarnam dat Haskoning zowel voor Refresco werkte als voor de provincie, dan had je als bewoner maar een second opinion moeten vragen. En tja, een ander model, dat bestond niet.

In zijn zienswijze keerde het waterschap De Dommel zich tegen de provincie.

Vooral de omwonenden zitten in een moeilijk parket. Die vrezen zowel een probleem als het grondwater daalt als wanneer het grondwater stijgt.
Als het daalt, zou dat kunnen betekenen dat de kleilagen in de grond gaat zetten en dat hun huizen bijvoorbeeld scheuren.
Als daarentegen Refresco het gezeur zat zou zijn en ‘toedeloe’ zou zeggen, zou het grondwater weer met 10 a 15 cm stijgen en zouden bijvoorbeeld de kruipruimtes kunnen onderlopen. (Zoiets is bijvoorbeeld in Eindhoven gebeurd toen de industrie stopte met pompen en voormalige, maar inmiddels bebouwde moerasgebieden weer terug richting moeras gingen. Dat werd een complete massabeweging waar ik als gemeenteraadslid veel contact mee heb gehad.) De bewoners wilden al bij voorbaat boter bij de vis. Waarop het antwoord van de provincie was dat er in de oude vergunning überhaupt niets geregeld was en dat het nu tenminste op papier geregeld was.

Uiteindelijk werd het concept-besluit zonder substantiele wijzigingen omgezet in het definitieve besluit.

https://atlas.brabant.nl/documenten/milieu/bodem/bodemwijzer/kaartinformatie/Geohydrologische_deelgebieden_en_profielen.htm . De stip is Maarheeze.

Dat kwam voor de rechter met als eisers de BMF, de Dorpsraad Maarheeze en de Vereniging Duurzaam en Groen te Maarheeze. De rechter kwam op 01 april 2020 tot een tussenvonnis, dat op 28 april 2020 gepubliceerd werd. Zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOBR:2020:1946&showbutton=true&keyword=refresco .

De rechter vond dat de provincie ten onrechte, bij wijze van uitzondering, had gehandeld op basis van de oude regelgeving en daarbij slechts het belang van Refresco had laten meewegen. De rechter vond daarmee het provinciale besluit onvoldoende gemotiveerd. De letterlijke tekst:

  • 9.3)      Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde vergunning niet kan worden verleend bij toepassing van het ten tijde van het besluit geldende beleid. Een aanvraag hoort in beginsel getoetst te worden aan het beleid zoals dat geldt ten tijde van het besluit. Dat heeft verweerder op zichzelf ook onderkend, gezien de motivering om daarvan in dit geval af te wijken en het beleid toe te passen zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.
  • 9.4       Hoewel dat niet met zoveel woorden is gedaan, heeft verweerder in feite toepassing gegeven aan artikel 4:84 van de Awb. Uit de motivering van het besluit (zie pagina 12 van de ontwerpbeschikking) blijkt immers dat verweerder van opvatting is dat toepassing van de beleidsregel voor Refresco wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen zou hebben.
  • 9.5       De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij zijn afwegingen om af te wijken van het geldende beleid op zichzelf de genoemde belangen van Refresco heeft kunnen betrekken. In het feit dat er al lange tijd overleg is gevoerd met Refresco en de gang van zaken rond de afwijzing van de vorige aanvraag ziet de rechtbank echter geen omstandigheid die afwijking van het geldende beleid rechtvaardigt. Met het verstrijken van de tijd heeft Refresco ook het risico genomen dat het vigerende beoordelingskader zou worden gewijzigd. Uit het besluit kan verder niet worden afgeleid dat verweerder bij zijn afweging ook andere betrokken belangen voldoende heeft betrokken, respectievelijk dat de gevolgen voor Refresco zorgvuldig zijn afgezet tegen de met het beleid te dienen doelen.
  • 9.6       Tegenover het belang van Refresco bij vergunning van meer grondwateronttrekking staat het grote belang van goed grondwaterbeheer dat met de beleidsregel wordt gediend. Verweerder heeft opgemerkt dat uit onderzoek is gebleken dat in het watersysteem jaarlijks circa 250 miljoen m3 grondwater van nature wordt aangevuld. Een goed grondwaterbeheer conform de doelstellingen van de Waterwet impliceert dat er niet structureel meer water wordt onttrokken dan er wordt aangevuld.
  • 9.7       Verweerder heeft desgevraagd ter zitting uiteengezet dat er weliswaar aan ongeveer 300 miljoen m3 onttrekkingen is vergund, maar dat die feitelijk niet gerealiseerd wordt. Door in afwijking van de beleidsregel de vergunning te verlenen wordt de grens van 250 miljoen m3 aan feitelijke onttrekkingen niet overschreden, aldus verweerder. Verweerder is voornemens om de vergunde hoeveelheid terug te brengen en heeft aangegeven daarom in gesprek te treden met vergunninghouders waarvan bekend is dat zij jaarlijks (duidelijk) minder feitelijk onttrekken dan vergund, om te bezien of afspraken kunnen worden gemaakt over de onttrekking. Verweerder heeft echter niet kunnen aangeven wat concreet de beoogde reductie van vergunde hoeveelheid is. Duidelijk is verder dat de gesprekken waarop verweerder doelt vooralsnog vrijblijvend zijn en dat er (nog) geen concrete voornemens zijn om vergunningen al dan niet gedeeltelijk in te trekken. Zodoende heeft verweerder bij vergunningverlening een voorschot genomen op de uitkomst van gesprekken met andere vergunninghouders, zonder concrete aanleiding om aan te nemen dat die gesprekken zullen leiden tot vermindering van de vergunde hoeveelheid te onttrekken grondwater én dat die vermindering zo groot zal zijn dat de vergunde onttrekking zal worden gereduceerd tot 250 miljoen m3. De rechtbank merkt daarbij op dat het nog maar de vraag is of een vergunninghouder geheel vrijwillig afstand zal willen doen van zijn vergunde rechten.

De provincie krijgt zes weken om alsnog een deugdelijke motivering aan te leveren.
Het is mij, als niet-jurist, niet duidelijk wat dat inhoudt. Moet de provincie de werkelijkheid verbeteren of alleen maar het verhaal over de werkelijkheid?

www.kwrwater.nl/projecten/droogte-in-zandgebieden-van-zuid-centraal-en-oost-nederland/

Nabeschouwing
De vraag is in hoeverre macrogetallen, die jaargemiddeld en voor Brabant als geheel  gelden, ook voor afzonderlijke delen en tijdstippen gelden (bijvoorbeeld bij een hete en droge zomer op de zandgronden), als de landbouw juist meer beregent.
Een recente KNMI-studie geeft aan dat het neerslagtekort in de zomer in Oost- en Zuid-Nederland trendmatig lijkt toe te nemen.

Volgens de BMF bestaat er geen deugdelijk kwantitatief model waarin de watervraag van de natuur meegenomen wordt.
De provincie heeft onderzoeker Bartolomeus van de KWR (het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven) gevraagd systematisch onderzoek te doen naar de uitwerking van meteorologische en hydrologische droogte op systemen, en om een handelingsperspectief te ontwikkelen. Zie www.kwrwater.nl/projecten/droogte-in-zandgebieden-van-zuid-centraal-en-oost-nederland/ .
De BMF laat ook eigen onderzoek doen. Dat zou voor de zomer van 2020 klaar moeten zijn.

Refresco

Het grondwaterbeheer is verdeeld tussen het Waterschap en de provincie, vindt de BMF. Daardoor wordt het te weinig als een integraal vraagstuk behandeld. De regie zou geheel bij de provincie moeten liggen. Het Deltaplan Hoge Zandgronden is vooral een subsidieregeling voor vrijwillige projecten. Er gebeuren goede dingen in (waaronder met rijksmiddelen), maar je wint er de oorlog niet mee zolang de landbouw mag blijven beregenen. Het is dus geen leidend beleidskader.
Daartoe zou de provincie het onttrekkingsbeheer moeten aanscherpen en aan de beleidskant meer moeten sturen. Enerzijds op een doordachte rantsoenering, anderzijds op een vergroting van de koek door het water in het gebied beter vast te houden.

De ultieme vraag is natuurlijk of je zo zachtjes aan de eindigheid niet in het politieke systeem moet gaan inbouwen. In alles rondom Refresco is nog niet aan de orde geweest of het publiek steeds meer frisdrank moet willen drinken. Misschien moet men daar nee opzeggen en het productievolume bij Refresco gewoon zo laten. De status quo zou voor de omwonenden de beste oplossing zijn.
Misschien gaat een suikertaks ons grondwater redden?

Bij de suikertax-actie van Foodwatch
www.foodwatch.org/nl/onze-campagne-themas/onze-campagnes/voeding-en-gezondheid/suikertaks/