TNO’s lasertechnologie: gamechanger voor circulaire zonne-energie


TNO’s lasertechnologie: gamechanger voor circulaire zonne-energie

De eerste generatie zonnepanelen bereikt het einde van haar levensduur. Om te voorkomen dat schaarse grondstoffen verloren gaan zijn slimme oplossingen nodig. Onderzoekers van TNO hebben een doorbraak gevonden: een duurzame, innovatieve lasertechnologie.

Afbeelding bij het TNO-persbericht

Deze lasertechnologie is een fundamenteel andere manier van recyclen. In 2024 is ongeveer 24% van het wereldwijd gedolven zilver gebruikt in zonnepanelen. Naar verwachting wint de nieuwe lasertechnologie liefst 99% van het zilver terug. Bovendien verbruikt deze methode vele malen minder energie.

Zonnepanelen zijn gemaakt om lang mee te gaan. De materialen uit elkaar halen is daarom niet eenvoudig. En dat vormt nu een probleem voor recycling. Met een laser-gebaseerde aanpak biedt TNO daar een oplossing voor. De technologie ontmantelt zonnepanelen vele malen efficiënter, met behoud van waardevolle grondstoffen. Dat is belangrijk om zonne-energie betaalbaar en minder afhankelijk van schaarse (import)grondstoffen te houden. Zo brengt de zogeheten PV-recycling een autonome zonne-energiesector een stap dichterbij.

Waarom zonnepanelen lastig te recyclen zijn
Zonnepanelen zijn ontworpen om minstens 25 jaar lang weer en wind te trotseren. Ze moeten tegen hitte, kou, vocht en mechanische belasting bestand zijn. Daarom zijn onderdelen zoals glas en zonnecellen stevig aan elkaar gelijmd. Dat gebeurt met zogeheten encapsulants.

De stevigheid van de zonnepanelen is een voordeel tijdens gebruik, maar een nadeel bij recycling. De lijmlagen maken het vrijwel onmogelijk componenten los te halen zonder ze te beschadigen. De huidige recyclingmethoden zijn vaak grof: panelen worden vermalen of verhit tot hoge temperaturen. Met deze technieken worden materialen zoals zilver en zuiver silicium helemaal niet teruggewonnen, of kost het zeer veel energie.

Recyclen met licht: van hechting naar scheiding
TNO ontwikkelde een alternatieve aanpak voor het ontmantelen van zonnepanelen. De panelen zijn ontworpen om zoveel mogelijk licht op te vangen. Dit principe vormt de sleutel tot recycling.

Een krachtige laser zet het licht in de actieve laag van het zonnepaneel lokaal om in warmte. De gerichte temperatuurstijging verwijdert de hechting tussen de zonnecellen en de encapsulanten. Zo worden de verschillende lagen gecontroleerd van elkaar gescheiden, zonder het hele paneel te verhitten of chemisch te behandelen. Deze technologie is toepasbaar op verschillende typen zonnepanelen.

Het resultaat: een veel schonere scheiding van materialen. Het glas blijft intact en de zonnecellen komen vrij met nauwelijks lijmresten. Dit proces vergt minder dan 1 kWh energie per module. Dat is een fractie van het energieverbruik van conventionele technieken zoals pyrolyse, wat 25 kWh per module kost. “Met laser-gebaseerde technieken laten we zien dat het anders kan: energiezuinig en met behoud van waarde”, zegt onderzoeksleider Mirjam Theelen.

Video              https://www.youtube.com/watch?v=UVEi5bTPf4g

Een goudmijn aan zilver en silicium
Circulariteit is één drijfveer, schaarste van grondstoffen een andere. En de waarde van de grondstoffen is niet gering. Zo bevatten de zonnepanelen veel zilver, waarvan naar verwachting 99% kan worden teruggewonnen. Op dit moment gaat 25% van het wereldwijd gewonnen zilver naar de productie van zonnepanelen, terwijl de vraag naar deze grondstof blijft toenemen.

Naast zilver zit in de zonnepanelen ook silicium van hoge zuiverheid. Dat kan binnen Europa slim worden hergebruikt, bijvoorbeeld in batterijen of nieuwe zonnecellen. Verder zijn ook het glas en de kunststoffen in de zonnepanelen beter her te gebruiken wanneer ze schoon worden teruggewonnen.

Waar recycling vaak een verplicht nummer is om aan regelgeving te voldoen, kan deze nieuwe lasertechnologie uitgroeien tot een winstgevend proces. De opbrengsten, in de vorm van zuivere materialen, zijn veel hoger dan de kosten voor het recyclen. Dit maakt hoogwaardig recyclen economisch interessant én kansrijk. Zeker nu meer zonnepanelen het einde van hun levensduur bereiken en de volumes in de afvalstroom toenemen.

Van optimaliseren naar opschalen
Het onderzoek van TNO loopt nu 3 jaar en bevindt zich duidelijk voorbij de verkennende fase. In het lab zijn vrijwel alle veelvoorkomende zonnepanelen al succesvol behandeld en uit elkaar gehaald. De onderzoekers optimaliseren het proces continu, bijvoorbeeld door te kijken hoe verschillende lasertypes de lijmlagen beïnvloeden.

Een opvallend aspect is dat het proces zichzelf deels ‘zichtbaar’ maakt: wanneer de laser zijn werk doet en de hechting afneemt, verandert het oppervlak subtiel van kleur. Dat geeft onderzoekers directe feedback en helpt om het proces nauwkeurig af te stemmen.

Het onderzoek is inmiddels opgeschaald van laboratoriumopstellingen naar toepassingen die relevant zijn voor industriële recycling. De volgende fase richt zich op het inpassen van de lasertechnologie in de volledige procesketen van PV-recycling. Daarbij wordt getest onder praktijkcondities.

De onderscheidende rol van TNO
TNO werkt niet alleen aan de techniek zelf, maar ook aan de vraag hoe deze binnen bestaande en toekomstige recyclingketens past. De onderzoekers werken samen met industrie, beleidsmakers, de overheid, machinebouwers, zonnepaneelfabrikanten en recyclingbedrijven. Want: een nieuwe technologie heeft pas echt impact als duidelijk is wanneer investeren loont, hoe regelgeving kan aansluiten en welke volumes precies nodig zijn om het rendabel te maken.

Op dit moment lopen er verschillende projecten met industriële partners en er staan meer samenwerkingen in de steigers. Zo wordt onder meer met een Nederlandse machinebouwer getest op volledige modules.

Grenzeloos van elkaar leren
Ook internationaal groeit de aandacht voor zonnepaneelrecycling met lasers. TNO is wereldwijd een van de voorlopers. In Australië en de Verenigde Staten lopen vergelijkbare onderzoeken. De parallelle ontwikkelingen bieden kansen om oplossingen verder te verbeteren. “Het is geweldig om van elkaar te kunnen leren”, geeft Theelen aan.

TNO ziet duidelijke verschillen tussen fundamenteel universitair onderzoek en de meer toepassingsgerichte aanpak die nodig is om technologie naar de markt te brengen. Juist in die vertaalslag ligt de kracht van een kennisinstituut als TNO.

Blik vooruit: lasers als integraal onderdeel van zonne-energie
Licht in de vorm van lasers gaat de komende jaren een grotere rol spelen in recyclingprocessen. De verwachting is dat lasers een vast onderdeel worden van toekomstige recyclingfaciliteiten. Daarbij wordt ingezet op minimale energie-inzet en maximale materiaalopbrengst. Theelen: “Met deze laser-gebaseerde techniek zetten we een grote stap richting een circulaire zonne-energiesector.”

Meer weten?
Ben je PV-producent of recycler en wil je met TNO in gesprek? Neem gerust contact op. Samen verkennen we hoe deze technologie binnen een recyclingproces of ketenstrategie toegepast kan worden.


Voor een toegankelijk artikel over hetzelfde onderwerp, zie een artikel in Change INC : opmerkelijk-nieuwe-technologie-voor-recyclen-zonnepanelen-is-potentiele-zilver-en-siliciummijn-voor-nederland .

Voor een eerder artikel op deze site (al weer vijf jaar oud) over de recycling van zonepanelen, zie https://www.bjmgerard.nl/recycling-van-zonnepanelen-op-komst/ .

Het levenseinde van de windmolenwiek

Artist impression van de A58 met een geluidswal van windmolenbladen

Vooraf
Om de klimaatcrisis te bestrijden is stroom nodig die niet met fossiele brandstof wordt geproduceerd. Windturbines, zowel op het land als op zee, zijn daartoe onmisbaar.
Er is veel verzet tegen nieuwe windturbines op het land – een standpunt dat ik niet deel. Tegenstanders gebruiken in hun verzet eigenlijke en oneigenlijke argumenten.

Tegenstanders argumenteren onder andere dat het tot nu toe nu slecht geregeld is wat er op het eind van de levenscyclus met een windturbine gebeuren moet.
Dit argument is grotendeels onjuist, omdat op dit moment standaard ergens rond de 85 a 90% van een windmolen na definitieve afloop van zijn levensduur gerecycled wordt. ‘Definitief’ betekent hier dat herplaatsing elders of opknappen en repareren onmogelijk is gebleken.
Er is echter een reëel probleem met de overblijvende 10 a 15%, zijnde de wieken. Turbinewieken zijn ontworpen als wegwerpartikel, Tot nu toe eindigen die meestal op de stort of in de verbrandingsoven (bijvoorbeeld in cementovens).  Dat hoort niet zo te zijn. Afzonderlijke landen en de EU als geheel willen van deze praktijken af, met als terecht gevolg dat er sinds pakweg 2020 naar alternatieven gezocht wordt. Dat begint te lopen. Daarover gaat dit artikel.

Het gaat om forse getallen. Een windturbine gaat 20 tot 25 jaar mee, hetgeen betekent dat de oudste turbines nu ‘op de markt’ beginnen te komen. En ook dat het aanbod vrij redelijk te voorspellen is. Europa produceerde in 2025 60.000 ton wiek-afval en dat zal in het jaar 2050 oplopen tot 800.000 ton (aldus TNO op basis van WindEurope).

Enkele vormen van onderscheid vooraf.

Het eerste is of je curatief of preventief kijkt. Curatief gaat over wieken die er al zijn (en die al afval zijn of dat worden), preventie gaat over nieuwe ontwerpen die al bij voorbaat op een hanteerbaar end of life-stadium ontworpen zijn.
Het tweede onderscheid is of een probleem vooral technisch is, of vooral economisch (en dan ook politiek). Dat zijn wezenlijk verschillende zaken die om wezenlijk verschillende oplossingen vragen. De recyclewereld wemelt van de goed bedoelde technische oplossingen, die het vervolgens op de vrije markt niet redden omdat het niet-duurzame aanbod goedkoper is (bijvoorbeeld bij plastic of textiel). Een verplichte verwijderingsbijdrage kan meer effect sorteren dan een briljante technische oplossing.
Het derde onderscheid (dat samenhangt met het tweede onderscheid) is hoever een beoogde oplossing in technisch opzicht is.
Voor brilliancy op laboratoriumschaal koop je  op zich weinig.

Curatief
Als je niet wil dumpen of zomaar verbranden, en als opknappen of de tweede handsmarkt geen oplossing is, kun je in Nederland bij twee clubs terecht. Het zijn allebei samenwerkingsverbanden (consortia).

De ene is de Dutch Circular Value Chain (CVC). Daarbinnen doet Business in Wind de ontmanteling van de turbine, levert de jonge startup Dura Vermeer Urban Miner de (zeg maar) bouwwerf en de bijbehorende ICT, en levert designbureau Superuse ontwerpen onder de handelsnaam Blade-Made. De GKB Group doet de feitelijke productie, The Footprinters rekent uit wat de klimaat- en milieufootprint is, en New Citizen Design plakt alle taken aan elkaar. Wie het na wil lezen, zie https://blade-made.com/home/portfolio-items/the-netherlands/ .
Het consortium maakt wat met een mooi woord ‘Urban Furniture’ heet (ondanks alle Engels is het geheel een Nederlandse club). De clou is dat je in het uiteindelijke product de molenwiek terug herkent.
De openingsafbeelding is een artist impression van hoe de A58 bij Oirschot er uit zou kunnen zien. In werkelijkheid liggen er in de testomgeving Innova58 van Rijkswaterstaat twee wieken aan elkaar, samen 60m lang en 3 a 4 meter hoog. De eerste testresultaten zijn gunstig: het testscherm doet het even goed als een betonnen scherm van 3,3 meter hoog. Innova58 is sowieso een interessante innovatieomgeving, ook vanwege andere projecten ( https://www.innova58.nl/ )
Hieronder de met stukken windmolenwiek opgebouwde speeltuin Wikado in Rotterdam.

Speeltuin Wikado in Rotterdam

Het levert leuke resultaten, maar de vraag is wel of je er grote getallen mee haalt die nodig gaan zijn. (Rijkswaterstaat moet nog zo’n 40 a 50km geluidsscherm opleveren).

Het alternatief voor wiekenmateriaal niet afbreken is wiekenmateriaal wel afbreken.

Kort door de bocht bestaat dat composietmateriaal voor ruim de helft uit glas en/of koolstofvezel en rond de 30% uit epoxy- of polyesterhars, plus nog wat ander spul.  Afbreken betekent idealiter dat je onbeschadigd de fibers enerzijds en de epoxyhars (en de rest) anderzijds weer van elkaar scheidt op zo’n manier dat je met de gescheiden producten nog wat nuttigs kunt doen, liefst zo hoogwaardig mogelijk.
Genoemde harsen zijn echter thermohardend: ze kunnen niet meer smelten. Daarom hield men tot voor kort recycling voor heel moeilijk of onmogelijk.

Springt (in Nederland) TNO in met een project om wel tot recycling te komen. TNO is de ruggengraat van de andere club, het werkverband Circle4Win ( project circle4win ). Dat is een driejarig project. Het project  is gericht op een commercieel bruikbare methode om toch windturbinewieken te recyclen. Het daartoe opgerichte consortium omvat elke cruciale stap: bladproductie (Suzlon), einde-levensduurmanagement (IX Decom), voorbewerking (D&E), thermolyse-recycling (Renewi), grondstoffenverwerking (Sibelco) en glasvezelproductie (Envalior).
Het project werd voor het eerst omschreven op 27 maart 2025 ( project-recyclen-windturbinebladen ) en had een vervolgbericht op 02 juli 2026 ( hoogwaardig-recyclen-windturbinebladen/ ).
TNO EnergieTransitie en het Brightlands Materials Center (BMC, coproductie van TNO en de provincie Limburg)) op de Chemelotcampus in Geleen hebben een thermolytische methode ontwikkeld.  Het turbinemateriaal wordt in een oven in zuurstofloze omgeving tot bijna 500°C verhit, waardoor de harsen ontleden tot brandbare gassen. Als alles goed gaat, komen de (als nieuw materiaal goedkope) glasvezel en de (als nieuw materiaal dure) koolstofvezel netjes schoon vrij te liggen. De vrijgekomen gassen worden gebruikt om de 500°C te bereiken.
Technisch moet je hier een heel eind mee kunnen komen. Dd 02 juli 2026 had de pilot ca 60kg teruggewonnen glasvezel geproduceerd. Als dat gecombineerd wordt met kunstharsen die wel kunnen smelten (thermoplasten), is dat nieuwe materiaal wel recyclebaar. Of men daar weer windmolenwieken van kan maken, moet blijken. In elk geval kan het gedowngraded worden tot eenvoudiger toepassingen (bijvoorbeeld auto-onderdelen).
Of het financieel zonder politieke maatregelen (bijvoorbeeld subsidie) uit kan, moet blijken – die vraag is minstens zo interessant. Het consortium wil een demonstratiefabriek bouwen met een capaciteit van ca 10.000 ton molenwiek per jaar. Die inrichting zou alle windturbinebladen van het Prinses Amalia windpark met 60 windturbines, een van de eerste Nederlandse offshore windparken die ontmanteld worden, in ongeveer één maand kunnen verwerken.

Uiteraard wordt er ook buiten Nederland aan het recyclen van windturbinebladen gewerkt. Voor een overzichtsartikel over wat diverse turbineproducenten doen, zie nedzero.nl_wind-in-the-sails-for-large-scale-recycling-of-wind-turbine-blades . Het voert te ver om hier alle producenten de revue te laten passeren.

Voor een eerder artikel op deze site, over de fabrikant Vestas, zie methode-ontwikkeld-om-windturbinebladen-geheel-te-recyclen .
Vestas lijkt erop te vertrouwen dat het met zijn recyclingtechniek voort kan gaan met de bestaande materialen (dus met thermohardende kunststoffen), zelfs met het perspectief om er opnieuw wieken van te maken. De tijd zal moeten leren of dat gaat lukken, maar dat lijkt me geen gelopen race. In dat geval zou dat betekenen dat curatief en preventief in elkaar beginnen over te lopen. Voor Vestas-standpunten zie vestas.com_sustainability/sustainability-product-offerings/blade-circularity .

Het verwerkingsschema van Vestas

Preventief
De vraag ligt voor de hand of voor nieuwe windturbinewieken niet meteen al een materiaal uitgekozen kan worden dat makkelijk te recyclen is.  Twee uiteenlopende voorbeelden hoe dat zou kunnen. Beide buiten Nederland, omdat er ons land geen windturbines meer gebouwd worden.

Het ene alternatief is de Duitse startup Voodin Blade Technology – een interessant idee met een handvol uitvoeringsvragen. De website geeft beperkt informatie, maar dit Change-artikel  vult dat op basis van nadere informatie aan.
De onzekerheid wordt mede gevoed omdat (op dit moment) levering voorzien is pas vanaf 2031, vanuit een nog te bouwen fabriek in Spanje. Er is nog geen praktijk.
Het bedrijf maakt (met 48 miljoen  EU-subsidie) rotorbladen uit hout, 20 tot 90m lang, alleen voor op het land (een belangrijke beperking).
Voodin Blade Technology stelt, uiteraard mede ter onderbouwing van de eigen positie, dat recycling van bestaande kunststofbladen financieel niet levensvatbaar zal blijken – wat moet blijken. De bladen zouden voor 100% recyclebaar zijn (er staat op de website niet bij wat dat precies betekent).
De wieken zouden met CNC-machines verspaand worden vanuit een grondvorm van speciaal voorbewerkt hout. Het CNC-programma is dus een computerfile en niet een enorme fysieke gietmal voor kunststof.. Zo’n gietmal wordt vernietigd als het bijbehorende type wiek uit de productie genomen wordt.  Een eigenaar van een niet meer courant type molen met kunststofwieken kan dus, na verloop van tijd,  geen wieken meer nabestellen, terwijl dat met uit hout verspaande CNC-wieken wel kan.

Bij Voodin Blade Technology

De grondstof is Laminated Veneer Lumber LVL). Daartoe worden bomen tot dunne lagen ‘geschild’ (‘fineer’). Die lagen worden weer op elkaar gelijmd, waarbij de nerf (ongeveer) steeds dezelfde kant op wijst. De techniek lijkt op multiplex, maar daar laat men de nerfrichting dus steeds verspringen.
LVL wordt in de bouw al enkele decennia gebruikt en is dus een bestaand product (zij het niet in lengtes tot 90m), dat niet speciaal voor Voodin ontwikkeld is. Voodin is wel de eerste die het voor dit doel gebruikt.
Het materiaal heeft belangrijke voordelen (het gaat bijvoorbeeld efficiënter met het hout in een boom om)), maar vraagt bij gebruik buiten goede bescherming tegen water, zeker in de heftige omstandigheden waarin windturbines hun werk doen. . Voor een goed artikel zie wikipedia_Laminated_veneer_lumber .

Een contrasterend tweede initiatief, ( RecycableBlade ), is van de grote Duitse windturbinebouwer Siemens Gamesa . Het bedrijf wil zijn turbines in 2040 100% recyclebaar hebben. Het is reeds bestaande techniek: de eerste bladen zijn in 2021 geleverd. Genoemde webpagina schakelt door naar een infographic .
Siemens Gamesa wil industriebrede afspraken en standaardisatie m.b.t. de recycling van windturbinewieken en steunt daartoe o.a. samenwerkingsprojecten zoals het Deense Decomblades , het Duitse Reusablade en het Deense Wisewind .
Siemens Gamesa blijft functioneren in de bestaande traditie hoe je grote turbinebladen maakt, maar heeft op één punt een cruciale stap gezet, namelijk dat nieuwe bladen al in de fabricagefase ontworpen zijn op de uiteindelijke ontmanteling, In essentie heeft Siemens Gamesa daartoe een nieuwe kunsthars ontwikkeld, die in een bad met een aangezuurd oplosmiddel bij 80°C smelt, waarna de afzonderlijke materialen afzonderlijk toegankelijk zijn (zelfs de hars), Siemens claimt daarbij niet dat die materialen ook weer voor turbinebladen bruikbaar zijn.
Siemans Gamesa heeft in 2025  een contract afgesloten om met dit nieuwe type blad een windpark voor de kust van Hull uit te rusten. In die regio komt een windturbinefabriek (zie voor een politieke beschouwing over dit soort werkgelegenheid https://www.bjmgerard.nl/farage-vernietigt-de-werkgelegenheid-en-liegt-daarover/).

Recyclebare Siemans Gamesa-bladen voor het windpark bij Hull

Asfaltcentrale Eindhoven en moederbedrijf KWS werken aan schonere en duurzamer productie

De Eindhovense asfaltcentrale aan het Beatrixkanaal (gebouw ver weg)

Milieudefensie Eindhoven e.o. heeft, als uitbreiding van de landelijke 30 bedrijvencampagne van Milieudefensie, enkele Eindhovense bedrijven aangeschreven. Dat is alweer een paar jaar geleden.

Een van de aangeschreven bedrijven is de Asfalt Centrale Eindhoven (ACE), dochteronderneming van KWS. KWS heeft overigens een goede klimaatparagraaf, al komt daar in praktijk nog niet alles van terecht. Met name bij de sector asfaltcentrales van KWS stagneert de vooruitgang.

Daarom heb ik voor Milieudefensie Eindhoven e.o. in mei 2026 een vriendelijke herinneringsbrief aan ACE gestuurd hoe het ervoor stond. Die vriendelijke brief kreeg onlangs een vriendelijk, maar enigszins afhoudend antwoord.
Milieudefensie Eindhoven heeft op zich geen hekel aan ACE: asfaltcentrales maken een product dat nodig blijft en dat steeds meer op basis van recycling gemaakt wordt.

Bij ACE, en trouwens bij veel asfaltcentrales in Nederland, spelen daarbij twee problemen die overlappen maar niet identiek zijn: een milieuprobleem en een klimaatprobleem.
Bij de recycling van asfalt komen vluchtige en soms stinkende organische stoffen vrij, zoals benzeen en PAK’s . Dat gebeurt vooral bij hogere temperaturen en die heb je al gauw als het oude asfalt met een grote gasvlam opnieuw gesmolten wordt. Met elektrificatie zou men een betere temperatuurbeheersing kunnen bewerken en dat bronbeleid zou zowel voor het milieu als voor het klimaat beter zijn. Helaas misschien, het stroomnet.

Nu wil ACE, min of meer noodgedwongen, zijn milieuprobleem en zijn klimaatprobleem los van elkaar oplossen.

ACE wil een actieve kool-filter installeren (end of pipe) dat bij een goede exploitatie de afvalstoffen grotendeels af kan vangen. Het milieuprobleem is daarmee grotendeels opgelost.
Dit voornemen brengt praktische problemen met zich mee, zoals bijvoorbeeld een natuurvergunning en mogelijk ook stroom. In zijn recente antwoord zegt ACE hierover al geruime tijd met de gemeente in overleg te zijn (de gemeente is bevoegd gezag) . Dit overleg zou in een afrondend stadium zijn.

ACE zegt ontwikkelingen inzake elektrificatie, duurzame stroom en alternatieve grondstoffen nauwlettend te volgen. Hierover vinden structureel gesprekken plaats met (o.a.) opdrachtgever Rijkswaterstaat en de brancheorganisatie VBW-asfalt van Bouwend Nederland.

—- 

De Nieuwsbrief van moederbedrijf KWS ( https://www.kws.nl/nl/nieuws/mijlpaal-de-volgende-stap-richting-biobased-asfalt ) besteedde op 16 juni aandacht aan een onderzoeks- en ontwikkelproject dat KWS opgezet heeft samen met Dura Vermeer en Boskalis Nederland, en dat zich richt op asfaltmengsels met aanzienlijk meer biobased  grondstoffen, en dat 30% tot 50%  minder fossiele grondstof bevat. De mengsels worden getest in proefvakken.  Als de mengsels aan de eisen voldoen, zullen de aan het Innovatiepartnerschap deelnemende overheden het product afnemen.


Voor eerdere artikelen op deze site over asfalt in het algemeen en ACE en KWS in het bijzonder, zie o.a.:

https://www.bjmgerard.nl/de-concept-milieuvergunning-van-de-asfalt-centrale-eindhoven/ (en dan eventueel verder terug )

 Zinkfabriek in Pelt krijgt na beroepen strengere vergunning

De zinkfabriek van Nyrstar in het Belgische Pelt heeft eind augustus 2025 uiteindelijk, ondanks de vele negatieve zienswijzen, toch een nieuwe lozingsvergunning op de Dommel gekregen van de Belgische provincie Limburg. Nyrstar Pelt ligt net aan de Belgische kant van de grens, maar de Dommel stroomt al na een paar honderd meter Nederland binnen. Dan stroomt hij door Natura2000-gebieden

De provinciale vergunning was een enerzijds-anderzijds vergunning.
Enerzijds mag Nyrstar Pelt doorgaan met zijn bezigheden, zijnde het zuiveren en recyclen van zinkoxideafval van elders en het maken van zinklegeringen – op zich overigens zinvolle bezigheden. Verder staat het bedrijf bovenop zijn eigen eeuwigdurende bodemsanering, van welke sanering  het opgepompte water gezuiverd wordt.
De provincie verbond limieten aan de vier in de lozingsvergunning genoemde stoffen, te weten chloriden, sulfaten, selenium en thallium en beperkte de looptijd van de vergunning tot 31 december 2027. Die limieten waren strenger dan die tot dan toe golden. Deze lozingsvergunning maakt deel uit van een grotere vergunning, die 16 december 2029  afloopt.
Anderzijds waren de limieten, volgens de in totaal 25 zienswijzen, niet streng genoeg om de Kader Richtlijn Water (KRW) te halen en bleef er vergif afgezet worden op de lage weilanden en natuurgebieden langs de Dommel, soms Natura2000.

Ik heb voor Milieudefensie Eindhoven een zienswijze ingediend ( bjmgerard.nl/bezwaar-tegen-voorgestelde-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/ ) De belangrijkste aanvulling van Milieudefensie op de meer op de natuurwetgeving gebaseerde argumentatie van anderen was dat Milieudefensie principieel bezwaar maakte tegen het ‘economisch haalbaar’- criterium in de ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT en zelfs ook BBT+). Secundair vond Milieudefensie Eindhoven dat als je (noodgedwongen) toch voor dit criterium zou kiezen, dat het dan afgezet moest worden tegen de omzet van Nyrstar Pelt als geheel, en niet tegen alleen maar het specifieke bedrijfsonderdeel dat voor bijna alle vervuiling zorgt (de Hydroafdeling die de recyclingtaak uitvoert). Of tegen de netto kasstroom van moederbedrijf Trafigura, in 2023 rond de 10 miljard.

Men kon in beroep gaan (dat is officieel juridisch) tegen de vergunning bij het eersthogere politieke niveau, de Vlaamse regering. Milieudefensie Eindhoven is geen rechtspersoon en kan niet procederen. Maar er lagen een aantal juridische beroepsschriften, te weten van vijf natuurlijke personen uit kringen van XR; van Waterschap De Dommel; van Natuurmonumenten (NL); van alle elf Nederlandse Dommelgemeenten vanaf Valkenswaard tot en met Den Bosch; en namens vier Belgische natuurorganisaties. Zie bjmgerard.nl/breed-beroep-ingesteld-tegen-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/

De Vlaamse regering heeft al die beroepen behandeld en heeft uiteindelijk, om een lang verhaal kort te maken, geoordeeld dat er nog genoeg rek in de situatie zat om de provinciale lozingsvergunning voor chloriden en sulfaten nog verder aan te scherpen. Die aanscherping was in praktijk in het water al gerealiseerd.

Hieronder een overzichtstabel van de lozingsverordening in de opeenvolgende stappen. Let dus wel dat dit slechts een deel is van een grotere vergunning.

De derde kolom betreft de vergunning, zoals die afliep op 16 december 2025.
De vierde kolom is wat de provincie Limburg er van had willen maken.
De vijfde kolom is wat de Vlaamse regering (na de beroepen) wil.De Vlaamse regering heeft de lozing van selenium en thallium zo gelaten als de provincie Limburg die bepaald had. Wel komt er een nader onderzoek naar de verdere beperking van thallium.
Ook heeft de Vlaamse regering beter uitgewerkte bemonsteringsverplichtingen van het Dommelwater vastgesteld.

Organisaties die in beroep gegaan zijn (en dus gedeeltelijk gelijk hebben gekregen) kunnen  het juridisch nog een stap hogerop zoeken, bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in Brussel. Onduidelijk is of dat gaat gebeuren.

Update dd 14 april 2026

Gemeenten, Natuurmonumenten en waterschap gaan naar hoogste instantie vanwege lozingen Nyrstar Pelt

De gemeente Valkenswaard gaat naar de op dit gebied  hoogste instantie in België, de Raad voor de Vergunning Betwistingen, tegen de vergunning door de Vlaamse overheid aan Nyrstar Pelt voor het lozen op de Dommel. Van alle gemeenten wordt Valkenswaard, als zijnde de eerste gemeente na de grens, het zwaarst door de vervuiling getroffen.

De brief van het College van B&W aan de gemeenteraad, waar dat in staat, is te vinden op raadsbrief hoogste instantie inzake Nyrstar Pelt_07 april 2026 .

B&W achten zelf de kans klein dat het beroep in de lopende periode nog tot betere voorwaarden leidt, en zien dat die eventuele betere voorwaarden maar kort zouden gelden. Het beroep is vooral principieel van aard en toekomstgericht. Men wil de positie als belanghebbende, juridisch en politiek, veilig stellen en wil nu al vast druk uitoefenen op de vergunning die er na de nu betwiste vergunning aan komt. Verder keert de gemeente Valkenswaard zich principieel tegen de overweging dat bedrijfsbelangen meegenomen mogen worden in de strengheid van de vergunning.

Vlak voor het verlopen van de termijn hebben ook de gemeente Boxtel, Waalre, Eindhoven, mogelijk ook Son en Breugel, en waterschap de Dommel en Natuurmonumenten, beroep bij de hoogste instantie aangetekend. De andere gemeentelijke teksten zijn dezelfde als die van Valkenswaard.
Voor het persbericht van het Waterschap zie https://www.dommel.nl/waterschap-strijdt-op-twee-fronten-voor-schone-dommel-rechtsgang-en-goede-gesprek-over-lozingen .

Bezwaar tegen voorgestelde nieuwe lozingsvergunning Nyrstar Pelt

Wat is en wat doet  Nyrstar Pelt?
In Belgisch Limburg en in het Nederlandse Budel Dorplein staan drie vestigingen van de door schandalen achtervolgde Trafiguragroep uit Singapore ( https://www.bjmgerard.nl/probo-koala-onderneming-neemt-budelse-zinkfabriek-over/ en https://www.bjmgerard.nl/trafigura-en-de-zinkfabriek-formeel-geen-probleem-maar-het-voelt-niet-lekker/ ). Trafigura is de derde grootste grondstoffenhandelaar ter wereld. IN 2023 bedroeg de netto kasstroom $10,3 miljard.

De Nyrstar-vestigingen in het Belgische Balen en in Budel produceren zink uit erts (en als daar een markt voor is, ook in het erts bijgemengde metalen in kleinere hoeveelheden).
Over deze twee bedrijven gaat dit verhaal  niet.

De Nyrstar-vestiging in het Belgische Pelt (waarover dit verhaal wel gaat) verwerkt zuiver zink tot legeringen, en recyclet zinkoxidepoeder van elders na zuivering (‘wassing’) tot er elders weer zink uit gemaakt kan worden. De vergunning staat 400.000 resp. 100.000 ton per jaar toe.
Nyrstar Pelt staat op een omvangrijke, zelfgemaakte bodem- en grondwatervervuiling.  Het bedrijf heeft een eeuwigdurende zorgplicht: jaarlijks moet het twee miljoen kuub grondwater van tot 200m diepte oppompen en reinigen (waaruit het bedrijf en passant nog 42 ton zink haalt).
Het afvalwater van alle bedrijfsactiviteiten samen passeert een waterzuivering en wordt daarna via de lokale beek Eindergatloop, vlak voor de Belgisch-Nederlandse grens, in de Dommel geloosd. Dit Belgische gebied is nagenoeg onbewoond.
Vlak na de grens stroomt de Dommel door een belangrijk Natura2000-gebied en daarna stroomt hij door  bewoond gebied met vaak lage oevers met weilanden en volkstuinen. Bij overstromingen zet zich giftig slib af, dat in verband gebracht wordt met zieke en dode koeien en onbruikbare volkstuinproducten.
In zuidwest Eindhoven (bij de wijk Hanevoet-Ooievaarsnest) heeft Waterschap De Dommel een kunstmatige verbreding gegraven (de Klotputten) waardoor de Dommel langzamer gaat stromen en het slib, waaronder het giftige slib, bezinkt (waarna deze plas elke zoveel jaar als chemisch afval afgegraven moet worden). Na deze slibvang is de Dommel tot de Maas gesaneerd en door de slibvang wordt het gesaneerde stuk niet (of weinig) opnieuw vervuild. De zieke koeien- en giftige boerenkool-problematiek bestaat dus stroomopwaarts van de slibvang, met name in Valkenswaard.

Slibvang De Klotputten

De zinkindustrie heeft het momenteel moeilijk. Men klaagt over de hoge energieprijzen. Men wil overheidssubsidie en belastingmaatregelen en onlangs nodigde Trafiguratopman Holtum, uiterst opmerkelijk, de overheid uit om delen van de metaalindustrie te nationaliseren ( https://www.ed.nl/cranendonck/topman-nyrstar-moeder-roept-westerse-overheden-op-nationaliseer-delen-metaalindustrie~ae2c4d67/ ).
Zo hier en daar heeft men wel bijgedachten over dat, gegeven de milieukosten, mogelijk een faillissement Nyrstar Pelt goed zou uitkomen.

De drie Nyrstar-bedrijven zijn een overblijfsel uit een non ferro-industrie die vroeger veel groter was. Die industrie is een erfenis uit het koloniale Belgische schrikbewind in erts-walhalla de Kongo. Die ertsen moesten ergens geraffineerd worden en daarvoor koos men de arme en dunbevolkte zandgronden van de Belgische Kempen en Belgisch Limburg. Door de bedrijvigheid raakte de streek bewoond. De raffinage ging er in vroeger dagen niet subtiel aan toe en, zoals een arts van de Belgische PvdA eens zei ‘het halve periodiek systeem vlieg door de lucht’. Dat kwam uiteraard ook weer neer en daarom waren er gebruiksbeperkingen voor zelfgekweekt voedsel en drinkwater uit de eigen put. Zie bijvoorbeeld https://www.bjmgerard.nl/de-belgische-non-ferro-raffinage-met-uitlopers-in-zo-brabant/ en https://www.bjmgerard.nl/fietsen-naar-de-sahara/ .
In hoeverre dus het giftige slib langs de Dommel alleen maar aan Nyrstar Pelt toegeschreven moet worden, is onduidelijk.

De thalliumconcentraties in het afvalwater  verbeteren. In 2023 is er een nieuwe, tijdelijke vergunning van kracht geworden, waarna de concentraties daalden. De oranje lijn op het laatst is de bestaande norm van 2µg/liter voor thallium in het afvalwater. Technische ingrepen kunnen succes hebben.

De Vlaamse overheid probeert al vele jaren de milieuvervuiling door Nyrstar Pelt terug te dringen (de eeuwige zorgplicht is daarvan een gevolg). Er bestaat een basisvergunning, die t/m 2029 doorloopt, en er zijn enkele lozingsvergunningen die doorlopen t/m 2025. De Belgische overheidsaanpak werkt inderdaad, maar het resultaat is nog niet genoeg. Daarom worden vergunningen voor een eindige tijd afgegeven.

Nu actueel is wat er in 2025 afloopt, en dat betreft de lozing van chloride, sulfaat, selenium en Thallium. Daartoe lag er van 22 mei tot/met 20 juni 2025 een nieuwe concept-lozingsvergunning ter inzage.

Het bezwaar van Milieudefensie Eindhoven
Een handvol maatschappelijk organisaties aan de Nederlandse kant van de grens hebben een bezwaar ingediend, waaronder ikzelf vanuit Milieudefensie Eindhoven, Natuurmonumenten en het Brabants Landschap gezamenlijk, en XR De Kempen. Het bezwaar van Milieudefensie Eindhoven is in de ‘wij als organisatie’ vorm geschreven, maar de formele indiening is namens mij als natuurlijke persoon, zijnde secretaris. Dat kon niet anders en dat was al moeilijk genoeg.
Ik geef hier de redenering namens Milieudefensie Eindhoven.

Enerzijds is de nieuwe vergunning een beetje beter dan de oude. Bi chloriden en sulfaten dalen de concentraties in het afvalwater niet, maar de hoeveelheid afvalwater wel; bij selenium en thallium dalen zowel de concentratie als de hoeveelheid.
Enerzijds ook produceert het bedrijf maatschappelijk  nuttige producten, is er een nuttige recyclingfunctie, en is de grondwatersanering een inherent onderdeel van de bedrijfsprocessen. Zwel het voortzetten van de bedrijfsprocessen, als het volledig stopzetten ervan, leiden tot vervuiling van de Dommel.

Anderzijds zijn de vergunningvoorwaarden in het concept nog steeds niet scherp genoeg, want volgens eigen schatting van de fabriek komen de jaargemiddelde Dommel-concentraties daar, waar de rivier de grens passeert, voor sulfaat, selenium en thallium nog steeds boven de Nederlandse normen in de Kader Richtlijn Water (KRW)  uit. De Nederlandse thalliumnorm is bijvoorbeeld 0,05µg/liter en het bedrijf schat dat dat bij de grens  0,19µg/liter is (de Belgische thalliumnorm is vier maal de Nederlandse, dus dat klopt net).
Een zestal metingen op drie momenten uitgevoerd door waterschap de Dommel, vlak voor de Dommel door de Klotputten stroomt, in 2024 leveren gemiddeld 0,16µg/liter op.
Anderzijds ook spoelt er een onbekende hoeveelheid vergif rechtstreeks uit de bodem de Dommel en zijn toeleverende zijrivieren in, buiten het opgepompte grondwater om. Milieudefensie Eindhoven vindt dat deze gifstroom ook in de vergunning moet worden meegenomen.

De verwijdering van vuil uit het afvalwater zou grondiger kunnen, maar het bedrijf legt het begrip ‘BBT’ uit als Best Betaalbare Technieken en niet als Best Beschikbare Technieken. Milieudefensie Eindhoven heeft daar geen boodschap aan.
Binnen de logica, die Nyrstar Pelt hanteert, worden de meerkosten van extra maatregelen afgezet tegen bedrijfseconomische kengetallen zoals de omzet of de bedrijfswinst of de investeringen in de af gelopen vijf jaar. Onder een bepaald, klein percentage vindt men die meerkosten aanvaardbaar. Maar Nyrstar Pelt zet alleen de was-afdeling in de noemer en niet het bedrijf als geheel, terwijl die was-afdeling onevenredig meer vuil levert, waardoor elke breuk bijna bij voorbaat op een te hoog percentage uitdraait.  
Laat staan dat men de milieu-investering zou afzetten tegen de totale netto kasstroom van de Trafiguragroep als geheel.

Milieudefensie Eindhoven sluit zijn bezwaar af met de conclusie dat er een nieuwe vergunning verleend mag worden, mits de vergunning op de genoemde punten in genoemde zin verbeterd wordt.

Uiteraard blijft Milieudefensie dit onderwerp volgen.

De zienswijze van Milieudefensie Eindhoven is hieronder  te vinden.

Autorecycling loopt goed

Inmiddels is de 45000ste bezoeker aan de home page van deze site ook al weer langs geweest – de site begint harder te lopen.
Dus weer een artikel met een wat afwijkend thema, en wel over autowrakken. Het is zelfs een succesverhaal.

Ik werd door het Recycling Magazine Benelux van 22 mei 2025 (een heel aardig blad) getipt dat het Jaarverslag 2024 van Auto Recycling Nederland (ARN) uit was, en dat daar goede dingen in stonden. Zie Autorecyclers melden forse groei voor wie  een korte samenvatting wil.
Het Jaarverslag 2024 zelf is te vinden op https://arn.nl/jaarverslag/jaarverslag-2024/ .
ARN had in 2024 voor 15,2 miljoen aan baten en voor 15,0 miljoen aan lasten. Het bedrijfsresultaat zat (na belasting) op ruim een ton.

De ARN voert Nederlandse en Europese taken uit en vult daarmee bijvoorbeeld collectief de productverantwoordelijkheid van producenten en importeurs in.

De autorecycling enerzijds en de batterijrecycling anderzijds moeten als twee aparte verwerkingsstromen gezien worden.

De autorecycling
De autorecycling kent drie fasen: de demontage (‘sloop’ is een verouderd woord, vindt ARN), de shredder annex post-shredder, en de verwerking va de gedemonteerde materialen.

In 2024 werden 825.437 auto’s op Nederlands kenteken gezet, en werden er 185.041 auto’s gesloopt, waarvan 158.589 bij een bij ARN aangesloten inrichting. De ARN heeft dus een marktaandeel van 86%.
Bij het aanvragen van het kenteken wordt een recyclingbijdrage voor de auto gevraagd (€20). Hieruit wordt de autorecycling betaald.

Het aantal demontagebedrijven in Nederland in 2024  was 203 in en licht dalende trend (vooral veroorzaakt door pensionering zonder opvolger), en genoemde 86% is het resultaat van een gelijktijdig licht stijgende trend.

De Post-Shredder Technologie fabriek is in 2011 door ARN opgericht in Tiel, en is tien jaar later overgedragen aan de marktpartij HKS Metals.

Uiteindelijk wordt 98,8% van het gewicht van de auto gerecycled of hergebruikt. Ongeveer 25% wordt gerealiseerd op de sloop, en de resterende ruim 73% in en na de (post)shredderfase.

Hergebruik van een auto-onderdeel  bespaart broeikasgas. Op de website van ARN staat een calculator waarmee men de CO2  -besparing per onderdeel kan opzoeken ( https://arn.nl/co2-calculator/ ).  

Auto’s gaan elke vijf jaar een laar langer mee voor ze gesloopt worden, leert de ervaring. Eind 2024 leefde een auto 20 jaar voor hij gesloopt werd.

De batterijverwerking
Ruim 70% van de batterijen (gemeten naar gewicht) komt bij ARN terecht. Voor de verwerking van die batterijen is ooit een beheerbijdrage betaald die afhankelijk is van het gewicht van de batterij,

In 2024 kon ruim 60% van de batterijen nuttig verwerkt  worden, gemeten naar het gewicht. Dat betreft 362.497kg.
Van dit aantal kg betekent ‘Nuttig’ voor 85% van het gewicht de terugwinning van het lithium, en voor 15% een tweede gebruik, bijvoorbeeld voor energieopslag.
Deze ruim 60% is het resultaat van een dalende tendens in het percentage van een sterk stijgende tendens in het aanbod.
Dat het percentage daalt, is vooral omdat de batterijen ouder worden, en daarmee slechter en/of onveiliger. Met name de bestemming ‘tweede gebruik’ wordt daardoor ondergraven.
Van genoemde 362.497kg is 7,6% zo onveilig geworden dat ze alleen met speciale bepalingen vervoerd mogen worden.

Denemarken en het statiegeld (update)

Deze keer de jaarlijkse fietsvakantie met mijn vrouw in Denemarken. De komende tijd wat korte impressies. Vandaag over het veelgeroemde Deense statiegeldsysteem op blikjes en flessen.
Men kan de officiele site vinden op https://danskretursystem.dk/ en https://danskretursystem.dk/en/about-deposits/deposit-marks-and-amounts/  .
Er is een Engelse vertaling onder het kleine wereldbolletje rechtsboven.

 In Kopenhagen hebben sommige vuilnisbakken een sleuf waar mensen hun lege flesjes of blikjes in kwijt kunnen. Dat maakt het leven voor wie daar een inkomen uithaalt, en voor wie te lui is om regulier in te leveren, makkelijker.

Hoe het systeem werkt
Men kan een Witboek downloaden op de site, waaruit de hierna volgende informatie afkomstig is.

Dansk Retursystem is een onafhankelijk non-profit kringloopbedrijf met een sterk publiek-privaat karakter. Dat kent de nodige interne complicaties, maar werkt goed. Wat meespeelt is dat Denemarken al minstens een eeuw met een statiegeldsysteem werkt. En ook dat de Denen heel lang de schurft gehad hebben aan blikjes – er is zelfs een totale ban geweest tot de EU zich daarmee bemoeide. In eerste instantie won Denemarken

Het Dansk Retursysteem is een wettelijk vastgelegd monopolie dat alle handelingen uitvoert: Deelname is verplicht en een zekere mate van standaardisatie was aanvankelijk de norm. Je kunt dus een blikje kopen in een kiosk en dat inleveren in elke supermarkt. Alleen glazen-, plastic- en metalen verpakkingen die in dit systeem passen en recyclebaar zijn, zijn toegestaan.
Het kostte nogal wat onderhandelingen om zover te komen.
Men moet een onderscheid maken tussen flessen die opnieuw gevuld kunnen worden (bijvoorbeeld bier, meestal glas), en flessen en blikjes die slechts na vernietiging herbruikbaar zijn (smelten of vergruizen).
Voor hervulbare flessen bestaat al langer een terugnamesysteem, dat gerund werd door de afzonderlijke producenten. Dit is meegenomen in het totale nieuwe terugnamesysteem, en daarbij verbeterd.
Bij flesjes en blikjes die anders weggeworpen hadden moeten worden, schieten de producenten het statiegeld aan het Dansk Retursystem voor. Bij elk nieuw geproduceerd blikje bier of fris gaat er automatisch het bijbehorende bedrag naar het Dansk Retursysteem, zodat het Retursysteem per definitie het geld heeft om de tegenwaarde van het lege blikje aan de detailhandel terug te betalen.
Naast dit voorgeschoten statiegeld vangt het Retursystem geld uit de verkoop van ingenomen grondstoffen (bijvoorbeeld de marktwaarde van aluminium), en statiegeld dat wel voorgeschoten is, maar niet teruggevraagd.


Het Deense systeem werkte echter in eerste instantie alleen op de nationale schaal en raakte in de problemen toen er blikjes en flesjes vanuit het buitenland binnen komen (gevolg van de vrije handel in de EU). De Denen hielden voet bij stuk – de Deense brouwers voerden onder andere aan dat zij niet met leuke flesjes en blikjes in het buitenland zouden kunnen concurreren, maar andersom wel.
Uiteindelijk werd de blikjesban opgeheven en kon er ook officieel buitenlands bier etc ingevoerd worden, maar dat moest wel onfraudeerbaar aangepast worden aan het Deense systeem, dus geregistreerd en ge-barcodeerd. In 2021 waren er 50519 producten gecodeerd en deden er 14490 winkels, restaurants etc aan het systeem mee.
Je kunt dus wel Belgisch bier kopen in Denemarken, maar het flesje of blik moet in het Deense systeem passen. En het statiegeld moet vooraf aan het Retursystem betaald worden.
Niet-officieel ingevoerd bier en fris zonder barcode (door toeristen meegenomen bijvoorbeeld in de auto) kan wel in de innamemachines gegooid worden, maar men krijgt er dan geen geld voor. Men draagt wel bij aan de recyclingdoelen.

Ook het innamesysteem is sterk opgewaardeerd met zelfontwikkelde tel- en sorteermachines, en daarachter soms compactors. Men kan er een zak met 90 flesjes en blikjes tegelijk in gooien, zie https://youtu.be/VEiZxqEh_hs .

Het runnen van het systeem is geen sinecure. Het aantal verpakkingen groeit explosief en er zijn tegenstrijdige belangen. Desondanks, maar mede ook door de schaalvergroting, daalt het voorschot dat producenten moeten betalen. Aan de andere kant zit momenteel door de lage olieprijs de klad in de plastic recycling – misschien moet er een importheffing komen op fossiel nieuw plastic om gerecycled plastic te beschermen.

Hoe hoog is het Deense statiegeld (Pant in het Deens)?
Een Deense Kroon is momenteel ca 13 Eurocent

  • Pant A = DKK 1.00 (glazen flessen en aluminium blikjes kleiner dan 1 liter) 
  • Pant B = DKK 1.50 (plastic flessen kleiner dan 1 liter) 
  • Pant C = DKK 3.00 (alle flessen en blikjes kleiner dan 1–20 liter)

Welke recyclingspercentages haalt Denemarken:
Opgeteld over alle flessen en blikken 92%

Nederland
In Nederland bestaat sinds maart 2024 de overkoepelende organisatie Verpact. Het functioneren dd dit artikel is niet onomstreden. De organisatie zou niet snel genoeg brede dekking leveren.
Verder zitten de (beoogde) deelnemende organisaties alsmaar te miemelen.
Verpact lijkt geïnspireerd te zijn door Denemarken, maar lijkt daar in de uitvoering op achter te lopen. Het is niet eenvoudig uit de aangeleverde teksten een gedetailleerde vergelijking te maken. Het Nederlandse systeem oogt wat chaotischer en lijkt meer materialen te omvatten.

Op https://www.verpact.nl/nl/onze-recycleresultaten geeft Verpact onderstaand resultatenoverzicht over 2022:

De EU wil 90%.

Update dd 09 aug 2024

Op 01 aug wijdde het Financieel Dagblad een lang en goed opgemaakt artikel aan het Nederlandse statiegeld. Het is van NoahMoeys. De conclusie:

In het kort

  • Supermarkten en drankenfabrikanten hebben statiegeld nooit gewild.
  • Twintig jaar lang hebben zij gelobbyd om het af te schaffen, uiteindelijk tevergeefs.
  • Nu zijn zij verantwoordelijk voor het statiegeldsysteem, dat een puinhoop is

Het artikel is te vinden op https://specials.fd.nl/reconstructie-hoe-de-machtige-anti-statiegeldlobby-toch-aan-het-kortste-eind-trok .

‘Asphalt Recycling Train’ eet oud asfalt op

In deze weblog is regelmatig aandacht besteed aan asfaltcentrales.
Tot nu toe zijn dat grote statische, en meestal ouderwetse, machines die steeds meer oud asfalt moesten recyclen, terwijl tegelijk de emissie-eisen voor benzeen en PAK’s aangescherpt werden. Dit leidde en leidt tot veel discussie. Zie bjmgerard.nl/heeft-de-ouderwetse-asfaltcentrale-zijn-langste-tijd-gehad/ en bjmgerard.nl/betere-klimaataanpak-eindhovense-asfaltcentrale-zou-ook-het-milieu-dienen/ .

Een van de alternatieven is de ‘Asphalt Recycling Train’ (ART). Het voorste voertuig hapt het oude asfalt op, waarna het in volgende voertuigen bewerkt wordt, en waarna de laatste voertuigen spreiden en walsen. Er is in beginsel geen centrale locatie meer nodig en het kan ook nog beduidend schoner en zuiniger zijn.

Rijkswaterstaat heeft op 14 maart 2024 een persbericht uitgebracht dat men met zo’n ART aan het experimenteren was. Zie https://www.rijkswaterstaat.nl/nieuws/archief/2024/03/duurzaam-wegdekonderhoud-asfalt-recycling-trein-eet-oud-asfalt-op . Onderstaand verhaal is dat persbericht.
Op het eind van het persbericht staat een verwijzing naar een filmpje op X op https://twitter.com/i/status/1768301192424071506 .


Duurzaam wegdekonderhoud: ‘Asphalt Recycling Train’ eet oud asfalt op

Rijkswaterstaat zoekt altijd naar mogelijkheden om te verduurzamen. Sinds kort doen we een proef met de ‘Asphalt Recycling Train’ (ART). Deze machine ‘eet’ oud asfalt op en spuugt nieuw asfalt uit op de weg. Daarmee wordt wegdekonderhoud een stuk duurzamer.

De ART aan het werk

De ART verwarmt eerst de deklaag van het asfalt. Het oude asfalt smelt, de ART eet het op, woelt het los en mengt het. Daarna brengt de ART het vernieuwde asfalt weer aan op de weg. Dan wordt het gewalst, zodat het wegdek mooi glad en egaal is. 6 uur later kan de weg weer open. De ART wordt getest op de snelwegen, maar we kijken ook of we hem kunnen inzetten op provinciale wegen.

Voordelen ART

  • Oud asfalt wordt op dezelfde locatie vernieuwd.
  • Er hoeven geen vrachtwagens met oud en nieuw materiaal op en neer te rijden.
  • Deze manier van wegdekonderhoud is vrijwel volledig circulair, al het materiaal wordt opnieuw gebruikt.
  • De machine zelf zorgt voor 65% minder CO2-uitstoot.
  • De uitstoot wordt nog minder, want later dit jaar worden de machines geëlektrificeerd en omgebouwd naar waterstof.

Verduurzamen doe je samen

‘Dit is ook een mooi voorbeeld van hoe je samen kan werken aan verduurzaming,’ zegt Fredy Sierra, die werkt aan duurzame wegverharding. ‘Investeerders hebben een ART gekocht, zodat aannemers wegonderhoud met de ART kunnen uitvoeren. De kennis en ervaring die zij opdoen delen zij met de hele sector.’

Over de verduurzaming van bedrijfssectoren


Ter intro
Er zijn mensen die roepen dat ‘eerst het bedrijfsleven aanpakt moet worden’ en dan vervolgens voldaan roepen dat er dus geen windmolens of zonneparken geplaatst hoeven te worden.

Dat is te gemakkelijk.
Het is juist dat delen van het bedrijfsleven een grote achterstand hebben, deels door onkunde, deels door reële problemen en deels door onwil. ‘Het bedrijfsleven’ is een diverse groep qua omvang van de bedrijven, qua goedwillendheid, qua sector en ook qua praktische mogelijkheden. Terecht heeft Milieudefensie er goed over nagedacht welke 29 individuele bedrijven (naast Shell) het met zijn aanschrijving aangepakt heeft (zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-schrijft-29-bedrijven-aan-voor-een-klimaatplan-de-eerste-reacties-dd-08-februari-2022/ en bijvoorbeeld https://milieudefensie.nl/actueel/wij-brengen-ing-voor-de-rechter-in-een-baanbrekende-nieuwe-klimaatzaak . Dit is een bewuste selectie. Welke selectie noodgedwongen zeer beperkt is.

Bijna alle bedrijven, geselecteerd of niet, moeten iets gaan doen. Zodoende komen die wind- en zonneparken er alsnog. Maar er zijn nog meer verduurzamingsmogelijkheden.

Om een eerste indruk te krijgen van wat er bij verduurzaming van ‘het bedrijfsleven’ komt kijken is een recente studie van ABN ANRO nuttig. Een samenvatting van de studie is te vinden op https://www.duurzaam-ondernemen.nl/onderzoek-abn-amro-klimaatdoel-voor-2030-voor-veel-sectoren-in-nederland-binnen-handbereik/ alwaar men de ABN AMRO-studie aanklikken kan. Die ook rechtstreeks te vinden op https://www.abnamro.com/nl/nieuws/klimaatdoel-voor-2030-voor-veel-sectoren-in-nederland-binnen-handbereik .

Het rapport is van Casper Burgering, Senior Econoom Sustainability Research.

 Donkerrood betekent dat de broeikasgasemissies erg ver boven de trendliujn ligt die ze zouden moeten volgen. Daarna lichtrood, oranje, donkergroen. lichtgroen Het blauwe hokje geeft aan in welk jaar een sector op papier klimaatneutraal zou kunnen zijn. De code is niet erg duidelijk.
De verzamelwoorden ‘Industrie’ en ‘transport’ tellen niet mee voor het aantal van 21, maar geven waarschijnlijk het gemiddelde van de hele bijbehorende categorie weer.

De ABN AMRO-studie
ABN AMRO heeft ten behoeve van deze studie enkele keuzes op hoofdlijnen gemaakt.

  • Het bedrijfsleven wordt per sector behandeld.
  • Er worden 21 sectoren onderscheiden. Die zijn samen goed voor 75 – 80% van de Nederlandse emissies
  • De analyse beperkt zich tot de z.g. scope 1 – emissies. Dat zijn de emissies die de gezamenlijke ondernemingen in een sector in eigen bedrijf uitstoten. Er wordt wel erkend dat het weerwaarde zo hebben om de hele waardeketen mee te nemen, maar dat gebeurt dus in dit onderzoek niet.
    Omdat men hier optelt over de totaalsom van het bedrijfsleven, zitten de scope 2 -emissies er voor een heel eind impliciet in (de scope 1-.emissies van de gasturbine zijn de acope 2-emissies van de elektriciteitsverbruiker). Vandaar die 75-80%.
  • ABN AMRO doet niet aan volumebeleid. De omvang van een sector wordt als gegeven feit meegenomen. Bij de aanbevelingen hoort bijvoorbeeld niet dat de emissies kunnen afnemen door een krimpende landbouw of door een lager aantal geproduceerde auto’s.
  • Het EU-doel voor 2030 betreft 55% minder broeikasgassen in 2030 dan in 1990. Voor latere jaren liggen er verdergaande doelen, maar daarover schrijf ik hier nu niet. Het Nederlandse doel voor 2030 is 60% eraf.
    In de openingsafbeelding staat een tijdlijn met daarin aangegeven diverse doelen en het bijbehorende tijdpad.
  • Het gaat over Nederland
  • Er is een hoog- midden- en laag scenario (resp. ‘proactief’, ‘basis’, ‘passief’)

In deze diagrammen zijn de categorieën industrie en overige iets verder opgesplitst dan in de 21 eerder genoemde sectoren. Dit wordt verderop niet gebruikt.

De afstand tot het gewenste doel verschilt sterk van sector tot sector.
In bovenstaande ‘spinnewebben’  is de gele cirkel het 45% doel (55% eraf t.o.v. 1990) in 2030 . De donkergroene punten beschrijven de situatie in 2022 t.o.v. dit doel. Elk cirkel ligt 10% verder naar buiten. De sector ‘vervoer door de lucht’ zit dus op 170% van de broeikasgasemissie van deze sector 1990.
Duidelijk is dat de situatie van sector tot sector sterk verschilt.

De studie geeft een pakket decarbonisatie-technologieën, die vervolgens ingezet kan worden in elk van de 21 sectoren.


Aan elke sector wordt volgens een vast format aandacht besteed. Het is geen doen om in dit bestek alle 21 bedrijfssectoren te bespreken. Ik heb er vier geselecteerd die  ik nader bespreek:

  • Sector 2, de voeding- en genotmiddelenindustrie. Daaronder valt bijvoorbeeld in ZO Brabant slachterij VION in Boxtel en diervoederfabriek ABZ in Eindhoven (en uiteraard zijn er meer).
  • Sector 10, de producenten van elektrische en elektronische apparaten (bijvoorbeeld in onze regio ASML en NXP)
  • Sector 12, de transportmiddelenindustrie, die alles maakt waarmee men kan rijden, vliegen en varen. In onze regio bijvoorbeeld DAF Trucks.
  • Sector 14, water en afval.

Sector 2, de voeding- en genotmiddelenindustrie
Ik gebruik deze tevens als uitleg van hoe het systeem van de studie werkt. Deze uitleg geldt op gelijke wijze voor alle andere 21 sectoren die allemaal met dezelfde structuur in beeld gebracht worden.
Je moet volgende afbeelding als volgt lezen:


In 1990 loosde de gehele Nederlandse voeding- en genotmiddelenindustrie 4663 miljoen kg CO2 -equivalenten (zijnde CO2 plus, via een omrekeningsfactor, andere broeikasgassen als methaan en lachgas).
In 2022 was dat 4352 miljoen kg.
55% eraf t.o.v. 1990 betekent dat 45% over is en die 45% van 4663 is 2098 miljoen kg.
De taak, die tussen 2022 en 2030 uitgevoerd moet worden, is dus 4352 – 2098 = 2182 miljoen kg,
Grafisch weergegeven ziet dat er zo uit. Geel is hoe het gaat en groen is wat men in de EU onderling overeengekomen is.


Voor deze taak staan 18 technologieën ter beschikking, waarvan sommige meteen te koop zijn (TRL 9). TRL8 betekent: Product/dienst is compleet en operationeel; TRL 7 betekent: Demonstratie prototype in operationele omgeving en TRL 6 betekent Demonstratie prototype in testomgeving ( https://www.rvo.nl/onderwerpen/trl ) .
De oppervlakte van een cirkel duidt veel of weinig aan, en de vertikale positie of de techniek er veel of weinig toe doet.


Sector 10, de elektrische en elektronische industrie
Hiermee ben je eigenlijk snel klaar: het grootste deel van de reductie is al achter de rug en de sector zit al bijna op zijn doel voor 2030. Procentje per jaar eraf t.o.v. 1990 en de sector is voor 2030  klaar.

Sector 12, de transportmiddelenindustrie
De emissies daarvan zijn tussen 1990 en 2022 toegenomen.  
De sector is onderverdeeld in enerzijds de auto- en aanhangwagenindustrie, en anderzijds de rest (schepen, fietsen, etc). De eerste verbruikt 60% van deze sector.

Er is in deze sector nog veel te doen.

Men kan een  individueel bedrijf niet benaderen als ware het representatief voor de sector. Maar ik wijs hier toch graag even op https://www.bjmgerard.nl/daf-trucks-antwoordt-op-brief-milieudefensie-eindhoven/ .

Sector 14, water en afval
Dit is een zeer heterogene sector: waterwinbedrijven, rioolwaterzuiveringen en afvalbeheer. Eigenlijk raar om dat in één sector te zetten, maar het is niet anders.

Het energieverbruik van de drie deelsectoren in PJ per jaar.


Het ABN AMRO-rapport speculeert over de oorzaken van de sterke groei van de broeikasgasemissies: verouderde installaties?, veel gebruik van fossiele brandstof (dan toch vooral bij de afvalverwerking)? Extra energie die nodig is om drinkwater te zuiveren? Sterke groei van de afvalberg?.
Dit rapport leent zich niet voor een goed antwoord op de waarom-vraag, maar een dergelijk antwoord zou wel wenselijk zijn. Bij elkaar is de sector goed voor ca 13PJ (om en nbij de metaalproductenindustrie en stijgend).

Een volume-argument dringt zich hier op: drastisch minder consumptie leidt tot drastisch minder afval.

De beschikbare koolstofarme technologieën voor water-afval

Appendices met literatuur
De twee appendices bij het rapport bevatten veel nuttige literatuur.

Betere klimaataanpak Eindhovense Asfaltcentrale zou ook het milieu dienen

Persbericht                                                        04 november 2023

Milieudefensie heeft landelijk 29 ondernemingen aangeschreven met de eis dat deze een klimaatplan moesten maken waardoor hun broeikasgasemissies in 2030 45% lager zouden zijn dan in 2019. 

In de geest van deze benadering heeft Milieudefensie Eindhoven een studie gewijd aan KWS, eigenaar van de Asfalt Centrale Eindhoven (ACE). KWS heeft vier asfaltcentrales waaronder ACE, en is deels de baas over nog eens vier andere. Deze asfaltcentrales worden meegenomen in het klimaatbeleid van KWS als geheel. De asfaltcentrales blijken daarbinnen zowel de grootste als de moeilijkst te verduurzamen CO2-bronnen.

KWS benoemt op zijn website een strategie, die KWS-breed voldoet aan de Milieudefensie-eis, meegerekend  de toeleveringsketens en de afzet als nieuw wegdek. Ook de ambitie m.b.t. de asfaltcentrales als afzonderlijk bedrijfsonderdeel voldoet in principe aan de norm. Dit verdient waardering.
Ook verdient waardering dat KWS streeft naar een zo hoog mogelijk asfaltrecyclingspercentage.

Schema van een gangbare asfaltcentrale met directe gasvlamverhitting

Milieudefensie Eindhoven heeft echter een probleem met de concrete maatregelen bij asfaltcentrales die KWS noemt in zijn CO2-besparingsplan dd febr 2022.

Enerzijds noemt dit besparingsplan wel de inzet van (groene) waterstof in plaats van aardgas voor de directe vlam-verhitting van het terugkerend asfaltgranulaat. Gezien de  zeer beperkte beschikbaarheid van groene waterstof moet dat eerder als een vlucht naar voren gezien worden. De gedachte botst ook met de Waterstofladder van Natuur en Milieu.
Verder noemt het plan de ontwikkeling van lage temperatuur-mengsels, maar de vraag is in hoeverre die uitvoerbaar zijn met een directe vlam-gestookte installatie als die van ACE.

Anderzijds noemt het besparingsplan enkele technieken niet die wel binnen de sector (zelfs binnen KWS zelf) ontwikkeld worden of al bestaan, zoals het indirect (en dus gelijkmatig) verhitten van granulaat, elektrisch verhitten, het op locatie recyclen van asfalt (al dan niet rijdend), en het bijmengen van biomaterialen als lignine.
Dit alles zou neerkomen op een wezenlijke modernisering van de asfaltproductie, die bovendien tot betere recycling leidt. Ook bijvoorbeeld een grote opdrachtgever als Rijkswaterstaat heeft hier grote ambities.

Naast klimaatvoordelen zou een dergelijke modernisering ook milieuvoordelen hebben, zeker bij een ouderwetse inrichting als ACE. Bij een lagere en gelijkmatig verdeelde temperatuur komen er minder giftige gassen vrij. En bij recycling op locatie gebeurt dat bovendien op steeds wisselende plekken.
Gezien de moeizaamheid waarmee ACE binnen de milieu-eisen blijft, is dit een extra punt van overweging.

Milieudefensie Eindhoven heeft een brief gestuurd aan KWS, waarin gevraagd wordt om op korte termijn een update te maken van het CO2-besparingsplan van feb 2022. Verder wordt gevraagd wat de lange termijn-plannen zijn met ACE. Deze brief is als bijlage bijgevoegd

Zie eventueel ook https://www.bjmgerard.nl/heeft-de-ouderwetse-asfaltcentrale-zijn-langste-tijd-gehad/ .

Namens Milieudefensie Eindhoven

(Mijn naam eronder)


UPDATE dd 01 december 2023

In een korte, formele brief heeft vestigingsdirecteur Vugs van ACE gereageerd op de brief van Milieudefensie Eindhoven.
Hij zegt dat de Asfaltcentrale in het eerste kwartaal  van 2024 met een update van het CO2-besparingsplan komt en dat daarin nieuwe ontwikkelingen en technieken worden meegenomen. Dat gaat op de website verschijnen.

Over de lange termijnplannen is ACE in overleg met de Omgevingsdienst en de gemeente. Daarover wil ACE nu niets kwijt.

Milieudefensie heeft, ook kort en formeel, teruggeschreven dat het de verdere ontwikkelingen blijft volgen en graag op de hoogte gehouden wordt.

De Eindhovense asfaltcentrale aan het Beatrixkanaal (gebouw ver weg)