De kwaliteit van drinkwaterbronnen in Nederland

De aanleiding
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft in 2018  zorgen geuit over de bronnen, die gebruikt worden voor de bereiding van drinkwater (dus niet over het drinkwater zelf). De VEWIN (VEreniging van Waterleidingbedrijven In Nederland) vroeg KWR Water om steun. KWR Water is als het ware het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven. Het is een zelfstandige onderneming, waarvan de waterleidingbedrijven aandeelhouder zijn.
Zie www.kwrwater.nl .

Op themabasis  is al veel bekend over diverse bedreigingen (dus bodemverontreiniging of medicijnresten). De behoefte was om alle bestaande kennis bijeen te zetten vanuit het centrale perspectief van de drinkwatervoorziening. Dat werd het rapport “De kwaliteit van bronnen van drinkwater in Nederland” (augustus 2019).

Zoals de naam zegt, gaat de studie alleen over de kwaliteit van het water en niet over de kwantiteit. Daaraan zijn ook interessante vragen verbonden, maar dat is voor een andere gelegenheid.

De drinkwaterbronnen in Zuid-Nederland naar soort

Het rapport
Het rapport is te downloaden op https://www.vewin.nl/SiteCollectionDocuments/Publicaties/De_kwaliteit_van_bronnen_van_drinkwater_in_Nederland.pdf .

De algemene boodschap is dat het drinkwater goed is, maar dat om diverse redenen de kwaliteit van het ‘ruwe’ water dat als bron gebruikt wordt verslechtert, en dat het daarom steeds moeilijker (en duurder) wordt om goed drinkwater te maken.

Hoofdstuk 3 bevat een handzaam overzicht van de regelgeving met betrekking tot oppervlakte-, grondwater- en drinkwater. Ik laat deze hier onbesproken. Men kan veel vinden op www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/emissiebeheer/normen-waterbeheer/ en https://rvs.rivm.nl/ .

Ongeveer 40% van het Nederlandse kraanwater (500 miljoen m3/jaar  komt uit oppervlaktewater, ongeveer 55% uit grondwater, en ongeveer 5% uit oevergrondwater. Die percentages lopen per provincie sterk uiteen.

Vanwege de focus van deze site behandel ik vooral de situatie in Brabant.
Jaarlijks voorziet Brabant Water zo’n 2,4 miljoen inwoners en bedrijven van 190 miljoen m3 water.
Dat komt allemaal uit de grond. Tot nu toe kan het grondwater met betrekkelijk weinig zuivering tot kraanwater worden omgebouwd. Veiligheidshalve worden daarom aan grondwater vóór zuivering (‘ruw water’) dezelfde concentratiegrenzen geëist als aan drinkwater na zuivering (‘rein water’). Het ideaalbeeld is dat er überhaupt geen zuivering nodig zou moeten zijn.
Alleen t.b.v. industriepark Moerdijk wordt er water geproduceerd uit een oppervlaktewaterinlaatpunt in De Biesbosch.

Er is ook een inlaatpunt van oppervlaktewater op de Afgedamde Maas, op de grens van Brabant en Gelderland, bij Poederoyen, maar dat exporteert zijn water naar waterbedrijf Dunea. Zie www.bjmgerard.nl/?p=2781 . Dit telt voor Brabant niet mee.
Dit inlaatpunt lag er begin 2017 bijna drie maand uit omdat er het bestrijdingsmiddel dimethoaat uit de Gelderse tuinbouw in de Afgedamde Maas gelopen was. Het illustreert het probleem.

Waterwingebieden zijn zwaar beschermd. Er mag niets wat gevaar oplevert (bijv. bestrijdingsmiddelen).
Daarom heen liggen grondwaterbeschermingsgebieden waar een iets soepeler regime geldt, en gebieden waar niet geboord mag worden. www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/thema-s/grondwater/achtergrond/ geeft meer informatie over wat er wel en niet mag. Via deze site is onderstaande Brabantse drinkwaterkaart te vinden.

De drinkwaterkaart van de provincie Noord-Brabant

Behandeld wordt de invloed van de thema’s:

  • Nitraat
  • Bestrijdingsmiddelen
  • Verzilting (voor Brabant nauwelijks relevant, dus weggelaten)
  • Bodemverontreiniging
  • Medicijnresten
  • Opkomende stoffen
  • Overige nieuwe bedreigingen

Nitraat
Er zijn veel nitraatbronnen, waarvan in Brabant de landbouw de belangrijkste binnenlandse producent is. Voor zover mest de oorzaak is, komt het fosfaat vooral in het oppervlaktewater terecht en het nitraat in het grondwater. Bij de bereiding van drinkwater is fosfaat relatief eenvoudig te verwijderen.
Hierboven de nitraatconcentraties in grondwater door de jaren heen. Voor Brabant zijn relevant de zandlijn en de kleilijn. Het beleid heeft geresulteerd in een daling tot 2012, waarna weer een lichte stijging optrad. De lijn van 50mg/liter is de norm.

De grafiek is gemiddeld, hetgeen betekent dat er onvermijdelijk een aantal putten boven de norm zitten. Beperkt men zich daarbij tot kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden, dan geeft dat dit beeld:

Als er pyriet in de grond zit, kan teveel nitraat ook leiden tot teveel nikkel en sulfaat en te hard water. Dit is al eens gemeten. Er kunnen ook andere zware metalen vrijkomen, maar die zijn minder mobiel in de grond en tonen zich nu nog niet zichtbaar in het grondwater.

In 2017 zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt om in het nu lopende Zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn de 34 meest kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden onder de norm te krijgen.

Bestrijdingsmiddelen
Als maatlat worden zowel voor grondwater als voor oppervlaktewater gehanteerd de signaleringswaarden uit het Protocol voor monitoring en toetsing van drinkwaterbronnen = de normen van het Drinkwaterbesluit = idem van de Grondwaterrichtlijn. Te weten:

  • Werkzame stoffen van bestrijdingsmiddelen mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter (bijvoorbeeld glyfosaat)
  • Hun afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend giftig voor mensen, mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter
  • Hun afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend niet (erg) giftig voor mensen, mogen aanwezig zijn < 1 µgr/liter (bijvoorbeeld de metaboliet AMPA van glyfosaat)
  • De som van alle werkzame stoffen van bestrijdingsmiddelen (voor zover detecteerbaar) mogen aanwezig zijn < 0.5 µgr/liter

Ga desgewenst naar www.pesticidemodels.eu/groundwateratlas/home om de Atlas bestrijdingsmiddelen in grondwater te downloaden, of naar http://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/ voor de Atlas bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater.

Uit werk van Van Loon (2019) blijkt dat over de periode 2010-2014 in 77 van de 99 freatische grondwateronttrekkingsputten minstens één maal sporen van bestrijdingsmiddelen of hun metaboliet te vinden was (‘freatisch’ betekent dat de grondlaag niet afgedekt is met een beschermende kleilaag). De helft daarvan zat boven de signaleringswaarde.
Ook in winputten die onder een beschermende kleilaag actief zijn, worden in 19% van de gevallen dezelfde sporen aangetroffen (waarvan de helft boven de signaleringswaarde.
Dit is dus in  de putten. In waarnemingsputten nabij de onttrekkingsputten is een vergelijkbaar beeld te vinden.
De putten van het provinciale meetnet ondersteunen dit beeld.

Oppervlaktewatermetingen geven een vergelijkbaar beeld als bij grondwater.
In 2018 vonden Bannink en Van der Ploeg dat 14 bestrijdingsmiddelen, biociden of hun afbraakproducten in de Maas boven de streefwaarde van 0.1 µgr/liter uitkwamen.

Het onderzoek van Van Loon (2019) komt op onderstaande figuur uit.

Voor het oppervlaktewater, bestemd voor drinkwater, is in de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming (2013-20230) afgesproken dat het aantal overschrijdingen in 2018 50% lager is dan het aantal in 2013, en idem in 2023 95% lager.
Het PBL heeft dit geëvalueerd. Er is het een en ander verbeterd, maar de telers blijven evenveel chemische middelen gebruiken. Het tussendoel-2018 is allesbehalve gehaald: gemiddeld 25,7 overtredingen over 2011-2013 en 28,7 over 2015-2017 .

Voor het grondwater bevat genoemde Nota geen aanbeveling, behalve een algemeen beroep op de Kaderrichtlijn Water. Verder ziet men hier vooral een taak voor de provincies. Het PBL noemt de Green Deals Recreatie, Sportvelden en Particulier tot nu toe weinig effectief.

De minister van LNV heeft de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 naar de Tweede Kamer gestuurd. De emissies zouden tot nul moeten verminderen in 2030. Het bijbehorende Uitvoeringsprogramma moet nog geschreven worden.

Bodemverontreiniging
Het meest recente onderzoek, dat van Wuiijts (2014) laat zien dat van 215 winningen nabij ‘oude’ bodemvervuiling er 72 stoffen bevatten die boven ofwel niet ver onder de drinkwaternorm zitten. Van die 72 zijn er 57 grondwaterbronnen en van die 57 zitten er 31 boven de drinkwaternorm.
RIVM en KWR zoeken uit of die vervuiling door de plastic wand van waterleidingbuizen heen kunnen dringen.

Het huidige Bodemconvenant loopt in 2020 af. Van de 1383 spoedlocaties waren er inmiddels 473 gesaneerd, 700 in uitvoering, 26 met een uitvoeringsplan na 2020 en 184 zonder uitvoeringsplan na 2020. Bovendien leiden sommige saneringen tot eeuwigdurende verplichtingen. Er is dus na 2020 nog veel te doen.
De drinkwaterbedrijven zijn bang dat straks alleen de bodemvervuiling van vóór 1987 onder het overgangsrecht na 2020 van de Omgevingswet gaan vallen, en dat alle andere voor rekening van de veroorzaker komen – welke rekening niet altijd betaald wordt. Daarnaast ontstaan er nieuwe verontreinigingen, zoals met PFAS.
De drinkwaterbedrijven willen niet in de steek gelaten worden.

Medicijnresten
Naar schatting komen er in Nederland 140 ton voor mensen bestemde medicijnen en voor 30 ton aan Röntgencontrastmiddelen via het riool in het oppervlaktewater. Een onbekende hoeveelheid komt via lekkende riolen, afvalstorten en infiltrerend oppervlakteater in het grondwater terecht.
Ter Laak et al. (2010) schatten in dat 70% van de gecomsumeerde medicijnen in het milieu terecht komt, waaronder het grond- en oppervlaktewater.
Een onbekende hoeveelheid geneesmiddelen voor dieren komt in de grond terecht, o.a. via de mest. Een deel van die onbekende hoeveelheid bestaat uit 200 tot 225 ton antibiotica.
Lang niet alle actieve stoffen worden onderzocht. Metabolieten van medicijnen nog minder.
Zie www.drinkwaterplatform.nl/medicijnresten-in-water/ .

Het RIVM hanteert een signaleringswaarde (geen wettelijke norm) van 0.1 µgr/liter .

Onderzoekers vinden inderdaad medicijnresten in grond- en oppervlaktewater.
In de Maas overschreden in 2017 24 medicijnresten en één dier-antibioticum de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter.

Bij een meting in het grondwater op 101 soort medicijnresten kwam er in 5% van de meetmonsters uit provinciale meetputten boven de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter uit. Het gaat met name om fenazon (een pijnstiller en koortsverlager) en carbamazepine (een anti-epilepticum). ER wordt aangetekend dat in nogal wat situaties een stof niet in concentraties van 0.1 µgr/liter te meten viel.

Het gebruik van dier-antibiotica is ca 60% teruggedrongen, het gebruik van humane antibiotica in mindere mate. Dokters zijn hier al terughoudend mee.

Onder regie van I&W loopt de Ketenaanpak Medicijnresten uit Water over 2018-2022.

Opkomende stoffen
Dat zijn in deze studie stoffen waarover nog te weinig bekend is, en dus nog geen normen bestaan. Dat zijn er heel veel, maar de nadruk wordt gelegd op stoffen die in een industrieel product zitten, of in een industrieel productieproces.
Voorbeelden zijn Pyrazool in de Maas, ontsnapt bij Sitech op Chemelot (een tijd lang een groot probleem voor de drinkwaterinlaat) en PFOA (in de volksmond bekend als GenX, maar dat is een fabricagemethode en geen stof). PFOA is een voorbeeld van de familie van de PerFluorAlkylStoffen, die momenteel de bodemsanering in Nederland bijna volledig blokkeren, en die ook in lage doses in Helmond voor problemen gezorgd heeft. Zie www.rivm.nl/genx .
Verder bestaan er veel stoffen die pas recent meetbaar zijn geworden, en waarvoor dus nog geen individuele norm is  ook al bestaat er voor andere stoffen uit hun groep de waarde 0.1 µgr/liter .

Zowel in de Maas als in het grondwater worden (soms als verrassing) van dit soort stoffen aangetroffen, soms in de (van elders geleende) concentratie 0.1 µgr/liter . Gegevens van de EU-databank REACH geven wel wat aanknopingspunten om het gedrag van opkomende stoffen te beoordelen, maar niet altijd genoeg.

Geschat wordt dat er ongeveer 1600 ton industriele stoffen het water ingaat.

In de Delta-aanpak Waterkwaliteit is afgesproken de categorie ‘opkomende stoffen’ georganiseerd aan te pakken met middelen als monitoring, risico-analyses en bronaanpak.

Overige nieuwe bedreigingen
Waar de vorige categorie ongeveer op de grens zit met de wetgeving, zit de categorie “overige nieuwe bedreigingen” nog een eind van de wetgeving af. Ze zitten niet in wettelijke kaders en er is geen reguliere monitoring. Het gaat om stoffen en processen.


Wagner et al_Microplastics in freshwater ecosystems op Wikipedia.
Microplastics in sediments from the rivers Elbe (A), Mosel (B), Neckar (C), and Rhine (D). Note the diverse shapes (filaments, fragments, and spheres) and that not all items are microplastics (e.g., aluminum foil (C) and glass spheres and sand (D), white arrowheads). The white bars represent 1 mm.

In het oppervlaktewater wordt aandacht besteed aan microplastics, nanomaterialen en microbiële resistentie.

Er wordt veel onderzoek gedaan aan microplastics. Hoeveel is het? Waar komt het vandaan? Hoe gevaarlijk is het? Wat kun je er tegen doen?
Vooruitlopend op afgeronde risico-analyses wil de Europese Commissie als preventie een circulaire kunststoffenstrategie (geen plastic tassen en wattenstaafjes meer).

Nanodeeltjes (eigenlijk een synoniem voor UltraFijn stof) worden nog in lage concentraties in het milieu aangetroffen, mede omdat afval-waterzuiveringen er goed mee overweg kunnen.
Maar er is veel onbekend, o.a. omdat nanodeeltjes van een materiaal anders kunnen reageren dan hetzelfde materiaal in bulkvorm.
Onlangs heeft de Europese Commissie de REACH-richtlijn uitgebreid met nanodeeltjes, maar het kan nog jaren duren voor er voldoende bekend is.

In mest en in bijna alle uitstroom van rioolwaterzuiveringsinstallaties zitten tussen de antibioticaresten ook “Bijzonder resistente Micro-Organismen”. De risico’s voor de drinkwatervoorziening worden onderzocht.

In het grondwater wordt aandacht besteed aan gedumpt drugsafval en ondergrondse mijnbouw en warmte-opslag.

Per kg amfetamine en MDMA komt 20 resp. 7 kg afval vrij. Tops et al. (2018) schatten de productie in Nederland op 610 ton amfetamine en 153 ton MDMA. Dus.
Het afval komt ongecontroleerd in het milieu terecht (en de drugs zelf uiteindelijk ook via de riolering) . Het effect op de drinkwatervoorziening is nog een groot vraagteken.

In hoofdlijnen leiden de warmteopslag en de mijnbouw (naar boven en naar beneden) tot twee soorten risico voor de drinkwatervoorziening.

  • Er worden ondoordringbare lagen doorboord die waterpakketten van elkaar scheiden. Vervuiling kan zich naar diepere lagen verspreiden of zelfs worden aangezogen.
  • Er kunnen lekkages optreden, bijvoorbeeld uit WKO-systemen of geothermiebassins. Het hangt er sterk van af hoe die vormgegeven zijn: bijv. of het WKO-systeem open of gesloten is (en blijft!). In Brabant bijvoorbeeld liggen al honderden open en duizenden gesloten WKO-systemen en de registratie waar die liggen laat veel te wensen over. De SP heeft er in de provincie vragen over gesteld, zie www.bjmgerard.nl/?p=7871 .

De waterleidingbedrijven zijn een beetje zenuwachtig en hun reservelocaties worden minder. Aan de andere kant zit Brabant Water zelf ook in de geothermie.
Het is een spanningsveld waar nog veel aandacht moet worden gegeven.

Warmte Koude Opslag (Mark Johnson op Wikipedia)

De reactie van opdrachtgever VEWIN
De VEWIN heeft het rapport aan de minister van I&W overhandigd. Dat leidt tot de volgende, bestuurlijk geformuleerde, aanbevelingen:

  • De doelen van de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) moeten in 2027 gehaald zijn, maar dat gaat vooralsnog niet lukken. De resterende taak moet worden neergelegd in de Stroomgebiedbeheerplannen , die elke zes jaar moeten worden vastgesteld (dus eind 2020). Zo ook het Nationale Waterplan. De VEWIN wil prioriteit voor de verbetering van de kwaliteit van drinkwaterbronnen, omdat die onder druk staat.
  • De VEWIN verwacht dat de doelen van de KRW in 2027 niet gehaald worden en wil verlenging van de plancyclus (waarbij die verlenging niet als smoes gebruikt wordt om door te schuiven). De KRW moet versterkt worden.
  • De VEWIN benadrukt de urgentie van de opgave om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren en wel sneller dan nu gebeurt. Dat is topprioriteit. De VEWIN wil weten waar de minister eind 2019 concreet op inzet.

Het Erfpact aangeboden

De Van Erf tot Erf – actie ( https://milieudefensie.nl/van-erf-tot-erf ) gaat over een volhoudbare landbouw en gezond en eerlijk eten. Milieudefensie heeft boeren geïnterviewd. Dat heeft geresulteerd in een ebook met interviews (zie https://milieudefensie.nl/actueel/van-erf-tot-erf-verhalenbundel-nu-online ). Daarna zijn er conferenties geweest met boeren, burgers en organisaties, en is er een online-enquête geweest. Dit alles heeft geresulteerd in een tekst, die de gezondheid van de bodem op de eerste plaats stelt, en die vanuit dit vertrekpunt aanbevelingen doet;

  • Onze bodem is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
  • Onze bodem in balans voor mensen en dieren
  • Onze bodem: evenveel geven als nemen
  • Onze bodem is de basis van beleid
  • Een gezonde bodem moet lonen
  • Onze bodem moet in het bewustzijn komen

De volledige tekst is te vinden hier

Vier interviews uit het ebook vonden plaats met boeren in of rond Eindhoven ( zie www.bjmgerard.nl/?p=7255 ). Milieudefensie Eindhoven was aanwezig bij de conferentie in de Ruurhove in Hoogeloon (zie www.bjmgerard.nl/?p=7307 ).

De aanbieding van het Erfpact

Besloten is om het Erfpact aan de provinciale politiek aan te bieden. Enerzijds, omdat er op 20 maart verkiezingen zijn voor de Provinciale Staten, anderzijds omdat de bodem een typisch provincie-thema is.

Aan Milieudefensie Eindhoven viel de eer te beurt om het Erfpact aan de Noord-Brabantse politiek aan te bieden.

Dat gebeurde op vrijdag 1 maart. Dorry van Milieudefensie Eindhoven had een middagbijeenkomst georganiseerd, met aansluitend diner, op de Genneperhoeve. Dat liep allemaal voortreffelijk.
Tijdens de middagbijeenkomst een rondleiding, o.a. over het ‘goud op de plank’,  de eigen kaas van eigen koeien op eigen biologische grond.

Voor de politiek waren aanwezig vertegenwoordigers van CDA, CU-SGP, D66, Groen Links, Lokaal Brabant, PvdA en SP.
Drie van de boeren, die aan de interviews meegedaan hadden, waren aanwezig.
Verder waren er ook leden van Milieudefensie aanwezig, niet zijnde boer of politicus.
De samenstelling van het gezelschap kon niet anders dan tot geanimeerde gesprekken en flink tegengestelde meningen leiden, waarin het politieke element niet ontbrak.
Tot een politieke doorbraak kwam het niet, maar het onderwerp ‘een goede bodem’ kwam steeds terug.

Het project vond plaats in het kader van het Citizens CAP-project, dat wordt gefinencierd met steun van de Europese Commissie.

Mestbewerken is schaken op vijf borden

Weinig onderwerpen roepen zo algemeen in Brabant emoties op als het aantal dieren en wat te doen de mest die ze produceren. Daarnaast leven in kleinere kring ook sterke meningen over bodembeleid, biomassa en energieproductie.

In het Brabants Bestuursakkoord zijn een aantal goede passages gewijd aan deze onderwerpen. Het gaat daarbij over nog uit te werken intenties.
Daarnaast liggen er enkele, door veel bezorgde burgers gesteunde, maatschappelijke uitspraken over mestbewerking, die een onderbouwd politiek standpunt verdienen.
Vandaar dat ik voor de SP-fractie in PS een eerste aanzet heb geschreven voor beide doelen. Hierover ontstond een interessante discussie.
In het (als bijlage meegeleverde) volledige verhaal staan dus steeds verwijzingen naar passages uit het Bestuursakkoord.

Uitgangspunten
Mijn verhaal heeft enkele basale uitgangspunten.
a) Er zijn in Brabant meer problemen dan alleen het aantal dieren
b) mestbewerking, biomassa, bodemkwaliteit, kringlopen en duurzame energie kunnen alleen als een geïntegreerd pakket geanalyseerd worden. Meningen op het ene vlak hebben consequenties op het andere vlak. Vandaar de titel.
c) er zijn in Brabant teveel dieren, en in sommige delen van Brabant veel te veel. Niet alleen vanwege de mest, maar ook om andere redenen
d) uitspraken moeten zo wetenschappelijk mogelijk gefundeerd zijn. Die wetenschappelijke analyse is mogelijk en bestaat soms al. Er zit nu te veel ideologie en te weinig scheikunde en microbiologie in de verhalen.
e) er is in Brabant geen goed duurzame energie-verhaal, geen bodem-
kwaliteitsverhaal en geen expliciet biomassa-beleid

Bord 1: het aantal dieren en hun mest
Ik gebruik met opzet het neutrale woord ‘bewerken’ omdat als regel mest na de bewerking nog steeds mest is. Dat komt omdat de meet-
eenheid van mest het aantal kilo’s fosfaat is, en dat verandert niet door welke bewerking dan ook. Wel verandert de fysische en chemische gedaante van de mest.
Omdat vooral de fosfaathoeveelheden de wettelijke limiet zijn, leidt het bewerken van mest dus op zichzelf niet tot meer dieren. Daartoe zou mestbewerking mest uit het systeem moeten halen en dat doet het niet. Wat wel in significante hoeveelheden mest uit het systeem kan halen is de export. De bewerkingsdrempel, die mest moet ondergaan om geëxporteerd te mogen worden, oogt lager dan de diverse bewerkingsvormen. De bewerkingsvorm heeft dus geen grote invloed op de exportmogelijkheden.

Bord 2: de kringlopen
De one-way belt vanuit Zuid-Amerika naar hier zou moeten worden beëindigd, ten faveure van een landbouw met kringlopen die gesloten zijn binnen een straal van pakweg 500km (dat is ongeveer wat op de Ruwenbergconferentie gezegd is)

Bord 3: duurzame energie en klimaat
Mestvergisting (let wel: ik bedoel hier deze specifieke techniek) is onmisbaar om de duurzame energiedoelen te halen. Als men van 60% van het huidige aantal dieren de helft van de mest zou vergisten, en als daarvoor voldoende covergistingsmateriaal beschikbaar zou zijn, levert dat op nationaal niveau meer op dan de nu geplande windenergieparken op zee.

Bovendien gaat het vergisten van mest de methaanemissies naar de atmosfeer tegen. Methaan is een krachtig broeikasgas.

Zie Nut en risico’s van covergisting

Bord 4: de beschikbaarheid van biomassa en organisch afval
De beschikbaarheid van biomassa is beperkt en er wordt op allerlei manieren aan getrokken, maar het is niet zo dat er niets kan. Dat moet gereguleerd worden. Er is dringend behoefte aan een provinciaal biomassabeleid.

Bord 5: de vitaliteit van de bodem
Het verminderd toevoeren van organisch materiaal aan de bodem zou, naar sommigen zeggen, kunnen leiden tot een verminderde bodemkwaliteit. De onderbouwing van deze bewering is vooralsnog meer ideologisch dan natuurwetenschappelijk.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten
Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten (30 vragen en antwoorden over bodemvruchtbaarheid – Alterra 2012)

Dat neemt niet weg dat er reden tot zorg is over de bodem, maar het is zeer wel denkbaar dat andere oorzaken een grotere rol spelen dan de hoeveelheid organische stof (dalende pH, dichtrijden van de grond door zware machines waardoor de grond minder zuurstof bevat, zware
metalen, besmetting met bestrijdingsmiddelen.

Verloop van de pH tussen een periode rond 1995 en rond 2008 (RIVM resultaten Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit 2012)
Verloop van de bodem-pH tussen een periode rond 1995 en rond 2008 (RIVM resultaten Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit 2012). I t/m V is zand, I = melkvee lage dichtheid, II = melkvee hoge dichtheid, III = melkvee en intensieve veehouderij, IV = bos en V = bouwland

Mijn voornaamste pleidooi: zoek de dingen wetenschappelijk goed uit voor er vèrgaande beweringen op tafel komen.

Het volledige verhaal vindt u –> mestverwerking is schaken op vijf borden