Het Britse architectenbureau Waugh Thistleton architects is wereldberoemd om zijn nieuwe houten gebouwen en de daarbij toegepaste nieuwe, op hout gebaseerde, materialen. Door een tip liep ik er toevallig tegenaan. Zie http://waughthistleton.com/ .
WT maakt er een kunst van. Ze staan bekend om het gebruik van CLT (Cross Laminated Timber) . Dat bestaat uit onderling haaks gelijmde lagen. Wikipedia wijdt er een artikel aan, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Cross-laminated_timber . De foto toont vurenhout.
CLT uit vurenhout. Foto Elke Wetzig (elya) op Wikipedia .
WT zijn er kunstenaars mee geworden. Wie geïnteresseerd is in duurzaam bouwen en het gebruik van hout, moet beslist eens op deze site gaan kijken. Ik haal er wat plaatjes en teksten vandaan.
De trotse vermelding van erkenning door een researchprogramma van de EU:
How to ‘Build in Wood’ 14 October 2019
We’re excited to have been selected as the only UK partner in an EU funded consortium that will look at how to reduce CO2 emissions through increased use of engineered timber in multi storey buildings.
Build-in-Wood is a €8.6 million project funded by Horizon 2020. The goal of the project is a simple one: to make wood the first choice for construction of multi-storey buildings.
The project is made up of a consortium of 21 partners representing the entire value chain from building materials to the finished structure with input from universities who will test the system and prototypes. In addition to designing building systems, the project also involves manufacturers, end users, politicians, and local European communities to increase an understanding of how wood can and should be accepted as the building material of the 21st century.
The construction sector is one Europe’s largest CO2 contributors. Years of targeted legislation has significantly reduced emissions from operational energy of European buildings, however the significant contribution from the production of building materials and the building process has gone below the radar. By increasing the use of wood in construction we can have a significant impact on the carbon footprint of our buildings, actually removing carbon from the atmosphere and storing it within out buildings and cities.
Build-in-Wood is receiving funding from the European Union’s Horizon 2020 research and innovation programme under grant agreement No 862820 and runs for four years from September 2019 to August 2023.
Dalston Works is the world’s largest CLT building, and a landmark project in our ambition to roll out the use of timber construction in high-density urban housing, across London and beyond. The ten-storey, 121-unit development is made entirely of CLT, from the external, party and core walls, through to the floors and stairs, weighing a fifth of a concrete building of this size, and reducing the number of deliveries during construction by 80 per cent.Studentenhuisvesting op 106 Lewes Road This high quality student housing project marks a transitional gateway site between Brighton and Lewes. Constructed from lightweight prefabricated timber wall sections and CLT slabs and core, it took under 12 months to complete. BBC Future has published an article on the viability and positive results of timber construction. Andrew Waugh showed BBC Future’s Tim Smedley around our project on Orsman Road, discussing some of the benefits including carbon offset, construction ease and future flexibility of building with timber. “Some architects such as Waugh are therefore arguing for – and pressing ahead with – a return to wood as our primary building material. Wood from managed forestry actually stores carbon as opposed to emitting it: as trees grow, they absorb CO2 from the atmosphere.” Read the full article on the BBC Future Website.
Is een houten gebouw, en speciaal een hoog houten gebouw, brandveilig? Daaraan is veel onderzoek gedaan. Voor zover ik dat als bouwkundige leek beoordelen kan, is het antwoord
alle bouwmaterialen hebben een probleem met hoge temperaturen (ook beton en staal)
CLT houdt het lang uit bij brand, als het maar dik genoeg is, minstens zo dik dat de lijm tussen de lagen het houdt. De verkoolde buitenkant kan de binnenkant beschermen.
dat Eindhoven Airport cq Defensie geen Natuurvergunning hebben
dat het vigerende Luchthavenbesluit van 2014 is (en de MER van 2012); na de inwerkingtreding van de Natura2000-wetgeving dd 7 dec 2004, maar vóór de PAS
dat in de MER bij het Luchthavenbesluit een passende Natuurbeoordeling is gemaakt, erop uitdraaiend dat er een beperkte toename van de stikstofdepositie is op Natura2000-gebieden nabij het vliegveld, maar dat dat de instandhoudingsdoelen niet aantast
dat de minister van Landbouw etc over het handhavingsverzoek gaat
Ik waag mij op dit moment niet aan een oordeel, en wacht af hoe de zaken verder lopen.
Hieronder het eerste verhaal over het handhavingsverzoek van Vollenbroek.
De eis De milieuactiegroep Mobilisation for the Environment (MOB) heeft bij het ministerie van I&W en van LNV een verzoek tot handhaving ingediend van overtreding van de stikstofregelgeving. Er was al eerder een verzoek tot handhaving ingediend betreffende Schiphol, maar nu zijn daar de vijf regionale luchthavens aan toegevoegd. De tekst van het handhavingsverzoek is te vinden op http://mobilisation.nl/nl/ .
MOB-voorzitter
Johan Vollenbroek (bekend van de PAS-zaak bij de Raad van State) stelt dat de
luchthavens niet over een vergunning ex de Wet natuurbeheer beschikken en dat
dat wel moet. Daarom eist hij concreet dat het aantal vliegbewegingen op
Eindhoven Airport teruggebracht wordt tot het aantal, zoals dat bestond ten
tijde van de datum die de Raad van State als referentiedatum geeft, namelijk 7
december 2004. Mogelijk zelfs tot de datum 07 juni 1994, maar dat maakt voor
Eindhoven Airport weinig verschil want de grote groei van het aantal civiele
vliegbewegingen op het Eindhovense vliegveld dateert pas van na 2010.
Vollenbroek
baseert zich op de stikstofdepositie, die vliegtuigen op nabijgelegen
Natura2000- gebieden veroorzaken, en die (ongeacht hun omvang) de bestaande
overschrijding nog groter maken. Verder noemt hij de door vliegtuigen
veroorzaakte luchtvervuiling.
Overzichtskaart PAS-gebieden 2017
Reactie BVM2 Bestuursleden van BVM2 hebben contact gehad met Vollenbroek. De genoemde actie echter is een zelfstandig besluit van MOB.
Het bestuur van BVM2 heeft al eerder aandacht besteed aan de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden rond het vliegveld. Dit ten tijde van de MER bij het Luchthavenbesluit 2014 (toen de PAS-regeling nog niet bestond). In deze MER stond een passage over stikstof. En eveneens in 2018, toen BVM2 zich voorbereidde op het aflopen van de Medegebruiksvergunning dd 31 december 2019. Toen bestond de PAS al/nog wel en diende als manusje van alles-antwoord op stikstofvragen. In beide gevallen kon het bestuur van BVM2 er juridisch niets mee afdwingen. BVM2-bestuurder Willemieke Arts heeft er (namens de SP vragen over gesteld in Provinciale Staten. Ook hier leidde het antwoord niet tot een vinger achter het probleem (zie www.bjmgerard.nl/?p=1287 )
BVM2 adviseert
MOB om in elk geval alsnog ook het Ministerie van Defensie aan te schrijven,
want dat is bevoegd gezag op vliegbasis Eindhoven. De vliegbasis Eindhoven is
het vliegveld cq de inrichting, Eindhoven Airport is niet meer dan een civiele
onderneming die diensten verleent aan luchtvaartmaatschappijen.
Vooralsnog lijkt het er op, dat Vollenbroeks in zijn argumentatie, waar hij zich baseert op de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden, op zijn minst een punt heeft als er inderdaad geen vergunning ex de Wet natuurbeheer zou bestaan. De luchtvervuilingsargumenten lijken als juridisch dwingend argument minder sterk, omdat er of geen norm bestaat (ultrafijn stof en roet), of dat een wel bestaande norm niet overschreden wordt.
De eis van
Vollenbroek roept, hoe dan ook, interessante juridische vragen op.
Vollenbroek is van huis uit natuurwetenschapper en een gevreesde jurist. BVM2 zal met interesse het verdere verloop van de gebeurtenissen volgen.
Parkeergarage P5
In een andere rechtsgang dan het handhavingsverzoek van Vollenbroek heeft het bureau ‘Het Groene Schild’ uit Wageningen bezwaar tegen de bouw van de nieuwe parkeergarage P5, die een heel groot gevaarte zou moeten worden voor minstens 4200 auto’s, die in de plaats komt van de huidige onoverdekte P5. (Let wel dat dit niet de ingestorte en heropgebouwde garage is, maar alweer de volgende parkeergarage). Het Groene Schild (bij monde van Ir Ton van Hoof) treedt op namens een aantal clienten, waarvan de BOW en de BMF bij ons bekend zijn, alsmede namens Vollenbroek van MOB, inmiddels ook niet meer onbekend. Voor een ED-artikel zie www.ed.nl/airport/eindhoven-airport-wil-enorme-nieuwe-parkeertoren-met-tien-verdiepingen~a47cd8cb/ .
In een zienswijze verzoekt hij de gemeenteraad van Eindhoven om het bestemmingsplan, dat ten grondslag ligt aan parkeergarage P5, niet vast te stellen.
Van Hoof volgt de redenering van Vollenbroek dat het vliegverkeer, voor zover dat in aantal boven het in dec 2004 bestaande aantal vliegbewegingen uitkomt (ergens rond de 18000), illegaal is. Parkeergarage P5 wordt dus, in zijn visie, beargumenteerd met een noodzaak die uit een illegale grondslag voortvloeit, en zou dus niet in een bestemmingsplan vergund mogen worden. Daarnaast heeft hij bezwaar tegen de ruimtelijke verantwoording van het plan, en tegen het gegeven dat de in de doorrekening van bureau Tauw (niet zijnde een MER) uitgegaan is van 4500 auto’s, welk aantal in het concept-bestemmingsplan niet terug keert.
Evenals Vollenbroek stelt van Hoof, dat het sterk gegroeide aantal vluchten tot een sterk gegroeid stikstofdepositie op Natura2000-gebieden geleid moet hebben. Dit onderbouwt hij niet. De minister zegt dat de depositie niet sterk gegroeid is (dat blijkt inderdaad uit het MER). Het verschil van inzicht wordt voor een (groot?) deel veroorzaakt door wat men meetelt. Vollenbroek (en Van Hoof) gaan uit van alle stikstof, die tijdens de vlucht geëmitteerd wordt, terwijl het gangbare rekenmodel alleen de stikstof meeneemt die onder de 3000 voet (ruim 900m) geëmitteerd wordt.
Merkwaardig genoeg baseert Van Hoof zich niet op de toename van het aantal autobewegingen op de grond als gevolg van P5. Deze toename is een nieuw feit (anders dan de principiële discussie of er in het verleden een Natuurvergunning had moeten zijn). Het is zeer wel denkbaar dat dit groeiende aantal auto’s (welke auto’s nog steeds onder de 900m hoogte rijden) extra stikstof deponeert die reden kan zijn om de stikstofwetgeving van toepassing te verklaren op dezelfde wijze als dat bij talloze andere projecten gebeurt. Bij de vliegbewegingen is deze mogeljkheid niet aanwezig, aangezien Eindhoven Airport voorlopig niet van plan is om te groeien.
De termijn voor het indienen van een zienswijze is inmiddels voorbij.
Het WNF Het Wereld Natuur Fonds Nederland (WNF-NL) heeft de Universiteit van Wageningen gevraagd om een beeld te geven van de stikstofuitstoot van verschillende bronnen, het gedrag van die stof, en van wat dat betekent voor maatregelen, specifiek voor de landbouw. Het resultaat is een document dat te vinden is via https://www.wwf.nl/wat-we-doen/actueel/nieuws/stikstofplannen-kabinet-niet-toereikend .
Uitleg In het hierna volgende is een Mol N (op atoombasis) 14 gr, een Mol NH3 (ammoniak) 17 gr, en een Mol NO2 46gr . Emissie is wat uit een pijp, kont of tank komt; immissie is wat via de atmosfeer in een neus of meetapparaat komt; en depositie is wat op of in de grond komt. Omdat de gassen zich op verschillende wijze gedragen en op verschillende locatie, hoogte en wijze worden losgelaten, hoeven emissieverhoudingen niet perse dezelfde te zijn als depositieverhoudingen (de zeescheepvaart bijvoorbeeld).
Levende wezens hebben een bepaalde hoeveelheid stikstof nodig, maar het aanbod in Nederland is veel groter dan wat nodig is. Daardoor worden bodems te voedselrijk en verzuren ze, waardoor essentiële stoffen als kalium, calcium en magnesium oplossen en wegspoelen, en aluminium vrijkomt, dat in overmaat ecologisch giftig is. Teveel stikstof vermoordt sommige bodems en de daarop levende schepselen.
Tot op zekere hoogte zijn herstelmaatregelen mogelijk (bijv. afplaggen), maar dat is beperkt (met de stikstof worden ook andere stoffen afgeplagd).
De huidige stikstofproblematiek heeft juridisch betrekking op Europees beschermde Natura2000-gebieden, maar geldt algemener. Van die Natura2000-gebieden zijn er een heleboel in Nederland, in allerlei soorten en maten (‘habitats’). De meeste zijn vatbaar voor teveel stikstof. Bij een stikstofgevoelig Natura2000-gebied hoort een kritische depositiewaarde (KDW), die afhankelijk is van het soort gebied.
De emissies Van de totale emissie binnen Nederland bestaat goede CBS-statistiek . De cijfers in de hierna volgende statistische tabel zijn in kiloton (= miljoen kg). Lees dit als: in Nederland werd in 2018 139 kton NH3 geloosd, waarvan 132 kton meetelt voor de Europees opgelegde limiet van 128kton (het NEC-plafond 2010).
Hetzelfde verhaal in een staafdiagram, ook weer van binnen Nederland geloosde stikstof. Dit staafdiagram geeft twee regels uit bovenstaande tabel in verdergaand detail weer, namelijk de regel Verkeer en vervoer (bij NO2 ) en landbouw (bij ammoniak). De vliegtuigemissie is meegenomen tot 3000 voet (914m) hoogte.
Stikstofemissies in de categoriëen landbouw (NH3) en verkeer (NO2)
De deposities De emissies verspreiden zich in de atmosfeer en de eruit voortvloeiende deposities per hectare nemen af met de afstand. Ondanks dat belandt de meeste depositie ver van de bron. Hieronder hoe dat voor ammoniak werkt (20% van de ammoniak slaat binnen een kilometer van de bron neer). Let op de logaritmische schalen! Voor NO2geldt een vergelijkbare grafiek met grotere afstanden.
De kaart van de depositie van stikstof wordt zowel berekend als gemeten. Anders dan soms gedacht wordt, lukt beide met behoorlijke precisie. Vanwege alle commentaar heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) de RIVM- resultaten nog eens nagerekend. De CDM kwam er op uit dat de ammoniaklozingen waarschijnlijk hoger waren dan het RIVM inschatte. De woordkeus suggereert dat de boeren als groep de boel flessen, maar dat staat er niet met zoveel woorden.
De stikstofdepositie, gemiddeld over heel Nederland, bedraagt ruim 1600 Mol/ha*y (Mol per hectare per jaar). Lokaal kan dat veel meer of minder zijn: de Peel bijvoorbeeld zit op ca 4000Mol/ha*y . 42% van de totale Nederlandse stikstofdepositie (NH3 en NO2 samen) komt van de landbouw; 30% komt uit het buitenland; 20% komt uit de rest van Nederland; 5% van schepen op de Noordzee; en een paar % is onverklaard. Overigens exporteert Nederland van beide stikstofvarianten ongeveer 3 a 4 keer zoveel als het importeert. Nederland is in Europa een vies land.
Na enig gecijfer komt Wageningen er op uit dat, gemiddeld over heel Nederland, er ongeveer 500 Mol N/(ha*y) te veel op Natura 2000-gebieden terecht komt. Gemiddeld over alle Noord-Brabantse Natura2000 – gebieden komt er ongeveer 650 Mol N/ha*y teveel op terecht.
Per
afzonderlijk Brabants Natura2000-gebied ziet het plaatje er, alleen voor
ammoniak uit de landbouw, als volgt uit:
Lees dit als volgt. In gebied 144 (Boschhuizerbergen, een stuifzandgebied met dennen op de Brabants-Limburgse grens bij Venray) wordt de kritische depositiewaarde met ongeveer 420 Mol/(ha*y) overschreden (= CL). Uit Brabant zelf (E ) komt 510 Mol/(ha*y) aanwaaien en van buiten Brabant (B) is dat ongeveer 760 Mol/(ha*y) . De agrarische herkomst van E en B is met een kleurtje gecodeerd. Daarnaast is er een beetje ammoniak van buiten de landbouw, en is er NO2 – depositie, maar die zijn niet ingetekend. Zo ook de andere gebieden.
Voor de landbouw te overwegen maatregelen De analyse is bedoeld om mogelijke maatregelpakketten voor de landbouw te kunnen overdenken, waarvan dan bovendien de effecten kunnen worden ingeschat.
WNF wil dat alle sectoren, die bijdragen aan de eerder genoemde stikstofoverdaad van (landelijk gemiddeld) 500 Mol N/(ha*y), naar evenredigheid van hun lozing stikstofdepositie inleveren. Gemiddeld zou het probleem dan opgelost zijn. De landbouw is goed voor 40% van de stikstofemissies en moet dus 40% van 500 = 200 Mol N/(ha*y) inleveren. Aldus Wageningen namens het WNF. Waarna het verhaal wordt hoe je aan die 200 komt.
Wageningen
bespreekt hiertoe drie brede categorieën.
Technische en management-maatregelen
binnen het huidige veehouderijsysteem
Transitie naar een meer grondgebonden
kringloop- en/of een natuurinclusieve landbouw
Lokaal maatwerk rond Natura2000 –
gebieden: emissiebeperking of sanering van ongelukkig gelegen boerderijen
Ad
Met maatregelen als ander voer; betere stallen met lagere emissiewaarden; stalsystemen met gescheiden opvang van poep en plas; en een meer emissiearm uitrijden van de mest over het land; moet je volgens Wageningen aan 220 Mol N(ha*y) kunnen komen. Maar daarvoor zijn wel soms paardenmiddelen nodig en/of middelen die duur zijn en/of middelen waarvan het effect nog niet zo duidelijk is. Bovendien is de stikstof niet het enige probleem. Er is ook nog zoiets als de Nitraatrichtlijn (voor het grondwater), de Kaderrichtlijn Water (voor grond- en oppervlaktewater) en het Klimaatakkoord. Het is nog niet meteen duidelijk wat maatregelen op het ene gebied doen op het andere gebied.
Dit wordt onderverdeeld in twee typen maatregelen: enerzijds de kringloopgedachte, anderzijds natuurinclusieve landbouw in zones rond Natura2000-gebieden. Bij de kringloopgedachte is de voornaamste variabele op welke schaal de kringloop zich afspeelt. Bij de studie naar de ‘Noordwest Europa-kringloop’ ben ik zelf betrokken geweest. Deze studie is voor Noord-Brabant uitgevoerd in de nasleep van de Ruwenbergconferentie (2013) over de veeteelt. De Brabantse Milieu Federatie (BMF) had mij gevraagd om mee te draaien in de klankbordgroep van deze operatie. Dat was een leerzame ervaring. Op deze site staat er een artikel over op drie zittingen over het sluiten van kringlopen op het niveau van NW Europa . Wat hier staat beschrijft de uitkomsten adequaat, mits men dit als een verkenning beschouwt en een flinke onzekerheidsmarge inbouwt. Wageningen leert dat alleen het sluiten van de kringlopen op nationale schaal voor het stikstofprobleem zoden aan de dijk zet. Dan moet je ook weer aan 220 Mol N(ha*y) kunnen komen. Ook bufferzones rond Natura2000-gebieden zijn een paardenmiddel. Als men aanneemt (onzeker) dat natuurinclusieve veeteelt de emissie relatief halveert, en als men kiest voor een buffer van 5 km breed rond Natura2000-gebieden, moet je ermee tot 200 MolN(ha*y) kunnen komen. Mogelijk vraagt dit om een verandering van het landbouwsysteem tot op EU-niveau.
Sommige, nabij een Natura2000-gebied gelegen, bedrijven veroorzaken op hun eentje deposities in de orde van grootte van 200 Mol N(ha*y) . Het emissiearm maken van dergelijke bedrijven, of het saneren ervan, kan dus lokaal veel verschil maken. Gemiddeld is het effect veel kleiner. Als er in het kader van het eerste opkoopprogramma van varkensbedrijven (dat op beperking van de geur gericht is) 10% van de varkensrechten wordt opgekocht, levert dat (Nederlands gemiddeld) 1 tot 5 Mol N/(ha*y) op, provinciaal gemiddeld tot 10 a 20Mol N(ha*y), en lokaal dus mogelijk meer.
Per saldo komen
Wageningen en WNF-NL tot de volgende conclusies en aanbevelingen:
En dit gaat
dan alleen nog maar over een beperkt probleem als de stikstofdepositie op
Natura2000-gebieden. Resteren overige milieu-, klimaat- en volksgezondheidsproblemen.
Het moet iets totaal anders in de landbouw en dat houden boeren niet tegen door met trekkers het Provinciehuis binnen te rijden. En het kabinet moet het eigen pappen en nathouden niet neerwaarts afschuiven naat de provincies. Ze moeten zelf flink zijn.
De SP in Provinciale Staten heeft een motie op gesteld, het handelsakkoord tussen de EU en Canada (en daarmee indirect ook tussen de EU en de VS). De motie is in de PS-vergadering van 08 november aangenomen. Over deze motie is een persbericht uitgebracht. Dat heb ik hieronder afgedrukt. Op het eind van dit bericht een link naar de tekst van de concept-motie.
Nog dit najaar besluit de Tweede Kamer of het akkoord gaat met het handelsverdrag tussen de Europese Unie en Canada, genaamd CETA. De SP heeft grote bezwaren tegen dit verdrag. Maarten Everling, fractievoorzitter van de SP in Brabant, zegt: “door dit verdrag komen allerlei regels rondom milieu, voedselveiligheid, klimaat en dierenwelzijn onder zware druk te staan, zowel hier als in Canada. Alles komt in dienst te staan van de vrijhandel.”
Volgens Everling gaan we dat ook zeker in Brabant merken:
“het gas in Waalwijk wordt bijvoorbeeld gewonnen door Vermilion, een Canadees
bedrijf. Mocht er besloten worden om ook in Waalwijk de gaskraan dicht te
draaien, dan kan het bedrijf een schadeclaim indienen. Dat is wat de SP betreft
echt de omgekeerde wereld.”
Maar ook op andere manieren kunnen we het in Brabant gaan
merken. Zo kopen Canadese investeerders bijvoorbeeld woningen op in Breda en
Eindhoven, om die vervolgens tegen de hoofdprijs te verhuren. “Wanneer
bijvoorbeeld gemeenten daar maatregelen tegen zouden willen nemen, kunnen ook
deze investeerders flinke claims neerleggen bij de gemeenten,” zegt de SP’er.
Daarnaast is het verdrag een bedreiging voor ondernemers en
boeren in Brabant. Everling: “ons voedsel moet voldoen aan de beste normen en
regels en wordt steeds duurzamer geproduceerd. Door het CETA-verdrag kunnen
bijvoorbeeld Canadese kiloknallers het in Brabant, of Nederland geproduceerd
voedsel uit de supermarkten verdringen. Met alle gevolgen van dien: minder
gezond eten, slechter voor het milieu, slechter voor dierenwelzijn en bovendien
ook slecht voor onze eigen boeren, zij worden uit onze supermarkten verdrongen,
buitengewoon onwenselijk.”
De SP neemt op de eerstvolgende vergadering van Provinciale
Staten het initiatief om – het liefst met meerdere partijen – de provincie bij
de Tweede Kamer aan te laten dringen om niet akkoord te gaan met het
CETA-verdrag. Everling: “CETA is niets minder dan een bedreiging voor Brabant,
dat moeten we niet willen.”
Raildempers zijn stalen blokken met kunststof, die met clips
aan de zijkant van een spoorstaaf worden aangebracht. Ze verlagen het geluid
van passerende treinen met gemiddeld drie decibel.
De plaatsing van de raildempers is onderdeel van de aanpak
Robuuste Brabantroute. Hierin werkt ProRail samen met de provincies
Noord-Brabant en Limburg, diverse gemeenten en het ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat aan een veilige, slimme en duurzame afwikkeling
van het spoorvervoer over de Brabantroute.
Los van de Robuuste Brabantroute plaatste Prorail ook raildempers in Haaren,
Oosterhout en Helmond, in opdracht van deze gemeenten. Prorail verkent
momenteel of ook in de gemeente Boxtel raildempers moeten worden aangelegd.
Door DGMR zijn meerdere voorlopige conclusies
getrokken, waaronder:
goederentreinen laten een zeer grote spreiding zien in geluidniveaus,
maar maken gemiddeld meer lawaai dan passagierstreinen (zie figuur).
De hoogste niveau’s tot 90 dB(A)
komen ook in de avond- en nachtperiode voor. In het normstelsel wordt voor
treinen geen rekening gehouden met maximale geluidniveaus, terwijl
hierdoor wel slaapverstoring mag worden verwacht. Vanuit het onderzoek is een
figuur opgenomen, waarin het aantal passages per dag en de gemeten
geluidniveaus te zien is.
“Rijden over een strak en vlak spoor met perfect ronde wielen zorgt voor de minste geluidsproductie en trillingen en bovendien voor de minste energieverspilling. Met goed onderhoud van spoor en materieel is dan ook al een groot deel van de hinder te voorkomen” vervolgt Van Leeuwen. De bron van trillingen en geluid ligt volgens Van Leeuwen altijd bij het wiel en de spoorstaaf “ Door ruwheid, oneffenheden, verkanting, vetergang en de aangroei van golfslijtage op de spoorstaaf kan de geluidsproductie met een of meerdere decibels per maand toenemen. Fundamenteel onderzoek naar de oorzaak van die snelle toename ontbreekt nog.” Van Leeuwen is er nog steeds trots op dat, mede door zijn toedoen, de Amsterdamse metro onder de Stopera kan doorrijden zonder dat iemand dat in de concertzaal merkt. In het artikel worden technische mogelijkheden genoemd om trillingen en geluid tegen te gaan.
Er wordt steeds vaker geklaagd over trillingen (door de grond
overgedragen lage frequentie-geluid). Er bestaat een Innovatieagenda Bronaanpak
Trillingen. (Zie ook https://shift2rail.org/
). Er wordt over allerlei technieken
nagedacht met exotische namen. Maar soms kan zelfs één flinke stenen
plaat in de grond al veel verschil maken (doorlinken vanuit het SPOORPO-artikel).
Een belangrijk onderdeel van de genoemde innovatieagenda is het in kaart
brengen van trillingen en het classificeren van de ernst er van. Op dit moment
is er geen overheidsbeleid dat voorschrijft welke mate van trillingshinder
acceptabel is voor omwonenden en wanneer ingrijpen nodig is. In opdracht van
het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ontwikkelde het RIVM daarom een
rekenmodel voor trillingen en volgt er volgend jaar een groot onderzoek naar
hinder door trillingen.
Daar is alle reden voor. Het kan flink schudden langs de
Brabantroute en de ook bewoners komen in beweging, zoals in Oisterwijk (onderstaande
foto komt van Oisterwijk Trilt). Movares plaatst meetapparatuur.
Oisterwijk Trilt _ Movares plaatst meetapparatuur
Vliegtuigen en treinen Vliegveldactiegroepen
stellen dat op korte trajecten het vliegtuig moet worden vervangen door de
trein. Dit vanwege het geluid, de toxische emissies en het klimaat. Daar hebben
ze gelijk in (op deze site staan veel artikelen over dit onderwerp).
Maar dit standpunt moet niet alleen neer komen op een verhaal
tegen vliegtuigen, maar ook op een verhaal voor treinen . En dan niet alleen een
financieel verhaal (het vliegtuig moet duurder en de trein goedkoper), maar ook
een technisch en een organisatorisch verhaal. Ook treinen veroorzaken overlast
en de organisatie zou veel beter kunnen.
De technische vernieuwing, die nagestreefd wordt op vliegtuiggebied, moet met een minstens zo grote inzet nagestreefd worden op treingebied.
De kapotte spoorbrug bij Leer (op de lijn Groningen-Bremen) is een voorbeeld (eigen foto).
Het Landelijk BurgerBeraad Luchtvaart (LBBL) is een landelijke koepel van een groot aantal luchtvaartorganisaties. Daaronder ook het Eindhovense BVM2 (dat is zelfs een van de oprichters).
Het LBBL organiseerde een Kennisdag op zaterdag 12 oktober in De Kargadoor in Utrecht.
Ik heb zelf in het aanlooptraject kritiek ingebracht, vooral op de meer technische zaken. Deze kritiek is gedeeltelijk verwerkt. Verder vind ik dat de natuurorganisaties een achterhaald standpunt hebben over biokerosine. Daardoor fulmineren ze tegen problemen die niet bestaan, en stellen ze over moderne ontwikkelingen (zoals bijv. de entree van Neste Oil op de biokerosinemarkt) niet de vragen die ze wel moeten stellen. Desalniettemin is het, al met al, een goede visie.
In het eerste deel van de middag waren er drie workshops:
over geluid en wat er wel en niet goed is aan de huidige regelgeving BVM2 – bestuurder Klaas Kopinga gaf een presentatie, waarna Wilfred Eleveld uit de gelederen van ORS Schiphol een brainstorm deed.
over toxische- en klimaat-emissies, met name in relatie tot brandstof. Die presentatie gaf ik zelf. De presentatie legde uit wat er uit de uitlaat van een straalmotor komt; wat daarvan toxisch is en wat daarvan een klimaateffect heeft; dat synthetische kerosine in sommige opzichten op beide vlakken een duidelijke verbetering is; dat zowel biokerosine als Power to Liquid-kerosine in 2030 samen de binnen de EU bestaande brandstofvraag lang niet aankunnen, en dat beide dus niet gehanteerd kunnen worden als argument voor groei. De presentatie eindigde met aanbevelingen.
over de depositie van stikstof door de luchtvaart, door Mira Smits van SAM BV uit Vessem en Johan Vollenbroek.
Dit is een kaart van de mondiale verdeling van roet ten gevolge van het vliegen
De presentatie van Kopinga is hier te vinden (volgt nog).
Gemeld kan nu al worden dat er op zaterdag 14 december en zondag 15 december een Protestival is nabij Schiphol.
In de aanloop naar deze datum zal er zo hier en daar van alles gebeuren. Daarover verschijnt later nieuws op deze website.
Ten name van Burgerberaad Luchtvaart
Voor de activiteiten van het LBBL is geld nodig. Uw gift wordt erg op prijs gesteld. Een geheel vrijwillig bedrag kan overgemaakt worden op de girorekening hiernaast.
Milieudefensie heeft als onderdeel van zijn verenigingsleven themadagen. Op 09 oktober 2019 ging het over biomassa – een omstreden onderwerp.
Uit het jaarverslag houtige biomassa van het Platform Bio Energie (PBE)
Marja Roos was als eerste spreker uitgenodigd en speelde, als activist tegen houtstook, een thuiswedstrijd in de met veel antibiomassa-activisten gevulde zaal. Ik speelde als wetenschappelijke scepticus een uitwedstrijd. Daniel had het echter in de leeuwenkuil zwaarder – men moet dingen niet overdrijven. Publiek wat prematuur begon te roepen werd het zwijgen opgelegd. Overigens kreeg ik in de wandelgangen ook de nodige prijzende opmerkingen.
Het verhaal van Marja Roos bevatte veel wetenschappelijke onjuistheden. Dat er geen korte koolstofkringloop bestond – wat onzin is, want een veld boerenkool heeft die al. De essentie van dit soort redeneringen (waar onlangs ook Louise Vet zich schuldig aan maakte) is dat men alleen de emissies meeneemt op het moment van verbranding, terwijl elke zichzelf respecterende wetenschapper emissies over de hele levenscyclus meeneemt. En van hout is die nul (zonder bewerking) en iets groter dan nul (met bewerking). Je komt dan op discussies dat een boom individuele CO2-moleculen moet herkennen (namelijk of ze wel of niet eerder in een boom gezeten hebben – dat kan niet en hoeft dus niet) , en dat biobrandstof uit dezelfde elementen bestond als fossiele brandstof (allicht, want anders zou het niet branden).
Uit het Jaarverslag 2018 Houtige biomassa van het Platform Bio Energie (PBE)
Mijn verhaal (en dan ook meteen maar de RED II – richtlijn) is te vinden op
Ik sta minder emotioneel en veel zakelijker in deze materie en laat graag de cijfers spreken. Regelmatige lezers van deze rubriek zullen de meeste plaatjes in mijn presentatie al gezien hebben, maar toch nog twee om aan te tonen dat het niet eens vanuit economisch standpunt logisch is om bomen te kappen, alleen voor brandhout – dat brengt minder op. Daarom streven bosexploitanten altijd naar een mix aan doelen.
Bestemming van gekapte bomen bij Staatsbosbeheer
Ik beveel mijn aanbevelingen gaarne ter lezing aan.
Wat observaties.
Mensen stellen dat houtkachels niet deugen. Minstens in stedelijk gebied ben ik het daarmee eens. Maar het gaat niet aan om vervolgens simpele huishoudelijke inrichtingen te identificeren met professionele inrichtingen met een goede rookgasreiniging en adequaat personeel. Desalniettemin ontwijkt ook uit professionele inrichtingen er altijd enig (ultra)fijn stof. RVO heeft er een publicatie over op https://www.rvo.nl/sites/default/files/2018/09/Kennisdocument%20houtstook%2020180910definitief.pdf . Verder www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/609300027.pdf . Dit is een reëel argument.
Het Activiteitenbesluit (par. 3.2.1) stelt normen (https://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/2019-10-01 ). Voor biomassaketels boven de 5MW thermisch is dat een uitstroom van 5mg stof per Nm3, voor kleinere ketels is dat 20 of 40 mg per NM3. RVO noemt een cycloon, een elektrostaatfilter en eventueel een doekfilter om de emissies terug te dringen. Dit desgewenst in combinatie. Het effect van de emissie op de concentratie (RVO, blz 101) is vanaf 25m afstand verhoudingsgewijs gering.
Men zou denken dat in nieuwbouwsituaties (en ook in bestaande inrichtingen) aangescherpte regelgeving mogelijk en nodig is.
Verder: de diverse crises conflicteren soms. Er bestaat geen ideale oplossing met alleen maar voordelen en geen nadelen.
Sommige emotionele reacties worden gevoed door conflicten tussen omwonenden en terreinbeherende instellingen over het kap- en natuurbeleid (bijv. omvorming van bos naar hei). Dit valt alleen op locatie te beoordelen en daarom hou ik me erbuiten, behalve als ik de locaties ken (zoals het Leenderbos). Vervolgens worden er bomen weggesleept en wordt die bomenoogst als bedoeling gezien, terwijl het in feite collateral damage is.
Ik zie weinig verschil tussen de acties die in den lande gevoerd worden om de invoering van windturbines tegen te gaan, om zonneparken tegen te gaan en om biomassacentrales tegen te gaan. Men probeert in alle gevallen om op basis van individueel gevoeld ongemak de invoering van een duurzame energie-vorm tegen te werken. Ik ga daar niet meedoen.
Artikel 29 lid 6 van de Europese RED II – richtlijn
We waren het over een paar dingen eens. – dat houtstook in particuliere woningen in stedelijk gebied niet moet – dat de klimaatcrisis bestreden moet worden – dat er meer bos moet komen, bijv. het Actieplan Bos en Hout – dat het onjuist is om de brede categorie ‘biomassa’ aan te vallen, als je in feite alleen maar bezwaar hebt tegen het onderdeel Hout ervan (er was bijvoorbeeld geen rancune tegen vergisting).
De aanleiding De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft in 2018 zorgen geuit over de bronnen, die gebruikt worden voor de bereiding van drinkwater (dus niet over het drinkwater zelf). De VEWIN (VEreniging van Waterleidingbedrijven In Nederland) vroeg KWR Water om steun. KWR Water is als het ware het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven. Het is een zelfstandige onderneming, waarvan de waterleidingbedrijven aandeelhouder zijn. Zie www.kwrwater.nl .
Op
themabasis is al veel bekend over
diverse bedreigingen (dus bodemverontreiniging of medicijnresten). De behoefte
was om alle bestaande kennis bijeen te zetten vanuit het centrale perspectief
van de drinkwatervoorziening. Dat werd het rapport “De kwaliteit van bronnen
van drinkwater in Nederland” (augustus 2019).
Zoals de
naam zegt, gaat de studie alleen over de kwaliteit van het water en niet over
de kwantiteit. Daaraan zijn ook interessante vragen verbonden, maar dat is voor
een andere gelegenheid.
De
algemene boodschap is dat het drinkwater goed is, maar dat om diverse redenen
de kwaliteit van het ‘ruwe’ water dat als bron gebruikt wordt verslechtert, en
dat het daarom steeds moeilijker (en duurder) wordt om goed drinkwater te
maken.
Ongeveer
40% van het Nederlandse kraanwater (500 miljoen m3/jaar komt uit oppervlaktewater, ongeveer 55%
uit grondwater, en ongeveer 5% uit oevergrondwater. Die percentages lopen per
provincie sterk uiteen.
Vanwege de focus van deze site behandel ik vooral de situatie in Brabant. Jaarlijks voorziet Brabant Water zo’n 2,4 miljoen inwoners en bedrijven van 190 miljoen m3 water. Dat komt allemaal uit de grond. Tot nu toe kan het grondwater met betrekkelijk weinig zuivering tot kraanwater worden omgebouwd. Veiligheidshalve worden daarom aan grondwater vóór zuivering (‘ruw water’) dezelfde concentratiegrenzen geëist als aan drinkwater na zuivering (‘rein water’). Het ideaalbeeld is dat er überhaupt geen zuivering nodig zou moeten zijn. Alleen t.b.v. industriepark Moerdijk wordt er water geproduceerd uit een oppervlaktewaterinlaatpunt in De Biesbosch.
Er is ook een inlaatpunt van oppervlaktewater op de Afgedamde Maas, op de grens van Brabant en Gelderland, bij Poederoyen, maar dat exporteert zijn water naar waterbedrijf Dunea. Zie www.bjmgerard.nl/?p=2781 . Dit telt voor Brabant niet mee. Dit inlaatpunt lag er begin 2017 bijna drie maand uit omdat er het bestrijdingsmiddel dimethoaat uit de Gelderse tuinbouw in de Afgedamde Maas gelopen was. Het illustreert het probleem.
Waterwingebieden zijn zwaar beschermd. Er mag niets wat gevaar oplevert (bijv. bestrijdingsmiddelen). Daarom heen liggen grondwaterbeschermingsgebieden waar een iets soepeler regime geldt, en gebieden waar niet geboord mag worden. www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/thema-s/grondwater/achtergrond/ geeft meer informatie over wat er wel en niet mag. Via deze site is onderstaande Brabantse drinkwaterkaart te vinden.
De drinkwaterkaart van de provincie Noord-Brabant
Behandeld
wordt de invloed van de thema’s:
Nitraat
Bestrijdingsmiddelen
Verzilting
(voor Brabant nauwelijks relevant, dus weggelaten)
Bodemverontreiniging
Medicijnresten
Opkomende
stoffen
Overige
nieuwe bedreigingen
Nitraat Er zijn veel nitraatbronnen, waarvan in Brabant de landbouw de belangrijkste binnenlandse producent is. Voor zover mest de oorzaak is, komt het fosfaat vooral in het oppervlaktewater terecht en het nitraat in het grondwater. Bij de bereiding van drinkwater is fosfaat relatief eenvoudig te verwijderen. Hierboven de nitraatconcentraties in grondwater door de jaren heen. Voor Brabant zijn relevant de zandlijn en de kleilijn. Het beleid heeft geresulteerd in een daling tot 2012, waarna weer een lichte stijging optrad. De lijn van 50mg/liter is de norm.
De grafiek
is gemiddeld, hetgeen betekent dat er onvermijdelijk een aantal putten boven de
norm zitten. Beperkt men zich daarbij tot kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden,
dan geeft dat dit beeld:
Als er
pyriet in de grond zit, kan teveel nitraat ook leiden tot teveel nikkel en
sulfaat en te hard water. Dit is al eens gemeten. Er kunnen ook andere zware
metalen vrijkomen, maar die zijn minder mobiel in de grond en tonen zich nu nog
niet zichtbaar in het grondwater.
In 2017 zijn
er bestuurlijke afspraken gemaakt om in het nu lopende Zesde Actieprogramma
Nitraatrichtlijn de 34 meest kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden onder de
norm te krijgen.
Bestrijdingsmiddelen Als maatlat worden zowel voor grondwater als voor oppervlaktewater gehanteerd de signaleringswaarden uit het Protocol voor monitoring en toetsing van drinkwaterbronnen = de normen van het Drinkwaterbesluit = idem van de Grondwaterrichtlijn. Te weten:
Werkzame
stoffen van bestrijdingsmiddelen mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter (bijvoorbeeld glyfosaat)
Hun
afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend giftig voor
mensen, mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter
Hun
afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend niet (erg)
giftig voor mensen, mogen aanwezig zijn < 1 µgr/liter (bijvoorbeeld de metaboliet
AMPA van glyfosaat)
De
som van alle werkzame stoffen van bestrijdingsmiddelen (voor zover
detecteerbaar) mogen aanwezig zijn < 0.5 µgr/liter
Uit werk van
Van Loon (2019) blijkt dat over de periode 2010-2014 in 77 van de 99 freatische
grondwateronttrekkingsputten minstens één maal sporen van
bestrijdingsmiddelen of hun metaboliet te vinden was (‘freatisch’ betekent dat
de grondlaag niet afgedekt is met een beschermende kleilaag). De helft daarvan
zat boven de signaleringswaarde.
Ook in winputten die onder een beschermende kleilaag actief zijn, worden in 19%
van de gevallen dezelfde sporen aangetroffen (waarvan de helft boven de
signaleringswaarde.
Dit is dus in de putten. In
waarnemingsputten nabij de onttrekkingsputten is een vergelijkbaar beeld
te vinden.
De putten van het provinciale meetnet ondersteunen dit beeld.
Oppervlaktewatermetingen geven een vergelijkbaar
beeld als bij grondwater.
In 2018 vonden Bannink en Van der Ploeg dat 14 bestrijdingsmiddelen, biociden
of hun afbraakproducten in de Maas boven de streefwaarde van 0.1 µgr/liter uitkwamen.
Het
onderzoek van Van Loon (2019) komt op onderstaande figuur uit.
Voor het oppervlaktewater, bestemd voor drinkwater, is in de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming (2013-20230) afgesproken dat het aantal overschrijdingen in 2018 50% lager is dan het aantal in 2013, en idem in 2023 95% lager. Het PBL heeft dit geëvalueerd. Er is het een en ander verbeterd, maar de telers blijven evenveel chemische middelen gebruiken. Het tussendoel-2018 is allesbehalve gehaald: gemiddeld 25,7 overtredingen over 2011-2013 en 28,7 over 2015-2017 .
Voor het grondwater
bevat genoemde Nota geen aanbeveling, behalve een algemeen beroep op de
Kaderrichtlijn Water. Verder ziet men hier vooral een taak voor de provincies.
Het PBL noemt de Green Deals Recreatie, Sportvelden en Particulier tot nu toe
weinig effectief.
De minister
van LNV heeft de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 naar de Tweede Kamer
gestuurd. De emissies zouden tot nul moeten verminderen in 2030. Het
bijbehorende Uitvoeringsprogramma moet nog geschreven worden.
Bodemverontreiniging Het meest recente onderzoek, dat van Wuiijts (2014) laat zien dat van 215 winningen nabij ‘oude’ bodemvervuiling er 72 stoffen bevatten die boven ofwel niet ver onder de drinkwaternorm zitten. Van die 72 zijn er 57 grondwaterbronnen en van die 57 zitten er 31 boven de drinkwaternorm. RIVM en KWR zoeken uit of die vervuiling door de plastic wand van waterleidingbuizen heen kunnen dringen.
Het huidige Bodemconvenant loopt in 2020 af. Van de 1383 spoedlocaties waren er inmiddels 473 gesaneerd, 700 in uitvoering, 26 met een uitvoeringsplan na 2020 en 184 zonder uitvoeringsplan na 2020. Bovendien leiden sommige saneringen tot eeuwigdurende verplichtingen. Er is dus na 2020 nog veel te doen. De drinkwaterbedrijven zijn bang dat straks alleen de bodemvervuiling van vóór 1987 onder het overgangsrecht na 2020 van de Omgevingswet gaan vallen, en dat alle andere voor rekening van de veroorzaker komen – welke rekening niet altijd betaald wordt. Daarnaast ontstaan er nieuwe verontreinigingen, zoals met PFAS. De drinkwaterbedrijven willen niet in de steek gelaten worden.
Medicijnresten Naar schatting komen er in Nederland 140 ton voor mensen bestemde medicijnen en voor 30 ton aan Röntgencontrastmiddelen via het riool in het oppervlaktewater. Een onbekende hoeveelheid komt via lekkende riolen, afvalstorten en infiltrerend oppervlakteater in het grondwater terecht. Ter Laak et al. (2010) schatten in dat 70% van de gecomsumeerde medicijnen in het milieu terecht komt, waaronder het grond- en oppervlaktewater. Een onbekende hoeveelheid geneesmiddelen voor dieren komt in de grond terecht, o.a. via de mest. Een deel van die onbekende hoeveelheid bestaat uit 200 tot 225 ton antibiotica. Lang niet alle actieve stoffen worden onderzocht. Metabolieten van medicijnen nog minder. Zie www.drinkwaterplatform.nl/medicijnresten-in-water/ .
Het RIVM hanteert een signaleringswaarde (geen wettelijke norm) van 0.1 µgr/liter .
Onderzoekers vinden inderdaad medicijnresten in grond- en oppervlaktewater. In de Maas overschreden in 2017 24 medicijnresten en één dier-antibioticum de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter.
Bij een
meting in het grondwater op 101 soort medicijnresten kwam er in 5% van de
meetmonsters uit provinciale meetputten boven de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter uit. Het gaat met name om fenazon (een pijnstiller
en koortsverlager) en carbamazepine (een anti-epilepticum). ER wordt
aangetekend dat in nogal wat situaties een stof niet in concentraties van 0.1 µgr/liter te meten viel.
Het gebruik
van dier-antibiotica is ca 60% teruggedrongen, het gebruik van humane
antibiotica in mindere mate. Dokters zijn hier al terughoudend mee.
Onder regie
van I&W loopt de Ketenaanpak Medicijnresten uit Water over 2018-2022.
Opkomende stoffen Dat zijn in deze studie stoffen waarover nog te weinig bekend is, en dus nog geen normen bestaan. Dat zijn er heel veel, maar de nadruk wordt gelegd op stoffen die in een industrieel product zitten, of in een industrieel productieproces. Voorbeelden zijn Pyrazool in de Maas, ontsnapt bij Sitech op Chemelot (een tijd lang een groot probleem voor de drinkwaterinlaat) en PFOA (in de volksmond bekend als GenX, maar dat is een fabricagemethode en geen stof). PFOA is een voorbeeld van de familie van de PerFluorAlkylStoffen, die momenteel de bodemsanering in Nederland bijna volledig blokkeren, en die ook in lage doses in Helmond voor problemen gezorgd heeft. Zie www.rivm.nl/genx . Verder bestaan er veel stoffen die pas recent meetbaar zijn geworden, en waarvoor dus nog geen individuele norm is ook al bestaat er voor andere stoffen uit hun groep de waarde 0.1 µgr/liter .
Zowel in de
Maas als in het grondwater worden (soms als verrassing) van dit soort stoffen
aangetroffen, soms in de (van elders geleende) concentratie 0.1 µgr/liter . Gegevens van de EU-databank REACH geven wel wat
aanknopingspunten om het gedrag van opkomende stoffen te beoordelen, maar niet
altijd genoeg.
Geschat wordt dat er ongeveer 1600 ton industriele stoffen
het water ingaat.
In de Delta-aanpak Waterkwaliteit is afgesproken de categorie
‘opkomende stoffen’ georganiseerd aan te pakken met middelen als monitoring,
risico-analyses en bronaanpak.
Overige nieuwe bedreigingen Waar de vorige
categorie ongeveer op de grens zit met de wetgeving, zit de categorie “overige
nieuwe bedreigingen” nog een eind van de wetgeving af. Ze zitten niet in
wettelijke kaders en er is geen reguliere monitoring. Het gaat om stoffen en
processen.
Wagner et al_Microplastics in freshwater ecosystems op Wikipedia. Microplastics in sediments from the rivers Elbe (A), Mosel (B), Neckar (C), and Rhine (D). Note the diverse shapes (filaments, fragments, and spheres) and that not all items are microplastics (e.g., aluminum foil (C) and glass spheres and sand (D), white arrowheads). The white bars represent 1 mm.
In het oppervlaktewater wordt aandacht besteed aan
microplastics, nanomaterialen en microbiële resistentie.
Er wordt veel onderzoek gedaan aan microplastics. Hoeveel is het? Waar komt het vandaan? Hoe gevaarlijk is het? Wat kun je er tegen doen? Vooruitlopend op afgeronde risico-analyses wil de Europese Commissie als preventie een circulaire kunststoffenstrategie (geen plastic tassen en wattenstaafjes meer).
Nanodeeltjes (eigenlijk een synoniem voor UltraFijn stof) worden nog in lage concentraties in het milieu aangetroffen, mede omdat afval-waterzuiveringen er goed mee overweg kunnen. Maar er is veel onbekend, o.a. omdat nanodeeltjes van een materiaal anders kunnen reageren dan hetzelfde materiaal in bulkvorm. Onlangs heeft de Europese Commissie de REACH-richtlijn uitgebreid met nanodeeltjes, maar het kan nog jaren duren voor er voldoende bekend is.
In mest en in bijna alle uitstroom van
rioolwaterzuiveringsinstallaties zitten tussen de antibioticaresten ook “Bijzonder
resistente Micro-Organismen”. De risico’s voor de drinkwatervoorziening worden onderzocht.
In het grondwater wordt aandacht besteed aan gedumpt
drugsafval en ondergrondse mijnbouw en warmte-opslag.
Per kg amfetamine en MDMA komt 20 resp. 7 kg afval vrij. Tops et al. (2018) schatten de productie in Nederland op 610 ton amfetamine en 153 ton MDMA. Dus. Het afval komt ongecontroleerd in het milieu terecht (en de drugs zelf uiteindelijk ook via de riolering) . Het effect op de drinkwatervoorziening is nog een groot vraagteken.
In hoofdlijnen leiden de warmteopslag en de mijnbouw (naar
boven en naar beneden) tot twee soorten risico voor de drinkwatervoorziening.
Er
worden ondoordringbare lagen doorboord die waterpakketten van elkaar scheiden. Vervuiling
kan zich naar diepere lagen verspreiden of zelfs worden aangezogen.
Er
kunnen lekkages optreden, bijvoorbeeld uit WKO-systemen of geothermiebassins. Het
hangt er sterk van af hoe die vormgegeven zijn: bijv. of het WKO-systeem open of
gesloten is (en blijft!). In Brabant bijvoorbeeld liggen al honderden open en
duizenden gesloten WKO-systemen en de registratie waar die liggen laat veel te
wensen over. De SP heeft er in de provincie vragen over gesteld, zie www.bjmgerard.nl/?p=7871 .
De waterleidingbedrijven zijn een beetje zenuwachtig en hun reservelocaties worden minder. Aan de andere kant zit Brabant Water zelf ook in de geothermie. Het is een spanningsveld waar nog veel aandacht moet worden gegeven.
Warmte Koude Opslag (Mark Johnson op Wikipedia)
De reactie van opdrachtgever VEWIN De VEWIN heeft het rapport aan de minister van I&W overhandigd. Dat leidt tot de volgende, bestuurlijk geformuleerde, aanbevelingen:
De
doelen van de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) moeten in 2027 gehaald zijn,
maar dat gaat vooralsnog niet lukken. De resterende taak moet worden neergelegd
in de Stroomgebiedbeheerplannen , die elke zes jaar moeten worden vastgesteld
(dus eind 2020). Zo ook het Nationale Waterplan. De VEWIN wil prioriteit voor
de verbetering van de kwaliteit van drinkwaterbronnen, omdat die onder druk
staat.
De
VEWIN verwacht dat de doelen van de KRW in 2027 niet gehaald worden en wil
verlenging van de plancyclus (waarbij die verlenging niet als smoes gebruikt wordt
om door te schuiven). De KRW moet versterkt worden.
De
VEWIN benadrukt de urgentie van de opgave om de kwaliteit van de
drinkwaterbronnen te verbeteren en wel sneller dan nu gebeurt. Dat is
topprioriteit. De VEWIN wil weten waar de minister eind 2019 concreet op inzet.
Het LBBL (Landelijk Burgerberaad Luchtvaart) heeft onderstaand persbericht uitgebracht. Het LBBL is de koepel vna organisaties van omwonenden rond vliegvelden – mijn organisatie BVM2 is een van de oprichters). Toevallig stond op de dag dat dit bericht de deur uit ging, dat belangrijke Nederlandse kenniscentra al noodscenario’s opstellen voor het geval de zeespiegel in een niet nader aangeduide toekomst 2 tot 4m stijgt. De samenloop in de tijd was toeval, maar het tekent het probleem.
Ik neem dit persbericht van het LBBL over.
Het LBBL
zegt: a little less conversation, a little more action please
Amsterdam, 1
oktober 2019 – Op woensdag 2 oktober is er in Den Haag, op voorstel van een
aantal leden van de Tweede Kamer, een rondetafelgesprek over de mogelijkheden
voor een luchthaven op zee. “Best interessant”, zegt het LBBL
(Landelijk Burgerberaad Luchtvaart), “maar wat de regering vooral zou
moeten doen is rigoureuze maatregelen nemen tegen de groei van luchtvaart – en
wel ogenblikkelijk.”
Meerdere nieuwe
rapporten geven daar volgens het LBBL alle aanleiding toe. Zo beschrijft “Changing
climate both increases and decreases European river floods” (Nature,
573, pages 108-111) hoe toenemende regenval in de herfst en winter nu al leidt
tot vaker overstromende rivieren in Noordwest-Europa en dat dit goed te
verklaren is met de bestaande klimaatmodellen.
Dan is er ook het recente IPCC-rapport over
de oceanen en de cryosfeer, dat, naast allerlei ander leed, ook de te
verwachten zeespiegelstijging bespreekt. Bij ongewijzigd beleid zal de
zeespiegel waarschijnlijk met 60 tot 110 cm gaan stijgen. Het IPCC schenkt,
meer dan voorheen, ook aandacht aan meer extreme uitkomsten zoals een denkbare
stijging van 200 cm. Ook heftige stormen op zee zullen steeds vaker voorkomen
en onze rivieren zullen aan-merkelijk forsere hoeveelheden neerslag te
verwerken krijgen.
En tot slot het Remkes-rapport. Dit maakt
duidelijk dat drastische maatregelen nodig zijn om de stikstofdepositie op
Natura2000-gebieden terug te dringen tot wettelijk toegestane niveaus. Eén van
die maatregelen is het terug-dringen van de verbranding van fossiele
brandstoffen bij hoge temperatuur.
De drie rapporten
wijzen eenzelfde kant op: de noodzaak om het gebruik van fossiele brandstoffen
sterk te verminderen – zeker in de luchtvaart. Waarom? Omdat een hogere
zeespiegel en almaar toenemende hoeveelheden neerslag die onze rivieren overbelasten
het risico vergroten dat steeds grotere delen van Nederland simpelweg zullen
overstromen.
Schiphol en de andere luchthavens Het moge in eerste instantie ironisch lijken: een onderneming als de Schiphol Group kiest voor verdere groei, waarmee ze in steeds grotere mate bijdraagt aan het risico dat op termijn haar eigen bedrijfscomplexen onder water staan. Wij verwachten van Schiphol dat ze ‘de knop omzet’ en net als andere sectoren een strategie ontwikkelen gericht op maximale vermindering van broeikasgasemissies. Een stuk minder ironisch is dat heel Nederland de dupe wordt als het echt tot extreem weer, flinke zeespiegelstijging en andere klimaatellende komt.
Natuurlijk mogen
burgers en organisaties vragen onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een
luchthaven in zee. Maar de regering zou nu in de eerste plaats haar
verantwoordelijkheid moeten nemen in het waarborgen van een veilige
leefomgeving.
De signalen zijn
overduidelijk, we ontkomen niet aan een snelle en zeer sterke vermindering van
CO2-emssies. Het Parijse Klimaatakkoord, waar Nederland zich in 2015 bij
aansloot, legt vast dat de CO2-emssies in 2050 nihil moet zijn. Luchtvaart kan
zich daar niet aan onttrekken. Schrap om te beginnen Lelystad Airport.
De Herziening van het Nederlandse luchtruim is in procedure gegaan.
Deze Herziening is vooral aan de orde geweest vanwege Lelystad, maar heeft zijn effecten ook elders in het land, waaronder in Zuid-oost Nederland. De herziening gaat over zowel het civiele als het militaire verkeer.
Op dit moment (tot en met 07 oktober) staat de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) open voor zienswijzen.
Deze Notitie heeft nog een hoog abstractieniveau. Hij geeft alleen zaken als de doelen en de toetsingscriteria voor de nieuwe indeling. Wie dus vindt dat de vliegtuigen een ruimere bocht rond Son moeten nemen of bij Kleine Brogel rechtdoor, kan dat nu niet vinden. Wat er in dit verband wel staat is dat het belang van bewoners op de grond een toetsingsfactor is. De NRD is de eerste stap tot een Plan-MER en daar wordt het concreter. De notitie is te vinden op www.platformparticipatie.nl/projectenlijst/programma-luchtruimherziening/index.aspx . Men komt dan op een pagina met informatie. Onder de TAB ‘Voornemen’ staat een tweede pagina, met een link naar de tekst van het document en naar de locatie om in te spreken (www.platformparticipatie.nl/projectenlijst/programma-luchtruimherziening/voornemen/ )
Bernard Gerard heeft voor zichzelf, en voor BVM2, een zienswijze ingediend die op twee aspecten ingaat. Hieronder staat hij.
Zienswijze van Bernard J.M. Gerard secretaris Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2)
Het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2) is een platform met 32 aangesloten organisaties (milieugroepen, politieke partijen, dorps- en wijkraden, enz), en ca 2000 rechtstreeks aangesloten individuele ondersteuners.
Ik wil, als persoon en namens BVM2, de volgende twee zaken inbrengen:
— Om aan de eisen van het Klimaatakkoord van Parijs te kunnen voldoen, kan de luchtvaart, ondanks diverse (beweerde) technische verbeteringen niet verder groeien. Mogelijk moet ze zelfs krimpen. Ik vind het dan ook niet nodig dat (zoals onder de Doelen, hfdst 1.2, blz 9 en ook elders), dat gestreefd wordt naar een grotere capaciteit van het luchtruim. Door niet te streven naar uitbreiding van de capaciteit, ontstaat extra beleidsruimte om andere gewenste doelen beter te kunnen realiseren.
— Onder de Toetsingscriteria in hfdst 3.1, blz 28 en 29, wordt het klimaat slechts ingevoerd via de CO2-emissies (zie de tabel op blz 29). De uitlaatgassen van vliegtuigen op kruishoogte (10 a 11km) leiden echter tot een extra klimaateffect, de “niet-CO2 – effecten”. Deze leiden tot een rechtstreeks beïnvloeding van de stralingsbalans van de aarde door aerosolen, tot indirecte beïnvloeding door chemische reacties met reeds in de atmosfeer aanwezige gassen, en tot de vorming van contrailstrepen en cirrusbewolking. Met name deze contrails en cirruswolken hebben een sterk opwarmend effect. Verder beïnvloeden deze wolkvormen de beleving van de mensen aan het aardoppervlak van een blauwe hemel. De wetenschappelijke literatuur wijst uit, dat het opwarmend effect van deze niet-CO2 – effecten in dezelfde orde van grootte is, of mogelijk groter, dan de opwarming die op gangbare wijze berekend wordt met alleen CO2. Ik verzoek u om genoemde niet-CO2 – effecten mee te nemen als toetsingscriterium in de Plan-MER.