Nut en risico’s van covergisting

Staatssecretaris Sharon Dijksma heeft een evaluatie laten opstellen over het vergisten van mest onder gebruikmaking van toegevoegd materiaal (covergisting). Dit werkstuk, met de hierboven vermelde titel, heeft ze op 17april 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd (zie –> nut-en-risico-s-van-covergisting_2015_kamerbrief de aanbiedingsbrief). De tekst is opgesteld door topmensen uit Wageningen, in afstemming met een projectgroep met daarin relevante overheidsinstanties. Het rapport is uiterst relevant voor Brabant. Voor het rapport zie https://www.wur.nl/upload_mm/4/f/0/6362e129-dc40-4c31-b6a9-0da3dd920a28_339376.pdf .

Een samenvatting met toegevoegd commentaar mijnerzijds.
mestvergister-r

Er zijn in Brabant veel te veel dieren….
De veeteelt in het algemeen en de mestproductie in het bijzonder roepen in Brabant emoties op. Deze grote emoties gaan niet altijd gepaard aan een even grote kennis. Voor die kennis komt bovengenoemd rapport goed van pas.

De veeteelt in Brabant is volledig uit zijn krachten gegroeid en dat bedreigt de leefbaarheid van het platteland en de gezondheid van omwonenden. Bovendien is een dergelijke landbouw niet mogelijk op basis van gesloten kringlopen. Ik zie de emoties, die de Brabantse landbouw oproept, als een positieve kracht richting verandering.
Het aantal dieren moet fors omlaag. Ik hou me vooralsnog aan de vuistregel van SP-Tweede Kamerlid Eric Smaling ‘een volledig grondgebonden rundveehouderij en een kwart minder varkens’.

… maar dat heeft niets met mestbewerking te maken
Ik vind de emoties rond de bewerking van mest eerder een negatieve kracht.

De veeteelt in Europa wordt niet door de totale hoeveelheid mest ingeperkt, maar door twee bestanddelen daarvan, nitraat en met name fosfaat. Geen enkele vorm van mestbewerking haalt fosfor uit de mest en stikstof meestal ook niet. Het enige dat mestbewerking doet (welke dan ook) is dezelfde hoeveelheden stikstof en de fosfor chemisch en natuurkundig anders verpakken.
Alleen een maatregel die stikstof en fosfor uit het Brabantse systeem haalt, leidt (vanuit het perspectief van een boer) tot een “oplossing”. Export zou zo’n “oplossing” zijn. In essentie betekent dat dat de one way-transportband van Argentinië en Brazilië naar Brabant een verlengstuk krijgt naar Groningen, Noord-Frankrijk of Duitsland. Ik ben tegen een dergelijke oplossing omdat die de kringlopen niet sluit, maar verlengt. Het maakt echter voor de discussie “wel of niet vergisten” niet uit want ook niet-vergiste mest kan geëxporteerd worden. De export hangt (als aan zekere kwaliteitseisen voldaan wordt) niet af van de chemische of natuurkundige verpakking.
Ik heb overigens geen zicht op de (mogelijke) getallen van de export.

Covergisting kan bijdragen aan duurzame energie
Mestvergisting met hulpstoffen kan wel gunstig werken op twee samenhangende andere problemen, nl broeikasgassen en duurzame energie. Hier geeft het rapport goede informatie.
duurzame energie in 2012

In 2012 werd er uit covergisting-biogas 4,15PJ opgewekt (1PJ=1000TJ). Dat was op een totaal van 97,8PJ aan duurzame energie. Het binnenlands verbruik was in dat jaar 3255PJ, waarvan na aftrek van omzettingsverliezen en in chemicalien opgeslagen energie ca 2820PJ netto overbleef.
Het getal 4,15PJ is op basis van 8 miljoen van de 403 miljoen kg in de stal uitgescheiden mest (kg betekent kg P2O5). Op papier zou de energieproductie uit mest dus ongeveer 50 maal zo hoog kunnen zijn, dus grofweg (op nationale schaal) 200PJ. Dat zal in praktijk bij lange na niet gehaald worden, maar covergisting kan toch wel flink aantikken. Stel voor het gemak 60% van het huidige aantal dieren en stel dat van de mest van die dieren de helft vergist zou worden en stel dat je daarvoor genoeg covergistingsmateriaal had, dan zou dat 60PJ per jaar leveren. Dat is meer dan de jaaropbrengst van de drie geplande windparken op zee.
Hier staat erg vaak ‘stel’. Een belangrijke beperking is de beschikbaarheid van voldoende covergistingsmateriaal. Daar raakt deze discussie verweven met de algemene afval- en biomassa-discussie. Biomassa is tamelijk schaars en al gauw duur. Ook afval kan soms ver-
werkt worden (waarmee een negatieve waarde positief kan worden), maar daaraan zitten haken en ogen.

Let wel: ik pleit er niet voor pleit om dieren te gaan fokken om mest te gaan maken om biogas te maken. Die route is verschrikkelijk inefficiënt – dan kun je beter van het veevoer rechtstreeks biogas maken. Het gaat me om de energie, die in de reeds aanwezige mest zit.

Covergisting kan bijdragen aan het klimaat
Het rapport zegt dat in 2012 covergisting 0,21% in mindering bracht van de Nederlandse CO2 – equivalenten. Dat is op dezelfde 8 miljoen kilo mest van de 403 miljoen gebaseerd. Naast het CO2-gevolg van het
duurzame energie-verhaal brengt mestvergisting zeer veel minder methaan in de atmosfeer en ongeveer evenveel of iets meer lachgas – beide krachtige broeikasgassen.

Een nog onvolwassen techniek en handhaving
Uit het rapport rijst het beeld op van een nog jonge techniek, armlastig, fraudegevoelig, met soms slecht geschoolde bedieners, onvoldoende technische voorschriften (bijvoorbeeld een verplichte af-fakkel) en een tekortschietende handhaving. Maar sommige van de 102 mest-covergisters in Nederland doen het wel goed.
Als de sector zich verder wil ontwikkelen, moet er dus het nodige gebeuren. Het rapport geeft hiertoe een flink aantal conclusies en aanbevelingen.

Goed geëxploiteerde mestvergisters zijn niet vreselijk gevaarlijk. De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering noemt als gevaar-afstand 30 m (ter vergelijking: voor een klein LPG-station is dat 50 m). Dit in de VNG-editie 2009, toen de vergisters nog niet zo groot waren. Mogelijk is het nu iets meer. Een BEVI-achtige simulatie kwam op 50m.
De Raad van State trekt 500 m als grens van de belanghebbendheid.
Hele grote vergisters vallen vanwege het explosiegevaar onder het BRZO (Besluit Rampen en Zware Ongevallen). Ik heb zelf al eens gesuggereerd om de middelgrote vergisters tot categorie in het BEVI te maken (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen).
De giftigheid van CO2 en H2S gelden vooral de exploitant en horen eerder onder de ARBO-wet thuis.
De microbiële gevaren van vergiste mest zijn gelijk of kleiner dan die van onbehandelde mest.

Het enige bekende dodelijke arbeidsongeval is dat in 2011 iemand door het rotte dak van een vergister is gezakt. Verder hebben mensen substantiële hinder (maar geen gevaar) ondervonden van storingen bij een slecht geëxploiteerde vergister in Coevorden.
Incidenten met dodelijke afloop, zoals in Makkinga of bij Reiling, vinden plaats met onbewerkte mest of slib. Die is een stuk gevaarlijker dan vergiste mest.

Nauwelijks of geen gevolg voor de bodem
Het rapport zegt dat mestvergisting op de langere termijn niet veel effecten op het organisch stofgehalte van de bodem heeft. De vergister breekt vooral het makkelijke organische materiaal af, maar dat doet de bodem in korte tijd ook met onbewerkte mest. Lignine bijvoorbeeld wordt in de vergister niet afgebroken en in de bodem langzaam.

Ruimtelijke ordening – aspecten
Het rapport besteedt met reden veel aandacht aan de ruimtelijke
ordening – aspecten. Waar zet je een vergister neer en hoe regel je het transport naar en van?
Er bestaat in den lande geen eenduidige mening. Zowel een industrieterrein als een agrarisch perceel kunnen voor- en nadelen met zich meebrengen wat betreft afstanden, transportbewegingen en omgevingshinder. Het rapport suggereert, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, een gezond verstand – oplossing. Ik neem die suggestie graag over.

Zie verder Gedachten bij het opstappen van de voorzitter van Mestac

Beter alarmeringssysteem bij ongevallen

De Werkgroep Natuurbehoud en Milieubeheer (WNM) en ik hebben (al weer een tijd geleden) een zienswijze ingeleverd op de actualisering van industrieterrein De Hurk in Eindhoven. Daarin stonden een aantal concrete voorstellen. Ik kom daar te zijner tijd op terug. Zie zienswijze De Hurk .

Het voorstel om om het alarmeringssysteem te moderniseren was er daar één van.
luchtalarm
De gedachte is dat het luchtalarm weinig informatief is. Je weet dat er iets aan de hand is, maar niet wat precies. Als er bijv. een gaswolk ontsnapt bij Air Liquide moet je wat anders doen dan wanneer en een brand is in de vulhal. Een meer informatieve communicatie in de onmiddellijke nasleep van een incident kan erg goed werken.
In de tijd dat wij deze zienswijze brachten, was deze denkwijze nog relatief nieuw.

 

Ik vind het leuk dat deze gedachte inmiddels realiteit geworden is.

Inspraakreactie over het nieuwe BP De Hurk in Eindhoven

Industrieterrein De Hurk in Eindhoven is het grootste terrein voor zware industrie in Eindhoven. Het bevat één BRZO-onderneming Air Liquide en een handvol BEVI-inrichtingen.

De Hurk draait op een bestemmingsplan (BP) uit 1988. Het is dus dd 2014 waanzinnig oud. Er wordt dan ook gesproken over een modernisering, die in beginsel geacht wordt beleidsarm te zijn. Dat klopt niet helemaal, maar wel deels.

Bedrijventerrein De Hurk Eindhoven
Bedrijventerrein De Hurk Eindhoven

Omdat er een aantal milieugevoelige bestemmingen op het terrein aanwezig is, heb ik met een Eindhovense milieugroep, de Werkgroep voor Natuurbehoud en Milieubeheer (WNM) al in een eerder stadium een Raad van State – procedure gevoerd tegen de nieuwe milieuvergunning van Air Liquide. Dat mislukte. We gebruikten o.a. argumenten die zich richtten op de veiligheid op bedrijfsterreinniveau en op de interpretatie  het groepsrisico, maar de Raad van State nam die niet over.

Tanks bij Air Liquide
Tanks bij Air Liquide

Daarna heb ik met de WNM geprobeerd dezelfde logica los te laten op de modernisering van De Hurk. Daartoe heb ik ingesproken bij de commissiebehandeling. De tekst hiervan verschijnt hieronder in Italic.

Voorzitter,                                                                                                    28 jan 2014

Dank dat ik hier weer eens het woord mag voeren.

Ik neem u allen in gedachten nog even terug naar de brand bij Chemiepack. Niet naar het brandende pand, maar naar de omgeving. Het aangrenzende Wartsila brandde af en de ATM kon alleen nog met inderhaast opgeworpen dijkjes voorkomen dat de brandende vloeistoffen bij de grootste verwerker van chemisch afval in Brabant naar binnen dreven.
En misschien heeft u ook de filmpjes op Youtube gezien hoe mensen wanhopig in hun auto rondreden om een route te vinden om het brandende pand heen, en hoe zelfs een groep werknemers inderhaast met een bootje naar de overkant van het Hollands Diep geëvacueerd moesten worden. Zou het nou niet beter geweest zijn als men die evacuatieproblematiek van tevoren overdacht had? Op complexniveau?
Daarna kreeg het industrieterrein Moerdijk een eigen, in onderling beheerde, brandweer. Dat was hoog tijd.
Veiligheid zou niet alleen maar een kenmerk moeten zijn van afzonderlijke ondernemingen, maar ook een collectief kenmerk van een bedrijventerrein. Op zijn minst als daar categorie 4 en 5 inrichtingen staan. Het is niet voor niets dat het gevaarlijkste bedrijventerrein van Nederland, Chemelot bij Geleen, als één samenhangende rechtspersoon functioneert. En het is modern: ook MSD/Organon en het Life Science Park in Oss zijn als Stichting georganiseerd.

Een mooi voorbeeld van een collectieve aanpak is het systeemNL-Alert. Dat gebruiken ze in Israel tegen raketten en in Japan tegen tsunami’s en op industrieterrein Moerdijk hebben ze het omgebouwd voor branden en gifwolken. Aan dit CBIS-systeem zit een databank vast en een meteo, zodat een snelle analyse mogelijk is. Bij De Hurk gaat alleen het luchtalarm af en dan moet het personeel van het buurbedrijf maar raden of ze juist wel of juist niet naar buiten moeten gaan. High tech – regio zei men toch?

Een ander mooi voorbeeld van een collectieve aanpak, Vz, is de omgang met de geluidsruimte binnen een overvolle zone. Ook dat is iets wat het beste onderling geregeld kan worden.
Daarmee kom ik op een van onze opmerkingen. Ik blijf het vreemd vinden dat de Theresiastraat en een deel van de Zeelsterstraat binnen de 60 dB(A)-grens liggen. De ambtelijke reactie op onze zienswijze is, met permissie, onzin. Als de zonekaart alleen nog historische waarde heeft, schaf hem dan af en zet de goede kaart in het BP. Wij willen toch dat overheidsdocumentatie leesbaar is? Verder handhaaf ik onze stelling dat de 55 dB(A)-grens dicht naar de terreingrens teruggedrongen moet worden.

Tot slot, voorzitter. Wij krijgen het argument dat onze mening niet in het bestemmingsplan thuishoort. Hierover hebben wij nagedacht en het is ten dele waar. Maar als de aanwezigen hier onze mening delen, Vz, dat een meer collectieve benadering van bedrijfsterreinen nastrevenswaardig is, dan hoop ik dat deze discussie bij andere gelegenheden opnieuw opgepakt wordt.

Dank u.                                                                      Bernard Gerard

Bijgevoegd de zienswijze waarop deze mondelinge reactie betrekking had.
–> Zienswijze namens de Vereniging WNM vs2

Hierbij hoort een vervolgverhaal. Op het moment dat ik dit verhaal achteraf dateer (28 jan 2014) was die nog niet bekend, maar later bleek het een slepend proces te worden. Ik kom hier later op terug.

Provinciale SP wil bezinning op onderzoeksrapporten over Chemie-Pack

brand-Chemie-Pack-2011_Rijksoverheid_Wikipedia.jpg

Ik heb in maart 2012 onderstaand artikel over de brand bij Chemie Pack geschreven voor de SP-afdelingen in Brabant. Daarin worden vragen beschreven, die door woordvoerder Francy van Iersel op 12 maart 2012 gesteld zijn. Tekst van de vragen en het antwoord erop zijn bijgevoegd.

De SP-fractie in PS wil een discussie met Gedeputeerde Staten (GS) over het recent verschenen rapport van de Onderzoeksraad Veiligheid over de brand bij Chemie-Pack op Industrieterrein Moerdijk, en over het rapport “Evenwichtskunst” van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid (WRR). Ook de WRR schrijft over Chemie-Pack. Daartoe heeft Statenlid Francy van Iersel vragen gesteld.

De provincie was hier geen bevoegd gezag. De SP stelt de brand dus niet aan de orde omdat de provincie iets fout gedaan heeft. De provincie is zelfs voor 38 miljoen slachtoffer.
De brand legt echter wel algemene problemen bloot, die ook de provincie kunnen opbreken. Die is namelijk zelf wel bevoegd gezag over 31 andere BRZO-ondernemingen (BRZO betekent Besluit Rampen en Zware Ongevallen, dus de gevaarlijkste categorie bedrijven). Daarnaast staan er in NBrabant 41 gemeentelijke BRZO-bedrijven en één Rijksbedrijf. In en in de omgeving van Eindhoven staan de volgende BRZO-ondernemingen:
Air Liquide                   Eindhoven De Hurk
Edco Eindhoven          Eindhoven Airport
Linde Gas                     Goederen Distributie Centrum Zuid
Van den Anker            Ekkersrijt Son
Diffutherm                  Bergeijk
Bij al deze bedrijven is de gemeente bevoegd gezag.

De SP wil met het College van GS over de volgende thema’s.
–           Hoe goed controleert de provincie zijn eigen inrichtingen?
–           Wat vindt de provincie van de landelijke regelgeving, waarin o.a. staat dat onaangekondigde bezoeken als een te zware last voor bedrijven gezien moeten worden?
–           Moet je een bedrijventerrein met zware chemie niet veel meer als een collectief zien waarin het geheel meer is dan de som der delen? Met verplicht parkmanagement, extra eisen via de gronduitgifte en een milieuvergunning voor het terrein als geheel?
–           Welke faciliteiten krijgen de nieuwe Regionale Uitvoerings Diensten (RUD)?
–           Sommige terreinen met gevaarlijke bedrijven hebben een veel te oude bestemmingsplan (BP). Het BP van Industrieterrein Moerdijk bijvoorbeeld dateert uit 1993, dat van De Hurk in Eindhoven uit 1988. Het BP mag maar tien jaar oud zijn. De SP vraagt aan GS om de leeftijd van de Brabantse terreinen met gevaarlijke bedrijven in kaart te brengen.
–           Hoe staat GS tegenover de bijna onwerkbaar ingewikkelde structuren, die zich bezig houden met crisisbestrijding en crisiscommunicatie?
–           De WRR schrijft dat veel bedrijven onderverzekerd zijn. Bij de Enschedese vuurwerkramp dekte de verzekering van het bedrijf maar 0,2% van de schade. Naar verluidt (want de verzekerde som is geheim) is dat bij Chemie-Pack 7%. Als de verzekering tenminste uitbetaalt. De SP vraagt GS om de verzekerdheid van Brabantse gevaarlijke bedrijven in kaart te brengen.

In de bijlage de volledige tekst van de vragen –> Vragen van de SP over Chemiepack_maart2012.
De antwoorden: Antwoord op vragen over Chemie-pack .

Een gesprek met de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen

Naar aanleiding van de reacties op politieke inzet op de onderwerpen Air Liquide en het bestemmingsplan De Hurk, waarbinnen Air Liquide gelegen is, had ik het gevoel dat Air Liquide misschien voldoet aan de wet, maar dat de wet zelf niet voldoet. Ik zocht middelen om de wetgeving zelf aan te kaarten.

Parallel daaraan had het toenmalige Tweede Kamerlid Paulus Jansen, waarvoor ik regelmatig werk deed, een afspraak gemaakt met de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS). In deze adviesraad zaten toonaangevende veiligheidsdeskundigen op het gebied van gevaarlijke bedrijven en processen. De raad is ingesteld na de vuurwerkramp in Enschede.
Die Raad had om het gesprek verzocht omdat hij met opheffing bedreigd werd en omdat de Raad inhoudelijke bezwaren had tegen de uitvoering van het beleid. Het gesprek heeft op 4 februari 2011 plaatsgevonden tussen twee leden van de Raad enerzijds en Paulus Jansen, mij en de chemicus Wim Beekmans van de Eindhovense WNM (Werkgroep Natuurbehoud en Milieubeheer) anderzijds.

Er heerste een soort gevoel van geestverwantschap. Ook bleek uit het gesprek onvrede over de decentralisatie, juist op dit gebied, van rijkstaken naar lagere overheden die daar vaak niet op berekend zijn. “De minister had geen zin om naar de Kamer geroepen te worden als er iets dramatisch ploft” aldus een citaat “laat de burgemeester maar naar de gemeenteraad geroepen worden.”
De Adviesraad had er weinig vertrouwen in dat veel gemeentes en regio’s de nodige kennis in huis hebben. (Dit probleem is later mede aanleiding geweest voor de oprichting van de RUD’s (Regionale Uitvoerings Diensten)).

De Adviesraad Gevaarlijke Stoffen had een negatief standpunt over de berekening van veiligheidscontouren rond gevaarlijke bedrijven en de Quantitative Risk Assessment (QRA) die daaraan ten grondslag ligt.
De Adviesraad geeft, aan de hand van de case study van een ontploffend LPG-station, twee soorten kritiek op de in dit land gebruikelijke vormgeving van QRA-berekeningen.
De eerste is dat veel onzekerheden in dit soort berekeningen met standaardwaardes worden ingevuld, waardoor lokaal maatwerk onmogelijk is. Juridisch is dat comfortabel, want dan gaan deskundigen elkaar voor de rechtbank niet meer met verschillende standpunten te lijf. Natuurwetenschappelijk echter zegt de berekening dan niks meer over hoe gevaarlijk het echt is. Bovendien zijn sommige standaardwaardes fout of verouderd. De berekening is een soort koffieautomaat geworden die door relatief laaggeschoolden kan worden bediend. Zoals SRE-ambtenaar Stortelder van de Milieudienst Regio Eindhoven het bij de RvState uitlegde bij de behandeling van Air Liquide: “je stopt er iets in en er komt iets uit”. De fysieke veiligheid is opgeofferd aan de juridische veiligheid.
Het tweede kritiekpunt is dat QRA-berekeningen in Nederland niet worden gebruikt om het bedrijf veiliger te maken. Met de QRA rekent men uit (voor zover dat de naam verdient) dat als het bedrijf dit en dit doet, de contour zus en zo ligt. Het bedrijf krijgt niet te horen dat als ze het zus en zo anders doen, het veiliger wordt en de contour krimpt.

Wat betreft de opheffing door fusie met drie andere adviesraden: de AGS meende dat hierdoor essentiële kennis van gevaarlijke stoffen en situaties verloren zou gaan. In het fusieproduct zou veel minder gespecialiseerde kennis aanwezig zijn en er zouden netwerken verloren gaan. Veel geld zou het niet besparen, want het meeste werk gebeurde toch al pro deo.
De vrees bleek terecht, want in het uiteindelijke fusieproduct kwam er van de oorspronkelijke 10 leden van de AGS maar één in de nieuwe raad terecht, de huidige Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur.

Paulus heeft beloofd zijn best te doen in de Tweede Kamer. Op 23 juni 2011 vond het debat plaats, maar het mocht niet baten. De bijdrage van Paulus Jansen aan het debat kunt u hier–>  Bijdrage Paulus Jansen opheffing AGS 20110623 vinden. De samenvattende behandeling op zijn weblog vindt u –> http://paulusjansen.sp.nl/weblog/2011/06/26/kappen-dor-hout-mondt-uit-in-kaalslag/

De brand bij Timco in Valkenswaard

De grote brand bij Timco Plastics in Valkenswaard op 21 juli 2010 was een van de eerste gelegenheden, waarbij ik met de PS-fractie samenwerkte. Dat was toen nog met Ron van Zeeland. Het was een grote fik met grote consequenties in de buurt. Ik heb voor Ron vragen opgesteld, die hij ingediend heeft. De eerste alinea van de vragen (hieronder) geeft enig idee van de consternatie.
Het steunt mij in mijn gedachte dat veiligheid op bedrijventerreinen meer is dan de som van de veiligheden van de afzonderlijke inrichtingen. Ook collectieve preventieve maatregelen zouden overwogen moeten worden, zoals evacuatieoefeningen en de mogelijkheid dat het ene bedrijf succesvol kan waarschuwen voor de praktijken van het andere.

Op woensdag 21 juli 2010 brandde in Valkenswaard het bedrijf Timco Plastics geheel af. Twee aangrenzende panden brandden ook geheel of gedeeltelijk af, er moest een crisiscentrum worden ingericht, er moest een verpleeghuis worden ontruimd, er is minstens € 20 miljoen schade en de brandweer is 12 uur aan het blussen geweest en heel Valkenswaard stonk naar rook en verbrand plastic, met daarin schadelijke stoffen. Het was,
kortom, een forse fik.

Omdat het een recyclingbedrijf is, is de provincie bevoegd gezag. Maar de gemeente gaat over sommige andere vergunningen, zoals de bouwvergunning. Dat liep niet helemaal gelijk op.

Overigens is Timco na de brand niet weer opnieuw opgebouwd.

Onder “lees meer” het persbericht dat bij het indienen van  de vragen is uitgebracht. Op het eind de tekst van de vragen en de antwoorden.

Continue reading De brand bij Timco in Valkenswaard