Momenteel loopt de opbouw van de nieuwe Luchtvaartnota 2020 –
2050. Dat wordt het trendsettende document voor het Nederlandse
luchtvaartbeleid voor de komende decennia.
Een dergelijk proces start met de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). BVM2 heeft hiervoor een opinie aangeleverd (zie https://www.bjmgerard.nl/?p=8963 .
Het is ook vaste prik dat de onafhankelijke Commissie-MER een opinie voor de NRD aanlevert, een soort schot voor de boeg waarmee de minister bij het opstellen van de Luchtvaartnota rekening moet houden. Dit schot voor de boeg staat hieronder afgedrukt.
Milieueffectrapport Luchtvaartnota 2020-2050 13 mei 2019
Onderzoek keuzes luchtvaart voor korte en lange termijn
De Commissie adviseert om de discussie over hoe de luchtvaart
zich moet ontwikkelen, te voeren aan de hand van een
milieueffectrapport met alternatieven die uitgaan van groei, stagnatie
of krimp. Hierdoor komen de belangrijke milieugevolgen van mogelijke
keuzes goed in beeld. Verder moeten de beoogde doelen concreet en
toetsbaar worden beschreven.
Het plan De minister van Infrastructuur en Waterstaat wil voor de periode 2020-2050 nieuw beleid voor de luchtvaart vaststellen. Dit beleid wordt vastgelegd in de luchtvaartnota. Voor de minister besluit over de nota worden de milieugevolgen onderzocht in een milieueffectrapport.De minister heeft de Commissie m.e.r. om advies gevraagd over de gewenste inhoud van het op te stellen rapport.
Het advies De Commissie adviseert om de discussie over hoe de luchtvaart zich moet ontwikkelen, te voeren aan de hand van alternatieven die uitgaan van groei, stagnatie of krimp van de luchtvaart, van meer of minder terugdringen van de hinder en van al dan niet terugdringen van de CO2-uitstoot. Door deze alternatieven te vergelijken in het milieueffectrapport komen belangrijke milieugevolgen die aan deze keuzes verbonden zijn, goed in beeld. Verder adviseert ze om doelen concreet en toetsbaar te beschrijven en om daarbij onderscheid te maken tussen doelen voor de korte en de lange termijn (voor en na 2030). De minister stelt veel criteria voor om de effecten van de luchtvaart op de mens, zijn leefomgeving, het klimaat, de natuur en de economie te beschrijven. De Commissie adviseert om in het milieueffectrapport te focussen op de criteria die de belangrijke verschillen tussen alternatieven laten zien. Voorbeelden hiervan zijn: de beschikbare ruimte voor onder andere woningbouw, de omvang en de duur van de hinder en de schadelijke stoffen die vrijkomen bij vliegen vanaf Nederlandse luchthavens.
Op de website vindt u het volledige advies. Voor meer informatie kunt u bellen met Lourens Loeven, 030 – 234 76 66
De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en
adviseert over de inhoud en de kwaliteit van milieueffectrapporten. Zij
stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke
deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet
de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de minister van
Infrastructuur en Waterstaat – besluit over het project. Zie ook www.commissiemer.nl .
Inleiding De verduurzaming van
Noord-Brabant heeft ook een belangrijke warmteparagraaf (zie www.bjmgerard.nl/?p=5553 ).
In dit provinciale warmteplan is 1,3PJ/y ingeruimd voor geothermie. Om
een indrukte krijgen hoeveel dat is: het totale Brabantse energiebudget zit
ergens rond de 290PJ en de opbrengst van alle Brabantse windturbines samen,
indien gerealiseerd, en het is ruwweg evenveel als de windturbines langs de A16
op gaan brengen ( zie www.bjmgerard.nl/?p=6463 ).
Geothermiekansen, uit Geothermische energie uit Trias aquifers in de ondergrond van Noord-Brabant
Het geothermie-getal is uiterst indicatief. Het berust op
een inschatting op basis van algemene geologische overwegingen van wat de
ondergrond mogelijkerwijs zou kunnen leveren. De afbeelding geeft het
macro-plaatje, terwijl je pas echt iets weet met een heleboel micro-plaatjes.
Daarvoor is detailonderzoek nodig, maar dat loopt nog en kent tegenslagen.
Geothermie kent namelijk risico’s. Het Staatstoezicht Op De Mijnen (SODM) publiceerde in juli 2017 het rapport ‘De Staat van de Geothermie’, waaruit naar voren kwam dat bij zorgvuldig werken geothermie mogelijkheden biedt, maar dat er niet altijd zorgvuldig gewerkt werd. Zie www.sodm.nl/documenten/rapporten/2017/07/13/staat-van-de-sector-geothermie . Boren bij breuken in de ondergrond (en die zijn er nogal wat in Brabant) kan tot aardbevinkjes leiden (zoals gebeurde in mei 2018 bij de put van een paprikateler in Venlo, waar het project stil gelegd is). En kan per ongeluk olie of gas aanboren en het grondwater kan langs een boorgat vervuilen. Overigens zat Brabant Water, via de dochteronderneming Hydreco, zelf in de geothermie (Update okt 2023: nu doet Hydreco alleen warmte koude-opslag.) Het grootste probleem, zegt SODM vrij vertaald, is dat er teveel enthousiaste amateurs bezig zijn.
Aanleiding Daarom hebben een aantal partijen, waaronder de provincie, Geothermie
Brabant BV, DAGO (de brancheorganisatie), een aantal gemeenten en Brabant Water
een pakker veiligheidsrichtlijnen ontwikkeld. Dat werd op 31 januari 2019
gepresenteerd.
Er gaat met dubbele buizen gewerkt worden (zodat het opgepompte water niet in
het grondwater kan komen), de boorput wordt gecementeerd en er komt permanente monitoring.
Zie www.brabant.nl/actueel/nieuws/2019/januari/richtlijn-voor-veilige-aardwarmte
, waar
ook onderstaande afbeelding vandaan komt.
Infographic bij de veiligheidsrichtlijn Geothermie van 31 jan 2019
De Green Deal
Geothermie Brabant en voorafgaande onderzoeken De veiligheidsrichtlijn is een episode in een langlopend traject, namelijk
de Green Deal Geothermie Brabant uit 2016. Men wil vijf projecten ontwikkelen,
die 20.000 woningen, drie productiebedrijven en meerdere glastuinders van
warmte voorzien. Te weten warmtelevering aan:
de industrie in Tilburg-Noord
Bavaria in Lieshout
de Helmondse stadsverwarming
glas- en tuinbouw in Asten/Someren
het Amernet in Tilburg en Breda en omstreken
(dat aan de Amer 9- centrale hangt, die kolen en biomassa stookt
Overigens denkt Ennatuurlijk erover om de eerste
gasgestookte ketel in de Helmondse stadsverwarming door een houtgestookte ketel
te vervangen. Geothermie wordt nu gezien als een optie voor de toekomst,
mogelijk voor de tweede ketel. Zie www.bjmgerard.nl/?p=8645
.
Men verwacht dat de vijf projecten samen 135.000 ton CO2
besparen wat, als dit anders met aardgas geleverd zou zijn, goed zou zijn voor
2,4PJ. Maar het is niet alleen maar aardgas, maar ook kolen en biomassa die
meer CO2 per energie-eenheid in de lucht brengen, dus het zou best
kunnen dat de 1,3PJ, die in de provinciale tabel staat voor deze vijf
projecten, klopt.
Naar de vorm is het initiatief in een BV-vorm gegoten ‘Geothermie
Brabant B.B.’ . Die heeft de website http://www.geothermiebrabant.nl/
.
In onderstaande afbeelding (getoond bij de Energy Days op de
TU/e) gaat het bij de vijf projecten om de categorie Mid-deep.
De Vestdijk (een oostelijk onderdeel van de Eindhovense binnenring) laat al jaren luchtverontreinigingswaarden zien die boven de wettelijke norm liggen. Het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (NSL) zegt dat de NO2 – concentratie jaargemiddeld maar 40 microgr/m3 mag zijn, maar daar zit de weg al jaren boven.
Het vorige College van B&W had plannen uitgewerkt om een ‘knip’ in de Vestdijk aan te brengen, waardoor deze niet langer als doorgaande route kon fungeren. Dat is een hele effectieve maatregel.
Het nieuwe College van B&W wil, onder druk van CDA en VVD, de Knip er weer uit hebben. Men hoopt (een beetje op de pof) dat minder vergaande maatregelen ook genoeg zullen blijken. Dit hoewel al in 2015 aan de norm voldaan had moeten zijn.
De landelijke Vereniging Milieudefensie heeft een bezwaar ingediend tegen het Verkeersbesluit van 02 april 2019, waarin een en ander wordt vastgelegd. Ik ben, samen met Wen Spelbrink (ook van Milieudefensie Eindhoven) gemachtigd om praktische zaken af te werken.
Hieronder de tekening en de volledige tekst van het bezwaarschrift.
Persbericht Eindhoven, 11 mei 2019
Milieudefensie tekent bezwaar aan
tegen schrappen van ‘Knip Vestdijk’
De Vereniging Milieudefensie heeft formeel bij B&W bezwaar aangetekend tegen het Verkeersbesluit Vestdijk-ten Hagestraat-Kanaalstraat van 2 april 2019. In dit besluit wordt een herinrichting van de Vestdijk voorgesteld, waarin geen sprake is van een ‘knip’. In plaats daarvan wil het College van B&W een minder vergaande vorm van herinrichting, die tot veel minder reductie van de NO2 – concentratie leidt, en die bovendien berust op vooralsnog onzekere aannames.
Een ‘knip’
is een effectieve manier om de luchtvervuiling terug te dringen. Daaraan is
behoefte, omdat Eindhoven al in 2015 aan de eisen van het Nationaal Samenwerkingsprogramma
Luchtkwaliteit (NSL) had moeten voldoen. Op maatregelen uit het NSL rust een
uitvoeringsplicht.
Milieudefensie wijst erop dat niet aangetoond is dat het
afgelasten van de knip, hoewel deel uitmakend van een kabinetsbesluit, bij de
Minister gemeld is. Ook maakt het besluit niet afdoende melding van
alternatieve en/of compenserende maatregelen.
Milieudefensie wil dat het verkeersbesluit wordt ingetrokken.
Het voldoet niet aan de wet.
De Vereniging heeft twee bestuursleden van de regionale
afdeling, dhr. B.J.M. Gerard en dhr. W.J. Spelbrink, gemachtigd om de
Vereniging in praktische zaken m.b.t. dit verkeersbesluit te vertegenwoordigen.
Naast Milieudefensie hebben alle bewonersorganisaties uit de
omgeving van de Vestdijk ook bezwaar aangetekend. Er is contact met hen
geweest.
De volledige tekst van het bezwaar is als bijlage toegevoegd.
Met vriendelijke groeten,
en tot nadere inlichtingen bereid,
Milieudefensie had een rechtszaak (proefproces) lopen voor schone lucht. Een tussentijds vonnis was ten gunste van Milieudefensie. Daardoor werden er veel extra maatregelen genomen, waardoor een uiteindelijk vonnis ongunstig was. Maar toen was er al veel bereikt.
De rechter
besloot dat Nederland geen extra maatregelen hoeft te nemen om de luchtkwaliteit
te verbeteren. Dit is natuurlijk teleurstellend, maar eigenlijk een gevolg van
onze eerdere overwinning. Dat zit zo:
Nederland moet voldoen aan Europese wet voor
luchtkwaliteit Vandaag
kregen we de uitspraak in het hoger beroep van de uitgebreide rechtszaak
(bodemprocedure) voor gezonde lucht. We gingen in hoger beroep omdat we het
niet eens waren met de vorige uitspraak. Wij eisten dat Nederland in ieder
geval aan de Europese wet voor luchtkwaliteit zou voldoen. De rechter geeft ons
daarin nu wel gelijk. Alleen zegt de rechter ook dat de overheid, na jaren van
veel te weinig doen, inmiddels genoeg maatregelen neemt.
Maatregelen zijn resultaat van eerder gewonnen
rechtszaak Nadat we de
eerdere rechtszaak (kort geding) hebben gewonnen heeft de overheid deze
maatregelen genomen. De overheid moest aan de slag om de luchtkwaliteit te
verbeteren, want door onze rechtszaak moest ze in ieder geval aan de Europese
luchtkwaliteitswet voldoen. En volgens de rechter heeft Nederland nu genoeg
maatregelen genomen om aan die eis te voldoen. Hier zijn wij het niet mee eens,
maar dat de overheid maatregelen neemt is een mooie winst.
Onze
rechtszaak was dus zeker nuttig en heeft een hoop in gang gezet!
Oplossingen Gelukkig heeft de politiek uiteindelijk geen rechter nodig om aan de slag te gaan, maar vooral daadkracht. Overheid en gemeenten kunnen met de juiste maatregelen de lucht een stuk gezonder maken. Zoals minder ruimte geven aan vervuilende auto’s, scooters en busjes. En juist meer ruimte geven aan duurzaam verkeer, zoals fietsen, lopen en schoon ov. Ook kan Nederland andere vervuiling van bijvoorbeeld de industrie, houtrook, intensieve veehouderijen of scheepvaart aanpakken om de luchtkwaliteit te verbeteren.
Onze eisen Door ongezonde lucht overlijden in Nederland jaarlijks 20.000 mensen. Nog veel meer mensen worden ernstig ziek. Dat moet en kan anders. Daarom stapten we naar de rechter. Vandaag was het hoger beroep in de bodemprocedure, de uitgebreide rechtszaak die sinds 2016 loopt. We stelden 3 eisen:
Eis 1: Nederland moet zich houden aan de Europese wet. Nederland houdt zich niet aan de Europese luchtkwaliteitswet. In die wet staat hoeveel vervuilende stoffen er maximaal in de lucht mogen zitten. De luchtkwaliteit is op sommige plekken slechter dan is toegestaan. Wij hebben geëist dat de overheid dit zo snel mogelijk oplost. Ze moet goede plannen maken, waardoor er minder giftige stoffen, zoals fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in de lucht komen.
Door de druk van onze rechtszaak is het luchtbeleid al wel aangepast.
Het is alleen nog steeds niet genoeg. Om aan de Europese wet te voldoen moet de
overheid het beleid aanscherpen.
Eis 2: Nederland moet het voorzorgsprincipe gebruiken. Er is altijd een risico dat de hoeveelheid vervuiling op een bepaalde plek een beetje meer of minder is dan vooraf ingeschat. Als je overal aan de norm wilt voldoen die in de Europese wet staat, zul je daar rekening mee moeten houden. Wij hebben geëist dat de overheid geen risico meer mag nemen op het overtreden van de wet. Uit voorzorg moet ze, vinden wij, een ruimere marge aanhouden op de hoeveelheid vieze stoffen die in de lucht komen.
Eis 3: Nederland moet de mensenrechten respecteren. Gezonde lucht is een mensenrecht. Daarom zijn er grenzen gesteld aan de hoeveelheid giftige stoffen in de lucht. Maar voor echt gezonde lucht moeten die regels veel strenger. De Gezondheidsraad en Wereldgezondheidsorganisatie zeggen dat het daarvoor zelfs 2 keer zo streng moet. Wij zijn het hier helemaal mee eens. Want de huidige Europese wet beschermt onze gezondheid niet. Daarom hebben we geëist dat Nederland de adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie op gaat volgen, Want elke dag die we in ongezonde lucht leven, is er een te veel.
Bekijk de tijdlijn:
Dankjewel Luchtwachters, petitietekenaars, crowdfunders en mede-eisers! Onze rechtszaak was niet mogelijk geweest zonder de crowdfunders, petitietekenaars, mede-eisers en Luchtwachters. De Luchtwachters hebben het afgelopen jaar enorm geholpen met onderzoek, lobby en acties. Ze hebben bijvoorbeeld hun lokale politici scherp gehouden, bewustwording gecreëerd in hun buurt en handtekeningen verzameld voor de petitie. Heel erg bedankt daarvoor!
Hoe nu verder? We gaan nu in overleg met onze advocaat over onze mogelijkheden en eventuele vervolgstappen. Want dankzij onze druk heeft de overheid de maatregelen rond luchtkwaliteit wel aangescherpt, maar dat is nog niet voldoende. Daarin verschillen we dus van mening met de rechter. Dus ook de komende tijd blijven we ons inzetten voor gezonde lucht.
Update: Vion gaat de geuroverlast onderzoeken en aanpakken!
In een persbericht dd 07 mei 2019 meldt Vion, dat het in opdracht van B&W van Boxtel onderzoek gaat doen naar verdere bestrijding van geuroverlast door het bedrijf. Dat moet gebeuren door naar de Best Beschikbare Technieken te kijken, en naar het eventueel aanscherpen van interne procedures. Insteek van B&W is dat Vion niet meer stinkt.
Er wordt ook gekeken naar andere zaken, die niet verantworodelijk zijn voor de stank, maar mogelijk wel een probleem zijn of kunnen worden, zoals de extra verkeersbewegingen en dierenwelzijn. Ook wordt gekeken naar maatregelen op het sociale vlak.
Daarnaast (maar dat staat niet in het persbericht) is de afvalwaterzuivering besproken, die in het verleden voor legionellabesmettingen gezorgd heeft.
Vion De Vion Groep is een multinational die grote aantallen varkens en koeien doodt en daar vlees en vleesproducten van maakt. In de illustratie de mondiale cijfers (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Vion_N.V. ).
Het
hoofdkantoor zit in de Brabantse plaats Boxtel. Daar zit tevens een belangrijke
productievestiging. Dat is veruit de grootste varkensslachter van Nederland. In
Boxtel worden dagelijks 20.000 varkens gedood (100.000 per week)
De Vion Groep is aan het reorganiseren. De recentste stap is het voornemen om de verwerking van reeds geslachte varkens, die nu in Scherpenzeel plaatsvindt, naar Boxtel over te brengen (in Scherpenzeel wordt niet geslacht). Dat scheelt in de transportbewegingen. Het aantal werknemers in Boxtel zal daardoor van 1800 naar 2400 stijgen.
Vion is van
de boerenorganisatie ZLTO (Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie).
De vergunning Vion Boxtel draait op basis van een WABO-vergunning uit 2015, bedoeld voor een toenmalige uitbreiding (fase 1). Vion heeft dit plan verder uitgewerkt en wil nu een tweede vergunning (fase 2 dd maart 2019). Dit is enerzijds een bouwvergunning, anderzijds een milieuvergunning voor enkele ondergeschikte aanpassingen. De 2019-aanvraag spreekt met geen woord over aanpassingen van de anti-geurvoorzieningen. Mogelijk staan er passages over dit onderwerp in de 2015-vergunning, maar dat is nog niet duidelijk. In de luchtkwaliteitspassage uit 2015, die als bijlage bij 2019 zat, staat niets over geur.
Protesten De vergunningsaanvraag voor de verplaatsing van de Scherpenzeelse vleesbewerking naar Boxtel leidt in Boxtel tot veel protest. Eigenlijk vloeit dit protest meer uit de bestaande dan uit de toekomstige situatie voort.
Er zijn twee
categorieën bezwaren.
Transitie Boxtel ( http://www.transitieboxtel.nl/ ) formuleert in de mooi Boxtelkrant van 24 april 2019 bezwaren tegen het doel van Vion als zodanig. Transitie Boxtel vindt dat het vleesverbruik fors moet dalen, en dus ook de omzet van Vion Boxtel.
Daarnaast stinkt Vion Boxtel. Daartegen heeft een alliantie van Transitiemensen, bewoners van appartementencompex Stapelen en andere mensen, een petitie georganiseerd, gericht op de gemeente Boxtel. De petitie spreekt van “…. Jarenlang ergernis over de toenemende stank- en verkeersoverlast. Tot ver in Boxtel wordt men niet goed van de smerige weeë mest- en kadaverlucht.” Ook worden zorgen uitgesproken over de geluidsoverlast, de uitstoot en de recente Legionellabesmettingen door de afvalwaterzuivering van Vion (waar overigens de vergunning niet over gaat bg). De petitie is inmiddels ruim 800 keer ondertekend.
Er zijn
bewezen klachten. Iemand heeft dat opgevraagd bij het provinciaal meldpunt
stankoverlast. In het eerste kwartaal van 2019 zijn er bij de Omgevingsdienst 24
klachten uit Boxtel binnengekomen, waarvan 8 zeker en 8 mogelijk van Vion, en 8
niet.
De juridische situatie Ik heb de Boxtelse alliantie enig advies gegeven.
De bottom line voor geurklachten door slachterijen is wat er in het Aktiviteitenbesluit staat, met bijbehorende Ministeriele Regeling. Als dat alles zou zijn, zou de Vion aan dezelfde regels moeten voldoen als de slager op de hoek. Boven het Activiteitenbesluit bestaan er voor slachterijen geen expliciete regels. Er staat slechts (art. 2.7a) dat ‘ …. geurhinder bij geurgevoelige objecten moet worden voorkomen, dan wel …. tot een aanvaardbaar niveau beperkt’. Als het bevoegd gezag (in dit geval B&W van Boxtel) het redelijke vermoeden heeft dat hier niet aan voldaan is, kunnen ze een geuronderzoek doen. Er worden een aantal aandachtspunten genoemd die daar zeker in moeten zitten. En als het bevoegd gezag de hinder onaanvaardbaar vindt, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften eisen, waaronder emissie- of immissienormen en/of technische maatregelen.
Met andere woorden, aanvaardbaar is wat B&W aanvaardbaar vinden. Blijkbaar heeft een vroeger College van B&W te soepele maatwerkvoorschriften uitgevaardigd, waardoor nu Boxtel in de stank zit. Het huidige College van B&W kan op dezelfde wijze vinden dat de bestaande technische voorzieningen (indien aanwezig) nu te soepel zijn, en een (nieuw) onderzoek opstarten dat uitmondt in (nieuwe) technische voorzieningen. Vandaar mijn advies om een petitie richting College van B&W te starten.
Sannen (van de SP) maakte in zijn vragen een vergelijking met Coppens Diervoeders op het BZOB-terrein in Helmond (zie …https://www.bjmgerard.nl/?p=2147 ). Coppens lag ook jaren op ramkoers met de omgeving over de stank, maar nam, om van het gezeur af te zijn, bovenwettelijke maatregelen om zijn geurmolekulen kapot te oxideren. Daarnaast een hogere schoorsteen. Sindsdien zijn er geen klachten meer over Coppens Diervoeders. Sannen heeft naar de geest gelijk, maar naar de letter niet helemaal omdat de diervoederindustrie een aparte wettelijke status heeft. Daarin zijn boven het Activiteitenbesluit wel expliciete wettelijke regels opgenomen. Het begrip ‘bovenwettelijk’ is zodoende gedefinieerd. Bij slachterijen bestaat er, naast het Activiteitenbesluit, geen andere expliciete regelgeving. Alles wat boven het Activiteitenbesluit uitgaat is dus in zekere zin al ‘bovenwettelijk’. De vraag is niet of het bovenwettelijk is, maar in welke mate het bovenwettelijk moet zijn. Meer dus dan tot nu toe, om aan de petitie tegemoet te komen.
Stank is
bestrijdbaar. De destructor in Son en Breugel (tegenwoordig Rendac) verwerkt de
dode beesten uit half Nederland en verspreidde in zijn ‘hoogtijdagen’ ook een
wade van lijkenlucht over de wijde omgeving. Op een gegeven moment is dat
verholpen met zware filters, uitsluitend inpandige operaties, gedisciplineerde
bedrijfsvoering, onderdruk. Nu merk je er nauwelijks nog iets van.
Zoiets zou ook met de Vion moeten kunnen, mogelijk zelfs met minder moeite.
Het bestuur van het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2)
geeft de volgende reactie op het eindadvies “Opnieuw Verbonden” van het
proces Proefcasus Eindhoven, dat op 25 april 2019 aan de opdrachtgever,
de minister van I&W, is aangeboden.
BVM2 is positief over de wijze, waarop Proefcasus-verkenner, dhr.
Pieter van Geel, het raadplegingsproces dat vooraf ging aan het advies,
ingericht heeft.
Vele uiteenlopende belangengroepen zijn op een correcte wijze gehoord, waaronder BVM2 en andere bewonersgroepen.
Daarnaast is er aanvullend onderzoek verricht, dat geresulteerd heeft in
nieuwe inzichten. Hiermee is onder andere tegemoet gekomen aan een
langlopende ergernis van BVM2, namelijk dat het, nog door
ex-staatssecretaris Mansveld toegezegde, onderzoek naar hinderbeperkende
maatregelen alsmaar niet plaatsvond. Ook is een krimpscenario
onderzocht.
In het advies wordt een absolute reductie voorgesteld van de geluidshinder, en een beperkte reductie van de toxische uitstoot.
Ook is, voor het eerst in de geschiedenis van het Eindhovense vliegveld,
in een officieel advies een paragraaf over vliegen en klimaat
opgenomen. Deze paragraaf gaat verder dan het officiële standpunt van de
luchtvaartbranche, zoals verwoord in het actieplan “Slim en duurzaam” ,
dat de luchtvaartsector op 03 oktober 2018 ingediend heeft.
Het vliegveld moet toegroeien naar een Nutsvoorziening voor de regio. Er ontstaan nieuwe industriepolitieke kansen.
De toekomstige invloed van de regio op de ontwikkeling van het
vliegveld moet in een nieuwe overlegstructuur, waarin ook de omwonenden
zijn vertegenwoordigd, gewaarborgd worden.
In het advies van dhr. Van Geel keren verschillende denklijnen terug,
die eerder voor BVM2 in het Manifest Vlieghinder Moet Minder, en de
uitwerkingen daarvan, zijn verwoord. Maar BVM2 plaatst ook enkele
belangrijke kanttekeningen bij het advies:
Tot 2022 neemt de geluidshinder in het advies alleen af door het
aantal vliegbewegingen te maximeren op 41500 en na 23.00 uur geen
geplande landingen meer te laten plaatsvinden. De geluidshinderreductie
is in deze periode zeer beperkt en zal dat ook in de eerste daarop
volgende jaren zijn, totdat de beoogde vlootvernieuwing vanaf ca 2025
echt effect gaat krijgen. BVM2 is van mening dat voor een snelle
reductie van de door omwonenden ervaren geluidshinder een beperkte krimp
van het aantal vliegbewegingen in de periode 2020 tot en met ca 2024
onontkoombaar is.
Het advies spreekt zich niet uit over de wens van omwonenden om
vliegtuigen in het weekend pas vanaf 08.00 uur te laten vertrekken (in
plaats van, zoals nu, vanaf 07.00 uur). BVM2 is teleurgesteld dat deze
wens niet gehonoreerd is, maar onderkent dat het advies ook niet
uitsluit dat aan deze wens in de toekomst alsnog tegemoet wordt gekomen
om de geluidshinder terug te dringen tot het voor 2030 geformuleerde
doel.
De klimaatparagraaf is een stap vooruit, maar deze stap is lang niet groot genoeg.
BVM2 is van mening dat meer substantiële maatregelen nodig zijn. Een
bedrag van €1 per ticket bijvoorbeeld om een klimaatfonds te voeden zal
te weinig blijken om een omslag naar duurzame brandstoffen echt tot
stand te brengen..
Vooralsnog betekent duurzame brandstof biokerosine. BVM2 wil dat deze aan de recente Europese RED II-richtlijnen voldoet.
Al met al echter meent het BVM2-bestuur dat het advies alleszins
verdedigbaar is en dat politieke en maatschappelijke organisaties in de
regio de uitvoering van het advies eensgezind moeten bevorderen.
Het Landelijk Burger Beraad
Luchtvaart (LBBL), waarvan BVM2 een van de oprichters is, heeft onlangs
in een resolutie vastgelegd dat de luchtvaart binnen de EU in 2050 tot
nul moet worden teruggebracht.
Het LBBL heeft er in een brief aan de
minister op aangedrongen om deze klimaatneutraliteit tot voorwaarde te
maken voor de nieuwe Luchtvaartnota.
Hieronder is het persbericht van het LBBL afgedrukt.
Persbericht
Amsterdam, 5 mei 2019
Landelijk Burgerberaad Luchtvaart doet dringend appel op minister
Ook luchtvaart moet klimaatneutraal worden
Het Europees Parlement heeft onlangs in een resolutie
verklaard dat de broeikasgasemissie van o.a. de internationale
luchtvaart van de EU op nul moet uitkomen in 2050. Daarmee wordt de
luchtvaart gelijkgesteld aan alle andere sectoren in de EU en komt aan
haar uitzonderingspositie een einde. Het Landelijk Burgerberaad
Luchtvaart (LBBL) roept minister Van Nieuwenhuizen dringend op om deze
klimaatneutraliteit als kader te stellen voor de luchtvaart in Nederland
tot 2050.
“Het recent afgesloten Ontwerpakkoord Duurzame Luchtvaart van de
Nederlandse luchtvaartsector voldoet in de verste verte niet aan deze
resolutie”, zo vindt het LBBL. “Het mikt slechts op halvering van de CO2-emissie in 2050 ten opzichte van 2005. Dat komt uit op ruim 4 megaton CO2-emissie per jaar, evenveel als in 1990.”
Echte klimaatneutraliteit verdraagt geen groei. De luchtvaartsector
staat voor een grote opgave: innovatie, schonere en tegelijk duurzame
brandstoffen, veel minder vliegbewegingen en duurzaam reizen binnen
Europa met internationale treinen en bussen. Volgens het LBBL moet het
huidige aantal vliegbewegingen op Schiphol ten minste worden bevroren,
moet het luchtverkeer op regionale luchthavens afnemen en past de
opening van Lelystad Airport al helemaal niet meer in dit
klimaatneutrale plaatje. Verdergaande maatregelen die voor
klimaatneutraliteit van de luchtvaart in 2050 nodig zijn, moeten in
Europees verband genomen worden. Daarin dient Nederland een
voortrekkersrol op zich te nemen.
Einde persbericht
Toelichting en bronnen:
De brief van het LBBL aan de minister met bronvermeldingen staat op de website van het LBBL.
De betreffende resolutie d.d. 14 maart 2019 van het Europees Parlement staat hier.
De uitspraak over de bijdrage van de internationale lucht- en
scheepvaart aan de klimaatneutraliteit van de gehele EU-economie staat
in punt 32 van deze resolutie.
Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard)
(Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).
Inleiding
Veel mensen zijn abstract voor duurzame energie, maar concreet tegen als de voorgestelde invulling iets heeft wat hen niet uitkomt. Wind en mestvergisting zijn bekende voorbeelden. “Doe eerst maar wat anders” is de boodschap. Bij zonneparken op de grond is het niet anders. “Leg eerst de daken maar vol”, klinkt het. Maar er is helemaal geen sprake van een keuze, het is en en en.
Een leidinggevende studie als die van Bureau POSAD tbv de provincie Noord-Brabant gaat uit van een uit zonne-energie winbare hoeveelheid van 9,1PJ (op basis van 18km2 geschikt dak), 4,4PJ op oude storten (horend bij 11km2), en van 57,3PJ uit zonneparken in gemengd landelijk gebied (horend bij 143km2 zonnepark). Nu kan men nogal wat kritiek leveren op de rekenzuiverheid en de aannames van de studie, maar qua orde van grootte kloppen deze cijfers, als men van de aanname uitgaat dat Brabant zichzelf volledig energieneutraal zou willen maken op strikt duurzame basis. De gedachte dat je met daken kunt volstaan is dus quatsch – wie dat zegt, stelt eigenlijk voor om het grootste deel van het potentieel aan zonne-energie bij voorbaat af te schrijven.
Nu moet men POSAD ook anderszins relativeren. Brabant is ruim 5000km2, waarvan 2350km2 cultuurgrond. Tegen dat laatste cijfer moet die 143km2 worden afgezet.
Een andere tegenwerpingsargument is dat zonneparken de bodem en de natuur aantasten en gebied voor de landbouw onbruikbaar maken. Er gaan veel niet onderbouwde beweringen rond, die bevestigd noch ontkend kunnen worden. Een verzachtende factor is dat er überhaupt niet veel toegankelijke onderbouwing bestond. Aan dat laatste gebrek heeft Wageningen wat gedaan (volgende tussenkopje).
Maar ook hier weer enkele relativeringen van algemene aard. Nederland is de tweede agrarisch exporteur ter wereld (bruto; netto de derde). De landbouw is te groot voor Nederland en men kan zich perfect voorstellen Nederland (bruto) de vijfde of de zesde agrarisch exporteur zou zijn. Vele honderden km2 van Brabant zijn al bedekt met wegen, huizen en bedrijventerreinen (zie www.clo.nl/indicatoren/nl0061-bodemgebruikskaart-voor-nederland ), als regel allemaal vroegere landbouwgrond. Nogal wat boeren zijn rijk geworden aan de overdracht. Ook hier klinkt een toevoeging van bijvoorbeeld 143km2 zonnepark op Brabantse landbouwgrond niet meteen als het einde der tijden. Je hoort het argument ook niet als de A67 verbreed zou moeten worden of het voortbestaan van vliegveld Seppe gerekt moet worden, of als Bolcom in Waalwijk van 5 naar 10 hectare gaat.
Bodem, landbouw en biodiversiteit rond zonneparken
Wageningen University & Research (WUR, afdeling Environmental Research) heeft een kennisbasis gelegd (op basis van literatuuronderzoek) met de publicatie “Zonneparken, natuur en landbouw” dd april 2019 (http://edepot.wur.nl/475349 ). Veel literatuur bestaat er overigens nog niet.
De basale conclusie is dat er spanningsvelden zijn tussen bodem en landbouw enerzijds en zonneparken anderzijds, maar dat die niet absoluut zijn en niet altijd negatief uitpakken. En dat wat slecht is voor de landbouw, soms goed is voor de biodiversiteit.
De bodem Verder is de boodschap, dat de landbouw soms slecht is voor de bodem, en dat geen landbouw in die situaties tot natuurlijk herstel kan leiden (bijv. niet ploegen en geen mest uitrijden).
Dit alles op basis van deskundige natte vingers, die meestal naar de veronderstelde afname van het organisch materiaal wijzen en de bijbehorende afname van het bodemleven. Er groeien immers minder planten. Dit alles verondersteld, want er is nog nauwelijks experimenteel materiaal. Vooral als men na 20 of 30 jaar weer landbouw in het gebied wil ondernemen, zou dat om een langdurige hersteloperatie vragen. Als het zonnepark zonnepark blijft, zoals Woensel Woensel blijft en de A67 de A67, speelt dit probleem niet.
Er zijn echter knoppen waaraan gedraaid kan worden:
hoe groot de (combi)panelen zijn;
de netto-bruto verhouding van het park (het hoeveelste deel overdekt wordt door paneel);
de minimum- en maximumhoogte van de (combi)panelen boven de grond;
de oriëntatie (Oost-West of Zuidelijk);
of de combipanelen afwateringsspleten hebben (die bepalen of het water meer geconcentreerd of meer diffuus op de grond valt.
in welke omgeving je de panelen neerzet
De landbouw Draaien aan de knoppen kan de agrarische gevolgen voor de landbouw beperken. Combi-gebruik (agrarisch en zonnepark) is mogelijk, maar beide functies werken dan suboptimaal. Dat kan een goede afweging zijn. Men kan spreiden: er bestaan verrijdbare of opvouwbare panelen. Men kan ook panelen neerzetten als een vertikaal hek, liefst bifaciaal.
En er zijn gewassen die het in de schaduw niet veel slechts of zelfs beter doen, zoals aardappels.
En een niet te missen overweging is dat een hectare zonnepark momenteel beduidend meer geld opbrengt dan een hectare gewas.
De biodiversiteit De belangrijkste factor is wat er onder de panelen kan groeien. Als dat een grasland met kruiden is dat dekking geeft, of als er een bloemenmengsel ingezaaid is, kan het positief uitpakken.
Voor
zoogdieren is een zonnepark gewoon een stuk leefgebied. Als de omstandigheden
gunstig zijn, maken ze er graag gebruik van. Hazen houden van zonneparken.
Bij vogels
hangt het van de soort af en van de begroeiing onder de panelen. Er is geen
systematisch effect, behalve dat een min of meer verwilderd zonnepark meer
biodiversiteit biedt dan idem op intensieve landbouwgrond. PV-panelen leiden
niet of nauwelijks tot vogelsterfte.
Als de bodem onder het zonnepark kruidenrijk en bloemrijk gehouden wordt, kan het park gunstig zijn voor insecten (bijv. vlinders en hommels). Waterinsecten zien een paneel soms voor een wateroppervlak aan. Streepjes op de panelen schilderen helpt soms al, evenals niet te dicht bij de waterkant gaan zitten met je park.
Ecologisch
beheer tijdens, maar ook na de aanleg van het park is van groot belang. Dan kan
een zonnepark een verbetering zijn t.o.v. het intensieve bouwland, dat het
vervangt.
De LTO
De Land- en Tuinbouw Organisatie gaat flink te keer tegen zonneparken. Dit ongetwijfeld ook omdat zonneparken per hectare fors meer opbrengen dan gewassen (zie ook Grootschalige zonneparken als flankerend beleid in de veeteelt-transitie ). De uitlatingen zijn mogelijk ook voor de eigen achterban bedoeld.
De LTO vindt zonneparken een industriele bestemming. Dat kun je inderdaad vinden – wat niet anders zegt dan dat het zoveelste stuk landbouwgrond in bedrijventerrein veranderd is. Dat is niet voor het eerst. In plaats daarvan wil de LTO panelen op de grote daken van schuren en stallen. Daar is op zich niets mis mee, maar het levert veel te weinig op, zoals eerder gezegd. De LTO wil niet op de hoeveelheid landbouwgrond inleveren en is bang voor stijgende grondprijzen, wat vanuit hun standpunt logisch is. Maar nergens staat dat Nederland zijn absurd hoge landbouw-exporterende functie op dit niveau in stand moet houden. Misschien moeten we wel gewoon naar minder landbouw en minder landbouwgrond toe.
Tenslotte
mist de LTO regie. En daar hebben ze gelijk in.
Er is een nieuwe techniek, het superkritisch vergassen van natte biomassa. Dat kan van alles zijn, van zuiveringsslib tot drijfmest. Deze techniek verdient aandacht in de milieuhoek, Hij biedt zowel grote kansen als bedreigingen.
Wat is superkritisch vergassen? Bij superkritisch vergassen wordt natte biomassa verhit tot boven het kritische punt van water. Dat ligt bij 374°C en 221Bar (1 bar is ongeveer 1 atmosfeer).
Superkritisch diagram
Boven het kritisch punt gedraagt water zich geheel anders. Er is geen onderscheid meer tussen vloeibaar en gasvormig water. Het water verliest zijn polair karakter, waardoor organische stoffen ineens goed oplossen en zouten ineens slecht. Normaliter gaan chemische reacties dubbel zo snel als ze plaatsvinden bij 10°C meer. Bij 374°C of hoger gaan chemische reacties dus heel snel, zo snel dat bijna alle organische molekulen worden afgebroken. Alle zouten slaan neer en komen in een soort pekelslurrie terecht, die kan worden afgescheiden.
De afbraak leidt tot een menggas dat heeft ruwweg de verbrandingswaarde van biogas heeft en ook waterstof kan bevatten. De netto energiebalans van het systeem kan positief zijn en die energie komt voor een deel in bruikbare, want chemische, vorm vrij. Om het systeem te laten werken moet je eerst een heleboel water op minstens 374°C brengen. Dan gebeurt er van alles en uiteindelijk moet de temperatuur weer omlaag tot de oude waarde. De meeste afkoelende warmte kan worden gebruikt om het inkomende water voor te verwarmen, maar er blijft altijd een hoop water over van bijv. 50°C of zo. Je moet zo’n inrichting dus eigenlijk al bij voorbaat inpassen in een warmtenetwerk.
Het is heel erg nieuwe techniek. Eigenlijk een techniek die de universiteiten verlaten heeft maar daarbuiten nog niet tot grootschalige wasdom gekomen is. De techniek zit dus in de Valley of Death en zoals bekend, wordt die bevolkt door vele duivels die in vele details wonen. Je kunt er dus nog niet alles van zeggen.
Zuiveringsslib Stowa, het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven, heeft in Karlsruhe een eerste verkennend onderzoek laten doen naar de mogelijkheden om zuiveringsslib superkritisch te vergassen. Het tekent de situatie dat Stowa naar Karlsruhe moest, omdat de daar 50 tot 100 liter natte biomassa per uur kunnen doorvoeren, terwijl die capaciteit in Nederland in de milliliter/uur ligt.
Het eerste onderzoek is in 2016 gepubliceerd (zie www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202016/STOWA%202016-16.pdf ). Het is eigenlijk een goede tekst om enig inzicht te krijgen van wat de methode voorstelt. Daar staat onder andere dat ongeveer 95% van de organisch gebonden koolstof afgebroken wordt. Interessant is dan wat er in die overblijvende paar procent zit. Het onderzoek vermeldt niet wat er specifiek met bijv. bestrijdingsmiddelen gebeurt. De koolstof-fluorbinding (zoals bijv. in fipronil) is sterk.
Mogelijke samenstelling van het menggas na superkritische vergassing
In de specifieke toepassing ‘zuiveringsslib” heeft het menggas ongeveer bovenstaande samenstelling.
Proefcontainer voor superkritische vergassing van twee Brabantse waterschappen
Bewerking van biomassa en mest en de proeffabriek Waar toepassing van deze techniek op zuiveringsslib vooral voordelen biedt, bestaan er bij het bewerken van biomassa zowel voor- als nadelen. Ook mest is natte biomassa.
De discussie is niet hypothetisch, want er is onlangs in Alkmaar een proeffabriek geopend van SCW-systems (zie https://scwsystems.com/ onder het hoofdje Cleanip Gas). Deze wordt gesteund door RVO, de provincie Noord-Holland en de Gasunie (en dus de PGGM).
Stroomschema van de proeffabriek
De techniek heeft zeker voordelen. De inrichting levert warmte en groen gas op en vernietigt op efficiente wijze het overgrote deel (zo niet alle) micro-organismen, virussen, sommige bestrijdingsmiddelen, de meeste of alle medicijnresten en hormonen. Er is nu eenmaal weinig dat 374°C of meer overleeft. Verder worden nitraat en fosfaat-zouten in een geconcentreerde vorm afgescheiden. Ze kunnen dus gemakkelijker uit het grond- en oppervlaktewater gehouden worden. Waarschijnlijk stinkt het eindproduct niet meer. De website van de fabriek geeft geen informatie wat er met chloor- en fluorhoudende organische verbindingen gebeurt. Het is mij dus niet duidelijk in hoeverre dit aspect van het milieu gebaat is bij deze natte vergassing.
infographic SCW-systems en Gasunie dd feb 2022
De mogelijke nadelen zitten in de context. De paradox daarbij is dat de kracht van het systeem tevens de zwakte is.
Ten eerste het aantal dieren. Dat wordt gereguleerd via de hoeveelheid mest die op het land mag worden uitgereden, en die hoeveelheid wordt op zijn beurt uitgedrukt in een aantal kg fosfaat per hectare. De gangbare vergisting van mest heeft geen invloed op het aantal dieren (of een zwak remmende invloed bij covergisting), omdat digestaat, het eindproduct van de vergisting, juridisch nog steeds mest is en scheikundig nog steeds evenveel fosfaat bevat. Het eindproduct van superkritische vergassing is zeker in juridische zin geen mest meer. Het is groen gas, schoon water en een slurrie aan anorganische zouten. Er vervalt dus een beschermingsconstructie tegen een groter aantal dieren. Maar de veeteelt veroorzaakt meer problemen dan alleen het mestprobleem. Omwonenden zullen een groter aantal dieren nog steeds niet leuk vinden.
Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten
Ten tweede de bodem. Het gehalte aan organische stof in de bodem is het resultaat van een ingewikkelde balans tussen continue aanvoer en continue afvoer. Gemiddeld over heel Nederland is die balans momenteel in evenwicht. Maar de balans kan per grondsoort, en in hetzelfde gebied van perceel tot perceel verschillen en hangt mede af van de agrarische bedrijfsvoering. Die organische stof levert belangrijke ecodiensten: waterberging, koolstofopslag, biodiversiteit, gewasopbrengsten. Ik denk dat er wel wat rek zit in de mest en bodem – romantiek van de biologische landbouw. Maar zeker niet zoveel dat je zonder enige vorm van aanvoer van organische stof kunt. De vraag is de superkritische vergister indirect de koolstof in de bodem op gaat stoken. Bij gangbare vergisting speelt dit probleem veel minder, omdat grofweg tweederde van de inkomende biomassa niet vergist wordt, waaronder het moeilijkst afbreekbare deel.
het belang van de bodem voor ecosysteemdiensten
Ten derde het verband met de afvalverwerking. Sommige soorten afval kun je zien als natte biomassa. Mogelijk kan superkritische vergassing nieuwe impulsen geven aan de afvalverwerking. Maar aan de andere kant is een dergelijk systeem, behalve superkritisch, ook super fraudegevoelig. Wat gebeurt er als iemand er een zak drugsafval in mikt of een lading fipronileieren?
Een van de twee ruimtelijke vormen van fipronil. Wat gebeurt er met die fluoratomen?
De website van SCW Systems kijkt slechts met dollartekens in de ogen naar de energetische opbrengst. Op zich is daar niets mis mee, zolang de gevolgen in de hand gehouden worden. Dat betekent andere politiek die het nieuwe systeem inkadert in een groter geheel.
Als men niet meer met de fosfaatwetgeving het aantal dieren in de hand zou kunnen houden, moet dat op andere manieren gebeuren. Nu is het organische stof – gehalte een kwestie van de individuele boer. Men zou dat moeten veranderen in die zin, dat er een richtinggevende bodempolitiek ontwikkeld zou moeten worden. Ik kan niet goed beoordelen of de bestaande afvalverwerking ingesteld is op deze nieuwe techniek. Mogelijk wel – en dan de handhaving nog.
Milieumensen doen er goed aan om zich in deze techniek in te lezen.
Het LBBL (Landelijk Burger Beraad Luchtvaart) heeft op 02 mei
een brief geschreven aan minister Van Nieuwenhuizen van I&W, waarin
staat dat de minister vanwege het klimaat veel strenger moet zijn voor
de luchtvaartmaatschappijen.
BVM2 maakt deel uit van het LBBL.
Hieronder geven wij het eerste deel van de brief, met een link naar de hele brief.
Geachte mevrouw Van Nieuwenhuizen, 02 mei 2019
Het Landelijk Burgerberaad Luchtvaart (LBBL) verzoekt u dringend alle beleidsstrategieën voor de Luchtvaartnota 2020-2050 te onderwerpen aan de stringente klimaatopgaven van zowel het Klimaatakkoord van Parijs als die van de EU voor internationale luchtvaart. Het daarvoor vereiste reductietempo van broeikasgassen verdraagt geen volumegroei van de luchtvaart. Volumegroei is voor het op peil houden van de bereikbaarheid van onze economie niet noodzakelijk. Binnen Europa is aanzienlijke volumereductie van vliegverkeer mogelijk door luchtverbindingen te vervangen door een in prijs en kwaliteit gedifferentieerd aanbod van spoor- en busvervoer. Dit vraagt onder meer voortvarende uitbouw van het Hsl-spoornet, comfortverhoging en een gelijk speelveld van vliegtickets met de vervoerprijzen van de Hsl en andere duurzame vervoersalternatieven in Europa. Daarmee moet het economisch-, sociaal- en toeristisch verkeer binnen Europa in voldoende mate worden bediend bij een sterk verminderde klimaatbelasting. Dit verdient een belangrijke plaats in uw nieuwe luchtvaart-nota.