Protest tegen nieuwe omgevingsvergunning Vion Boxtel – Vion geeft toe (update)

Update:
Vion gaat de geuroverlast onderzoeken en aanpakken!

In een persbericht dd 07 mei 2019 meldt Vion, dat het in opdracht van B&W van Boxtel onderzoek gaat doen naar verdere bestrijding van geuroverlast door het bedrijf. Dat moet gebeuren door naar de Best Beschikbare Technieken te kijken, en naar het eventueel aanscherpen van interne procedures.
Insteek van B&W is dat Vion niet meer stinkt.

Er wordt ook gekeken naar andere zaken, die niet verantworodelijk zijn voor de stank, maar mogelijk wel een probleem zijn of kunnen worden, zoals de extra verkeersbewegingen en dierenwelzijn. Ook wordt gekeken naar maatregelen op het sociale vlak.

Voor het volledige persbericht zie

Daarnaast (maar dat staat niet in het persbericht) is de afvalwaterzuivering besproken, die in het verleden voor legionellabesmettingen gezorgd heeft.

Vion
De Vion Groep is een multinational die grote aantallen varkens en koeien doodt en daar vlees en vleesproducten van maakt. In de illustratie de mondiale cijfers (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Vion_N.V. ).

Het hoofdkantoor zit in de Brabantse plaats Boxtel. Daar zit tevens een belangrijke productievestiging. Dat is veruit de grootste varkensslachter van Nederland. In Boxtel worden dagelijks 20.000 varkens gedood (100.000 per week)

De Vion Groep is aan het reorganiseren. De recentste stap is het voornemen om de verwerking van reeds geslachte varkens, die nu in Scherpenzeel plaatsvindt, naar Boxtel over te brengen (in Scherpenzeel wordt niet geslacht). Dat scheelt in de transportbewegingen. Het aantal werknemers in Boxtel zal daardoor van 1800 naar 2400 stijgen.

Vion is van de boerenorganisatie ZLTO (Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie).

De vergunning
Vion Boxtel draait op basis van een WABO-vergunning uit 2015, bedoeld voor een toenmalige uitbreiding (fase 1). Vion heeft dit plan verder uitgewerkt en wil nu een tweede vergunning (fase 2 dd maart 2019). Dit is enerzijds een bouwvergunning, anderzijds een milieuvergunning voor enkele ondergeschikte aanpassingen.
De 2019-aanvraag spreekt met geen woord over aanpassingen van de anti-geurvoorzieningen. Mogelijk staan er passages over dit onderwerp in de 2015-vergunning, maar dat is nog niet duidelijk. In de luchtkwaliteitspassage uit 2015, die als bijlage bij 2019 zat, staat niets over geur.

Protesten
De vergunningsaanvraag voor de verplaatsing van de Scherpenzeelse vleesbewerking naar Boxtel leidt in Boxtel tot veel protest.
Eigenlijk vloeit dit protest meer uit de bestaande dan uit de toekomstige situatie voort.

Er zijn twee categorieën bezwaren.

Transitie Boxtel ( http://www.transitieboxtel.nl/ ) formuleert in de mooi Boxtelkrant van 24 april 2019 bezwaren tegen het doel van Vion als zodanig. Transitie Boxtel vindt dat het vleesverbruik fors moet dalen, en dus ook de omzet van Vion Boxtel.

Daarnaast stinkt Vion Boxtel.
Daartegen heeft een alliantie van Transitiemensen, bewoners van appartementencompex Stapelen en andere mensen, een petitie georganiseerd, gericht op de gemeente Boxtel. De petitie spreekt van “…. Jarenlang ergernis over de toenemende stank- en verkeersoverlast. Tot ver in Boxtel wordt men niet goed van de smerige weeë mest- en kadaverlucht.” Ook worden zorgen uitgesproken over de geluidsoverlast, de uitstoot en de recente Legionellabesmettingen door de afvalwaterzuivering van Vion (waar overigens de vergunning niet over gaat bg).
De petitie is inmiddels ruim 800 keer ondertekend.

Er zijn bewezen klachten. Iemand heeft dat opgevraagd bij het provinciaal meldpunt stankoverlast. In het eerste kwartaal van 2019 zijn er bij de Omgevingsdienst 24 klachten uit Boxtel binnengekomen, waarvan 8 zeker en 8 mogelijk van Vion, en 8 niet.

Inmiddels heeft Frans Sannen, namens de SP, raadsvragen gesteld ( https://boxtel.sp.nl/nieuws/2019/04/sp-wil-vermindering-stankoverlast-vion ).

De juridische situatie
Ik heb de Boxtelse alliantie enig advies gegeven.

De bottom line voor geurklachten door slachterijen is wat er in het Aktiviteitenbesluit staat, met bijbehorende Ministeriele Regeling. Als dat alles zou zijn, zou de Vion aan dezelfde regels moeten voldoen als de slager op de hoek.
Boven het Activiteitenbesluit bestaan er voor slachterijen geen expliciete regels. Er staat slechts (art. 2.7a) dat ‘ …. geurhinder bij geurgevoelige objecten moet worden voorkomen, dan wel …. tot een aanvaardbaar niveau beperkt’.
Als het bevoegd gezag (in dit geval B&W van Boxtel) het redelijke vermoeden heeft dat hier niet aan voldaan is, kunnen ze een geuronderzoek doen. Er worden een aantal aandachtspunten genoemd die daar zeker in moeten zitten. En als het bevoegd gezag de hinder onaanvaardbaar vindt, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften eisen, waaronder emissie- of immissienormen en/of technische maatregelen.

Met andere woorden, aanvaardbaar is wat B&W aanvaardbaar vinden.
Blijkbaar heeft een vroeger College van B&W te soepele maatwerkvoorschriften uitgevaardigd, waardoor nu Boxtel in de stank zit.
Het huidige College van B&W kan op dezelfde wijze vinden dat de bestaande technische voorzieningen (indien aanwezig) nu te soepel zijn, en een (nieuw) onderzoek opstarten dat uitmondt in (nieuwe) technische voorzieningen.
Vandaar mijn advies om een petitie richting College van B&W te starten.

Sannen (van de SP) maakte in zijn vragen een vergelijking met Coppens Diervoeders op het BZOB-terrein in Helmond (zie …https://www.bjmgerard.nl/?p=2147 ). Coppens lag ook jaren op ramkoers met de omgeving over de stank, maar nam, om van het gezeur af te zijn, bovenwettelijke maatregelen om zijn geurmolekulen kapot te oxideren. Daarnaast een hogere schoorsteen. Sindsdien zijn er geen klachten meer over Coppens Diervoeders.
Sannen heeft naar de geest gelijk, maar naar de letter niet helemaal omdat de diervoederindustrie een aparte wettelijke status heeft. Daarin zijn boven het Activiteitenbesluit wel expliciete wettelijke regels opgenomen. Het begrip ‘bovenwettelijk’ is zodoende gedefinieerd. Bij slachterijen bestaat er, naast het Activiteitenbesluit, geen andere expliciete regelgeving. Alles wat boven het Activiteitenbesluit uitgaat is dus in zekere zin al ‘bovenwettelijk’.  De vraag is niet of het bovenwettelijk is, maar in welke mate het bovenwettelijk moet zijn. Meer dus dan tot nu toe, om aan de petitie tegemoet te komen.

Stank is bestrijdbaar. De destructor in Son en Breugel (tegenwoordig Rendac) verwerkt de dode beesten uit half Nederland en verspreidde in zijn ‘hoogtijdagen’ ook een wade van lijkenlucht over de wijde omgeving. Op een gegeven moment is dat verholpen met zware filters, uitsluitend inpandige operaties, gedisciplineerde bedrijfsvoering, onderdruk. Nu merk je er nauwelijks nog iets van.
Zoiets zou ook met de Vion moeten kunnen, mogelijk zelfs met minder moeite.

Ik volg hoe dit verder loopt.

Zonneparken, natuur en landbouw

Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard) (Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Inleiding

Veel mensen zijn abstract voor duurzame energie, maar concreet tegen als de voorgestelde invulling iets heeft wat hen niet uitkomt. Wind en mestvergisting zijn bekende voorbeelden. “Doe eerst maar wat anders” is de boodschap.
Bij zonneparken op de grond is het niet anders. “Leg eerst de daken maar vol”, klinkt het. Maar er is helemaal geen sprake van een keuze, het is en en en.

Een leidinggevende studie als die van Bureau POSAD tbv de provincie Noord-Brabant gaat uit van een uit zonne-energie winbare hoeveelheid van 9,1PJ (op basis van 18km2 geschikt dak), 4,4PJ op oude storten (horend bij 11km2), en van 57,3PJ uit zonneparken in gemengd landelijk gebied (horend bij 143km2 zonnepark). Nu kan men nogal wat kritiek leveren op de rekenzuiverheid en de aannames van de studie, maar qua orde van grootte kloppen deze cijfers, als men van de aanname uitgaat dat Brabant zichzelf volledig energieneutraal zou willen maken op strikt duurzame basis. De gedachte dat je met daken kunt volstaan is dus quatsch – wie dat zegt, stelt eigenlijk voor om het grootste deel van het potentieel aan zonne-energie bij voorbaat af te schrijven.

Nu moet men POSAD ook anderszins relativeren. Brabant is ruim 5000km2, waarvan 2350km2 cultuurgrond. Tegen dat laatste cijfer moet die 143km2 worden afgezet.

Een andere tegenwerpingsargument is dat zonneparken de bodem en de natuur aantasten  en gebied voor de landbouw onbruikbaar maken. Er gaan veel niet onderbouwde beweringen rond, die bevestigd noch ontkend kunnen worden. Een verzachtende factor is dat er überhaupt niet veel toegankelijke onderbouwing bestond. Aan dat laatste gebrek heeft Wageningen wat gedaan (volgende tussenkopje).

Maar ook hier weer enkele relativeringen van algemene aard.
Nederland is de tweede agrarisch exporteur ter wereld (bruto; netto de derde). De landbouw is te groot voor Nederland en men kan zich perfect voorstellen Nederland (bruto) de vijfde of de zesde agrarisch exporteur zou zijn.
Vele honderden km2 van Brabant zijn al bedekt met wegen, huizen en bedrijventerreinen (zie www.clo.nl/indicatoren/nl0061-bodemgebruikskaart-voor-nederland ), als regel allemaal vroegere landbouwgrond. Nogal wat boeren zijn rijk geworden aan de overdracht. Ook hier klinkt een toevoeging van bijvoorbeeld 143km2 zonnepark op Brabantse landbouwgrond niet meteen als het einde der tijden. Je hoort het argument ook niet als de A67 verbreed zou moeten worden of het voortbestaan van vliegveld Seppe gerekt moet worden, of als Bolcom in Waalwijk van 5 naar 10  hectare gaat.

Bodem, landbouw en biodiversiteit rond zonneparken

Wageningen University & Research (WUR, afdeling Environmental Research) heeft een kennisbasis gelegd (op basis van literatuuronderzoek) met de publicatie “Zonneparken, natuur en landbouw” dd april 2019 (http://edepot.wur.nl/475349 ). Veel literatuur bestaat er overigens nog niet.

De basale conclusie is dat er spanningsvelden zijn tussen bodem en landbouw enerzijds en zonneparken anderzijds, maar dat die niet absoluut zijn en niet altijd negatief uitpakken. En dat wat slecht is voor de landbouw, soms goed is voor de biodiversiteit.

De bodem
Verder is de boodschap, dat de landbouw soms slecht is voor de bodem, en dat geen landbouw in die situaties tot natuurlijk herstel kan leiden (bijv. niet ploegen en geen mest uitrijden).

Dit alles op basis van deskundige natte vingers, die meestal naar de veronderstelde afname van het organisch materiaal wijzen en de bijbehorende afname van het bodemleven.  Er groeien immers minder planten. Dit alles verondersteld, want er is nog nauwelijks experimenteel materiaal.
Vooral als men na 20 of 30 jaar weer landbouw in het gebied wil ondernemen, zou dat om een langdurige hersteloperatie vragen. Als het zonnepark zonnepark blijft, zoals Woensel Woensel blijft en de A67 de A67, speelt dit probleem niet.

Er zijn echter knoppen waaraan gedraaid kan worden:

  • hoe groot de (combi)panelen zijn;
  • de netto-bruto verhouding van het park (het hoeveelste deel overdekt wordt door paneel);
  • de minimum- en maximumhoogte van de (combi)panelen boven de grond;
  • de oriëntatie (Oost-West of Zuidelijk);
  • of de combipanelen afwateringsspleten hebben (die bepalen of het water meer geconcentreerd of meer diffuus op de grond valt.
  • in welke omgeving je de panelen neerzet

De landbouw
Draaien aan de knoppen kan de agrarische gevolgen voor de landbouw beperken. Combi-gebruik (agrarisch en zonnepark) is mogelijk, maar beide functies werken dan suboptimaal. Dat kan een goede afweging zijn.
Men kan spreiden: er bestaan verrijdbare of opvouwbare panelen.
Men kan ook panelen neerzetten als een vertikaal hek, liefst bifaciaal.

En er zijn gewassen die het in de schaduw niet veel slechts of zelfs beter doen, zoals aardappels.

En een niet te missen overweging is dat een hectare zonnepark momenteel beduidend meer geld opbrengt dan een hectare gewas.

De biodiversiteit
De belangrijkste factor is wat er onder de panelen kan groeien. Als dat een grasland met kruiden is dat dekking geeft, of als er een  bloemenmengsel ingezaaid is, kan het positief uitpakken.

Voor zoogdieren is een zonnepark gewoon een stuk leefgebied. Als de omstandigheden gunstig zijn, maken ze er graag gebruik van. Hazen houden van zonneparken.

Bij vogels hangt het van de soort af en van de begroeiing onder de panelen. Er is geen systematisch effect, behalve dat een min of meer verwilderd zonnepark meer biodiversiteit biedt dan idem op intensieve landbouwgrond. PV-panelen leiden niet of nauwelijks tot vogelsterfte.

Als de bodem onder het zonnepark kruidenrijk en bloemrijk gehouden wordt, kan het park gunstig zijn voor insecten (bijv. vlinders en hommels).
Waterinsecten zien een paneel soms voor een wateroppervlak aan. Streepjes op de panelen schilderen helpt soms al, evenals niet te dicht bij de waterkant gaan zitten met je park.

Ecologisch beheer tijdens, maar ook na de aanleg van het park is van groot belang. Dan kan een zonnepark een verbetering zijn t.o.v. het intensieve bouwland, dat het vervangt.

De LTO

De Land- en Tuinbouw Organisatie gaat flink te keer tegen zonneparken. Dit ongetwijfeld ook omdat zonneparken per hectare fors meer opbrengen dan gewassen (zie ook Grootschalige zonneparken als flankerend beleid in de veeteelt-transitie ). De uitlatingen zijn mogelijk ook voor de eigen achterban bedoeld.

Zie www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2019/5/LTO-zonnecentrales-volstrekt-onacceptabel-423878E/?cmpid=NLC|boerderij_vandaag|2019-05-03|LTO:_zonnecentrales_volstrekt_onacceptabel .

De LTO vindt zonneparken een industriele bestemming. Dat kun je inderdaad vinden – wat niet anders zegt dan dat het zoveelste stuk landbouwgrond in bedrijventerrein veranderd is. Dat is niet voor het eerst.
In plaats daarvan wil de LTO panelen op de grote daken van schuren en stallen. Daar is op zich niets mis mee, maar het levert veel te weinig op, zoals eerder gezegd.
De LTO wil niet op de hoeveelheid landbouwgrond inleveren en is bang voor stijgende grondprijzen, wat vanuit hun standpunt logisch is. Maar nergens staat dat Nederland zijn absurd hoge landbouw-exporterende functie op dit niveau in stand moet houden. Misschien moeten we wel gewoon naar minder landbouw en minder landbouwgrond toe.

Tenslotte mist de LTO regie. En daar hebben ze gelijk in.

Superkritisch vergassen van natte biomassa (update dd 06 mei 2019)

Er is een nieuwe techniek, het superkritisch vergassen van natte biomassa. Dat kan van alles zijn, van zuiveringsslib tot drijfmest. Deze techniek verdient aandacht in de milieuhoek, Hij biedt zowel grote kansen als bedreigingen.

De oplossing kan het probleem worden.

Update: op 24 april 2019 stond het initiatief groot in de krant . Het nieuwe nieuws was dat pensioenbelegger PGGM (van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn) met geld in dit initiatief gaat zitten. Op https://www.pggm.nl/persberichten/pfzw-investeert-in-revolutionaire-groene-energietechnologie/ staat een heel verhaal. Er staat alleen niet bij hoeveel geld PGGM erin stopt.

Wat is superkritisch vergassen?
Bij superkritisch vergassen wordt natte biomassa verhit tot boven het kritische punt van water. Dat ligt bij 374°C en 221Bar (1 bar is ongeveer 1 atmosfeer).

Superkritisch diagram

Boven het kritisch punt gedraagt water zich geheel anders. Er is geen onderscheid meer tussen vloeibaar en gasvormig water. Het water verliest zijn polair karakter, waardoor organische stoffen ineens goed oplossen en zouten ineens slecht.
Normaliter gaan chemische reacties dubbel zo snel als ze plaatsvinden bij 10°C meer. Bij 374°C of hoger gaan chemische reacties dus heel snel, zo snel dat bijna alle organische molekulen worden afgebroken. Alle zouten slaan neer en komen in een soort pekelslurrie terecht, die kan worden afgescheiden.

De afbraak leidt tot een menggas dat heeft ruwweg de verbrandingswaarde van biogas heeft en ook waterstof kan bevatten. De netto energiebalans van het systeem kan positief zijn en die energie komt voor een deel in bruikbare, want chemische, vorm vrij.
Om het systeem te laten werken moet je eerst een heleboel water op minstens 374°C brengen. Dan gebeurt er van alles en uiteindelijk moet de temperatuur weer omlaag tot de oude waarde. De meeste afkoelende warmte kan worden gebruikt om het inkomende water voor te verwarmen, maar er blijft altijd een hoop water over van bijv. 50°C of zo. Je moet zo’n inrichting dus eigenlijk al bij voorbaat inpassen in een warmtenetwerk.

Het is heel erg nieuwe techniek. Eigenlijk een techniek die de universiteiten verlaten heeft maar daarbuiten nog niet tot grootschalige wasdom gekomen is. De techniek zit dus in de Valley of Death en zoals bekend, wordt die bevolkt door vele duivels die in vele details wonen. Je kunt er dus nog niet alles van zeggen.

Zuiveringsslib
Stowa, het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven, heeft in Karlsruhe een eerste verkennend onderzoek laten doen naar de mogelijkheden om zuiveringsslib superkritisch te vergassen. Het tekent de situatie dat Stowa naar Karlsruhe moest, omdat de daar 50 tot 100 liter natte biomassa per uur kunnen doorvoeren, terwijl die capaciteit in Nederland in de milliliter/uur ligt.

Het eerste onderzoek is in 2016 gepubliceerd (zie www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202016/STOWA%202016-16.pdf ). Het is eigenlijk een goede tekst om enig inzicht te krijgen van wat de methode voorstelt.
Daar staat onder andere dat ongeveer 95% van de organisch gebonden koolstof afgebroken wordt. Interessant is dan wat er in die overblijvende paar procent zit. Het onderzoek vermeldt niet wat er specifiek met bijv. bestrijdingsmiddelen gebeurt. De koolstof-fluorbinding (zoals bijv. in fipronil) is sterk.

Mogelijke samenstelling van het menggas na superkritische vergassing

In de specifieke toepassing ‘zuiveringsslib” heeft het menggas ongeveer bovenstaande samenstelling.

Een recent vervolgonderzoek aan de Supersludge (waarin Stowa, de waterschappen De Dommel en Aa en Maas, en Slibverwerkinng NBrabant deelnemen) is gepubliceerd in juli 2018. Zie www.stowa.nl/publicaties/supersludge-demonstratie-van-zuiveringsslib-superkritisch-water .

Proefcontainer voor superkritische vergassing van twee Brabantse waterschappen

Bewerking van biomassa en mest en de proeffabriek
Waar toepassing van deze techniek op zuiveringsslib vooral voordelen biedt, bestaan er bij het bewerken van biomassa zowel voor- als nadelen. Ook mest is natte biomassa.

De discussie is niet hypothetisch, want er is onlangs in Alkmaar een proeffabriek geopend van SCW-systems (zie https://scwsystems.com/  onder het hoofdje Cleanip Gas). Deze wordt gesteund door RVO, de provincie Noord-Holland en de Gasunie (en dus de PGGM).

Stroomschema van de proeffabriek

De techniek heeft zeker voordelen. De inrichting levert warmte en groen gas op en vernietigt op efficiente wijze het overgrote deel (zo niet alle) micro-organismen, virussen, sommige bestrijdingsmiddelen, de meeste of alle medicijnresten en hormonen. Er is nu eenmaal weinig dat 374°C of meer overleeft.
Verder worden nitraat en fosfaat-zouten in een geconcentreerde vorm afgescheiden. Ze kunnen dus gemakkelijker uit het grond- en oppervlaktewater gehouden worden.
Waarschijnlijk stinkt het eindproduct niet meer.
De website van de fabriek geeft geen informatie wat er met chloor- en fluorhoudende organische verbindingen gebeurt. Het is mij dus niet duidelijk in hoeverre dit aspect van het milieu gebaat is bij deze natte vergassing.

infographic SCW-systems en Gasunie dd feb 2022

De mogelijke nadelen zitten in de context. De paradox daarbij is dat de kracht van het systeem tevens de zwakte is.

Ten eerste het aantal dieren.
Dat wordt gereguleerd via de hoeveelheid mest die op het land mag worden uitgereden, en die hoeveelheid wordt op zijn beurt uitgedrukt in een aantal kg fosfaat per hectare.
De gangbare vergisting van mest heeft geen invloed op het aantal dieren (of een zwak remmende invloed bij covergisting), omdat digestaat, het eindproduct van de vergisting, juridisch nog steeds mest is en scheikundig nog steeds evenveel fosfaat bevat.
Het eindproduct van superkritische vergassing is zeker in juridische zin geen mest meer. Het is groen gas, schoon water en een slurrie aan anorganische zouten. Er vervalt dus een beschermingsconstructie tegen een groter aantal dieren. Maar  de veeteelt veroorzaakt meer problemen dan alleen het mestprobleem. Omwonenden zullen een groter aantal dieren nog steeds niet leuk vinden.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten

Ten tweede de bodem.
Het gehalte aan organische stof in de bodem is het resultaat van een ingewikkelde balans tussen continue aanvoer en continue afvoer. Gemiddeld over heel Nederland is die balans momenteel in evenwicht. Maar de balans kan per grondsoort, en in hetzelfde gebied van perceel tot perceel verschillen en hangt mede af van de agrarische bedrijfsvoering.
Die organische stof levert belangrijke ecodiensten: waterberging, koolstofopslag, biodiversiteit, gewasopbrengsten.
Ik denk dat er wel wat rek zit in de mest en bodem – romantiek van de biologische landbouw. Maar zeker niet zoveel dat je zonder enige vorm van aanvoer van organische stof kunt. De vraag is de superkritische vergister indirect de koolstof in de bodem op gaat stoken.
Bij gangbare vergisting speelt dit probleem veel minder, omdat grofweg tweederde van de inkomende biomassa niet vergist wordt, waaronder het moeilijkst afbreekbare deel.

het belang van de bodem voor ecosysteemdiensten

Ten derde het verband met de afvalverwerking.
Sommige soorten afval kun je zien als natte biomassa. Mogelijk kan superkritische vergassing nieuwe impulsen geven aan de afvalverwerking. Maar aan de andere kant is een dergelijk systeem, behalve superkritisch, ook super fraudegevoelig. Wat gebeurt er als iemand er een zak drugsafval in mikt of een lading fipronileieren?

Een van de twee ruimtelijke vormen van fipronil. Wat gebeurt er met die fluoratomen?

De website van SCW Systems kijkt slechts met dollartekens in de ogen naar de energetische opbrengst. Op zich is daar niets mis mee, zolang de gevolgen in de hand gehouden worden. Dat betekent andere politiek die het nieuwe systeem inkadert in een groter geheel.

Als men niet meer met de fosfaatwetgeving het aantal dieren in de hand zou kunnen houden, moet dat op andere manieren gebeuren.
Nu is het organische stof – gehalte een kwestie van de individuele boer. Men zou dat moeten veranderen in die zin, dat er een richtinggevende bodempolitiek ontwikkeld zou moeten worden.
Ik kan niet goed beoordelen of de bestaande afvalverwerking ingesteld is op deze nieuwe techniek. Mogelijk wel – en dan de handhaving nog.

Milieumensen doen er goed aan om zich in deze techniek in te lezen.

Het objectiveren van de geur van varkensbedrijven

De context
De vergunningverlening aan veehouderijen op geurgebied stemt tot niemands genoegen.
Op de eerste plaats omdat momenteel in vergunningen middelen worden voorgeschreven (bijvoorbeeld een luchtwasser), maar geen doelen (bijvoorbeeld een toevoeging aan de ammoniakachtergrond die kleiner is dan een gespecificeerd getal). Doelvoorschriften zijn in de milieukunde gebruikelijk. Dat de oppervlakte binnen de 35Ke-contour rond Eindhoven Airport kleiner moet zijn dan 10,3km2 is bijvoorbeeld een doelvoorschrift.
Dat dat gebeurt (de tweede plaats) is bij gebrek aan beter. Er bestaat geen wetenschappelijk systeem dat reproduceerbaar ‘geurstoffen’ kan meten. Het OU-systeem is in essentie niet wetenschappelijker dan betogen over de fruitige afdronk en het nootmuskaatvleugje in rode wijn.
Gegeven dit alles (ten derde) wordt het effect van een stal op de omgeving gebaseerd op rekenmodellen, met daaronder ‘forfaitaire aannames’. Een kraamzeug staat in de Regeling Ammoniak en Veehouderij ( https://wetten.overheid.nl/BWBR0013629/2019-01-01 ) , categorie D 1.2.5, mestgoot met mestafvoersysteem voor 3.2 kg ammoniak per jaar. Maar de ene zeug is de andere niet, de ene luchtwasser niet de andere en idem de exploiterende boer. En bovendien heb je dan alleen een cijfer voor ammoniak, maar niet voor de veelheid aan andere stankstoffen.
Daardoor kan het gebeuren dat een veehouderij, die aan de middelen-voorschriften voldoet, toch stinkt. En kan een boer die zijn bedrijf beter runt dan gemiddeld, dat niet laten zien.
Ten vierde is het moeilijk om de aanvaardbaarheid (en daarmee de vergunbaarheid) van nieuwe stalconcepten vast te stellen. Immers, hoe moet men die aanvaardbaarheid vaststellen?

De wazigheid ondermijnt op het platteland het onderlinge vertrouwen.

Een pilot om stank kwantitatief te meten
Er is behoefte aan een systeem dat een complexe zaak als ‘geur’ betrouwbaar kan meten.

De provincie Noord-Brabant heeft een pilot opgestart (uitgevoerd door Connecting Agri&Food – CAF) bij vijf Brabantse varkensbedrijven (in Reusel de Mierden, Sint Antonis, Bernheze, Boekel en Someren). Om het complexe probleem niet nog complexer te maken, zijn gebieden uitgezocht waar geen conflicten bestonden.
De deelnemende boeren moesten elk twee buren uitzoeken.
Boeren en buren kregen een logboek, waar ze, in de tweede en derde week van november 2018, hun handelingen respectievelijk ervaringen moesten noteren.

Bij één bedrijf werden sensoren in de stal gezet, bij alle vijf de boeren buiten de stal, en ook bij de buren. Een en ander vroeg om een hoop gepionier. De sensoren moeten nogal wat kunnen hebben, en een grote meetrange. Binnen de stal heb je hoge concentraties, erbuiten zit je vaak tegen de ondergrens aan van wat de sensoren kunnen meten (vandaar de stapsgewijze uitkomsten). Het bedrijf Whysor moet hier met waardering genoemd worden.

Eén type sensor mat alleen ammoniak (NH3 ), één type diende voor zwavelwaterstof (waterstofsulfide, H2S) en één type voor een pakket aan Vluchtige Organische Componenten (VOC), zoals die hierboven in de tabel staan.
De VOC-groep blijft, door technische problemen, in praktijk voornamelijk beperkt tot indicatieve uitkomsten (de eerste VOC-sensor bleek vooral op de luchtvochtigheid te reageren en is vervangen). ‘Oude’ VOC-metingen hebben nog betrekkelijk weinig waarde.
De sensoren maten om de vijf minuten en gaven de resultaten door aan een automatisch datalog-systeem, dat naast de directe meting ook voortschrijdende 2 uurs-gemiddeldes produceerde.

Geur is (net als geluid) een mengsel van objectieve en subjectieve factoren.
Er zijn concentraties (net als er deciBellen zijn), maar er zijn ook belevingsaspecten – de neus zit zogezegd tussen de oren. Dat weerspiegelt zich in per individu zeer uiteenlopende geurdrempels.

Het is gepast om de nodige relativeringen uit te spreken, en er moet inderdaad nog veel gebeuren, maar dat gezegd zijnde liggen er toch interessante resultaten.

De gegevens zijn in de maat ‘ppm’, waar µgr/m3 gebruikelijker is (ook in de regelgeving).
1 ppm ammoniak = 706 µgr/m3 en 1 ppm zwavelwaterstof = 1412 µgr/m3.

De groene punten zijn de H2S-niveaus in de stal, de blauwe buiten de stal, en de rode bij de buren.
De stapsgewijze uitkomsten zijn omdat de sensor aan de onderkant van zijn bereik gebruikt wordt.
De pieken treden op als de varkens gevoerd worden.
Voor zover bekend, treden bij dit soort concentraties bij mensen nog geen medische effecten op (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Waterstofsulfide ). Het stinkt wel in die stal.

Windrichting en windsnelheid hebben invloed op de hinder

De tekst van het onderzoek is hier te vinden –> eindrapport CAF geurmetingen varkenshouderij_04feb2019_provincie
Een iets oudere, maar nagenoeg identieke versie, is met enig gezoek te vinden op www.brabant.nl/search/brabant?q=Geurmetingen .

Dierenwelzijn
Uit (hier niet getoonde) grafieken blijkt dat de ammoniakconcentraties in stallen systematisch rond de 30 a 35 ppm liggen (dus 21 tot 25 mg/m3). Dat is fors hoog. Voor menselijk publiek zou dat verboden zijn.
En een flink deel van de groene stippen bij de H2S – grafiek ligt boven de menselijke geurdrempel, en waarschijnlijk dus nog meer boven die van varkens. Blij dat ik niet als varken in een stal lig.
De studie schrijft niet over dierenwelzijn.

Het vervolg
Zoals gezegd moet men de uitkomsten relativeren. De techniek moet verder ontwikkeld worden en er zit veel ruis op de lijn (gevolgen waar geen oorzaak bij gevonden wordt, en omgekeerd).
Desalniettemin loont het om hiermee door te gaan. Dat is de provincie dan ook van plan, liet ze weten in een Statenmededeling van 12 maart 2019.

Tropische blauwtong treft Nederlandse schapen

De Scientific American van mei 2018 bevat twee artikelen over volksgezondheid waar je niet vrolijk van wordt.
De ene gaat over maatschappelijke ongelijkheid in de VS als directe oorzaak voor het herleven van oude infectieziektes.
De andere gaat over de verbreiding van tropische infectieziektes ten gevolge van de klimaatopwarming. In dit artikel voorbeelden uit West-Europa met directe relevantie voor Zuid-Nederland.

Het blauwtongvirus

Het SciAm-artikel bespreekt kort het verhaal van het blauwtongvirus. Ik heb er uit andere bron nog informatie bij gezocht. Zie

Https://www.wur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Onderzoeksinstituten/Bioveterinary-Research/Dierziekten/Virusziekten/Blauwtong.htm

https://nl.m.wikipedia.org/wiki/blauwtong .

https://www.cdc.gov/vhf/rvf/index.html

www.boerderij.nl/Rundveehouderij/Achtergrond/2019/5/Blauwtong-blijft-dreigend-aanwezig-in-Europa-425176E/?cmpid=NLC|boerderij_vandaag|2019-05-09|Blauwtong_blijft_dreigend_aanwezig_in_Europa

Het blauwtongvirus kan herkauwers besmetten en is met name gevaarlijk voor schapen, maar ook koeien en geiten zijn vatbaar. De dieren lijden pijn en gaan soms dood, en de boer lijdt economische schade. Vanwege die schade is de ziekte meldingsplichtig.
Niet voor niets hebben de boeren schrik. De website van de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) geeft op de zoekterm ‘ blauwtong’ 942 treffers, waarvan de recentste uitnodigt voor informatiebijeenkomsten op 24 en 25 april 2019. Het is een zeer actueel vraagstuk.

De ziekte gaat niet op mensen over.

Beperkingengebied blauwtong 2019, bron Europese Commissie

Het virus wordt normaliter verspreid door vijf soorten mugjes uit het geslacht Culicoides. Dat maakt deel uit van de grotere organisatie-eenheid ‘knutten’, een grote soortengroep van kleine mugjes die in de volksmond ook wel eens ‘ zandvliegjes’ genoemd wordt.
Als een mugje bij een aangetast dier boed zuigt, krijgt het wat van het virus binnen. Het virus repliceert zich in het mugje bij temperaturen boven de 15 a 20 graad C. Na enige tijd bevat het mugje voldoende virus om een volgend dier te kunnen besmetten.
Ook de eitjes van het mugje zelf zijn besmet.

De verspreiding van het virus is gelijk aan die van de Culicoides. Tot voor kort was dat de tropische regio tussen 40 graad NB en 35 graad ZB. De serotype 8 – variant, die voor de meeste besmettingen in Nederland zorgt, komt uit Afrika ten zuiden van de Sahara.
Het temperatuurgebied rukt op naar de polen, en daaarmee de mugjes, en daaree de blauwtong. Inmiddels kan minstens een soort mugje, de Culicoides Imisola, in Nederland, Belgie en Duitsland overwinteren. De soort kan inheems worden.

In 2006 was de eerste grote reeks uitbraken, in West-Europa 2295, waarvan 456 in Nederland. Tot algemene verbazing van de deskundigen pikte een ander soort knutje het virus op en bracht dat tot in Noorwegen.
In Europa waren er onder andere besmettingen in Aken, Kerkrade, de Voerstreek, de provincie Luik en in Best (NBrabant).
Nog steeds is onduidelijk hoe de knutjes hier voor het eerst terecht kwamen: met geimporteerde dieren, of vliegveld Aken of Beek? Het blijft speculatief.
In 2007 waren er minstens 1000 besmettingen, die samen goed waren voor €81 miljoen .

Er bestaat een vaccin tegen het blauwtongvirus, en samen met anti-mugmaatregelen leidde dat ertoe dat Nederland in 2012 ‘ blauwtongvrij’ verklaard werd. Dat bleek dus voorbarig.
Dat er een vaccin bestaat, betekent niet automatisch dat het in Nederland commercieel beschikbaar is. Op 27 maart 2019, aldus de LTO, kon Nederland niet over het vaccin beschikken.

Andere muggebonden infectieziektes

In het SciAm-artikel is de blauwtong een bijzaak die goed is voor een alinea. in hoofdzaak gaat het artikel over een ander reislustig virus, het Rift Valley Fever – virus (RVF-virus). Dat is voor het eerst ontdekt in Kenyain 1931.
Uitbraken van dit virus beperkten zich normaliter tot Oost- en Zuid-Afrika, maar inmiddels zijn er ook uitbraken geweest in Egypte, Madagascar, Mauritanie, Niger, Saoedi-Arabie en Yemen.

De ziekte verspreidt zich door verschillende soorten muggen, maar ook door contact organen en bloed van besmette dieren (bijv. via een beschadigde huid van werknemers van slachterijen), en door aerosolen.
Het is een zoonose: behalve van dier op dier, verspreidt de ziekte zich ook van dier op mens. Besmetting van mens op mens is nog niet aangetoond.
Omdat het virus weinig kieskeurig is in zijn dragers, en omdat de temperatuurzones naar het Noorden blijven oprukken, houden de deskundigen de bewegingen van het virus in de gaten.
Een uitbraak in 2010 in Zuid-Afrika werd pas onder controle gebracht nadat er 9000 dieren en 25 mensen waren overleden.

Omdat het virus besmettelijk is, en makkelijk in de aerosolvorm te brengen (hele kleine druppeltes of korreltjes), hadden zowel de VS als de voormalige Sowjet-Unie het virus in hun biologische wapens-programma.

Er wordt aan een vaccin gewerkt (o.a. met steun van het Ministerie van Defensie van de VS). Een vaccin dat veilig genoeg is voor mensen, bestaat nog niet. Voor landen, waar het virus niet endemisch is, bestaan niet-ideale vaccins voor dieren, maar die zijn nog niet commercieel beschikbaar. Waar de ziekte wel endemisch is, wordt ueberhaupt nog niet systematisch gevaccineerd. Zie bijvoorbeeld

Https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5658789

Het RVF-virus valt niet op zichzelf staand, als een gewone ziekte, te bestrijden. Men kan de ziekte het beste zien als een systeemkenmerk van een ingewikkeld, en deels nog onbekend, ecologisch geheel. Alleen een samenhangende multidisciplinaire aanpak (de One Health – benadering) biedt kansen: waterbeheer, bodem, keuze van de vee-rassen (bijv. Resistentie), gesleep met dieren, armoede. Het klimaat is een factor tussen andere factoren, maar wel een factor die tot grotere geografische verspreiding kan zorgen.

Bron het CDC (zie bovengenoemde link)

Vragen van de SP en (update) de antwoorden over de Zembla-uitzending over de vergif-blootstelling van omwonenden van bollenvelden.

Ik heb voor de SP-fractie in Provinciale Staten van Noord-Brabant vragen opgesteld naar aanleiding van de Zembla-uitzending over de blootstelling van omwonenden van bollenvelden door het spuiten van vergif.
Bloembollen zijn het gewas met veruit het hoogste bestrijdingsmiddelengebruik per jaar per hactere.

Inmiddels zijn de vragen onbevredigend beantwoord. OP 02 april liet het College van GS weten, dat

  • Hoewel Zembla er al een uitzending over gemaakt had, het rapport nog niet openbaar was.
  • De commentaren van de Wetenschappelijke Adviesgroep en de Maatschappelijke Klankbordgroep zijn nog niet verwerkt.
  • Het is niet zorgvuldig om nu al op het rapport in te gaan
  • Daarom doen GS nu niets en de dingen die gedaan hadden kunnen worden (zie onder) zijn ook niet gedaan.
  • Ondanks de groei van het areaal gaat het nog steeds maar om 0,009% van het landbouwareaal. Dit cijfer klopt overigens niet. Ze kunnen niet rekenen. 1120ha bollen op 235000 ha cultuurgrond in Brabant leidt tot 0,5% (zie http://edepot.wur.nl/5912 en https://brabant.databank.nl/kiosken/ en op deze provinciale pagina dan landbouw.

Hieronder de tekst van de vragen.

Zie voor een eerder artikel op deze site
https://www.bjmgerard.nl/?p=5441 en https://www.bjmgerard.nl/?p=5762 .

Naar aanleiding van een advies van de Gezondheidsraad uit 2014 is het RIVM in 2015 het onderzoek begonnen “Blootstelling aan Bestrijdingsmiddelen van Omwonenden”, afgekort OBO.
De onrust van omwonenden richtte zich tegen gifgebruik in de hele landbouwsector en helderheid daarover is nog steeds het uiteindelijke doel.
In het voorstel voor een onderzoeksopzet dd 01 december 2015 ( www.bestrijdingsmiddelen-omwonenden.nl/nederlandse-samenvatting-onderzoeksvoorstel-blootstellingsonderzoek ) wordt gekozen voor een aanpak in tranches. De eerste tranche betreft de teelt met veruit het hoogste gebruik van bestrijdingsmiddelen per hectare, de bollenteelt, de tweede betreft de fruitboomgaarden.
Een consortium voert het onderzoek uit, met het RIVM als opdrachtgever.

Voor de eerste tranche was vier jaar uitgetrokken. Het OBO-onderzoek naar de omgeving van bollenvelden is in concept klaar, maar nog niet gepubliceerd. Maar het is bij Zembla terecht gekomen en Zembla heeft er op 06 maart een uitzending aan gewijd. Deze vragen zijn gebaseerd op deze uitzending en op voorbereidende documenten t.b.v. dit onderzoek, die al wel gepubliceerd zijn (zoals de genoemde onderzoeksopzet).

De SP heeft eerder vragen gesteld over dit onderwerp, en wel op 06 sept 2017. Deze waren gebaseerd op een onderzoek, dat gepubliceerd is in Nature Communications van 29 augustus 2017. In een zeer grote studie in San Joaquin Valley in Californie werd een statistisch significant verband vastgesteld tussen de totaal toegepaste hoeveelheid bestrijdingsmiddelen per hectare enerzijds en het aantal  aangeboren afwijkingen bij baby’s anderzijds. Vanaf 15kg/hectare neemt de kans op een aangeboren afwijking met 9% of meer toe.

Mijl-hokken in San Joaquin Valley (Californie)


Verder ziet de San Joaquin-studie een afstandseffect in die zin dat minder dan 200m van een bron afwonen soms een significant effect heeft.
Uw College heeft de vragen beantwoord op 25 september 2017. Uw antwoord eindigde met een verwijzing naar het OBO-onderzoek – dat dus nu in ongeauthoriseerde vorm naar buiten is gekomen.
De SP beschouwt deze vragen, en uw antwoorden daarop, als achtergrondkennis bij de hier gestelde vragen.

De Gezondheidsraad spreekt in bijlage G van zijn advies over een inzet aan bestrijdingsmiddelen in de Nederlandse bollenteelt van 73,4kg/ha*y, in de fruitteelt van 40,1 kg/ha*y, in de boomteelt van 17,0 idem en in de algemene akkerbouw van 9,7 idem. De voor OBO gekozen opsplitsing in tranches is dan ook alleszins te begrijpen.

De bollenteelt groeit in Noord-Brabant veel sneller dan het landelijk gemiddelde. Waar het landelijk areaal tussen 2000 en 2017 steeg van 22512 naar  26676 hectare, steeg dat in Brabant in dezelfde tijd van 605 naar 1120 ha ( https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80780ned/table?dl=8BA2 ).
Zoals uw College ook al aangaf, gebeurt dat vaak op basis van kortdurende pacht. Daardoor is de bollenteelt soms buiten beeld bij langlopende provinciale initiatieven als bijvoorbeeld ‘Schoon water’. Bovendien  is dit initiatief gericht op de bescherming van grond- en oppervlaktewater, en niet gericht op atmosferische emissies en de gevolgen daarvan voor omwonenden.

Uit het ‘gelekte’ RIVM-rapport komt een verband naar voren tussen de atmosferische concentraties en het gehalte aan bestrijdingsmiddelen in de urine van volwassenen en in de luiers van baby’s. Binnen 250m van een bron is het verband statistisch significant. De afstand waarop en de blootstellingsduur blijken groter dan gedacht.
Het RIVM-rapport heeft wel de blootstelling in kaart gebracht, maar niet de gevolgen van de blootstelling voor de gezondheid. Dat zou om aanvullende studie vragen (in de geest van het San Joaquin-onderzoek).

Hierover liet Zembla de bekende toxicoloog Prof. Martin van den Berg aan het woord. Hij heeft de resultaten van Zembla mogen inzien en vindt hier het voorzorgsbeginsel op zijn plaats. Zijn advies: “Niet spuiten tot op enkele honderden meters afstand van woonkernen waar ook gezinnen met kinderen wonen”. Want die zijn extra gevoelig.
Een advies met ingrijpende ruimtelijke gevolgen

Deel van de bestrijdingsmiddelenkaart van CLM over lelies

Zembla bracht in dezelfde periode een bericht over bezorgde inwoners van de Drentse gemeente Westerveld, die op eigen kosten 13 bodem- en watermonsters lieten onderzoeken van nabij lelievelden ( https://zembla.bnnvara.nl/nieuws/drentse-bewoners-onderzoeken-landbouwgif-in-bodem-en-water-en-vinden-57-middelen ). In alle tien de, ten tijde van de uitzending geanalyseerde, monsters zat verontreiniging met, opgeteld over alle monsters, 57 verschillende stoffen. Elk afzonderlijk onder de EU-norm, maar voor de opgetelde hoeveelheden bestaat geen norm. (De San Joaquin-studie gebruikte opgetelde hoeveelheden).
De lelieteelt in Drente is explosief gegroeid tot ruim 700 hectare (in Brabant besloeg de lelieteelt in 2017 674 hectare).
Kinderarts en hoogleraar P.Sauer vindt dat de bollelteelt minstens een kilometer van menselijke bewoning weg moet blijven.
De Drentse bewoners eisen van hun gemeente:

  • een wettelijk spuitvrije zone van 100m, gemeten vanaf de erfgrens van woningen, scholen, campings, biobedrijven en drink- en grondwaterbeschermingsgebieden
  • jaarlijkse metingen naar bestrijdingsmiddelen  in het oppervlaktewater, moestuinen en natuurgebieden die grenzen aan percelen met bollen-, pioenrozen en lelieteelt, waarna de uitkomsten voorgelegd worden aan onafhankelijke deskundigen .

Adviezen met ingrijpende ruimtelijke gevolgen.

Deel van de bestrijdingsmiddelenkaart van CLM over lelies

Voor de vraagstelling wil de SP verder gaan waar de beantwoording van uw College in september 2017 ophield.

  1. Bent u bekend met de publicatie van Zembla en de commentaren erop?
  2. U zei in 2017 dat er “voor de bloembollenteelt in enkele  gemeenten  in het Oosten van het land convenanten zijn afgesloten. Daarin zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop telers omgaan met gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot omwonenden.”
     Heeft uw College sinds september 2017 bevorderd dat er ook in Brabant dergelijke
     convenanten opgesteld zijn?
  3. Zo nee, bent u hier alsnog toe bereid?
  4. Zijn er Brabantse gemeenten waar, al dan niet door toedoen van uw College, dergelijke convenanten bestaan?
  5. U zei in 2017 dat “gemeenten een afstandsmaat kunnen opnemen tussen bebouwing en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet. Daarbij wordt momenteel gewerkt met een minimale afstandsmaat van 50m. Via de Verordening Ruimte kan de provincie afstandsmaten of andere maatregelen opleggen voor bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen. Op dit moment maakt onze provincie daar nog geen gebruik van.”

Bevat de Verordening Ruimte op dit moment opgelegde afstandsmaten rond percelen waar bloembollen geteeld worden of gaan worden en zo ja, welke is deze afstand?

  • Zo nee, is uw College bereid om alsnog een afstandsmaat tot gifpercelen, minstens tot bloembollenpercelen, op te nemen in de Verordening Ruimte? Kunt u het antwoord motiveren?
  • Zo ja, bent u bereid om die afstand vast te stellen op meer dan 50m, bijvoorbeeld 100 of 250m?
  • Zijn er Brabantse gemeenten waar, al dan niet door toedoen van uw College, dergelijke afstandsmaten toegepast worden?
  • Bent u bereid om mee te werken aan metingen van vergif in het grond- en oppervlaktewater op de wijze zoals geformuleerd in de gemeente Westerveld?
    Bent u bereid om op relevante plaatsen atmosferische gifconcentraties te meten?
  • Het ware beter als er überhaupt veel minder gespoten zou worden in de bloembollenbranche.
    Het is de SP bekend dat de provincie geen bevoegdheden heeft inzake het toelaten van bestrijdingsmiddelen, en evenmin zeggenschap heeft over het schoner en duurzamer maken van de bloembollenbranche.
    Maar provincies hebben soms wel invloed, bijvoorbeeld in IPO-verband of in overleg met de VNG of de Rijksoverheid.
    Is uw College bereid om in dergelijke zin invloed uit te oefenen waar dat mogelijk is?

Het Erfpact aangeboden

De Van Erf tot Erf – actie ( https://milieudefensie.nl/van-erf-tot-erf ) gaat over een volhoudbare landbouw en gezond en eerlijk eten. Milieudefensie heeft boeren geïnterviewd. Dat heeft geresulteerd in een ebook met interviews (zie https://milieudefensie.nl/actueel/van-erf-tot-erf-verhalenbundel-nu-online ). Daarna zijn er conferenties geweest met boeren, burgers en organisaties, en is er een online-enquête geweest. Dit alles heeft geresulteerd in een tekst, die de gezondheid van de bodem op de eerste plaats stelt, en die vanuit dit vertrekpunt aanbevelingen doet;

  • Onze bodem is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
  • Onze bodem in balans voor mensen en dieren
  • Onze bodem: evenveel geven als nemen
  • Onze bodem is de basis van beleid
  • Een gezonde bodem moet lonen
  • Onze bodem moet in het bewustzijn komen

De volledige tekst is te vinden hier

Vier interviews uit het ebook vonden plaats met boeren in of rond Eindhoven ( zie www.bjmgerard.nl/?p=7255 ). Milieudefensie Eindhoven was aanwezig bij de conferentie in de Ruurhove in Hoogeloon (zie www.bjmgerard.nl/?p=7307 ).

De aanbieding van het Erfpact

Besloten is om het Erfpact aan de provinciale politiek aan te bieden. Enerzijds, omdat er op 20 maart verkiezingen zijn voor de Provinciale Staten, anderzijds omdat de bodem een typisch provincie-thema is.

Aan Milieudefensie Eindhoven viel de eer te beurt om het Erfpact aan de Noord-Brabantse politiek aan te bieden.

Dat gebeurde op vrijdag 1 maart. Dorry van Milieudefensie Eindhoven had een middagbijeenkomst georganiseerd, met aansluitend diner, op de Genneperhoeve. Dat liep allemaal voortreffelijk.
Tijdens de middagbijeenkomst een rondleiding, o.a. over het ‘goud op de plank’,  de eigen kaas van eigen koeien op eigen biologische grond.

Voor de politiek waren aanwezig vertegenwoordigers van CDA, CU-SGP, D66, Groen Links, Lokaal Brabant, PvdA en SP.
Drie van de boeren, die aan de interviews meegedaan hadden, waren aanwezig.
Verder waren er ook leden van Milieudefensie aanwezig, niet zijnde boer of politicus.
De samenstelling van het gezelschap kon niet anders dan tot geanimeerde gesprekken en flink tegengestelde meningen leiden, waarin het politieke element niet ontbrak.
Tot een politieke doorbraak kwam het niet, maar het onderwerp ‘een goede bodem’ kwam steeds terug.

Het project vond plaats in het kader van het Citizens CAP-project, dat wordt gefinencierd met steun van de Europese Commissie.

Klimaat maakt het bier duurder

Steven Davis van de University of California, Irvine heeft becijferd wat er met de bierprijs gebeurt als de gerst door het klimaat aan extremere droogte of regen wordt blootgesteld. De rampjaren 2014 en 2017, locatie Montana, waren aanleiding.

Steven Davis, Univ. of California, Irvine

Een abstract van het artikel is te vinden op www.nature.com/articles/s41477-018-0263-1 .
Een wat sappiger beschrijving is te vinden op www.scientificamerican.com/article/trouble-brewing-climate-change-closes-in-on-beer-drinkers/ .

Het ging met een drie staps-model.
Het eerste model was een gangbaar klimaatmodel om de kans op extreem natte en droge periodes te schatten bij een stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde met 1,7; 2,6; 3,1 of 4,8°C tussen nu en 2100.
Het tweede model was een gerstmodel hoe die plant op die omstandighedenreageert.
Het derde model is economisch, hoe de bierprijs reageert op schaarste.

Logisch.

Het kan 3 tot 17% in de gerstopbrengst schelen, en dat kan de wereld-gemiddelde bierpijs 15% omhoog jagen. Maar dat kan van land tot land verschillen. Ariel Ortiz-Bobea, een econoom aan Cornell University, zegt in een second opinion ‘dat ze in Frankrijk meer wijn drinken, dus als er minder bier is, stijgt de prijs niet zo’. In Duitsland ligt dat anders.

Iers bier _ www.flickr.com/photos/sami73 op Wikipedia

Maar het ergste rampscenario speelt zich af in Ierland, waar het bier, volgens het gruwelijkste scenario, 193% duurder wordt.

Het kon nog wel eens erger tegenvallen, zegt Davis. Behalve schaarser, worden gerstekorrels ook slechter. En nog niet onderzocht is wat de hop doet. Dus mogelijk gaat het bier ook slechter smaken.

Nu bestaan er grotere problemen dan de bierprijs. Maar het verhaal staat voor een algemene trend, aldus Ortiz-Bobea: het wordt een monumentale uitdaging om de boerderijen tegen weerrampen te beschermen. Het kon wel eens hele vervelend worden.

En dan heb je geen bier meer.

EenVandaag over het stikstofrapport rond Eindhoven Airport

EenVandaag zond op 20 september 2018 een uitzending uit over het stikstofrapport van Haskoning over het vliegveld, waar eigenlijk in stond dat de situatie op sommige Natura2000 – gebieden zo slecht was, dat er geen vlucht meer bij kon op Eindhoven Airport.

Dat rapport was er eerst wel en toen weer niet en toen weer wel. Duidelijk is het nog steeds niet en het lijkt er sterk op dat men een onwelgevallig rapport achter heeft willen houden.

Wie de uitzending van EenVandaag terug wil zien, kan terecht op https://eenvandaag.avrotros.nl/item/werd-een-kritisch-rapport-over-de-groei-van-vliegveld-eindhoven-verzwegen/ .

Een inhoudelijk verhaal over hoe het probleem in elkaar zit en hoe de PAS werkt op Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld  .

  

Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld

De Programmatische Aanpak Stikstof
De top van de Nederlandse natuurgebieden wordt beschermd door de Europese Natura-2000 richtlijn. Nederland heeft die wet geïmplementeerd door ruim 160 van die gebieden aan te wijzen en de bescherming onder te brengen in de Wet natuurbescherming.

Die gebieden staan soms zwaar onder de druk. Zeker in Brabant met zijn enorme intensieve veeteelt. Die loost grote hoeveelheden stikstof (in de ammoniakvorm), en die komt uiteindelijk in de bodem terecht en wordt daar nitraat.
Maar ook alles wat bij hoge temperatuur verbrandt wordt produceert uit stikstof uit de lucht stikstofoxides (NO en NO2 , samen aangeduid als NOx ). Die stikstofoxides reageren weer in het grote reactievat dat gewone mensen als ‘de atmosfeer’ aanduiden, en worden uiteindelijk ook omgebouwd tot nitraat.
Daarnaast komt er veel nitraat via de mest en de kunstmest in het oppervlaktewater.

Waar veel nitraat in de grond zit, groeien vooral brandnetels en bramen en dat is natuurlijk niet het gewenste lot van onze Natura2000 – gebieden. Toch zitten sommige van die gebieden al ver boven hun taks.

Daarom is er met veel moeite een nationaal programma opgetuigd, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit project loopt van 2015 t/m 2021. Het is hele ingewikkelde wetgeving, maar in de kern komt het er op neer dat men met een extra set emissiebeperkingen aan de bron (bijv. luchtwassers) en met beheersmaatregelen in het veld (bijv. afplaggen) wat extra ruimte heeft gecreëerd, de depositieruimte. De helft van die ruimte moet aan de natuur worden gegeven, de andere helft mag praktisch gebruikt worden. Daardoor gaat de daling van de stikstofdepositie iets minder traag dan die anders gegaan was.

Toedeling van eventuele depositieruimte

De depositieruimte wordt op papier in  vieren verdeeld:

  • groei van stikstofclaims die vanzelf gaat (bijv. meer auto’s)
  • de gezamenlijke groei van een groot aantal nieuwe projecten, die ieder voor zich onder een drempelwaarde zitten
  • ruimte die gereserveerd is voor prioritaire projecten (de overheid claimt al bij voorbaat)
  • de ruimte die vrij gebruikt kan worden.

De PAS is inmiddels in Brabant een gevreesde naam. De aanleg van de N69 is een prioritair project en wordt door de PAS om die reden niet geblokkeerd, maar de aansluiting van de N69 op de A67 bij de Koningshof wordt wel geblokkeerd omdat de dames en heren bestuurders in hun oneindige wijsheid dit als twee aparte projecten hadden aangemerkt, en dit slimmigheidje zich nu tegen hun keert omdat die aansluiting niet op de prioritaire lijst staat.

Na veel juridisch leed is de PAS om advies voorgelegd aan het Europees Hof. Dat duurt altijd heel lang, en de eerste tekenen lijken erop te wijzen dat het Europees Hof eerder strenger dan minder streng zal zijn. Bijvoorbeeld dat de stikstofruimte niet meer op de pof kan worden uitgegeven, zoals nu.

De prioritaire projecten staan op een limitatieve lijst en daar staat de uitbreiding van Eindhoven Airport niet op. Toch kan men moeilijk ontkennen dat straalmotoren bij hoge temperatuur werken en dus stikstofoxides vormen.

In de la
Een probleem lag dus voor de hand. Ergens hoog heeft iemand (terecht) verordonneerd dat er een stikstofstudie moest komen en die heeft Royal Haskoning DHV uitgevoerd.
Waaruit inderdaad veel ongemak bleek, waarna het eindresultaat (naar ons is meegedeeld) in  een la belandde (in welke la, dat is ons niet bekend). In maart 2018 hebben Eindhovense gemeenteraadsleden van Groen Links en de PvdA naar het lijk in de la gevraagd, waarna dat alsnog tot leven kwam en zich op 6 september 2018 bij de Eindhovense projectleider Verhoeven meldde. Daarna is het zonder ruchtbaarheid alsnog op de site Samen op de Hoogte gezet, waar het nu nog staat. Zie http://samenopdehoogte.nl/over-ons/nieuws .
BVM2 kwam erachter omdat Een Vandaag belde of wij hier iets van af wisten. Toen dus niet.

Feitelijke deposities in 2014 en (berekend) in 2020 in de Kampina en de Oisterwijkse vennen

Een probleem: het vliegveld kan zonder ingreep niet groeien

Normaliter is de drempelwaarde 1 Mol N per hectare per jaar (dat is 14 gram). Ter vergelijking: de depositie op bijvoorbeeld De Kampina kan boven de 2000 Mol/ha*y zitten en dat is een stuk meer als de kritische depositiewaarde, die als norm gebruikt wordt.
Maar als de stikstofruimte al bijna op is, wordt de drempelwaarde verlaagd naar 0,05 Mol/ha*y, en er zijn gebieden waar de drempelwaarde inmiddels 0,00 is.

Dat betekent dat elke aktiviteit, die in enig kwetsbaar Natura2000-gebied meer dan 0,05 Mol/ha*y laat neerslaan, vergunningplichtig is of zelfs dat al niet meer – dan mag het gewoon sowieso niet.

Het lijk in de la bevatte dus schattingen van toename in de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden ten gevolge van uitbreiding van het vliegveld. Die waren gebaseerd op de LTO-emissieberekeningen van CE Delft en de bijbehorende groeiscenario’s (zie Emissies van Eindhoven Airport in kaart gebracht ).
Toen het lijk weer opdook, bleek bijvoorbeeld dat het dichtstbij gelegen Natura2000-gebied Kempenland West zelfs in het lichtste groeiscenario l (van 43000 naar 55000 vliegbewegingen) met 0,67 Mol/ha*y op zijn vennetjes erbij kreeg. (Voor gegevens over Kempenland-West zie www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=11&id=n2k135 ).

Nu zou Kempenland-West nog in aanmerking komen voor een vergunning. Blijkbaar zit daar nog wat rek.

Maar zelfs in het lichtste groeiscenario zit die rek er bij de Maasduinen, het Leenderbos-Groote Heide-De Plateaux, en de Weerter- en Budelerbergen en Ringselven niet meer in.
Ook voor bepaalde vegetatietypen, waar ook gelegen (actief en herstellend hoogveen en zeer zwak gebufferde vennen) is de limiet simpelweg nul.

Als het vliegveld harder groeit, neemt het aantal onmogelijkheden steeds verder toe en liggen de gebieden steeds verder weg.
In het hoogste groeiscenario bijvoorbeeld ontstaan er problemen tot diep in Zuid-Limburg, op de Brabantse Wal en in het dal van de Vecht en de Regge.

Nu is het verstandig om zowel de ene kant als de andere kant op wat kanttekeningen aan te brengen.

Op de eerste plaats: de PAS heeft een eindige looptijd (2015 -2021). Uiteraard moet worden afgewacht wat er daarna gebeurt, hoewel de Europese bescherming nog steeds geïncorporeerd moet worden.
Op de tweede plaats kan de overheid besluiten om de uitbreiding van het vliegveld tot prioritair project te verklaren. Dat klinkt leuk, maar de totale stikstofruimte neemt niet toe en dus krijgt dan een andere instantie de ellende. De boeren bijvoorbeeld.

Aan de andere kant: het rekenmodel telt het wegverkeer van en naar het vliegveld niet mee (dat hoeft niet) en telt het militaire verkeer niet mee (want dat groeit niet).

 

BVM2 gaat heel goed volgen wat er gebeurt.