Een eigen energiebedrijf in De Meierij?

De vraag
Ik kreeg van Pierre van den Oord uit Boxtel de vraag “Ik lees in de Meierij dat er ideeën zijn om zelf een energiebedrijf in de gemeente Boxtel te starten. De positieve kanten ‘regie in eigen hand en dergelijke beweringen’ worden steevast genoemd. Graag wil ik van jou een compleet verhaal. De voors en tegens. De financiele kant enz.”.

De vraag volgt op een artikel in het Brabants Dagblad van 11 november 2020, waarin de grootste coalitiepartij PPA, en D66, in Sint Michielsgestel ‘een onderzoek willen naar het opzetten van een grootschalig energiebedrijf’ waarbij de PPA aanstuurt op ‘samenwerking met de buurgemeenten Boxtel en Vught’.
PvdA/Groen Links in Vught willen ook wel met een plan voor vijf windturbines en vijf hectare zonneveld.
Ook PvdA/GroenLinks en de SP in Boxtel hadden om een dergelijk onderzoek gevraagd, maar het College van B&W in Boxtel houdt de boot af. Althans, ‘Zelf grootschalige energie opwekken met windturbines en zonnevelden hebben we al eerder afgeraden’ (B&W van Boxtel) ‘Maar als wij als gemeente de juiste voorwaarden scheppen, kan een initiatiefnemer toch aan de slag. Dan kun je ook regelen dat inwoners ook kunnen deelnemen in zulke plannen en daar voor 50% in kunnen participeren en van kunnen profiteren.
Zie www.bd.nl/meierij/gestel-onderzoekt-gezamenlijk-energiebedrijf-met-windturbines-samen-met-boxtel-en-vught~a97116d0/ en www.ed.nl/den-bosch/pvda-gl-wil-gemeentelijk-energiebedrijf-een-miljoen-euro-winst-om-bijvoorbeeld-n65-schuld-af-te-lossen~a88e4289/ .

Ik beantwoord graag vragen. In dit geval een beetje moeilijker omdat mijn expertise vooral natuurwetenschappelijk is en niet juridisch en bedrijfseconomisch. Maar ik ga mijn best doen.

Rentabiliteit van hernieuwbare energie in Boxtel en de SDE+ – subsidie
Eerst de voor de hand liggende vraag of een zonnepark in Vught of een set turbines in Boxtel zelfstandig hun broek kunnen ophouden. De hamvraag is dus of je in Boxtel e.o. wind- en zonnestroom kunt maken voor een kostprijs die onder de marktprijs ligt. Het antwoord is nee. De groothandelsprijs van stroom is te laag (let wel dat de consumentenprijs veel hoger is. Dat komt vooral door toegevoegde belastingen.)
Hieronder een momentopname van de stroombeurs EPEX voor 23 en 24 november 2020, van uur tot uur. In de stille uren brengt het verkopen van stroom ca 3 cent/kWh op en in de vraagpieken rond de 6 cent/kWh.
Uiteraard zit er wel fluctuatie in de prijs (bijvoorbeeld als de winter zacht is, de olie en gas goedkoop, het hard waait en er weinig gebeurt vanwege Corona of allemaal andersom). Er zit een sterk overcapaciteit-effect in.

De groothandelsprijs van elektriciteit op 23 en 24 november 2020 op de EPEX

De kosten van windenergie in de buurt van Boxtel zaten in 2017 rond de 8 cent/kWh, zegt een studie van (toen nog) Ecofys voor de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) (hieronder ligt Boxtel in gebied 4):

Uiteraard zit ook hier wel variatie in, maar de grosso modo is de boodschap helder dat de kostprijs van 1kWh in Boxtel momenteel niet gedekt wordt door wat je er voor krijgt in de markt.

Om toch hernieuwbare energie van de grond te tillen wordt er gesubsidieerd. De belangrijkste regeling is de SDE+ (tegenwoordig SDE++, maar dat maakt hier niet veel uit). De Rijksoverheid legt, vooral via die route, jaarlijks miljarden toe op de hernieuwbare energie. Politiek logisch zou zijn om aan die donaties in enigerlei vorm georganiseerde zeggenschap te ontlenen, en eigenlijk is de meest logische schaal voor een publiek energiebedrijf de nationale schaal.
Maar dat gebeurt niet – integendeel, het is met de Splitsingswet eerder omgekeerd gegaan en nu proberen brave gemeentebestuurders met micromiddelen een kruimeltje zeggenschap terug te veroveren.

In de aparte tekst enkele belangrijke kanttekeningen over kostprijzen van diverse vormen van elektriciteitsopwekking. Als je de NVDE-prognose in die tekst moet geloven, moet in Boxtel in 2030 en later zonder subsidie wind ongeveer quitte gaan spelen en voor zon is het onduidelijk.
Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=5591 .

Voorlopig staat of valt energie uit wind en zon in Boxtel, Vught en SintMichielsgestel dus met de SDE+-subsidie.
En om de verwerving daarvan door (in enigerlei vorm georganiseerd) duurzame energiebedrijf  aannemelijker te maken, zouden de drie gemeenten een efficiënte uitvoeringsorganisatie klaar moeten hebben staan die aan de voorwaarden voldoet en die goed genoeg werkt om bij voorkeur in de goedkope categorie te kunnen bieden.
Verder moet er nagedacht worden wat te doen als na 15 jaar de subsidie ophoudt en de exploitatie verder gaat. Dat moet oplosbaar zijn, want velen gingen u voor.

Wat is een Gemeentelijk Duurzame Energiebedrijf en heb je dat nodig?
De vraag blijkt makkelijker gesteld dan beantwoord. Er is een range aan antwoorden en de Meierijse politieke microcosmos geeft daar al een aardige indruk van.

Ik volg hier een studie van Primum “Iinzicht in de mogelijkheden van een lokaal duurzaam energiebedrijf bij windenergieprojecten”, te vinden op https://www.rvo.nl/sites/default/files/2013/09/mogelijkheden_lokaal_duurzaam_energiebedrijf_wind.pdf . Dat gaat weliswaar over windprojecten, maar de systematiek geldt even goed voor zonprojecten. Primum heeft een heldere stapsgewijze structuur en bevat veel llinks naar meer informatie. Er staat geen jaartal in de Primumstudie, maar aan de naam van de link te zien is het uit 2013.
Goede andere literatuur is “Verkenning meerwaarde Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB)” van de gemeente Alphen aan de Rijn, te vinden op https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=alphenaandenrijn&id=d43770b1-bdd5-4d65-bbdb-fd2c0281293a .

In beginsel is een ‘lokaal duurzaam energiebedrijf’ niet meer dan een juridisch/organisatorisch vehikel dat de realisatie en exploitatie van een duurzaam energieproject door één of meerdere initiatiefnemers faciliteert’ aldus Primum. Dat klinkt als een containerbegrip en dat is het ook. En om rood aanlopende wethouders te sussen die ‘net Nuon/Essent  verkocht hebben’: het hoeft niet groot te zijn en het hoeft niet perse risicodragend te zijn.

Primum vindt het essentieel dat een Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB) niet als doel op zich gezien wordt, maar slechts als middel. Dat is een essentiële vraag, over de beantwoording waarvan men het niet met Primum eens hoeft te zijn. Men kan ook om ideologische redenen het bezit van een productiemiddel (hoe beperkt dan ook) als een zelfstandig doel zien. Het is aan de lezer wat hij daarvan vindt.

Zonnepark in Smilde, op eigen grond en in eigen beheer van de gemeente Midden-Drente

Maar wat men daar ook van vindt, het heeft geen gevolgen voor het vervolg van de analyse. Ook een ideologisch wind- of zonnepark moet aan wetmatigheden voldoen.

Volgende vraag is wat men precies wil (meerdere antwoorden zijn mogelijk).

  • De lokale klimaatdoelstellingen halen?
  • De lokale werkgelegenheid verbeteren?
  • Een duurzamer imago van de gemeente?
  • Geld binnenhalen dat anders naar de energiecowboys gaat?
  • Een socialistisch gevoel hebben?

Het doel heeft invloed op de positie die men als gemeente kiest. Ook hier zijn weer meerdere antwoorden tegelijk mogelijk.

  • Initiatiefnemer en facilitator zijn
  • Voor communicatie en educatie zorgen
  • Grondeigenaar zijn
  • Afnemer van elektriciteit zijn
  • Financieel betrokken zijn, hetgeen kan
    • Zonder zeggenschap via een beleggingsfonds, een rentedragende lening, certificering van aandelen, via rentedragende obligaties  en via een garantstelling (risicovergoeding)
    • Met zeggenschap en dan heet het een Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB). Dat kan als Stichting; Coöperatieve Vereniging; Maatschap, v.o.f. of c.v.; of B.V.  Het wordt, hoe dan ook, een rechtsvorm buiten het gemeentelijke apparaat. Gewaakt moet worden voor overtreding van de staatssteunregels.
Samenvattend overzicht uit de Primum-studie

De Primumstudie, die dit allemaal analyseert, is van vóór het Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord wordt 50% lokale participatie nagestreefd. Het Klimaatakkoord stelt geen eisen aan de vorm van de Participatie. Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=10733 en  www.bjmgerard.nl/?p=12483 .
In Primumtermen vertaald zou je die 50% desgewenst ook nog kunnen vertalen als een soort joint venture-achtige constructie.

De Vughtse PvdA/Groen Links willen dat de gemeente volledig eigenaar blijft van de opgewekte duurzame energie zonder aan te geven welke financiele techniek gebruikt wordt. (Die hoeveelheid duurzame energie is overigens beperkt, maar niet verwaarloosbaar: het Vughtse plan met 5 ha zon en 5 turbines à 3MW moet met de natte vinger ongeveer 135TJ (ca 37 miljoen kWh) per jaar opleveren en het totale energieverbruik van Vught was in 2018 1643TJ (zonder de autosnelweg). Het merendeel komt dus nog steeds van de oude energieleveranciers.).
Die 37 miljoen kWh zou de gemeente dit bedrag * 7 cent per kWh moeten opleveren en op papier is dat dus goed voor 2,6 miljoen per jaar. Bruto. De SDE+ gaat uit van een rendement rond de 10%, dus dat zou uitdraaien op ergens orde van grootte van een kwart miljoen per jaar winst.
De PvdA-Groen Linksmensen verwachten er een miljoen per jaar uit te kunnen halen. Ik zou die berekening wel eens willen zien.

Per sluitend slot van rekening
B&W van Boxtel hebben op zich gelijk dat men een hoop goed kan doen zonder risicodragend deel te nemen. Van afstand lijkt mij dat ze wat al te voorzichtig zijn. Het warmtebedrijf van Rotterdam als schrikbeeld nemen is wel erg buiten de Boxtelse verhoudingen.
En als de schrik voor het beheer over een stel windturbines en zonneparken te groot is, zou men ook nog kunnen kiezen voor een joint venture met een commerciële partij en/of een landelijke energiecoöperatie die 49% van de aandelen krijgt, of iets dergelijks.

Een plan als dat van PvdA-Groen Links in Vught moet, met de kletsnatte vinger, enige tientallen miljoenen Euro’s incidenteel kosten. Daarvan mag 80% vreemd vermogen zijn. Klinkt niet als per definitie onmogelijk.

Dit allemaal op voorwaarde dat de SDE+ – subsidie af komt.

En uiterard op voorwaarde dat Enexis kan aansluiten.

Wester van Gaal met een mooi geïntegreerd verhaal over klimaateconomie

In de digitale krant De Correspondent, waarop ik geabonneerd ben en wat ik ook anderen aanraad, schrijft Wester van Gaal over klimaat en economie. Ik lees zijn stukken altijd graag.
Hij had op 21 november een stuk waarin vanuit een progressief economenstandpunt uitgelegd werd dat de aanpak van de klimaatverandering en andere grote problemen weliswaar een monsterklus is, maar niet in die mate dat niet met verrassend simpele middelen een deel ervan opgelost kon worden.

De voornaamste kritiek op het stuk van Wester van Gaal is dat de industrie en het transport er niet in voorkomen. Ik zie het daarom zelf niet als het laatste woord.

Maar ik vind het wel een mooi voorbeeld van integraal denken. Ik heb daarom het artikel hier overgenomen.

De Correspondent verwijst altijd naar bronnen buiten het artikel. Ik heb die hier niet overgenomen. Wie ze wil zien, kan het artikel zelf bekijken op

https://decorrespondent.nl/11827/meer-hout-minder-koeienpis-en-een-hoger-salaris-de-ingredienten-voor-een-klimaateconomie-zijn-verrassend-alledaags/1298864640249-15a195c4?pk_campaign=daily


Meer hout, minder koeienpis en een hoger salaris: de ingrediënten voor een klimaateconomie zijn verrassend alledaags

Zelfs in een jaar waarin de economie in slowmotion beweegt, haalt Nederland de klimaatdoelstellingen die het zichzelf heeft gesteld niet.

Nederland hobbelt in de meeste klimaatranglijsten steevast achteraan. En met de biodiversiteit en de natuur is het in Nederland slechter gesteld dan in de landen om ons heen.

Het kabinet pleit in Europa voor ambitieuze klimaatdoelen, maar lijkt de urgentie thuis minder te voelen. En dat is vreemd: de plannen voor de verduurzaming van Nederland zijn er wel. Opgesteld door ambtenaren in Den Haag. 

Hoogleraar economie Dirk Bezemer (Rijksuniversiteit Groningen) wees mij er onlangs op. Dikke rapporten, niet altijd even toegankelijk geschreven. Maar samen tonen ze een Nederland waarin de natuur herstellende is, de bewoners beter af zijn en er genoeg woonruimte is voor iedereen. Het enige dat het kabinet hoeft te doen, is deze plannen uitvoeren.

Ambtenaren schreven:

  • plannen voor de verduurzaming van Nederlandse steden en huizen;
  • een plan om de landbouw en de natuur in Nederland weer in balans te brengen;
  • een plan voor een stabielere arbeidsmarkt en hogere lonen (zodat burgers de verduurzaming van hun eigen huizen en vervoermiddelen kunnen betalen);
  • een plan voor een beter belastingstelsel, zodat vermogenden meer bijdragen en werkenden worden ontlast.

Hoe kunnen we wonen in de klimaateconomie?

Nederland heeft volgens het kabinet voor 2030 nog een miljoen gasloze, goed geïsoleerde woningen nodig. Daar komt de isolatie en verduurzaming van bestaande huizen nog bij. Een monsterklus. Ontzettend duur, maar het levert ook banen op.

Twee recente plannen laten zien hoe het kabinet dit kan aanpakken.  

In ‘Groen uit de Crisis’ adviseert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur het kabinet om juist tijdens de huidige crisis al te investeren in het renoveren en isoleren en bijbouwen van woningen. Dit om het economisch herstel aan te jagen.
In ‘Panorama Nederland’ laat Rijksbouwmeester Floris Alkemade zien hoe het kabinet in dit piepkleine landje de ruimte kan vinden voor een miljoen nieuwe woningen.
De rapporten zijn los van elkaar zijn geschreven, maar ze vullen elkaar goed aan. 

NOM-renovatie van 18 woningen in Tilburg

Renoveren, renoveren, renoveren

Volgens de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur kan het kabinet direct beginnen met een nationale subsidieregeling voor de isolatie van woningen. Dit maakt het aantrekkelijker voor huiseigenaren, verhuurders en corporaties om huizen te verduurzamen.

Hoe hoog die subsidie moet zijn, wordt niet berekend. 

Maar het onderzoeksbureau van Natuur en Milieu heeft inmiddels een voorzet gedaan door het plan tot in de puntjes uit te werken. De isolatie van 2,5 miljoen woningen leidt volgens het bureau tot 2 megaton minder uitstoot van koolstof, twee derde van de doelstelling voor de verduurzaming van woningen in het klimaatakkoord. Het prijskaartje: 3,1 miljard euro. 

Niet goedkoop, maar het plan houdt wel tussen de 3.700 en 6.700 ambachtslieden aan het werk tijdens de crisis. Het kan volgens de auteurs ‘zo het regeerakkoord in’. Gert-Jan Segers (ChristenUnie) en Jesse Klaver (GroenLinks) dienden in september een motie voor een nationale subsidieregeling in die is aangenomen. Nu is het kabinet aan zet. 

De regering kan de verduurzaming nog verder aanjagen door het bedrag dat de woningcorporaties betalen middels de verhuurdersheffing – 1,8 miljard euro in 2020 – aan ze terug te geven. Daar kunnen ze dan hun woningen van isoleren. 

‘Verhuurdersheffing’ klinkt misschien als een ver-van-mijn-bed-show. Maar de consequentie is dat ook wie in een sociale huurwoning woont warme voeten en een lagere energierekening krijgt.

Een miljoen extra woningen: houtbouw 

Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade is er nog genoeg plek voor extra woningen als we slimmer gebruikmaken van de ruimte die er nog is. Miljoenen vierkante meters kantoor- en winkelruimte staan in Nederland leeg, soms al jarenlang.

In niet elke voormalige Wibra of leegstaande Schoenenreus kan je gezellig wonen. Maar het kabinet kan creatieve architecten en ontwerpers de opdracht geven te experimenteren met panden die wél geschikt zijn. Studenten in leegstaande kantoorpanden. Nieuwe gedeelde woningen op bedrijventerreinen. Het is even wennen, maar het kan. 

CLT-hout – zie ook Waugh Thistleton architects beroemd om houtbouw

En als er dan toch nieuwe woningen bijgebouwd moeten worden, gebruik dan hout, zegt Alkemade. Volgens hem is de verduurzaming van Nederland alleen mogelijk als we opnieuw met hout gaan bouwen. Als er doorgebouwd wordt met cement, beton en staal komt bij de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen ongeveer 5,5 megaton CO2 vrij. Bomen leggen juist CO2 vast.

Klinkt krakkemikkig? Door een relatief nieuwe techniek – Cross Laminated Timber (CLT) oftewel ‘kruislaaghout’ – is het tegenwoordig zelfs zo sterk dat er flats van gebouwd kunnen worden. Aan de Amstel in Amsterdam is al een houten toren in aanbouw van 73 meter hoog. In Wenen is een toren gebouwd van 84 meter. En in Eindhoven komen er twee torens aan van respectievelijk 150 en 110 meter. 

Het is belangrijk te beseffen dat dit geen experimenten zijn. Volgens Alkemade kan hout de Nederlandse bouwsector fundamenteel veranderen. Niet alleen omdat het sterk genoeg is overigens. Houten huizen kunnen ook sneller en gemakkelijker als bouwpakket worden vervoerd. Het scheelt een hoop beton. 

Maar: is er wel genoeg hout in Nederland? 

Volgens Alkemade is er genoeg ‘productiebos’ in omringende landen om aan de vraag te voldoen. Bovendien is er plek in Nederland voor nieuwe boomboerderijen. Boeren kunnen hun akkers volplempen met populieren – die groeien snel, zuigen CO2 op en voorzien materiaal voor een nieuwe generatie duurzame woningen. Volgens Alkemade is 20 procent van de landbouwgrond hiervoor genoeg.

Om boeren over de streep te trekken kunnen subsidies en investeringsfondsen opgericht worden. Daarmee komen we aan op het volgende thema: de landbouw.

brock commons – tallwood house_vancouver_site UBC

Hoe kan de landbouw eruit komen te zien?

Het kabinet kan pas de adviezen van Alkemade en de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur opvolgen als het de stikstofuitstoot drastisch omlaag brengt. 

Dat zit zo. De biodiversiteit in Nederland holt achteruit, harder dan elders in Europa. Wilde planten en dieren delven het onderspit, omdat relatief veel grond wordt gebruikt voor intensieve landbouw. En ook natuurgebieden worden bedreigd.

Eén goedje speelt daar een hoofdrol in: stikstof. De rechter zette een streep door de stikstofaanpak van het kabinet. Boerenbedrijven, bouwplaatsen, bussen en auto’s op de snelweg, allemaal stoten ze stikstofverbindingen uit en beïnvloeden daarmee de natuur – te veel volgens de Europese norm. 

Omdat de regering besloot dat de bouw het minst essentieel is, was die de pineut: alle grote bouwvergunningen werden ingetrokken. Terwijl: de verduurzaming van Nederland kan niet beginnen zonder de bouw.

Het goede nieuws: er is een plan. In juni bracht een commissie onder leiding van oud-vicepremier Johan Remkes het rapport ‘Niet alles kan overal’ uit, waarin ze uitstippelt hoe Nederland de stikstofuitstoot de komende tien jaar met 50 procent kan verlagen, én de natuur kan herstellen. Die maatregelen kunnen ervoor zorgen dat de bouw weer kan worden hervat.

Het kabinet verlaagde de maximale snelheid op de Nederlandse snelwegen overdag al van 130 naar 100 kilometer per uur. Maar er moet nog veel meer gebeuren. 

De gevolgen zijn voor de landbouw nog veel groter: meer dan de helft van de stikstofuitstoot komt daar vandaan. Om de stikstofvervuiling werkelijk te reduceren, zal de Nederlandse landbouw zich moeten transformeren. Te beginnen met poep. 

Poep van plas scheiden

Vreemd dat de vernieuwing van de landbouw daar begint, maar het is waar: nieuwe stallen, waarin poep en urine van koeien worden gescheiden, kunnen de stikstofuitstoot verlagen.

Nu komen poep en plas nog samen in een tank, en daar vormen ze samen de vervuilende stikstofverbinding ammoniak. Vervolgens spuiten boeren dit mengsel – gier – in de bodem, meer om ervanaf te zijn dan omdat dit goed is voor de bodem.

Als poep en plas gescheiden worden opgevangen, scheelt dat veel uitstoot en kan de poep over het land worden verspreid als bemesting met veel minder uitstoot, met minder zware machines, en zonder die penetrante ammoniaklucht. Beter voor de natuur, beter voor de landbouwgrond, en beter voor onze neuzen. 

Een andere low tech oplossing is volgens Remkes: de koeien in de wei laten poepen. Heb je helemaal geen dure machines en stalvloeren meer nodig. Daarmee wordt de grond op een natuurlijke wijze bemest zodat er minder kunstmest gebruikt wordt. Nog een simpele oplossing: voer de koe minder soja en meer gras. Zo komt er ook minder stikstof vrij. 

De oplossing is dus eigenlijk heel makkelijk, en doet – net als houtbouw – een beetje ouderwets aan. Het enige probleem: hoe organiseren we die omslag? Zomaar dit idee bij de boer over de schutting dumpen werkt niet. Een nieuwe plas-en-poep-sorteerstal is duur, en koeien die geen krachtvoer krijgen, geven minder melk. 

Investeringsfonds voor natuurvriendelijker landbouw

Daarom schrijft Remkes: ‘Boeren kunnen niet groen zijn als ze rood staan.’ Verleid de boer! Geef subsidie voor innovatie in mest, stalsystemen, bemesting en voeding. En voor de echte ondernemers: een investeringsfonds voor boeren die hun boerderij willen vergroenen (door bijvoorbeeld een akker te vervangen door een strook productiebos).

Het rapport is ook streng. Remkes stelt een heffing voor op de uitstoot van ammonia. Het wordt dan minder aantrekkelijk om natuurvervuilend te boeren. En veehouders die halsstarrig tot hun oksel in de gier blijven staan? Die krijgen een boete.

Populierenstrook bij Best, ooit aangeplant voor de klompenfabricage. De streek kent nog steeds veel boomkwekerijen.

En hoe kan werken in Nederland weer lonen?

Dromen van houten flats en natuurvriendelijke landbouw is vooral leuk voor mensen die niet in acute geldnood verkeren.  

Maar in Nederland zijn er steeds meer mensen die het einde van de maand niet halen. 20 procent van de Nederlanders had vlak voor corona al acute betalingsproblemen. Een cijfer dat door de pandemie alleen nog maar hoger zal worden.Voor hen is klimaatbeleid een bedreiging.

Gas- en lichtrekeningen zullen blijven stijgen voor de mensen die geen geld hebben voor isolatie of zonnecellen. Een belasting op CO2-uitstoot drijft de kosten alleen nog maar verder op, juist voor de mensen die het minst geld hebben om te verduurzamen. Het kabinet zal burgers dus tegemoet moeten komen. 

Dat kan op twee manieren: hogere lonen en meer zekerheid. In het rapport ‘Hoe willen we werken in Nederland’ staan talloze oplossingen, maar niets is zo makkelijk als mensen gewoon een beter salaris geven. 

De auteurs, onder leiding van oud-topambtenaar Hans Borstlap, adviseren een hoger wettelijk minimumloon. De overheid kan als grootste werkgever van Nederland – deze winter nog – het goede voorbeeld geven door de salarissen voor ambtenaren te verhogen.

Dan is er zekerheid. Ook daarin kan de overheid het voortouw nemen door bezuinigingen op zorg, in het onderwijs en bij justitie terug te draaien. Juist de publieke sector was de laatste jaren de aanjager van de nulurencontracten waardoor zo veel mensen in een financieel onzekere situatie verkeren. Geef deze mensen vanaf nu een gewoon tijdelijk contract, stelt het rapport.

Het meest ambitieuze plan is dat er een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle werkenden moet komen – van zzp’ers en flexwerkers tot kantoorklerken met een vaste baan: iedereen moet een basis hebben om op terug te vallen. Verantwoordelijk minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) ‘onderschrijft’ het plan. Toch schuift hij de oplossingen door tot na de Tweede Kamerverkiezingen. Het kabinet is nu te druk met crisisbestrijding. 

Maar het zijn juist deze maatregelen die op korte termijn de schok van de crisis en de onzekerheid van de transformaties erna voor miljoenen mensen draaglijk kunnen maken. 

Hoe kan Nederland dit allemaal betalen? 

Veel van de maatregelen en investeringen die ik tot nu toe heb genoemd kosten geld. Veel geld. Hoe gaan we dit allemaal betalen? 

Remkes, Borstlap, Alkemade, de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur – ze roepen de regering allemaal op meer te investeren. Dat betekent: structureel hogere publieke uitgaven. Er moet een einde komen aan jarenlange bezuinigingen. Ze worden hierin gesteund door de overgrote meerderheid van economen. 92 procent vindt dat de staatsschuld nog met tientallen miljarden op kan lopen. Het kabinet lijkt voor nu te luisteren.

Maar de transformatie naar de klimaateconomie kan niet helemaal op de pof. We zullen ook anders moeten gaan belasten. 

In het ‘Ontwerp voor een beter belastingstelsel’ werken economen Sijbren Cnossen, Bas Jacobs en een grote groep internationale belastingexperts en economen ideeën uit die nu ingevoerd kunnen worden. Sommige van deze hervormingen liggen al jaren op de plank, andere zijn nieuw. 

Kort samengevat komt het erop neer dat:

  • vervuilers kunnen worden belast met een CO2-belasting en rekeningrijden; 
  • de loonbelasting omlaag kan om ervoor te zorgen dat particulieren die belasting kunnen betalen;
  • de belasting op kapitaal – met name vastgoed – omhoog kan, om dat weer betaalbaar te houden voor de overheid; 
  • een strengere aanpak van belastingontwijking – met name door multinationals – nodig is;
  • en het veel zal schelen als de subsidiekraan voor de luchtvaart- en fossiele industrie wordt dichtgedraaid.
vrachtauto met kerosine

Het is aan politici om te kiezen welke ideeën ze willen gebruiken. Maar zoals de auteurs van het rapport duidelijk maken in de inleiding: of het nou gaat over duurzaamheid of werkgelegenheid: belastingen kunnen ingezet worden om maatschappelijke doelen te behalen. 

En het gaat om gigantische bedragen. Het kabinet subsidieert hypotheken en pensioenen nu met 35 miljard euro per jaar. Dat kan wel iets minder, vindt Jacobs. Zet een deel van dit geld in om de belasting op werken te verlagen. Mensen houden dan meer geld over voor isolatie en zonnecellen en het verzacht de impact van klimaatbelastingen. 

En zo is er nog een hele waslijst verbeteringen die bij elkaar opgeteld de Nederlandse economie dynamischer en duurzamer kunnen maken.

En net als alle andere rapporten die hier zijn genoemd is de boodschap aan het kabinet: jullie zijn aan zet – en er is geen excuus om te wachten tot na de verkiezingen in maart 2021. 

Roestbier

Warmte uit metaalpoeders
De TU/e doet research op het gebied van verbrandingsprocessen. Men probeert zowel bestaande brandstoffen schoner te maken en nieuwe, koolstofloze, brandstoffen te ontwikkelen.

Een researchtak die volwassen begint te worden is de warmteontwikkeling uit oxidatie van metalen, met voorop gewoon ijzer .
In alledaagse omstandigheden gaat de oxidatie van een ijzeren spijker traag en noemt men dat ‘roesten’. Maar als die spijker tot uiterst fijn poeder gemaakt wordt, gaat precies hetzelfde roestproces in fracties van seconden. Bij de intacte en de gemalen spijker komt dezelfde warmte vrij, alleen dus de ene keer in jaren en de andere keer in millisecondes.
Het fijne poeder, opgenomen in een luchtstroom, moet worden aangestoken en daarna houdt de verbranding zichzelf in stand. Niet anders dus dan bij een gasvlam. En zo’n ijzer-vlam kan richting de 2000°C gaan.

Diverse vlammen

Het samenwerkingsverband van de TU/e in deze is Metalot op (toen nog) het Duurzaam Industrieterrein Cranendonck bij Nyrstar. Ik heb daarover eerder geschreven , zie www.bjmgerard.nl/?p=8667 .
Helaas heeft de stikstofuitspraak van de Raad van State nadien het bestemmingsplan onderuit gehaald waarop de verdere ontwikkeling van Metalot gebaseerd was (zie www.ed.nl/cranendonck-heeze-leende/duurzaam-industriepark-cranendonck-van-tafel-onderzoek-gaat-door~a3834a2f/ ). Nyrstar, een van de founders en beoogd leverancier van de grond, trok de stekker er uit. Metalot gaat nu slechts als researchproject verder ( www.metalot.nl/future-energy-lab/ ) verder. Dat is jammer.

Swinkels Family Brewers
Inmiddels was er een groep studenten die het proces door wilde ontwikkelen in een praktijksituatie, het Solid Team (www.tue.nl/en/our-university/community/solid/ ). Dat leidde tot een project bij Swinkels Family Brewers, in de volksmond bekend als Bavaria.
Het is een familiebedrijf . De huidige CEO Peer Swinkels is een bekwame ondernemer met een goed gevoel voor PR (vandaar de nieuwe naam, en de zevende familiegeneratie komt ook goed van pas)) en een groot netwerk in de regio.
Swinkels Family Brewers wil 100% circulair worden. Op de site staat een uitgebreide duurzaamheidsparagraaf ( https://swinkelsfamilybrewers.com/nl/mvo/ons-beleid.html ) en de feitelijke gedragingen in de regio spreken deze ambitie niet tegen. Daarnaast is het ook een goed en toekomstbestendig bedrijfsmodel.

Ketels bij Bavaria

Om bier te maken moet er ergens in het proces heel veel graan-halfproduct gekookt worden in hele grote ketels met water. Dat gebeurt nu met gas.
Hier kwamen de belangen bij elkaar. De studenten mochten een proefopstelling maken en die kon een klein deel van het gas vervangen.

Partners in Iron Fuel ( https://ironfuel.nl/ ) zijn de TU/e, Metalot, het Solid Team.. de EMGroup, Heat Power, Uniper, Shell en Pometon. Zoiets als het regionale bier-industriële complex.

Het proefproject kon starten en dat vroeg om een kleine plechtigheid in de vorm van een YouTube – filmpje. Op https://youtu.be/65bbHzirevI . Het publieksprogramma Energy Days van de TU/e (dat ik volg) presenteerde het op 29 oktober 2020 en zodoende kwam ik in contact.

vlnr Peer Swinkels (CEO van Swinkels Family Brewers, presentator Diederik Jekel, Gedeputeerde De Bie en verbrandingsprofessor de Goey . de Bie zit achter een fles met metallisch ijzer en een fles met Fe2O3 (gangbare ijzerroest)

 
Namens de studenten waren bij het feestje aanwezig Chan Botter en Lex Scheepers, namens de brouwerij Peer Swinkels en Martijn Junggeburth (manager duurzaamheid van Swinkels), directeur-bestuurder Maria van der Heijden van MVO Nederland voor een duurzame preek, en verbrandingsprofessor De Goey van de TU/e. Verder verscheen kwispelstaartend Eric de Bie, gedeputeerde van Energie, erfgoed en bestuurlijke vernieuwing namens het Forum voor de Demagogie, welke partij normaliter hel en verdoemenis preekt over klimaat en duurzaamheid, maar die hier toch niet wilde ontbreken bij een initiatief waar de provincie aan meebetaalt (en waar bier gemaakt wordt).

Het proefproject is een verbrandingsinstallatie van 100kW.
De hete verbrandingsgassen gaan door eerst een cycloon, die het grootste deel van het ijzerroestpoeder terugwint. Daarna verhitten de gassen de kookketels, waarna de afgekoelde gassen nog door een HEPA-filter gaan. Uiteindelijk wordt nagenoeg alle ijzer teruggewonnen.
Om alle aardgas te vervangen zou de installatie 150 keer zo groot moeten zijn – een minder dramatische opschaling dan men als leek zou denken. De eerstvolgende geplande opschaling gaat naar 1MW.
Er zijn in Nederland 125000 verbrandingsinstallaties. Die hadden de studenten allemaal in een databestand bekeken (zeiden ze).
Voor het verhaal zie ook https://teamsolid.org/metal-power/ .

Ijzerpoeder is als brandstof relatief zwaar. Het ligt dan ook voor de hand om het niet in lichte toepassingen (als bijvoorbeeld auto’s) te gebruiken. Maar zonder al teveel verbouwing zou men met ijzerpoeder ook een (voorheen) kolencentrale kunnen stoken. En er is ook interesse voor gebruik in schepen.

De 100kW-installatie bij Swinkels Family Brewers

 
De zwakke plek: waterstof en het proces andersom
De stap van metallisch ijzer naar ijzerroest (oxideren) is recht toe, recht aan. Er valt nog wel het nodige aan praktische dingetjes aan uit te zoeken, maar het principe werkt.

Het omgekeerde proces (reduceren) is een heel ander verhaal. Het filmpje van het studentenproject schenkt daar nauwelijks of geen aandacht aan, in de geest van ‘dat zoeken we nog wel uit’.

Als het koolstofvrij geregenereerd moet worden (roest terug naar ijzer), dan is waterstof het meest logische verhaal. In het filmpje doet men daar luchthartig over ‘die maken we wel uit overschotten van wind- en zonnestroom’ en ook de sites geven weinig informatie. Men veronderstelt gewoon dat er in 2030 genoeg waterstof is.  

In de Iron Fuelgroep zit ook Niels Deen, professor of regeneration en die heeft bij een andere gelegenheid eens gezegd dat het totale ketenrendement van zonnepaneel tot warmteproductie nu ongeveer een kwart is. Dus voor elke 1Joule warmte bij Swinkels zou elders 4J zonnestroom geproduceerd moeten worden met waterstof als tussenproduct.

Chemisch kan de regeneratie het recht toe, recht aan als je genoeg waterstof hebt.
Wat je eigenlijk in dit proces doet, is dat je een soort variant bouwt van een hoogoven die geen cokes, maar waterstof gebruikt om de zuurstofatomen van het ijzererts af te trekken. Het verbrandingsproduct van de iron fuel is niet wezenlijk anders dan ijzererts.
Zo’n alternatieve hoogoven bestaat sinds kort in Zweden (zie oa http://www.fchea.org/in-transition/2019/11/25/hydrogen-in-the-iron-and-steel-industry ).

Het Zweedse HYBRIT-project om staal te maken met waterstof (bron http://www.hybritdevelopment.com/ )


Maar waterstofproductie op deze schaal vreet stroom. Als Tata de Zweedse technniek over zou nemen (of omgekeerd de Zweedse fabriek Tata Steel, waarover gesprekken gaande zijn), zouden alle bestaande windparken op de Noordzee alleen voor Tata moeten gaan draaien – zegt Tata.
De Zweden hebben waterkracht, maar in Nederland?
Elders op deze site staat een artikel over een TNO-studie die aantoonde dat alleen al het produceren van synthetische brandstof voor het lange afstands vrachtautoverkeer, de scheepvaart en de luchtvaart tot een verzesvoudiging van het Nederlandse elektriciteitsbudget leidt ( www.bjmgerard.nl/?p=13623 ).
Komen daar allerlei grote inrichtingen uit de industrie bij, dan ontploft het Nederlandse elektriciteitsbudget en dat is bij lange na niet binnen Nederland op te vangen. Het vraagt internationale productie en im- en export (net als nu).
Allerlei instanties zijn met allerlei mooie projecten rond waterstof bezig, maar voor het hoofdprobleem heb ik nog geen oplossing gezien. Ik zie nu al veel meer claims op groene waterstof dan er ooit binnen Nederland waargemaakt kunnen worden.

Wat staat er in de VS-Green New Deal? Hoe toepasselijk is die voor Nederland en Europa?

Inleiding
Na elk jubileum op deze site (in dit geval de 25000ste bezoeker) een artikel dat net iets anders is dan wat hier gangbaar is.

De Green New Deal in de VS trekt de aandacht. Onder andere de SP noemt hem als inspiratiebron  in “Een rood antwoord op de Europese Green Deal”, en ook binnen bijvoorbeeld Groen Links is het een thema.

Wat staat er in, en wat heb je daaraan in Nederland?
Een leerzaam stukje geschiedenis, een samenvatting en een commentaar.

Geschiedenis in de VS
Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Green_New_Deal .
De zinsnede ‘Green New Deal’ als beschrijving van een ‘enorm industrieel project’ is als eerste bekend uit de pen van journalist Thomas Friedman in de New York Times van 19 januari 2007. Hij schreef zijn opinieartikel midden januari, tussen zijn bloeiende narcissen. Hij zag het als een investeringsproject in de orde van grootte van het Manhattan Project (dat tot de eerste atoombom leidde).

De oorspronkelijke New Deal was van Roosevelt en beëindigde de economische crisis van 1929.

De term Green New Deal sloeg aan binnen en buiten de VS (o.a. in het United Nations Environment Program (UNEP). In diverse landen en onlangs ook in de EU.

In de VS werd de ‘Green New Deal’ vanaf 2010 het handelsmerk van de Green Party bij verkiezingscampagnes, zoals die voor president (Jill Stein in 2012 en 2016, en Howie Hawkins in 2020).

Een groep Democraten, waaronder afgevaardigde Alexandria Ocasio-Cortez (AOC in de volksmond) nam het plan van de Green Party in afgezwakte vorm over. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Alexandria_Ocasio-Cortez .
AOC was aanwezig bij een demonstratie in het kantoor van Nancy Pelosi (de fractievoorzitter van de Democraten in het Huis van Afgevaardigden). Dat was lichtelijk tegen de politieke etiquette. Daar werd het democratische voorstel naar buiten gebracht.

Demonstranten bij het kantoor van Pelosi (nov2018)

Technisch gesproken wil AOC een apart Committee dat zich specifiek bezig houdt met de Green New Deal. Pelosi had in 2007 al een vergelijkbaar Committee ingesteld, maar dat mocht minder en kon minder en werd door de latere Republikeinse meerderheid kaltgestellt.
Op 07 febr 2019 werd het voorstel in de vorm van een niet-bindende resolutie aangeboden en door de democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden aangenomen.
Tegelijk bracht de (buiten de VS minder bekende) senator Ed Markey het in de Senaat in, waar het voorstel met procedurele trucs onmiddellijk door de republikeinse meerderheid werd afgeschoten.

Wat staat er in de resolutie?
Het is een hele brede maatschappelijke visie die zowel energie-, milieu- en klimaatdoelen noemt, maar ook sociaal-economische. De resolutie beslaat dan ook 14 kantjes. Daarom hier een samenvatting. Voor de volledige tekst zie hieronder.

Je hebt eigenlijk vijf hoofdstukken.

HOOFDSTUK 0            OVERWEGINGEN
Er wordt verwezen naar het laatste IPCC-rapport, dat bij overschrijding van de 2°C-temperatuurstijging (waar de VS zelf onevenredig schuld aan is) veel leed voorspelt, onder andere in de VS zelf. Tegelijk is er een crisis rond de positie van werknemers en achtergestelde groepen, resulterend in grote ongelijkheden en massale verarming. De nationale veiligheid wordt bedreigd. En dat terwijl het allemaal veel beter kan.

HOOFDSTUK 1            DOELEN
De VS moet streven  naar netto geen emissie van broeikasgassen; miljoenen goedbetaalde banen; investeringen in infrastructuur; toegang tot schone lucht en water, klimaatveerkracht, gezond voedsel, tot de natuur en een duurzame omgeving; en een einde aan het racisme

HOOFDSTUK 2            PLANNEN
Hiervoor moet een 10 jaar durende nationale mobilisatie komen, om projecten te definiëren

  • Om klimaatrampen op te vangen
  • Die de infrastructuur repareren en opwaarderen en die iedereen schoon water bezorgen
  • Die ertoe leiden dat de energiebehoefte van de VS afgedekt wordt met “100% clean, renewable and zero-emission energy sources”
  • Die het elektriciteitsnet verbeteren en het mogelijk maken dat iedereen betaalbare elektriciteit krijgt
  • Waardoor alle bestaande en nieuwe gebouwen zo efficiënt mogelijk met energie en hulpbronnen omgaan
  • Waardoor de lozing van vervuilende en broeikasgassen van de industrie zo ver mogelijk teruggedrongen wordt
  • Waardoor de lozing van vervuilende en broeikasgassen van de landbouw zo ver mogelijk teruggedrongen wordt, en die ook aandacht besteden aan de bodem, aan een goed voedselsysteem en die aandacht geven aan gezinsbedrijven
  • Die de lozing van vervuilende en broeikasgassen van het transport zo ver mogelijk terugdringen
  • Die koolstof uit de luchthalen door herbebossing en bodemherstel
  • Bestaande gevaarlijke vuilstorten saneren
  • Andere vervuilingsbronnen verwijderen
  • Kennis, producten en diensten internationaal uitwisselen, zodat de VS de intgernationale leider op klimaatgebied wordt en ook andere landen hun New Green Deal bereiken

HOOFDSTUK 3            PROCES
De Green New Deal moet bereikt worden via een transparante en inclusieve samenwerking met kwetsbare gemeenschappen, vakbonden de zakenwereld en de academische wereld

HOOFDSTUK 4            VOORWAARDEN
De Federale regering moet

  • voor publiek geld zorgen, voor technische kennis en voor andere vormen van steun
  • alle sociale en omgevingskosten meenemen in bestaande wetten en sociale programma’s
  • onderwijs en opleiding aanbieden zodat iedereen mee kan doen in de Green New Deal
  • Investeren in R&D t.b.v. nieuwe vormen van schone energie en industrie
  • voor economische ontwikkeling zorgen en voor goede banen, met voorrang voor kwetsbare gemeenschappen
  • voor democratische participatieprocessen zorgen
  • arbeidersbelangen respecteren
  • banen creëren waarmee men een gezin kan onderhouden, inclusief goede secundaire arbeidsvoorwaarden
  • vrijheid van organisatie van werknemers garanderen
  • gezond werk garanderen
  • een handelssysteem optuigen, inclusief grensbeperkingen, zodat er meer binnenlands geproduceerd wordt en er geen banen en vervuiling geëxporteerd worden
  • optreden tegen de vervuiling van land, water en de oceanen
  • de rechten van inheemse volkeren respecteren
  • zorgen dat ondernemingen niet blootgesteld worden aan oneerlijke concurrentie en monopolies
  • een goede gezondheidszorg, adequate en betaalbare huisvesting, economische veiligheid schoon water, schone lucht, betaalbaar en gezond eten, en toegang tot de natuur

Wat vond men er in de VS van?
Zoals te verwachten, was er rechtse, linkse en min of meer neutrale kritiek. Er was ook veel maatschappelijke steun.

  • De rechtse kritiek kan men eenvoudig voorspellen, de huidige cultuur bij de Republikeinse Partij kennende – zie het lot van de resolutie in de Senaat.
    Dat het niet te betalen was, was nog de vriendelijkste kritiek. Een niet al te wilde centrumrechtse club  kwam op 95 – 177 triljoen over de eerste tien jaar (een triljoen is in de VS miljoen*miljoen. Wij zouden 1000 miljard zeggen).
    Overigens stelde Bloomberg Businessweek (vrij vertaald) dat Wall Street best wel met een hoop geld over de brug wilde komen als het Congres tot een fatsoenlijk plan kwam.
    Niet al te linkse Democraten en bijvoorbeeld ook de vakbonden hadden hun reserves, die met een wat rustiger woordkeus geuit werden.
  • De meest fundamentele linkse kritiek was dat de Green New Deal niet de oorzaak aanpakte, te weten de eindeloze groei en de consumptie in het kapitalisme.
    Men zal in de resolutie inderdaad nergens het woord ‘capitalisme’ tegen komen. De resolutie wil een vèrgaand overheidsoptreden binnen de bestaande structuur.

Het verschil tussen het oorspronkelijke voorstel van de Green Party (dat van 2016) en dat van de democraten is ook aan te wijzen in concrete passages.

  1. De Green Party wil in 2030 van alle fossiele brandstoffen af, maar de Democraten willen in hun resolutie  ‘net-zero greenhouse gas emissions’ en ‘meeting 100% of the power demand through clean, renewable and zero-emission energy sources’ . Het verschil is groter dan het op het eerste oog lijkt.
    De Democraten laten met deze formulering bijvoorbeeld de mogelijkheid tot kernenergie en Carbon Capture and Storage (CCS) open, de Green Party niet.
  2. De Green Party wil een carbon taks (belasting op CO2), de Democraten spreken met geen woord over welke vorm van belasting dan ook op koolstof
  3. De Green Party spreekt over ‘20 miljoen banen’, de Democraten over ‘miljoenen’.

Een andere discussie is wat er allemaal NIET mag. Op 10 januari 2019 spraken 626 milieu-organisaties zich uit voor de New Green Deal , zie

Maar dat met de toevoeging van wat er allemaal niet mocht: “any definition of renewable energy must also exclude all combustion-based power generation, nuclear, biomass energy, large scale hydro and waste-to-energy technologies “ en “market-based mechanisms and technology options such as carbon and emissions trading and offsets, carbon capture and storage”.  Wat er wel moest: stoppen met het winnen van fossiele brandstof (merkwaardig genoeg staat er niets over import van fossiele brandstof in), met het subsidiëren van vuile energievormen (waaronder, behalve fossiele, ook bovengenoemde vallen), 100% hernieuwbare energie uiterlijk 2035 (minus wat daar niet onder mag vallen), een beter elektriciteitsnet, meer openbaar vervoer, een verbod op voertuigen op fossiele brandstof uiterlijk 2040, het aanscherpen van de Clean Air Act voor klimaatdoelen, en sociale doelen in de geest van die welke ook in de resolutie staan.
Het is de eeuwige discussie over hoe recht in de leer men moet zijn.
Enkele grote, gevestigde en bekende clubs, waarvan de Sierra Club in Nederland de bekendste is, tekenden de brief bewust niet vanwege de beperkende toonzetting.

  • De neutrale kritiek is niet gebaseerd op onwil, maar richt zich vooral op de feitelijke uitvoerbaarheid.
    Ik laat hier model staan (voor een ruimer palet aan meningen) een artikel uit de MIT Technology Review ( www.technologyreview.com/2019/01/18/137792/lets-keep-the-green-new-deal-grounded-in-science/ ).
    De ene vraag is of een breed pakket, zoals AOC dat op tafel gelegd heeft, de kans op realisatie groter of kleiner maakt. Hierover wordt in het artikel wisselend gedacht.
    De andere vraag is of je met zoveel beperkingen als de brief van de 626 organisaties eist, in staat bent een deuk in een pakje klimaatboter te slaan. Het algemene antwoord daarop is NEE. “You don’t confront a crisis with a limited tool set,” says Jesse Jenkins, a postdoctoral environmental fellow at Harvard, who has closely studied the costs and feasibility of varying approaches to decarbonization. “You throw everything you’ve got at it.” en “As long as organizations hold onto a rigid set of ideas about what the solution is, it’s going to be hard to make progress,” says David Hart, director of the Center for Science, Technology, and Innovation Policy at George Mason University. “And that’s what worries me.”

Maatschappelijke steun voor de Green New Deal is ruim voorradig: onder andere Naomi Klein, Al Gore, Jill Stein van de Green Party, Ban Ki-moon, de Nobelprijswinnende economen Stiglitz en Krugman.

Alexandria Ocasio-Cortez
By Matt Johnson from Omaha, Nebraska, United States – IMG_3973, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=83956630

Hoe ging het verder?
Uit een artikel in The Atlantic van 12 juni 2019 ( www.theatlantic.com/science/archive/2019/06/whats-green-new-deal-nobody-knows/591391/ ) rijst het beeld op dat (in elk geval op dat moment) de overwinnaars niet goed wisten hoe om te gaan met hun overwinning. Brede vergezichten in gloedvolle woorden zijn mooi, maar nu ter zake.

De detaillering is toevertrouwd aan de denktank “New Consensus” ( https://newconsensus.com/ ), maar daar is weinig informatiefs te vinden.
Ook verder onderzoek levert weinig op. Nu zijn daar ongetwijfeld redenen voor te vinden die niet met de Green New Deal te maken hebben. Ongetwijfeld is het een onderwerp waar de huidige Republikeinse Partij en zijn vertegenwoordiger in het Witte Huis niets mee te maken willen hebben.

Maar uit het Atlantic-artikel komt ook naar voren dat er interne oorzaken zijn. Een ervan is kennis. De New Green Deal is het resultaat van een campagne van actievoerders die de bestaande grote milieuorganisaties links hebben laten liggen. Daardoor zijn de verhoudingen gespannen.
Geen van de vijf mensen die de denktank New Consensus runnen, had veel ervaring met energie of milieupolitiek.
Daarom werd er een meeting gepland die op vier basale vragen antwoord moest geven: “welke vragen moeten we stellen?”, “Op welke debatten moeten we letten?”, “Met welke mensen moeten we praten?” en “hoe moeten wij. Volgens jullie, dit als organisatie gedaan krijgen?”. Als je die vragen na een belangrijke resolutie nog moet stellen, is er iets mis.
Plus waren ze voor de meeting vergeten de vakbonden uit te nodigen. Het uitnodigingsbeleid werd op zichzelf al een punt van discussie.

En woorden luisteren soms erg nauw binnen de klimaatbeweging die zichzelf al gauw de tent uitvecht. Een zinnetje uit de Resolutie als “100% clean, renewable and zero-emission energy sources” leent zich uitstekend voor een farizeïsche discussie over de precieze betekenis van het woordje “and”. Want staat dat “and” wel of geen kernenergie en Carbon Capture Storage (CCS)-technieken toe?
Vakbonden willen Carbon Capture, want dan kunnen de kolenmijnen nog wat langer doorwerken. Ook het IPCC en soortgelijk wil CCS, want elk denkbaar computermodel geeft aan dat je er zonder CCS gegarandeerd niet komt.
Maar de actievoerders willen bomen planten, waar op zich niets mis mee is, maar koolstofopslag in bomen is te weinig, te langzaam en te onbetrouwbaar.
In de november 2018-versie van de resolutie stond nog “massive investment in the drawdown and capture of greenhouse gases.” In de definitieve stond “Carbon dioxide should be reduced through proven low-tech solutions … such as land preservation and afforestation.” De politieke steun was daardoor breder, maar dat wat gesteund werd een heel stuk machtelozer.

Op het Party Platform van de Democratische Partij in verkiezingstijd dat over de Climate Crisis and Environmental justice gaat (te vinden op https://democrats.org/where-we-stand/party-platform/combating-the-climate-crisis-and-pursuing-environmental-justice/ ) staat dd 06 okt 2020 een lang verhaal waarin wel een toonzetting en een thematiek terug te vinden is uit de Green New Deal, maar waarin die term zelf niet voorkomt. Ongetwijfeld zijn er meer invloeden in dit verhaal terecht gekomen. In elk geval staat er de expliciete passage in “Recognizing the urgent need to decarbonize the power sector, our technology-neutral approach is inclusive of all zero-carbon technologies, including hydroelectric power, geothermal, existing and advanced nuclear, and carbon capture and storage”.

(Uit de Green Deal van de EU)

Mijn mening en het Rode antwoord op de Europese Green Deal
Als SP-lid zou mijn referentiekader moeten zijn de recente publicatie “Een rood antwoord op de Europese Green Deal” (25 juni 2020, www.sp.nl/rapport/2020/rood-antwoord-op-europese-green-deal ). Dat is echter slechts ten dele zo.

De SP-publicatie noemt Ocasio-Cortez als voorbeeld (samen met Bernie Sanders).

De SP deelt met de New Green deal de basisgedachte dat energie- en klimaatbeleid slechts in samenhang met andere grote maatschappelijke kwesties behandeld kunnen worden. Deze basisgedachte vind ik juist.
De meeste uitwerkingspunten zijn dat ook, al is de lijst onvolledig.

De SP heeft echter van drie dingen last.

De eerste is dat de SP een instinctief anti-Europagevoel heeft dat haar parten speelt. Zelfs als Europa iets goed doet, is het niet goed en elders is het beter. Ik waag mij hier niet aan een omvattend oordeel over de EU als geheel, want daar heb ik te weinig verstand van, maar ik heb dat instinctieve anti-gevoel niet. Als Europa met goede initiatieven komt op gebieden die ik snap, vind ik dat fijn. Zoals de schone lucht-directives, de brandstofrichtlijn, de RED II-richtlijn voor biomassa en bovenal het kunstwerk op eenzame hoogte in de wereld, de REACH-systematiek voor gevaarlijke stoffen.
De SP ziet de European Green Deal als iets dat functioneert binnen een markteconomie. Dat klopt. Vervolgens neemt de SP aan dat dit een unieke EU-slechtheid is en dat klopt niet, want de als voorbeeld aangevoerde Green New Deal van Alexandria Ocasio-Cortez doet precies hetzelfde. Wat logisch is, want aan beide kanten van de oceaan komt het initiatief in essentie van sociaal-democratische politici. Ocasio-Cortez is eigenlijk de Amerikaanse Frans Timmermans, maar ze ziet er alleen een beetje anders uit.
Als de SP een bij haar analyse passend voorbeeld zou willen noemen, zou ze eigenlijk in de VS de Green Party moeten noemen, want die is fundamenteel anti-kapitalistisch. Maar die propageert ook de eindigheid van de groei en het remmen van het consumentisme, en daar is de SP (nog?) niet aan toe.
Ik vind overigens de onderbouwing van de Europese Green Deal oneindig veel beter dan die van die in de VS.
De SP is wel voor een Europese aanpak van vervuiling, maar blokkeert vanwege haar reflexen de maatregelen die daar op Europese schaal voor nodig zijn, zoals het Emission Trade System (ETS) – net nou het een beetje begint te werken. De EU moet van alles, maar mag niks.

(Verloop van de CO2 – prijs in het ETS)

De tweede is dat doorklinkt (zonder dat dat expliciet gezegd wordt) dat in een kapitalistische markteconomie geen grote en soms goede werken mogelijk zouden zijn.
Maar de Amerikanen hebben hun Manhattanproject (de eerste atoombom) en de eerste man op de maan, en wij hebben de Deltawerken. Die zijn toch echt in een kapitalistisch land door grote kapitalistische bedrijven aangelegd onder krachtige publieke sturing. En met visserijgemeenschappen die er de dupe van waren en geholpen zijn. Het socialisme is er niet dichterbij door gekomen, maar Nederland had toch echt moeilijk zonder de Deltawerken gekund.

De derde is dat het voor eenieder die zich in de klimaatbeweging waagt, onvermijdelijk is dat men in de gebruikelijke loopgraafgevechten terecht komt tussen politieke zuiverheid aan de ene kant en het halen van reële doelen aan de andere kant.
De SP heeft te weinig ervaring met milieu en klimaat, en daardoor te weinig dossierkennis.
Daardoor kiest de SP en New Green Deal tot voorbeeld die geen voorbeeld is, althans niet op de beoogde manier.
Dat speelt haar bijvoorbeeld parten in het standpunt over houtige biomassa (waar de premisse van de redenering aantoonbaar onjuist is), en in een teveel aan fiducie in het planten van bomen als oplossing. Er is op zich niets op tegen en veel voor als men veel bomen plant (als dat tenminste de juiste bomen op de juiste plaats zijn), maar het is slechts een bescheiden oplossing voor het koolstofprobleem.
Mijn positie ligt het dichtste bij die welke ik geciteerd heb van het MIT. Ik ben resultaatgericht en ik wil meters maken, en dat lukt niet als je bij voortduring bezig bent je te verschansen achter wat er allemaal niet mag. Je hebt alles nodig en meer dan dat.

In Nederland is die dossierkennis nog harder nodig dan in de VS, omdat Nederland veel dichter bevolkt is. In de VS kun je nog wel ergens 100km2 bos aanleggen en verderop 50 km2 zonnepark zonder dat je veel mensen in de weg zit. In Nederland heeft elke vierkante meter al een bestemming en men zit meestal hutje mutje op elkaar. Dat vraagt om veel moeilijker afwegingen.

Nieuwe NOM-woningen in Waalre

In restaurant De Meiboom in Waalre

Het werkbezoek
Woningbouwvereniging ‘Thuis realiseert 25 nieuwe Nul Op de Meter (NOM)-woningen aan de Michiel de Ruyterstraat in Waalre. Ik heb er een werkbezoek georganiseerd op vrijdag 18 september, bestaande uit een inleiding in het Coronaproof ingerichte, nabijgelegen Restaurant De Meijboom en een excursie op de bouwplek.
‘Thuis heeft 10500 woningen in en rond Eindhoven. De corporatie richt zich uitsluitend op ‘DAEB-woningen’, zijnde sociale huurwoningen met bijpassend ander maatschappelijk vastgoed ( zie www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/woningcorporaties/activiteiten-woningcorporaties ). Het woningbezit van ‘Thuis was al in 2018 gemiddeld Label B . ‘Thuis hoort bij de duurzaamste corporaties van Nederland.

Aanwezig waren van de kant van ‘Thuis  

  • Hans van Houtum, architect en eigenaar BNArchitecten Best
  • Rene Beks, Directeur Ontwikkeling & Innovatie, Hendriks Coppelmans Bouwgroep B.V. (als aannemer geselecteerd)
  • Geert Van der Heijden, projectmanager Laride (een technisch adviesbureau);
  • David Tournoy, projectleider
  • Rob Wijers als contactpersoon van ‘Thuis.

Het publiek bestond uit de Waalrese wethouder Uijlenhoet, Judith Lammers en Dorry Elshout voor Milieudefensie Eindhoven, Nico Heijmans, Bas Tromp en Antonio Vaccaro namens de Provinciale of Eindhovense SP, en ikzelf namens beide.

Uijlenhoet meldde dat het woningbouwproject in het grotere geheel paste van de herinrichting van het centrum van Waalre na de aanstaande verlegging van de N69.

Michiel de Ruyterstraat vroeger

De gemaakte keuzes in het project
‘Thuis omschrijft zijn keuzes als volgt.
De woningen zijn uit 1948 en volgens de Delftse School. In die tijd waren de materialen matig of slecht. De plattegrond was die in die tijd gebruikelijk was (o.a. een badkamer op de grond en schuine kanten in de slaapkamers). Leuk om te zien, maar niet praktisch.
Bij de woningen zat een diepe tuin, waaraan de zittende bewoners niet meer de nodige tijd en/of geld wilden of konden besteden.
Renovatie tot op huidig duurzaamheidsniveau zou ruim een ton per woning gekost hebben en nog steeds een woning hebben opgeleverd met een oude plattegrond en een oud karkas.
Uiteindelijk is er in 2015 voor gekozen om de 16 woningen te slopen en in plaats daarvan 25 sociale huurwoningen te realiseren voor kleine huishoudens en starters. Vanaf dat moment zijn de zittende bewoners meegenomen in het verdere proces (iets waarop ‘Thuis nu zelfkritiek levert), met sociaal plan.
De nieuwe woningen moesten NOM zijn en zoveel mogelijk circulair gebouwd –  twee aandachtspunten bij huidige bouwprojecten.

Woningplattegronden (begane grond) uit www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.0866.BP00192-0101/t_NL.IMRO.0866.BP00192-0101.html

De uitvoering van het project en de gerealiseerde resultaten
Wat betreft de woonkenmerken en de energiehuishouding:
Vijf woningen hebben drie slaapkamers en de rest twee.
De woningen zijn zo goed geïsoleerd dat de zonnepanelen op het dak, bij een normaal leefpatrooon, voor woningverwarming, tapwater en apparaten kunnen zorgen. Omdat de vraag naar en de levering van zonne-energie niet in de tijd samenvallen, blijven de woningen op het elektriciteitsnet aangesloten.
Bewoners van NOM-woningen betalen een vervangende energierekening (de Energie Prestatie Vergoeding EPV), die maximaal €1,44/m2 gebruiksoppervlak mag zijn. Hier is gekozen voor de maximale EPV. De Gebruiksoppervlakte is door ‘Thuis niet vermeld, maar zal op basis van de bestemmingsplantekening wel iets van 80 a 90 m2 zijn (niet alle woningen zijn hetzelfde).
Drie of vier huishoudens uit de oude woningen keren terug in de nieuwe.

( Uit de presentatie van de architect. Een PVT paneel is een gecombineerd zonnepaneel met PV (elektra) en Zon Thermisch (water/glycol) ).

Wat betreft de circulariteit:
‘Thuis volgt de ‘Natural Step’. Dit project was voor ‘Thuis een pilot om circulair te bouwen. Slopen heet tegenwoordig ‘oogsten’ en een goed Nederlandse woord ervoor is ‘Urban Mining’.
De overheid wil ni 2030 de helft minder primaire materialen gebruikt zien.
Hendriks Coppelmans pioniert op dit gebied (zie www.hendrikscoppelmans.nl/innovaties/circulair-bouwen/  en vandaar af www.hendrikscoppelmans.nl/actueel/bestaande-woningen-als-donor-in-circulair-nieuwbouwproject-waalre/ en https://newhorizon.nl/ , allemaal interessante sites) en werkt, behalve met genoemde NBArchitecten, ook samen met New Horizon Urban Mining die de feitelijke sloop deed (niet aanwezig bij het werkbezoek). “NOM bouwen is voor ons niet meer zo spannend” aldus de (wel aanwezige) René Beks op de site van Hendriks Coppelmans “maar dit circulaire bouwproject is een mooie pilot voor ons allemaal”.
Het gaat bijvoorbeeld om het terugsplitsen van beton tot grind, zand en cement, nieuwe bakstenen produceren met puin van oude (met wat glas toegevoegd), FSC-hout en dakpannen hergebruiken.
De verslaglegging door ‘Thuis en aanhang beperkt zich vooralsnog tot het schetsen van intenties en processen – die inmiddels achter de rug zijn.
Het zou aardig zijn om achteraf te horen wat hoe de pilot uitgepakt heeft.

Oud en nieuw
De bouwplaats
Nog eens de bouwplaats

Heel Holland zakt

Dit is het duizendste artikel op deze site, en vanwege dat jubileum een artikel dat afwijkt van de hier gebruikelijke routine.
Niet dat het onderwerp onbelangrijk is, want je praat over tientallen miljarden.

Ter intro
Toen de TU Delft, SkyGEO en het Nederlands centrum voor Geodesie en Geo-informatica in 2018 de eerste systematische kaart maakten over de bodemdaling in Nederland, had die nog een oplossend vermogen van 2*2km. Duidelijk was dat grote delen van Nederland dalen, wat sappig in de pers kwam als “Heel Holland zakt”. Heel Holland? Nee, want er zijn een paar dorpjes in Limburg die van geen wijken weten. Maar voor de rest klopt het, met wat overdrijving.

Let wel dat deze kaart dus niet over de hoogtes gaat (die kaarten bestaan ook), maar over de verandering in de hoogtes.

Al bij de eerste kaart was duidelijk dat de gevolgen immens zijn. Het PBL kwam al in 2016 tot een schade die in 2050 opgelopen kan zijn tot €22 miljard. Aan verzakkende rioleringen, funderingen, kabels en leidingen, wegen en dijken. Het onderzoek van 2018 gaf onderbouwing en extra aandacht aan die uitkomst.
Zie www.atlasleefomgeving.nl/nieuws/nieuwe-kaart-laat-bodemdaling-in-nederland-zien .

Zowel de diepe als de ondiepe ondergrond beweegt.
In de diepe ondergrond bestaan natuurlijke geologische bewegingen. Soms nog een nasleep van de ijstijd, maar he kan ook om de breuken gaan aan weerszijden va de Brabantse slenk (vereenvoudigd de Peelrandbreuk – waar nog natuurlijke aardbevingen voorkomen – en de Feldbissbreuk). Ten noordwesten van de lijn Breda-Amersfoort-Emmen daalt Nederland geologisch, aan de andere kant blijft het gelijk of stijgt het.

Het Kinderdijksysteem

Bovenop die natuurlijke bewegingen bestaan man-made bewegingen, zowel diep (de gas- en zoutwinning) als ondiep. Een ondiepe bewegingen ontstaat bijvoorbeeld door het inklinken en wegoxideren van veen en klei, en dat komt weer door eeuwenlange ontwatering.
Een prachtig voorbeeld zijn de molens bij Kinderdijk, een schitterend voorbeeld van Middeleeuwse technische en sociale organisatie. Tot pakweg 1370 liep het polderwater zonder hulpmiddelen weg bij laag water in de Merwede, in rond 1620 was de aanleg van een lage boezem nodig, en weer een eeuw later de hoge boezem. Met een dergelijk, voor die tijd, geavanceerd systeem was men weer op het uitgangspunt terug dat het water bij laag water wegliep in de Merwede. Het hoogteverschil is vijf eeuwen inklinking.

Die inklinking, zegt het PBL, heeft, naast de genoemde geforceerde verlaging van de grondwaterspiegel voor de landbouw, als andere hoofdoorzaak het belasten van veengrond en natte klei met wegen en woonwijken en bijbehorende zandlichamen.
Door de daling van de grondwaterspiegel komt het veen onbeschermd te liggen, wordt geoxideerd en dat geeft een forse CO2-ontwikkeling. De klei compacteert of wordt gecompacteerd.

Het RLI heeft zeer onlangs een advies uitgebracht over de toekomst van het veengebied. Zie www.rli.nl/publicaties/2020/advies/stop-bodemdaling-in-veenweidegebieden-het-groene-hart-als-voorbeeld .

De ondiepe vertikale bewegingen kunnen minstens zo groot zijn als de diepe bewegingen.

Op 08 september 2020 kwam de TU Delft, samen met partners, met de Bodemdalingskaart 2.0. Die is een heel stuk informatiever en daardoor spannender.
De Sentinel-1a en 1b-satelliet hebben op bijna 200 miljoen waarnemingspunten in Nederland bijna 41 miljard observaties gedaan. Bij de kaart uit 2018 werd een deel van die punten nog gemiddeld tot 2*2km – blokken, maar nu zijn ze individueel toegankelijk.
De satellietgegevens zijn gecombineerd met metingen van microafwijkingen in de zwaartekracht.

De home page van het onderzoek is https://bodemdalingskaart.nl/nl/ . Daar staat het een en ander aan uitleg en verwijzingen. De nieuwe kaart heet 2.0 en je kunt hem vinden onder ‘viewer’.

Schermbeeld van Noord-Brabant en Limburg. Locatie 77 is de Peelrandbreuk ten westen van Uden.

Hoe de nieuwe kaart werkt
De satellieten volgen ongeveer een polaire baan. Ondertussen draait de aarde er onderdoor, waardoor de satellieten om de 1,4 dag een opname van Nederland kunnen maken. Ze kijken zijwaarts (in de vliegrichting naar rechts) en kunnen zo (delen van) Nederland zien van boven Engeland vliegen, boven Nederland en boven Duitsland.  Ik heb gekozen voor Midden-1 (boven Nederland, van NP à ZP). Die geeft heel Brabant en Limburg, waar ik mij op focus. Uiteraard is de werkelijkheid complexer dan hier verteld.
Het systeem haalt een verticale meetnauwkeurigheid van ongeveer 1 mm en een horizontale van ca 10 a 15 cm.
De metingen liepen van (meestal) voorjaar 2015 t/m oktober 2019.

De feitelijke interactieve kaart is te vinden op https://bodemdalingskaart.portal.skygeo.com/portal/bodemdalingskaart/u1/viewers/basic/ .
Kies in de kaartlagen-inzet (bijvoorbeeld) midden-1 (de default) en klik een keer ergens op, dan verschijnt een Marker. Die kun je neerzetten waar je wilt.
Zonder het Midden-1-vinkje zie je de onderliggende plattegrond (en kun je zien waar je marker precies staat). Je kunt steeds switchen.

Aanklikken van hokje ‘Locaties” levert een honderdtal voorbeeldlocaties op (rondjes), waarover nadere informatie gegeven wordt. Hierboven is locatie 77  gekozen (de Peelrandbreuk ten westen van Uden). Onder het rondje zit een plattegrond.

De kaart kan sterk worden uitvergroot en op een gegeven moment ga je vierkantjes zien. Daar worden de getallen aan gehangen. Ga je dan nog verder uitvergroten, dan zie je de afzonderlijke meetpunten (zie verderop de afbeelding van de brug van de A16 over het Hollands Diep).
Een hokje krijgt een kleur, van rood (daalt 5mm/y) naar blauw (stijgt 5 mm/y). Dit hoort bij het ‘spectrum’ in de legenda rechtsboven.
Als je op een hokje klikt, verschijnt in een andere inzet (rechtsboven) een grafiek waarin de verticale positie van dat betreffende punt gedurende de meetperiode wordt weergegeven tegen de tijd, en dat voor alle afzonderlijke metingen. Uit de bijbehorende trendlijn wordt de daalsnelheid afgeleid. De grafiek kan desgewenst gedownload en geprint worden.

Bodemdaling va de Strabrechtse Heide

Ik heb de marker nabij rondje 104 gezet = de Strabrechtse Heide in de gemeente Heeze-Leende. Bij dat meetpunt hoort onderstaande dalingsgrafiek. Je zou zeggen dat er een seizoenseffect in zit.

Verder uitvergroten van de kaart geeft de omgeving met en zonder Midden – 1 (de marker staat in het rode gebied bij de rechterrand, op halve hoogte, dat de Strabrechtse Heide voorstelt):

Het aanvinken van het hokje ‘gemeenten’ overrulet Midden-1 en geeft de gemeentegrenzen weer, aangeduid in  een van de tinten uit het vijf-tinten-paars verloop in de legenda rechtsboven. Die zijn een maat voor de stabiliteit.
Dat een hele gemeente 2mm/y zakt is één ding, maar dat binnen een gemeente het ene eind van de riolering 4mm/y zakt en het andere eind, dat aan de op diepliggend zand geheide woningen vastzit die niet verzakken, is aanmerkelijk onaangenamer. Idem als en de straat voor de deur wel. Een plaats als Gouda, waar de bodemdaling wel de 10 mm/y kan halen, heeft daar de nodige ervaringen mee. De instabiliteit in Noord- en Zuid-Holland is soms dramatisch.

Verschillen van de bodemdalingssnelheid binnen één gemeente

In Brabant is het lichtblauwe Waalre is een stabiele gemeente (bedoeld wordt geologisch, niet politiek), het ernaast gelegen Heeze-Leende is instabiel (idem). Binnen de gemeentegrenzen van Heeze-Leende daalt het ene punt 4 a 5 mm/y (de legenda zijn niet helemaal duidelijk) harder dan het andere punt.
Aangezien Heeze-Leende niet bekend staat om zijn rioleringsproblemen, beperkt de oorzaak van de instabiliteit zich mogelijk tot de aanwezigheid van de Strabrechtse Heide binnen de gemeentegrenzen.

Microverschillen in de zwaartekracht

De satellietmetingen zijn aangevuld met metingen van micro-afwijkingen van de zwaartekracht. Gemiddeld is die in Nederland 9,81 Newton/kg (met nog locatieafhankelijk een rits cijfers meer achter de komma). Maar inwoners van de Achterhoek moeten met 0,0001N/kg sterkere beenspieren door het leven, en inwoners van de paarse strook in Brabant en Limburg kunnen met 0,0003N/kg zwakkere beenspieren toe.
De paarse zone in Brabant en Limburg wordt begrensd door de eerder genoemde breuken. Binnen dat gebied is een blok gesteente in de diepte gezakt, en dat is weer opgevuld met lichtere afzettingen. Vandaar. De praktische consequentie ervan voor het energiebeleid is dat je in dat aan de randen van het paarse gebied moet uitkijken met (vooral diepe) geothermie. Het Staatstoezicht Op de Mijnen heeft om die reden bij Venlo ingegrepen.

De paarse zone in Groningen is vanwege de aanwezigheid van steenzout (dat is lichter dan steen). Omdat steenzout soms  gelinkt is aan gas, valt het steenzoutgebied niet toevallig samen met het gaswinningsgebied (waarvan de bodemdaling met Midden-2 in fel rood op de kaart te zien is).

Wat zie je nou voor interessants op de kaart in Brabant en Noord-Limburg?
Geen schokkende zaken.

Zoals te verwachten, zakt de bodem meer in het West-Brabantse kleigebied.
Een beetje prutsen, heen en terug tussen Midden-1 wel en niet aan, levert bijvoorbeeld een daling op bij Industriepark Moerdijk.
Verder zie je dat het gebied op beide koppen van de A16-brug over het Hollands Diep en van de er naast gelegen spoorbrug, sneller dalen dan de brug zelf.

Verder kun je de nieuwe A4 volgen van Heijningen tot Steenbergen. De TU Delft raadt amateurs af om al te stelling zelf uitspraken te doen over verbanden tussen oorzaak en gevolg, maar de gedachte ligt voor de hand dat het zandlichaam van de weg de ondergrond indrukt.

In Oost-Brabant zie je dat de bodem van de Peel (Deurnsche-, Maria- en Grote-) daalt . Een voor de hand liggende verklaring (van mij als amateur) is dat het veen is, en dat het veen wegoxideert. Vernatten is een goede maatregel.

Oo natuurgebieden als de Strabrechtse, de Oirschotse en de Cartier-Heide verzakken, evenals gebieden als het Leenderbos, de Kampina en de Chaamse Bossen. Wie een beetje met de kaart speelt, vindt wel meer. Ik  onthou me van een oorzaak aan te wijzen.

Tenslotte nog, alleen voor de aardigheid, een plaatje hoe de Feldbissbreuk dwars door Sittard loopt.

De klimaatneutrale stad Eindhoven en het Eindhovens Klimaatnetwerk

De gemeente Eindhoven, in praktijk in persoon van wethouder Rik Thijs (GL) en projectmanager Annemarie Totté, probeert twee sporen uit te leggen die er (naast andere inspanningen) voor moeten zorgen dat een energieneutraal Eindhoven dichterbij komt.

Het ene spoor is dat Eindhoven mee wil doen aan de missie “100 Climate neutral cities by 2030” van de EU . Er is op 11 juni 2020 een digitale sessie geweest met Daniel Termont en Paul Tuinder namens de Europese Commissie (EC), zeven vertegenwoordigers van Eindhovense groepen en wat ambtenaren.
Het andere spoor is dat de gemeente een Eindhovens Klimaatnetwerk wil opbouwen. Na de sessie van 11 juni volgde er op 09 september een bijeenkomst met echte mensen in een echte zaal (Coronaproof) in het Klokgebouw. Het aantal deelnemende organisaties is inmiddels 22.

Beide sessies hadden vooral het karakter van een kennismaking.

Sessie Klokgebouw Klimaatnetwerk 09 sept 2020

Sessie Klokgebouw Klimaatnetwerk 09 sept 2020

Milieudefensie was ook uitgenodigd. Gezien Corona met één persoon, en dat was Bernard Gerard.

Een deel van het publiek was al relatie van Milieudefensie, maar er waren ook anderen waarmee de kennismaking nuttig was.
Een nieuwtje is dat men probeert een nieuwe instelling van de grond te tillen (The New block) die in Eindhoven ongeveer moet worden wat Pakhuis de Zwijger is in Amsterdam. Als dat lukt, zou dat welkom zijn.

Het feitelijke Eindhovense beleid inzake windturbines en zonneparken overigens stemt bepaald niet vrolijk. In het raadsvoorstel voor de gemeenteraad van 16 september staan, voor zover de gemeente er zeggenschap over heeft, vooral verbodsbepalingen met op incidentele plaatsen de mogelijkheid om een tijdelijke uitzondering te maken. Het lijkt uitgesloten dat daarmee Eindhoven in 2030 energieneutraal is.
Van de Europese ambities werd op 09 september niet meer wat vernomen.

Kort na 11 juni kregen de aanwezigen als huiswerk mee te antwoorden op de vraag “Wat zou ik doen als ik de baas van Eindhoven zou zijn?”. Bernard Gerard heeft er een verhaal op ingestuurd, dat te vinden is hier:

Europese CO2 – heffing aangescherpt, ook voor de luchtvaart

Wat is het ETS?
Binnen Europa bestaat het Emission Trade System (ETS). Dat is een soort beprijzing van de lozing van broeikasgassen op Europese schaal (plus Ijsland, Liechtenstein en Noorwegen, alles samen de EU28).
Rechten kunnen verhandeld worden. In praktijk betekent dat, dat een windturbine in Nederland rechten krijgt die men kan verkopen aan ene kolencentrale in Polen. OP die manier wordt schoon beloond en vuil financieel bestraft.
Op de totale emissiehandel zit een plafond (een ‘cap’) . Die daalt langzaam maar zeker, momenteel met 2,2% per jaar.

Naast het ETS kunnen landen ook een nationale koolstofheffing invoeren. Verschillende landen hebben dat gedaan.

Het ETS had een zwakke start, omdat er erg veel rechten gratis waren uitgegeven. Dat drukte de prijs enorm.
Maar gaandeweg is Europa op de rem gaan staan. De cap is sneller gaan dalen en er worden gratis rechten uit de markt genomen. De koolstofprijs is gestegen, maar nog niet genoeg.

De ontwikkeling van de CO2-prijs in het ETS. De dip in 2020 komt van de Coronacrisis

Een en ander zijn nog voornemens. In hoeverre de EC erin slaagt deze er doorheen te krijgen (tegen bijvoorbeeld de obstructie van de oostelijke leden in) moet blijken.

De aanscherping van het ETS
Het Financieel Dagblad van 14 september 2020 zegt de plannen in handen te hebben die de Europese Commissie (EC) vanaf 2021 wil doen gelden. Dit om het ‘klimaatdoelplan 2030’ te ondersteunen. Daarin wil de EC t.o.v. 1990 niet 40% broeikasgassen besparen (de huidige ambitie( maar 55% .
De EC wil de jaarlijkse daling van de cap ophogen tot een groter percentage dan de huidige 2,2%. Verder wil de EC eenmalig met de kaasschaaf over de uitstaande gratis rechten (dat zijn er te veel).
Ook wil de EC het weg- en zeetransport onder het ETS gaan brengen, alsmede het verwarmen en koelen van gebouwen.

De luchtvaart in het ETS
Ook de luchtvaart valt onder het ETS wat betreft vluchten die binnen de EU28 vertrekken en landen. Alleen is de luchtvaart in het ETS gestart met erg veel gratis rechten.

De algemene aanscherpingen van het ETS (indien gerealiseerd) gelden ook voor de luchtvaart. Daarnaast wil de EC de luchtvaart een deel van zijn gratis rechten ontnemen.
Onderzocht wordt of het mogelijk is om het ETS ook van toepassing te verklaren op vluchten, waarvan alleen de start of de landing in de EU28 ligt. Dat laatste is een stoutmoedig voornemen, want eerdere pogingen om dit te bewerkstelligen werden afgeblazen na hoog oplopend geblaas vanuit China en de VS.

Het ETS is gestart met veel gratis emissierechten (lichtblauw), maar gaandeweg wordt dat aandeel steeds minder.
De gele lijn beschrijft het verloop van de cap.
De jaren na 2017 volgen later.

Dit is overigens mijn 1000ste artikel op deze site .

Het Nederlandse bos is niet in de uitverkoop

In De Groene verscheen op 26 augustus 2020 het artikel “Het bos in de uitverkoop – Dit is landbouw met bomen”. Zie www.groene.nl/artikel/dit-is-landbouw-met-bomen .

Ik ben het grotendeels niet met dit artikel eens. Nog sterker, ik vind dat Groene-journalist Marcel ten Hooven hier niet, zoals de borstklopperij van de Groene laat pop-uppen, gedurfd en diepgravend bezig is en dat hij moeilijke vragen wel uit de weg gaat.

“Het bos” blijkt bij nader inzien in het artikel beperkt tot het bos van Staatsbosbeheer (SBB). SBB beheert 27% van het Nederlandse bos, dus impliciet krijgen Natuurmonumenten en de provinciale landschappen en de klooosterorden en de andere particuliere bosbezitters ook een veeg uit de pan.

Het artikel is één grote aanval op Staatsbosbeheer, en daaronder op het kabinetsbeleid, gepersonifieerd door Henk Bleker in 2010, zaliger politieke gedachtenis. Met de kritiek op Bleker ben ik het overigens eens.
Journalistiek is het geen goed artikel. Het is uit de emotie geschreven, laat vooral tegenstanders aan het woord, hanteert slechts natuurbeheer als maatstaf en Ten Hooven heeft niet aan hoor en wederhoor gedaan.

 Ik heb de balen van dat voortdurende inhakken op Staatsbosbeheer. Volgens mij is SBB een van de betere organisaties in dit land en een goede natuurbeheerder die, anders dan bijvoorbeeld Natuurmonumenten en de provinciale landschappen, niet stelselmatig de boot afhoudt als het om een bijdrage aan het klimaatbeleid gaat.
En voor alle duidelijkheid: ik heb geen direct belang bij SBB. Ik wordt er niet door betaald en ben er niet in dienst en mijn belang gaat niet verder dan dat ik met genoegen door het Leenderbos fiets, dat door SBB fraai van een monotone dennenplantage uit de crisisjaren ’30 (met kinderarbeid en de schop) in een Natura2000 – gebied is omgetoverd.

De aanplant van het Leenderbos in de crisisjaren 1930 (met kinderarbeid en de schop)
De betaalkeet uit de tijd van de werkverschaffing in het Leenderbos (bij het SBB-kantoor)

In essentie gaat het artikel van Ten Hooven over drie deelonderwerpen:

  • de houtoogst versus het natuurbelang als principe
  • de omvang van de houtoogst
  • de uitvoeringswijze van de houtoogst

Ik ga in dit artikel schrijven over de eerste twee onderwerpen. Er is zeker discussie mogelijk over het derde onderwerp (welke discussie inmiddels volkomen gepolariseerd is) en elders op deze site heb ik daar al wel aandacht aan besteed (zie Over het EASAC-rapport “Multi-functionality and sustainability in the EU’s forests ), maar voor nu laat ik het commentaar op de uitvoeringswijze over aan een reactie van SBB zelf op de eigen site: www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/nieuws/2020/09/reactie-op-artikel-groene-amsterdammer .

Wat is Staatsbosbeheer?
Dit maar eerst even, want dat is nodig.
SBB is een Zelfstandig Bestuurs Orgaan (ZBO), op basis van een wet uit 1998. Andere voorbeelden van ZBO’s zijn de Sociale Verzekerings Bank en het CBR (zie www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/rijksoverheid/zelfstandige-bestuursorganen ). Dat betekent dat de instelling redelijk zelfstandig is, maar niet absoluut. De minister kan beleidsregels uitvaardigen en heeft grote invloed via de subsidiecontracten (welke subsidies, sinds Bleker, voor het grootste deel van de provincies komen).
Die leggen aan SBB een veelheid van taken op, zoals uitvoering van de Wet Natuurbeheer, de Natura2000-wetgeving, maar ook beheer en onderhoud van fietspaden en wandelroutes, hulp bij de klimaataanpak, sociale eisen, en bijvoorbeeld ook een minimum percentage van de jaarlijkse bijgroei in het bos dat geoogst moet worden (60%).

SBB is in 1899 gestart met een eerste, utilitaire taak, namelijk het vastleggen van stuivend zand op de Veluwe en in de duinen met bos, en de aanleg van bos voor de Limburgse mijnen. In 1928 kwam er als tweede taak bij de bescherming van het natuurschoon, en later als derde taak de landinrichting, en na de Tweede Wereldoorlog als vierde taak de recreatie. In recente tijden begint als vijfde taak op te komen de ondersteuning van het klimaatbeleid.
SBB is dus een soort Nutsbedrijf en geen op één doel gerichte vereniging met leden, zoals bijvoorbeeld Natuurmonumenten. Het is daarom principieel onjuist het functioneren van SBB slechts aan natuurbeschermingsmaatstaven af te meten (zoals Ten Hooven doet).

Het mantra van SBB is dus Beter Beschermen, Meer Beleven en Duurzaam Benutten (dat laatste dus ook!).

Boomstammen in het Leenderbos, opgewaardeerd van monotoon productiekosten tot Natura2000-gebied.

Natuur is meer dan alleen bos – er is ook biodiversiteit buiten het bos
Voor Ten Hooven, en de mensen die hij aan het woord laat, is slechts ‘bos’ het referentiekader. Alle bos is waardevolle natuur of wordt dat vanzelf, en de rest wordt niet genoemd.

Maar slechts een derde van het bezit van SBB bestaat uit bos. De Peel bijvoorbeeld is ook van SBB en daar wil men het liefst niet teveel bomen. Een dergelijk gebied heeft zijn geheel eigen biodiversiteit. De Peel is een voorbeeld dat natuuropvattingen verschuiven.
SBB beheert 30.000 hectare veen.

Peelexcursie
Stuifzand in de Schoorlese Duinen

De stuifzanden zijn een ander voorbeeld. Waar die vroeger vastgelegd moesten worden, mogen die nu weer gecontroleerd stuiven en dan zijn ze soms Natura2000-gebied (zoals bijvoorbeeld in de Schoorlese Duinen).

Het meest opvallende manco in het artikel van Ten Hooven is dat je nergens het woord ‘Natura2000’  aantreft – de belangrijkste juridische borging van het Nederlandse natuurbeleid. Zonder de Europese Natura2000 – wetgeving was er geen stikstofuitspraak van de Raad van State geweest – en ook de bossen van Ten Hooven hebben last van die stikstof.

Het niet noemen van het begrip ‘Natura2000’ is in de invalshoek van Ten Hooven logisch, omdat dat daar niet in past. De meeste bossen zijn geen Natura2000, en de meeste Natura2000-biotopen zijn geen bos.
Het kan dus zeer wel gebeuren dat een Nutsbedrijf als SBB, dat het overheidsbeleid vorm moet geven, laagwaardig bos kapt om hoogwaardige natte heide met vennen te ontwikkelen. Zoiets is bijvoorbeeld bij ons gebeurd op de Strabrechtse Heide om het Beuven te redden, dat (mede) werd leeggezogen door de dennenbomen. Zie Het ven, het grondwater en het bos .

Goede doelen verschuiven en conflicteren onderling
Voor Ten Hooven en de mensen, die hij aan het woord laat, ligt het ideaal in de bosaanpak van de jaren ’80. Het bos als zelfregulerend systeem met zo weinig mogelijk interventies van buiten en oogst als bijzaak, voor zover met dit hogere doel te verenigen. Het ‘wilde’ bos.

Maar de tijden zijn veranderd.
Het klimaat is een probleem, zo ook de circulaire productie, en het grondwater is minstens een aandachtspunt. Het bijbehorende overheidsbeleid is mede veranderd en omdat SBB een gesubsidieerde ZBO is, moet SBB mee.

Anders dan andere natuurorganisaties denkt SBB niet meteen ‘het klimaat is mooi, maar niet bij ons’ (lees de ‘Constructieve’ Zonneladder). SBB denkt mee en heeft een goede klimaatparagraaf ( www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/dossiers/klimaat-en-natuur ). Het onderhoud van het Leenderbos levert snippers voor de stadsverwarming van Meerhoven en SBB wil ook wel eens nadenken of er niet ergens een windmolen of zonnepark kan staan. Dit ongetwijfeld tot verdriet van echte puristen.
In die klimaatparagraaf hoort ook het voornemen thuis (dat al in begin van uitvoering is) om op eigen terrein 5000 hectare nieuw bos aan te leggen, en om 5000 hectare veen te vernatten.

En men moet men zich een circulaire productie voorstellen zonder een afname van beton en plastic en staal, en een toegenomen houtbouw? De enige manier om langdurig en systematisch steeds meer koolstof op te slaan in hout is door het te oogsten en voor een langlevende toepassing te gebruiken. Er is prachtige houtbouw denkbaar en de oudste houten bouwwerken zijn zowat duizend jaar oud (zie Waugh Thistleton architects beroemd om houtbouw en dan verder teruglinken naar een Chienese houten tempel uit 1056 en een Scandinavische houten stavkirche uit de 12de eeuw).
Anders dan door Ten Hooven beweerd, blijft een bos (zijnde een statistische boom) niet eeuwig koolstof opslaan (en als het bos voortijdig doodgaat vanwege droogte, brand op beestjes, is dat zelfs maar heel kort).

Dus waarom geringschattend doen over ‘Landbouw met bomen’? Er is grote vraag naar hout en dat is met goede redenen. Waarom is het gebruik van hout maatschappelijk gewenst en de productie ervan niet? Het is geen wiet…

En sommige bomen zijn in sommige omstandigheden slecht voor het grondwater.

Loblolly Pine plantage in de VS

Dat wil niet zeggen dat de jaren 80-opvatting aan waarde verloren heeft, maar wel dat het niet meer HET doel is, maar EEN doel tussen andere essentiele doelen. Veel natuurliefhebbers hebben moeite met deze omslag en zitten in een soort meervoudige spagaat tussen natuur en klimaat en houtproductie en verdroging. Dat is begrijpelijk en inderdaad pijnlijk, maar daar kom je alleen maar uit met een soort synthesevisie.
Ik vind dat Staatsbosbeheer een betere synthesevisie heeft dan bijvoorbeeld Natuurmonumenten.

Verzamelde info uit de jaarverslagen van Staatsbosbeheer

Slechte research
Ik vind dat Ten Hooven slechte research gedaan heeft. Eigenlijk geen, behalve dat hij ergens het geïsoleerde getal ‘25 miljoen in 2019’ in zijn verhaal slingert zonder enige verdere context – een bekende demagogische tactiek. Diepgravende en gedurfde journalistiek had toch wel wat meer cijfers bij elkaar kunnen sprokkelen.
Het is nu eenmaal moeilijk om met één getal een toename te bewijzen.

Dat moet beter kunnen, dacht ik, en ik heb de jaarverslagen vanaf 2001 bij elkaar gepuzzeld (lukt wel, maar niet altijd eenvoudig) en de belangrijkste gegevens geordend weergegeven (wat nog meer gepuzzel vraagt omdat SBB wel het geld systematisch bijhoudt, maar niet het hout). Uiteindelijk vind je wat je zoekt, maar SBB zou er goed aan doen in zijn jaarverslagen ook standaard productiekengetallen op te nemen.

Als nou Ten Hooven zijn huiswerk gedaan had, had hij kunnen zien dat de kap van SBB na 2010 inderdaad toegenomen is. De gemiddelde jaarlijkse kap van 2001 t/m 2010 (=Bleker) bedraagt 310.000 m3/y (als je bij 2003 begint 318.000), en van 2011 t/m 2019 bedraagt die 350.000 m3/y (waarbij ik 2019, waar de verslaglegging te kort schiet) op 300.000 geprikt heb).
De oogst is dus niet helemaal stabiel op rond de 300.000 m3/y , zoals SBB zegt, maar stabiel op rond de 350.000 m3/y , ook weer niet dramatisch hoger.
Sinds 2016 wordt een deel van de extra kap, die in de tabel gerapporteerd wordt, veroorzaakt door de essentaksterfte. Dat is een besmettelijke agressieve schimmelziekte waartegen geen geneeswijze bestaat.

Er vallen nog wel wat zaken op, zoals

  • Sinds Bleker ligt het kapvolume hoger dan vóór Bleker, maar stijgt niet verder.
  • De helft tot tweederde van de houtopbrengst gaat op aan kosten
  • SBB verdient nu iets meer dan de helft van zijn geld zelf
  • De andere inkomsten veel hoger zijn dan de houtinkomsten (huur en pacht, vakantiehuisjes, zadenverkoop, excursies, etc)
  • Sinds Bleeker de houtopbrengst in € ongeveer gelijk gebleven is, terwijl de andere inkomsten ruim verdubbeld zijn
  • Tot 2008 handelde SBB ook in hout van derden. Dat leidde tot scheve gezichten in de branche en daar zijn ze mee gestopt.

Volgens mij runt Staatsbosbeheer zijn tent nog niet zo slecht. Jaarlijks draait men een beetje in de plus, en dat wordt inhoudelijk opnieuw ingezet. Die 5000 hectare nieuw bos en veen moet ergens uit betaald worden.

Overigens heeft SBB criteria bij het kappen:

  • Hooguit 74% van de jaarlijkse bijgroei wordt geoogst
  • Ondergronds materiaal blijft in de grond
  • Van stammen wordt 87% gebruikt voor hout, papier, plaatmateriaal en 13% voor brandhout
  • Van tak- en tophout wordt 10 a 20% als biomassa geoogst, vooral op rijkere (vruchtbare) grond. De rest blijft in het bos.
Bestemmingen van rondhout dat vrijkomt bij Staatsbosbeheer (eigen site)

Biomassa en energiehout
SBB heeft in 2002 (samen met Natuurmonumenten) de dochteronderneming Energiehout BV opgericht. Daarin zijn de biomassa-activiteiten ondergebracht. Sinds 2006 wordt die (summier) in het financiele overzicht genoemd.
Inmiddels is SBB volledig eigenaar van Energiehout BV.

Het is lastig om een beeld te krijgen van wat er inhoudelijk precies in Energiehout BV gebeurt, omdat je alleen twee financiele eindcijfers ziet. In de begeleidende tekst wordt geen consistent beeld geschetst. Van Energiehout BV is geen jaarverslag te vinden.

Vast staat dat er diverse soorten biomassa bij SBB vrijkomen.
In verschillende jaarverslagen komen hoeveelheden houtige biomassa voorbij van rond de 50.000 ton per jaar.
Energiehout BV geeft op zijn site dat SBB per jaar 200.000 ton gras maait ( www.energiehout.com/producten/default.aspx ). Dat gaat allerlei kanten op, van dierentuinen tot de verpakkingindustrie tot groene chemie bij Avantium tot de vergister voor groen gas.
Daarnaast is er ook nog restmateriaal van het beheer van moerassen.

Er valt te weinig peil op te  trekken om tot nette kolommen in de matrix te komen. Mijn advies aan SBB zou zijn om meer werk te maken van de verslaglegging van wat er bij Energiehout BV gebeurt. Niet omdat dat geheimzinnig is, maar omdat transparantie hier helpt.

PS: In een reactie zegt een woordvoerder van Staatsbosbeheer mijn aanbevelingen voor een betere verslaglegging intern ingebracht te hebben.
Een deel van de extra kap die in de tabel gerapporteerd wordt, betreft essen die gekapt zijn vanwege de essentaksterfte. Dat is een besmettelijke agressieve schimmelziekte waartegen geen geneeswijze bestaat. Zie www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/dossiers/bos-en-hout/essentaksterfte .

Rli: Internationaal treinverkeer klantonvriendelijk

In de bedrijfsmodellen van de luchtvaart staat de klant centraal. Op het internationale spoor staat het eigen functioneren van de bedrijven op de binnenlandse vervoersmarkt centraal.

Dit bijna-citaat uit de Europese Rekenkamer dd 2018 geeft in een oneliner de gedachten weer, die naar voren komen uit een recente studie van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) over het internationale reizigersvervoer per trein. Het heet “VERZET DE WISSEL” en is te vinden op https://www.rli.nl/publicaties/2020/advies/verzet-de-wissel-naar-beter-internationaal-reizigersvervoer-per-trein?adview=inleiding , alwaar ook een samenvatting en een persbericht.

Verduurzaming van het vervoer en de rol van de trein versus het vliegtuig
De Europese Unie wil een leidende rol spelen bij de uitvoering van het Klimaatakkoord van Parijs (2015). De emissies van broeikasgassen moeten in 2050 op 10% zitten van het niveau in 1990.
De EU wil in 2030 op 60% (of minder) zitten van de emissies in 1990, en in 2050 op (netto) 0%. Het uitvoeringstraject is geschetst in de recentelijk uitgebrachte Europese Green Deal. Deze is nu in discussie. ( Op www.europa-nu.nl/id/vl4ck66fcsz7/europese_green_deal een overzicht).

Verkeer en vervoer zijn een belangrijke bron van broeikasgassen. Een subdoel van de Green Deal is dan ook een schoner, goedkoper en gezonder privaat en publiek openbaar vervoer. Een reizigerskilometer met de trein stoot veel minder CO2 uit dan idem met vliegtuig of auto. Vandaar dat de EU het jaar 2021 wil uitroepen tot Jaar van de Trein.

In vliegveldkritische groepen (waartoe ik ook zelf behoor) wordt het argument in eigen recht gebruikt ter ondersteuning van andere redenen waarom men minder vliegbewegingen wil (geluid, fijn stof, ruimtelijke ordening-beperkingen), en waarom men een overstap van vliegtuig op de trein wil. De bewering is dat de vliegsector geen accijns en BTW betaalt en daarmee een voordeel heeft op de trein, en dat als dit voordeel zou verdwijnen, de trein op afstanden tot ca 750km van het vliegtuig zou winnen.
Het eerste deel van deze zin is juist, het tweede deel niet (althans, niet automatisch). Het internationale railvervoer kent veel meer, en belangrijker, knelpunten dan alleen een prijsverschil. Nog sterker: de trein is niet eens altijd duurder dan het vliegtuig op hetzelfde traject, zoals blijkt uit bijgevoegde staatje van de Consumentenbond uit 2019 en Treinreiziger uit 2018.

(Overigens geven treinen (met name goederentreinen) ook overlast in de omgeving met geluid, slijpstof, ongevalsgevaar en vooral trillingen. Betere treinen en railsystemen zijn een nadrukkelijke voorwaarde voor meer treinen en ook voor de acceptatie van omwonenden daarvan.)

Het rapport van de Rli laat voor het internationale personenvervoer per spoor (de Rli laat goederenvervoer grotendeels buiten beschouwing) zien wat die andere knelpunten zijn, en wat je eraan zou moeten doen.

Het vierlagen-model en hoe de klant daar tegen aan kijkt
De Rli hanteert een vierlagen-model, waarbij vanuit de gebruiker genummerd wordt.

  • De eerste laag bestaat uit de mobiliteitsdiensten zoals verkeersinformatie, outeplanners, ticketbestellingen, en nieuwe concepten als Mobility As a Service (MAAS)
  • De tweede laag bevat de vervoersdiensten: de spoorwegmaatschappijen en hun materieel
  • Daaronder de verkeersdiensten, die het spponetwerk laten functioneren, zoals de treinbeveiligings- en -besturingssystemen en de treinpadentoedeling
  • De vierde laag is de fysieke infrastructuur: sporen, stations, emplacementen, en ICT-hardware

Je kunt dit geheel vanuit de klant bekijken, en vanuit het systeem bekijken.

De klant heeft geen boodschap aan het vierlagen-systeem. Die ziet een stel problemen:

  • In vergelijking met andere vervoerswormen (vergelijk het vliegtuig) is de toegang gebrekkig. Je moet zoeken, boeken is moeilijk, tickets zijn meestal pas drie maand van te voren beschikbaar, en je kunt een probleem hebben als je de aansluiting mist. “Kennis, vindbaarheid, boekbaarheid en zekerheid” zijn een probleem.
    Mijn vrouw is een grootmeester op dit gebied, maar ook die komt er niet altijd uit zonder de Treinreiswinkel. En als je de fiets mee wilt nemen, is het al helemaal een bezoeking.
  • De reiziger denkt dat de trein duur is, hoewel dat feitelijk niet altijd zo is en hij bij het vliegtuig vaak bijkomende kosten over het hoofd ziet (zoals voor- en natransport en bagage)
  • Er zijn te weinig rechtstreeks verbindingen en dus moet je overstappen, met alle ongemak van dien. De directheid van de verbinding blijkt vaak een belangrijker factor dan de snelheid. De rechtstreeks Berlijn-lijn blijkt vaak geliefder dan de ICE-lijn met overstap in Hannover die 20 minuten sneller is.
    Bovendien kan een overstap van invloed zijn op passagiersrechten.
  • Treinen zijn te langzaam, zelfs vaak langzamer dan technisch hoeft. Omdat de scope van het treinwezen in essentie nog nationaal is, zitten er in een HSL-lijn vaak stops die nationaal begrijpelijk zijn, maar internationaal niet.

Knelpunten, vanuit het systeem geredeneerd
Overall noemt de Rli drie  onderliggende verklarende factoren:

  • De belangrijkste partijen in het spoorsysteem hebben overwegend een nationale oriëntatie. Ze worden op hun nationale presteren afgerekend. De internationale verbindingen hangen er maar een beetje bij.
    De Eurostar zou bijvoorbeeld 16 minuten eerder in Londen zijn als de vijf infrastructuurmanagers op het traject over hun nationale fixatie heen zouden kunnen (en mogen) stappen.
  • Verbetering wordt vaak gedefinieerd als vooral een infrastructureel probleem.
    Er bestaan inderdaad de nodige infrastructurele problemen (waarover verderop meer), maar het kost decennia en kapitalen om die op te lossen. Gegeven wat er al ligt, is er ook al met ‘zachte’ maatregelen veel te bereiken. Creatiever omgaan met het Nederlandse basis(half)uurpatroon zou al veel schelen. Je zou dan bijvoorbeeld twee keer zo vaak naar Brussel kunnen rijden, en veel vaker naar Berlijn en Frankfurt.
  • De technische harmonisatie van het Europese spoorsysteem is te weinig toegespitst op het verbeteren van de hoofdverbindingen in het netwerk (de corridors), die voor de internationale treinreiziger van belang zijn. De aandacht is gespreid over het hele spoornetwerk.

Deze onderliggende factoren verklaren waarom de concrete knelpunten bestaan die bestaan:

Knelpunten bij de mobiliteitsdiensten:

  • Geen passagiersvriendelijk aanbod van informatie en tickets. Een reiziger die zelf een reis wil plannen en boeken komt terecht in een wirwar van regels en informatie. Iedere spoorwegonderneming biedt vrijwel alleen tickets aan voor haar eigen treinen. Het aanbieden van tickets van andere maat­schappijen, ook al betreft dit aansluitende treinen, gebeurt slechts beperkt (bijvoorbeeld alleen wanneer het samenwerkende partners zijn). Verder heeft iedere spoorwegonderneming haar eigen verkoopkanalen en digitale systemen.
  • Treinreis van combinatie van spoorvervoerders moeilijk te boeken
  • Er is tot op heden geen uniform Europees boekingssysteem voor trein­reizen. Er zijn in Europa (grofweg) twee systemen te onderscheiden voor treinboekingen.
    In het ‘Duitse’ systeem wordt een ticket gekocht voor het reizen op een specifiek traject op een specifieke dag, waarbij geldt dat op die dag van verschillende treinen gebruik mag worden gemaakt. Dit is gunstig voor een reiziger die een aansluiting mist.
    In het ‘Franse’ systeem wordt een ticket gekocht voor het reizen met een specifieke trein op een specifieke dag. Hiervoor geldt dat op een vast tijdstip moet worden gereisd, zitplaatsreservering is dan verplicht (NS International, z.d.-b). Beide boekingssystemen zijn in de praktijk lastig te combineren.
  • Onduidelijk wanneer kortingen op basis van abonnement van toepassing zijn
  • Dienstregelingen niet op tijd beschikbaar. Voor de reiziger zijn dienstregelingen veelal pas drie maanden van tevoren beschikbaar.
  • Onvoldoende aandacht bij vervoerders voor ‘last mile’ . Er is onvoldoende aandacht bij treinvervoerders voor de zogenoemde ‘last mile’. Hoe kom je als reiziger na aankomst op het station met metro, bus, fiets of te voet op je eindbestemming? Overigens is dit probleem bij de luchtvaart groter.

Knelpunten bij de vervoersdiensten:

  • Dominantie nationale vervoerders met focus op binnenlandse markt.
    Door de (verborgen) barrières die een landsgrens ondanks het Europese opengrenzenbeleid nog steeds met zich meebrengt (bijvoorbeeld als het gaat om taal en gebruiken), blijft het overgrote deel van de treinreizigers binnen de landsgrenzen. Het is dus niet verwonderlijk dat de afspraken met de NS in de huidige concessie voor het hoofdrailnet merendeels gericht zijn op de prestaties voor deze doelgroep. Tijdens de Rli expertsessies bleek dat deze afspraken als zo dwingend worden ervaren, dat ze risicomij­dend gedrag bij de vervoerders in de hand werken.
  • Tot op heden weinig concessies voor internationale verbindingen
  • Barrières voor toetreden nieuwe vervoerders. De Rli is voorstander van concurrentie op het spoor. Dat kan tot betere prestatie leiden.
  • Geen leasemarkt voor rollend materieel. Een nieuwe marktpartij heeft niet zomaar nieuwe treinwagons.
  • Niet delen van data. Spoorvervoerders beschouwen veel data als bedrijfsvertrouwelijke infor­matie. Zij delen deze informatie dus niet met potentiële nieuwe toetreders of derden die tickets willen verkopen. Ook app-bouwers die informatie-apps willen bouwen, krijgen deze data niet.
  • Geen coherente visie op internationale dienstregeling. Men kletst in Nederland wat af over grensoverschrijdende treinen, maar op de keper beschouwd wordt er weinig strategisch overlegd.
  • Geen gelijk speelveld ten opzichte van andere vervoerwijzen. Hier komt het ontbreken van BTW en accijns op de luchtvaart aan de orde.
    De Rli vindt dat de milieulasten in de ticketprijs verwerkt moeten worden.
  • De prijs die spoorwegmaatschappijen betalen voor gebruik van de infrastructuur is te hoog. Men kan hier ‘politiek mee spelen’, door bijv. voor langere trajecten of nachttreinen lagere tarieven te rekenen.

Knelpunten bij verkeersdiensten:

  • Technische en beveiligings-/beïnvloedingssystemen niet compatibel
    Alleen al het simpele gegeven dat er niet één omgangstaal is binnen de spoorwereld (zoals het Engels in de luchtvaart) zegt al wat.
    Hieronder de Europese variatie in de spanning op de bovenleiding en de treinbeveiliging.
  • Invoering ERTMS kostbaar en tijdrovend. Met dit beveiligingssysteem kunnen treinen bijvoorbeeld dichter op elkaar rijden.
  • Het toepassing van veiligheidseisen vliegverkeer op internationale treinen zou kostenverhogend en vertragend werken en nodeloos op safe spelen. Bovendien verbiedt het de charme van de ‘last -minute’ boeking.

Knelpunten bij infrastructuur:

  • Geen samenhangend internationaal HSL-netwerk, beperkte toegang tot HSL-infrastructuur.
    De HSL-projecten zijn nationaal opgezet. Daarom is het HSL- en ICE-netwerk op Europees niveau een lappendeken. De snel­heid op de verbinding Amsterdam-Utrecht-Arnhem-Duisburg-Düsseldorf bijvoorbeeld ligt op dit moment ver onder de gewenste 160 tot 200 km/uur.
    De Europese Rekenkamer heeft hier naar gekeken en was niet blij. “Er is een ondoeltreffende lappendeken van slecht verbonden nationale lijnen aangelegd”, aldus Oskar Herics van de Europese Rekenkamer.
    Een HSL-lijn bouwen kost om en nabij €25 miljoen per kilometer en €90 miljoen per minuut reistijdwinst. Dat goudgeld komt omdat het spoor ontworpen is voor 300km/uur, terwijl die treinen dat in praktijk zelden halen.
    Wat gematigder ambities (bijv. bestaand spoor opwaarderen tot 160 a 200km/uur zou wel eens een fors betere kosten-batenverhouding kunnen hebben.
  • Capaciteit stations te beperkt
  • Maatschappelijke kosten-batenanalyses eenzijdig gericht op binnenlandse baten. Bij de eventuele reactivering van de ‘Ijzeren Rijn’ (Belgie-Weert-Roermond-duitsland of daaromtrent) voelde men zich niet in staat om een ‘totaal-MKBA’ te maken en werden alleen de kosten en baten in Nederland berekend. Voor de eventuele verbinding Groningen-Bremen is een Nederlandse, een Duitse en een gezamenlijke/Europese MKBA gemaakt.

Aanbevelingen
Een en ander brengt de Rli tot de volgende aanbevelingen:

  1. Zet in op corridorcoördinatie
  2. Verbeter de vindbaarheid en boekbaarheid van internationale treinreizen
  3. Zorg dat treintickets minimaal negen maanden van tevoren beschikbaar zijn
  4. Verbeter reizigersrechten
  5. Stimuleer nieuwe internationale vervoersdiensten
  6. maak van de internationale trein een aantrekkelijk product
  7. Verbeter afstemming treinpaden ten behoeve van internationale treinreiziger
  8. Stimuleer toepassing informatietechnologie voor beter gebruik spoorcapaciteit
  9. Investeer in grensoverschrijdend spoor
  10. Investeer in één oostelijke corridor
  11. Ontvlecht regionaal, nationaal en internationaal spoorvervoer

Deze elf aanbevelingen zijn in de tweede figuur met het vierlagen-systeem aan een laag toegekend.

(Op de startfoto het HSL-treinstation in Luik (foto bgerard))