Waarom de Limburgse over-stroming een klimaatcomponent had en hoe dat werkt

De overstroming
Ten tijde van dit artikel stond het aantal doden van de overstroming in Limburg, België en Duitsland op ongeveer 200, en is er voor miljarden schade aangericht. Alleen al in de gemeente  Valkenburg werd de schade getaxeerd  op 400 miljoen euro.

Wat opviel is dat er veel regen per uur viel, dat de regen lang viel, en dat het buiencomplex zich nauwelijks verplaatste.

Meteen al werd gezegd, ook door politici en bestuurders, dat de ramp een klimaatcomponent had. Dat is ook zo (en de kans op herhaling neemt dus toe). Maar waarom is dat zo en hoe zit het mechanisme in elkaar?

(Spoorlijn in Limburg in juli 2021 – foto Prorail)


EPP’s en SEPP’s
Eerst even een citaat.

Our results suggest that storms will have higher peak intensity, longer duration and will be more frequent across the whole of Europe. Current storms already produce a large number of flash floods, with their potential impact depending on land use, terrain slope, drainage, and other factors. SEPP increases would significantly increase this flash flood potential, as an MCS would be more likely to “stagnate” on a locality, exposing it to extreme precipitation of longer duration.”.

Dit is geen beschrijving  van ‘Limburg’, maar een wetenschappelijke analyse die er toevallig net aan vooraf ging. Het citaat komt uit de studie “Quasi-Stationary Intense Rainstorms Spread Across Europe Under Climate Change” en stond in de Geophysical Research Letters van 16 juli 2021. De studie is open access en te vinden op https://agupubs.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1029/2020GL092361 (en daar .pdf te downloaden). De hoofdauteur is Abdullah Kahraman van de Universiteit van Newcastle.
De timing klinkt helderziend, maar er is veel wetenschap op dit gebied en de statistische kans dat een nieuw artikel samenvalt met een ramp wordt steeds groter.
Kahramans onderzoeksgebied is het grootste deel van Europa en de Middellandse Zee, maar men kan voor Canada en de VS vergelijkbare uitspraken doen.

Het verhaal bevat veel meteorologenvaktaal en is daarom taai om te lezen. Als je je best doet, krijg je er toch wel iets van mee.
Een MCS is een Mesoscale Convective System. Dat is een al eerder gedefinieerde vakterm en is een georganiseerd cluster van onweersbuien, dat ten minste enkele uren aanhoudt en een aaneengesloten neerslaggebied vormt. Op onze breedtegraden is zo’n ding typisch 100km groot en houdt het minstens drie uur uit, hoewel het bijbehorende wolkendek nog langer kan bestaan.

Wie zonder vaktaal een indruk wil krijgen en ook een reactie van het KNMI wil lezen, kan ook op een goed artikel in de NRC terecht, op www.nrc.nl/nieuws/2021/07/18/buien-zullen-vaker-lang-blijven-hangen-a4051551#/handelsblad/2021/07/19/#106/ .

Kahraman heeft geprobeerd in te schatten wat er uit zo’n complex kan komen en hoe groot de kans is dat dat, nu en in de toekomst, gebeurt. Nu zijn dit complexe verschijnselen en niet alle water, wat in zo’n systeem zit, haalt daadwerkelijk de grond (kan onderweg ook weer verdampen), dus heeft hij een vereenvoudigd begrip Extreme Precipitation Potential (EPP) gedefinieerd, zijnde een systeem waarin de luchtvochtigheid en de stijgsnelheid binnen het buiencomplex minstens drie uur  boven bepaalde drempels zit.
Als een EPP ‘Slow-moving’ is (‘slow’ is, versimpeld uitgedrukt, < 3m/sec) is de EPP in praktijk quasi-stationair (de titel van het artikel) en heet het een SEPP.
Limburg e.o. was dus de praktijkuitvoering van het geIdealiseerde begrip SEPP.

Vervolgens heeft Kahraman er als randvoorwaarde klimaatscenario RCP8.5 ingestopt. Dat is een heftig  scenario, op basis waarvan het in 2100 4,3°C warmer wordt. De wereld streeft ernaar om een stuk minder op te warmen en het is goed om dat als relativerende kanttekening bij het artikel te plaatsen.
Het zo aangestuurde rekenmodel rekent over de 10 jaar 1998 t/m 2007, en over een 10 jaar-periode rond het jaar 2100.  

Het resultaat laat zich vangen in onderstaande afbeelding.
De kleurcode geeft daarin aan het jaargemiddelde aantal EPP’s en SEPP’s per 100*100 – blok in de periode rond 2000 en de periode rond 2100.
Als de EPP’s en de SEPP’s gelijkmatig verdeeld zouden zijn (wat niet zo is) zou het aantal EPP’s van 24 naar 175 per 100*100km gaan (*7,4), en het aantal SEPP’s van 0,7 naar 7,2 (*bijna 11).


In de afbeelding hieronder het maandgemiddelde aantal gebeurtenissen (EPP, SEPP, >100mm/uur en >200mm/uur) in het onderzoeksgebied als geheel, voor alle maanden. Dit om het seizoenseffect te tonen.
Als je de vertikale as door 880 deelt, heb je het gemiddelde aantal per maand op 100*100km.

Klimatologische oorzaken: vochtige lucht en de veranderende straalstroom
De pers zegt dat de heviger regenval komt omdat er meer waterdamp in de lucht zit, waardoor er bij een bui meer uitkomt. Dat is waar: de natuurkunde van de dampspanning (die in een grijs verleden nog op het curriculum van het VWO stond) leert dat in de praktisch bestaande omstandigheden van de atmosfeer elke °C meer temperatuur leidt tot 7% meer mogelijke waterdamp in de lucht (dus als die lucht verzadigd is).
Een bijkomend element, zegt Kahraman, is dat in de zomermaanden de stijgsnelheid van de vochtige drempel vaker boven de drempel van 2m/sec komt.
In feite legt de pers hier dus een EPP uit.

Om uit te leggen waarom het aantal SEPP’s nog meer stijgt dat het aantal EPP’s, is een aanvullende verklaring nodig.
Een buiencomplex reikt tot grote hoogte en de verplaatsingssnelheid van het complex aan de grond hangt daardoor af van de windsnelheden op grote hoogte. Kahraman suggereert dat zijn uitkomsten verklaard kunnen worden door aan te nemen dat de klimaatverandering de straalstroom ’s winters versnelt en ’s zomers vertraagt. De winterstormen zouden dan sterker moeten worden.

Het laatste wetenschappelijke woord is er nog niet over gezegd.

Waarom doet het klimaat iets met de straalstroom?
Eerst: wat is de straalstroom?
De straalstroom is een soort meanderende rivier van lucht op 10 km hoogte. Zie ter illustratie een afbeelding van de National Weather Service van de VS (dienst NOAA). Die legt het mooi uit op www.weather.gov/jetstream/longshort/  .

De wind binnen de straalstroom gaat hard (kleine 200km/uur). Daarom duurt een vliegreis van de VS naar Europa korter dan andersom en zijn er vogels die hem voor de trek gebruiken.
Het patroon van de straalstroom als geheel beweegt meestal langzaam naar het oosten, maar soms staat het stil of schuift zelfs terug.
De straalstroom op grote hoogte heeft invloed op de hoge- en lagedrukgebieden op de grond. Bij een bult naar buiten ligt aan de Noordkant een  gebied waar de lucht, tegen de klok indraaiend omhoog komt – aan de grond ligt dan een lagedrukgebied of depressie. Bij een bult naar binnen ligt aan de zuidkant een gebied waar de lucht, met de klok meedraaiend, omlaag gaat – aan de grond ligt dan een hogedrukgebied.
Stijgende lucht (in  een lagedrukgebied) koelt af en regent uit – boven Limburg lag dus een depressie. Dalende lucht warmt op en is droog – in het recente bosbrandgebied in het westen van Canada en de VS, en in de afbeelding in Spanje.
Dit alles is te simpel verteld. In werkelijkheid is de straalstroom, en zijn relatie met wat aan de grond gebeurt, een complex en dynamisch proces. OP het eind van dit verhaal een mooie simulatie van de NASA.

Maar simpel is daarentegen weer dat de straalstroom natuurkundig in essentie een warmtemachine is die opereert bij de gratie van een temperatuurverschil. Net als een straalmotor warmte in beweging omzet bij de gratie van een temperatuurverschil tussen pakweg 2500°C binnen de motor en -40°C erbuiten, zo zet de straalstroom warmte om in beweging bij de gratie van een temperatuurverschil tussen evenaar en polen (in dit geval de Noordpool).

De extra broeikasgassen in de atmosfeer verwarmen de polen twee tot drie keer zo snel als de evenaar. In  meteorologenjargon heet dat de Arctic Amplification. Kahraman verwijst daarnaar.
Daardoor wordt met name ’s zomers het verschil tussen pool en evenaar kleiner, en daarmee ook de drijvende kracht van de straalstroom. Stilstaande weerpatronen worden waarschijnlijker en daarmee is de toename van de S in SEPP uitgelegd.
Omdat het temperatuurverschil tussen evenaar en pool in de winter groter is dan in de zomer, is het verklaarbaar dat SEPP’s vooral in de zomer bestaan.

Zolang de klimaatverandering het temperatuurverschil tussen evenaar en polen blijft terugdringen, is het SEPP-probleem structureel.

Dit is een still uit een mooie NASA-simulatie van de straalstroom. Het complexe karakter wordt in bewegende beelden veel duidelijker. De speelduur is ongeveer een maand in juni en juli 1988.
De animatie is te vinden op http://www.weather.gov/media/jetstream/constant/jetstreamanimation.mp4 .

Voor een eerder artikel (al weer december 2014) op deze site zie Extreem weer, straalstroom en klimaat en (uit 2021) Artikel over hittegolf in Canada en profetisch over extreme regenval .

Artikel over hittegolf in Canada en profetisch over extreme regenval

In Change van 11 juli 2021 (van Romy de Weert) staat een beschouwing die een groep geleerden van top-instituten uitgebracht heeft, en die in eerste instantie gaat over de extreme hitte en resultarende bosbranden in Canada en de VS (in Lytton bijna 50 graad C, kort daarna brandde het grotendeels af). Het is uiterst waarschijnlijk dat dit zonder de klimaatopwarming niet gebeurd was.

Vanwege de uniciteit van de hittegolf is het moeilijk statistische betrouwbaar iets te zeggen. De geleerden handelen alsof dit een zeer zeldzame gebeurtenis binnen gangbare klimaatscenario’s tot nu toe, maar noemen voor verder onderzoek dat hier een ‘tipping point’ gepasseerd is ( ‘The second option is that nonlinear interactions in the climate have substantially increased the probability of such extreme heat, much beyond the gradual increase in heat extremes that has been observed up to now. We need to investigate the second possibility further, although we note the climate models do not show it‘)

Het oorspronkelijke artikel waarop Change zich baseerde, is te vinden op www.worldweatherattribution.org/western-north-american-extreme-heat-virtually-impossible-without-human-caused-climate-change/ . Op deze webpagina een downloadmogelijkheid van het oorspronkelijke onderzoek zelf.
Het artikel in Change dat er op gebaseerd is is te vinden op www.change.inc/advies-en-dienstverlening/kans-op-extreme-weersomstandigheden-neemt-razendsnel-toe-ook-in-nederland .

Lytton op 01 juli 2021

In tweede instantie gaat het artikel in Change over Nederland.
De koppeling is dat aan het oorspronkelijke hitte-onderzoek is dat bij bovengenoemde grep geleerden ook twee mensen van het KNMI zaten (Sjoukje Y. Philip en Geert Jan van Oldenborgh), en directeur Maarten van Aalst, directeur van het Klimaatcentrum van het internationale Rode Kruis (ik wist niet eens dat dat bestond). Van Aalst is ook hoogleraar in Twente.
Verder onderzoekers van de internationale crème de la crème topuniversiteiten.

Vanwege de Nederlandse connectie interviewde Van Weert Maarten van Aalst voor wat uiteindelijk uiteindelijk bovengenoemd atikel in Change werd.
Vam Aalst nam de gelegenheid te baat om ook naar de Nederlandse rampenpreparatie te kijken.

Zo zijn hittegolven in Nederland tien keer waarschijnlijker geworden. “Hitte in Nederland is echt iets waar we ons zorgen om moeten maken”, aldus Van Aalst. De afgelopen twee jaar was hitte in Europa de dodelijkste ramp in de wereld, en als we niet oppassen staat Nederland straks boven aan de lijst. “Het hitteprobleem is iets wat bijna niemand zich realiseert. We denken vaak aan een leuke dag aan het strand, maar voor kwetsbare groepen is het een ramp.

Waarna Van Aalst over extreme regenval begon. “Maar ook de kans op extreme regenval is de afgelopen jaren door klimaatverandering steeds groter geworden“.
Dit bleek profetisch. Het Change-artikel dateerde van 11 juli 2021 en een paar dagen later stond Limburg en aangrenzend Duitsland en België onder water. Dd dat dit artikel geschreven werd, stond het dodental in Duitsland op 49.

Hieronder het artikel in Change van 11 juli 2021.

Heerlen, 14 juli 2021

‘De kans op extreme weersomstandigheden neemt razendsnel toe, ook in Nederland’

De extreme hitte in Canada en delen van de VS wordt overduidelijk veroorzaakt door klimaatverandering. Dat blijkt uit een recent onderzoek waar meerdere Nederlandse instituten aan meewerkten. De kans op extreme weersomstandigheden, zoals hittegolven neemt toe, ook in Nederland. Hoe kunnen we ons hierop voorbereiden?

Canada en delen van de VS werden vorige week getroffen door extreme hitte met bosbranden tot gevolg. Een groep internationale onderzoekers – waaronder een aantal uit Nederland – analyseerde de hittegolf. Wat blijkt? De hittegolf had nooit plaatsgevonden zonder door de mens veroorzaakte klimaatverandering.

Maarten van Aalst, directeur van het Klimaatcentrum van het internationale Rode Kruis en hoogleraar aan de Universiteit Twente is medeauteur van het onderzoek. “Twintig jaar geleden wilde de gemiddelde klimaatwetenschapper geen link leggen tussen klimaatverandering en hitte, omdat het weer vaak grillig van zichzelf is. Inmiddels kijken we daar anders naar”, zegt Van Aalst. De onderzoekers keken naar trends in zulke extremen in de waarnemingen van de afgelopen decennia. Vervolgens vergeleken ze met behulp van klimaatmodellen de resultaten mét en zonder de uitstoot van broeikasgassen. “De kans dat extreme weersomstandigheden zoals hitte voorkomen is razendsnel toegenomen. Ook in Nederland”, zegt Van Aalst.

Zo zijn hittegolven in Nederland tien keer waarschijnlijker geworden. “Hitte in Nederland is echt iets waar we ons zorgen om moeten maken”, zegt de wetenschapper. De afgelopen twee jaar was hitte in Europa de dodelijkste ramp in de wereld, en als we niet oppassen staat Nederland straks boven aan de lijst. “Het hitteprobleem is iets wat bijna niemand zich realiseert. We denken vaak aan een leuke dag aan het strand, maar voor kwetsbare groepen is het een ramp.”

Extreme regenval en overstromingen

“Bij klimaatverandering in Nederland denkt iedereen gelijk aan een stijgende zeespiegel. En dat is ook hoe we er klassiek over nadenken met risicomanagement”, vertelt Van Aalst. “Bij tien centimeter zeespiegelstijging verhogen we onze dijken met tien centimeter en dan zijn we weer veilig. Maar ook de kans op extreme regenval is de afgelopen jaren door klimaatverandering steeds groter geworden.”  Die twee – zeespiegelstijging én de kans op extremere regenbuien, zorgt dat het lastiger wordt om van het water af te komen. “Met die gedachte hebben we maatregelen uitgevoerd om het water weg te krijgen. Maar tegelijkertijd zag je dat droogte in Nederland afgelopen zomer een groot probleem was.”

Van Aalst ziet dat er meerdere problemen zoals extreme regenval en droogte steeds erger worden. “Oplossingen voor het ene probleem kunnen het andere probleem versterken. Het is belangrijk om op zowel lokaal als landelijk niveau te kijken naar hoe we ons kunnen voorbereiden op extremer weer.” Zo werd Europa in 2003 getroffen door een extreme hittegolf waarbij tienduizenden doden vielen. “Er werden toen in Nederland nog geen hittewaarschuwingen afgegeven. Toen we in 2006 opnieuw aan de beurt waren is er besloten dat we hitte serieuzer moeten nemen.” Inmiddels bestaat er een nationaal hitteplan. “Als het KNMI een hittegolf ziet aankomen gaat er een hitte-alarm af. Er worden dan bepaalde protocollen in ziekenhuizen en verpleeghuizen gehanteerd die de kwetsbaren moeten beschermen. Maar er zijn ook een hele hoop kwetsbaren die op zichzelf wonen. Hoe bereiken we die dan?”

Limburg 13 juli 2021 (foto NOS)

Lokaal en landelijke maatregelen voeren

Daar ligt volgens Van Aalst de grootste uitdaging. De groep kwetsbaren bereiken waar geen oogje in het zeil gehouden wordt. “Op korte termijn kunnen steden denken aan koelcentra creëren in bijvoorbeeld gymzalen en overheidsgebouwen, waar airco en voldoende drinkwater is.” Op lange termijn moeten steden de vraag stellen: hoe houden we onze stad koel?  “In Den Haag is de Schildersbuurt een hitte-hotspot. Die buurt kun je verkoelen door meer groen te planten. Maar je ziet dat het beleid soms niet aansluit bij de echte nood, want de meeste subsidies voor vergroening gaan naar plekken in de stad die al groen zijn”, zegt Van Aalst.

De verlate aanpak tegen hitte in Nederland is volgens Van Aalst te verklaren omdat extreme warmte nieuw is voor ons land. “Oorspronkelijk hebben we hitte in Nederland nooit als een probleem ervaren. Daarom lopen de plannen nog achter. We moeten het dus heel praktisch aanpakken: wat kunnen we per stad doen om een extreme weerssituatie voor te zijn?”

Zie https:// .

Hoofdinfrastructuurnetwerken gevoelig voor schade door veranderend klimaat

Het Kennis instituut voor Mobiliteit (KiM) is de officiele instantie die in Nederland onderzoek doet naar mobiliteitsstrategieën. Het KiM heeft op 01 juli 2021 een studie uitgebracht naar de invloed van het veranderend klimaat op de Nederlandse infrastructuur.
Ik heb dit persbericht dd 01 juli 2021 hieronder overgenomen. Afbeeldingen zijn uit de publieksbrochure overgenomen.

De algemene pagina van het KiM over dit onderwerp is http://www.kimnet.nl/publicaties/rapporten/2021/07/01/klimaatverandering-en-het-mobiliteitssysteem .



Door klimaatverandering neemt de kans op schade aan de infrastructuur toe, als gevolg van droogte, hitte, hevige neerslag of stormen. Dit schrijven onderzoekers van het KiM in een studie naar de klimaatverandering en de invloed daarvan op het mobiliteitssysteem. Ze brengen in kaart waar de Nederlandse hoofdinfrastructuur van wegen, spoorwegen en vaarwegen gevoelig is voor het oplopen van schade door het klimaat. En ze beschrijven hoe het gebruik van deze infrastructuur en de activiteiten van mensen en bedrijven kunnen veranderen. Daarnaast verkennen de onderzoekers wat het voor het mobiliteitssysteem betekent als we op termijn te maken krijgen met een grote zeespiegelstijging en maatregelen om daarmee om te gaan.

Voor de effecten op de kortere termijn, tot 2050, zijn de onderzoekers van het KiM in hun studie Klimaatverandering en het mobiliteitssysteem uitgegaan van literatuur, diepte-interviews en expertsessies met Rijkswaterstaat, ProRail en Deltares. De klimaatgevoeligheidskaarten van de infrastructuur hebben ze gebaseerd op stresstesten van Rijkswaterstaat en ProRail. De gevolgen van het klimaat voor het gebruik van infrastructuur baseren ze op literatuur en op basiskennis over personenmobiliteit en logistiek. De verkenning van de gevolgen van een grote zeespiegelstijging op langere termijn is gedaan aan de hand van adaptiestrategieën die Deltares heeft ontwikkeld voor Nederland.

Gevoeligheid hoofdinfrastructuurnetwerken

Op het hoofdwegennet vormen verzakkingen door bodemdaling – een gevolg van droogte – een relatief groot risico. Wegen in het westen en noorden van het land zijn het meest gevoelig voor verzakkingen. Ook voor hoofdvaarwegen levert droogte een groot risico; droogte zorgt voor lage rivierafvoeren en mogelijk onvoldoende diepte voor de scheepvaart. De gevoeligheid voor onvoldoende diepte is groot op de Waal rond Nijmegen en op locaties op de IJssel en het bovenstroomse traject van de Nederrijn. Voor spoorwegen bestaat niet één duidelijk grootste risico. Grote delen van het spoor zijn gevoelig voor schade of beperkte functionaliteit door wateroverlast of hitte, zoals het onderwaterlopen van tunnels of het niet kunnen sluiten van beweegbare bruggen door hitte-uitzetting.

Mogelijke adaptatiemaatregelen zijn divers en verschillen per gebeurtenis en per type infrastructuur. Soms kan intensief en gepland beheer en onderhoud (B&O) grotere en dure herstelmaatregelen aan de infrastructuur voorkomen. Maar vaak gaat het om grootschalige, preventieve maatregelen op het gebied van vervanging en renovatie (V&R).  

Gevolgen voor gebruikers van infrastructuur en hun activiteiten

Klimaatschade aan de infrastructuur levert in 2050 voor gebruikers naar verwachting vooral ongemak van tijdelijke aard. Voor weggebruikers ligt omrijden via een andere route vaak voor de hand, maar ook het gebruiken van een andere vervoerwijze of thuiswerken. Treinreizigers kunnen ook voor deze opties kiezen, ook al hebben zij voor omrijden meestal minder routealternatieven dan weggebruikers. Voor het spoorgoederenvervoer en binnenvaart is omrijden en -varen meestal geen optie. Bij laagwater op de rivieren zal de binnenvaart vaak kiezen voor het minder zwaar beladen van schepen (zoals ook gebeurde in de drie droge jaren 2018, 2019 en 2020). 

De effecten van zeespiegelstijging op het mobiliteitssysteem

Deltares heeft vier adaptatiestrategieën ontwikkeld om met grote zeespiegelstijging om te gaan. Twee ervan richten zich op het beter beschermen van de huidige kust, één gaat uit van het zeewaarts bewegen met nieuwe eilanden en één strategie is gericht op meebewegen. Meebewegen bestaat uit het ophogen van gebieden (terpen), het drijvend maken van bebouwing en infrastructuur en het migreren van de bevolking naar hoger gelegen delen van het land. 

De verkenning van het KiM wijst uit dat de effecten op het mobiliteitssysteem sterk verschillen per strategie. Bijvoorbeeld bij ‘beschermen’ verandert er minder aan de ruimtelijke inrichting van Nederland dan bij ‘zeewaarts’ en ‘meebewegen’. Bij ‘zeewaarts’ kan nieuwe infrastructuur (bruggen, dijken) nodig zijn tussen de nieuwe eilanden onderling en als verbinding met de kust; op de eilanden komen mogelijk zee- of luchthavens. ‘Meebewegen’ kan leiden tot meer verplaatsingen over water, maar ook tot de aanleg van bruggen tussen terpen. Bij migratie naar hogere delen van het land wordt daar de bebouwingdichtheid groter en komt er meer vraag naar infrastructuur en mobiliteit.

Brochure

Er is ook een brochure over het onderzoek Klimaatverandering en het mobiliteitssysteem beschikbaar.

Zie ook

CO2 -prijs onder het EU ETS schiet door de €50 per ton (update 6 juli)

Nederlandse CO2 – heffing momenteel ineffectief

Hoe werkt het systeem?
Het Emission Trade System is het belangrijkste mechanisme waarover de EU beschikt om de uitstoot van broeikasgassen door de industrie te verminderen.

Het systeem heeft enkele kenmerken:

Werking van het ETS
  • De ton CO2 is de eenheid
  • Aan het totaal aantal ton CO2 dat jaarlijks in de EU (+ Ijsland, Noorwegen en Liechtenstein) is een maximum gesteld. Dit resulteert in evenzovele rechten.
  • Sinds 2013 tellen ook een deel van het N2O (lachgas) en PFK’s (perfluorkoolstoffen) uit de aluminiumproductie mee als broeikasgas. Die worden op de gebruikelijke manier tot CO2 omgerekend.
  • Deze ‘cap’ stabiliseerde eerst de uitstoot op die van 1990, maar daalt vanaf 2013 met 1,7% en vanaf 2020 met 2,2% per jaar en binnenkort (na juni 2021) mogelijk nog sneller
  • Bedrijven moeten over rechten beschikken als ze CO2 uitstoten
  • Het gaat om bedrijfscategorieën (zie hieronder)
  • Sinds 2013 moeten ze die kopen op een veiling waarvan de opbrengst naar de nationale schatkist gaat. Het aandeel kopen versus gratis loopt op 48% versus 47% in 2020 (de resterende 5% is voor nieuwkomers en innovatie.
  • Ten dele krijgen ze die voor niets.
    IN de testfase van het systeem (2005 t/m 2008) kregen alle onderneming alles, wat de op dat moment uitstootten, gratis.
    Ook ondernemingen waarvan men (al dan niet terecht en na het nodige gelobby) bang was dat ze anders hun werk buiten de EU zouden gaan uitvoeren (carbon leakage), kregen veel rechten gratis (bijvoorbeeld Tata Steel). Vanaf 2020 is dit de enige reden om nog gratis rechten uit te keren. Energiebedrijven krijgen bijvoorbeeld sinds 2020  geen gratis rechten meer.
    Tot 2013 keerden de nationale overheden de gratis rechten uit, na 2013 deed de Europese Commissie dat.
  • Koolstofrechten die niet nodig zijn voor de eigen uitstoot mogen worden verhandeld (‘Trade’). Wie te weinig koolstofrechten heeft, moet bijkopen. Dit werkt in zekere zin als een soort bonus-malus systeem. De transacties vinden plaats op de Duitse EEX.
  • In Europa vallen 11000 bedrijven onder het ETS, die samen goed zijn voor 45% van de Europese broeikasgasuitstoot
  • Sinds 2012 valt ook de luchtvaart onder het ETS, voor vluchten waarvan start en landing binnen de EU28 liggen.

Bedrijfscategorieën waarvoor het ETS geldt:

Het ETS heeft voor- en nadelen ten opzichte van andere manieren om koolstof te belasten.

  • Een voordeel is dat de emissies met zekerheid dalen, omdat het systeem dat voorschrijft. Bij  een ‘gewone’ koolstofbelasting is die zekerheid er niet.
  • Een voordeel is dat de CO2 – besparing naar de plek schuift waar die het goedkoopste is.
  • Voordeel is dat een juiste uitvoering van het ETS bewustwording en innovatie in de hand werkt
  • Een nadeel is dat het ETS als een Brussels compromis ontstaan is en dus onder invloed van industriële lobby’s (die er overigens ook geweest zouden zijn bij een nationaal versie van het ETS). Daardoor heeft het systeem de kleur aangenomen van de grote bedrijven die bestonden ten tijde van invoering.
  • Een nadelig gevolg daarvan is dat er in het begin teveel gratis rechten verstrekt zijn. Na de testfase stortte de prijs van een recht in van ca 30€/ton tot onder de €5 per ton (zie afbeelding hieronder). Dat heeft heel land alle goede bedoelingen gefrustreerd.
    De economische crisis van 2008-2009 versterkte dat effect.
    Vervolgens ontstond er een levendig gesjacher, waarbij grote vervuilende bedrijven aan het systeem verdienden in plaats van betaalden. Zie https://ce.nl/publicaties/calculation-of-additional-profits-of-sectors-and-firms-from-the-eu-ets-2008-2015/ . Dit droeg niet bij aan de populariteit va het systeem bij de bevolking.
    In 2013 waren er meer gratis rechten dan nodig was voor de totale uitstoot in dat jaar.  
  • Het is een traag systeem. De lange adem moet zijn werk doen.

Voor meer uitleg zie www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/wat-is-emissiehandel/vraag-en-antwoord/hoe-zit-het-europese-emissiehandelssysteem-in-elkaar en https://ec.europa.eu/clima/policies/ets_nl .
Voor een eerder verhaal op deze site zie Europese CO2 – heffing aangescherpt, ook voor de luchtvaart .

Update dd 06 juli 2021
Het Financieel Dagblad had enkele goede artikelen op basis van gelekte hervormingsvoorstellen van de Europese Commissie.
Een absolute noviteit in de wereld is een heffing aan de grenzen van de EU op importgoederen, die op basis van de veel lagere mondiale koolstofprijs vervaardigd zijn (en dus ernstig concurrentievoordeel hebben). Dat zou moeten gaan gelden voor de sectoren cement, staal, aluminium, kunstmest en elektriciteit.
Tot nu toe genieten sommige van deze bedrijven voordeel in de vorm van gratis rechten. Men is bang dat ze anders de benen nemen naar buiten de EU. Het instellen van de grensheffing zou dan de gratis rechten overbodig maken. Daarom hebben de energievretende bedrijven er altijd zelf voor gelobbied.
Toch schreeuwen de staal- en vooral de aluminiumsector, nu het puntje bij het paaltje komt, moord en brand. Ze eten blijkbaar liever van twee walletjes. De cementindustrie schreeuwt wat minder hard (die verkast dan ook niet zo gemakkelijk).
Het moderne Zweedse ijzerertsconcern LKAB, dat een schoner productieproces heeft (met waterstof als reductor), wil juist de grensheffing wel en vindt dat de EC niet snel genoeg gaat. ( www.lkab.com/en/ )

Met waterstof (ipv cokes) gereduceerd sponsijzer van LKAB ( www.lkab.com/en/news-room/press-releases/hybrit-ssab-lkab-and-vattenfall-first-in-the-world-with-hydrogen-reduced-sponge-iron/?aid=16447 )

Verder zal de daling van de ‘cap’ sneller gaan.

Het is de bedoeling dat ook weg- en zeetransport en gebouwen aan het ETS gaan betalen (de luchtvaart betaalt al, zij het nog lang niet alles). Maar dat wordt een technisch en politiek moeilijk verhaal. Mogelijk is daar een aparte prijsvorming voor nodig.

Deze gelekte ontwikkelingen staan in een officieel mega-plan, dat op 14 juli 2021 gepubliceerd wordt. Ik schrijf er daarom liever dan verder over.

Koolstofprijs onder het ETS door de jaren heen (Sandbag)

In 2013 is het ETS hervormd, o.a. door ingrepen die blijvend of tijdelijk rechten uit de markt namen (bijna de helft ging in de ijskast). Dit samen met de permanent dalende cap (sinds 2013 -2,2%/jaar) dreef de prijs vanaf 2016 geleidelijk aan weer omhoog. Daarna ging het steeds sneller, tot op 5 mei 2021 het bericht in de NRC stond dat de prijs voor het eerst door de €50/ton-grens gegaan was – wat velen niet voor mogelijk hadden gehouden.

Men zag meteen een effect, bijvoorbeeld dat de opslag van CO2 in de zeebodem ineens weer op de agenda stond (op welke trend ik hier nu niet in ga).
Sandbag gaf onderstaand verloop van de prijs .

Op 2 juli stond de prijs op ruim €57 .

Nieuwe ontwikkelingen zijn te verwachten, maar op het moment dat dit geschreven wordt, wordt daarover nog gespeculeerd.
De ambities van de EU zijn aangescherpt, dus te verwachten is dat de mechanismen dat ook worden en dat de prijs verder omhoog gaat.

Tegelijk ligt de CO2 – prijs buiten de EU onder de €2/ton.
Het Financieel Dagblad van 04 juli 2021 wijdde een artikel aan dit mondiale carbon credits-systeem, dat op dat moment op €3 tot €5 stond. Dat systeem is ingesteld in het Kyotoverdrag en kent, mede omdat niet alle landen uiteindelij kmeedoen, ook een groot overschot aan rechten. Zie https://fd.nl/ondernemen/1390462/greenwashing-bedrijven-dreigt-door-lage-prijs-co-compensatie?utm_medium=email&utm_source=nieuwsbrief&utm_campaign=fd-ochtendnieuwsbrief&utm_content=1352426_46079_20210705&utm_term=B .

Het verschil beïnvloedt de concurrentieverhoudingen en daarom wordt er gespeculeerd op een tariefmuur rond Europa ter hoogte van dit prijsverschil. Het worden interessante tijden (zie de update van 06 juli).

De Nederlandse CO2 – heffing
In de discussies over het Klimaatakkoord was een heftig omstreden onderwerp in hoeverre de industrie moest meebetalen aan de klimaatdoelen. Het kabinet wou er niet aan en daarom tekenden Milieudefensie, Greenpeace, Natuur&Milieu, de Natuur- en Milieufederaties, de Jonge Klimaatbeweging, FNV en MVO niet.
De grote klimaatdemonstratie in maart 2019 zette alsnog de discussie in gang en vernietigende rapporten van PBL en CPB droegen daar eveneens aan bij. Bij Prinsjesdag 2019 kwam het kabinet alsnog met een beperkte CO2 – heffing voor de industrie op de proppen. Milieudefensie, Greenpeace en de Jonge Klimaatbeweging hebben nog steeds niet getekend.

De heffing is inderdaad nogal mild.
De heffing gaat alleen over bedrijven die al onder het ETS vallen, en daarnaast over afvalverbranders en enkele specifieke processen waarbij lachgas vrijkomt. Men wilde dat de Nederlandse regeling zoveel mogelijk op het ETS leek.

Het tarief ziet er als volgt uit ( https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/co2-heffing-voorlichting ):

Bij bedrijven die al onder het ETS vallen moeten deze getallen gezien worden als een bodem van ETS en Nederlandse heffing samen.
Als het ETS in 2022 €30 zou zijn geweest, zou de Nederlandse heffing bedragen hebben €40,21 – 30, zodat de som van beide €40,21 is. Als het ETS boven de Nederlandse heffing zit, telt het ETS.
Voor afvalverbranders en lachgasproducenten die niet onder het ETS vallen, telt de volledige Nederlandse heffing.
Net als bij het ETS kent ook de Nederlandse heffing een dalende vrijstelling en handelmogelijkheden.

De regering verwacht dat de kans driekwart is dat de industrie in 2030 een emissiereductie van 14,3 Mton CO2,eq haalt.

Nu het ETS al in 2021 boven de €50 zit (en waarschijnlijk verder stijgt), bestaat er dus de eerste paar jaar in feite alleen voor de afvalverbranders en de lachgasproducenten een nieuwe koolstofheffing.
Inderdaad erg mild. Laten we het op Corona houden.

ETS-bedrijven in Nederland, Brabant en het MRE-gebied
De volledige lijst met inrichtingen die onder het ETS vallen, is te vinden via www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/deelnemers-ets . Daar staat nu een lijst dd januari 2015.

Ik heb er voor mijn site (die focust op Brabant) de Brabantse inrichtingen uit gezeefd. Die is te vinden –>

De lijst in het MRE-gebied (Zuidoost Brabant) is:

  • Bavaria N.V. NL-200400297 Provincie Noord-Brabant LIESHOUT
  • Brabantse Asfaltcentrale (BAC) NL-201000120 Provincie Noord-Brabant HELMOND
  • DAF Trucks N.V. NL-200500022 Provincie Noord-Brabant EINDHOVEN
  • KWS Infra B.V. Asfaltcentrale Eindhoven NL-200800077 Provincie Noord-Brabant EINDHOVEN
  • Nyrstar Budel B.V. NL-200500008 Provincie Noord-Brabant Productie of bewerking van non-ferrometalen BUDEL-DORPLEIN
  • Rendac Son B.V. NL-200400181 Provincie Noord-Brabant SON
  • Vlisco Netherlands B.V. NL-200400232 Provincie Noord-Brabant HELMOND
  • WKC Eindhoven NL-200400054 Provincie Noord-Brabant EINDHOVEN (de stadsverwarming op Strijp S)
  • WKC Helmond 1 & 2 NL-200400056 Provincie Noord-Brabant HELMOND (de stadsverwarming)

Deze bedrijven staan allemaal op de lijst vanwege een verbrandingsinstallatie, behalve Nyrstar (in de volksmond de zinkfabriek in Budel).
Zie ook Trafigura en de zinkfabriek – formeel geen probleem, maar het voelt niet lekker .

Nyrstar_foto bgerard

Nyrstar is overigens goed voor 1,2TWh (4,3PJ), ca 1% van het Nederlandse elektriciteitsverbruik . Van die stroom gaat 85% op aan het elektrolyseproces en dat is al geheel geoptimaliseerd (www.ed.nl/economie/symposium-bij-nyrstar-in-budel-bij-metaal-is-veel-energie-te-besparen~a4489ec5/ ).
Het reusachtige zonnepark op de jarosietvelden voorziet maar voor 0,16PJ  in die 4,3PJ (dat staat trouwens fout op de site van Solarcentury/Statkraft – beetje dom. MWh moet GWh zijn.). Nyrstar zegt energieneutraal te zijn, maar haalt dus het merendeel van zijn duurzame energie elders. Zie https://middenlimburgactueel.nl/2021/02/11/nyrstar-budel-produceert-zink-op-bijna-volledig-groene-energie/  en www.nemokennislink.nl/publicaties/zuiver-zink/ .

Zuiver zink maken vreet stroom. Maar dat zuivere zink bespaart elders energie. Verzinkt staal roest 12 keer zo langzaam als onbeschermd staal. En het zit in batterijen en medicijnen.
De industrie verduurzamen is een gecompliceerd verhaal.

IPCC gaat waarschuwen voor ‘tipping points” in het klimaat

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) werkt aan een schokkend rapport over ‘tipping points”. Een tipping point is een temperatuur waarbij een plotselinge en vaak onomkeerbare verandering plaatsvindt die vervolgens een lawine aan andere gevolgen kan hebben. In de dialectisch-materialistische filosofie een omslag van kwantiteit naar kwaliteit.

Het IPCC-rapport is nog niet uit, maar een voorontwerp is uitgelekt naar Agence France-Presse, en zodoende kwam het in The Guardian terecht waar ik het gevonden heb. Zie www.theguardian.com/environment/2021/jun/23/climate-change-dangerous-thresholds-un-report en dan via links verder terug.

Het IPCC wordt bekritiseerd omdat het tot nu toe te weinig aandacht besteedt aan tipping points, door velen beschouwd als de zwakste schakel in de IPCC-prognoses. Ter verdediging moet worden aangevoerd, dat het IPCC als publieke organisatie erg voorzichtig is in zijn uitspraken, omdat die grote gevolgen kunnen hebben. Van tipping points was gewoon nog niet genoeg bekend. Kleine oorzaken kunnen hier grote gevolgen hebben. Dat onderzoekt lastig.
En, anders dan vaak gedacht, doet het IPCC niet zelf onderzoek maar verzamelt onderzoek van anderen.
Het tekort aan standpunten wordt dus nu ingehaald. Het rapport zou 12 tipping points gaan behandelen.

https://esd.copernicus.org/articles/12/601/2021/

Mogelijke tipping  points zijn bijvoorbeeld het smelten van de Groenlandse ijskap of delen van die op Antarctica (mogelijk zijn we het tipping point voor delen van de ijskap op West-Antarctica al gepasseerd).  Het smelten van een ijskap is op de korte termijn onomkeerbaar, omdat een ijskap een systeem is dat zichzelf beschermt omdat de witheid zonlicht terugkaatst. Als het ijs weg is, is de witheid weg en de bodem eronder donker en die voorkomt (althans op de korte termijn) een nieuwe ijskap. Men kan dat alledaags waarnemen als sneeuw op straat, die vooral aan de rand smelt.

De Groenlandse ijskap is goed voor 7m zeespiegelstijging, en er zijn geleerden die beweren dat die kap er versneld aan gaat ( Multistability and critical thresholds of the Greenland ice sheet_Nature_11maart2012 ) als de mondiale temperatuur met 1,6°C stijgt (we zitten nu op 1,1°C, zie www.carbonbrief.org/state-of-the-climate-how-the-world-warmed-in-2019 ).

Andere tipping points ontstaan als door de dooi van de permafrost ineens een heleboel methaan in de lucht komt, of als het regenwoud in het Amazonegebied ineens savanne wordt – ook weer zo’n systeem dat zichzelf binnen zekere grenzen beschermt. Maar ook bijvoorbeeld de Golfstroom of het moessonsysteem kunnen instabiel gedrag vertonen.

Satellietbeelden van het uiteenvallen van de Spalte gletscher in Noordoost-Groenland tussen 2013 en 2020. Foto EU Copernicus and Geus/Reuters

Het wordt griezelig.

Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=2877 en www.bjmgerard.nl/?p=3995.
De aanhef-foto is een bosbrand bij en in Fort Murray in Canada dd mei 2016.

Doggerland

Bij elk 1000-tal bezoekers aan de home page van deze site schrijf ik een artikel met een wat afwijkend onderwerp. De 27000-ste bezoeker had nog geen excentriek onderwerp gekregen. Inmiddels is de 28000-ste al gepasseerd – ik loop wat achter. Maar dat komt ook nog wel.

Verdronken land getoond in een museum
Als je bij Zandvoort naar Engeland kijkt, kijk je over Doggerland heen.

Pas eind 19de eeuw accepteerde men in brede kring dat de Bijbel ongeschikt was als geologisch standaardwerk, en kreeg men inzicht in de enorme tijdsduren in de geologie.
De eerste die schreef over een gestegen zeespiegel als oorzaak voor de verdronken bossen, die men aan de Engelse oostkust kan zien (‘voorbij het laagste tij’) was Clement Reid in ‘Submerged Forests’ dd 1913. Hier de eerste expliciete wetenschappelijke  notie dat dit alleen verklaard kon worden door een gestegen zeespiegel.

Submerged Forest (Reid, 1913)

Sindsdien  steeds meer incidentele vondsten, vooral vissers. Aanvankelijk stuitend op desinteresse van beroepsarcheologen want het was niet meer dan een landbrug geweest en je kon het toch niet onderzoeken. Maar dat verschoof, ook al omdat het aantal vondstensnel toenam.
In 1971 verscheen er bijvoorbeeld een overzicht van vondsten door Leendert Louwe Kooijmans van het RijksMuseum van Oudheden (RMO). Maar een eerste definitieve erkenning van dat de Noordzeebodem een interessant gebied in eigen recht  was met wisselende bevolkingen en culturen, kwam met het overzichtswerk ‘Doggerland: a Speculative Survey’ (1998) van Bryony Coles. Hiermee werd de Noordzee de grootste archeologische vindplaats van Europa.
‘Doggerland’ komt van de Doggersbank (die nog een tijd als eiland in het verdronken land bestaan heeft, en nu een ondiepte is). Een ‘dogger’ was in het middelnederlands een vissersboot, met name voor de kabeljauwvangst.

Het Leidse Rijks Museum van Oudheden (RMO) heeft een mooie tentoonstelling gewijd aan wat we nu weten van het verdronken land op de Noordzeebodem. ‘Doggerland’ is daar te zien t/m 31 oktober 2021 en gaat daarna reizen naar andere musea in de kustprovincies. Zie www.rmo.nl/tentoonstellingen/tijdelijke-tentoonstellingen/doggerland/ .
Ik heb de tentoonstelling bezocht.
Het RMO is open van 10.00 t/m 17.00 uur en kost €12,50. Let op eventuele Coronabeperkingen.
Bij de tentoonstelling hoort een mooi boek.

Een miljoen jaar klimaatgeschiedenis
Er zit een periodiciteit in het klimaat. Die heeft astronomische oorzaken (Milankovitch cycli). Afkoeling gaat traag en opwarming snel.

In de warmere perioden (de interglacialen) waren er, vroege of moderne, mensen aanwezig en in de koudere trokken ze weer weg.
Zelfs al bijna een miljoen jaar geleden, toen nog  Homo Antecessor, in kleine groepen met zelfs kinderen erbij (er zijn in  een getijdenvlakte voetstappen gevonden).
Vanaf ca 500.000 jaar geleden stonden de Neanderthalers aan de top van de voedselpyramide en dat hebben ze tot 50.000 jaar geleden volgehouden. De eerste Nederlandse Neanderthaler werd als voorhoofdsbot tussen de schelpen van een branderij in Ierseke gevonden. Hij  werd Krijn gedoopt.

Voorhoofdsbeen van een Neanderthaler, afkomstig uit de Noordzee
Foto Erik de Goederen / RMO

Ergens na 50.000 jaar vChr, toen de laatste ijstijd zijn koudste punt naderde, zijn de Neanderthalers naar het zuiden uitgeweken, waar de (onder)soort ergens rond 40.000  vChr ophield te bestaan (de laatste resten zijn in Zuid-Spanje gevonden).

Neanderthalers waren geen sukkels. Ze hebben het niet voor niets twee ijstijden lang, jagend op grote en gevaarlijke dieren op de mammoetsteppe, uitgehouden. Ze maakten mooie werktuigen uit vuursteen en een topvondst (waar RMO trots op is) is een vuurstenen werktuig  met zelf gebrouwen berkenpek als handvat. Het is nog niet zo eenvoudig om berkenpek te brouwen, speciaal op de boom-arme steppen waar niet zoveel berken zijn.
Normaliter blijft er op het land weinig tot geen oud organisch materiaal over (men onderzoekt stenen werktuigen bij gebrek aan beter), maar in de zuurstofarme Noordzeebodem blijft organisch materiaal van werktuigen fantastisch bewaard. Men vindt stenen of gewei-bijlen met de houten steel er nog aan.

Vuursteen Neanderthalmesje met berkenpek (50.000 jaar oud)
Neanderthalwerktuigen (RMO)

 

Moderne mensen (‘ons soort mensen’) verschenen pas rond 45000 vChr in Noordwest-Europa en schilderden daar bijvoorbeeld de grottekeningen als die van Lascaux. Vanwege de kou verschenen die pas ergens rond 15000vChr met enige regelmaat in het Noordzeegebied.
Tussen 11.000 en 10.000vChr werd het nog even heel erg koud. IN die tijd handhaafde een volk zich met het jagen op rendieren. Na 10.000 vChr trad de opwarming in die tot nu toe voortduurt.

Doggerland, ongeveer 10.000 vChr.


Vanaf dat moment liep de Noordzee steeds verder vol, vanuit het zuiden en het noorden.

Doggerland in 7250 vChr
Doggerland 6000vChr

In de paar millennia tussen pakweg 10.000 en 6000 vChr was Doggerland een soort paradijs voor de mesolithische jager-verzamelaars. Zo ongeveer alles was er te vinden in bossen, zoetwaterwetlands en de zee.
3800vChr lag er niets meer boven de golven.

In ons deel van de wereld zit het verdwenen land niet meer in het collectieve geheugen.
Dat is anders bij de Aboriginals van Australië die een sterke orale geschidenistraditie hebben. In hun teksten komen verdwenen landschappen voor die, terugrekenend, ongeveer rond 5000 a 10.000 vChr uit.
Beweerd wordt dat het zondvloefverhaal uit de Bijbel, en uit het Gilgamesjverhaal, betrekking zou hebben op het vollopen van de Zwarte zee, nog net in de prehistorie. Het zou kunnen.

Hoe weten ze dat nou allemaal? Civil science.
Zowat alle informatie kwam in den beginne, en nu nog steeds veel, van niet-archeologen. De ene belangrijke groep niet-wetenschappers zijn de vissers (die  soms hun zondvloedtheorie moesten bijstellen).
Deze speerpunt uit gewei van bijna 15cm lang, gedateerd rond 11500vChr, rolde uit een opgeviste bonk veen van de Leman-and-Ower-Banks.

Speerpunt van gewei, ca 11.500 y vChr, RMO

De andere groep niet-wetenschappers bestaat uit een bont gezelschap studenten en scholieren. Verkoopsters, gepensioneerde ambtenaren, onderwijzeressen enz. (waaronder mijn neefje), die gebruik maken van de zeer vele activiteiten in de Noordzee.
Er wordt non-stop ver van de kust zand gewonnen dat dicht bij de kust wordt opgespoten als de Zandmotor, een voorraad zand die met de stroom meegenomen wordt en zo de kust verderop onderhoudt.
De Tweede Maasvlakte is opgespoten.
Er worden schelpen opgezogen en die worden op het land verwerkt.
Het bonte gezelschap struint de Maasvlakte en de Zandmotor en vindt van alles. Daar is een ordenende structuur aangehangen waar deze ‘amateurs’ – die vaak al lang halve professionals zijn – hun vondsten kunnen melden en laten categoriseren.
Het is typisch een goede civil science – aanpak.

De ‘echte’ wetenschappers hebben ook steeds meer mogelijkheden.
De vele boringen t.b.v. olie en gas en wind leveren vaak informatie over de diepte die  bedrijfsgeheim zijn, maar ook informatie over de eerste meters waar niets geheims aan is – en die voor de archeologie zeer waardevol zijn.
Zowel Nederland als België heeft een onderzoeksschip dat meewerkt aan het project http://www.vliz.be/imisdocs/publications/324899.pdf .
En voor de aanleg va Maasvlakte2 moest de Yangtze – haven op Maasvlakte1 verdiept en verlengd worden, waaronder een fossiel rivierduin ligt dat kans bood op menselijke bewoning. Dat werd een nog nooit eerder vertoonde onderneming. Het baggerponton triton nam op 20m diepte happen van 2 * 5 meter in laagjes van 20cm dik, en al die happen werden apart verwerkt.
Het leverde inderdaad veel sporen op van menselijke aanwezigheid van 8400 tot 6500 vChr.

Resultaat van de opgraving in de Rotterdamse Yangtzehaven


De toekomst en de moraal van het verhaal
Uiteraard stopt de geschiedenis niet in 2021.

Snuder, Nature 2016, T-anomalie vs jaar

Bovenstaande grafiek is van Carolyn Snyder uit Nature, 2016 (zie https://klimaatveranda.nl/2016/10/06/de-temperatuur-op-aarde-tijdens-de-afgelopen-2-miljoen-jaar/ ) . De blauwe zigzaglijn is Snyders reconstructie van de gemiddelde temperatuur op aarde tegen de tijd, grijs is het onzekerheidsinterval, HadCRUT4 is een meetresultaat, de oranje lijn is de gemiddelde temperatuur op aarde in het jaar 3000 bij IPCC-scenario RCP6.0 (er worden dan weinig maatregelen tegen de klimaatopwarming genomen) en idem RCP 8.5 (er worden dan geen maatregelen genomen).
Het gedrag van de ijskappen is in deze modellering nog niet meegenomen.

Dit terwijl de temperatuur, als er geen mensen op aarde waren, binnen geologisch korte tijd weer periodiek zou gaan dalen.

De moraal: de mensheid komt in onbekend gebied. Bedacht moet worden, dat bij de voorlaatste piek, het Eemien, de zeespiegel 6 tot 9m hoger stond dan nu.

De tentoonstelling geeft een filmpje met de geschiedenis van de zeespiegel. Een still daaruit:

De Noordzee en zijn oevers waren een dynamisch systeem en zijn dat nog steeds. Nederlanders proberen dat statisch te maken, maar dat heeft zijn grenzen (de Deltawerken zijn berekend op 1 m zeespiegelstijging). Tot 2 meter zou het ook nog moeten lukken, maar daarna is het terra incognito waar je, volgens professor Marjolijn Haasnoot nu al na zou moeten gaan denken. Zie ook Een dagje zeespiegelstijging en Het water komt – ook in Brabant.

De  mesolithische jagers trokken weg als het land overstroomde. De dynamiek hoorde tot de normale orde der dingen. Als jij kon vissen waar vroeger je opa woonde, dan was dat nu eenmaal zo. Ging je een eind verderop wonen.

Maar wij hebben steden en infrastructuur die we willen verdedigen. Dezelfde flexibiliteit als klimaatvluchteling, die de mesolithische Noordzee-jagers en verzamelaars noodgedwongen opbrachten, kun je van de Amsterdamse stadsbevolking niet verwachten.

ENECO: Energieneutraal in 2035?

Ontwikkelde landen moeten sneller naar klimaatneutrale energiesector
Er stond een bepaald tempo voor de overgang naar een klimaatneutrale energievoorziening, dus een energievoorziening die geen broeikasgassen uitstoot. Meestal bedoelt men daar CO2 mee, maar het gaat ook om gassen als methaan (CH4 ) en lachgas (N2O) en CFK’s. Een gebruikelijk einddoel voor een broeikasgasvrije energievoorziening was, en is nog steeds, 2050.

Nu staat steeds meer ter discussie of dat niet te langzaam is. Het IPCC (2018) stelt dat de wereld in het huidige opwarmingstempo al voor 2040 aan de 1,5°C temperatuurstijging zit. In het Parijsakkoord is afgesproken om te proberen daaronder te blijven (2,0°C is als verplichting afgesproken).

Op meer plaatsen wordt voorgesteld de bestaande plannen aan te scherpen (bijvoorbeeld de Europese Commissie). Ik  kies hier voor een verwijzing naar een recent document van het IEA (Internationaal Energie Agentschap, voorheen een tamelijk conservatieve organisatie) “Net Zero by 2050: A Roadmap fort the Global Energy Sector”. Dat is te vinden (inclusief een samenvattend persbericht) op https://www.iea.org/news/pathway-to-critical-and-formidable-goal-of-net-zero-emissions-by-2050-is-narrow-but-brings-huge-benefits .
Het IEA vindt dat de ontwikkelde landen hun elektriciteitssector al op ‘netto nul’ moeten krijgen.

ENECO en de ambitie van het One Planet Plan
Eneco was voorheen een publieke energiemaatschappij, die na veel politieke strijd verkocht is aan de Japanse bedrijven Mitsubishi en Chubu Electric Power. Het bedrijf heeft altijd al een behoorlijk duurzame praktijk gehad, hoewel niet de meest duurzame van Nederland.

Als concullega van het toenmalige Essent zit Eneco niet of nauwelijks in Noord-Brabant en Limburg, het focusgebied van deze site.

In het op 15 juni 2021 gepubliceerde One Planet Plan “Op weg naar klimaatneutraal in 2035” pakt Eneco de handschoen op. De onderneming wil dan over de gehele keten energieneutraal zijn. Zie https://nieuws.eneco.nl/eneco-en-zijn-klanten-klimaatneutraal-in-2035/?_ga=2.97120667.545782833.1624282561-921301522.1623980981&_gl=1*1apvyhi*_ga*OTIxMzAxNTIyLjE2MjM5ODA5ODE.*_ga_Q90FEZVK42*MTYyNDI4MjU2MC4yLjEuMTYyNDI4MjYwMy4xNw.. .

Even ter uitleg.
Met scope 1 – emissies wordt bedoeld emissie vanuit bronnen waarover Eneco zelf de baas is, zoals bijvoorbeeld de gasgestookte Merwedecentrale in Utrecht of een aantal gasgestookte warmtekrachtcentrales. Zeg maar de productiekant.
Met scope 2 – emissies worden indirecte emissies van ingekochte energieproducten bedoeld (in dit geval te verwaarlozen).
Scope 3 – emissies is wat er bii de afnemers vrijkomt (het grootste deel). Zeg maar de klantenkant. Die bestaat uit 5,9 miljoen contracten.

In 2019 loosde de gehele Enecogroep 16,4 Mton (Megaton, zijnde een miljard kg) CO2 (het plan spreekt niet over methaan en lachgas, en waarschijnlijk is dat inderdaad heel weinig).
In 2020 loosde de Enecogroep 13,9 Mton CO2 . Het verschil komt uiteraard deels door Corona.

Eneco loosde aan CO2 in 2020 in Nederland 1,7 Mton als scope 1 + 2 emissies, en 10 Mton aan scope 3-emissies. In Duitsland en België loosde de Enecogroep in dat jaar aan uitsluitend scope 3 – emissies 1,9 resp. 0,3 Mton.

Om dit te plaatsen: In 2019 loosde Nederland als geheel 180,7 Mton CO2,eq broeikasgassen (dat is CO2 en andere broeikasgassen samen), en in 2020 166,4 Mton CO2,eq . De  11,7 Mton, die Eneco in 2020 binnen de Nederlandse grenzen loosde), is dus goed voor ongeveer 6,5% van de Nederlandse emissies.

Wat commentaar op  dit ambitieschema:

  • De blauwe lijn, startend bij 16,4Mton CO2 en eindigend bij  4,4 in 2035, is het oude plan.
    De groene lijn, eindigend bij  0,0 in 2035, is het nieuwe plan.
  • Eneco is een beetje slordig met 2019 en 2020 (gebruikt ze door elkaar) en met berekeningen
  • De compensatie van 0,9Mton  is vooral omdat in België op dit moment geen goed klimaatbeleid te voeren valt

Hoe wil Eneco dat doen?
Samenvattend, aan de productiekant :
De CO2-uitstoot van onze eigen emissies reduceren we door de volgende geplande mijlpalen en acties:

  1. Realisatie van 100% CO2- vrije elektriciteitsproductie in 2035:
  2. Duurzame ombouw of uitfasering van alle grote gasgestookte centrales. Ombouw is denkbaar voor de Enecogen centrale op de Maasvlakte of de Lage Weide gascentrale in  Utrecht
  3. Verdubbeling van ons hernieuwbare productievermogen naar 3.200 MW in 2025 en voortzetting van deze groei in de jaren tot aan 2035.
  4. Investeringen in ruim 2.000 MW aan nieuwe warmtebronnen en warmteleverings-overeenkomsten met bronnen van derden tot 2035. Dat betreft baseload, piek-, back-up- en opslagcapaciteit, zoals geothermie, aquathermie, elektrodeboilers, grootschalige warmtepompen, warmtebuffers en benutting van restwarmte.
  5. Ontwikkeling van voldoende CO2-vrij flexibel vermogen om ook in geval van weinig zon en wind voldoende stroom te kunnen leveren. Dat doet nu vooral de Enecogen-centrale, die voor de helft van Eneco is. Die zo in 2035 energieneutraal moeten worden, waarbij gedacht wordt aan technieken als groen gas of waterstof, gebruik of opslag van vrijkomende CO2 , of elders hulpcapaciteit.

Samenvattend, aan de klantenkant:
Reductie van emissies bij klanten realiseren we door:

  1. Particuliere klanten krijgen al sinds 2011 100% groene stroom.
    Zakelijke klanten nu voor >50% en dat moet in 2030 100% zijn. Eneco exploiteert zonneparken (bijvoorbeeld op het dak van Bol.com in Waalwijk) en heeft enkele windparken op de Noordzee en koopt ook wat duurzame stroom in Nederland en het buitenland in.
    De zakelijke warmtevraag kan bijvoorbeeld bediend worden met industriële warmtepompen en e-boilers.
  2. Opschalen in stedelijk gebied van (hybride) warmtepompen en stadswarmte in de vorm van grootschalige warmtenetten of kleinschalige WKO-netten. Dat  moet woonlastenneutraal plaatsvinden.
    Omdat een CV-ketel gemiddeld 12 tot 15 jaar mee gaat, en Eneco in 2035 van het gas af wil zijn, stopt Eneco de verkoop van losse gasgestookte cv-ketels aan consumenten uiterlijk in 2025. Het alternatief kan all-electric zijn, een hybride warmtepomp of bijvoorbeeld een wisselketel. Ook kan het om levering van waterstof of groen gas gaan.
  3. Een laagdrempelig aanbod waarbij iedere woningeigenaar een duurzaam alternatief voor aardgasgestookte warmte krijgt dat economisch aantrekkelijk is. De klant moet op maat bediend worden.

Kritische succesfactoren die Eneco zelf nioemt:

  1. Maatschappelijke  acceptatie en bereidheid van klanten.
    Enerzijds is er steeds meer economische druk van grote beleggers en ratingbureau’s. Anderzijds ook de betaalbaarheid voor particuliere klanten – Eneco meent dat te kunnen beloven, ook bij stadsverwarmingsprocessen.
  2. Effectief klimaatbeleid.
    Eneco vindt de hieronder afgedrukte beleidsmaatregelen nodig.
  3. Economische en technische vooruitgang.
    Dit gaat vooral over technische en economische overwegingen rondom groen gas en waterstof. Dat moet na 2030 een alternatief worden voor aardgas.
    Groen gas is aantrekkelijk, omdat dat inwisselbaar is voor aardgas. Het Klimaatakkoord noemt 2 miljard m3 , goed voor ca 70PJ. Eneco denkt aan het opschalen van de kritische vergassingstechniek, die nu als pilot bestaat (Eneco veronderstelt wel vaker technieken als volwassen die nog pilot zijn). Voor groen gas denkt Eneco aan het opschalen van superkritische vergassing (een mooie techniek, zie www.bjmgerard.nl/?p=7771 )

Commentaar mijnerzijds:
Er volgen politieke vragen uit het voorgestelde schema van Eneco.

  1. Het is wrang dat het nutsbedrijf Eneco, tegen grote publieke weerstand in, verkocht is en dat de nieuwe Japanse eigenaren als een van hun eerste daden van de overheid allerlei prestaties verwachten, zoals subsidies, belastingen, wetgeving en dergelijke.
  2. De “kritische succesfactoren” zijn vèrstrekkend en Eneco gaat daar wel  erg luchtig mee om. Het gaat om meer dan alleen geld en biomassa, maar ook zaken als landschap en ruimte. Die problemen worden bij de overheid gedumpt. Eneco mocht ook wel eens wat meer gaan meedenken, o.a. over de import van groene stroom.
  3. En bijvoorbeeld waarom  van het windpark op zee Hollandse Kust Noord van 759MW de helft verkocht wordt aan Amazon, die niet eens Europese stroomvretende activiteiten heeft. Het voordeel gaat via GVO-certificaten, dus geheel virtueel. In 2040 kan Amazon trots zeggen dat ze energieneutraal zijn, en kan de rest van Nederland niet meer op de helft van dit windpark terecht. Een soort voorrangsverduurzaming.
  4. De hele energietransitie is vèrstrekkend en moet ondanks dat plaatsvinden (maar dan niet op de Amazonmanier). De ruimtediscussie ( Grote energie-, klimaat- en bouwopgaven in een beperkte ruimte (PBL) en de energiescenariodiscussie ( Vier scenario’s voor Het energiesysteem van de toekomst ) worden essentieel.

Klimaateffecten kunnen monumenten schaden

Sandra Fatoric

Teruel Cano, D. (TU Delft Water Resources), Fatorić, Sandra (TU Delft History & Complexity) en Manders, Martijn (Leiden University) hebben een eerste, nog heel algemene studie opgezet die systematisch in kaart brengt welke gevaren diverse klimaateffecten kunnen hebben op het Nederlandse monumentenbestand. Gedacht wordt aan 2050 .
Het persbericht van de TU Delft is te vinden op www.tudelft.nl/2020/bk/nederland-niet-voorbereid-op-bescherming-erfgoed-tegen-klimaatverandering .
Sandra Fatoric is de lead author en stond met een interview in de NRC van 12 april 2021 (zie www.nrc.nl/nieuws/2021/04/11/monumenten-gaan-lijden-onder-droogte-a4039318 ).

Fatoric (van oorsprong Sloveense, heeft ook in de VS gewerrkt) maakt zich zorgen over 63.389 Rijksmonumenten in Nederland. Het belangrijkste probleem is dat een nationaal beleid voor klimaataanpassing van cultureel erfgoed ontbreekt. Het Deltaprogramma noemt een aantal economisch belangrijke sectoren, maar daar hoort cultureel erfgoed dus niet bij. Terwijl dat erfgoed, behalve een ideële en sociale functie, ook economische voordelen heeft (bijvoorbeeld toerisme). Nederland is dus op dit moment niet in staat te zeggen wat men wil behouden en waarom, en wat men eventueel wil prijsgeven.

Fatoric analyseert het bestand aan de hand van de volgende gevaren:

  1. Overstroming vanuit de zee of de rivieren
    a)        omdat de dijken breken
    b)        de kans op lokale overstromingen
  2. Dat een stad onder water loopt door
    a)        extreme kortdurende regenval
    b)        dagen van intense regenval
    c)         bodemcompactie
  3. Droogte
    a)        vanwege aantasting van houten funderingen
    b)        door bodemdaling
  4. Warmte
    a)        Tropische dagen
    b)        de langste serie opeenvolgende dagen met een maximum T >= 25°C

Het voert te ver om alles te behandelen. Wat voorbeelden met relevantie voor Brabant.

Overstroming door het falen van primaire en regionale waterkeringen
Hieronder het aantal monumenten dat bedreigd wordt, per provincie, als de alleen primaire waterkeringen breken (kolom 1), als de alleen de regionale waterkeringen breken (kolom 2) en als de buitendijkse gebieden overstromen (kolom 3). Primaire waterkeringen liggen langs wateren die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat (de grote wateren in West-Brabant en de Maas), regionale waterkeringen zijn in beheer bij het waterschap (bijvoorbeeld langs de Dommel).
Je moet dit dus lezen als (voor Noord-Brabant): als de primaire waterkeringen breken, staan 2135 Brabantse monumenten met de voeten in het water (dat betreft 36% van alle Brabantse monumenten). Als alleen de regionale waterkeringen breken, staan 460 monumenten met de voeten in het water, en als alleen de buitendijkse gebieden onderlopen treft dat 387 monumenten.
Primaire waterkeringen hebben een faalkans van eens in de 1250 tot 10000 jaar. Regionale waterkeringen hebben een faalkans van eens in de 10 tot 1000 jaar.

Dit kan verder uitgesplitst worden per categorie. Onderstaande tabel doet dat voor het falen van de primaire waterkeringen (in Brabant dus bij elkaar 2135 monumenten):

De stad die onderloopt bij korte, hevige regenval
Fatoric ploegt zich op systematische wijze door de bedreigingen heen.
Hieronder als voorbeeld dat het aantal monumenten dat eens per 100 jaar resp. eens per 1000 jaar minstens 20 cm in het water staat:

Dus: in NB staan eens in de honderd jaar 558 monumenten minstens 20cm diep in het water door korte, heftige regenval.

Bodemdaling door droogte
Standaard wordt de bodemdaling in Nederland (tot 2050) als volgt ingeschat:

In Noord-Brabant betekent dat dat 45 monumenten naar schatting 20-40 cm zullen zakken (tot 2050), 32 monumenten 40-60 cm en 56 monumenten meer dan 60cm .
Bodemdaling door droogte is vooral een risico als dat ongelijkmatig gebeurt. Fatoric noemt in de NRC zelf de droogte als grootste probleem, maar dat is inclusief de (hier niet besproken) paalrot in houten funderingen,

Opnieuw ellende door klimaatversterkt noodweer, (on)verzekerde schade eerder hagelbombardement Luyksgestel

Leersum en Alkmaar op 18 juni 2021
In minder dan een minuut maakte een heftige windvlaag (mogelijk een downburst bij een heftig onweer) in Leersum op de Utrechtse Heuvelrug zes woningen onbewoonbaar, verwondde 9 mensen (van wie twee in een ziekenhuis moesten worden opgenomen), en beschadigde door ongewaaide bomen op zeven plaatsen de gasleiding.

Leersum, 18 juni 2021

Tegelijk zette het onweer grote delen van Alkmaar onder water. Onder een viaduct badende mensen waren te zien op het NOS-journaal. Dit hadden ze nog nooit meegemaakt, aldus buurtbewoners.
Zie https://nos.nl/video/2385674-waterballet-in-alkmaar .

Bliksemontladingen volgens het KNMI op 18 juni 2021

Ik leef met de slachtoffers mee, maar ik ga er niet meer van zeggen omdat ik slechts informatie uit de tweede hand heb en het buiten mijn focusgebied ligt.
Het is zeer waarschijnlijk dat de ongekende heftigheid een nieuw voorbeeld is van dat door de opwarming van het klimaat vaker de voedingsbodem gecreëerd wordt (in de vorm van warmere en vochtiger lucht) dan vroeger gebeurd.

Een terugblik op het hagelbombardement in Luyksgestel en Bergeijk
Het toeval wil dat net op de dag (19 juni 2021) dat de onweersgevolgen in Leersum en Alkmaar en Tiel in het Eindhovens Dagblad stonden, daar ook een lange reportage in stond die terugblikte op het beruchte hagelbombardement in Luygestel en Bergeijk. Dat was op 23 juni 2016.
Ik heb hier eerder over geschreven Klimaateffecten in Brabant 10 – de hagelstorm van 23 juni 2016 . De hagelstenen waren soms zo groot als tennisballen en ze gingen overal doorheen.

Herbouw van een dak in Luyksgestel, weken na het hagelbombardement

Zie https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/11605/pages/46 .

De verzekerde schade, schrijft het ED, bedroeg ruim €675 miljoen. “Maar“, zegt een woordvoerder van de verzekeraars in het artikel, “de totale schade was veel groter. Overheidseigendom telt niet mee en bij een storm als deze is er erg veel niet-verzekerde schade“.
Het bombardement duurde maar een paar minuten, maar het veranderde soms levens. Nog steeds slapen kinderen slecht bij onweer en kjken volwassenen bezorgd naar de lucht bij code geel of oranje van het KNMI.

Het artikel beschrijft Jan Martens uit Someren zijn boomkwekerij verloor – na wat omzwervingen heeft hij nu een groenservice. Verzekeringsgeld heeft hij nooit gehad.
De plantenkas van de familie Brugmans uit Bergeijk lag volledig in diggelen, waarna een half jaar touwtrekken met de verzekering volgde. Pas nu weer draait de zaak zoals voor het bombardement.
De familie Van Mierlo’s oude boerderij was dermate gehavend, dat de bouw van een nieuw huis nodig was. Hun verzekering werkte mee, maar er moest uiteindelijk toch nog drie ton bij. Tijdens de bouw van het nieuwe huis kampeerde de familie op de benedenverdieping van de oude boerderij, tussen de lekemmertjes en de zwammen op de muur.

Klimaatrampen hebben ook concrete sociale gevolgen op de korte termijn.

Burgemeester Arinda Callewaert van Bergeijk is nog steeds boos over het gebrek aan aandacht vanuit Den Haag voor de ramp “Al had premier Rutte of het ministerie destijds maar even gebeld. Maar het bleef stil vanuit de regering.

Zie voor verzekeringszaken ook nog Klimaateffecten in Brabant – 2: Tilburg en het noodweer van 28 juli 2014 – update dd 1okt2015 .

Milieudefensie organiseert “Van vervuiler naar formatie”.

Banner drop Vion Boxtel 10 juni 2021

OP donderdag 10 juni heeft Milieudefensie een actie georganiseerd, gericht op de kabinetsformatie (althans, de pogingen daartoe), om “het klimaat op 1 te zetten”. Daartoe moet de nieuwe regering er voor zorgen dat:

  • Nederland stoot in 2030 65% minder CO2 uit – en dat kan ook!
  • Nederland voert een eerlijke CO2-heffing in, zodat de vervuiler betaalt
  • Nederland maakt duurzame oplossingen bereikbaar voor iedereen

De actie had drie hoofdonderdelen (zie https://milieudefensie.nl/klimaatop1 ):

  • een paginagrote advertentie in enkele landelijke kranten, waarvoor ruim 3000 crowdfunders ruim 90 mille bijeen hadden gebracht;
  • een fietstocht naar Den Haag om daar te manifesteren met uitzicht op de formatie (meestal niet in één dag, overnachting geregeld);
  • een “banner drop” bij 10 bedrijven in Nederland . Dat is Greenpeace-Engels voor het ergens aan bevestigen van een spandoek.
De landelijke advertentie

De banner drop vond plaats bij één bedrijf in bijna elke provincie

  • Friesland Campina in Utrecht en Friesland
  • Vion in Noord-Brabant
  • De NAM in Drenthe
  • Yara Sluiskil in Zeeland
  • Shell in Zuid-Holland
  • Tata Steel in Noord Holland
  • Chemelot in Limburg
  • Lelystad Airport in Flevoland
  • Nobian in Overijssel
  • RWE in Groningen

Zie https://milieudefensie.nl/actueel/van-vervuiler-naar-formatie-zet-het-klimaat-op-1 .

De hier getoonde beelden zijn van de banner drop, om 06.30 uur, bij Vion in Boxtel. Daar was Milieudefensie Eindhoven bij betrokken.
Vion is veruit de grootste varkensslachterij van Nederland – er sterven 18000 varkens per dag. De fabriek heeft uiteraard zelf ook een klimaateffect, maar de meeste broeikasgassen komen vrij in de gehele veeteeltketen.

Banner drop Vion Boxtel 10 juni 2021_foto Willemieke Arts