Thom Aussems over het ruimtegebruik in de Brainportregio

Thom Aussems is de voormalig directeur van de Eindhovense woningbouwvereniging Trudo. Als zodanig was hij ook betrokken bij de herontwikkeling van het voormalige bedrijfsterrien van Philips, Strijp S.
Aussems is een toonaangevende opinion leader in Zuidoost-Brabant.

Luchtfoto van Strijp S in 1979 (voor de herontwikkeling)

In het Eindhovens Dagblad van 05 januari 2023 plaatste Aussems het eerste artikel van een drieluik over ruimtelijke en economische en sociale scenario’s voor de regio. Op 10 en 14 januari volgden de twee andere artikelen.
Ik neem deze drie betogen, met Aussems’ instemming, op deze site over.

Met het eerste artikel ben ik het eens. Dat sluit redelijk aan op de thematiek van deze site.

De materie in het tweede en derde artikel vind ik interessant genoeg om een expert als Aussems aan het woord te laten, maar ik weet van deze materie te weinig af om er zonder voorbehoud een mening over uit te spreken. Ik probeer me in mijn uitspraken te beperken tot waar ik voldoende van af weet – ik ben een voorzichtig mens.


Bliksemafleiden met een laser

Elke keer als er zich weer een duizendtal bezoekers bij mijn home page gemeld heeft, zet ik hier een artikel neer met een wat afwijkende thematiek. Af en toe wat anders. De 34000ste bezoeker is langs geweest, vandaar nu een artikel over het afvangen van bliksemschichten met een laserstraal die in de lucht schijnt.


Een groep Franse en Zwitserse geleerden is er, samen met het Duitse familiebedrijf TRUMPF Scientific Lasers, in geslaagd om een laserstraal als bliksemafleider te laten werken. Hoofdonderzoeker is Aurélien Houard van de Ecole Polytechnique in Parijs.

Het originele rapport is te vinden op https://www.nature.com/articles/s41566-022-01139-z .
Een verkorte versie is te vinden op doi: https://doi.org/10.1038/d41586-023-00080-7  .

De toren in kwestie (124m hoog) staat op de top van de Säntisberg in de Zwitserse Alpen (2502m hoog). Deze toren is ongeveer honderd keer per jaar de pineut.
Het probleem met gewone metalen bliksemafleiders is dat die een beperkte lengte hebben, en daarmee een beperkt gebied dat ze beschermen (de straal daarvan is grofweg de helft tot even groot als de bliksemafleider hoog is). Een laser kan logischerwijs een veel grotere hoogte halen, en bovendien schuin omhoog als dat moet.
Ze laten de bundel vlak langs de reguliere bliksemafleider van de toren scheren zodat die een bliksem in de laserbundel kan overnemen.  

De gebruikte laser was afgesteld op 1000 pulsen per seconde, 500mJ per puls, en een pulsduur van 7 ps (0,000000000007 sec). Gemiddeld is het outputvermogen dus 500W, maar het piekvermogen van één puls zit op ruim 70GW. Het inputvermogen van de constructie is overigens een stuk hoger (maar dat staat niet in het artikel) omdat lasers een zeer beperkt rendement hebben. Daarom moet er zeer veel meer vermogen in dan 500W die er als licht uitkomt – met een gewoon stopcontact red je dat niet.
De gebruikte laser kan overigens veel harder, maar dan straalt hij de spiegels van de gebruikte opstelling kapot.
Wie meer over de gebruikte laser wil vinden (maar dat is niet voor het algemene publiek) kan bij voetnoot 28 kijken ( https://opg.optica.org/oe/fulltext.cfm?uri=oe-28-20-30164&id=439952 ).

De spectaculairste foto is die op de Säntisberg, maar daar zit copyright op. De tweede link toont die foto.
Het originele artikel geeft ook interessante afbeeldingen. Onderstaande foto’s zijn gemaakt van genoemde toren op 24 juli 2021 vanaf twee andere bergen (de Schwaegalp (a) and Kronberg (b)).

De onderste foto is zonder laser dd 2 juli 2019, de bovenste foto is van genoemde toren op genoemde datum. Te zien is dat de bliksem omhoog gaat (dat doen ze daar bijna altijd) – onvertakt met laser, vertakt zonder laser.
Men kan de opstelling zo instellen dat de bliksem pas bijvoorbeeld 30m boven de toren begint.

Een mooi idee, maar een paar kleine probleempjes
Deze eerste proefopstelling is mooi, maar er zijn een paar kleine probleempjes die eerst moeten worden opgelost:

  • Tijdens de proef moest het vliegverkeer boven het gebied worden stilgelegd. Als er toch een vliegtuig aankwam, werd de laser automatisch uitgezet.
  • De constructie werd gebruikt gedurende ruim zes uur onweer, gespreid over 10 observatieweken, en ving in die periode vier flitsen weg in dat deel van die periode dat de laser geactiveerd was. (de foto’s komen van de tweede flits). Als de laser aan stond, ving hij bliksems weg, maar de toren kreeg minstens 12 flitsen binnen in de tijd dat de laser niet aanstond.
  • De constructie ontlaadt de onweersbui niet. Hij werkt niet preventief tegen bliksems. Hij doet pas wat als de bliksem er eenmaal is (dan stuurt hij die).
  • De constructie vraagt een gemiddeld ingangsvermogen dat ongeveer gelijk is aan tenminste dat van een heel blok woningen.

Kortom, het is een mooie proef om te laten zien wat je atmosferisch met  een laser kunt, maar de vraag is in hoeverre dit systeem een oplossing is die op zoek is naar een probleem. Voor gewone stadswijken heeft het geen zin en bovendien zijn die al behoorlijk goed tegen de bliksem beschermd met de oude vertrouwde Franklin-techniek.
Als men er iets mee wil, dan voor speciale situaties – schat ik in. Een communicatietoren hoog op een berg, of een raket op een lanceerplatform, of een kerncentrale, of zoiets.

En misschine dat omwonenden van Schiphol er blij mee zijn…..

Albert Heijn vermindert CO2-uitstoot over de keten met 45%

Milieudefensie bracht op 15 nov 2022 de volgende succesaankondiging. Die vindt plaats in het kader van de 29-bedrijvencampagne van Milieudefensie. Albert Heijn maakt deel uit van het Ahold Delhaizeconcern en dat is een van die 29 bedrijven. Het succes geldt alleen Albert Heijn.

Het is een fraai succes.

Zie AH vermindert ketenuitstoot CO2 met 45% tot 2030 .


Albert Heijn vermindert CO2-uitstoot met 45%

Goed nieuws! Albert Heijn wordt veel duurzamer. In 2030 is de CO2-uitstoot van de supermarkt 45% lager. Dit geldt voor de hele keten: van product tot schap. Klimaatactie heeft zin. Samen krijgen we grote vervuilers in beweging.

Het leek onmogelijk, en nu blijkt het toch te kunnen: als supermarkt je hele productieketen in beeld brengen én verduurzamen. Albert Heijn gaat doen wat nog geen enkele Nederlandse supermarkt heeft gedaan: de CO2-uitstoot van haar hele keten met bijna de helft verminderen. Dat maakte de supermarkt op 15 november bekend.

Het kan dus wél!

Sinds Milieudefensie eerder dit jaar Ahold Delhaize om een klimaatplan vroeg, is er heel wat gebeurd. In de eerste reactie zei het supermarktconcern nog dat het onmogelijk was om de hele keten in beeld te brengen. Maar binnen een jaar is alles anders: Albert Heijn zegt nu sterke verbeteringen aan te kunnen brengen in haar keten.

Nu het moederbedrijf Ahold Delhaize nog…

Onze druk op Ahold Delhaize heeft met deze mooie stap van Albert Heijn dus een eerste succes opgeleverd. Toch is het feest nog niet compleet, want de verduurzaming geldt nog niet voor het moederbedrijf Ahold Delhaize. Dit Nederlandse bedrijf is één van de grootste detailhandel-bedrijven ter wereld. Uit het vorige week gepubliceerde rapport van Profundo blijkt dat Ahold Delhaize als het zo doorgaat verantwoordelijk is voor 119 miljard euro aan klimaatschade in 2050. Ook toonde Profundo aan dat maar liefst 42% van de uitstoot in de keten uit dierlijke producten komt.

30 grote vervuilers

Behalve Ahold Delhaize richten we ons op 29 andere bedrijven. Shell is door de rechter verplicht tot 45% CO2-reductie in 2030, maar is in hoger beroep gegaan. 28 andere bedrijven scoorden net als Ahold Delhaize onvoldoende in de Klimaatcrisis-Index. Wij blijven daarom druk zetten op alle 30 grote vervuilers tot ze een goed klimaatplan hebben. Want alleen zo kunnen we de ergste klimaatrampen nog voorkomen.

Samen boekten we dit succes – jij kan meedoen

Dit is niet alleen de overwinning van Milieudefensie, maar ook van Milieudefensie Jong. En van Operatie Klimaat-groepen én tienduizenden veranderaars in heel Nederland. Samen zijn wij de meest invloedrijke klimaatorganisatie van dit moment. Want samen zijn we sterker dan de grote vervuilers en treuzelende politici. Samen veranderen we Nederland.

Labour wil publieke duurzame energie-maatschappij – maar eerst een analyse

Inleiding
Labour gaat in Groot-Britannië verkiezingen tegemoet. Tegenpartij de Tories heeft er in de afgelopen jaren een vreselijke puinzooi van gemaakt, maar een schets daarvan ligt te ver van de focus van deze site. Relevant in deze is dat de Tories een innige liefde hebben voor fossiele energie (zelfs schaliegas is in beeld) en een veel minder innige liefde voor hernieuwbare energie.

Verder staat, mede door de oorlog in de Oekraïne, het hele systeem van brandstofprijzen op zijn kop, tot groot nadeel van de bevolking.

Keir Starmer (Labourleider)

Het mag dan ook geen verbazing wekken dat de toekomst van de energie een heftig verkiezingsthema is. In dat verband heeft de Britse Labourleider Keir Starmer op een congres van zijn partij dd 27 september 2022 het voornemen aankondigde dat hij, mocht hij de baas worden – welke kans zeer reëel is – over wil gaan tot de oprichting van Great British Energy. Dat moet een publieke onderneming worden die de toekomstige opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit zon, wind en golfslag gaat betalen en beheren. In 2030 moet alle elektriciteit duurzaam opgewekt worden.
De redevoering  van Starmer is te vinden op https://labour.org.uk/press/keir-starmer-calls-for-new-national-champion-in-clean-energy-great-british-energy-with-a-mission-to-cut-bills-create-jobs-and-deliver-energy-independence/ .

Gelijktijdig met het Labourplan verscheen een analyse van de onafhankelijke denktank Common-Wealth (let op het streepje) met de titel “Power tot he People – The Case for a Publicly Owned Generation Company”. Dit is te vinden op https://www.common-wealth.co.uk/reports/power-to-the-people-the-case-for-a-publicly-owned-generation-company . De hier als eerste stap voorgestelde maatregel lijkt op wat Starmer zegt. In hoeverre er een oorzakelijk verband is (met Common-Wealth als zender en Starmer als ontvangen) is niet te achterhalen.

De redevoering van Starmer bevat, zoals een verkiezingsredevoering betaamt, veel grote woorden en weinig details. De analyse graaft veel dieper.
Vandaar dat ik de analyse als eerste behandel. De eerste twee afbeeldingen komen uit deze analyse.

Analysis by Adam Almeida and Chris Hayes. Source: Common Wealth calculation based on ownership data from the Crown Estate’s 2021 Offshore Wind Report; capacity is from 4C database, and the capacity factor data is from energynumbers.info
Source: Common Wealth calculation based on ownership data from the Crown Estate’s 2021 Offshore Wind Report; capacity is from 4C database, and the capacity factor data is from energynumbers.info

Power tot the People – The Case for a Publicly Owned Generation Company
De analyse begint met de observatie dat 44% van wat er nu staat aan offshore windturbines in de wateren rond Groot-Brittanië publiek eigendom is. Alleen, helaas, niet van Groot-Brittanië zelf maar van andere landen (zie hieronder). De rest is privaat eigendom.

Dit publieke deel is verdeeld over staatsondernemingen uit een aantal landen met Britse publieke eigenaren goed voor 0.03%. De bulk zit bij bij het Deense Ørsted (50.1% staat), het Noorse Statkraft (dat zich alleen met hernieuwbare energie bezighoudt), het Zweedse Vattenfall en het Franse EDF en een niet-benoemde Chinese partij (alle 100% staat).

Ongetwijfeld ziet een Nederlands lijstje er niet wezenlijk anders uit.

De Public Power Britain (PPB) die de analyse voorstelt, zou tot 2030 40 tot 50GW hernieuwbare energie moeten neerzetten over het hele spectrum aan bestaande en nieuwe technieken: wind op land (15GW)en op zee (10GW), getijde-energie (zie als voorbeeld bij Swansea http://www.tidallagoonpower.com/ en https://en.wikipedia.org/wiki/Tidal_Lagoon_Swansea_Bay  ), zon (10GW) en groene waterstof.

swansea tidal Lagoonpool (het verschil tussen eb en vloed is er 11m)

De voorgestelde PPB veronderstelt geen nationalisatie van wat er al is. De PPB wordt gewoon een nieuwe marktpartij die in staatshanden is, dus zoiets als de Britse Vattenfall of Statkraft.

De energie zou verkocht moeten worden via ‘Power Puchasing Agreements’ ( https://en.wikipedia.org/wiki/Power_purchase_agreement ) , wat betekent rechtstreeks van producent naar consument, buiten de markt om. Dan geldt de koppeling van de stroomprijs aan de hoogste fossiele prijs (zijnde gas) niet, en dat scheelt een hoop. Een schatting noemt een paar duizend pond per huishouden per jaar – als de hernieuwbare machines er eenmaal staan. Tot een bepaalde drempel zou elektriciteit zelfs gratis kunnen worden.

Een publieke opzet heeft, behalve genoemde goedkopere tarieven, ook als voordeel dat je tegen een lagere rente kunt lenen en kunt volstaan met een redelijke rentabiliteit, dat het helpt emissies te reduceren, dat je een industriepolitiek kunt opbouwen met bijbehorende werkgelegenheid, en dat je als land minder afhankelijk wordt van de gespannen geopolitiek van olieleverende landen (zelfs energie-export is denkbaar).
Negen van de tien toonaangevende landen in de energietransitie hebben een staatsonderneming.

windpark van Oersted

De redevoering van Starmer
Eigenlijk lijkt het voorstel van Starmer op een het PPB-plan in de analyse, maar dan zonder details en mogelijk afgezwakt. Strikt genomen zegt Starmer, voor wie de analyse gelezen heeft, niets nieuws.

Naast Starmer sprak ook schaduw-minister van Financiën Rachel Reeves, die een fonds van 8 miljard pond wil vormen voor aanvullende taken als batterijfabrieken en groene staalfabrieken.

Eventueel zou de opgedane kennis ene exportproduct kunnen worden.

De reacties op de redevoering van Starmer
Op de rede van Starmer volgden uiteraard reacties van rechts en links.

De industrie, voor zover geciteerd in de redelijke pers, was bepaald niet hysterisch en een deel was het er zelfs mee eens.

De reactie van links was kritischer, in de geest van ‘een stap vooruit, maar niet ver genoeg’.

De energiedenktank Ember ( https://ember-climate.org/ ) meent dat de vrije markt het niet redt. Er zwerft daar geld genoeg rond om heel veel wind- en zonneparken te bouwen, maar daar haal je, zegt CEO MacDonald, 70 tot 80% van de zero emissie-elektriciteit mee. Het resterende deel moet met moeilijker technieken als verbetering van het elektriciteitsnet, waterstof, kleine kernreactoren en koolstofafvang (CCS). Dat ziet hij de vrije markt nog niet doen.

De Green Alliance meent dat het doel van Starmer ambitieus, maar met bestaande techniek uitvoerbaar is.

In het blad Labourlist (onafhankelijk, steunt Labour maar niet kritiekloos) gaat Mary Robertson er met “Great British Energy falls far short of what the public and the planet need”  dieper op in ( https://labourlist.org/2022/09/great-british-energy-falls-far-short-of-what-the-public-and-the-planet-need/  ).
Robertson stelt dat Starmer de diepere oorzaken niet aanpakt, namelijk de nog van Thatcher geërfde energieprivatiseringen. De Great British Energy (GBE) wordt toegevoegd aan een markt die verder ongewijzigd blijft. Naar binnen toe is GBE publiek, maar naar buiten toe is het een marktpartij als alle andere staatsbedrijven.
De GBE is feitelijk een Elektriciteitsplan, geen Energieplan (elektriciteit is maar een beperkt deel van het totaal aan energie). Het gaat alleen over stroom en niet over gas, dat voor de woningverwarming zorgt.  Dat gas blijft privaat.  
Daarom doet  doet het plan op korte termijn niets tegen de energiearmoede.
Bovendien bestaat de energierekening voor huishoudens maar voor 51% uit de kosten van stroom en gas zelf. 11% gaat op aan het vastrecht voor de energieleverancier, en idem 18% aan de netbeheerders (die woekerwinsten maken). Die blijven, ook bij GBE, nog steeds privaat.
En die 8 miljard pond van Reeves is duidelijk te weinig – minder zelfs als Labourt in het verleden al eens genoemd heeft.

Als ik het even in mijn eigen woorden samenvat: Het Great British Energy-plan van Labour is noodzakelijk, maar niet voldoende.

Potentiele energie uit golfslag ( https://en.wikipedia.org/wiki/Wave_power )

Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam  kijkt terug op 50 jaar na de Club van Rome

In 1972 publiceerde de Club van Rome het fameuze rapport ‘Grenzen aan de Groei’ –  een gedachte die op dit moment uiterst actueel is. Je zou kunnen zeggen dat die basisgedachte nu echt uit begint te komen.

De 10de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) heeft er drie tentoonstellingen aan gewijd. Alle duren t/m 13 november en zijn dagelijks geopend van 12.00 – 19.00 uur (zaterdag starten ze een uurtje later). Het kost €5 (toegang tot alle drie) met soms korting.
De eerste is “IT’S ABOUT TIME” en de tweede het Ministerie van Maak!. Deze tentoonstellingen vinden plaats in de Ferro Dome (de voormalige gashouder) op het adres Keileweg 25.
De derde heet FUTURE GENERATION en vindt plaats in de Keilezaal op het adres Keilestraat 9.
(Let op het verschil tussen de Keileweg en de Keilestraat!).

Inlichtingen, tickets op https://www.architecturebiennalerotterdam2022.nl/nl .

Mijn  partner en ik zijn naar de Ferro Dome  geweest. Hieronder een pretentieloze impressie in zelf gemaakte foto’s.

Het is een apart pand.

IT’S ABOUT TIME heeft een dubbele aanpak.
Allereerst is er een tijdlijn met panelen vanaf 1046 tot nu (niet elk jaar, zwaartepunt jaren ’70). Die is informatief voor als je, als oudere, losgeraakt bent van je eigen geschiedenis (o ja!, had ik regelmatig ookDe andere aanpak ) , en als jongere als je die geschiedenis niet hebt.

De andere aanpak is dat een heleboel bureau’s en instellingen, zowel publiek als privaat, een stuk wand of tafel gekregen hebben om uit te leggen waar ze mee bezig zijn. De nummering loopt tot 77, dus ik kan er maar een paar uitlichten.

“Architectuur” is hier ruim opgevat. Doel of middel gaan over klimaat, circulariteit, footprint, landschap, koolstof etc.


Marco Vermeulen, die uit Eindhoven komt en nu een bureau in Rotterdan heeft,  met de Zonneroute A37 van Hoogeveen (in Drente) naar de Duitse grens. Zie https://www.provincie.drenthe.nl/onderwerpen/natuur-milieu/diversen/drentse-zonneroute-a37/ . Op die 42 km kan potentieel 200MWpiek zonnestroom komen, bij een goede landschappelijke inpassing. OP de Biennale een visualisatie van het project.
Marco heeft trouwens op de middelbare school (indertijd het Eindhovense Bisschop Bekkers College) bij mij natuurkunde geleerd. Leuk om je leerlingen van destijds zo succesvol terug te zien.

A37 Hoogeveen-Duitse grens

Kongjian Yu is een bekende Chinese landschapsarchitect en ontwerper van het ”Sponge City” concept. Zijn bureau heet Turenscape.
Aanvankelijk kreeg hij in staal-en-beton-China geen poot aan de grond, maar nadat er bij een overstroning in Bejing in 2013 79 mensen waren verdronken, flipte het standpunt van de Chinere regering om naar waterbeheersing met de natuur en niet tegen de natuur.
Je kunt een boek van hem kopen op https://www.urpub.org/books/kongjianyu en op https://www.maxborka.com/mapping-the-design-world/red-ribbon-park/ zijn prijswinnende Red Ribbon Park-ontwerp.
Hieronder twee foto’s van presentaties op de Biennale. Er stond niet bij waar het was.


Ik heb staan kijken bij de stand van Kraaijvangers Architects. Dat ging onder andere over de bouw van een van de grootste waterstoffabrieken ter wereld op de Tweede Maasvlakte, via elektrolyse op basis van windenergie. Helaas stond er geen makkelijk fotografeerbaar object bij, dus heb ik dat maar van https://www.kraaijvanger.nl/en/projects/holland-hydrogen-1/ gehaald.

Groene waterstoffabriek Tweede Maasvlakte

Het gebouw moet het omringende landschap versterken en een positieve footprint krijgen.


Het PBL hing aan de wand (zie https://www.bjmgerard.nl/grote-opgaven-in-een-beperkte-ruimte/ ), Wageningen alsmede het particuliere bureau KuiperCompagnons ( https://www.kuipercompagnons.nl/nl/projecten/nl_2121_land_met_een_plan/ ). Ze geven allemaal mooie plaatjes, maar teveel om allemaal af te drukken. Het loont om op hun sites te kijken.

Ik kies die van Wageningen, niet mijn technisch beperkte foto maar het origineel van dezelfde kaart die je kunt downloaden op https://www.wur.nl/nl/dossiers/dossier/nederland-in-2120.htm . Ziet er netter uit.


En, er stond ook een stand met museummateriaal van XR. De club bestaat inmiddels zo lang dat er een bonte verzameling oude en nieuwe attributen ligt. Een foto van de voor- en de achterkant.


Het Ministerie van Maak!
In een aangrenzende zaal word je eerst geconfronteerd met een fictieve redevoering van minister Hugo de Jong tijdens een persconferentie, waar ook aanwezig de ministers of staatssecretarissen Harbers en Heijnen (beide I&W), Jetten (klimaat en Energie), Van der Wal-Zeggelink (Natuur en stikstof) en Schouten (Armoede, Participatie en pensioenen).
Overigens subsidieert het kabinet dit initiatief, evenals enkele sponsors. Zoiets heet ‘de eigen tegenspraak organiseren’. Altijd een verstandig idee.

Zie ook https://www.ministerievanmaak.nl/1-10-000 .

Test-kit

Hugo de Jonge neemt het woord namens bovenstaande aanwezigen.

Landgenoten

De ruimtelijke staat van ons land bevindt zich op een kritiek moment. Het woningtekort, de consequenties van de klimaatverandering, de voorziene bodemdaling, de stikstofcrisis, de energietransitie. We kunnen niet langer toekijken. Niet weer naar de vergadertafels. Samen met mijn collega’s beseffen we dat we ons de luxe van bestuurlijke lagen niet langer kunnen permitteren. Daarom vormden we een nieuw inter-ministerie, het Ministerie van Maak!

Maken, Maak, Maakbaarheidis iets waar we lange tijd in geloofden, zeker een paar eeuwen. Het hoofd in de wolken, de voeten in de klei. Deltawerken, dijken, polders, u kent ze. We bepaalden zelf ons eigen lot. We dachten er ook goed in te zijn, zeker tot ergens in de jaren ’70. We raakten het kwijt omdat het niet altijd leverde wat we hoopten. En we moeten eerlijk zijn: er werden fouten gemaakt. Al die vreselijke bedrijventerreinen, uitgekauwde winkelcentra, saaie slaapbuurtjes. Maakbaarheid werd als naief bestempeld. De markt zou het toch veel beter weten, beloofden we toen. Dat viel ook weer tegen.

De roep om een overheid die het toch weer moet doen is luid. We hebben naar jullie geluisterd. We willen dan ook niet in blinde paniek onze mooie weilanden volgooien met lelijke containerbuurten. We vliegen deze crisis aan met lering uit de bestrijding van het Covid-19 virus en kiezen voor een slimmere aanpak. We noemen het Operatie 100a*10k = 1 miljoen woningen. (Of we echt 1 miljoen woningen nodig hebben, daar kunnen we het over hebben.)

We hebben 100 architecten die in Nederland werken gevraagd om ieder 10.000 woningen te plannen op een zelfgekozen plek in het land. We vroegen hen rekening te houden met de gevolgen van klimaatverandering, bodemdaling en mobiliteit. Verder waren ze vrij om te doen en laten wat ze wilden. Ze kregen van ons een test-kit met de basis-ingrediënten om een maquette te maken en ruimte om uit te leggen wat ze vinden. De resultaten worden door het Ministerie bekeken, bergeleken en waar mogelijk ook ondersteund om echt te gaan maken. Jeetje. Maken. Mijn handen jeuken, jongens.

Hoogachtend, de minister.

Het is jammer dat de redevoering fictief is.

De 100 architecten hebben elk een plek gekregen in een grote zaal en samen vormt dat ene plattegrond van Nederland.

Bij elk vierkantje hoort een korte projectcodering.
Op https://www.ministerievanmaak.nl/geselecteerde-teams staan alle 100 teams.
Bij bijvoorbeeld het Eindhovense project Sectie-C (nabij De Geestenberg, code O10) bestaat het team uit Anne Ligtenberg & Mats Horbach. Hun persoonlijke pagina kan worden aangeklikt en dat geeft https://www.ministerievanmaak.nl/geselecteerde-teams/sectie-c .
Er verschijnt een traag soort tekstpresentatie, waarin veel overwegingen en als enige duidelijke kwantitatieve uitspraak dat je daar geen 10.000 woningen kwijt raakt. Hier koop je niet heel veel voor.

Benieuwd hoe dit verder loopt.

Eindhoven redelijke middelmaat in duurzaamheidsrapport PON-TELOS, Helmond slecht

PON & TELOS
PON heette vroeger Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant. TELOS is van huis uit een kenniscentrum, verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Beide zijn gefuseerd tot een kennisinstituut dat vooral voor lokale en regionale overheden in Nederland werkt, maar ook voor corporaties, banken, zorg- en welzijnsinstellingen, fondsen en maatschappelijke organisaties. PON&TELOS is partner van de Tilburgse universiteit. Zie https://hetpon-telos.nl/ .

De Nationale Monitor Duurzame Gemeenten – de methode
PON&TELOS doet onderzoeken en geeft, gevraagd en ongevraagd, advies. In die hoedanigheid wordt vanaf 2014 jaarlijks de Nationale Monitor Duurzame Gemeenten uitgebracht. In januari 2022 is de monitor over 2021 uitgebracht. Die omvat een onderzoeksverantwoording, een fact sheet van 137 indicatoren, een uitleggend magazine-artikel en een ranking  van alle 352 Nederlandse gemeenten.
De documentatie is te vinden op https://hetpon-telos.nl/portfolio/nationale-monitor-duurzame-gemeenten/ .

“Duurzaamheid” is inmiddels een veel misbruikt containerwoord. Het wordt gebruikt om vaan alles en nog wat te bewijzen, ook het tegendeel. Ik gebruik het zelf zo weinig mogelijk, maar PON&TELOS moet het wel gebruiken en geeft daarom een definitie en methodebeschrijving, die echter af en toe een slordigheidje bevat en essentiële onderdelen niet benoemt (die wel bestaan).

PON&TELOS gaat uit van de oorspronkelijke Brundtland-definitie ‘Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien te beperken.’  Dat wordt vertaald in de trits people, planet, profit, in de Monitor vertaald met de synoniemen Sociaal-cultureel kapitaal, Ecologisch kapitaal en Economisch kapitaal.

Per kapitaal zijn ‘voorraden’ of ‘thema’s’ gedefnieerd (zie boven), in totaal 22.
Aan elk thema zijn doelen en indicatoren gekoppeld, bij elkaar 137. Dat is teveel om hier op te sommen.  Ik geef één van de 137 als voorbeeld, horend bij thema Ecologisch kapitaal – bodem. Daarbij horen vijf indicatoren, waarvan dit de derde is. Deze indicator telt voor 1/3de deel mee in de eindscore van dit betreffende thema.

De normen hebben de omschrijving (van rood naar goud) “onacceptabel, directe ingreep gewenst”, “ maatschappelijke grens, behoefte aan directe aandacht”, “acceptabel, doel op korte termijn bereikt” en “optimaal, doel op lange termijn bereikt”.
Wat stelselmatig ontbreekt is een beschrijving hoe deze kwalitatieve oordelen in een puntensysteem vertaald worden. Met andere woorden, hoe uit een heleboel van dit soort oordelen uiteindelijk een waarde 53,3 komt (de waarde voor het Ecologisch kapitaal voor de gemeente Eindhoven).
Dus op onbekende wijze leiden de bij Maatschappelijke participatie t/m Wonen horende indicatoren tot een waarde voor het sociaal-culturele kapitaal. Idem die bij Wonen t/m Afval- en grondstoffen tot een waarde voor het Ecologisch kapitaal, en idem Arbeid t/m Infrastructuur-bereikbaarheid tot een waarde voor het Economisch kapitaal.
Je krijgt zodoende drie verzamelwaardes en die worden opgeteld en gedeeld door 3 – dat staat er overigens niet bij, maar ligt voor de hand en blijkt te kloppen -, en dat geeft de totaalscore (bij Eindhoven 54,2), Vervolgens krijgen alle 352 gemeentes een ranking volgens deze totaalscore.

De verzamelwaardes (dus 54,2) zijn op een schaal van 100 (je moet even zoeken voor je dat vindt). Honderd is de hemel en 0 is de hel.

Als extraatje zijn enkele deelgroepen afgezonderd, bijvoorbeeld de deelgroep van 32 grootste gemeenten. Je kunt de ranking krijgen van je gemeente binnen die deelgroep (bijvoorbeeld Eindhoven heeft de ranking 9 op de 32 – 1 is het beste, 32 is het slechtste.

Dit is wat je krijgt als je als privépersoon de resultaten van je gemeente opvraagt (dat moet per mail en kost niets). Ik heb die van Eindhoven opgevraagd.

De score per indicator, of eventueel de score per thema, wordt niet vermeld. Men kan bij  PON & TELOS een gemeentelijk duurzaamheidsportret vragen (https://hetpon-telos.nl/wat-we-doen/duurzaamheidsportret/ ). Daarin zouden al die tussenresultaten wel vermeld staan. De condities hiervoor worden niet vermeld.

De Nationale Monitor Duurzame Gemeenten – resultaten in bredere zin
Het is interessant om met de gegevens van de 352 Nederlandse gemeenten te spelen. E nationale lijst geeft op sobere wijze het grootste deel van de relevante informatie. Het overzicht per gemeente geeft aanvullende toeters en bellen.
Eerst de landelijke resultaten, in kaart gebracht. De grote steden doen het in verhouding slecht (veel sociale problematiek) en er is een soms een periferie-effect, zoals in de arme oost-Groningse gemeentes, Limburg en delen van Zeeland.
De periferiegemeente Dinkelland (het voormalige Ootmarsum – waar ik woonde in mijn  middelbare schooltijd -, Denekamp en Weerselo) scoort met 58,3 het beste – het periferie-effect is niet absoluut.

Als 58,3 de hoogste score is, dan is er in heel Nederland nog veel te doen.

Hierboven de top-10  van de 32 grootste gemeenten (met de eerder genoemde 9de plaats van Eindhoven). Blijkbaar helpt een universiteit.
Een grote omvang van een gemeente is dus geen noodlot. Utrecht is een stuk groter dan Eindhoven en heeft ook veel oude wijken en sociale problematiek, en doet het op duurzaamheidsgebied beter.
Eindhoven schept meer op met de eigen voortreffelijkheid dan objectief gerechtvaardigd is. “Redelijke middelmaat” is een betere aanduiding.

Tenslotte nog een selectie van alle gemeenten uit het MRE-gebied. Dat geeft het onderstaande (de + of – betekent dat de ranking t.o.v. een jaar eerder gestegen of gedaald is):

Er vallen wat zaken op.
Eerstens de slechte positie van Helmond op alle drie de kapitalen (totaal 330ste van de 352). Vanuit duurzaamheidsoverwegingen is Helmond een rampgebied dat hoognodig aanpak vraagt.
Tweedens valt de goede positie van Heeze-Leende op.
Derdens dat de scores dichter bij elkaar liggen dan de rankings. Kleine scoreverschillen leiden soms tot grote rankingsverschillen.
Ten vierde dat als dit een schoolrapport was, slechts bij 3 van de 21 gemeenten het Sociaal-culturele kapitaal omhoog krap op een 6 zou worden afgerond, bij het ecologisch kapitaal 7 van de 21, en bij het Economisch kapitaal 12 van de 21. Er is weinig reden tot triomfalisme.
Tenslotte (maar dat is bij gebrek aan uitsplitsing speculatief) meen ik er de milieueffecten van de veeteelt en het vliegveld in te zien.

De laatste grafiek geeft een indruk van de score (nationaal gemiddeld) van de drie kapitalen door de jaren heen.
In aanmerking genomen dat de schaal tot 100 loopt, is er nog veel te doen.

Klimaat- en milieuparagraaf in Eindhovens bestuursakkoord intentie redelijk tot goed, uitwerking soms onduidelijk

De  aanleiding
De Eindhovense lokale omroep Studio040 vroeg mij om namens Milieudefensie te reageren op het bestuursakkoord onder het nieuwe Eindhovense College van B&W. Dit voor zover het op ons gebied klimaat-energie-milieu lag.
Ik ben niet meer in de gelegenheid geweest om de inhoud van mijn reactie met Milieudefensie Eindhoven af te stemmen. Onderstaande tekst is op persoonlijke titel.

Het nieuwe akkoord is te vinden op https://www.eindhoven.nl/bestuur-en-beleid/bestuur/college-van-burgemeester-en-wethouders . Daar staan ook de nieuwe wethouders. Groen Links is de sterkste partij.

Het moest op de TV en dan maar op locatie, en een goede locatie voor dit werkgebied is het grote industrieterrein De Hurk. Afgesproken op de kanaalbrug in de Dillenburgstraat, met de betoncentrale Mebin pontificaal op de achtergrond (en de asfaltcentrale verderop).

Het Eindhovense industrieterrein De Hurk

De Hurk
Eerst  maar even De Hurk zelf eruit gelicht (https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Hurk/Croy) . De Hurk is een groot bedrijventerrein voor zware industrie, waarop enkele gevaarlijke of overlastgevende bedrijven met woonwijken er dicht op. De toekomst van De Hurk was een belangrijk item in de gemeenteraadsverkiezingen en met name Groen Links tamboreerde erop los met dat De Hurk geheel of gedeeltelijk weg moest, ten gunste van een woonbestemming. Ik heb dat nooit zien zitten, omdat dat honderden miljoenen aan uitkoopkosten zou betekenen en het terrein onmisbaar is.
Mijns inziens moest men zich beperken tot aangescherpte vergunningen voor enkele, met name te noemen, overlast gevende bedrijven en was daarvoor technisch veel ruimte.

Precies dat is er nu uitgekomen. De Hurk blijft gewoon bestaan, er wordt gekeken naar een betere omgevingskwaliteit en de vijf meest overlastgevende bedrijven gaat het nieuwe College in gesprek: de diervoederbedrijven Sonac en ABZ Diervoeding, en de asfaltcentrale van KWS Infra, de elektronicarecycler Mirec en de metalenrecycler HKS. Zie elders op deze site voor nadere informatie.

Ik zou het ook zo gedaan hebben.

Goede intenties
Het nieuwe bestuursakkoord heeft een aantal goede intenties waarin Milieudefensie Eindhoven regelmatig eerdere standpunten herkent. Puntsgewijs de belangrijkste met wat commentaar erbij

  • Als Europese Climate Smart City wil Eindhoven in 2030 klimaatneutraal zijn.
    Tegelijk figureert de meer traditionele doelstelling van 55% minder broeikasgassen  in 2030 en 95% minder in 2050.
    Hoe deze doelstellingen zich onderling verhouden, wordt niet goed uitgelegd.
  • De regio moet een kraamkamer zijn van innovatie. Dat is op zich waar, hoewle het argument zo vaak gebruikt is dat het inmiddels een soort rituele bezwering geworden is
  • Men heeft oog voor energiearmoede
  • Er is een ambitieus warmteprogramma met een gebiedsgerichte wijze van werken in woongebieden
  • De organisatie van het verkeer (inclusief de distributie van goederen)van, naar en binnen het gebied binnen de Ring is in principe goed.
  • Er is een goede fietsparagraaf
  • Het standpunt m.b.t. Eindhoven Airport lijkt goed, maar is zo omzichtig geformuleerd dat er ruimte voor interpretatie is
  • Er is goede aandacht voor luchtkwaliteit
  • Met een sloopregeling voor  tweetakt brommers
  • En een plan om voor elke nieuwe inwoner een nieuwe boom te planten

Onduidelijke onderwerpen
Het akkoord heeft nogal wat passages met open eindjes. Weer puntsgewijs;

  • De toekomst van de grootschalige bouwplannen bij het station, en vervolgens de effecten daarvan, zijn nog zo onzeker dat Mileudefensie zich niet aan een uitspraak waagt.
  • De passage over het verkeer aan de Noordoostkant van Eindhoven is cryptisch. Enerzijds is er te weinig  draagvlak voor de Ruit om Eindhoven zoals vroeger beoogd (en dat is mooi – en bovendien is het geld ervoor inmiddels anders besteed). Anderzijds is er sprake van nieuwe infrastructuur op, rond of onder bestaande tracé’s met ook voor natuurwaarden.
    Waakzaamheid lijkt op zijn plaats.
Het gum-de-ruit bord mag weg (foto van de Stuit-de-Ruit site)
  • De gemeente wil onderzoeken of het warmtebedrijf doorontwikkeld kan worden tot een (regionaal) energiebedrijf.
    Vooropgesteld  zij dat ik ideologisch vind dat de energievoorziening in overheidshanden hoort, want strategisch onmisbaar.
    Praktisch, maar ook ideologisch, zie ik nogal wat haken en ogen, bijvoorbeeld vanwege de positie van Ennatuurlijk. Ennatuurlijk is voor 80% van pensioenfonds PGGM (en voor 20% van Veolia), zie https://www.bjmgerard.nl/sp-discussieert-met-ennatuurlijk-over-publiek-privaat-en-warmte/ , Men kan een ideologische discussie opzetten in hoeverre men een pensioenfonds publiek vindt, en vervolgens een praktische discussie hoe Ennatuurlijk en een eventueel gemeentelijk warmtebedrijf zich verhouden. “Is this town big enough for both of us to stay?” om met een Western te spreken. Gaan beide concurreren, gaan ze elkaars deskundigen wegkopen (een warmtebedrijf vraagt nogal wat specifieke deskundigheid), sluiten ze een overeenkomst en zo ja, wat voor een?
    En waarom wil de gemeente zo graag een eigen warmtebedrijf en niet bijvoorbeeld een eigen opwekkingsbedrijf, zoals in de regio Tilburg? ( https://www.bjmgerard.nl/regio-hart-van-brabant-werkt-aan-regionaal-publiek-ontwikkelbedrijf-voor-wind-en-zonneparken/ ).
    En hoe moet het financieel?
    Als ik de gemeente Eindhoven was, zou ik een en ander goed overwegen en eerst een betrouwbaar businessplan maken, bij voorkeur in overleg met Ennatuurlijk.
  • Zaken als geothermie en aquathermie komen amper respectievelijk niet aan de orde
Buffervaten van de biomassacentrale van Ennatuurlijk op Strijp S
  • Volgens mij is er beperkt ruimte voor het stoken van afvalhout met een aanvaardbare herkomst en hoeft dit niet uitgefaseerd te worden. Ik deel hier de gangbare meningen niet. Als de politieke verhoudingen (die er tot nu toe niet in geslaagd zijn aan te geven waar de warmte dan wel vandaan moet komen) desalniettemin een dergelijke uitfasering dicteren, dan met een lange overgangstermijn.
    Het is mij geheel onduidelijk hoe men de uitfasering van biomassa in Eindhoven denkt op te vangen.
  • Het is afwachten hoe de intentie om klimaatdeals te sluiten met bedrijven, of eventueel het afdwingen van wettelijke eisen, vorm gaat krijgen.
  • Het is een goede zaak om afspraken te maken over energie en circulariteit op bedrijventerreinen, maar ook daar bestaan vele uitvoeringsvragen. Gaat bijvoorbeeld de gemeente het bestuur van bedrijventerreinen zelf uitvoeren, of krijgt het parkmanagement meer rechten en plichten? En wat als er een onrendabele top op zit?
  • Er staat in het bestuursakkoord niets over het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP). Voor de klimaatadaptatie van Eindhoven is omgang met heftige regenval essentieel. Bekend is dat er te weinig geld in het GRP zit. Komen er in de komende periode aanpassingen aan het GRP?

Onvoldoende
Een paar zaken staan onvoldoende in het Bestuursakkoord. Weer puntsgewijs.

  • De opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit wind en zon wordt in het Bestuursakkoord al bij voorbaat aan veel te beperkte banden gelegd. Uit allerlei berekeningen blijkt (o.a. in de eigen nota Zonneparken en windturbines in Eindhoven, maar ook uit de recente potentieelstudie naar zonne-energie) dat men met alleen maar zon op daken en ‘rommelgronden’, zoals het Bestuursakkoord wil, niet in de buurt komt van wat nodig is.  Je kunt niet met droge ogen zeggen dat je in 2030 klimaatneutraal wilt zijn en tegelijk de maatregelen verbieden die daarvoor nodig zijn.
    Zie https://www.bjmgerard.nl/zon-en-wind-in-eindhoven-het-valt-zwaar-tegen/ en https://www.bjmgerard.nl/waarom-je-met-alleen-zonnepanelen-op-het-dak-niet-genoeg-kunt-en-waarom-je-ook-wind-en-zonneparken-nodig-hebt/ .
  • Het elektriciteitsnet in Eindhoven komt onvoldoende  aan  de orde
  • De passage over circulaire economie en afval is te vaag en te inhoudsloos, waarbij ter verontschuldiging van de gemeente gezegd moet worden dat het landelijke beleid niet beter is
  • Meer specifiek vind ik het een gemiste kans dat het Akkoord geen waardering uitspreekt voor recyclingbedrijven. Overigens staat Eindhoven daar niet alleen in.
    Recyclingbedrijven (specifiek die op De Hurk) zijn in het Akkoord vooral een bron van ellende. Nu is dat gevoel niet geheel zonder reden, maar een Akkoord dat circulariteit wil, zou mogen uitspreken dat recyclingbedrijven een strategisch onmisbare sector zijn.
Aan het werk bij Mirec

Voorstellen
Ik doe het College enkele voorstellen aan de hand die niet in het Bestuursakkoord staan, maar er wel een goede invulling van zouden zijn.

  • Start een publiek aangestuurde campagne voor energieopslag in het Brainportgebied die zo groot is, dat hij schaal- en leervoordelen krijgt en mogelijk ene begin van standaardisering.
    Als Eindhoven (bijvoorbeeld) tot 2040 40.000 nieuwe woningen krijgt, zie dat dan als een kans om 40.000 accu’s voor statische toepassingen weg te zetten en een heleboel warmteopslageenheden op wijkniveau. Treed daadwerkelijk als launching customer op, zoals het Bestuursakkoord meldt. Zie https://www.bjmgerard.nl/voorstel-tot-campagne-energieopslag-in-mre-gebied/ . Maak dit tot basis van industriepolitiek in Brainport.
  • Voer het plan-Rovers uit (18hectare PV-paneel en 18 hectare nieuwe natuur aan weerszijden van de Kleine Dommel). Zie https://www.bjmgerard.nl/combiplan-nieuwe-natuur-en-zonneveld-in-eindhoven-en-nuenen/ .
  • Vergroen de installaties, de bedrijfsvoering en de catering het FC Eindhoven-stadion en wend de gemeentelijke invloed aan om bij PSV hetzelfde te bereiken
  • Kom met een strategisch en toekomstgericht plan voor de verbreding en verbetering van de recyclingsector in de regio, o.a. ten behoeve van nieuwe apparaten als windturbines en zonnepanelen. Zie Recycling van zonnepanelen op komst .
  • Kijk eens opnieuw in hoeverre het Gemeentelijk Riolerings Plan nog voldoende is.
Schets van zonnevelden in het Plan-Rovers

De Belgische non ferro – raffinage (met uitlopers in ZO Brabant)

Vooraf
Lang voordat ik met deze blog begon (dat was januari 2015) hield ik me onder meer bezig met milieukwesties rondom de non ferro-bedrijvigheid in Maarheeze en Budel, die men kan zien als een uitloper van een veel groter geheel in Belgisch Limburg. Toen ik in 1990 voor de SP in de Eindhovense gemeenteraad kwam, is de aandacht verwaterd, maar ik heb er archieven over bijgehouden.

Het onderwerp kwam weer op de agenda omdat de KU Leuven, in opdracht van de Europese brancheorganisatie voor de non ferro-sector Eurometaux, in april 2022 een studie uitbracht naar de noodzaak van diverse metalen om vorm te geven aan de zich ontplooiende hernieuwbare energie-opwekking, de beschikbaarheid van de ertsen en de daaruit na raffinage te winnen metalen, en de rol  van recycling daarbinnen. Dit is een belangwekkende studie.
Het onderwerp heeft een directe band met de regionale non ferro,  die in feite al met dit onderwerp bezig was voor toepassingen die ook al vóór de energietransitie van belang waren.
Ik ga over het Leuvense rapport zeer binnenkort een apart vervolgartikel schrijven.

Op zoek naar materiaal stuitte ik op een artikel uit Het Nieuwsblad van 18 juni 2021, waarin de geschiedenis nog eens dunnetjes overgedaan werd. Ik raad lezing aan op Deze streek was jarenlang de speeltuin voor de meest vervuilende industrie, en de gevolgen dragen ze nog steeds . Mocht de link  niet werken, dan

Overpelt fabriek, interieur (uit http://www.overpeltfabriek.be/ ), nu Nyrstar

Geschiedenis
De metalenraffinage in Belgisch Limburg en in Budel (zink) heeft een ruige geschiedenis.

De nijverheid ontstond omdat België de Kongo (tegenwoordig de Demokratische Republiek Zaïre) als kolonie had. Het optreden van België aldaar heeft een nog ruigere geschiedenis, maar dat is een ander verhaal.
In dit verband is van belang dat de Kongo (om kortheidshalve de oude naam te blijven gebruiken) een enorm rijk delfstoffengebied was en is. Het uranium bijvoorbeeld voor de kernwapens op  Japan komt uit de Kongo.
De Belgen hadden een gebied nodig om alle Kongolese ertsen te verwerken (‘raffineren’) en kozen daarvoor de arme zandgronden van Belgisch Limburg, waar verder toch niet veel aan te verdienen was en waar maar weinig mensen woonden. We spreken over eind 19de eeuw.

Zo ontstonden de zinkfabriek in Neerpelt en Overpelt, die de bodem in de omgeving dermate vervuilden met zink en cadmium (verhouding ca 200:1) dat de Dommel die er doorheen stroomt niet schoon te krijgen was. Inmiddels is het Nederlandse deel van de Dommel gesaneerd, maar om herbesmetting te voorkomen ligt er bij de Eindhovense wijk De Hanevoet nog steeds een zandvang die met regelmaat uitgebaggerd moet worden.

Zo kwam er – onder andere – een arsenicumfabriek in Reppel (1897-1970, sloop en sanering getraineerd tot 1999, https://nl.wikipedia.org/wiki/Arsenicumfabriek ), een kwikfabriek in Tessenderlo ( https://www.standaard.be/cnt/dmf20190327_04285000 ), een radiumfabriek in Olen ( https://fanc.fgov.be/nl/dossiers/radioactiviteit-het-leefmilieu/verontreinigde-sites/historische-radiologische ), en schootverwerking in Genk.

August De Winne:
De arbeiders! Ziet ge, na ’t dagelijksch werk, op den steenweg voorbijgaan, mager, bleek, ontvleeschd, met hoofden als van dooden! Het zijn als zwervende lijken. Men telt er geen ouderlingen onder. Na tien of twaalf jaren in de fabriek gewroet te hebben is hun organisme geknakt. Op veertigjarigen ouderdom zijn het afgeleefde wezens, onbekwaam tot den minst vermoeiende arbeid. Zij zijn versleten, ten einde, en hunne mannelijke kracht zowel als hun geestvermogen verwelken.

Via de Waalse familie D’Or ontstond er in Budel (vandaar Dorplein) een zinkraffinagebedrijf, nu Nyrstar geheten, welk concern sinds enkele jaren in handen is van het scandaleuze Trafigura. Hierover staat op deze site al meer, zie https://www.bjmgerard.nl/trafigura-en-de-zinkfabriek-formeel-geen-probleem-maar-het-voelt-niet-lekker/ en https://www.bjmgerard.nl/co2-prijs-onder-het-eu-ets-schiet-door-de-e50-per-ton/ .

Nyrstar_foto bgerard, ook wel de zinkfabriek in Budel

Gezondheidsonderzoeken in de Nederlandse grensstreek
In de jaren ’80 van de vorige eeuw was er in de grensstreek veel zorg over gezondheidseffecten van de non ferro-industrie van eigen Budelse bodem, en van over de grens waaiende effecten.

In Budel is in 1979 bloed onderzocht bij kinderen op lood (loodvergiftiging was in de beginjaren een beroepsziekte onder arbeiders). Kinderen zijn gevoeliger voor lood.
De provincie heeft in 1984 in Luyksgestel bevolkingsonderzoek laten doen op cadmium (een giftig en kankerverwekkend materiaal dat nieren en botten aantast).
In alle gevallen was de conclusie dat er beginnende medische effecten te zien waren, maar niet in die mate dat je er ziek van werd. Er kwamen wel eetadviezen en beperkingen aan de landbouw.

Winsemius en Braks stuurden op 09 mei 1984 de notitie “Cadmium in het milieu” naar de Tweede Kamer.

Belgische taferelen
In België, waar, zoals iemand het uitdrukte, het halve periodiek systeem door de lucht vloog, was de situatie veel erger. De eet- en drinkadviezen (uit eigen put, niet overal was waterleiding) waren veel indringender .

De Belgische Partij van de Arbeid (PvdA) runde een huisartsenpraktijk in Lommel, die zich sterk met deze materie bezig hield.
Ik heb in 1984, vanuit de Eindhovense SP, een openbare avond in Weert belegd waar ik een van de huisartsen van die praktijk, Staf Hendrickx, te spreken had gevraagd. Ik heb er voor het blad van de SP, de Tribune (van 13 april 1984) een artikel over geschreven “Over de grens begint de Sahara” dat men hieronder kan vinden.
Het heette ‘De Sahara’ omdat er door de vervuiling geen planten meer konden groeien en het zand begon te stuiven.

De Tribune 13 april 1984

Saneringsoperatie
Uiteindelijk was er zowel in België als in Nederland een grote saneringsoperatie nodig.

In Nederland is die uitgevoerd door Actief Bodembeheer De Kempen, een organisatie van de provincie Noord-Brabant (samen met de provincie Limburg). De sanering van tuinen, assenwegen en dergelijke heeft geduurd van 1997 t/m 2015. Toen was het af en is de organisatie opgeheven. Het heeft minstens tientallen miljoenen gekost.

Een voorbeeld: Waterschap De Dommel heeft, samen met de gemeenten Eindhoven, Nuenen en Son en Breugel, van 2010 tot en met 2013 besteed aan het schoonmaken en herinrichten van de ernstig vervuilde Dommel.

Men kan er nog over lezen op http://www.zinkindekempen.nl/1-home.html waar onderstaande kaartjes vandaan komen.

Let wel dat deze kaarten alleen over de atmosferische depositie gaan (dus niet over oppervlaktewater en assenwegen), en dat de lagere concentratie voor een deel veroorzaakt is door uitspoeling.

Philips Maarheeze


In Maarheeze ging het om een vestiging van Philips (sinds 1954) waar coatings voor op de binnenkant van TL-buizen gemaakt werden (De T staat voor Tube en de L voor Luminiscentie). Ik werd erbij gehaald door iemand uit de omgeving omdat de sneeuw roze was. Monsters genomen, laten analyseren, de kleur kwam van cadmiumsulfide en/of -selenide en en passant bleken er ook zeldzame aarde-metalen in het poeder te zitten. De vergunning stond emissie naar de lucht toe van 600kg per jaar (maar de emissie  was in praktijk veel minder). Na stennis werd de cadmiumemissie gestopt.
Nadien kwam de LED-verlichting op en stopte (inmiddels) Signify de productie en kreeg het terrein een andere bestemming (bodemvervuiling nalatend, zie https://bodemnieuws.nl/cms/23019-ingrijpende-sanering-maakt-oude-philips-terrein-maarheeze-bouwrijp.html ).

Huidige vestigingen van de metaalgiganten Umicore en Aurubis, uit https://www.tijd.be/ondernemen/grondstoffen/de-kempen-het-silicon-valley-van-de-metallurgie/10132660.html

Het heden
Zoals uit bovenstaande bron al blijkt (die niet volledig is), wordt er in België nog steeds op grote schaal metallurgie gepraktiseerd. De grote naam is Umicore, de opvolger van de Vieille Montagne en de roemruchte Union Minière de Haut Katanga).
Anders dan de bron meldt, valt Nyrstar  dus niet meer onder Umicore maar onder Trafigura. Verder heeft Nyrstar meer vestigingen dan alleen in Balen (o.a. ook Overpelt).
En Umicore maakt deel uit van de grotere organisatie GBL ( https://www.gbl.be/nl/portfolio/umicore ), maar hoe dat allemaal precies gelopen is, weet ik niet.

Ik ben niet a priori tegen de non ferro.
Nog sterker, mijns inziens is de non ferro-industrie, met alle aanhangende problemen, onmisbaar, zowel voor traditionele producten als voor de energietransitie. Het moet alleen heel anders dan vroeger, met vergunningen die deugen en gehandhaafd worden en periodiek aangescherpt.

Er zijn succesverhalen.

Helemaal op de achtergrond het zonnepark van Nyrstar

Vroeger werkte (bijvoorbeeld) Nyrstar Budel traditioneel thermisch, met een soort hoogovensysteem waarin zinkerts opgesloten werd met steenkool. Het systeem werd aangestoken en (omdat zink een veel lager kookunt heeft dan staal) kwam het zink in de dampfase vrij en moest op een koud oppervlak condenseren. Als dan de ovens open gingen kwam een walm verbrandingsgassen en zink- (en cadmium- en looddamp) in de atmosfeer. Dat is in de wijde omgeving neergeslagen en ook de slakken zijn nog eens in de wijde regio gebruikt als verharding.
Toen de ovens in 1973 afgeschaft werden ten gunste van een elektrolytisch systeem, ging er een zucht van verlichting door de regio. Er kwam geen nieuwe atmosferische vervuiling meer bij, maar de oude vervuiling lag over een uitgestrekt gebied.
De nieuwe vervuiling bestond uit een waterhoudende slurrie, het jarosiet, dat vooral ontstond doordat het zinkerts met onverwerkbaar ijzer bijgemengd was. De slurrie ging in bekkens waarvan de eerste lekte.
Voor de huidige vergunning is ook dit probleem opgelost door speciaal ijzerarm zinkerts uit Australië te importeren waarvoor, naar men zegt, eerst een overeenkomst met de Aboriginalbevolking moest worden gesloten.
Sindsdien komen er geen nieuwe jarosietbekken meer bij en op de bestaande staat een zonnepark van ruim 40 hectare, met uitbreidingsambities tot 90 hectare. Ook na uitbreiding levert dat nog steeds lang niet genoeg op om de gevraagde 4,3PJ per jaar te dekken. De rest wordt met groene certificaten ingekocht. Inmiddels draait Nyrstar Budel voor 94% op stroom, en is die stroom 100% duurzaam.
Nu hopen dat dat allemaal onder Trafigura zo blijft.
Een nuttig artikel is https://www.vno-ncw.nl/forum/hoe-nyrstar-budel-een-pionier-werd-de-zink-industrie en https://www.bjmgerard.nl/co2-prijs-onder-het-eu-ets-schiet-door-de-e50-per-ton/ .

Ertsverwerking bij de Union Minière de Haut Katanga, bij Elisabethville in de Kongo


Een ander succesverhaal is Umicore, maar dit zeg ik op gezag van Thalia Verkade van de Correspondent, die er een werkbezoek gebracht heeft voor recycling van batterijen. Zie https://decorrespondent.nl/6516/hoe-een-groot-vervuilend-bedrijf-een-groene-schone-voorloper-werd/715600067292-034862bf . Het bedrijf heeft een omslag gemaakt (o.a. steeds meer recycling) en stond in 1999 lp de tweede plaats van de Dow Jones Sustainability Index , en in 2013 zelfs op de eerste plaats bij de Corporate Knights met een score van 74% (dus toch nog het nodige te doen). Zie https://www.corporateknights.com/issues/2013-01-billionaire-superheroes-issue/2013-global-100-results/ , geeft overigens ene interessant lijstje.
Het bedrijf doet niet zelf meer aan mijnbouw, en ook niet meer aan zinkraffinage (verkocht). In de praktijk houdt Umicore zich bezig met het inkopen, recyclen en ‘klaarmaken’ van grondstoffen in vormen die nodig zijn voor duurzame technologie als katalysators, zonnepanelen en batterijen.
De verandering was afgedwongen a) president Mobutu Sese Seko van Congo de mijnen van Union Minière nationaliseerde, b) omdat in de jaren zeventig Europese regelgeving het bedrijf vervolgens tot veel schonere productietechnieken in de eigen regio dwong en c) vanwege de eeuwige conjunctuurgevoeligheid van grondstoffen: als je alleen daarin handelt, kun je maar weinig doen tegen crises en slapte op de wereldmarkt.

Er moet veel, maar er kan blijkbaar ook veel.
Maar te verwachten is dat er ellende overblijft, bijvoorbeeld in de mijnbouw. Daar moet nog meer en de vraag is wat er kan. Ik weet daar te weinig van en laat de vraag nu open.

De toekomst van ons geld – en hoe duurzaam is die toekomst?

SP-Tweede Kamerlid Mahir Alkaya heeft een boek geschreven “Van wie wordt ons geld?”. Het gaat over de rol van de banken, de mogelijkheden en gevaren van digitaal geld, en daaruit voortvloeiende politieke eisen.
De thematiek  leidt zowel binnen als buiten het financieel-monetaire systeem tot gevolgen. Alkaya blijft in zijn boek geheel binnen het financieel-monetaire systeem. Ik niet.

Het is, hoe dan ook, een zegening dat iemand van de SP de moeite neemt een ingewikkeld, maar hondsbelangrijk onderwerp vanuit politieke principes begrijpelijk te  analyseren. Dat moest de SP vaker doen, om te beginnen met het energie-klimaatcomplex.

Mahir Alkaya (SP)


Binnen het financieel-monetaire systeem
Alkaya is zich na zijn studie Industrieel ontwerpen (cum laude) aan de TU Delft steeds meer gaan toeleggen op ontwerptechnieken ten behoeve van de nieuwe digitale wereld, waarna, sinds de bankencrisis van 2008, in de digitale financiële wereld. Hij  heeft op dit gebied, sinds hij in 2018 in de Tweede Kamer kwam, op dit gebied een reputatie opgebouwd. Hij is sinds 2 juli 2020 rapporteur voor de commissie Financiën, samen met iemand van de VVD. Zijn mening telt.

Geld is een op vertrouwen gebaseerd afsprakensysteem waarmee je moet kunnen rekenen, betalen en sparen. Dat kan op allerlei wijzen georganiseerd worden.

De overheid gaat rechtstreeks over contant geld (lappen en munten), maar dat is nog maar ca 5% van de geldvoorraad. Dat percentage daalt, soms actief bevorderd door het systeem, steeds verder.
Bij de overige 95% van het geld hebben de commerciële banken zich ertussen gewurmd. Die kunnen zelf digitaal geld  maken. Als men voor 3 ton een hypotheek afsluit, verhoogt de bank met enkele muisklikken de geldvoorraad met dat bedrag. Andersom bij afbetalen. Eigenlijk is giraal geld een lange lijst met schuldbekentenissen, over en weer.
Alle bezittingen van de banken samen zijn ruim drie maal de Nederlandse economie.
Men moet op het systeem vertrouwen, zodat men er op maandagmorgen brood voor kan kopen. Als regel is dat vertrouwen in Nederland terecht, maar dat is geen ijzeren wet als er een grote cirsis komt. Als het puntje echt bij het paaltje zou komen, draait de belastingbetaler ervoor op. Het depositogarantiestelsel bijvoorbeeld, dat iedere spaarder garandeert dat het tot €100.000 zijn  spaargeld behoudt als er iets gebeurt, geeft schijnveiligheid. Het fonds garandeerde de betaling van €560 miljard in 2021, maar slechts 0,8% daarvan zit daadwerkelijk  in dat fonds. Voor de rest zou dus gewoon de belastingbetaler opdraaien – wat er meestal niet bij gezegd wordt.
De logica is dat niet alles en iedereen tegelijk failliet gaat. Maar omdat slechts drie grote banken in Nederland samen goed zijn voor ruim 80% marktaandeel, kan het fonds niet eens één faillissement aan. Deze concentratiegraad is overigens ook voor Europese begrippen enorm.

De banken zijn dus ‘Too big to fail’ geworden. Ze mogen niet failliet. Dat brengt ze in de positie dat ze het slechtste van twee werelden combineren: winsten incasseren als het goed gaat, verliezen afschuiven als het slecht gaat.

Veel praktische vormen van dienstverlening overigens waren een overheidsuitvinding. De eerste flappentappen en de eerste periodieke overschrijvingen waren van de Amsterdamse gemeentegiro, en het eerste digitale betalingssysteem, de Chipknip en de PIN waren van de Nederlandse bank. Maar na gebleken succes is die infrastructuur versjacherd aan de particuliere banken.

De kans dat het slecht gaat wordt vergroot omdat de commerciële banken, ondanks wetende hoe gering de risicoafdekking is, zich zowel met ‘gewone’ als met riskante activiteiten bezig houden. Elke poging om de riskante en de niet-riskante activiteiten te scheiden, bijvoorbeeld door banken op te richten die alleen maar gewone dingen doen, zoals loon ontvangen en uitgaven betalen, en normaal persoonsgebonden geld op een rekening bewaren, blijkt te falen. Zelfs als de hele Tweede Kamer wil dat het gebeurt.
Hierdoor lijken alle grote banken op elkaar. Men kan dus moeilijk met de voeten stemmen, want de overgang van de ene bank naar de andere is sowieso al moeilijk (je kunt je nummer niet meenemen) en het heeft ook geen zin, want alle grote  banken hebben dezelfde systeemrisico’s.

In 2008 is de bitcoin uitgevonden, daarna gevolgd door duizenden andere digitale munten waarvan de Ethereum de belangrijkste is. Die werken met zoiets als een breed gedistribueerd register, waarmee allerlei transacties vastlegbaar zijn op basis van interne logica. De vertrouwensfunctie van het banksysteem wordt hiermee overbodig. En sowieso van elke centrale ‘vertrouwde partij’.
Sindsdien hijgen de banken achter de elektronica aan. Want wat technisch kan gebeuren, zal technisch gebeuren als iemand er baat in ziet. De banken worden steeds meer ICT-bedrijven en verwaarlozen en passant waar ze wel goed in waren, zoals fijnmazige aanwezigheid in wijken en krediet aan het MKB.
Het betalingssysteem SWIFT wordt overbodig, en mogelijk wordt ook de positie van de dollar aangetast.

Sindsdien ook verkennen overheden de mogelijkheden. China werkt er al sinds 2014 aan en doet proeven om de e-yuan (1 op 1) als betalingssysteem naast de yuan in te zetten. De oudste centrale bank in de wereld, de Zweedse Riksbank heeft een e-Krona vooralsnog als reservevaluta voor  noodgevallen, en Europese Centrale Bank onderzoekt een digitale Euro, en Alkaya is dus rapporteur CBDC (Central Bank Digital Currencies).

Dat wil bepaald niet zeggen dat digitaal geld risicoloos is. Integendeel. Digitaal geld is traceerbaar, programmeerbaar en manipuleerbaar.

Door de voorwaarden die Alkaya stelt aan een centrale digitale munt anders om te lezen, krijgt men al een beeld van de risico’s.

  • Digitaal geld moet geen onderscheid kunnen maken tussen mensen en producten (geen inperking van de rechten van uitkeringsgerechtigden)
  • Eventuele beperkingen hiervan dienen door de wetgever vastgelegd te worden in wetten, niet door technocraten in computercode
  • Contant geld moet behouden blijven, zodat het als stok achter de deur kan dienen tegenover de commerciële banken en de digitale Euro
  • Overal in Nederland moet de infrastructuur voor het alledaagse geldverkeer afdoende zijn
  • Commerciële instanties krijgen geen wezenlijke rol in die infrastructuur
  • Jouw geld is van jou (en kan bijvoorbeeld niet door allerlei manipulaties geprogrammeerd overgemaakt worden of geprogrammeerd minder waard gemaakt).
  • Tot een bepaald bedrag wordt anonimiteit gegarandeerd. Het evenwicht tussen privacy en criminaliteitsbestrijding wordt afdoende bewaakt.

Alkaya heeft  het, binnen zijn financiëel-monetaire kader,  allemaal goed en begrijpelijk uitgelegd. Lezing van het boek is aan te raden.


Buiten het financiëel-monetaire systeem
Alkaya specificeert in zijn boek niet welke constructie hem precies voor ogen staat. Mogelijk is dat op dit moment inderdaad nog teveel gevraagd. Hij bespreekt wel enkele keren met enige sympathie de bitcoin en dat suggereert impliciet dat hem iets bitcoinachtigs voor ogen staat, eigenlijk een soort anarchistisch model. Aan de andere kant moet het iets worden dat een stabiele waarde en rechtsbasis heeft, een soort stable coin of een CBDC, en dus gekoppeld moet zijn aan een centrale bank of een andere overheid. Het ene systeem wil geen vertrouwde derde partij, het andere veronderstelt deze juist. Het lijkt me iets contradictio in terminis-achtigs. Maar ik heb van deze materie niet veel verstand, dus ik laat dit nu open. Ik wacht af.
In het hierna volgende zal ik doen alsof de Bitcoin en de Ethereum bruikbare voorbeelden zijn.

Ik wil  hier twee soorten commentaar bij geven.

(1)
Het ene betreft de energetische en materialen-behoefte van het systeem.
Alkaya wijdt aan de nodige energie één keer een passage (‘zorgen uit de samenleving’), en over het wegwerpkarakter van de computers geen woord. Het past bij de blinde vlek die de SP in praktijk nog steeds heeft voor de eindigheid van de aarde. Het besef dat het niet alleen draait om mens-mens relaties, maar ook om mens-aarde relaties zit nog niet in de automatismes van de SP.

Op de vertikale linkeras de TWh per maand, bij de grijze balkjes, in de vertikale rechteras het cumulatieve aantal TWh bij de gele lijn


De Cambridge Bitcoin Electricity Consumption Index ( https://ccaf.io/cbeci/index )komt over 2021  op een mondiaal elektriciteitsverbruik van de bitcoin van 103TWh (afzonderlijke maanden optellen). Hierin zit, bijvoorbeeld vanwege de stroomprijs,  een forse onzekerheid (makkelijk zowat drie keer zo groot of zo klein).
Nederland zit ergens rond de 120TWh.
MIT Technology Review van 04 maart 2022 komt op een mondiaal jaarverbruik voor de Ethereum van 113TWh (zie hieronder).

Daarnaast zijn er nog duizenden andere virtuele munten waarvan de energiekosten onbekend zijn. Doe eens, om de gedachten te bepalen, samen gelijk aan de Ethereum. Het gaat maar om de orde van grootte.

Samen vraten de digitale munten op wereldschaal in 2021 zo’n 400TWh aan stroom.

(Ter vergelijking: het datacenter van Facebook in Zeewolde zou ongeveer 1,38TWh nodig gehad hebben. )

De totale mondiale stroomconsumptie was in 2018, volgens hetzelfde Cambridge-instituut onder ‘Comparisons’, 22 315 TWh (in 2019 iets hoger). De mondiale stroomproductie ligt iets boven de consumptie. In deze ruwe schatting vragen de digitale munten dus ongeveer 2% van de elektriciteitsconsumptie. Valt mee te leven, lijkt het op het eerste gezicht.

(Onder de FAQ’s van de Cambridgewebsite staat trouwens veel goede uitleg over hoe de bitcoin werkt).

Er zijn echter een paar maren.

  • De bitcoin miners (die het stroomvretende rekenwerk doen) storten zich bij voorkeur op landen met lage elektriciteitsprijzen, waar het net dus onevenredig belast wordt. Zo zijn ze niet meer welkom in Kazachstan, Kosovo en China. Gemiddeldes zeggen niet alles.
  • Het verbruik groeit explosief. Als je de csv bij voorgaande grafiek opvraagt en per jaar optelt, kom je op onderstaande tabel uit. Je ziet een verdubbelingstijd van 1 a 3 jaar, terwijl toch de apparatuur zelf tot voor kort steeds energie-efficiënter werd (zie grafiek hieronder, uit de Cambridgewebsite). En die groei is gegarandeerd sneller dan de groei van de elektriciteitsproductie.
  • Dit is dus alleen de bitcoin, niet de andere munten
  • Het gebruik van de bitcoin is nu nog een uitzondering. Als iets wat op dezelfde manier werkt in veel landen staatsvaluta wordt, gaat het verbruik vele malen over de kop.
  • Bitcoinminers werken met special-purpose ASIC equipment. Volgens bovengenoemd MIT-artikel zijn die wegens technische veroudering na anderhalf jaar afgeschreven en omdat ze speciaal voor dit doel bedraad zijn, kun je er iet tweedehands iets anders mee. Volgens MIT gaan ze allemaal op de stort.
  • Men zegt dat de Ethereum in de toekomst veel energiezuiniger gaat worden, maar daarover leest men heel veel mitsen en maren. En zo ja, of dan het voornaamste  voordeel, het ontbreken van een trusted party, nog blijft bestaan.
Een hash is zoiets als het éénmaal uitvoeren van een berekening. Op de vertikale as het aantal Joule dat nodig is voor 1 Ghash = 1 miljard hash.

Voor een studie van De Nederlandse Bank over dit onderwerp (die zich overigens ook beroept op de Cambridge-studie) zie

(2)
Weer opnieuw dat Alkaya niet specificeert welk systeem hem precies voor ogen staat.

Voor zowel de bitcoin als de Ethereum geldt dat je alleen een rol kunt spelen als je er veel geld tegen aan gooit. Dat is een vooropgezette voorwaarde voor het systeem. Bij de bitcoin betaal je specialistische computers om miner te worden,  bij de Ethereum betaal je 32 Ether (dd 04 maart 2022 $100.000) om Validator te worden.
Beide systemen hebben daarom de neiging om te concentreren in de handen van kapitaalkrachtige personen, instellingen of zelfs staten. Zie https://www.investopedia.com/investing/why-centralized-crypto-mining-growing-problem/ .
De weinige fabrikanten, die de specialistische ASIC-computers voor de bitcoin leveren, kunnen bijvoorbeeld het gebruik sturen. Op het moment dat een entiteit 51% van de rekenkracht bezit, is hij/zij de baas over het tot dan toe gedecentraliseerde kasregister. In de vakliteratuur is te lezen dat dit niet onmogelijk is.
Voor de Ethereum geldt iets vergelijkbaars als iets of iemand minstens de helft van de uitstaande munten heeft.

IBM Q System One (2019), the first circuit-based commercial quantum computer
De  foto van de quantum computer is van IBM:
By IBM Research – https://www.flickr.com/photos/ibm_research_zurich/51248690716/, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=108205707

Op de lange termijn is de bitcoin kwetsbaar voor de quantumcomputer. Het staat vast dat als een quantumcomputer groot genoeg is, hij de bitcoin zal verslaan. Hoe lang dat nog duurt, is een ander verhaal. Zie https://singularityhub.com/2022/01/30/quantum-computers-may-one-day-crack-bitcoin-heres-what-it-would-take/ .
Goed kans overigens dat zo’n quantumcomputer ook door de beveiliging van een gewone bank heen breekt.
Het wordt nog spannend met die quantumcomputer, maar dat duurt nog wel een tijd.

Overigens blijken digitale diefstallen van cryptomunten ook zonder quantumcomputer mogelijk. Met regelmaat zelfs.

Al met al staat vast, dat een veilig en betrouwbaar publiek geldsysteem, geheel buiten een centrale trusted authority om, nog niet zo’n eenvoudige zaak is. Ik zou er niet met alleen maar een blik  vol politieke wenselijkheid naar kijken. Ik ben a priori niet tegen Alkaya’s basisgedachten, maar hij zou zijn verhaal verder moeten uitwerken. Maar het klopt dat als de techniek eenmaal bestaat, het gebeuren vroeg of laat over ons heen komt.

De ‘gewone’ politieke oplossingen die Alkaya (terecht) bepleit, zoals een aparte Nutsbank voor alledaagse behoeften  van de bevolking en een aparte zakenbank die, net als andere ondernemingen gewoon failliet mag gaan, en een bank met volledige dekking van zijn kredieten, zou met minder moeite wel eens meer kunnen doen.

Zie verder Bitcoinminers heropenen oude kolenmijnen in de VS en Een bitcoinminer in Woensel en de toekomst van de datacenters .