Grootschalige mestbewerking en groen gas

Context
Nederland heeft een te grote veehouderijsector.
Alle dieren samen produceren meer mest dan men verantwoord in ons land kwijt kan. Volgens het laatste CBS-cijfer uit 2019 ( https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83983NED/table?ts=1610751197404 ) was de productie 74602  miljoen kg, waarvan in Brabant 13982 miljoen.
Omdat mest een erg variabele substantie is, kiest men als wettelijke basis meestal een beter kwantificeerbaar bestanddeel, te weten P2O5 (in de volksmond fosfaat). De wetgeving gaat feitelijk vooral over wat er met dat fosfaat gebeuren moet. Het is een heel verhaal ( www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/mestverwerkingsplicht-veehouder ), maar het komt erop neer dat er binnen het systeem (grofweg reguliere toepassing op de Nederlandse resp. Brabantse landbouwgronden) beperkte mogelijkheden zijn, en dat de rest een probleem is. In Nederland als geheel kan 133,5 van de 155,5 miljoen kg fosfaat regulier toegepast worden , in Brabant is dat 15,8 miljoen van de 36,4 miljoen kg fosfaat.
Naast fosfaatregels bestaan er ook stikstofregels, maar omdat stikstof verschillende chemische vormen heeft, is stikstof lastiger voor de boekhouding.

Wat niet regulier als bodemverbeteraar toegepast kan worden, moet bewerkt worden en als gehoopt resultaat daarvan verwerkt.

Blokschema van een mestbewerker. Blauw=basiskleur, rood=reële kans op emissies, groen=weinig of geen kans op emissies


‘Bewerken’ is dat men fysische, chemische en biologische technieken op de mest los laat. Die zijn er in drie hoofdsoorten: indikken en scheiden, vergisten of superkritisch vergassen (dit laatste is nog een experimentele techniek in het pilotstadium en blijft hier verder buiten beschouwing – zie Superkritisch vergassen van natte biomassa (update dd 06 mei 2019) ). Combinaties zijn ook mogelijk.

Omdat de regering de veehouder verplicht om (een deel van) zijn mest te bewerken, heeft de regering aan de provincie en de gemeenten de plicht opgelegd installaties voor deze bewerking te faciliteren. Ter invulling van deze wettelijke plicht heeft de provincie Noord-Brabant nu een PlanMER lopen om de optimale locaties van deze installaties vast te stellen (dus: deze PlanMER gaat er niet over of de inrichtingen er komen, maar over waar ze komen).

Welke ‘bewerking’ dan ook verandert niet wat aan de aanwezigheid van de chemische elementen. Elke kg van het element koolstof, fosfor en stikstof (en andere), die een bewerking in gaan, komen er ook weer uit. Hooguit is hun chemische bindingsvorm veranderd.
Omdat mest wettelijk wordt gehanteerd via de indirecte methodiek van het fosfaat (dus van het element fosfor), draagt het bewerken van mest op zichzelf niet bij aan de oplossing van het mestprobleem. De totale hoeveelheid fosfaat blijft immers onveranderd.

‘Verwerken’ is dat de mest buiten het Nederlandse systeem terecht komt. In praktijk betekent dat in juridische zin verbranding (van pluimveemest) of export (gerekend op fosfaatbasis). Ook ‘superkritisch vergassen’ zou de mest buiten het systeem brengen.

Om wettelijk te mogen exporteren, en om economisch te kunnen exporteren, moet respectievelijk de rauwe mest een uur lang verhit worden (hygiëniseren) en ontdaan van het meeste water (wat bereikt wordt via de bewerking indikken en scheiden).
Bijna alle fosfaat gaat dan in de dikke fractie zitten.
De overblijvende dunne fractie (in essentie water met daarin opgeloste stoffen) wordt met omgekeerde osmose verder geconcentreerd. Wat dan overblijft noemt men ook  wel ‘mineralenconcentraat’.  Wateroplosbare verbindingen zoals bijna alle nitraat (een gebruikelijke stikstofverbinding) en kalium, alsmede een deel van de hormoon- en medicijnresten, alsmede van de zware metalen zit in deze dunne fractie. Deze dunne fractie wordt niet geëxporteerd en is op dit moment voor geen enkele agrarische toepassing praktisch.

Zie ook Afzetkansen voor bewerkte mest?

In 2019 exporteerde Nederland (zie www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mest/mest-importeren-en-exporteren ) 3100 miljoen kg mest (ca 4% van de totale productie), waarvan ca 36 miljoen kg fosfaat (ca 23% van de totale fosfaatproductie). Het percentageverschil is het resultaat van scheiden en indikken.

Deze geëxporteerde hoeveelheden zijn door de laatste vijf jaar grofweg constant. Het overgrote deel van de mest gaat naar België en naar enkele nabije streken in Duitsland en Frankrijk.

Omdat voor de bewerking en verwerking van mest betaald moet worden, is er een levendig illegaal circuit.

De Princepeel bij St Odiliapeel


Mest kan ook vergist worden. Hij gaat dan in een grote tank in een zuurstofloze omgeving, bij lauwwarme temperatuur, gevuld met bacteriën. Die breken de suikers en polymeren daarvan als cellulose, eiwitten en vetten af tot biogas. Dat bestaat uit methaan (=aardgas), CO2, en bijmengsels als zwavelwaterstof, waterstof, vluchtige vetzuren en ammoniak.
Mest vergist zichzelf spontaan ook, alleen trager. De gassen komen dan gewoon in de atmosfeer. Methaan en lachgas zijn een 28 respectievelijk 265 keer zo krachtig broeikasgas dan CO2 , en zwavelwaterstof in afgesloten ruimtes is levensgevaarlijk. Er vallen regelmatig doden in mestsilo’s.
Biogas kan chemisch worden gezuiverd (‘opgewerkt’) tot nagenoeg zuivere methaan of tot aardgas (Gronings aardgas bestaat grotendeels uit methaan met wat atmosferische stikstof bijgemengd). Na opwerken heet het ‘groen gas’.

Vergisten kan zonder (tot hooguit 5%) of met (tot hooguit 50%) toevoeging van materiaal anders dan mest. Het heet dan mono- resp. co-vergisting. Covergisting brengt meer biogas op, maar is moeilijker hanteerbaar.

Het eindproduct van vergisten, niet zijnde biogas, heet digestaat. Dat is een soort koolstofverarmde mest, met minder stinkstoffen omdat die vaak vluchtig zijn en daarom eerder worden afgebroken. Digestaat bevat nog steeds de oorspronkelijke hoeveelheid stikstof, fosfor en kalium. De stikstof in digestaat is wat makkelijker toegankelijk voor planten dan in rauwe mest.

Het duurzaamheidsvoordeel van scheiden en indikken (en exporteren) van reeds aanwezige mest, ten opzichte van de vroeger gangbare praktijk van ongelimiteerd uitrijden en verder niets, is dat het fosfaatoverschot niet overdadig en voor eeuwig in de bodem en het oppervlaktewater verdwijnt, maar elders in de wereld in planten wordt opgenomen. Fosfaat is een eindige grondstof en de grens van de mijnbouw is in zicht. Verder is een voordeel dat het organisch materiaal bodems elders verbetert, indien niet te sterk verontreinigd.

Het duurzaamheidsvoordeel van vergisten, ten opzichte van de vroeger gangbare praktijk van ongelimiteerd uitrijden en verder niets, is dat men er biogas (en na opwerking methaan = aardgas) mee kan produceren en kan verhinderen dat methaan en lachgas, die anders spontaan geproduceerd zouden worden, in de atmosfeer komen. Verder kan covergisting een rol spelen bij het verwerken van organisch afval, maar dat is tevens riskant en fraudegevoelig.
Digestaat bevat per definitie minder koolstof om aan de bodem toe te voeren, maar het lange termijn-effect is beperkt omdat de vluchtige mestbestanddelen het makkelijkst afgebroken worden in de vergister, maar ook  (indien onvergist) het makkelijkste worden weggeoxideerd in de grond. Een definitief oordeel op de langere termijn is nog niet uitgesproken.

Recente biogas-ontwikkelingen.
Men noemt het product dat uit de vergister komt biogas, en het resultaat na opwerking tot aardgaskwaliteit groen gas. Het taalgebruik echter, ook in de vakliteratuur, is slordig.

In 2018 werd er 14PJ geproduceerd, waarvan 9PJ verbrand werd in een Warmte-Kracht-Koppeling installatie (WKK), en 5PJ tot groen gas opgewaardeerd werd dat ingevoerd werd op het aardgasnet. Die 14PJ kwamen voort uit onderstaande taartpuntverdeling (38% uit mest).
Op basis van lopende of binnenkort startende projecten zou er in 2022 17PJ geproduceerd worden.

Mede omdat de elektriciteitsprijs erg laag is, verschuift de inzet van biogas van stroom naar groen gas.

(NVDE Groen gas: feiten en cijfers, 2018)

In het Klimaatakkoord dd juni 2019 is overeengekomen dat de hoeveelheid biogas in 2030 zal bedragen 70PJ.
Op https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ kan men nalezen hoe de brancheorganisatie Groen Gas zich de samenstelling van die toekomstige 70PJ voorstelt. Van de daar genoemde 75PJ komt minstens tweederde uit mest.

Allerlei beleidsdocumenten zitten in dezelfde denklijn. Ook bijvoorbeeld het recente SER Biomassa-advies voorziet een grote rol voor groen gas (zie SER-advies schrapt biomassa voor energiedoeleinden te snel en op te losse gronden ).

Mede vanwege het Klimaatakkoord zijn de groen gas-technieken verbeterd en is er meer studie gedaan naar de precieze balansen, bijvoorbeeld in de CO2 – groengasketens van CE Delft dd juni 2019 (zie www.ce.nl/publicaties/2308/co2-balansen-groengas-ketens-vergisting-en-vergassing ).

Men moet deze tabel met eindresultaten van de studie als volgt lezen.
Voor dit artikel is relevant de rijen ‘varkensdrijfmest’ en de kolom ‘G-gas voor distributie’, dat is groen gas dat na opwerking het regionale, lagedrukgasnet in gaat. De eerste G-gas kolom geeft absolute getallen, de tweede bijbehorende percentages.
Verondersteld wordt dat de gebruikelijke handelingen met mest uitgevoerd zijn. De mest is uitgereden met of zonder voorafgaande vergisting. De situatie met vergisting en met energie uit biogas wordt vergeleken met de traditionele situatie zonder vergisting en met energie uit fossiel aardgas. 
Het getal 72 betekent dat als men 1GJ aardgas verbrandt, daarbij over de levensloop van dat aardgas 72 kg CO2,eq vrijkomt (dat is de CO2 bij verbranding plus de methaaneffecten van productie- en transportverliezen). Die 72 is de referentie.
Als men van het G-groen gas uit varkensdrijfmest alleen de CO2 meetelt die, opgeteld over de levensloop, vrijkomt is dat 32,9 kg CO2,eq . Er is 54% bespaard ((72-32,9)/72 ).
Maar bij een snelle verwerking va de mest komt er geen methaan en lachgas in de atmosfeer en bij de traditionele aanpak wel. Beide zijn krachtige broeikasgassen. Zodoende betekent de nieuwe aanpak een negatieve emissie t.o.v. de traditionele aanpak. Het getal – 98,5 moet dus gelezen worden als +32,9 – 131,4 .
(Als ze nou een schoolmeester hadden gehad bij CE Delft die gespecialiseerd was in uitleg, hadden ze het anders opgeschreven. Dan hadden ze opgeschreven dat het uitrijden van de mest, horend bij het produceren van 1 GJ biogas 31,9 kg CO2,eq  gekost had, en het uitrijden van mest in onvergiste toestand, waarna apart 1GJ uit aardgas, 72 + 131,4 kg CO2,eq .).

Brabants Burgerplatform publiceert ‘De harde feiten over grootschalige mestbewerking’
Zie https://brabantsburgerplatform.nl/mestbewerking/de-harde-feiten-over-grootschalige-mestbewerking-2/ .


De studie van het Brabants Burgerplatform laat zich puntsgewijze samenvatten:

  • Bronaanpak is een substantiele krimp van de veestapel en dat is het enige dat deugt
  • De mestbewerkingssector is machtig en hanteert mooie verhalen
  • ‘Mestfabrieken’ draaien op miljarden aan subsidies
  • De veeteelt berust op hele lange voerketens, o.a. vanuit het Amazonegebied. Die worden niet gesloten.
  • Scheiden en indikken maakt export naar nabije landen in Europa goedkoper, maar dat is geen succesverhaal
  • Omdat mestbewerking op zich niet wat doet aan de aanwezigheid van fosfaat, lost mestbewerking het mestoverschot niet op. Het verplaatst het slechts.
  • Bij vergisting komt de invoer aan mest, coproducten en energie minus het gas negatief uit.
  • Oude mest werkt nog slechter dan verse mest.
  • Met de dunne fractie van het scheiden en indikken (met ‘mineralenconcentraat’) kun je in praktijk niets. Het bespaart ook geen stikstofkunstmest, omdat een overschot in het concentraat onverbrekelijk bij een tekort in de gebieden hoort waar het voer vandaan komt of de dikke fractie naar toe gaat.
  • Het concentraat is onzuiver en slecht voor de bodem
  • Drijfmest is ook vervuild en die vervuiling, ook bij correct gebruik van de mest, is slecht voor de bodem
  • Stankproblemen zijn in praktijk onoplosbaar
  • Er gebeuren ongelukken
  • Er wordt gefraudeerd (uit de literatuurverwijzing blijkt dat bedoeld wordt dat illegale materialen voor covergisting gebruikt worden) en ook anderszins werken er gangsters in de sector die onvoldoende worden aangepakt
  • Er is te weinig kennis en professionaliteit in deze problematische sector.
  • Als het dan toch moet, dan 500 tot 1000 meter tussen een grootschalige mestbewerker en een burgerwoning

Wat ik er van vind
Ik ben het op sommige punten met het Burgerplatform eens, maar niet op alle.

Ik ben het er mee eens dat er een substantiële krimp van de veestapel moet komen, en dat de lange voerketens vanuit het Amazonegebied (en andere gebieden) beëindigd moeten worden. Dat echter een veeteelt die zich beperkt tot Noordwest-Europa per definitie tot minder varkens in Brabant leidt is minder zeker. Het zou ook tot minder varkens elders kunnen leiden (zie Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa (3) – update ). Wageningen heeft daaraan in het kader van de Mestdialoog gerekend.

Een overdaad aan varkens en koeien (enzovoort) leidt tot een overdaad aan mestbewerking. Wat ik niet zie is de omgekeerde werking: dat het blokkeren van de overdaad aan mestbewerkers tot het blokkeren van de overdaad aan varkens enzovoort leidt.
Laat ik dit illustreren met een voorbeeld uit een andere sector.
Men kan vinden dat de gestimuleerde consumptiedrift van huishoudens tot een overdadige productie van huisvuil leidt. Maar het opheffen van de huisvuilophaaldienst gaat niet omgekeerd leiden tot minder consumptie, maar vooral tot al dan niet legale rotzooi.

De omgekeerde werking zou beter uit de verf komen als het Burgerplatform een betere nationale strategie had. Nu klaagt het Burgerplatform vooral over de gevolgen, maar is niet aanwezig bij de oorzaken.
Bij de groengas-discussies in het kader van het Klimaatakkoord bijvoorbeeld heeft het Burgerplatform de voorttrekkende groen gas-karavaan gemist. Het Klimaatakkoord is bijvoorbeeld ook ondertekend door  Coalitie Vitale Varkenshouderij, Natuur en Milieu, Natuur en Milieufederaties en Natuurmonumenten.
In de werkgroepen van het SER-akkoord ‘Biomassa in Balans’ van juli 2020, waarin de inzet van groen gas als vaststaande ontwikkeling gezien wordt, zaten Jorien de Lege namens Milieudefensie en Jelmer Vierstra namens Natuur en Milieu. (zie SER-advies schrapt biomassa voor energiedoeleinden te snel en op te losse gronden )
Het Burgerplatform heeft een proces lopen tegen de staat over het recht op geen stank (dus op een gevolg), maar verder heeft het vooral een strategie die zich op de provincie en de gemeenten richt. Dat is op zijn plaats als het om vergunningen en handhaving gaat, en om locatiebeleid, maar niet als het er om gaat het principe van de mestbewerking als zodanig aan te vallen.

Ik ben het met het Burgerplatform eens dat de mestbewerking een onvolwassen sector is waarin dringend behoefte is aan meer kennis en professionaliteit, en ook aan bereidwilligheid van de sector zelf. Een van de sterkere literatuurverwijzingen (nr 18) in het  rapport van het Burgerplatform is die naar het NCM-rapport ‘Knelpunten in mestverwaarding’ dd juli 2019 (zie www.mestverwaarding.nl/kenniscentrum/541/rapport-knelpunten-in-mestverwaarding ).

Ik ben het grosso modo ook eens met het Burgerplatform in hun analyse van de scheiden en indikken-methode. Het duurzaamheidsaspect hiervan (het hergebruiken elders in Europa van fosfaat en organisch materiaal in de dikke fractie in dat deel van de mest dat in Nederland niet legaal op het land kan) wordt door de bewerking niet op een hoger niveau getild, maar slechts minder duur gemaakt. Bovendien is de export geen succesverhaal.

(Meestal neemt men voor biogas ongeveer 20MJ/m3 en voor opgewerkt groen gas 20MJ/m3 . Afkomstig van de website van Groengas Nederland. Deze grafiek gaat over monovergisting.
Verse varkensdrijfmest produceert (Wageningen, https://edepot.wur.nl/300272 ) ongeveer 48m3 per ton drijfmest, maar dat is variabel. Dit is bruto. Het eigen verbruik van de inrichting moet er nog van af. De broeikasgascijfers van CE Delft zijn netto. )

Ik ben het niet met het Burgerplatform eens waar het om vergisten gaat. Ik vind de onderbouwing van het standpunt over vergisten zwak. Puntsgewijze de plussen en de minnen van vergisten:

  • Het is wel degelijk zo (anders dan het Burgerplatform suggereert) dat groen gas uit mest, over zijn levensloop, minder CO2 uitstoot dan aardgas. En, wat nog meer zoden aan de dijk zet, de uitstoot van de krachtige broeikasgassen methaan en lachgas tegengaat, vooral bij korte afhandelingstijden. Het Burgerplatform mist deze niet-CO2 emissies.
  • Mijns inziens is het grootste vraagstuk wat te doen met het eindproduct van de vergisting, het digestaat. Het Burgerplatform zegt hier weinig over.
  • De veiligheidrisico’s van vergisting bestaan, maar zijn te overzien. De lange lijst met literatuur van Burgerplatform noemt in Nederland slechts twee dodelijke ongevallen, een persoon die op het terrein aangereden is door een shovel, en iemand die in 2011 bij werkzaamheden door het dak van een vergister gevallen is. De  meeste doden vallen niet bij verwerkers, maar in opslagruimten met rauwe mest.
    Mijns inziens kan de veiligheid van vergisters, mits deze met voldoende deskundigheid en zorg geëxploiteerd worden, te vergelijken met een grote propaantank of LNG-opslag. Normaliter worden die in Nederland vergund op basis van afstandseisen en vergunningen. Dit kan met mestvergisters ook. ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (zie https://vng.nl/publicaties/handreiking-bedrijven-en-milieuzonering ) noemt als afstand vanwege geur 100m en vanwege veiligheid 30m. Gegeven de onvolwassenheid van de sector vind ik een grotere afstand op zijn plaats. Dezelfde zoneringsbrochure noemt vanwege het gevaar bij  een groot LPG-tankstation  een afstand van 200m . Dat zou voor de nabije toekomst een gedachte kunnen zijn.
  • Ook fraude bij covergisting is een risico waartegen moet worden opgetreden.
Groen gas – opties (CE Delft 2011)
  • Verwerkers stinken soms. Maar ik  heb er zelf een handvol  bezocht en die stonken toen niet, wat mij tot de gedachte brengt dat het, minstens in principe, mogelijk is stank sterk terug te dringen. Stank is geen wetmatigheid.
    Er zijn grote industriële inrichtingen waarbij dat geheel of grotendeels gelukt is, zoals de destructor Ecoson en Coppens Diervoeders op het BZOB-terrein. (zie Wijkraad Brouwhuis (Helmond) sluit convenant af met Coppens Diervoeding (update 19 feb 2016) ). Ik ben nu op afstand betrokken bij pogingen om de VION in Boxtel geurvrij te krijgen (zie VION heeft stank niet onder controle ).
    Er kunnen technieken worden voorgeschreven die, bij een goede bedrijfsvoering, veel kunnen presteren als de handhaving adequaat is. Ongetwijfeld is dat op dit moment niet overal het geval.
Biomassasubsidies staan in hetzelfde rijtje als andere hernieuwbare energie-subsidies en zijn niet onevenredig hoog. Over de jaren opgeteld is biomassa goed voor ruim 60% van de hernieuwbare energie en ca 40% van de subsidie.
  • Iets over de subsidies.
    Het burgerplatform doet ten onrechte voorkomen alsof alle mestbewerking  gesubsidieerd wordt. De eigen literatuurverwijzing 1 zegt het op zich correct, namelijk dat alleen de energieproductie gesubsidieerd wordt vanuit de SDE+ subsidie, dus alleen stroom of groen gas na vergisting.
    Subsidies zijn een dankbaar onderwerp voor wat demagogie. Men doet dan alsof de eigen ongewenste sector de enige is die subsidie krijgt. Maar de hele hernieuwbare energiesector (behalve wind op zee) drijft op subsidies. De subsidie op groen gas per kWh staat in hetzelfde rijtje als die op zonneparken en windturbines  en is grofweg even groot als die op zon en wind een paar jaar geleden was. Bij zon en wind hebben de schaal- en leercurve hun werk gedaan, bij vergisters nog niet.
  • Een voordeel van groen gas is dat het uit moleculen bestaat. Die zijn beter te transporteren dan kiloWatt-en (via het bestaande gasnet) en lenen zich beter voor groene chemie.
  • Ik doe geen uitspraak over locaties. Er loopt niet voor niets een PlanMER.
    Op deze site staan twee extreme voorbeelden: enerzijds de bestaande zuivelboerderij Den Eelder met een grote monovergister in real time (zie Op werkbezoek bij zuivelboerderij Den Eelder ), en dat aan huis op het platteland, en anderzijds een zeer grote vergister die men had willen bouwen op industrieterrein Chemelot, maar die op het laatste moment toch niet doorging ( zie OCI Nitrogen gaat grote mestvergister bouwen op Chemelot-terrein (update dd 29 juni 2018, 21 jan 2019 en 07 nov 2019) ) . Ik vind beide locaties aanvaardbaar.

Tenslotte

  • De veestapel moet worden ingekrompen, zodat er geen mestoverschot meer is. Dit is ook om andere redenen van belang.
  • Nieuwe vergunningen op basis van uitsluitend het scheiden en indikken-principe zouden niet meer moeten worden afgegeven. Dat vereist dat de regering deze techniek op termijn niet langer als oplossing beschouwt.
  • Ongeacht of er wel of geen mestoverschot is moet, vanwege het klimaat, een nader te bepalen deel van de mest vergist worden. Dit kan door vergisten op termijn als Best Beschikbare Techniek te betitelen.
  • Dit kan niet op basis van de vrije markt (zie OCI Nitrogen) en moet op basis van dirigistisch overheidsbeleid.
  • Bij de afweging van welk deel te vergisten, moeten meerdere factoren worden meegenomen, waaronder in elk geval de bodem.
  • Het functioneren van alle mestbewerkers moet worden gebonden aan strikte Best Beschikbare Technieken. Hierbij hoort een navenante handhaving.

Kabinet volgt het te optimistische SER-advies biomassa

Het SER-advies biomassa
Ne een voorgeschiedenis met veel toeleveranciers bracht de SER uiteindelijk het als afronding bedoelde eindadvies over de inzet van biomassa in Nederland voor energie en als grondstof. Ik heb hieraan aandacht besteed in een eerder artikel www.bjmgerard.nl/?p=13163 .

Zeer kort samengevat wil de SER dat koolstof zo lang mogelijk uit de cyclus moet blijven. Biomassa moet daarom via het cascaderingsprincipe meer als grondstof ingezet worden en minder voor energie. Elektriciteitsopwekking en lage temperatuur-warmte moeten op termijn worden afgebouwd, want daarvoor bestaan technische alternatieven. Biomassa moet richting groene chemie, en slechts richting energie daar waar geen alternatieven bestaan (zoals waar hoge temperaturen nodig zijn).

Ik ben het  tot op zekere hoogte met het SER-advies eens. Ook ik vind de bestaande Nederlandse en europese biomassa-regelgeving in principe goed (hoewel verdere uitwerking wenselijk is), ik deel in hoofdlijnen de beschikbaarheidsramingen, ik deel de aanbeveling om de milieueisen aan kleinere inrichtingen aan te scherpen en ik volg het cascaderingsprincipe (van hoogwaardig naar laagwaardig gebruik). Maar ik vind het SER-advies hopeloos optimistisch.

Enerzijds omdat er, behalve technische belemmeringen, ook nog zoiets als politieke en bestuurlijke belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie – en die wegen veel zwaarder. De praktijk is veel pessimistischer.
Geen enkel grootschalig Nederlands energieprogramma heeft ooit zijn doel gehaald.

  • De 6000MW wind op land uit het SER-akkoord 2013 eindigde in het beoogde jaar 2020 op 4509MW (inclusief wat er nog niet stond, maar in voorbereiding was).
  • De 14% hernieuwbare energie uit hetzelfde SER-akkoord eindigde op 31 december 2019 op 8,7%
  • De 25% minder CO2– emissie (t.o.v. 1990) uit het Urgendavonnis zal eind 2020 ook niet gehaald worden.
  • Het Klimaatakkoord, waaronder de RESsen, moet nog blijken

In alle gevallen wordt de taakstelling geruisloos doorgeschoven naar een volgend programma.

Dat er technische alternatieven bestaan, zoals de SER zegt, klopt. Dat klopt zelfs al vele jaren. Het is alleen niet de bottle neck. Bottle necken zijn dat alles in de SER marktconform moet, dat Nederland de energiebedrijven geheel marktconform uit handen gegeven heeft waardoor je iedere keer weer ad hoc-afspraken over participatie moet maken, een mede daardoor onwillige bevolking en een politiek die die onwil, al dan niet met graagte, aangrijpt om dwars te liggen – daarbij vaak gesteund door de natuurorganisaties. Aan die onderliggende werkelijkheid verandert niets en daardoor is de SER-bewering dat er technische alternatieven zijn de zoveelste slag in de lucht.

Het SER-advies biomassa is de zoveelste onnavolgbare zwenking in het toch al grillige en daardoor schadelijke Nederlandse energiebeleid.

Een van de meest voor de hand liggende gewassen t.b.v. groene chemie is de suikerbiet, hetzij met restanten van gewone bieten, hetzij met speciaal gekweekte chemische bieten. Maar (zie https://enzuid.nl/docs/ENZuid_FICHES_Ketentransitie.pdf ), dat stond in juni 2020 nog in de kinderschoenen. Men stond toen helemaal aan het begin van een pilot met een paar honderd hectare op in totaal 85000 hectare suikerbiet in 2017 (CBS).
Overigens geldt de afweging gebruik voor voedsel-gebruik voor niet-voedsel, net als bij andere biomassa, ook voor de suikerbiet.

Anderzijds zijn de aannames over groene chemie en groen gas net zo over-optimistisch. Deels om dezelfde redenen. Binnen de grenzen van een verantwoorde certificering kan er al tien jaar prima biokerosine gemaakt worden en er ligt al een EU-programma uit 2011, maar er wordt in de EU nog steeds nauwelijks biokerosine gemaakt. Niet vanwege het principe, maar omdat biokerosine de tickets een paar Euro duurder maakt. De markt doet zijn werk.
En dat zal blijven gebeuren. Je kunt prima fenolhars maken uit lignine en daar kun je prima triplex mee lijmen (zie www.houtwereld.nl/houtnieuws/triplex-met-lignine-lijm/ ), maar ongeziens is het duurder dan fenolhars uit olie en dus willen de producenten subsidie en anders wordt het niet verkocht. Het hele groene chemie-gebeuren bestaat al jaren vooral uit pilots en proof-of-principles, maar hoeveelheden die er toe doen worden niet geproduceerd.

Net zo optimistisch zijn de groen gas-veronderstellingen. Ik verdedig altijd de groen gas-productie, maar die vindt voor tweederde plaats bij een veel te grote, stinkende en ziekmakende veeteelt – laten de dames en de heren van de SER dat maar eens in Brabant komen verdedigen. Wie mij niet gelooft, zie https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ .

Verwaardingsschema (uit www.bioconomy.nl )


Kortom, zowel wat betreft de afbouw van makkelijke energie als van de opbouw van moeilijke groene chemie is de stip wel juist, maar ligt de horizon veel verder weg dan gedacht. Voor beide zal de noodzakelijke overgangstermijn veel langer blijken dan gedacht.

Ik heb hier al vaker verdedigd om de Amercentrale, na volledige omschakeling op biomassa, nog een overgangstermijn te gunnen tot bijvoorbeeld 2040.

De hoorzitting over biomassa
Een advies is een advies en wordt pas politiek als het kabinet er iets van vindt. Dat is gebeurd. Voor die tijd heeft het kabinet er op 14 oktober 2020 een hoorzitting in de Tweede Kamer aan gewijd.
Een lijst met deelnemers en de aangeleverde position papers zijn te vinden op www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2020A03564 .

Er staan interessante documenten bij, van welke ik de bijdrage van prof. Turkenburg, Sible Schöne van HIER opgewekt en Staatsbosbeheer met waardering noem.

In de visie van tegenstanders van biomassa (welk standpunt in niet deel) komen vaak misvattingen voor alsof de in Europa gebruikte biomassa speciaal voor dat doel gekweekt is (wat niet zo is); dat de CO2 – emissie niet meetelt (wat niet zo is, die telt mee op de plaats waar gekapt wordt); dat ecologie gelijk gesteld moet worden aan bos (wat ook niet zo is); en wordt er niet geredeneerd vanuit de bosbouw en de producten daarvan (wat misleidend is).
Ik heb deze thema’s vele malen op deze site behandeld en daar verwijs ik graag naar. Zie o.a. www.bjmgerard.nl/?p=12131 en www.bjmgerard.nl/?p=12749 en www.bjmgerard.nl/?p=13611 , naast andere.

Het kabinetsstandpunt
Het kabinet heeft zijn visie neergelegd in het Duurzaamheidskader biogrondstoffen dd 16 oktober 2020 (hetgeen overigens betekent dat het voor de hoorzitting al af moet zijn geweest). Zie www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/10/16/duurzaamheidskader-biogrondstoffen .

Het kabinet neemt ongeveer de visie van de SER over met op strategische plaatsen de toevoeging ‘in principe’ (zie bijvoorbeeld onderaan blz 3) of ‘als het kan’ en dat is in mijn optiek heel verstandig. Het kabinet is af en toe wat minder schimmig dan de SER.
‘Fair share’ is bijvoorbeeld zo’n schimmig begrip, want wat is ‘fair’? Dat is een ideologisch begrip waarvoor verschillende opvattingen leveren.
‘Fair Trade’ is concreter. Dat is met afspraken en garanties invulbaar en voor een dele bestaan die al.

Mijns inziens fietst de Amercentrale net tussen alle verboden door. Er wordt niet ‘uitsluitend elektriciteit’ opgewekt (want er hangt een grote stadsverwarming aan); hij is vanaf 2025 geen kolencentrale meer; en de inzet voor lage temperatuurwarmte van houtige biogrondstoffen heeft ‘tijdelijk’ een belangrijke rol en daarna een rol bij pieklasten – waarbij niet gedefinieerd is wat tijdelijk is en wat pieklast is. ‘Cruciaal is dat duurzame alternatieven tegen redelijke kosten beschikbaar zijn.’ Men zegt hier nogal wat.
Het kabinet schetst een redelijk genuanceerd beeld van de opkomst en ondergang van houtige biomassa voor de verwarming van woonwijken met ene stadsverwarming (te lang om af te drukken, zie blz 9 onderaan tot blz 12 bovenaan). Een kenmerkende passage is ´Het kabinet hanteert hierbij als uitgangspunt een zo vroeg mogelijk maar verantwoord einde aan de afgifte van nieuwe subsidiebeschikkingen en overweegt daarbij de mogelijkheid om nieuwe subsidies voor basislast eerder af te bouwen dan die voor pieklast.’
Het PBL mag dat verder uitzoeken. Mensen in West-Brabant doen er verstandig aan om zich hiertegen aan te bemoeien.
Ten aanzien van groen gas spreekt het kabinet dezelfde blijde verwachtingen uit als de SER, zie www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/03/30/kamerbrief-routekaart-groen-gas en www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energie-opwekken/biogas/routekaart-groen-gas . Dat past bij het kabinetsbeleid om onder geen voorwaarde dwingende krimp aan de veeteelt op te leggen.
De Routekaart Groen Gas verdient een eigen bespreking op deze site. Die zal er komen.

Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel

Voor lucht- en scheepvaart, zwaar wegtransport en hoge temperatuurwarmte (in de industrie) wil het kabinet capaciteit voor de inzet van biomassa opbouwen.
Voor de luchtvaart betekent dat dat het kabinet in 2030 14% van alle in Nederland getankte kerosine duurzaam wil hebben en in 2050 100%, Dat staat in het sectorplan Slim en Duurzaam ( www.bjmgerard.nl/?p=7993 ). In navolging van BVM2 en het LBBL plaats ik daarbij de kanttekening dat een goede certificering leidend moet zijn, en de hoeveelheid volgend, en dat als je verder uit analyseert hoe het zit met bio- en Power to Liquid-brandstof, dat alleen met een kleiner aantal vliegbewegingen te halen is. Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=13623 .

In de industrie wil het kabinet de Topsectoren Eergie en Chemie een pilot laten starten met ene koolstofboekhouding.

Uiteindelijk komt het kabinet tot een Uitvoeringsagenda die aan de visie Duurzaamheidskader Biogrondstoffen zit vastgehecht. Ik geef deze als afbeelding.

Rapportage PBL over RES-sen

Inleiding
Het PlanBureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft een rapportage uitgebracht waarin het een beschouwing wijdt aan het totaal aan ingediende Regionale Energie Strategieën (RES-sen) in Nederland. Daarin zijn 27 van de 30 concept-RES-sen meegenomen en 25 impactanalyses op het elektriciteitsnet. De beschouwing is collectief en gaat niet per regio.
Het werkstuk is te vinden op www.pbl.nl/publicaties/regionale-energie-strategieen-een-tussentijdse-analyse .

Het was bedoeld als een tussentijdse analyse en aanvankelijk gepland voor 01 juni, maar door Corona is alles opgeschoven. De analyse is nu gepubliceerd op 01 oktober 2020, op welk moment de concept-RES-sen ingeleverd moesten zijn. Omdat het merendeel al eerder was aangeleverd en meegenomen kon worden, is de tussenanalyse eigenlijk meer een eindanalyse van de conceptfase.  

Doel is een versneld leerproces, zodat belanghebbenden eerder zicht krijgen om een RES goed te laten werken.

Regionale Energie Strategieën; een tussentijdse kwalitatieve analyse

De rapportage bespreekt op vooral kwalitatieve wijze vijf thema’s: Elektriciteit, Regionale Structuur Warmte, Ruimtegebruik, Bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke betrokkenheid, en energiesysteemefficiëntie.
Omdat een focus op afzonderlijke gemeenten niet mogelijk is en omdat de focus van deze website op Noord-Brabant ligt, leg ik de nadruk vooral de regionale en provinciale schaal. Brabant bestaat uit vier RES-regio’s: West-Brabant, Hart van Brabant ( = rond Tilburg en Waalwijk), het MRE-gebied (rond Eindhoven en Helmond, dus Zuidoost-Brabant en Noordoost-Brabant). Aan de concept-RES van elk van deze vier gebieden heb ik al eerder een artikel gewijd, zie De Regionale Energiestrategie West-Brabant ; De Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant ; De Regionale Energiestrategie Zuidoost-Brabant (MRE) ; en De Regionale Energiestrategie Noordoost Brabant .

Beschrijvingen zijn in het zwart en mijn commentaar in een steunkleur.

Elektriciteit
De opdracht was dat de gezamenlijke 30 regio’s opgeteld aan 35TWh (126PJ) duurzaam opgewekte elektriciteit moesten komen. Daarvoor mocht meetellen wind en grootschalige zon (vanaf 15kWpiek, de ondergrens voor de SDE+-subsidie). Bestaande installaties die aan deze voorwaarden voldoen, mogen meetellen.

27 regio’s komen (met enig voorbehoud) opgeteld tot ongeveer 50TWh. De regio’s verschillen onderling sterk in wat er al staat.
Die 50TWh kunnen op twee manieren onderverdeeld worden:

  • (met enig voorbehoud) 10TWh, reeds bestaand in 2019; 17TWh in de pijplijn (dwz, de SDE+subsidie is toegekend); en dus 23TWh nieuw (= de ambitie).
  • (met veel voorbehoud) 21TWh zon, 22TWh wind en 7TWh nog niet beslist

In de categorie ‘bestaand + pijplijn’ (dus 27TWh) bestaat ongeveer tweederde uit wind en een derde uit zon.
In de categorie ‘ambitie’ (dus 23TWh) bestaat ongeveer de helft uit zon (12TWh), een achtste uit wind (3TWh) en de rest uit ‘nog onbeslist’ (8TWh).

De populariteitsvolgorde is (aflopend) zon op dak (mits boven de SDE+drempel) – zon op land – wind .Deze categorieën vallen elk in hun eigen juridische categorie. De bestuurders verwachten meer van de categorie ‘zon op dak’ dan marktpartijen en netbeheerders. Deze vinden de door bestuurders ingeschatte benutting van grote daken (30 a 40%) te optimistisch.

Binnen de categorie ‘zon op land’ hebben de regio’s vooral in kleinschalige parken (<10 hectare) en binnen de categorie ‘wind’ voor turbines met een tiphoogte < 120m.
Het probleem hiermee is dat dit conflicteert met de op kostenefficiëntie gerichte SDE+ en met de eisen die het stroomnetwerk stelt. Een zonnepark bijvoorbeeld vraagt om een zwaardere aansluiting dan een windpark.
Kleinschaligheid maakt de stroomopwekking duurder. Omdat de groothandelsprijs voor stroom niet afhangt van de toevoeging van een nieuw klein project, betekent dat of dat er meer subsidie bij moet of dat het project niet uitvoerbaar is.

Verder valt op dat de combinatie van wind en zon nauwelijks of geen aandacht krijgt, terwijl die toch voor het netwerk een stuk efficiënter is.

Commentaar:
Ik voeg toe dat de RES-operatie slechts goed is voor ongeveer 30% van de huidige elektriciteitsvraag  (en voor een nog veel kleiner deel van de totale energievraag). Bovendien zal de elektriciteitsvraag gaan exploderen als de industrie gaat verduurzamen (bijvoorbeeld via de waterstofroute).
Naast of na de RES moet er dus nog veel meer duurzame stroom beschikbaar komen. De RES is slechts een tussensprint.

Mijn aanbeveling is om meer aandacht te geven aan combiprojecten van wind en zon, en om niet verliefd te zijn op kleinschaligheid. Dat is politiek gezelliger, maat het brengt veel minder op.

Verder zou ik veel sterker inzetten op voorlichting aan de bevolking en participatie van de bevolking over alle thema’s, waarbij het halen van de taakstelling voorop staat.

Regionale Structuur Warmte
Warmte is vaak een nieuw thema in bovengemeentelijke samenwerking. In de 20 regio’s, die al een warmtenet hebben, kiest men meestal voor uitbreiding daarvan.
De populariteit onder bestuurders (aflopend geformuleerd) lijkt te zijn warmtenetten – warmtepompen (de keuze daarvoor is soms negatief) – duurzame gassen .
Er is echter nog veel onzeker.

  • Technisch, bijvoorbeeld wat geothermie en aquathermie kan opbrengen
  • De regulering van warmtenetten
  • Wie betaalt wat? Een warmtepomp wordt nu individueel betaald en een warmtenet collectief (waarna achteraf verrekening plaatsvindt).
  • Wat worden de bepalingen over duurzame gassen, bijvoorbeeld over bijmenging? Welke duurzame gassen?
  • Hoe is de relatie met de industrie als leverancier of afnemer van warmte en idem van energie die warmte kan worden (groen gas)? Hoe pakt de competitie om grote restwarmtebronnen uit?

Commentaar:
Bij de opwek van duurzame elektriciteit is de techniek bekend is en de opbrengst redelijk in te schatten. Bij de diverse warmte-opties ligt dat meestal anders.
Eigenlijk is er te weinig bekend om van de regio’s te vragen om nu al een regionaal warmteplan te maken. Er zijn gewoon te veel vraagtekens. Maar ondertussen wil men wel van het gas af.
Er loopt soms al wel wat, zoals het SCAN-onderzoek naar geothermie, maar dat is nog niet af. Bovendien is er een nieuwe geothermietechniek met, zegt men, minder beperkingen (zie Geothermie met één put )
Zo ook zijn er losse projecten over aquathermie, maar ontbreekt een totaalindruk.
Er is een warmteatlas, maar er is nog nauwelijks een vertaling van de bronnen in die warmteatlas naar concrete projecten.
Wat is de toekomst van de Amercentrale en het eraan hangende warmtenet?
De herziene Warmtewet en Warmtebesluit roepen veel juridische vragen op.
Wat nodig is op regionaal, provinciaal en landelijk niveau is brede en diepe opbouw van kennis, zowel met theoretische modellen als met proeven, boringen, en dergelijke.

Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel

De PBL-studie vraagt aandacht voor duurzame gassen en noemt daarbij groen gas (methaan) en waterstof. Beide roepen op zichzelf ook weer talloze vragen op.
Groen gas is bijvoorbeeld voor 2030 voor ruim tweederde geprognosticeerd uit mest. Nu heb ik principieel niets tegen het vergisten of vergassen van mest, maar niet in de hoeveelheden die in Brabant de ronde doen. Zodoende wordt de warmtevoorziening gekoppeld aan het veeteeltvraagstuk, zonder dat dat gezegd wordt.
De duurzame productie van waterstof vreet stroom. Als men het bestaande stroomverbruik maatstafgevend maakt en alleen piekbelastingen daarbinnen voor waterstof gebruikt, krijg je niet veel waterstof. Als men grootschalige waterstof wil, bijvoorbeeld om de industrie te verduurzamen, explodeert het stroomverbruik (de ca 1TWh die het windpark in de Wieringermeer opbrengt is er een kleine jongen bij – overigens gaat daarvan, anders dan beweerd, slechts de helft naar Microsoft). Men kan in alle redelijkheid van de RES-regio’s en de provincie niet verwachten dat deze een dergelijke waterstofvisie uitwerken.

Omdat er in praktijk, en ondanks alle beperkingen en onzekerheden, toch wat moet als je van het gas af wilt, zou ik geen enkele optie bij voorbaat uitsluiten. Dus bijvoorbeeld ook geen fundamentalistische zuiverheid over biomassa in de Amercentrale.

Ruimtegebruik
Uiteindelijk moeten er zoekgebieden worden aangewezen en de zonneparken en turbines daarbinnen veranderen het landschap onvermijdelijk. Alle regio’s doen daar wel iets mee, maar de mate waarin loopt sterk uiteen.
Het PBL onderscheidt drie strategieën:

  • vanuit landgebruik en landschapstypes (hierboven het voorbeeld van H+N+S Landschapsarchitecten t.b.v. de RES van de MRE-regio – de RES daarvan is vaag en schuift vooruit, maar het H+N+S-verhaal is goed).
  • Vanuit ruimtelijke principes en denkrichtingen (spreiding versus concentratie, klein- versus grootschalig, schaal bij schaal, enz). Hierboven uit de regio FruitDelta/Rivierenland). Men gebruikt hier de Handreiking zuinig en meervoudig ruimtegebruik. Het PBL doet hier een beetje gereserveerd over, omdat men zich vaak beperkt tot afvinken en er meestal niet creatief gedacht wordt. Bovendien spreken elementen uit elkaar zichzelf soms tegen, zoals ‘vraag en aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar’ en ‘een eerlijke verdeling van lusten en lasten’ (wat alle regio’s willen). Synergie tussen meer doelstellingen in hetzelfde gebied komt nog niet erg van de grond.
  • Vanuit een bestaande ruimtelijke visie voor de regio (hierboven Hart van Brabant)

In de Uitvoeringsagenda van de Nationale Omgevings Visie (NOVI) is de ‘zonneladder’ gedefinieerd. Een goede behandeling daarvan is te vinden op https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i22312/nationale-omgevingsvisie-beperk-gebruik-landbouwgrond-en-natuur-voor-zonneparken :

  1. Op daken en gevels.
  2. Op onbenutte terreinen in bebouwd gebied.
  3. In landelijk gebied (waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, bermen van spoor -en autowegen).
  4. Op landbouw- en natuurgronden.

De bedoeling is dat de zonneladder het denken op volgorde zet en niet de uitvoering. De zonneladder is met nadruk niet volgtijdelijk bedoeld in die zin dat het eerste paneel pas op de grond mag als het laatste dak en de laatste vuilstort bedekt is. Toch maken sommige regio’s dat er wel van. Andere regio’s springen er vrijer mee om.

Voorstellen kunnen conflicteren met het beleid van de provincie (bijvoorbeeld over tijdelijkheid van inrichtingen of landschapskaders)

Commentaar:
Ik heb nog geen enkele RES gezien
waarbij niet al op voorhand vast stond dat daken, bermen en vuilstorten te weinig opleverden om aan de energiedoelen te voldoen. Of windturbines of zonneparken op landbouwgrond of beide zijn bij voorbaat nodig. En dan nog niet in rekening genomen dat de RES maar een deel is van een groter geheel.
In die zin is de zonneladder een rem op wat moet en is de volgtijdelijke uitgevoerde zonneladder een bewust gehanteerde sabotagetactiek. De natuurorganisaties, die dit bedacht hebben, hebben heel wat op hun geweten.
Mijns inziens moeten provincies, regio’s en gemeentes zich richten op de Gedragscode Zon op Land , die de natuurorganisaties, gedwongen door de ontwikkelingen, uiteindelijk overeengekomen zijn met de brancheorganisatie. Die Gedragscode is veel beter. Zie www.bjmgerard.nl/?p=10733 .

Er bestaat geen uitvoering van de RES die niet op een of andere manier het landschap verandert. Daar moet een zo goed mogelijk plan voor komen (bijvoorbeeld dat van H+N+S in de MRE-RES), maar het moet wel.
Mensen en natuurorganisaties zouden zichzelf de vraag moeten stellen wat voor hen voorop staat: het belang van de natuur zelf , of het belang van de menselijke beleving van de natuur. Dat zijn twee geheel verschillende zaken.
Objectief schaadt een goed beheerd windpark de natuur niet of nauwelijks, en objectief kan een goed aangelegd zonnepark een verrijking zijn voor de biodiversiteit. Subjectief vinden mensen het niet fijn voor hun natuurbeleving. Als de aanleg en het beheer van ene energiepark goed worden uitgevoerd, vind ik het objectieve belang van het klimaat leidend.

Bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke betrokkenheid
Alle regio’s willen participatie en lokale inbreng. De meningen verschillen over hoe en in welk stadium. De concept-RES hoefde alleen bestuurlijk geaccordeerd te worden en hoefde niet te worden voorgelegd aan de gemeenteraden (wat onverplicht toch wel eens gebeurd is).
Het PBL komt in de concept-RESsen de vier basisvarianten tegen die in bovenstaande tabel weergegeven zijn. De MRE bijvoorbeeld koos (al dan niet door onenigheid gedwongen) de facto voor links boven. Eerst het regionale bod en vervolgens de grote vraag wie de zoekgebieden voor zijn rekening wil nemen.
De bemoeienis van de gemeenteraad en van de bevolking liep in de verschillende regio’s sterk uiteen. Zoekgebieden zijn vaak ‘technisch’ tot stand gekomen en nog weinig concreet – wat meestal betekent dat de discussie komt als de plannen wel concreet worden.

Projecten roepen overwegingen op over de verhouding tussen markt en overheid. Enkele RES-gebieden willen een eigen energieontwikkelingsorganisatie opzetten, maar de meeste zien de private partij als een gegeven en denken na over hoe in dat kader de financiële participatie vorm moet krijgen (50% lokaal eigenaarschap, hoe moet dat?) Kunnen arme mensen ook niet-risicodragend meedoen? Moet er een duurzaamheidsfonds komen? Moeten projectontwikkelaars een alliantie sluiten met buurtverenigingen? Moeten gemeenten bij de bank garant staan voor energiecoöperaties?

Commentaar:
Projecten roepen ook overwegingen op over de verhouding tussen gemeente, regio, provincie en Rijk. Regio’s hebben geen bevoegdheden. Ze moeten van alles en ze mogen niks. Dat roept automatisch de vraag op naar de opstelling van de provincie. Is die dienend of leidend of beide? Waarom moeten zon- en windprojecten perse tijdelijk zijn? Snelwegen, woonwijken en het PSV-stadion zijn ook niet tijdelijk. Hoe stelt de provincie zich financieel op?
Ik zou de provinciale regelgeving systematisch doorlopen of het op bepaalde punten niet ruimhartiger kon.

Er ligt ook een vraag aan het Rijk. De SDE+regeling is er op gefocust om met zo weinig mogelijk belastinggeld zoveel mogelijk verduurzaming te bereiken. Op zich een loffelijk streven, maar het botst op de lokale verlangens naar kleinschaligheid en onzichtbaarheid.
Ik ben zelf in deze voor het grote gebaar, maar misschien is het om politieke redenen verstandig om een categorie in de SDE+ te definiëren die voor dit soort situaties adequaat is. Het lijkt me iets voor de provinciekoepel IPO,

Ik zou bij de huidige lage groothandelsprijs voor stroom (op de EPEX rond de 3 a 4 cent/kWh en af en toe negatief) voorzichtig zijn met een eigen energiebedrijf. Geen enkele opwektechniek op het land kan voor dat bedrag leveren. Daarom is SDE+-subsidie nodig en dan moet je weten waar je aan begint. Die is afgestemd op een gemiddelde organisatie binnen de branche met voldoende diepe zakken.
Ik zou op dit moment, al dan niet van harte, het bestaan van private partijen voor lief nemen en daarmee dealen. Daar kun je een eind mee komen en je loopt als gemeente of provincie geen ondernemersrisico.

Energiesysteemefficiëntie
Dat gaat in praktijk over het elektriciteitsnetwerk.

De capaciteit van ongeveer tweederde van de onderzochte stations (hoog-, tussen- en middenspanning) is waarschijnlijk te laag in 2030. Ook vóór de RES was het overigens soms al kritisch. Er moet bijgebouwd en verzwaard worden. Het is de vraag of daarvoor voldoende personeel is, soms ontbreekt de ruimte, en de doorlooptijden zijn sowieso al 5 tot 7 jaar.
Veel zon in de mix maakt het voor netwerkbedrijven moeilijker. De elektriciteitsproductie uit wind is ongeveer drie keer efficiënter dan uit zon (bij hetzelfde nominaal vermogen een drie keer langere bedrijfstijd).

De ene oplossingsrichting is netverzwaring.
De andere oplossingsrichting is een mix van alternatieven:

  • Aanpassing van het aandeel wind of zon per station
  • Aftopping bij piekbelasting zon
  • Wind en zon combineren op één netwerkkabel
  • Lokaal verbruik aan lokale opwekking koppelen (bijvoorbeeld zonneparken direct op laadstations)
  • Opslag (met batterijen of waterstof), in combinatie met
  • Energiesysteemintegratie (bijvoorbeeld koppeling aan de warmtetransitie)
Koppeling van een elektriciteitsnetwerk aan een warmtenetwerk

Commentaar:
Het is verstandig een beleid op provinciaal niveau te ontwikkelen (voor zover dat er niet al is) dat veel sterker op de alternatieve oplossingsrichtingen gericht is.
Daaraan zou nog moeten worden toegevoegd initiatieven om het tijdstip waarop elektriciteit gevraagd wordt te beïnvloeden (de wasmachine niet laten draaien omdat het avond is, maar omdat de zon schijnt).
Er bestaan smart grids voor stroom en ook voor warmte, die aan elkaar gekoppeld kunnen worden met Power to Heat-omzetting.
Dit soort ontwikkelingswerk is typisch iets dat op provinciaal niveau kan plaatsvinden, in samenwerking met Enexis, de TU/e, de Open Universiteit en bijvoorbeeld Ecovat.

Waterstofpolitiek is meer een landelijke zaak (TNO).

SER-advies schrapt biomassa voor energiedoeleinden te snel en op te losse gronden

De ‘polder’ en wat eraan vooraf ging
In 2013 kwam in de SER een Klimaatakkoord tot stand, op basis waarvan in 2020 Nederland 14% van zijn energie duurzaam moest opwekken, en in 2023 16%. Daarvan mocht 25PJ uit (bij)stook van biomassa in kolencentrales komen. Verder moesten de duurzaamheidscriteria voor biomassa bovenwettelijk worden aangescherpt (wat gebeurd is).
Zie www.ser.nl/nl/thema/energie-en-duurzaamheid/energieakkoord/database .

Inmiddels is de Nederlandse biomassawetgeving waarschijnlijk de strengste ter wereld.

Zoals hier vaker betoogd (en zoals ook de SER stelt) is biomassa een ruim begrip, van mest tot biodiesel tot rioolslib tot snoeiafval tot dunningshout. In 2018 was biomassa goed voor 61% van alle duurzame energie.
Een deel van de biomassa is houtig en een deel van de houtige biomassa komt uit het bos. In 2018 werd er in Nederland voor ruwweg 22PJ aan hout verbrand in alle min of meer grootschalige inrichtingen samen, en daarvan kwam het grootste deel niet uit het bos. De houtige biomassa kwam voor driekwart uit Nederland en voor een kwart uit andere landen in Europa.
Cijfers zijn altijd goed om de proporties te zien.
Zie www.bjmgerard.nl/?p=9853 .

De SER is de polder en de polder poldert tot er een compromis is, en de 25PJ was bij Greenpeace en andere milieuorganisaties niet van harte.
Ondertussen ging de discussie door, en liep zelfs hoog op, soms over feiten maar meestal over meningen die  vaak weinig met feiten te maken hebben. Ik heb hierover in deze kolommen veel bericht.

Categorieën toepassingen van biomassa

De discussie werd van overheidswege gekanaliseerd via een advies van Haskoning DHV, een dubbeladvies (in coproductie) van het PBL en CE Delft (zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 ) naar een nieuw SER-advies “Biomassa in balans”.

Dat is uitgebracht door de vaste bezetting van vakbondsleden, werkgeversafgevaardigden, Kroonleden en vertegenwoordigers van het ministerie, aangevuld met mensen namens Natuur en Milieu en Milieudefensie, en adviseurs uit kringen van het PBL, CPB, Nederlandse Bank MVO-NI en iemand vanuit een circulaire economie-onderneming.
In de twee dragende commissies zaten geen mensen, die herkenbaar uit de energiewereld of de bosbouw komen.

Een samenvatting van Biomassa in Balans
Het SER-advies gaat (dat is een keuze vooraf) niet over voedsel.

De SER wil dat biogrondstoffen bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot, aan de circulaire economie en als bodemverbeteraar.
Het doel “bodemverbetaar” wordt als voorwaarde ingebouwd voor duurzame productie en keert niet als zelfstandig beargumenteerd doel terug. Daardoor wordt niet duidelijk wat men zich hier bij moet voorstellen.
De SER meent dat er voor veel energieopwekking al technische mogelijkheden bestaan (uit zon en wind). De technische noodzaak om energie uit biomassa in te zetten beperkt zich steeds verder tot onderwerpen als zwaar wegtransport, luchtvaart en (zee)scheepvaart. Dat zou een overgangsfase zijn, omdat er, naar de mening van de SER, vanaf 2030 andere oplossingen in beeld komen zoals verdere energiebesparing en Power to Liquid-brandstoffen.
Daarom moeten zaken als lagetemperatuurwarmte, licht wegtransport (personenauto’s) en elektriciteit op niet al te lange termijn niet meer door biomassa mogelijk gemaakt moeten worden – dus geen hout meer in de stadsverwarming, geen bioethanol meer in de tank en centrale elektriciteitsopwekking nog slechts voor piekbelastingen.

Samenvatting van de voorstellen

De niet meer voor energie benodigde biomassa zou basis moeten worden voor een materialen en groene chemie. Als voorbeeld verschijnen zaken als biocomposieten en biobeton uit olifantsgras, maar verder blijft het bij de algemene categorie-aanduiding ‘biobased economy’. Op de langere termijn wordt dit de norm en de energieproductie de uitzondering, al kan er na deze vormen van cascadering restmateriaal achterblijven waar men niets anders meer mee kan dan energie produceren.
Uit een suikerbiet bijvoorbeeld komt als vanouds suiker, maar ook groen gas en veevoer. De SER meent dat deze stromen niet meer als hoofd- en bijstroom aangeduid kunnen worden, maar dat ze als onderling gelijkwaardig gezien moeten worden – waarbij de duurzaamheidseisen voor alle stromen gelden, liefst geharmoniseerd (dus dezelfde duurzaamheidseisen voor hout, papier en warmte). Idealiter bestaat voor de SER het woord ‘reststroom niet’.

Toepassingen van de suikerbiet. Hiermee wil niet gezegd zijn dat al deze toepassingen gelijktijdig mogelijk zijn.

Het verbranden van biomassa is bij de SER niet hoogwaardig en andere doelen, min of meer per definitie, wel. Het woord ‘hoogwaardig’ krijgt geen expliciete definitie. Het is een soort containerbegrip.

De  SER meent dat de Europese RED II – richtlijn, aangevuld met de ILUC-richtlijn en met de bovenwettelijke bepalingen in de SDE+-subsidievoorwaarden, op zich een goede aanpak zijn om de duurzaamheid van biomassa te waarborgen. Het probleem is alleen, dat RED II alleen bedoeld is voor elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer. RED II zou ook moeten gaan gelden voor bijvoorbeeld bouwmaterialen en chemische grondstoffen.
De SER is tevreden over de bij RED II horende certificerings- en verificatiestructuur.
RED II biedt de mogelijkheid om van toepassing verklaard te worden op installaties onder de 20MWth ingangsvermogen (vaste biobrandstof) en 2MWth (gasvormige biomassa). De SER pleit ervoor om dat te doen.
En passant stelt de SER voor om de drempel voor de Omgevingsvergunningsplicht in verband met de luchtkwaliteit te verlagen. Grotere installaties met een uitgebreide rookgasreiniging kunnen negatieve effecten op de luchtkwaliteit nagenoeg geheel voorkomen.

De SER redeneert vanuit een kapitalistische markteconomie. Bedrijfsleven en overheid zijn samen verantwoordelijk, maar de markt is hoofdzaak en de overheid ondersteunend.

De vraag of er genoeg biomassa is voor de Nederlandse behoefte is moeilijk te beantwoorden. Zowel de geschatte vraag als het geschatte aanbod zijn een zeer brede range aan schattingen. In de EU (en a fortiori mondiaal) is er ruim genoeg om de Nederlandse behoefte af te dekken, maar dan rijst de vraag hoeveel % Nederland daarvan naar zich toe mag trekken. Als naar rato, dan naar rato van wat? Die vraag is niet objectief beantwoordbaar en de SER houdt hier de boot af. Zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 .

Wat ik er van vind
Ik heb er een gemengd oordeel over en uiteindelijk is dat meer negatief dan positief.

Ik deel de mening van de SER dat het nodig is om het gebruik van biomassa voor energie enerzijds en voor chemie en materialen anderzijds in elkaar te schuiven. Op zich is dat iets wat moet. En in beginsel steun ik het cascaderingsbeginsel en heeft groene chemie mooie beginselen (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Groene_chemie ).
Verder ben ik het met de praktische eisen eens dat de Omgevingsvergunningen moeten worden aangescherpt en dat een goede rookgasreiniging bijna alle luchtvervuiling tegenhoudt. Open haarden en pelletkachels zijn niet schoon te krijgen en moeten worden uitgefaseerd.
Ik deel de waardering van de SER voor de systematiek van de Europese RED II -richtlijn en het bijbehorende certificerings- en verificatiesysteem. Een uitbreiding naar andere sectoren dan alleen elektriciteit, warmte en koeling en transport is voor mij bespreekbaar, maar ik wil hen dan wel eerst gezien hebben.
Ook vind ik het juist dat op korte termijn de bijmengplicht van biodiesel en -ethanol in personenauto’s moet worden afgeschaft.

Maar ik vind het SER-advies onverantwoord optimistisch.

De beslisboom van de SER

Het neemt te makkelijk aan dat het bedrijfsleven de uitdagingen aanpakt. De verhalen klinken mooi, maar in praktijk zitten bedrijven vaak op hun kont tot het probleem met overheidsgeld voor ze opgelost is of tot ze keihard moeten.
De geschiedenis van de biokerosine in Europa is een voorbeeld. In 2011 plande de EC het Biofuel FlightPath Initiative . Dat moest in 2020 2Mton/y aan biokerosine produceren (goed voor 93PJ, ca 4% van de Europese kerosinemarkt). Maar het zou de tickets voor een typische 1000-km vlucht een paar Euro duurder gemaakt hebben en dat was voor de luchtvaartmaatschappijen een onbegaanbaar pad. En als er dan toch wat moest, was het ETS of Corsia goedkoper dan biokerosine. Zodoende worden er in Europa pas sinds heel kort (bij Neste Oil)  een paar druppels bio jet fuel vervaardigd.
Neste Oil was veel groter in de biodiesel, o.a. vanwege de eenvoudige reden dat vanwege de bijmengverplichting de afzet gegarandeerd was, en omdat biodiesel goedkoper om te maken is en aan minder strenge eisen hoeft te voldoen.
Biobrandstof komt tot nu toe tot stand op basis van overheidsverplichting en niet op basis van de vrije markt. .

Jet fuel prijs – fossiel en bio

In zijn algemeenheid kom je in artikelen over groene chemie vooral woorden tegen als ‘kans’, ‘pilot’, ‘research’ en dergelijke. Er is weinig concrete grootschalige bestaande productie.
Trouwens, dezelfde discussie als over concurrentie tussen brandstof en voedsel kan ook gaan spelen over de concurrentie tussen groene chemie en voedsel. Wie bepaalt welk deel van de suikerbiet suiker wordt of plastic wordt of biogas wordt?

Ik vind de SER aan de overmoed lijdt dat als iets technisch kan of denkbaar is, dat daarmee eigenlijk al vast staat dat het ook inderdaad zal gebeuren.

Biokerosine kent al vele jaren technisch rijpe of bijna rijpe grondstof-productcombinaties, maar de mondiale productie mag nauwelijks naam hebben. De fabriek in Delfzijl van SkyNRG bijvoorbeeld (die afgewerkte olie en vet verwerkt) moet nog gebouwd gaan worden, en nu al begint de SER met aanduidingen als “overgangsmaatregel” en “in 2030 een nieuwe techniek”. Je mag blij zijn als die fabriek in Delfzijl dan überhaupt goed is begonnen te draaien.
Ik moet ook nog zien dat er in 2030 inderdaad een commercieel opgeschaalde, werkende Power to Liquid-brandstoftechniek is. Niet zozeer omdat de techniek onmogelijk is (dat kan wel, vooralsnog op schaal van liters), maar omdat het gigantische hoeveelheden stroom vreet en er een gigantische ingreep in de infrastructuur nodig is. Het verhaal over het datacenter in de Flevopolder is er kinderspel bij.
Persoonlijk denk ik, dat de biokerosine gewoon in het pakket blijft en dat daarnaast er ook Power to Liquid-kerosine komt, en dat beide samen nog niet genoeg zijn bij het huidige groeitempo van de luchtvaart.

Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel

Een ander voorbeeld waar de SER veel te makkelijk over denkt is over groen gas. Dat idee wordt eventjes van stal  gehaald (de beeldspraak is bijna letterlijk van toepassing). Tot eigen noodlot laat de SER hier het woord “veeteelt” ongenoemd.
De Groen Gas-website ( https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ ) noemt een ambitie van 70PJ in 2030. Bij nadere lezing blijkt dat daarvan minstens tweederde uit mest te moeten komen.
Nu garandeer ik iedereen die dit in Oost-Brabant of de Achterhoek komt voorstellen een heftig onthaal. De landbouw is daar zo uit de klauwen gelopen dat bij elk idee in die richting bij wijze van spreken de hooivorken ter hand genomen worden. En ik zeg dat dan nog met enige sympathie richting mestvergisting of -vergassing, want ik ben zelf voorstander. Maar vergeet het maar als je niet minstens gelijktijdig een kwart minder dieren in de aanbieding hebt.
Misschien kunnen de geachte afgevaardigden van Natuur en Milieu eens in die contreien op missiebezoek gaan?

Houtsnippers. Anders dan vaak gedacht, bedient de versnipperaar vooral de papierfabriek en plaatmateriaalfabriek. Dat brengt meer op en brandhout betaalt per kuub tamelijk slecht. Er wordt al eeuwen resp. decennia duurzaam  materiaal gemaakt.
Nou kun je van houtsnippers ook (hemi)cellulose (en daaruit weer suikers en daaruit weer andere stoffen) maken, en lignine (waar je bijvoorbeeld fenol uit kunt maken en dan weer fenolformaldehyde-lijm). Het gebeurt alleen maar mondjesmaat omdat dezelfde lijm uit aardolie goedkoper is. Kans dat het de houtsnippers meer waard zou maken en dat het lonender wordt om hout te versnipperen….

Ik ben niet tegen (zelfs voor) groene chemie, maar de absoluutheid waarmee de verhoudingen in tien jaar omgedraaid worden is ongemotiveerd.

Andersom uitgedrukt wordt ook veel te gemakkelijk gezegd dat er voor de elektriciteitsproductie duurzame alternatieven zijn en dat er binnenkort geen elektriciteitsproductie uit biomassa meer nodig is. Dat probleem is overigens niet alleen maar geld, maar nog meer ruimtelijke ordening.

De locatie van de Amercentrale

Ga eens rekenen aan Noord-Brabant en aan de Amer9-centrale.
NBrabant verbruikt nu ongeveer 290PJ en als het in lijn bezuinigt met landelijk, is dat in 2050 260PJ (en zeg, in 2030 270PJ). Die moet in 2030 tot stand komen met 50% minder CO2, dus moet NBrabant in 2030  all-in 135PJ duurzaam hebben staan (eigenlijk meer, want die 50% is ten opzichte van 1990). In 2019 was dat all-in (schatting) 24PJ.
De gezamenlijke Regionale Energie Strategieën (RES) van Brabant zijn samen ongeveer goed voor 24PJ hernieuwbare grootschalige elektriciteit, als iedereen voor elkaar krijgt wat men belooft. Die 24PJ dubbelt met de bestaande wind en grootschalige zon die er in 2019 stond, samen orde van grootte 4PJ). Moet er dus nog, in het kader van de RES, orde van grootte 20PJ = 24-4 bij tussen nu en 2030. De uitvoering van de RES is een bestuurlijke mega-operatie.
Voor de warmtepoot van de RES moet er extra warmte ontwikkeld worden, voor een deel afkomstig uit elektriciteit en voor een deel niet. Doe voor 30.000 huizen tot 2030 eens 1PJ.
Naast  die mega-operatie RES zal er spontaan buiten de RES ook nog wel het een en ander bijkomen. Doe eens met de natte vinger (met lijntjes doortrekken) dat er autonoom nog 10PJ bijkomt (het gaat maar om ordes van grootte).
Voor de Amer9 bestaan tot nu toe twee mogelijkheden: of  bestaat vanaf 2025 op basis van 100% biomassa, of hij bestaat niet meer. De centrale, zoals die nu is, is goed voor ca 17PJ stroom en 4PJ warmte. Nu zal hiervan ongeveer de helft, ca 10PJ, al opgenomen zijn in de bestaande duurzame 24PJ, en de andere helft, de ongeveer 11PJ die nog duurzaam moet worden, nog niet.
Als de Amer9 blijft draaien, voegt hij vanaf 2025 ongeveer 11PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 66PJ (24+20+1+10+11).
Als de Amer9 dicht gaat, voegt hij vanaf 2025 ongeveer -10PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 45PJ (24+20+1+10-10).
Kortom, de Amercentrale scheelt een slok op een borrel. Sluiting van de Amercentrale betekent ongeveer een extra RES. Om op hetzelfde punt uit te komen, moet de provincie Brabant nu, naast de bestaande RES, nog een tweede RES gaan uitvoeren.
De gedachte van de SER dat er binnenkort genoeg alternatieven zijn en dat de elektriciteitsproductie uit biomassa overbodig is, is een onbewezen bewering die in Brabant nergens op slaat.

Het is opnieuw zo’n vorm van techniekovermoed dat als iets technisch denkbaar is, het daarmee vast staat dat het dan ook zal gebeuren.
De SER hanteert een ‘brede welzijnsbenadering’ op basis van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. Maar de landschapsbeleving van omwonenden en het geluid en de slagschaduw van windturbines zitten daar niet in. En dat is een politiek mogelijk ongewenst, maat politiek belangrijk gegeven.

De afspraken in het Klimaatakkoord moeten worden uitgevoerd. Na de RES moet daartoe nog heel veel extra beleid gerealiseerd worden. Dat zal nog moeite genoeg kosten. Het sluiten van een biomassacentrale die goed draait, niet tot klachten in de omgeving leidt, geen extra elektrische infrastructuur nodig heeft en min of meer regelbaar is, en waar een groot warmtenet aanhangt dat anders, in elk geval voor onbepaalde tijd, op Russisch gas gestookt moet worden,  lijkt me niet de snuggerste aanpak.

Wat zou ik doen als ik minister was?
Op de eerste plaats beloven dat ik, ondanks alles, geen extra (Russisch) gas ga importeren, en zou ik de Tweede Kamer vragen om dit ook uit  te spreken.

By Samuel Bailey (sam.bailus@gmail.com) – Own work, CC BY 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8454588

Ik zou mij op de tweede plaats realiseren, en dit met de Tweede Kamer bespreken, dat de Staat der Nederlanden historisch berucht is om de grilligheid van zijn energiebeleid – dit tot grote schade. Deze SER-move is de zoveelste zwieper in een lange geschiedenis.
Elke vorm van planmatig lange termijn-denken wordt in Nederland op deze wijze met kracht bestreden.

Ten derde zou ik het besluit nemen om tot een soort strategisch compromis te komen tussen de, op zichzelf reële, verlangens van de groene chemie-sector enerzijds en de, eveneens reële,  voortgezette inzet van biomassa voor energiedoeleinden anderzijds.
Dat betekent een zoektocht naar lange termijn-afspraken met leveranciers en een dirigistische politieke sturing wie wat krijgt. De vrije markt moet aan banden gelegd worden.

Ik zo eisen dat de groene chemie-sector met een strategisch plan komt waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de deelnemende bedrijven aangeven welke inspanningen ze zelf leveren. Een dirigistische industriepolitiek is hierbij denkbaar.
Onmisbare bestemmingen als biokerosine (bij voorkeur op basis van RED II annex IX A en IX B) en stookolie voor zeeschepen hebben voorrang. Bijmenging van ethanol  en biodiesel in tanks van personenwagens wordt afgeschaft.

Verder zou ik een nader te bepalen aantal bestaande grote energieprojecten definieren die beschermd worden zodat ze kunnen doorgaan, als met de exploitanten overeenstemming kan worden bereikt over de condities. De milieuvergunningen moeten aangescherpt worden met een rookgasreiniging op ALARA-basis.
De Amer9-centrale is een van deze projecten.
Aan deze projecten wordt op een of andere manier een eindigheidsperspectief gekoppeld, maar dat kan lang zijn. In die tijd moet er een plan worden ontworpen en uitgevoerd om het biomassaverbruik van deze projecten geleidelijk aan terug te dringen.
Voor de Amer9 is deze overgangstermijn bijvoorbeeld 15 of 20 jaar, rekenend vanaf 2020.

Kansen en risico’s van mestvergisting

Proces- en risico-analyse Berenschot van SDE+/GVO in 2017
In 2017 heeft het bureau-Berenschot voor regering en parlement een onderzoek uitgevoerd naar de Regeling SDE+ (Stimulering Duurzame Energie) en naar de Regeling Garanties van Oorsprong (GVO). Daaruit kwamen vijf risico’s bij duurzame warmte en mestvergisting naar voren. Ook heeft Berenschot aanbevelingen gedaan.

Er zijn ‘grote stappen’ gezet, aldus minister Wiebes in een brief aan de Tweede Kamer dd 15 mei 2019. In die brief bespreekt hij de vijf risico’s. Zie https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/05/15/kamerbrief-over-maatregelen-naar-aanleiding-van-proces-en-risicoanalyse-sde-gvo-regeling/kamerbrief-over-maatregelen-naar-aanleiding-van-proces-en-risicoanalyse-sde-gvo-regeling.pdf .
De eerste twee hebben een vooral technisch karakter en gaan over het verbeteren van de verwerving en de omgang met meetgegevens. Die laat ik hier onbesproken.

Warmte
Men kan SDE+ – subsidie krijgen voor duurzame warmte. Die warmte moet uiteraard ook daadwerkelijk worden ingezet voor wat volgens de criteria ‘nuttig’ heet. Dat bleek soms moeilijk te controleren.
De afspraak is nu dat de controlerende instantie CertiQ meer geautomatiseerd en vaker meetgegevens binnen moet krijgen en dat de toepassingen een code krijgen. Bij hoog risico-toepassingen gaat RVO vaker controleren.

Duurzame energie als % van alle energie (7,4% = 158PJ)

Mestvergisting
Bij covergisting moet minstens 50% dierlijke mest gebruikt worden, en bij monovergisting minstens 95%. In beide gevallen kan er toeslagmateriaal ingezet worden. Er bestaat een limitatieve lijst met wat daarvoor gebruikt mag worden. Die blijkt echter moeilijk te controleren. Bij grote bedrijven moet de accountant zelf controleren wat er met de stront bijgemengd wordt, en bij kleine bedrijven mag dat worden uitbesteed aan een meetbedrijf.

Tot nu toe stond niet in de subsidievoorwaarden van de SDE+ dat een vergister aan de meststoffenwetgeving moet voldoen. Nu wel, en dat maakt het mogelijk de subsidie bij wangedrag in te trekken en maakt meer gerichte controles mogelijk.

De rubriek ‘covergisting” houdt vanaf 2019 op te bestaan  en gaat onder de categorie ‘allesvergisting’ vallen. Co-vergisten brengt nu geen financieel voordeel meer, waardoor het genoemde 50%-aandeel niet meer gecontroleerd hoeft te worden.

Er zijn overtredingen die bestuurlijk zijn en/of op basis van de subsidievoorwaarden afgehandeld kunnen worden. Er zijn twee situaties rond vergistingsbedrijven die SDE+subside hebben, waar een vermoeden van fraude is (en dus het strafrecht geldt).

Maar mestvergisting is niet alleen een probleem, het levert ook op. De ruim 200  installaties in Nederland die biomassa, mest of beide vergisten, produceren bijna 12PJ aan elektriciteit en/of groen gas en/of hernieuwbare warmte.
Een schets van de context om dit getal te plaatsen.
De totale hoeveelheid duurzame energie in Nederland bedroeg in 2018 158PJ, goed voor 7,4% van alle energie (www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/22/aandeel-hernieuwbare-energie-naar-7-4-procent ), waarvan ongeveer 12PJ uit zonne-energie. Mestvergisting leverde dus in 2018 ongeveer evenveel energie als zonnepanelen.
De hoeveelheid energie uit zonnepanelen zal groeien, maar zo ook de hoeveelheid uit mestvergisting. Men verwacht dat er nog 85 bedrijven bijkomen, samen goed voor bijna 10PJ.

Energie uit wind en zon (CBS)

Men ziet overigens ook aan de eerste CBS-grafiek dat de grotere categorie biomassa, waarvan mestvergisting een onderdeel is, goed is voor 61% van alle duurzame energie (dus 96PJ).

Biomassa kent zijn dilemma’s  en daarbinnen mestvergisting ook (zoals de veronderstelde relatie met de te grote veestapel). En omgevingsvergunningen moeten goed zijn.
Maar ik verzet mij tegen de huidige trend om beide per definitie politiek te verdoemen.

Mestvergister Princepeel bij St Odiliapeel

Boxtelse gemeenteraad eist maximale inzet Vion om overlast te verminderen

De aanleiding
De  Vion runt in Boxtel veruit de grootste slachterij van Nederland. Er worden dagelijks 20.000 varkens gedood.
Sinds jaar en dag domineert de milieuoverlast van dit proces Boxtel. Het stinkt naar kadavers en wat daarbij hoort, en er komt herrie uit het complex, en omwonenden werden ziek van de legionellabesmetting. Het bekende Groene Boekje van de VNG adviseert bij slachterijen een afstand van 100m van de poort tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing, maar in Boxtel is dat maar 60m tot het appartementencomplex Stapelen.

Nu is de Vion met een, op zichzelf beperkte, reorganisatie bezig. Nu rijden er vrachtauto’s met halve varkens naar Scherpenzeel in de Gelderse Vallei, alwaar deze halve varkens verder uitgebeend worden. Vion wil dat uitbenen naar Boxtel halen. Voor het concern als geheel betekent dat een licht milieuvoordeel omdat er veel vrachtauto-bewegingen wegvallen, maar voor Boxtel betekent het een uitbreiding. Er komen onder andere 250 mensen meer te werken en daar horen, behalve meer vloeroppervlak, auto’s en Polenbusjes bij. Daar staan ook weer extra maatregelen tegenover, zodat de reorganisatie per saldo in Boxtel betrekkelijk weinig effect op de leefomgeving heeft.

Deze aanloop is in deze blog al eerder aan de orde geweest, zie www.bjmgerard.nl/?p=9213 .

Een kleine volksopstand
De kleine aanleiding leidde tot veel grotere ophef. Al de opgekropte boosheid over de sinds jaar en dag bestaande situatie kwam eruit: de milieuoverlast, de onwil van Vion om daar wat aan te doen, de legionella en de volgzaamheid van het gemeentebestuur, zijnde bevoegd gezag voor Vion.

Het pand van Vion

Het verzet bundelde zich in de actiegroep La Vie en Rose. Dat leidde tot een door ca duizend mensen ondertekend manifest en tot zo’n 40 a 50 zienswijzen.
De zienswijzen zeggen allemaal in uiteenlopende bewoordingen weinig over de feitelijke aanleiding, en veel over de bestaande situatie. Idem het manifest. Beide zijn juridisch  kansloos, omdat de beperkte uitbreiding per saldo weinig of geen effect heeft op de klachten. Politiek echter had het verzet veel kracht. Boxtel had er gewoon genoeg van.

Stankwetgeving over industriële inrichtingen
De stank, veroorzaakt door industriële inrichtingen (en dus niet van veehouderijen, dat is andere wetgeving)  wordt in eerste instantie gereguleerd met het Aktiviteitenbesluit en de bijbehorende Ministeriele Regeling. De Vion is daarnaast ook vergunningplichtig.

Nadien aangepaste tekst: VION moet voldoen aan een vergunning uit 2013, welke op zijn beurt weer teruggrijpt op een vergunning uit 2009.

(Eerder in deze blog is geschreven over Coppens Diervoeders in Helmond, waar maatschappelijk verzet uiteindelijk bovenwettelijke maatregelen afgedwongen heeft die het stankprobleem grotendeels of geheel opgelost hebben. Daar was nog sprake van een binnen de branche afgesproken Bijzondere Regelgeving, waarin o.a. de Best Beschikbare Technieken benoemd werden. Die bestond toen ook voor de vleesindustrie, waaronder slachterijen. Per 1 jan 2016 zijn deze Bijzondere Regelingen opgeheven en opgegaan in het Activiteitenbesluit – ‘opgegaan’ kan hier gelezen worden als ‘verdwenen’. Wat er op deze site over het onderwerp geschreven is over Coppens was toen waar, maar is nu achterhaald.)

Opstelplaats van de veewagens. De werkzaamheden dienen de bouw van een overkapping

Het Activiteitenbesluit krijgt pas werkingskracht als de geurhinder onaanvaardbaar is, en die is pas onaanvaardbaar als het bevoegd gezag zegt dat het onaanvaardbaar is. Daarvoor bestaan geen landelijk vastgestelde, vaste normen, al kan het bevoegd gezag natuurlijk niet zomaar elk wissewasje onaanvaardbaar noemen.
Onder een dergelijk oordeel moet een zekere mate van objectivering liggen, want anders valt er niet te handhaven. Dat betekent een vorm van beleid, maar Boxtel heeft geen geurbeleid, zoals de provincie Noord-Brabant en de gemeente Helmond dat wel hebben.

Het politieke proces
Vandaar dat de Boxtelse actie zich erop richtte om het bevoegd gezag (dus B&W van Boxtel) het ‘onaanvaardbaar’ te laten uitspreken. Dat is voortreffelijk gelukt. Na overleg tussen Vion en B&W stemde Vion in met een onderzoek naar de Best Beschikbare Technieken en aangescherpte procedures. Deze toezegging is in het eerdere artikel www.bjmgerard.nl/?p=9213 verwerkt. “We willen een Vion die niet meer stinkt” is, kort samengevat, de politieke wens.

Naar aanleiding van de commotie, het manifest met zijn duizend ondertekeningen en de tientallen zienswijzen nodigde interim-burgemeester Naterop van Boxtel de actiegroep La Vie en Rose uit voor een gesprek (op 1 juli). De actiegroep nodigde mij uit om mee te gaan als adviseur.

Het was een goed gesprek. Naterop werd vergezeld door een juridische engel aan zijn linkerzij en idem aan zijn rechterzij, maar dat werkte wel goed.
De gang van zaken werd gesplitst in een beperkte juridische proces rond de lopende vergunningaanvraag, waarin de gemeente nauwelijks speelruimte had, en een ruime politiek-bestuurlijk proces waarmee veel bereikt kon worden. Aldus Naterop.
Naterop zei dat B&W er bij Vion aan de tafel redelijk stevig in zaten, en dat Vion oprecht bereid zou zijn de stank en de andere maatschappelijke problemen aan te pakken (van het bromgeluid van de machinekamer via de verkeersbewegingen en via het dierenwelzijn tot de migrantenbelangen). Dat zou verder gaan dan alleen wat juridisch afdwingbaar was: ook “een dringend moreel appel”, aldus Naterop. Er was nu ‘momentum’ en de beperkte aanleiding werkte nu als een soort hefboom om het grotere probleem in beweging te krijgen.
De Vion heeft ingenieursbureau Witteveen en Bos opdracht gegeven tot een geuronderzoek. Naterop deed voorzichtig over de termijn, maar dacht zelf aan iets van een half jaar.
Vion gaat een klankbordgroep opzetten. Mijn advies aan La Vie en Rose was om daar in te gaan zitten, als aan basale voorwaarden voldaan was.

Er heeft zich in de loop der jaren nogal wat wantrouwen opgebouwd, en dat is niet meteen weg.
De gemeenteraad zag graag een duidelijke stok achter de deur. Dat leidde tot een motie waarin, na een aantal logische overwegingen, uitgesproken werd:

            Verzoekt het college:

Als huidige onderhandelingen niet tot resultaat leiden, die maatregelen binnen haar juridische mogelijkheden te nemen die nodig zijn om overlast te beëindigen en VION te sommeren de best beschikbare technieken te gebruiken om de overlast aan te pakken.

De motie is op 02 juli 2019 raadsbreed aangenomen. Zie:

Hydrobusiness BV en de Legionella
Bij de Vion komt veel afvalwater vrij met biologische restanten. Vroeger probeerde de Vion dat zelf te behandelen, maar dat ging alsmaar fout. In 2015 heeft een consortium, dat opereert als Hydrobusiness BV, de zuivering op biologische basis gezet (meer info bijvoorbeeld op https://www.unica.nl/referenties/%E2%80%9CDe-beste-oplossing-is-steeds-weer-anders%E2%80%9D

De afvalwaterbehandelaar van Hydrobusiness

Hydrobusiness BV is onderneming, die op het terrein van de Vion staat en werkt met afvalwater van Vion, maar desalniettemin geheel zelfstandig is. Het bedrijf heeft zijn eigen vergunning en is bijvoorbeeld geen mede-opdrachtgever van Witteveen en Bos.
De vraag in het gesprek met de burgemeester was dan ook in hoeverre deze toezeggingen kon doen over Hydrobusiness. Wat als Hydrobusiness ook een stankbron was?
De burgemeester deed geruststellende uitspraken, maar geheel duidelijk werd het niet.

Op 6 september 2018 stond er een klein bericht in het Eindhovens Dagblad (https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/6480/pages/32 ) , en daarna op 22 september een groot  bericht ( https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/6565/articles/782127/2/1 en https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/6565/pages/52 ), over de toename van de Legionella in Brabant. In 2017 waren er 123 zieken, waarvan er 11 overleden waren.
Nieuw was dat biologische zuiveringsinstallaties besmettingsbronnen waren. Dat verbaasde iedereen, want tot dan toe was het niet bekend dat dat kon. Dat er Legionella in de prut zat was wel bekend, maar die prut werd niet verneveld en hoe kon die Legionella dan in de omgeving terecht komen? Toch kon het en er zijn 209 van dit soort inrichtingen in Nederland. Het RIVM doet sinds november 2018 onderzoek, looptijd onbekend.

Hydrobusiness BV was een van de bronnen. In 2016 en 2017 (dus eigenlijk vanaf de start van de onderneming) zijn er in Boxtel 14 mensen ziek geworden, waarvan vijf dezelfde bacterie hadden als die in de prut van Hydrobusiness BV. Het bedrijf schrok zich lam en reageerde vervolgens adequaat door de bassins af te dekken. Vooralsnog provisorisch met een soort partytent. Het is geen porem, maar het lijkt te werken. Er zijn geen nieuwe gevallen meer gerapporteerd.

De provisorisch afgedekte bassins (een partytent-achtige constructie met spanbanden).. Het is geen porem, maar tot nu toe lijkt het te werken.

Ook de biologische waterzuivering van Rendac in Son (de voormalige ‘destructor’) bleek legionella te verspreiden. Dat bleek bij een onderzoek naar aanleiding van Boxtel. In de regio Son-Eindhoven Noord zijn vanaf 2013 acht mensen ziek geworden van hetzelfde type legionella-besmetting en die komt, volgens GGD en RIVM,  waarschijnlijk uit het bassin van Rendac. Een van de acht is overleden. Ook hier hebben maatregelen nieuwe besmettingen voorkomen.

Er is geen verwijtbaarheid. Het was onbekend dat het probleem bij biologische waterzuiveringen bestond, er zijn geen regels overtreden en bij ontdekking is adequaat opgetreden.

Soms heb je gewoon pech.

Superkritisch vergassen van natte biomassa (update dd 06 mei 2019)

Er is een nieuwe techniek, het superkritisch vergassen van natte biomassa. Dat kan van alles zijn, van zuiveringsslib tot drijfmest. Deze techniek verdient aandacht in de milieuhoek, Hij biedt zowel grote kansen als bedreigingen.

De oplossing kan het probleem worden.

Update: op 24 april 2019 stond het initiatief groot in de krant . Het nieuwe nieuws was dat pensioenbelegger PGGM (van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn) met geld in dit initiatief gaat zitten. Op www.pggm.nl/wie-zijn-we/pers/Paginas/PFZW-investeert-in-revolutionaire-groene-energietechnologie.aspx staat een heel verhaal. Er staat alleen niet bij hoeveel geld PGGM erin stopt.

Wat is superkritisch vergassen?
Bij superkritisch vergassen wordt natte biomassa verhit tot boven het kritische punt van water. Dat ligt bij 374°C en 221Bar (1 bar is ongeveer 1 atmosfeer).

Superkritisch diagram

Boven het kritisch punt gedraagt water zich geheel anders. Er is geen onderscheid meer tussen vloeibaar en gasvormig water. Het water verliest zijn polair karakter, waardoor organische stoffen ineens goed oplossen en zouten ineens slecht.
Normaliter gaan chemische reacties dubbel zo snel als ze plaatsvinden bij 10°C meer. Bij 374°C of hoger gaan chemische reacties dus heel snel, zo snel dat bijna alle organische molekulen worden afgebroken. Alle zouten slaan neer en komen in een soort pekelslurrie terecht, die kan worden afgescheiden.

De afbraak leidt tot een menggas dat heeft ruwweg de verbrandingswaarde van biogas heeft en ook waterstof kan bevatten. De netto energiebalans van het systeem kan positief zijn en die energie komt voor een deel in bruikbare, want chemische, vorm vrij.
Om het systeem te laten werken moet je eerst een heleboel water op minstens 374°C brengen. Dan gebeurt er van alles en uiteindelijk moet de temperatuur weer omlaag tot de oude waarde. De meeste afkoelende warmte kan worden gebruikt om het inkomende water voor te verwarmen, maar er blijft altijd een hoop water over van bijv. 50°C of zo. Je moet zo’n inrichting dus eigenlijk al bij voorbaat inpassen in een warmtenetwerk.

Het is heel erg nieuwe techniek. Eigenlijk een techniek die de universiteiten verlaten heeft maar daarbuiten nog niet tot grootschalige wasdom gekomen is. De techniek zit dus in de Valley of Death en zoals bekend, wordt die bevolkt door vele duivels die in vele details wonen. Je kunt er dus nog niet alles van zeggen.

Zuiveringsslib
Stowa, het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven, heeft in Karlsruhe een eerste verkennend onderzoek laten doen naar de mogelijkheden om zuiveringsslib superkritisch te vergassen. Het tekent de situatie dat Stowa naar Karlsruhe moest, omdat de daar 50 tot 100 liter natte biomassa per uur kunnen doorvoeren, terwijl die capaciteit in Nederland in de milliliter/uur ligt.

Het eerste onderzoek is in 2016 gepubliceerd (zie www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202016/STOWA%202016-16.pdf ). Het is eigenlijk een goede tekst om enig inzicht te krijgen van wat de methode voorstelt.
Daar staat onder andere dat ongeveer 95% van de organisch gebonden koolstof afgebroken wordt. Interessant is dan wat er in die overblijvende paar procent zit. Het onderzoek vermeldt niet wat er specifiek met bijv. bestrijdingsmiddelen gebeurt. De koolstof-fluorbinding (zoals bijv. in fipronil) is sterk.

Mogelijke samenstelling van het menggas na superkritische vergassing

In de specifieke toepassing ‘zuiveringsslib” heeft het menggas ongeveer bovenstaande samenstelling.

Een recent vervolgonderzoek aan de Supersludge (waarin Stowa, de waterschappen De Dommel en Aa en Maas, en Slibverwerkinng NBrabant deelnemen) is gepubliceerd in juli 2018. Zie www.stowa.nl/publicaties/supersludge-demonstratie-van-zuiveringsslib-superkritisch-water .

Proefcontainer voor superkritische vergassing van twee Brabantse waterschappen

Bewerking van biomassa en mest en de proeffabriek
Waar toepassing van deze techniek op zuiveringsslib vooral voordelen biedt, bestaan er bij het bewerken van biomassa zowel voor- als nadelen. Ook mest is natte biomassa.

De discussie is niet hypothetisch, want er is onlangs in Alkmaar een proeffabriek geopend van SCW-systems (zie www.scwsystems.com/index.html ). Deze wordt gesteund door RVO, de provincie Noord-Holland en de Gasunie.

De proeffabriek van SCW in Alkmaar

Stroomschema van de proeffabriek

De techniek heeft zeker voordelen. De inrichting levert warmte en groen gas op en vernietigt op efficiente wijze het overgrote deel (zo niet alle) micro-organismen, virussen, sommige bestrijdingsmiddelen, de meeste of alle medicijnresten en hormonen. Er is nu eenmaal weinig dat 374°C of meer overleeft.
Verder worden nitraat en fosfaat-zouten in een geconcentreerde vorm afgescheiden. Ze kunnen dus gemakkelijker uit het grond- en oppervlaktewater gehouden worden.
Waarschijnlijk stinkt het eindproduct niet meer.
De website van de fabriek geeft geen informatie wat er met chloor- en fluorhoudende organische verbindingen gebeurt. Het is mij dus niet duidelijk in hoeverre dit aspect van het milieu gebaat is bij deze natte vergassing.

De mogelijke nadelen zitten in de context. De paradox daarbij is dat de kracht van het systeem tevens de zwakte is.

Ten eerste het aantal dieren.
Dat wordt gereguleerd via de hoeveelheid mest die op het land mag worden uitgereden, en die hoeveelheid wordt op zijn beurt uitgedrukt in een aantal kg fosfaat per hectare.
De gangbare vergisting van mest heeft geen invloed op het aantal dieren (of een zwak remmende invloed bij covergisting), omdat digestaat, het eindproduct van de vergisting, juridisch nog steeds mest is en scheikundig nog steeds evenveel fosfaat bevat.
Het eindproduct van superkritische vergassing is zeker in juridische zin geen mest meer. Het is groen gas, schoon water en een slurrie aan anorganische zouten. Er vervalt dus een beschermingsconstructie tegen een groter aantal dieren. Maar  de veeteelt veroorzaakt meer problemen dan alleen het mestprobleem. Omwonenden zullen een groter aantal dieren nog steeds niet leuk vinden.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten

Ten tweede de bodem.
Het gehalte aan organische stof in de bodem is het resultaat van een ingewikkelde balans tussen continue aanvoer en continue afvoer. Gemiddeld over heel Nederland is die balans momenteel in evenwicht. Maar de balans kan per grondsoort, en in hetzelfde gebied van perceel tot perceel verschillen en hangt mede af van de agrarische bedrijfsvoering.
Die organische stof levert belangrijke ecodiensten: waterberging, koolstofopslag, biodiversiteit, gewasopbrengsten.
Ik denk dat er wel wat rek zit in de mest en bodem – romantiek van de biologische landbouw. Maar zeker niet zoveel dat je zonder enige vorm van aanvoer van organische stof kunt. De vraag is de superkritische vergister indirect de koolstof in de bodem op gaat stoken.
Bij gangbare vergisting speelt dit probleem veel minder, omdat grofweg tweederde van de inkomende biomassa niet vergist wordt, waaronder het moeilijkst afbreekbare deel.

het belang van de bodem voor ecosysteemdiensten

Ten derde het verband met de afvalverwerking.
Sommige soorten afval kun je zien als natte biomassa. Mogelijk kan superkritische vergassing nieuwe impulsen geven aan de afvalverwerking. Maar aan de andere kant is een dergelijk systeem, behalve superkritisch, ook super fraudegevoelig. Wat gebeurt er als iemand er een zak drugsafval in mikt of een lading fipronileieren?

Een van de twee ruimtelijke vormen van fipronil. Wat gebeurt er met die fluoratomen?

De website van SCW Systems kijkt slechts met dollartekens in de ogen naar de energetische opbrengst. Op zich is daar niets mis mee, zolang de gevolgen in de hand gehouden worden. Dat betekent andere politiek die het nieuwe systeem inkadert in een groter geheel.

Als men niet meer met de fosfaatwetgeving het aantal dieren in de hand zou kunnen houden, moet dat op andere manieren gebeuren.
Nu is het organische stof – gehalte een kwestie van de individuele boer. Men zou dat moeten veranderen in die zin, dat er een richtinggevende bodempolitiek ontwikkeld zou moeten worden.
Ik kan niet goed beoordelen of de bestaande afvalverwerking ingesteld is op deze nieuwe techniek. Mogelijk wel – en dan de handhaving nog.

Milieumensen doen er goed aan om zich in deze techniek in te lezen.

OCI Nitrogen gaat grote mestvergister bouwen op Chemelot-terrein (update dd 29 juni 2018, 21 jan 2019 en 07 nov 2019 en 04 december 2020)

OCI Nitrogen is een groot chemisch bedrijf dat voortkomt uit twee activiteiten van de DSM (nl DSM Agro en DSM Melamine). De twee bedrijven zijn in 2010 opgekocht door de Egyptische multinational OCI, welke ze samengevoegd heeft tot één onderneming met de huidige naam. (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/OCI_Nitrogen ).
De fusie-onderneming zit nog steeds op wat toen het DSM-terrein (bij Geleen) heette en nu Chemelot. OCI houdt zich nog steeds vooral bezig met de productie van stikstofhoudende kunstmest en melamine.

Op dit terrein wil OCI Nitrogen, samen met Re-N Technology uit Hilvarenbeek, een mestvergister bouwen die jaarlijks 700.000 ton mest kan bewerken (dat is ongeveer 3,5% van alle mest in Zuid-Nederland). De naam wordt Zitta Biogas Chemelot. De provincie Limburg heeft de omgevingsvergunning al verleend.
Zie www.ocinitrogen.com/NL/newscenter/Pages/Biogasinstallatie-maakt-productie-op-Chemelot-duurzamer.aspx .

Het realiseren van het plan hangt er van af of het SDE+ subsidie krijgt. Ik heb daarover nog niets vernomen. Zo ja, dan hoopt men in 2020 in bedrijf te zijn.


Update: op 27 juni 2018 meldde De Boerderij, dat er geen SDE+ – subsidie verstrekt wordt. Het bevoegd gezag RVO zegt niet waarom, maar verwijst naar andere projecten, zoals Agrogas in Varsseveld, dat €59 miljoen krijgt voor een vergister die 8 miljoen m³ biogas gaat maken. Zitta zou 40 miljoen m³ biogas gaan maken. Een financieel motief bij RVO ligt voor de hand.
De drie grootste mestvergistingsprojecten in 2017 zijn samen goed voor bijne €160 miljoen aan SDE+ .
Agrogas is al ruim 10 jaar bezig met de realisatie van zijn vergister.
De initiatiefnemers van Zitta beraden zich op de toekomst.


Weer een update dd 21 jan 2019: Zitta Biogas krijgt toch SDE+subsidie. Dat zegt de provincie Limburg in ene inmiddels verwenen nieuwsbericht.


Nog een update dd 07 nov 2019: alle vergunningen zijn rond en de bouw kan begin 2020 starten.
Het is de bedoeling dat vanaf 2022 de fabriek jaarlijks 700.000 ton Brabantse en Limburgse varkensmest gaat vergisten tot 60 miljoen kubieke meter biogas. Door de reststromen te verwerken tot organische mestkorrels, worden alle nutriënten uit de mest in geconcentreerde vorm beschikbaar gemaakt voor de landbouw. Zo kan er 4,5 miljoen kilo fosfaat als droge meststof worden verwerkt voor export. En wordt er ongeveer twee miljoen kilo stikstof afgevangen en opgewerkt tot geconcentreerde vloeibare kunstmest.
Zie ook www.mestverwaarding.nl/kenniscentrum/754/start-bouw-zitta-biogas-chemelot .

Weer een update dd 04 december 2020: het feest gaat toch niet door, ondanks een verleende SDE+-subsidie van 166 miljoen € over 12 jaar. Zie www.pigbusiness.nl/artikel/377344-bouw-nederland-grootste-mestfabriek-zitta-biogas-op-chemelot-gaat-niet-door/ .
Als je Pigbusiness moet geloven, kreeg Zitta de contracten voor mestlevering met de boeren niet rond. “Het tarief voor de aanvoer van zowel de dunne als de dikke fractie zou 16 euro per ton exclusief transport- en bemonsteringskosten bedragen. Horrevorts destijds: „Deze 16 euro is nodig om het project te kunnen rondzetten.” Tijdens deze bijeenkomst hadden de aanwezige varkenshouders de nodige kritiek op dit tarief dat nog zou worden verhoogd met de transportkosten. Deze bedragen tussen de 6 en 8 euro per ton. Daarmee zou deze mestafzetmogelijkheid uitkomen op 22 tot 24 euro per ton, exclusief bemonsteringskosten.”
Het is jammer, maar in zekere zin illustratief voor het probleem dat de boeren mest vooral behandelen als afval waar ze zo goedkoop mogelijk van af willen.

Er bestaan trouwens ook plannen (het is me niet duidelijk hoe ver die zijn) om een Zitta Biogas Tilburg (op de Spinder) op te richten.

Het schema van de beoogde vestiging op Chemelot:

Het schema van de mestbewerker Zitta Biogas

Het is uit de beschrijving niet duidelijk of het om een mono- of covergister gaat.
In de beschrijving van OCI Nitrogen bestaat de 700 miljoen binnenkomende biomassa slechts uit mest. Er is geen sprake van andere biomassa. De som van alle optelbare output-kilo’s zit een flink eind onder de input-kilo’s en ook dat doet vermoeden dat er geen aanvullend organisch materiaal binnenkomt. Ik zou dus denken dat het om een monovergister gaat, ware het niet dat er in de tekening co-vergister staat. Meer duidelijkheid is gewenst.
Ik hou het er toch maar op dat het om een monovergister gaat.

Het is een plan dat bij mij enerzijds bewondering oproept, en anderzijds vragen.

De plus
Enerzijds ben ik er principieel voor dat alle mest vergist wordt, alvorens er wat dan ook mee gebeurt, en dat daarna de kringlopen (met name die van fosfaat) zoveel mogelijk gesloten worden. Dat gebeurt hier. Verder ben ik er ook voor dat reststromen (zoals in dit geval de afvalwarmte van de kunstmest- en melamineproductie) hergebruikt worden en dat gebeurt hier ook.
Dat hergebruik is mogelijk omdat de vergister op een groot industrieterrein staat, dat gespecialiseerd is op grootschalige en soms gevaarlijke chemische processen. Omdat Chemelot een privaat terrein is, heersen er op Chemelot veiligheidsvoorschriften die verder gaan dan die welke publiek afgesproken zijn. Zo beschouwd is er moeilijk een beter terrein te bedenken dan dit terrein.

Chemelot. Door Michiel1972 – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=9896960

Het jaarlijkse resultaat bestaat uit

  • 43 miljoen m3 biogas (bij een 50-50 methaan-CO2 verhouding en bij 50°C) goed voor 50 miljoen kg en voor 0,58PJ . De monovergister zou dan all-in ongeveer 0,8GJ/ton halen. Zou kunnen.
    Voor 0,58PJ stroom uit zonnepanelen heb je een park nodig van ongeveer (bruto) 1,5km2 (150 hectare).
  • 75 miljoen kg droge mestkorrels, die het overgrote deel van het fosfaat bevatten dat eerst in de mest zat
  • Iets meer dan 30 miljoen kg, wat men noemt, “vloeibare kunstmest”
  • 300 miljoen kg schoon water als vloeistof
  • En (om de balans sluitend te maken) ongeveer 240 miljoen kg water in de dampvorm. Er wordt in de plannen niet vermeld wat daarmee gebeurt.
  • En (niet in gewicht uit te drukken) een ontsmetting en een gereduceerde stank van het product. Ik ga er van uit dat een professionele inrichting als deze, op een dergelijke locatie, zijn atmosferische emissies onder controle krijgt.

Dit alles aan de positieve kant van de balans.

De min
Er zijn twee categorieën onopgeloste hoofdproblemen.

De ene categorie betreft naar welke keten je kijkt.
De korte keten (die van de varkenskont tot mestkorrel, methaan en vloeibare kunstmest) is netto energetisch rendabel en hergebruikt materiaal, en kan bij een goede vormgeving binnen zijn beperkingen duurzaam zijn.
De lange keten begint momenteel in het tropisch regenwoud en loopt via allerlei emissies,  bodemuitputting en andere onwenselijke fenomenen tot een volledig uit de hand gelopen veeteelt. De lange keten is zeker niet duurzaam.
Het probleem is echter dat op de lokale en regionale schaal slechts zeer beperkt wat tegen de onhanteerbare omvang van de veeteelt te doen valt, en dat de landelijke politiek niet wil.
Er is op zichzelf niets op tegen, en veel op voor, om alle mest te bewerken op een wijze als hier geschetst, maar dan op basis van een veel kleinere veestapel. Alleen, die is er niet en vooralsnog komt die er niet.

Kalkammonsalpeter van OCI Nitrogen

Zolang de veeteelt wel te groot voor Nederland  is, betreft de tweede categorie de mate waarin de fosfaat en het nitraat uit het Nederlandse systeem kunnen worden gebracht. Pas als dat lukt, wordt mestbewerken mestverwerken.
Vergisten op zichzelf brengt geen mest uit het systeem. Alleen de vervolgbewerkingen kunnen in principe uit het systeem treden.
Omdat Nederland vol zit, betekent “buiten het systeem brengen” in praktijk “exporteren”. De beschrijving van Zitta Biogas (voor zover deze op Internet te vinden is) doet er geen uitspraak over in hoeverre dat zal lukken. Vooralsnog wordt dat slechts zonder nadere argumentatie verondersteld.
De mestkorrels moeten in de toekomst concurreren met de ruwe mest, die nu met verhitten als enige bewerking geëxporteerd mag worden. Het moet blijken of de betere kwaliteit van de mestkorrels ten opzichte van ruwe mest opweegt tegen een prijs, die waarschijnlijk ook hoger is. Mogelijk lukt dat.
Van de dunne fractie is onduidelijk of er iets zinvols mee gedaan kan worden. De omschrijving “vloeibare kunstmest” klinkt sjiek, maar in de praktijk zitten, bij experimenten tot nu toe, de nutrienten er zeer sterk verdund in en in de verkeerde verhouding stikstof staat tot kalium (teveel kalium kan leiden tot dierziektes). Bovendien zitten er, zonder nadere bewerking, hormonen, medicijnresten, zware metalen en zo in. Uit het installatieschema blijkt niet dat er op dit concentraat een verdere nabewerking wordt toegepast.
Wageningen verwacht tot nu toe weinig heil van dit “concentraat” en deskundigen noemen het in De Boerderij “wensdenken” (www.wur.nl/nl/nieuws/Invloed-van-kunstmeststatus-op-afzet-mineralenconcentraat-gering.htm ).
Mogelijk kan een professioneel chemisch bedrijf dingen die anderen niet kunnen, maar vooralsnog blijkt dat uit niets.
Vooralsnog eindigt er heel erg veel stikstof, al dan niet legaal, in het grond- en oppervlaktewater.

De plus plus de min
De koninklijke weg zou zijn om een breed akkoord te sluiten waarin de verschillende energetische, klimatologische en agrarische problemen aan elkaar gekoppeld worden en de veeteelt niet langer te groot is voor Nederland.
Maar dit paradijs bestaat niet, er bestaan alleen dilemma’s (sommige reëel, andere vals).

Mijn idee zou zijn om, zolang de situatie zo is als die is, van alle mestbewerking te eisen dat die begint met een vergistingsstap, dat er ergens daarna voldoende verhitting plaats vindt, dat het hele proces professioneel volgens high tech-criteria verloopt, en dat de vergunning langlopende afzetcontracten voor fosfaat en nitraat als voorwaarde eist.
In technische zin kan men zich nauwelijks een betere omgeving voor een dergelijke grootschalige inrichting voorstellen als deze beoogde inrichting op Chemelot.
Als ze nou ook nog tussen nu en 2020 eens afzetcontracten op tafel konden leggen?

Mestongeval Makkinga leidt tot veroordeling bedrijf in hoger beroep

Wat er gebeurd is en het vonnis
Op 19 juni 2013 wilde het bedrijf Heeres Mix & pomptechniek uit Abbega een opdracht uitvoeren om in het Friese Makkinga een mestsilo, waarin nog rundermest aanwezig was, schoon te maken en om een kapotte mestmixer te vervangen. Het werd een drama.

De eerste werknemer van Heeres ging met adembescherming de silo in en raakte bedwelmd. De tweede werknemer, die aan de buitenkant op de ladder de wacht hield, ging daarop (zonder enige bescherming) ook de silo in en raakte ook bedwelmd. De veehouder zelf volgde en raakte ook bedwelmd, waarna een werknemer van het loonbedrijf dat de mest moest afvoeren hetzelfde lot onderging.
De twee werknemers van Heeres overleden, evenals de veehouder. De man van het andere loonbedrijf overleefde met blijvende schade.
De vader van de veehouder heeft nog (vergeefs) geprobeerd met een tractor met een hefvork erop de silo kapot te rammen. Pas de brandweer, met perslucht, kreeg met veel moeite een gat onderin de wand gezaagd waardoor de lichamen uit de silo gehaald konden worden.

De onuitroeibare neiging van mensen om andere mensen te helpen droeg hier bij aan een onbedoeld drama dat alleen maar verliezers kent.

Luchtmasker en compressor in Makkinga

Directeur Heeres van genoemde onderneming moest zich voor de rechter verantwoorden, eerst voor de Rechtbank in Zwolle en daarna voor het Gerechtshof in Leeuwarden. Hem werden overtredingen van de arbeidsomstandighedenwetgeving ten laste gelegd. Beide instanties kwamen tot dezelfde uitspraak: een ton boete, 240 uur werkstraf, en een jaar voorwaardelijk.

De uitspraak van het Gerechtshof is te vinden op https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2018:5635 .

Het vakblad de Boerderij schrijft veel over deze zaak. Wie het verhaal in gewone mensen-taal wil lezen, kan kijken op www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2018/6/Verdachte-ongeval-mestsilo-Makkinga-opnieuw-veroordeeld-299407E/ .

Mestgassen en spuiwater
Onbewerkte mest is gore zooi en per definitie levensgevaarlijk, tenzij je of heel goed uitkijkt of geluk hebt, zelfs in ruimtes die niet eens helemaal afgesloten zijn.
Vooral H2S (zwavelwaterstof) is een verraderlijke killer, en soms staat ook blauwzuur (waterstofcyanide, HCN) onder verdenking.
CO2 is zwaarder dan lucht en kan daarom in een besloten ruimte verstikkend werken.
Ammoniak (NH3) is ook heftig, maar als regel niet meteen dodelijk en lichter dan lucht, evenals methaan (dat niet erg toxisch is).
Alle gassen zijn uiterst brandbaar.

Eigenschappen van H2S en HCN

Rundermest is in zoverre extra gevaarlijk, omdat er na verloop van tijd een korst op komt. Daaronder verzamelen zich de gassen, die als een wolk vrij kunnen komen als bij bewerkingen de korst breekt.

Men komt in alternatieve kringen wel eens een soort mest en bodem – romantiek tegen. Misschien toch goed om vragen te stellen over de voorgeschiedenis van die mest.

Heeres beriep zich in het hoger beroep op het gegeven dat de mest in de silo aangezuurd was met spuiwater van een luchtwasser, dat hij dat niet wist, en dat als hij dat wel geweten had, hij de klus niet aangenomen had. De schuld lag dan ook, volgens hem, bij de veehouder. Deze uitspraak leidde tot heftige emoties.
Spuiwater van een chemische luchtwasser bevat als regel zwavelzuur (wat in overmaat toegevoegd wordt om maar zoveel mogelijk ammoniak te vangen), en het toevoegen van zwavelzuur aan mest kan inderdaad chemische evenwichten verschuiven, waardoor zure gassen als H2S en HCN omhoog kunnen wolken.
Het gerechtshof ging hier uiteindelijk, na raadpleging van enkele deskundigen, niet in mee. Heeres had een punt, maar dat punt werd niet zwaar genoeg bevonden. Ook zonder spuiwater was de mest al zo levensgevaarlijk, dat de klus niet op deze wijze uitgevoerd had mogen worden.

De Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV)
De OVV heeft naar aanleiding van het ongeval in Makkum een onderzoek verricht naar mestgassen (zie www.onderzoeksraad.nl/nl/onderzoek/1959/dodelijk-ongeval-in-mestsilo-te-makkinga/publicatie/1517/gevaren-mestgassen-onderschat ).

Aantal geregistreerde mestongevallen in Nederland

De OVV zegt dat het ongeval in Makkinga niet op zichzelf staat. Tussen 1980 en 2013 hebben zich in Nederland ten minste 35 ernstige ongevallen met mestgassen voorgedaan. Daarbij vielen 57 slachtoffers, waarvan 28 doden.
De OVV meent dat dit het topje van de ijsberg is, en dat veel ongevallen niet gemeld worden. Bijvoorbeeld niet, als er geen mensen overlijden of gewond raken, maar wel dieren.

De drie doden door H2S bij Reiling in Sterksel zijn hierin niet meegenomen, omdat het daar niet om mest ging, maar om waterzuiveringsslib.

Mogelijk berust de stijging in de laatste vijf jaar mede op een betere rapportage. Maar vast staat ook dat er in deze periode sprake is geweest van toenemende “bij-mixing”.

Letterlijk zegt de OVV:
Kennis en risicobesef
Mestongevallen vinden vooral plaats in besloten ruimten zoals een silo of tank (voor transport en uitrijden) en in stallen tijdens het mixen van de mest in de ondergelegen kelder. Het merendeel van de ongevallen ontstaat doordat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen worden getroffen, zoals het gebruik van geschikte adembeschermingsapparatuur, het regelmatig mixen van de mest en het zorgen voor voldoende ventilatie. Het achterwege laten van veiligheidsmaatregelen bij het werken met mest komt naar het oordeel van de Raad vooral door het ontbreken van kennis en daardoor onderschatting van de gevaren. Een belangrijke oorzaak van het tekort aan kennis en risicobesef is dat de gevaren van mestgassen niet worden behandeld in agrarische opleidingen.

Risicoverhogende ontwikkelingen
De ontwikkelingen in de agrarische sector van de afgelopen decennia hebben de kans op ongevallen vergroot. Schaalvergroting, strengere milieuwetgeving en aanscherping van het mestbeleid hebben er toe geleid dat meer mest wordt geproduceerd, de mest gedurende langere tijd wordt opgeslagen en de mestopslagen afgesloten zijn. Verder worden in toenemende mate stoffen als spuiwater (een soort vloeibare kunstmest afkomstig uit luchtwasinstallaties) toegevoegd aan de mest, wat de vorming van mestgassen kan versterken. Hiermee zijn ook de risico’s groter geworden, wat te weinig aandacht heeft gekregen in de sector zelf en bij de overheid.”

De OVV signaleert dat de stallen, en de bijbehorende kelders en silo’s, steeds groter geworden zijn. Dat komt mede omdat de periode, waarin geen mest mag worden uitgereden, langer wordt en dat dus de mest langer bewaard moet worden. Er treden overschotten op en er moet vaker geroerd worden.
Vanwege het milieu zijn mestsilo’s steeds vaker afgedekt. De opkomst van emissie-arme roostervloeren maakt dat het boven die vloer beter is (hoewel ook dat mis kan gaan), maar dat het eronder dus slechter is.
De laatste jaren wordt er steeds meer bijgemengd bij de mest. Dit levert soms risico’s op.

De OVV zoekt de oplossing in scherpere regels en meer aandacht in het agrarisch onderwijs, zulks vooral te realiseren door de branche-organisaties.

Overzicht van gevaarlijke situaties

Waarom niet het probleem zelf aanpakken?
De beperking van het rapport van de OVV is dat er geen maatregelen aan de orde komen die de oorzaken van de gevaren aanpakken, maar alleen de omgang met de gevaren. De OVV en het Gerechtshof behandelen de vraag slechts als een ARBO-probleem.
Mij interesseert de vraag of dat, wat vanuit de ARBO-optiek logische maatregelen zijn, in lijn of in tegenspraak zijn met wat men vanuit de milieu- en klimaatproblematiek zou willen.

Er staat in elk geval minstens één deur wagenwijd open.
Aan de ARBO-onveiligheid ligt ten grondslag dat er teveel mest is, en dat die te lang bewaard moet worden. Dat komt weer omdat er teveel dieren zijn, en omdat daardoor de regels steeds strenger worden. Minder dieren is beter voor arbeidsveiligheid, milieu en klimaat.

Er wordt steeds meer bijgemixt o.a. omdat er steeds meer luchtwassers zijn (waaronder chemische), en omdat die standaard spuiwater produceren met ammoniumsulfaat en zwavelzuur. Beide mogen door de mest gemixt worden (de eerste omdat ammoniumsulfaat in technische zin als kunstmest geldt en de tweede omdat het niet verboden is – het gebeurt soms om de ammoniak die nog in de mest zit te neutraliseren, maar tegelijk kan dat zwavelzuur H2S en HCN vrijmaken).
Minder dieren leidt tot minder ammoniak leidt tot minder luchtwassers leidt tot minder spuiwater.
Met zou het chemische spuiwater als chemisch afval kunnen definieren.

Ik ben nog voorzichtig met een andere gedachte, namelijk dat het vergisten en hygieniseren van mest , behalve dat het gunstig is voor klimaat en milieu (dat staat op zich vast) ook voor de arbeidsveiligheid gunstig is. Ik denk dat dat zo is, maar daar staan nog vraagtekens bij.
De beste mestbewerking die ik met eigen ogen heb zien werken was die bij zuivelboerderij Den Eelder (zie Op werkbezoek bij zuivelboerderij Den Eelder ). Daar staan 550 volwassen koeien op stal (het is dus een hele grote boerderij). De stront wordt met een lopende band-schuif non-stop tussen de koeienpoten door in een put geschoven, vanwaar het in real time met een ondergrondse pijpleiding naar een flinke monovergister gaat, die elektriciteit levert en veel proceswarmte voor de zuivelverwerking en voor het hygieniseren van het digestaat (dat is wat uit de vergister komt).

De monovergister van Den Eelder.
(op de foto dhr. Gosselink van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM)

De gevormde H2S-verontreiniging wordt als onderdeel van het proces afgevangen, de methaan wordt als doel van het proces opgevangen.
De combinatie van vergisten en (vooral) hygieniseren reduceert het aantal gramnegatieve bacterien (waaronder salmonellen, E.Coli en Q-koorts ) drastisch.
Pas vergiste mest (dat heet digestaat) is een stuk minder gevaarlijk als onvergiste mest.
Daar staat tegenover dat er leidingen en pompen zitten tussen de stal en de vergister, waar onbewerkte mest doorheen loopt. Verder is het mij niet duidelijk hoe het digestaat zich gedraagt als dat maanden zou moeten worden opgeslagen –  wat dus moet omdat er in totaal teveel mest is – gaan zich dan opnieuw gevaarlijke gassen vormen?

Mijns inziens liggen hier nog de nodige onderzoeksvragen.

Bio-aerosolen rond mestbewerkers en de studie van Tauw

Brede of smalle studie?
Bij de fameuze besluitvorming in Provinciale Staten (PS) over de toekomst van de landbouw op 07 juli 2017 zijn er heel wat moties en amendementen ingediend.

Een daarvan (motie 9a) van Groen Links en Lokaal Brabant vroeg aan Gedeputeerde Staten (GS) om een “gezondheidskader voor mestverwerkende installaties” op te stellen (bedoeld zal wel zijn mestbewerkende installaties). GS hebben dit toegezegd. Zie Motie beleidsregel gezondheid en mestbewerkingsinstallaties 20170707

Een dergelijk “gezondheidskader” is veelomvattend en vraagt veel werk, maar het moest toch snel af.  Bovendien bestaat er al veel regelgeving , die de volksgezondheid tegen andere milieu-aantastingen beoogt te beschermen. Waarschijnlijk daarom hebben GS daarom de motie versmald tot de vraag hoe men de gezondheidsrisico’s via de route “bio-aerosolen” middels een Beleidsregel kon inperken. Voor dat specifieke probleem bestaat nog geen regelgeving.
Bio-aerosolen zijn vaste of vloeibare deeltjes, gesuspendeerd in de lucht, van een biologische oorsprong: bacterien, schimmels, virussen en dode restanten als endotoxinen.

Stroomschema van een mestbewerker

Tauw
Advies- en ingenieursbureau Tauw kreeg de vraag voorgelegd om het voorbereidende werk te doen, zodat de provincie de Beleidsregel kon schrijven. Na een vertraagde start hadden ze daar in praktijk twee maand voor, waarna het concept-werkstuk in enkele zittingen in december en maart ter consultatie voorgelegd is aan belanghebbenden en deskundigen.
Tauw heeft zijn definitieve rapport uitgebracht op 19 april 2018, waarna Gedeputeerde Staten er een beleidsregel op gebaseerd hebben. Die is op 26 april 2018 gepubliceerd..
Auteurs namens Tauw zijn Berend Hoekstra (projectleider), Michiel Vos en Albert Brouwer.

Ik was bij twee van die consultatie zittingen gesprekspartner, samen met wat mensen vanuit de Minder Dieren-beweging en van de Brabantse Milieu Federatie (BMF). Daaronder Jan Hoevenaars, ex-huisarts in Elsendorp en bekend om zijn studie naar de gezondheidseffecten van de te grote veestapel.

Fact sheets van alle bewerkingen

Het grootste deel van het concept-rapport van Tauw bestaat uit een uitgebreide inventarisatie van op- en overslagtechnieken, voorbewerkingsmethodes, mestbewerkingstechnieken (dat zijn er verrassend veel), luchtreinigingstechnieken en welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Per techniek wordt er een handzame fact sheet aan gewijd.
Het resultaat is een schatting van de omvang en het  daardoor optredende risico van emissies in de bio-aerosolvorm.
Wie zoekt naar een up to date overzicht van de verschillende technieken van mestbewerking, kan prima bij het rapport van Tauw terecht.

Het onderzoek naar gezondheidseffecten van bio-aerosolen rond veehouderijen is overigens nog maar jong. Idem rond mestbewerkers staat nog meer in de kinderschoenen.
Het vermoeden was dat de bio-aerosolproblematiek rond mestbewerkers kleiner zou zijn dan rond veehouderijen.
Verwacht dus van het resultaat straks geen overdreven zekerheden. De auteurs roepen op tot verder onderzoek.

“Potdicht” is een kreet die het mooi doet in de politiek, maar “potdicht”  bestaat niet. Alle zuiverende apparaten zuiveren onder de 100%, en als je gelukt hebt zitten ze daar niet ver onder.

Waar men het niet wist, heeft men geprobeerd aan te haken bij wat elders wel bekend was.
Er zijn geen juridische geformuleerde Best Beschikbare Technieken (BBT) in de EU voor mestbewerkers, dus is iets gezocht wat daar zo dicht mogelijk bij kwam.

Er is wel betrouwbare kennis over fijn stof. Tot op zekere hoogte kun je bio-aerosolen analoog daaraan behandelen, hoopt men – maar zeker is dat niet helemaal. Voor een normering is het beste, wat men op dit moment kan doen, om bioaerosolen als onderdeel van het fijn stof te zien en het totaal aan geëmitteerd fijn stof te maximeren op 5mg/Nm3, maar met de expliciete ambitie dat de concentratie zo dicht mogelijk bij de 0 moet liggen.
Van die 5mg/m3 weet je tenminste zeker dat het kan en dat je het kunt meten en dus controleren. Maar het kan dan gaan om 0,01mg/m3 bio-aerosol en 49,99mg/m3  gewoon fijn stof. Vraag is wat dat waard is als die 0,01mg/m3 uit Q-koortsbacterien bestaat.

Het is de bedrijfsinrichting als geheel (en de manier waarop die gerund wordt) die het resultaat bepaalt. Met gezond verstand kom je al een eind.
Natte processen (zoals vergisten) of heftige processen (als pyrolyse) leiden zeer waarschijnlijk niet tot bioaerosolen.
Mest composteren door er regelmatig lucht doorheen te blazen leidt waarschijnlijk wel tot bioaerosolen. Tenzij je dat laatste in een gesloten hal met onderdruk doet en een goed afzuig- en filtersysteem.
Mest minstens een uur verhitten op 70°C (hygieniseren) helpt tegen gramnegatieve bacterien, tenzij die sporen vormen, en verkleint de kans op bio-aerosolen sterk. Bij de groep gramnegatieve bacterien horen bijvoorbeeld de Q-koortsbacterie, de Salmonella en de E. coli. Onduidelijk was (daarover hadden we een discussie) of een combinatie van vergisten en hygieniseren de kans nog wat verder verkleinde. Zie ook Mestbewerking vermindert soms hoeveelheid micro-organismen (en soms niet)

Enzovoort.

Tauw heeft alle mogelijke processen in een processchema bijeen gebracht. Dat is hieronder te vinden.

Blokschema van een mestbewerker. Blauw=basiskleur, rood=reële kans op emissies, groen=weinig of geen kans op emissies

De beleidsregel
Gedeputeerde Staten hebben, op basis van het werk van Tauw, een beleidsregel geschreven. Daarin wordt de techniek vertaald in juridische termen. Het product is Beleidsregel volksgezondheid en mestbewerkingsinstallaties_april 2018 te vinden.

Eindbeschouwing mijnerzijds
Ik vind zelf eigenlijk dat alle (of eventueel bijna alle) mest vergist en verhit en eventueel daarna verder bewerkt moet worden. Niet om dat dat het mestprobleem oplost (dat blijft even groot), maar omdat het de mest minder gevaarlijk maakt, methaan uit de lucht houdt en energie produceert.
Ik denk dat het bewerken van mest netto gevaar uit het systeem haalt. Niet-bewerkte mest op een boerderij is riskanter dan wel-bewerkte mest die uit de bewerker komt.
Je kon daar met Tauw leuk over discussieren, maar het was hun opdracht niet en daarover gaat hun rapport.

Verder was er een discussie over de afvalstromen. Als gewoon fijn stof in het spuiwater van de chemische luchtwasser blijft hangen, komt het uiteindelijk in het spuiwater terecht en dat kan geen extra kwaad. Of blijft in het biofilter hangen en de inhoud daarvan wordt om de zoveel tijd over het land uitgereden en dat kan ook geen kwaad.
Maar als er honderd Q-koortsbacterien in de luchtwasser komen, en daarvan komen er 20 in levende lijve in het biofilter terecht, wat dan? Die alsnog over het land uitrijden met het risico, dat die alsnog gaan rondwaaien? En hoe weet je of die bacterien erin zitten? Hoort er een aanvullend verhaal bij over de afhandeling van afvalstromen?
Interessante gedachte, vonden Tauw en de provincie, maar die is uiteindelijk niet meegenomen omdat afvalstromen naar de bodem en het water niet in de opdracht zaten. Die ging alleen over dat ene puzzelstukje dat nog ontbrak in het grote geheel.

De hoofdlijn van de beleidsregel (infographic)