De kwaliteit van drinkwaterbronnen in Nederland

De aanleiding
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft in 2018  zorgen geuit over de bronnen, die gebruikt worden voor de bereiding van drinkwater (dus niet over het drinkwater zelf). De VEWIN (VEreniging van Waterleidingbedrijven In Nederland) vroeg KWR Water om steun. KWR Water is als het ware het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven. Het is een zelfstandige onderneming, waarvan de waterleidingbedrijven aandeelhouder zijn.
Zie www.kwrwater.nl .

Op themabasis  is al veel bekend over diverse bedreigingen (dus bodemverontreiniging of medicijnresten). De behoefte was om alle bestaande kennis bijeen te zetten vanuit het centrale perspectief van de drinkwatervoorziening. Dat werd het rapport “De kwaliteit van bronnen van drinkwater in Nederland” (augustus 2019).

Zoals de naam zegt, gaat de studie alleen over de kwaliteit van het water en niet over de kwantiteit. Daaraan zijn ook interessante vragen verbonden, maar dat is voor een andere gelegenheid.

De drinkwaterbronnen in Zuid-Nederland naar soort

Het rapport
Het rapport is te downloaden op https://www.vewin.nl/SiteCollectionDocuments/Publicaties/De_kwaliteit_van_bronnen_van_drinkwater_in_Nederland.pdf .

De algemene boodschap is dat het drinkwater goed is, maar dat om diverse redenen de kwaliteit van het ‘ruwe’ water dat als bron gebruikt wordt verslechtert, en dat het daarom steeds moeilijker (en duurder) wordt om goed drinkwater te maken.

Hoofdstuk 3 bevat een handzaam overzicht van de regelgeving met betrekking tot oppervlakte-, grondwater- en drinkwater. Ik laat deze hier onbesproken. Men kan veel vinden op www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/emissiebeheer/normen-waterbeheer/ en https://rvs.rivm.nl/ .

Ongeveer 40% van het Nederlandse kraanwater (500 miljoen m3/jaar  komt uit oppervlaktewater, ongeveer 55% uit grondwater, en ongeveer 5% uit oevergrondwater. Die percentages lopen per provincie sterk uiteen.

Vanwege de focus van deze site behandel ik vooral de situatie in Brabant.
Jaarlijks voorziet Brabant Water zo’n 2,4 miljoen inwoners en bedrijven van 190 miljoen m3 water.
Dat komt allemaal uit de grond. Tot nu toe kan het grondwater met betrekkelijk weinig zuivering tot kraanwater worden omgebouwd. Veiligheidshalve worden daarom aan grondwater vóór zuivering (‘ruw water’) dezelfde concentratiegrenzen geëist als aan drinkwater na zuivering (‘rein water’). Het ideaalbeeld is dat er überhaupt geen zuivering nodig zou moeten zijn.
Alleen t.b.v. industriepark Moerdijk wordt er water geproduceerd uit een oppervlaktewaterinlaatpunt in De Biesbosch.

Er is ook een inlaatpunt van oppervlaktewater op de Afgedamde Maas, op de grens van Brabant en Gelderland, bij Poederoyen, maar dat exporteert zijn water naar waterbedrijf Dunea. Zie www.bjmgerard.nl/?p=2781 . Dit telt voor Brabant niet mee.
Dit inlaatpunt lag er begin 2017 bijna drie maand uit omdat er het bestrijdingsmiddel dimethoaat uit de Gelderse tuinbouw in de Afgedamde Maas gelopen was. Het illustreert het probleem.

Waterwingebieden zijn zwaar beschermd. Er mag niets wat gevaar oplevert (bijv. bestrijdingsmiddelen).
Daarom heen liggen grondwaterbeschermingsgebieden waar een iets soepeler regime geldt, en gebieden waar niet geboord mag worden. www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboek-water/thema-s/grondwater/achtergrond/ geeft meer informatie over wat er wel en niet mag. Via deze site is onderstaande Brabantse drinkwaterkaart te vinden.

De drinkwaterkaart van de provincie Noord-Brabant

Behandeld wordt de invloed van de thema’s:

  • Nitraat
  • Bestrijdingsmiddelen
  • Verzilting (voor Brabant nauwelijks relevant, dus weggelaten)
  • Bodemverontreiniging
  • Medicijnresten
  • Opkomende stoffen
  • Overige nieuwe bedreigingen

Nitraat
Er zijn veel nitraatbronnen, waarvan in Brabant de landbouw de belangrijkste binnenlandse producent is. Voor zover mest de oorzaak is, komt het fosfaat vooral in het oppervlaktewater terecht en het nitraat in het grondwater. Bij de bereiding van drinkwater is fosfaat relatief eenvoudig te verwijderen.
Hierboven de nitraatconcentraties in grondwater door de jaren heen. Voor Brabant zijn relevant de zandlijn en de kleilijn. Het beleid heeft geresulteerd in een daling tot 2012, waarna weer een lichte stijging optrad. De lijn van 50mg/liter is de norm.

De grafiek is gemiddeld, hetgeen betekent dat er onvermijdelijk een aantal putten boven de norm zitten. Beperkt men zich daarbij tot kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden, dan geeft dat dit beeld:

Als er pyriet in de grond zit, kan teveel nitraat ook leiden tot teveel nikkel en sulfaat en te hard water. Dit is al eens gemeten. Er kunnen ook andere zware metalen vrijkomen, maar die zijn minder mobiel in de grond en tonen zich nu nog niet zichtbaar in het grondwater.

In 2017 zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt om in het nu lopende Zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn de 34 meest kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden onder de norm te krijgen.

Bestrijdingsmiddelen
Als maatlat worden zowel voor grondwater als voor oppervlaktewater gehanteerd de signaleringswaarden uit het Protocol voor monitoring en toetsing van drinkwaterbronnen = de normen van het Drinkwaterbesluit = idem van de Grondwaterrichtlijn. Te weten:

  • Werkzame stoffen van bestrijdingsmiddelen mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter (bijvoorbeeld glyfosaat)
  • Hun afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend giftig voor mensen, mogen aanwezig zijn < 0.1 µgr/liter
  • Hun afbraakproducten (‘metabolieten’), indien (door het RIVM) erkend niet (erg) giftig voor mensen, mogen aanwezig zijn < 1 µgr/liter (bijvoorbeeld de metaboliet AMPA van glyfosaat)
  • De som van alle werkzame stoffen van bestrijdingsmiddelen (voor zover detecteerbaar) mogen aanwezig zijn < 0.5 µgr/liter

Ga desgewenst naar www.pesticidemodels.eu/groundwateratlas/home om de Atlas bestrijdingsmiddelen in grondwater te downloaden, of naar http://www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl/ voor de Atlas bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater.

Uit werk van Van Loon (2019) blijkt dat over de periode 2010-2014 in 77 van de 99 freatische grondwateronttrekkingsputten minstens één maal sporen van bestrijdingsmiddelen of hun metaboliet te vinden was (‘freatisch’ betekent dat de grondlaag niet afgedekt is met een beschermende kleilaag). De helft daarvan zat boven de signaleringswaarde.
Ook in winputten die onder een beschermende kleilaag actief zijn, worden in 19% van de gevallen dezelfde sporen aangetroffen (waarvan de helft boven de signaleringswaarde.
Dit is dus in  de putten. In waarnemingsputten nabij de onttrekkingsputten is een vergelijkbaar beeld te vinden.
De putten van het provinciale meetnet ondersteunen dit beeld.

Oppervlaktewatermetingen geven een vergelijkbaar beeld als bij grondwater.
In 2018 vonden Bannink en Van der Ploeg dat 14 bestrijdingsmiddelen, biociden of hun afbraakproducten in de Maas boven de streefwaarde van 0.1 µgr/liter uitkwamen.

Het onderzoek van Van Loon (2019) komt op onderstaande figuur uit.

Voor het oppervlaktewater, bestemd voor drinkwater, is in de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming (2013-20230) afgesproken dat het aantal overschrijdingen in 2018 50% lager is dan het aantal in 2013, en idem in 2023 95% lager.
Het PBL heeft dit geëvalueerd. Er is het een en ander verbeterd, maar de telers blijven evenveel chemische middelen gebruiken. Het tussendoel-2018 is allesbehalve gehaald: gemiddeld 25,7 overtredingen over 2011-2013 en 28,7 over 2015-2017 .

Voor het grondwater bevat genoemde Nota geen aanbeveling, behalve een algemeen beroep op de Kaderrichtlijn Water. Verder ziet men hier vooral een taak voor de provincies. Het PBL noemt de Green Deals Recreatie, Sportvelden en Particulier tot nu toe weinig effectief.

De minister van LNV heeft de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 naar de Tweede Kamer gestuurd. De emissies zouden tot nul moeten verminderen in 2030. Het bijbehorende Uitvoeringsprogramma moet nog geschreven worden.

Bodemverontreiniging
Het meest recente onderzoek, dat van Wuiijts (2014) laat zien dat van 215 winningen nabij ‘oude’ bodemvervuiling er 72 stoffen bevatten die boven ofwel niet ver onder de drinkwaternorm zitten. Van die 72 zijn er 57 grondwaterbronnen en van die 57 zitten er 31 boven de drinkwaternorm.
RIVM en KWR zoeken uit of die vervuiling door de plastic wand van waterleidingbuizen heen kunnen dringen.

Het huidige Bodemconvenant loopt in 2020 af. Van de 1383 spoedlocaties waren er inmiddels 473 gesaneerd, 700 in uitvoering, 26 met een uitvoeringsplan na 2020 en 184 zonder uitvoeringsplan na 2020. Bovendien leiden sommige saneringen tot eeuwigdurende verplichtingen. Er is dus na 2020 nog veel te doen.
De drinkwaterbedrijven zijn bang dat straks alleen de bodemvervuiling van vóór 1987 onder het overgangsrecht na 2020 van de Omgevingswet gaan vallen, en dat alle andere voor rekening van de veroorzaker komen – welke rekening niet altijd betaald wordt. Daarnaast ontstaan er nieuwe verontreinigingen, zoals met PFAS.
De drinkwaterbedrijven willen niet in de steek gelaten worden.

Medicijnresten
Naar schatting komen er in Nederland 140 ton voor mensen bestemde medicijnen en voor 30 ton aan Röntgencontrastmiddelen via het riool in het oppervlaktewater. Een onbekende hoeveelheid komt via lekkende riolen, afvalstorten en infiltrerend oppervlakteater in het grondwater terecht.
Ter Laak et al. (2010) schatten in dat 70% van de gecomsumeerde medicijnen in het milieu terecht komt, waaronder het grond- en oppervlaktewater.
Een onbekende hoeveelheid geneesmiddelen voor dieren komt in de grond terecht, o.a. via de mest. Een deel van die onbekende hoeveelheid bestaat uit 200 tot 225 ton antibiotica.
Lang niet alle actieve stoffen worden onderzocht. Metabolieten van medicijnen nog minder.
Zie www.drinkwaterplatform.nl/medicijnresten-in-water/ .

Het RIVM hanteert een signaleringswaarde (geen wettelijke norm) van 0.1 µgr/liter .

Onderzoekers vinden inderdaad medicijnresten in grond- en oppervlaktewater.
In de Maas overschreden in 2017 24 medicijnresten en één dier-antibioticum de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter.

Bij een meting in het grondwater op 101 soort medicijnresten kwam er in 5% van de meetmonsters uit provinciale meetputten boven de signaleringswaarde van 0.1 µgr/liter uit. Het gaat met name om fenazon (een pijnstiller en koortsverlager) en carbamazepine (een anti-epilepticum). ER wordt aangetekend dat in nogal wat situaties een stof niet in concentraties van 0.1 µgr/liter te meten viel.

Het gebruik van dier-antibiotica is ca 60% teruggedrongen, het gebruik van humane antibiotica in mindere mate. Dokters zijn hier al terughoudend mee.

Onder regie van I&W loopt de Ketenaanpak Medicijnresten uit Water over 2018-2022.

Opkomende stoffen
Dat zijn in deze studie stoffen waarover nog te weinig bekend is, en dus nog geen normen bestaan. Dat zijn er heel veel, maar de nadruk wordt gelegd op stoffen die in een industrieel product zitten, of in een industrieel productieproces.
Voorbeelden zijn Pyrazool in de Maas, ontsnapt bij Sitech op Chemelot (een tijd lang een groot probleem voor de drinkwaterinlaat) en PFOA (in de volksmond bekend als GenX, maar dat is een fabricagemethode en geen stof). PFOA is een voorbeeld van de familie van de PerFluorAlkylStoffen, die momenteel de bodemsanering in Nederland bijna volledig blokkeren, en die ook in lage doses in Helmond voor problemen gezorgd heeft. Zie www.rivm.nl/genx .
Verder bestaan er veel stoffen die pas recent meetbaar zijn geworden, en waarvoor dus nog geen individuele norm is  ook al bestaat er voor andere stoffen uit hun groep de waarde 0.1 µgr/liter .

Zowel in de Maas als in het grondwater worden (soms als verrassing) van dit soort stoffen aangetroffen, soms in de (van elders geleende) concentratie 0.1 µgr/liter . Gegevens van de EU-databank REACH geven wel wat aanknopingspunten om het gedrag van opkomende stoffen te beoordelen, maar niet altijd genoeg.

Geschat wordt dat er ongeveer 1600 ton industriele stoffen het water ingaat.

In de Delta-aanpak Waterkwaliteit is afgesproken de categorie ‘opkomende stoffen’ georganiseerd aan te pakken met middelen als monitoring, risico-analyses en bronaanpak.

Overige nieuwe bedreigingen
Waar de vorige categorie ongeveer op de grens zit met de wetgeving, zit de categorie “overige nieuwe bedreigingen” nog een eind van de wetgeving af. Ze zitten niet in wettelijke kaders en er is geen reguliere monitoring. Het gaat om stoffen en processen.


Wagner et al_Microplastics in freshwater ecosystems op Wikipedia.
Microplastics in sediments from the rivers Elbe (A), Mosel (B), Neckar (C), and Rhine (D). Note the diverse shapes (filaments, fragments, and spheres) and that not all items are microplastics (e.g., aluminum foil (C) and glass spheres and sand (D), white arrowheads). The white bars represent 1 mm.

In het oppervlaktewater wordt aandacht besteed aan microplastics, nanomaterialen en microbiële resistentie.

Er wordt veel onderzoek gedaan aan microplastics. Hoeveel is het? Waar komt het vandaan? Hoe gevaarlijk is het? Wat kun je er tegen doen?
Vooruitlopend op afgeronde risico-analyses wil de Europese Commissie als preventie een circulaire kunststoffenstrategie (geen plastic tassen en wattenstaafjes meer).

Nanodeeltjes (eigenlijk een synoniem voor UltraFijn stof) worden nog in lage concentraties in het milieu aangetroffen, mede omdat afval-waterzuiveringen er goed mee overweg kunnen.
Maar er is veel onbekend, o.a. omdat nanodeeltjes van een materiaal anders kunnen reageren dan hetzelfde materiaal in bulkvorm.
Onlangs heeft de Europese Commissie de REACH-richtlijn uitgebreid met nanodeeltjes, maar het kan nog jaren duren voor er voldoende bekend is.

In mest en in bijna alle uitstroom van rioolwaterzuiveringsinstallaties zitten tussen de antibioticaresten ook “Bijzonder resistente Micro-Organismen”. De risico’s voor de drinkwatervoorziening worden onderzocht.

In het grondwater wordt aandacht besteed aan gedumpt drugsafval en ondergrondse mijnbouw en warmte-opslag.

Per kg amfetamine en MDMA komt 20 resp. 7 kg afval vrij. Tops et al. (2018) schatten de productie in Nederland op 610 ton amfetamine en 153 ton MDMA. Dus.
Het afval komt ongecontroleerd in het milieu terecht (en de drugs zelf uiteindelijk ook via de riolering) . Het effect op de drinkwatervoorziening is nog een groot vraagteken.

In hoofdlijnen leiden de warmteopslag en de mijnbouw (naar boven en naar beneden) tot twee soorten risico voor de drinkwatervoorziening.

  • Er worden ondoordringbare lagen doorboord die waterpakketten van elkaar scheiden. Vervuiling kan zich naar diepere lagen verspreiden of zelfs worden aangezogen.
  • Er kunnen lekkages optreden, bijvoorbeeld uit WKO-systemen of geothermiebassins. Het hangt er sterk van af hoe die vormgegeven zijn: bijv. of het WKO-systeem open of gesloten is (en blijft!). In Brabant bijvoorbeeld liggen al honderden open en duizenden gesloten WKO-systemen en de registratie waar die liggen laat veel te wensen over. De SP heeft er in de provincie vragen over gesteld, zie www.bjmgerard.nl/?p=7871 .

De waterleidingbedrijven zijn een beetje zenuwachtig en hun reservelocaties worden minder. Aan de andere kant zit Brabant Water zelf ook in de geothermie.
Het is een spanningsveld waar nog veel aandacht moet worden gegeven.

Warmte Koude Opslag (Mark Johnson op Wikipedia)

De reactie van opdrachtgever VEWIN
De VEWIN heeft het rapport aan de minister van I&W overhandigd. Dat leidt tot de volgende, bestuurlijk geformuleerde, aanbevelingen:

  • De doelen van de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) moeten in 2027 gehaald zijn, maar dat gaat vooralsnog niet lukken. De resterende taak moet worden neergelegd in de Stroomgebiedbeheerplannen , die elke zes jaar moeten worden vastgesteld (dus eind 2020). Zo ook het Nationale Waterplan. De VEWIN wil prioriteit voor de verbetering van de kwaliteit van drinkwaterbronnen, omdat die onder druk staat.
  • De VEWIN verwacht dat de doelen van de KRW in 2027 niet gehaald worden en wil verlenging van de plancyclus (waarbij die verlenging niet als smoes gebruikt wordt om door te schuiven). De KRW moet versterkt worden.
  • De VEWIN benadrukt de urgentie van de opgave om de kwaliteit van de drinkwaterbronnen te verbeteren en wel sneller dan nu gebeurt. Dat is topprioriteit. De VEWIN wil weten waar de minister eind 2019 concreet op inzet.

Zonneparken, natuur en landbouw

Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard) (Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Inleiding

Veel mensen zijn abstract voor duurzame energie, maar concreet tegen als de voorgestelde invulling iets heeft wat hen niet uitkomt. Wind en mestvergisting zijn bekende voorbeelden. “Doe eerst maar wat anders” is de boodschap.
Bij zonneparken op de grond is het niet anders. “Leg eerst de daken maar vol”, klinkt het. Maar er is helemaal geen sprake van een keuze, het is en en en.

Een leidinggevende studie als die van Bureau POSAD tbv de provincie Noord-Brabant gaat uit van een uit zonne-energie winbare hoeveelheid van 9,1PJ (op basis van 18km2 geschikt dak), 4,4PJ op oude storten (horend bij 11km2), en van 57,3PJ uit zonneparken in gemengd landelijk gebied (horend bij 143km2 zonnepark). Nu kan men nogal wat kritiek leveren op de rekenzuiverheid en de aannames van de studie, maar qua orde van grootte kloppen deze cijfers, als men van de aanname uitgaat dat Brabant zichzelf volledig energieneutraal zou willen maken op strikt duurzame basis. De gedachte dat je met daken kunt volstaan is dus quatsch – wie dat zegt, stelt eigenlijk voor om het grootste deel van het potentieel aan zonne-energie bij voorbaat af te schrijven.

Nu moet men POSAD ook anderszins relativeren. Brabant is ruim 5000km2, waarvan 2350km2 cultuurgrond. Tegen dat laatste cijfer moet die 143km2 worden afgezet.

Een andere tegenwerpingsargument is dat zonneparken de bodem en de natuur aantasten  en gebied voor de landbouw onbruikbaar maken. Er gaan veel niet onderbouwde beweringen rond, die bevestigd noch ontkend kunnen worden. Een verzachtende factor is dat er überhaupt niet veel toegankelijke onderbouwing bestond. Aan dat laatste gebrek heeft Wageningen wat gedaan (volgende tussenkopje).

Maar ook hier weer enkele relativeringen van algemene aard.
Nederland is de tweede agrarisch exporteur ter wereld (bruto; netto de derde). De landbouw is te groot voor Nederland en men kan zich perfect voorstellen Nederland (bruto) de vijfde of de zesde agrarisch exporteur zou zijn.
Vele honderden km2 van Brabant zijn al bedekt met wegen, huizen en bedrijventerreinen (zie www.clo.nl/indicatoren/nl0061-bodemgebruikskaart-voor-nederland ), als regel allemaal vroegere landbouwgrond. Nogal wat boeren zijn rijk geworden aan de overdracht. Ook hier klinkt een toevoeging van bijvoorbeeld 143km2 zonnepark op Brabantse landbouwgrond niet meteen als het einde der tijden. Je hoort het argument ook niet als de A67 verbreed zou moeten worden of het voortbestaan van vliegveld Seppe gerekt moet worden, of als Bolcom in Waalwijk van 5 naar 10  hectare gaat.

Bodem, landbouw en biodiversiteit rond zonneparken

Wageningen University & Research (WUR, afdeling Environmental Research) heeft een kennisbasis gelegd (op basis van literatuuronderzoek) met de publicatie “Zonneparken, natuur en landbouw” dd april 2019 (http://edepot.wur.nl/475349 ). Veel literatuur bestaat er overigens nog niet.

De basale conclusie is dat er spanningsvelden zijn tussen bodem en landbouw enerzijds en zonneparken anderzijds, maar dat die niet absoluut zijn en niet altijd negatief uitpakken. En dat wat slecht is voor de landbouw, soms goed is voor de biodiversiteit.

De bodem
Verder is de boodschap, dat de landbouw soms slecht is voor de bodem, en dat geen landbouw in die situaties tot natuurlijk herstel kan leiden (bijv. niet ploegen en geen mest uitrijden).

Dit alles op basis van deskundige natte vingers, die meestal naar de veronderstelde afname van het organisch materiaal wijzen en de bijbehorende afname van het bodemleven.  Er groeien immers minder planten. Dit alles verondersteld, want er is nog nauwelijks experimenteel materiaal.
Vooral als men na 20 of 30 jaar weer landbouw in het gebied wil ondernemen, zou dat om een langdurige hersteloperatie vragen. Als het zonnepark zonnepark blijft, zoals Woensel Woensel blijft en de A67 de A67, speelt dit probleem niet.

Er zijn echter knoppen waaraan gedraaid kan worden:

  • hoe groot de (combi)panelen zijn;
  • de netto-bruto verhouding van het park (het hoeveelste deel overdekt wordt door paneel);
  • de minimum- en maximumhoogte van de (combi)panelen boven de grond;
  • de oriëntatie (Oost-West of Zuidelijk);
  • of de combipanelen afwateringsspleten hebben (die bepalen of het water meer geconcentreerd of meer diffuus op de grond valt.
  • in welke omgeving je de panelen neerzet

De landbouw
Draaien aan de knoppen kan de agrarische gevolgen voor de landbouw beperken. Combi-gebruik (agrarisch en zonnepark) is mogelijk, maar beide functies werken dan suboptimaal. Dat kan een goede afweging zijn.
Men kan spreiden: er bestaan verrijdbare of opvouwbare panelen.
Men kan ook panelen neerzetten als een vertikaal hek, liefst bifaciaal.

En er zijn gewassen die het in de schaduw niet veel slechts of zelfs beter doen, zoals aardappels.

En een niet te missen overweging is dat een hectare zonnepark momenteel beduidend meer geld opbrengt dan een hectare gewas.

De biodiversiteit
De belangrijkste factor is wat er onder de panelen kan groeien. Als dat een grasland met kruiden is dat dekking geeft, of als er een  bloemenmengsel ingezaaid is, kan het positief uitpakken.

Voor zoogdieren is een zonnepark gewoon een stuk leefgebied. Als de omstandigheden gunstig zijn, maken ze er graag gebruik van. Hazen houden van zonneparken.

Bij vogels hangt het van de soort af en van de begroeiing onder de panelen. Er is geen systematisch effect, behalve dat een min of meer verwilderd zonnepark meer biodiversiteit biedt dan idem op intensieve landbouwgrond. PV-panelen leiden niet of nauwelijks tot vogelsterfte.

Als de bodem onder het zonnepark kruidenrijk en bloemrijk gehouden wordt, kan het park gunstig zijn voor insecten (bijv. vlinders en hommels).
Waterinsecten zien een paneel soms voor een wateroppervlak aan. Streepjes op de panelen schilderen helpt soms al, evenals niet te dicht bij de waterkant gaan zitten.

Ecologisch beheer tijdens, maar ook na de aanleg van het park is van groot belang. Dan kan een zonnepark een verbetering zijn t.o.v. het intensieve bouwland, dat het vervangt.

De LTO

De Land- en Tuinbouw Organisatie gaat flink te keer tegen zonneparken. Dit ongetwijfeld ook omdat zonneparken per hectare fors meer opbrengen dan gewassen (zie ook Grootschalige zonneparken als flankerend beleid in de veeteelt-transitie ). De uitlatingen zijn mogelijk ook voor de eigen achterban bedoeld.

Zie www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2019/5/LTO-zonnecentrales-volstrekt-onacceptabel-423878E/?cmpid=NLC|boerderij_vandaag|2019-05-03|LTO:_zonnecentrales_volstrekt_onacceptabel .

De LTO vindt zonneparken een industriele bestemming. Dat kun je inderdaad vinden – wat niet anders zegt dan dat het zoveelste stuk landbouwgrond in bedrijventerrein veranderd is. Dat is niet voor het eerst.
In plaats daarvan wil de LTO panelen op de grote daken van schuren en stallen. Daar is op zich niets mis mee, maar het levert veel te weinig op, zoals eerder gezegd.
De LTO wil niet op de hoeveelheid landbouwgrond inleveren en is bang voor stijgende grondprijzen, wat vanuit hun standpunt logisch is. Maar nergens staat dat Nederland zijn absurd hoge landbouw-exporterende functie op dit niveau in stand moet houden. Misschien moeten we wel gewoon naar minder landbouw en minder landbouwgrond toe.

Tenslotte mist de LTO regie. En daar hebben ze gelijk in.

Superkritisch vergassen van natte biomassa (update dd 06 mei 2019)

Er is een nieuwe techniek, het superkritisch vergassen van natte biomassa. Dat kan van alles zijn, van zuiveringsslib tot drijfmest. Deze techniek verdient aandacht in de milieuhoek, Hij biedt zowel grote kansen als bedreigingen.

De oplossing kan het probleem worden.

Update: op 24 april 2019 stond het initiatief groot in de krant . Het nieuwe nieuws was dat pensioenbelegger PGGM (van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn) met geld in dit initiatief gaat zitten. Op www.pggm.nl/wie-zijn-we/pers/Paginas/PFZW-investeert-in-revolutionaire-groene-energietechnologie.aspx staat een heel verhaal. Er staat alleen niet bij hoeveel geld PGGM erin stopt.

Wat is superkritisch vergassen?
Bij superkritisch vergassen wordt natte biomassa verhit tot boven het kritische punt van water. Dat ligt bij 374°C en 221Bar (1 bar is ongeveer 1 atmosfeer).

Superkritisch diagram

Boven het kritisch punt gedraagt water zich geheel anders. Er is geen onderscheid meer tussen vloeibaar en gasvormig water. Het water verliest zijn polair karakter, waardoor organische stoffen ineens goed oplossen en zouten ineens slecht.
Normaliter gaan chemische reacties dubbel zo snel als ze plaatsvinden bij 10°C meer. Bij 374°C of hoger gaan chemische reacties dus heel snel, zo snel dat bijna alle organische molekulen worden afgebroken. Alle zouten slaan neer en komen in een soort pekelslurrie terecht, die kan worden afgescheiden.

De afbraak leidt tot een menggas dat heeft ruwweg de verbrandingswaarde van biogas heeft en ook waterstof kan bevatten. De netto energiebalans van het systeem kan positief zijn en die energie komt voor een deel in bruikbare, want chemische, vorm vrij.
Om het systeem te laten werken moet je eerst een heleboel water op minstens 374°C brengen. Dan gebeurt er van alles en uiteindelijk moet de temperatuur weer omlaag tot de oude waarde. De meeste afkoelende warmte kan worden gebruikt om het inkomende water voor te verwarmen, maar er blijft altijd een hoop water over van bijv. 50°C of zo. Je moet zo’n inrichting dus eigenlijk al bij voorbaat inpassen in een warmtenetwerk.

Het is heel erg nieuwe techniek. Eigenlijk een techniek die de universiteiten verlaten heeft maar daarbuiten nog niet tot grootschalige wasdom gekomen is. De techniek zit dus in de Valley of Death en zoals bekend, wordt die bevolkt door vele duivels die in vele details wonen. Je kunt er dus nog niet alles van zeggen.

Zuiveringsslib
Stowa, het wetenschappelijk bureau van de waterleidingbedrijven, heeft in Karlsruhe een eerste verkennend onderzoek laten doen naar de mogelijkheden om zuiveringsslib superkritisch te vergassen. Het tekent de situatie dat Stowa naar Karlsruhe moest, omdat de daar 50 tot 100 liter natte biomassa per uur kunnen doorvoeren, terwijl die capaciteit in Nederland in de milliliter/uur ligt.

Het eerste onderzoek is in 2016 gepubliceerd (zie www.stowa.nl/sites/default/files/assets/PUBLICATIES/Publicaties%202016/STOWA%202016-16.pdf ). Het is eigenlijk een goede tekst om enig inzicht te krijgen van wat de methode voorstelt.
Daar staat onder andere dat ongeveer 95% van de organisch gebonden koolstof afgebroken wordt. Interessant is dan wat er in die overblijvende paar procent zit. Het onderzoek vermeldt niet wat er specifiek met bijv. bestrijdingsmiddelen gebeurt. De koolstof-fluorbinding (zoals bijv. in fipronil) is sterk.

Mogelijke samenstelling van het menggas na superkritische vergassing

In de specifieke toepassing ‘zuiveringsslib” heeft het menggas ongeveer bovenstaande samenstelling.

Een recent vervolgonderzoek aan de Supersludge (waarin Stowa, de waterschappen De Dommel en Aa en Maas, en Slibverwerkinng NBrabant deelnemen) is gepubliceerd in juli 2018. Zie www.stowa.nl/publicaties/supersludge-demonstratie-van-zuiveringsslib-superkritisch-water .

Proefcontainer voor superkritische vergassing van twee Brabantse waterschappen

Bewerking van biomassa en mest en de proeffabriek
Waar toepassing van deze techniek op zuiveringsslib vooral voordelen biedt, bestaan er bij het bewerken van biomassa zowel voor- als nadelen. Ook mest is natte biomassa.

De discussie is niet hypothetisch, want er is onlangs in Alkmaar een proeffabriek geopend van SCW-systems (zie www.scwsystems.com/index.html ). Deze wordt gesteund door RVO, de provincie Noord-Holland en de Gasunie.

De proeffabriek van SCW in Alkmaar

Stroomschema van de proeffabriek

De techniek heeft zeker voordelen. De inrichting levert warmte en groen gas op en vernietigt op efficiente wijze het overgrote deel (zo niet alle) micro-organismen, virussen, sommige bestrijdingsmiddelen, de meeste of alle medicijnresten en hormonen. Er is nu eenmaal weinig dat 374°C of meer overleeft.
Verder worden nitraat en fosfaat-zouten in een geconcentreerde vorm afgescheiden. Ze kunnen dus gemakkelijker uit het grond- en oppervlaktewater gehouden worden.
Waarschijnlijk stinkt het eindproduct niet meer.
De website van de fabriek geeft geen informatie wat er met chloor- en fluorhoudende organische verbindingen gebeurt. Het is mij dus niet duidelijk in hoeverre dit aspect van het milieu gebaat is bij deze natte vergassing.

De mogelijke nadelen zitten in de context. De paradox daarbij is dat de kracht van het systeem tevens de zwakte is.

Ten eerste het aantal dieren.
Dat wordt gereguleerd via de hoeveelheid mest die op het land mag worden uitgereden, en die hoeveelheid wordt op zijn beurt uitgedrukt in een aantal kg fosfaat per hectare.
De gangbare vergisting van mest heeft geen invloed op het aantal dieren (of een zwak remmende invloed bij covergisting), omdat digestaat, het eindproduct van de vergisting, juridisch nog steeds mest is en scheikundig nog steeds evenveel fosfaat bevat.
Het eindproduct van superkritische vergassing is zeker in juridische zin geen mest meer. Het is groen gas, schoon water en een slurrie aan anorganische zouten. Er vervalt dus een beschermingsconstructie tegen een groter aantal dieren. Maar  de veeteelt veroorzaakt meer problemen dan alleen het mestprobleem. Omwonenden zullen een groter aantal dieren nog steeds niet leuk vinden.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten

Ten tweede de bodem.
Het gehalte aan organische stof in de bodem is het resultaat van een ingewikkelde balans tussen continue aanvoer en continue aanvoer. Gemiddeld over heel Nederland is die balans momenteel in evenwicht. Maar de balans kan per grondsoort, en in hetzelfde gebied van perceel tot perceel verschillen en hangt mede af van de agrarische bedrijfsvoering.
Die organische stof levert belangrijke ecodiensten: waterberging, koolstofopslag, biodiversiteit, gewasopbrengsten.
Ik denk dat er wel wat rek zit in de mest en bodem – romantiek van de biologische landbouw. Maar zeker niet zoveel dat je zonder enige vorm van aanvoer van organische stof kunt. De vraag is de superkritische vergister indirect de koolstof in de bodem op gaat stoken.
Bij gangbare vergisting speelt dit probleem veel minder, omdat grofweg tweederde van de inkomende biomassa niet vergist wordt, waaronder het moeilijkst afbreekbare deel.

het belang van de bodem voor ecosysteemdiensten

Ten derde het verband met de afvalverwerking.
Sommige soorten afval kun je zien als natte biomassa. Mogelijk kan superkritische vergassing nieuwe impulsen geven aan de afvalverwerking. Maar aan de andere kant is een dergelijk systeem, behalve superkritisch, ook super fraudegevoelig. Wat gebeurt er als iemand er een zak drugsafval in mikt of een lading fipronileieren?

Een van de twee ruimtelijke vormen van fipronil. Wat gebeurt er met die fluoratomen?

De website van SCW Systems kijkt slechts met dollartekens in de ogen naar de energetische opbrengst. Op zich is daar niets mis mee, zolang de gevolgen in de hand gehouden worden. Dat betekent andere politiek die het nieuwe systeem inkadert in een groter geheel.

Als men niet meer met de fosfaatwetgeving het aantal dieren in de hand zou kunnen houden, moet dat op andere manieren gebeuren.
Nu is het organische stof – gehalte een kwestie van de individuele boer. Men zou dat moeten veranderen in die zin, dat er een richtinggevende bodempolitiek ontwikkeld zou moeten worden.
Ik kan niet goed beoordelen of de bestaande afvalverwerking ingesteld is op deze nieuwe techniek. Mogelijk wel – en dan de handhaving nog.

Milieumensen doen er goed aan om zich in deze techniek in te lezen.

Het Erfpact aangeboden

De Van Erf tot Erf – actie ( https://milieudefensie.nl/van-erf-tot-erf ) gaat over een volhoudbare landbouw en gezond en eerlijk eten. Milieudefensie heeft boeren geïnterviewd. Dat heeft geresulteerd in een ebook met interviews (zie https://milieudefensie.nl/actueel/van-erf-tot-erf-verhalenbundel-nu-online ). Daarna zijn er conferenties geweest met boeren, burgers en organisaties, en is er een online-enquête geweest. Dit alles heeft geresulteerd in een tekst, die de gezondheid van de bodem op de eerste plaats stelt, en die vanuit dit vertrekpunt aanbevelingen doet;

  • Onze bodem is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
  • Onze bodem in balans voor mensen en dieren
  • Onze bodem: evenveel geven als nemen
  • Onze bodem is de basis van beleid
  • Een gezonde bodem moet lonen
  • Onze bodem moet in het bewustzijn komen

De volledige tekst is te vinden hier

Vier interviews uit het ebook vonden plaats met boeren in of rond Eindhoven ( zie www.bjmgerard.nl/?p=7255 ). Milieudefensie Eindhoven was aanwezig bij de conferentie in de Ruurhove in Hoogeloon (zie www.bjmgerard.nl/?p=7307 ).

De aanbieding van het Erfpact

Besloten is om het Erfpact aan de provinciale politiek aan te bieden. Enerzijds, omdat er op 20 maart verkiezingen zijn voor de Provinciale Staten, anderzijds omdat de bodem een typisch provincie-thema is.

Aan Milieudefensie Eindhoven viel de eer te beurt om het Erfpact aan de Noord-Brabantse politiek aan te bieden.

Dat gebeurde op vrijdag 1 maart. Dorry van Milieudefensie Eindhoven had een middagbijeenkomst georganiseerd, met aansluitend diner, op de Genneperhoeve. Dat liep allemaal voortreffelijk.
Tijdens de middagbijeenkomst een rondleiding, o.a. over het ‘goud op de plank’,  de eigen kaas van eigen koeien op eigen biologische grond.

Voor de politiek waren aanwezig vertegenwoordigers van CDA, CU-SGP, D66, Groen Links, Lokaal Brabant, PvdA en SP.
Drie van de boeren, die aan de interviews meegedaan hadden, waren aanwezig.
Verder waren er ook leden van Milieudefensie aanwezig, niet zijnde boer of politicus.
De samenstelling van het gezelschap kon niet anders dan tot geanimeerde gesprekken en flink tegengestelde meningen leiden, waarin het politieke element niet ontbrak.
Tot een politieke doorbraak kwam het niet, maar het onderwerp ‘een goede bodem’ kwam steeds terug.

Het project vond plaats in het kader van het Citizens CAP-project, dat wordt gefinencierd met steun van de Europese Commissie.

Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa

Voorgeschiedenis en het proces
De provincie Noord-Brabant wil mineralenkringlopen sluiten binnen Noordwest-Europa en voorkomen dat de gassen ammoniak, methaan en lachgas worden uitgestoten. Dat is een onderdeel van het nieuwe mestbeleid, dat in die vorm terug gaat tot op de roemruchte Ruwenbergconferentie in februari 2013.

Om de mestketen op de schop te nemen loopt nu een ‘mest-dialoog’. Aan een rits tafels (slagveldjes, zo men wil) wordt al maanden gediscussieerd en touwgetrokken over diverse aspecten van dat nieuwe beleid.

Aan een van die tafels moet nader bepaald worden wat men eigenlijk bedoeld heeft met “kringlopen sluiten” en “Noordwest-Europa”, en wat de mogelijke gevolgen daarvan zouden zijn. Daartoe zaten op donderdag 15 september, in het kantoor van de ZLTO in Den Bosch, bij elkaar (onder onafhankelijke leiding) de BMF, de ZLTO en Wageningen University Research (WUR). Ik zat erbij voor de BMF.
Dit was niet het eerste gesprek en zal ook niet het laatste zijn. Het proces is nog niet af. Ik zal dan ook nu beperken tot zaken die niet gevoelig liggen en/of mij beperken tot hoe ik er zelf in sta.

Wat is “Noordwest-Europa” en waarom?
Dat vroeg WUR zich ook af. De EU als geheel was veel makkelijker, daar konden ze zo de gegevens over oplepelen. Hierom dus:

Fosfaatbalans in Europa
Fosfaatbalans in Europa

De idee is dat het doelgebied voor de mest en het herkomstgebied van het veevoer hetzelfde zijn. Er zit een economische grens op hoever je met fosfaat kunt rijden. Je kunt Italie wel meetellen, maar het transport is in praktijk onbetaalbaar duur.
Dus Noordwest-Europa = Nederland, Belgie, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittanie.

Overigens heeft WUR in dit verband veel interessant materiaal, ook al is dat voor de EU als geheel, waaronder:

Zelfvoorzieningsgraad EU
Zelfvoorzieningsgraad EU

Voor veevoer (dus de importkant) is ‘schroot van oliezaden’ van belang, waaronder soja. Soja is een (mede)determinant van het aantal dieren.

Wat is een kringloop en hoe sluit je die?
Interessant onderwerp. Ik heb een stukje huisvlijt gemaakt:

De CNP-kringloop
De CNP-kringloop

Met een beetje fantasie en veel vereenvoudiging lees je dit als een systeem dat in eerste instantie de zes landen weergeeft. Het enige, dat dan van buiten het systeem komt, is de soja-pijl (lees ook tapioca etc) tbv het vee, en de voedselimport tbv de mens..
De actie “Allemaal Lokaal” van mijn club Milieudefensie richt zich tegen soja-importen. MilDef argumenteert dit vooral met de wantoestanden in het land van herkomst (de gewone man in Argentinie heeft minder baat en meer schade bij het systeem dan soms gedacht), dus met de linker-
kant van de vee-pijl. Ik argumenteer het met de rechterkant van diezelfde vee-pijl, omdat soja een belangrijk middel is om veel te veel dieren in Brabant op de been te houden. Vanuit beide gezichtspunten is de  X  op zijn plaats.

WUR gebruikt een ander plaatje van de kringloop:

WUR Kringlooptoets
WUR Kringlooptoets

Het merkwaardige is dat WUR de fotosynthese niet opvoert. Die moet je er bij de post “Gewassen” bij denken. Uiteraard weet WUR dat ook wel. Waarschijnlijk heeft WUR dat zo vanzelfsprekend gevonden, dat het niet genoemd hoefde te worden.
Maar het resultaat is dat een jaarlijkse input van inheemse koolstof ontbreekt. Zoals het er letterlijk staat, komt alle koolstof van buiten of van vroeger.
Waarschijnlijk heeft WUR toegewerkt naar de provinciale vraag “het sluiten van mineralenkringlopen” (=stikstof, fosfor, kalium en nog wat grut), en zich van de koolstofkant afgemaakt met de verzamelnaam “organisch materiaal”.
Er zijn echter goede redenen om de koolstofkringloop niet weg te frommelen. Het maakt uit voor het organisch stofgehalte van de bodem, het maakt misschien uit voor de export van melk, eieren, vlees etc naar buiten het systeem (waarom zou je daar a priori tegen zijn?).
En tenslotte, naast de voedselkringloop staat het (niet getekende) ener-
gieschema van de provincie Brabant, waarin veruit het grootste aandeel uit biomassa bestaat.

Prognose samenstelling energiepakket uit het Brabantse Energie Akkoord
Prognose samenstelling energiepakket uit het Brabantse Energie Akkoord

Ik vind een grondig onderzochte koolstofbalans van Brabant onmisbaar voor de toekomst.

Misschien inderdaad beter niet in dit proces, want WUR gaat nu een very quick scan opstellen waarin alle discussiebijdragen meegenomen worden. Binnenkort wordt verder gepraat. Je krijgt een koolstofbalans niet afgeraffeld, want dat zou wel eens akelig complex kunnen zijn. Eerder een uitdaging voor een aparte studie.

Nitraat en fosfaat
Het WUR-plaatje is vooral adequaat voor fosfaat. Dat is een waardevolle, tot zekere afstand economisch transporteerbare en op termijn schaarse grondstof. Fosfaatverliezen zijn onbedoeld en ongewenst.
Zie Afzetkansen voor bewerkte mest?  en Wat de provincie wel en niet kan bij landbouwvervuiling
Voor nitraat ligt dat heel anders. Dat is niet schaars, hoewel de productie veel energie vraagt, en in praktijk slechts zeer beperkt economisch transporteerbaar. Een academisch model dat er vanuit gaat dat nitraatverliezen geminimaliseerd worden, is wereldvreemd. Gezien de permanent veel te hoge concentraties worden die verliezen eerder gemaximaliseerd dan geminimaliseerd.

Ik hoop dat WUR hier niet teveel van sociaal gewenste aannames uitgaat.

H2S in grondwater waterspeelplaats Eindhovense Bonifaciuslaan

In de Eindhovense wijk Stratum is een gloednieuwe waterspeelplaats voor kinderen aangelegd. Helaas was de vreugde van korte duur, want het water werd bruin van het ijzer (overigens op zich onschadelijk), en er kwam zwavelwaterstofgas vrij (H2S). En H2S is bepaald niet ongevaarlijk als je pech hebt. In de open lucht, aan de rand van een open park, en zeker als het waait, blijft de concentratie als regel binnen veilige perken. Maar het stinkt wel goor.

Waterspeelplaats St Bonifaciuslaan Eindhoven op 7 juli 2016
Waterspeelplaats St Bonifaciuslaan Eindhoven op 7 juli 2016

Praktisch dezelfde situatie heeft zich in Deurne voorgedaan, op een waterspeelplaats in een dennenbos. Omdat Deurne al een van de epicentra is van de veeteeltproblematiek, en omdat er gelijktijdig ook nog andere slechte zaken in de natuur plaatsvonden, leidde het H2S daar tot grote opwinding. Mede in de hand gewerkt omdat, zoals sommige mensen in Deurne zeggen, er toen twee wethouders van de ZLTO zaten en een van de VVD.
Er kwam uiteindelijk deskundig onderzoek.

In een notedop: de vorming van H2S vindt plaats als resultante van een chemisch evenwicht waarbij sulfaat, fijnverdeelde koolstof (DOC), bacterien, ijzer en waterstofionen betrokken zijn. Aan dat evenwicht zitten als het ware knoppen waaraan gedraaid kan worden.
Normaliter bedient de natuur die knoppen. Dat lijkt zo te zijn aan de Bonifaciuslaan. De omgeving staat niet bekend vanwege de intensieve veehouderij.
Een andere vraag is of de landbouw mede aan de knoppen kan zitten als er wel intensieve veehouderij in de buurt is. Dat denken sommige mensen in Deurne. Mijns inziens kan dat niet helemaal worden uitge-
sloten. Dat zou dan moeten omdat het grondwater op pakweg 15m diepte, mede door toedoen van de landbouw, sulfaatrijker geworden is, zuurder geworden is en/of doordat er vanuit de bouwvoor fijn verdeelde koolstof met het grondwater mee omlaag gespoeld is. Het eerste is waarschijnlijk (maar niet alleen door de landbouw), voor het tweede zijn aanwijzingen dat dat in bescheiden mate zo is, van het derde valt momenteel niets te zeggen.
Om de zuurgraad van de grond bij te houden hoeft de provincie eigenlijk niks anders te doen als bestaande peilbuizen te volgen, en in Deurne
lijkt mij aanvullend onderzoek vanwege die fijn verdeelde koolstof niet verkeerd.

Zie ook mijn eerdere verhaal Zwavelwaterstof in Deurne (en in de rest van Brabant)  .

Inmiddels is de waterspeelplaats bij de St Bonifaciuslaan op de waterleiding aangesloten. De kindertjes kunnen weer poedelen.

Milieudefensie op Groenmoesmarkt in Oirschot

Onze Eindhovense Milieudefensieafdeling heeft op 20 maart 2016 op de Groenmoesmarkt in Oirschot gestaan met handtekeningen voor de landbouwactie Allemaal Lokaal. Deze actie wil bereiken dat er een eind komt aan gesleep met o.a. soja over de hele wereld en het verlies aan savanne en tropisch regenwoud dat daarvoor nodig is, en voor gesloten landbouwkringlopen op regionale schaal.
Dat zou tegelijk de mestproblematiek, die Brabant al tot over de lippen gestegen is, oplossen of minstens sterk verkleinen, want een dergelijke opzet lukt alleen met minder dieren. Anders is het “tot de schijt ons doodt”.

De Groenmoesmarkt is een grote markt/beurs voor volkstuinders en andere kleinschalige boeren.

De actie was mogelijk door samenwerking met onze zusterorganisatie Transition Towns.
DSCF2524-rot-reduced

We hebben ongeveer 70 handtekeningen opgehaald.

Van chemische naar ecologische bestrijding – 2

Ik was bij het KNAW-symposium “Van chemie naar ecologie – perspectieven voor ecologische gewasbescherming” op 19 februari 2016. Het was heel druk. Veel professoren, maar ook mensen uit het bedrijfsleven en andere geïnteresseerden.
Ik ga er in twee verhalen over vertellen. Dit verhaal gaat over risico’s en baten van biociden voor de mens, het andere over risico’s voor het ecosysteem.

Ecologische risico’s
Daarover spraken Frank Berendse, Wageningen, Hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie; Nico van Straalen, VU, hoogleraar dierecologie; en Louise Vet, NIOO-KNAW en hoogleraar evolutionaire ecologie, Wageningen. Die vertelden samen veel meer dan ik hier kan opschrijven. Hun verhalen kunnen gelezen worden als verschillende aspecten van één werkelijkheid.

Van Straalen
ecology goes underground
Ik leg het zwaartepunt bij Van Straalen, omdat in mijn politieke omge-
ving de bodemkwaliteit een belangrijke rol speelt en ook simpelweg omdat het voor mij de meeste nieuwe kennis bevatte.

De bodem biedt onderdak aan een onwaarschijnlijk aantal microbiële soorten, waarvan hooguit 20% bekend is (maar waarschijnlijk minder). Het is een soort tropisch regenwoud onder de grond. In 100kg goede bodem zitten alleen al zo’n vier miljoen soorten bacteriën. Daarnaast ook Archaea die stikstof blijken te kunnen binden, schimmels, en hogere planten en dieren.
Veel van die soorten hebben we nog nooit gezien, maar kennen we alleen omdat we hun DNA opgevist hebben. Vaak weten we ook nog niet waar al die soorten goed voor (kunnen) zijn.

De diensten die het ecosysteem biedt kunnen in algemene zin als volgt worden weergegeven:
belang bodem voor ecosysteemdiensten
Bij ‘ziekten’kan het ook om ziekten voor de mens en dier gaan, zoals bijv. de anthraxbacterie (miltvuur), een bacterie die van nature in de bodem voorkomt, of een parasitair wormpje.

Wat is goed voor een goede bodem? Erosie tegengaan, bijv. door afdekgewassen; berscherming van de infiltratriecapaciteit (tegengaan verslemping en te veel afdekking); niet teveel mest geven; voorkomen van zich opbouwende vervuiling met bestrijdingsmiddelen, zware metalen en PAK’s; stimuleren van organische stof (gewasrotatie, beperkte grondbewerking, gewasresten niet weghalen).
Een goede bodem helpt bij de bestrijding van plaaginsecten.
land use management
Men zou verwachten dat bestrijdingsmiddelen, die boven de grond giftig zijn, dat onder de grond ook zijn. Dat blijkt bij onderzoek inderdaad zo te zijn. Van wat neonicotinoiden onder grond doen, is nog weinig bekend. Vast staat dat met name de bollenteelt een uitdaging is.

Berendse
Waarmee het verhaal op het terrein van de anders sprekers komt. Berendse moet de neonicotinoiden niet. Die leken aanvankelijk een goede greep, maar toen ze die middelen preventief gingen toepassen,
bijvoorbeeld door zaden te coaten, kwam 80% in de bodem terecht zonder ooit de plant van binnen gezien te hebben. In de bodem bleken ze soms een veel langere halfwaardetijd te hebben dan gedacht (van een maand tot 2,5 jaar).

Berendse had vooral onderzoek gedaan naar men boven de grond kon zien, zoals planten, loopkevers, vogels en bladluizen. Bij vatte dat samen in dit staatje:
effecten intensivering biodiversiteit
(AES = agri-environment schemes, experimenten om de soortenrijkdom langs slootranden te vergroten).

Neonicotinoidenonderzoek (dat nog niet zo eenvoudig is, elke onderzoeksvorm heeft zijn eigen voor- en nadelen) bleek overigens juist bij honingbijen tegenstrijdige resultaten op te leveren. Bij minder tot de verbeelding sprekende dieren als solitaire bijen en aardhommels bleken de effecten veel rampzaliger.
aardhommelkolonies
Berendse vindt dat de Europese Sustainable Pesticides Directive nieuw leven moet worden ingeblazen:
– alleen chemicaliën als het niet anders kan, dan sterk gelokaliseerd en met een zeer korte levensduur
– nieuwe investeringen in de ontwikkeling van biologische bestrijding in open systemen
– accepteer lagere productieniveau’s en biedt de boer een prijs waarbij dat kan

Vet
Waarna Louise Vet fungeerde als dagsluiter. Dat was een gloedvol betoog over biologische bestrijding (waarover overigens in de wandelgangen wel enige scepsis te horen was). Wij kunnen ons de luxe permitteren om bijvoorbeeld 20% van de oogst kwijt te raken, was het idee, maar wat moeten ze in Afrika als ze zonder spuiten maar 20% overhouden?
Een plaatje over het verband tussen oorwormen en wolluizen op een appelboom:
oorworm en wolluis
Haar uiteindelijke aanbevelingen:

aanbevelingen-2aanbevelingen-1

Wat vind ik er zelf van?
Ik lever graag concrete kennis aan ten behoeve van de milieudiscussies in mijn omgeving, maar ik ben geen gelovige. Ik heb sympathie voor ideeën voor een meer duurzame wijze van gewasbescherming en bodembeheer en ik denk dat er een flink stuk gelijk in zit, maar ik durf niet goed te zeggen hoe ver dat gelijk gaat. Ik ben terughoudend met een eindoordeel over onderwerpen waarvan ik niet echt verstand heb.

Zwavelwaterstof in Deurne (en in de rest van Brabant)

In december 2012 ging een kind groggy onderuit op een waterspeeltoestel in het Deurnese recreatiegebied ’t Zandbos, een paar dagen later gevolgd door een ambtenaar van het Waterschap die monsters kwam nemen. In beide gevallen was het “rotte eieren-gas” zwavelwaterstof (H2S) de boosdoener. Dat gas was met het grondwater vanaf ongeveer 10 a 15 m diepte omhoog gekomen.
Bovendien gingen er eenden en vissen dood in de Heiakkervijver en ook de aangrenzende kastanjebomen.
Deurne in rep en roer en dat leidde tot een eerste onderzoek, in opdracht van de gemeente, de provincie en het Waterschap. Het resultaat “Zwavel, zware metalen en grondwater in Deurne” is in mei 2014 gepubliceerd.

Ik heb hierover eerder gepubliceerd –> Gesprek met inwoners Deurne over grondwaterrapport en andere mestzaken

Het onderzoek riep vervolgvragen op. In hoeverre golden de H2S-uitkomsten ook elders in Brabant? En waar lag het aan en wat kon je doen? Die vraag kwam bij dr Broers terecht, van de TNO Geologische Dienst Nederland. Broers maakte een Plan van Aanpak (dd 14 nov 2014. Hij heeft daartoe de metingen in Zandbos opnieuw uitgevoerd en geanalyseerd. Deze metingen zijn meegenomen in het tweede rapport “Onderzoek naar waterstofsulfidegas in grondwater in Noord-Brabant” (aangeboden 25/11/2015) .
De GGD heeft hier weer op gereageerd.
Alle rapporten zijn te vinden op Toegangspagina tot TNO-rapporten

Grondwatermeting in Putte

Nu enkele vragen.

Zwavelwaterstof ook elders in Brabant?
Ja. H2S kan zich in grondwater vormen o.a. als de volgende ingrediënten aanwezig zijn:
– sulfaat
– fijn verdeelde koolstof (Dissolved Organic Carbon, DOC)
– zuur grondwater (pH 5 a 5,5)
– ijzer
– bacteriën
Men zou dit het “Brabants standaardmodel” kunnen noemen, want hieraan  wordt in een groot deel van Brabant voldaan. In praktijk blijkt de DOC de beperkende factor. Zie de kaart uit het rapport, die ongeveer aangeeft waar de koolstofrijke Laag van Boxtel en van Waalre aan de oppervlakte ligt (het gebied tussen de blauwe breuklijnen is de Brabantse slenk).
H2S in Brabant-1

Kan H2S gevaarlijk zijn?
In Brabant overleden nog niet zo lang geleden drie mensen aan H2S in een slibtank bij Reiling. Het spul is behoorlijk giftig. De GGD hanteert voor het publiek een aanbeveling “niet langer dan 10 minuten 1mg/m3”. Er is dan alleen nog ongemak.
Het ‘voordeel’ van H2S is dat het al in zeer lage concentraties ontzettend goor stinkt. Het gas waarschuwt. Maar in hogere concentraties stinkt het gas niet meer, omdat het dan de reukzenuw verlamd heeft. Bij nog hogere concentraties, die zich in een afgesloten ruimte al snel kunnen ontwikkelen, ben je snel bewusteloos en ga je dood.
De GGD stelt dat bijv. bij waterspeelplaatsen bij windstil zomers weer (voor dit onderwerp een worst case-scenario) de concentraties vlak boven het wateroppervlak in theorie kunnen oplopen tot 13mg/m³ .
Andere riskante activiteiten zijn: het vullen van je zwembad met grondwater, regelmatig water in kruipruimtes, beregening en tuinbesproeiing, en bronbemaling. Niet genoemd worden arbeidsrisico’s, zoals bijvoorbeeld van rioolwerkers.
Als je in je eigen zwembad zwemt, als daar vers grondwater in zit, en als daaruit H2S vrijkomt, heb je een probleem.

Kun je er als persoon wat aan doen?
Kunnen blootgestelde personen de gevaren op tijd inschatten, willen ze op tijd weg zijn en kunnen ze dat? Onwetendheid, een arbeidsrelatie en werk in een omsloten ruimte zijn risicofactoren. Hier ligt nadrukkelijk een ARBO-taak.

De TNO-studie maakt bijvoorbeeld van het vullen van de zwembad met grondwater een heel protocol. Eigenlijk liever leidingwater gebruiken.

Zo ook beregeningsinstallaties en tuinsproeiers. Liever niet bij windstil weer.

Is het de schuld van iets of iemand?
De H2S-vorming berust op natuurlijke processen. Dat zijn ingewikkelde chemische evenwichten, waarvan de ligging afhangt van de getalwaarden van de ingrediënten. Dat zijn als het ware de knoppen waaraan gedraaid kan worden.
Zowel de natuur als de mens draaien aan die knoppen.

Het rapport zegt dat de huidige Brabantse sulfaatconcentraties in het grondwater als regel tussen de 50 en 150 mg/liter zitten, met hogere uitschieters onder pyrietbrokken en een ondergrens van 40mg/liter onder hooggelegen bossen.
Twintig jaar geleden was dat overigens meer: de zure regen is aangepakt – waarmee zowel een oorzaak als een oplossing genoemd is.
Een provinciale put in Hulsel haalde 225mg/liter. De streefwaarde voor sulfaat is 150mg/liter (Waterleidingbesluit 2001).
In het Deurnese Zandbos was de sulfaatconcentratie zeker 90mg/liter. Dat kan alleen als daar pyriet afgebroken is door nitraat. Omdat daar geen mest uitgereden is, moet de nitraat uit ammoniakdepositie via de lucht komen (ammoniak wordt ondiep in de bodem door bacteriën omgezet in nitraat). Waarmee een tweede, veeteeltgebonden, oorzaak benoemd is.
De derde oorzaak is sulfaat, die rechtstreeks uit uitgereden mest gespoeld is.
Een vierde oorzaak is misschien over een paar jaar zijn het spuiwater van chemische luchtwassers.

Ook de koolstof (DOC) kan een coproductie tussen natuur en mens zijn. De lagen van Boxtel en Waalre, die in een groot deel van Brabant aan de oppervlakte liggen, bevatten van zichzelf veel organisch materiaal. Daarnaast echter kan er ook DOC uit mest naar de diepte gespoeld zijn (“uitspoeling uit de landbouwvoor”, zoals het eerste rapport dat noemt).
De onderlinge verhouding tussen beide valt uit de rapporten niet op te maken.
boorkolommen_formatie van Boxtel

Het middeldiepe grondwater (ca 10 a 15 m diep) is tussen 1993 en 2008 zuurder geworden. Dat blijkt uit tabel B.3.B, blz 122, van het RIVM-rapport “De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater” (2010) ( Het RIVM-rapport ). Waarschijnlijk is dat ook menselijke invloed.
pH-verloop_RIVM_2010_kwaliteit grondwater

Al met al denk ik, dat de intensieve veehouderij een factor is in de H2S-problematiek in Brabant, maar niet de enige. Daarnaast ook de zure regen (die sterk afgenomen is, maar nog niet tot 0), en daarnaast de bijdrage van de natuur zelf.

Verder onderzoek zinvol?
De bestaande metingen geven voldoende grond voor de conclusie dat de intensieve veehouderij bijdraagt aan de sulfaatconcentraties. Ik beschouw deze vraag als beantwoord.
Of de veeteelt ook bijdraagt aan de DOC-concentraties op 15 m diepte
(bijvoorbeeld door vele jaren drijfmest), is minder duidelijk. Dit zou nader onderzoek verdienen.
Het verloop van de pH is interessant. De provincie heeft een meetnet met grondwaterputten en die meten de pH. Misschien kan daar een historisch overzicht gemaakt worden.

Tenslotte moet een buitenbeentje onderzocht worden, de veedrenkingsput tussen Neerkant en Helenaveen. De ondergrond voldoet daar in het geheel niet aan het “Brabants Standaardmodel”, maar er worden toch H2S-concentraties gemeten die 4* hoger zijn dan bij andere putten in Deurne. De koeien blijven er weg, aldus het rapport, en daar doen ze heel verstandig aan want de open lucht-concentraties kunnen bij windstil weer toxisch worden (10mg/m³).
Bij de presentatie van het rapport op 25 november toonde Broers zich bezorgd over deze situatie.

Wat te doen anders dan onderzoek?
– Communicatie naar doelgroepen, bijvoorbeeld naar de ZLTO, naar de brancheorganisatie van zwembadleveranciers, naar aannemers die grondwerk doen, naar de gemeenten, etc.
– Verzuring van het middeldiepe grondwater tegengaan
– Maatregelen voor minder dieren in Brabant

Mestbewerken is schaken op vijf borden

Weinig onderwerpen roepen zo algemeen in Brabant emoties op als het aantal dieren en wat te doen de mest die ze produceren. Daarnaast leven in kleinere kring ook sterke meningen over bodembeleid, biomassa en energieproductie.

In het Brabants Bestuursakkoord zijn een aantal goede passages gewijd aan deze onderwerpen. Het gaat daarbij over nog uit te werken intenties.
Daarnaast liggen er enkele, door veel bezorgde burgers gesteunde, maatschappelijke uitspraken over mestbewerking, die een onderbouwd politiek standpunt verdienen.
Vandaar dat ik voor de SP-fractie in PS een eerste aanzet heb geschreven voor beide doelen. Hierover ontstond een interessante discussie.
In het (als bijlage meegeleverde) volledige verhaal staan dus steeds verwijzingen naar passages uit het Bestuursakkoord.

Uitgangspunten
Mijn verhaal heeft enkele basale uitgangspunten.
a) Er zijn in Brabant meer problemen dan alleen het aantal dieren
b) mestbewerking, biomassa, bodemkwaliteit, kringlopen en duurzame energie kunnen alleen als een geïntegreerd pakket geanalyseerd worden. Meningen op het ene vlak hebben consequenties op het andere vlak. Vandaar de titel.
c) er zijn in Brabant teveel dieren, en in sommige delen van Brabant veel te veel. Niet alleen vanwege de mest, maar ook om andere redenen
d) uitspraken moeten zo wetenschappelijk mogelijk gefundeerd zijn. Die wetenschappelijke analyse is mogelijk en bestaat soms al. Er zit nu te veel ideologie en te weinig scheikunde en microbiologie in de verhalen.
e) er is in Brabant geen goed duurzame energie-verhaal, geen bodem-
kwaliteitsverhaal en geen expliciet biomassa-beleid

Bord 1: het aantal dieren en hun mest
Ik gebruik met opzet het neutrale woord ‘bewerken’ omdat als regel mest na de bewerking nog steeds mest is. Dat komt omdat de meet-
eenheid van mest het aantal kilo’s fosfaat is, en dat verandert niet door welke bewerking dan ook. Wel verandert de fysische en chemische gedaante van de mest.
Omdat vooral de fosfaathoeveelheden de wettelijke limiet zijn, leidt het bewerken van mest dus op zichzelf niet tot meer dieren. Daartoe zou mestbewerking mest uit het systeem moeten halen en dat doet het niet. Wat wel in significante hoeveelheden mest uit het systeem kan halen is de export. De bewerkingsdrempel, die mest moet ondergaan om geëxporteerd te mogen worden, oogt lager dan de diverse bewerkingsvormen. De bewerkingsvorm heeft dus geen grote invloed op de exportmogelijkheden.

Bord 2: de kringlopen
De one-way belt vanuit Zuid-Amerika naar hier zou moeten worden beëindigd, ten faveure van een landbouw met kringlopen die gesloten zijn binnen een straal van pakweg 500km (dat is ongeveer wat op de Ruwenbergconferentie gezegd is)

Bord 3: duurzame energie en klimaat
Mestvergisting (let wel: ik bedoel hier deze specifieke techniek) is onmisbaar om de duurzame energiedoelen te halen. Als men van 60% van het huidige aantal dieren de helft van de mest zou vergisten, en als daarvoor voldoende covergistingsmateriaal beschikbaar zou zijn, levert dat op nationaal niveau meer op dan de nu geplande windenergieparken op zee.

Bovendien gaat het vergisten van mest de methaanemissies naar de atmosfeer tegen. Methaan is een krachtig broeikasgas.

Zie Nut en risico’s van covergisting

Bord 4: de beschikbaarheid van biomassa en organisch afval
De beschikbaarheid van biomassa is beperkt en er wordt op allerlei manieren aan getrokken, maar het is niet zo dat er niets kan. Dat moet gereguleerd worden. Er is dringend behoefte aan een provinciaal biomassabeleid.

Bord 5: de vitaliteit van de bodem
Het verminderd toevoeren van organisch materiaal aan de bodem zou, naar sommigen zeggen, kunnen leiden tot een verminderde bodemkwaliteit. De onderbouwing van deze bewering is vooralsnog meer ideologisch dan natuurwetenschappelijk.

Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten
Het organisch stofgehalte van de bodem door de jaren heen, gemiddeld over een groot aantal meetpunten (30 vragen en antwoorden over bodemvruchtbaarheid – Alterra 2012)

Dat neemt niet weg dat er reden tot zorg is over de bodem, maar het is zeer wel denkbaar dat andere oorzaken een grotere rol spelen dan de hoeveelheid organische stof (dalende pH, dichtrijden van de grond door zware machines waardoor de grond minder zuurstof bevat, zware
metalen, besmetting met bestrijdingsmiddelen.

Verloop van de pH tussen een periode rond 1995 en rond 2008 (RIVM resultaten Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit 2012)
Verloop van de bodem-pH tussen een periode rond 1995 en rond 2008 (RIVM resultaten Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit 2012). I t/m V is zand, I = melkvee lage dichtheid, II = melkvee hoge dichtheid, III = melkvee en intensieve veehouderij, IV = bos en V = bouwland

Mijn voornaamste pleidooi: zoek de dingen wetenschappelijk goed uit voor er vèrgaande beweringen op tafel komen.

Het volledige verhaal vindt u –> mestverwerking is schaken op vijf borden