Ik heb me altijd al afgevraagd waar de bewering dat er 11,4 miljard naar het bijstoken van biomassa in kolencentrales vandaan komt. Die stond op 4 oktober 2019 in het Algemeen Dagblad/Eindhovens Dagblad zonder enige bronvermelding.
Het was een expliciete reactie op het onderzoek “Serous mismatches continue between science and policy in forest bioenergy”, gepubliceerd 22 aug 2019. Daar staat het cijfer 11,4 miljard geheid zeker niet in. Dat zou ook niet logisch zijn, want het artikel gaat over mondiaal en niet over Nederland. En het gaat specifiek over het bijstoken van hout uit bossen, zonder de wijze vna opstoken te vermelden. Ik heb overigens dit rapport uitvoerig bestudeerd en er mijn commentaar op geleverd, zie www.bjmgerard.nl/?p=10525 . Ik vind het een slecht rapport.
Letterlijk zegt het Algemeen Dagblad-artikel “In totaal hebben opeenvolgende kabinetten al 11,4 miljard Euro subsidie voor allerlei biomassa-installaties uitgetrokken.” Niet genoemd wordt wie dit uitgezocht heeft, hoe het uitgezocht is, welke opeenvolgende kabinetten het zijn en over welke jaren geteld is, en wat precies bedoeld wordt met ‘allerlei biomassa-installaties‘.
Ik heb me suf gezocht hoe ik op enigerlei wijze aan 11,4 miljard kon komen, maar dat lukte voor geen meter. Het enige waar ik op uit kwam, is dat biomassa, over de volle looptijd van de SDE, onevenredig weinig SDE+-subsidie krijgt in verhouding tot het aandeel energie dat biomassa levert. Onderstaand diagram bevat (exclusief najaar 2019) 48 miljard aan SDE(+)subsidies, waarvan 36% opging aan alle vormen van biomassa samen . Dit terwijl biomassa goed is voor ruim 60% van de hernieuwbare energie. Ik krijg in dit overzicht op geen enkele manier 11,4 miljard bij elkaar gesprokkeld.
De 11,4 miljard is dus niet meer dan het fakegetal van een onbekende journalist.
SDE(+) subsidies door de jaren heen, uitgesplitst naar energiecategorie
Vervolgens nam Jan en Alleman het onzingetal over, tot in de Tweede Kamer en in academische kringen toe (academici die zich voor wetenschappelijke uitspraken beweren op zomaar een krantenbericht).
In de Telegraaf schreef oud-minister Ronald Plasterk deze week “Wij besteden als land 11,4 miljard euro subsidie aan het ombouwen van kolencentrales naar centrales voor biomassa. Dat is gemiddeld 671 euro per persoon.”
Dat getal klopt niet. Plasterk zit er minimaal een factor 3 naast. De maximale subsidie voor de bij- en meestook van biomassa in kolencentrales is namelijk niet 11,4 miljard euro zoals Plasterk schrijft, maar maximaal 3,5 miljard euro. Zie onderstaande tabel uit deze brief (pdf) van minister Wiebes aan de Tweede Kamer.
De bedragen in de tabel zijn de maximale uitgaven over de looptijd van de subsidie. In het geval van bij- en meestook van biomassa is dat 8 jaar. De totale waarde van de subsidiebeschikking is het maximale bedrag als de stroomprijs gedurende hele looptijd op laagste niveau ligt. De minister schrijft in de genoemde brief dat er uitgegaan kan worden dat de daadwerkelijk uitgaven circa 2/3 van het maximum zal zijn.
U kunt in de tabel ook zien dat de totale waarde van subsidiebeschikkingen voor allerlei soorten biomassa veel hoger is dan de 3,5 miljard euro voor bij- en meestook in kolencentrales. Plasterk heeft het in zijn column echter nadrukkelijk over kolencentrales.
Om nog wat preciezer te zijn: de subsidie is niet voor de ombouw van kolencentrales, maar voor het produceren van elektriciteit door het bij- of meestoken van biomassa. Het is dus niet een bedrag dat in een keer wordt uitbetaald, maar gedurende de looptijd van de subsidie en afhankelijk van de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit en de elektriciteitsprijs.
U kunt zeggen dat het niet om het bedrag gaat, maar om de vraag of we subsidie moeten verstrekken aan het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales. Dat kan. Ik vind op mijn beurt dat een columnist die het totale subsidiebedrag centraal zet in zijn column, de moeite moet nemen om even het goede getal op te zoeken. Zeker als het een oud-minister is.
In de bedrijfsmodellen van de luchtvaart staat de klant centraal. Op het internationale spoor staat het eigen functioneren van de bedrijven op de binnenlandse vervoersmarkt centraal.
Verduurzaming van het vervoer en de rol van de trein versus het vliegtuig De Europese Unie wil een leidende rol spelen bij de uitvoering van het Klimaatakkoord van Parijs (2015). De emissies van broeikasgassen moeten in 2050 op 10% zitten van het niveau in 1990. De EU wil in 2030 op 60% (of minder) zitten van de emissies in 1990, en in 2050 op (netto) 0%. Het uitvoeringstraject is geschetst in de recentelijk uitgebrachte Europese Green Deal. Deze is nu in discussie. ( Op www.europa-nu.nl/id/vl4ck66fcsz7/europese_green_deal een overzicht).
Verkeer en vervoer zijn een belangrijke bron van broeikasgassen. Een subdoel van de Green Deal is dan ook een schoner, goedkoper en gezonder privaat en publiek openbaar vervoer. Een reizigerskilometer met de trein stoot veel minder CO2 uit dan idem met vliegtuig of auto. Vandaar dat de EU het jaar 2021 wil uitroepen tot Jaar van de Trein.
In vliegveldkritische groepen (waartoe ik ook zelf behoor) wordt het argument in eigen recht gebruikt ter ondersteuning van andere redenen waarom men minder vliegbewegingen wil (geluid, fijn stof, ruimtelijke ordening-beperkingen), en waarom men een overstap van vliegtuig op de trein wil. De bewering is dat de vliegsector geen accijns en BTW betaalt en daarmee een voordeel heeft op de trein, en dat als dit voordeel zou verdwijnen, de trein op afstanden tot ca 750km van het vliegtuig zou winnen. Het eerste deel van deze zin is juist, het tweede deel niet (althans, niet automatisch). Het internationale railvervoer kent veel meer, en belangrijker, knelpunten dan alleen een prijsverschil. Nog sterker: de trein is niet eens altijd duurder dan het vliegtuig op hetzelfde traject, zoals blijkt uit bijgevoegde staatje van de Consumentenbond uit 2019 en Treinreiziger uit 2018.
(Overigens geven treinen (met name goederentreinen) ook overlast in de omgeving met geluid, slijpstof, ongevalsgevaar en vooral trillingen. Betere treinen en railsystemen zijn een nadrukkelijke voorwaarde voor meer treinen en ook voor de acceptatie van omwonenden daarvan.)
Het rapport van de Rli laat voor het internationale personenvervoer per spoor (de Rli laat goederenvervoer grotendeels buiten beschouwing) zien wat die andere knelpunten zijn, en wat je eraan zou moeten doen.
Het vierlagen-model en hoe de klant daar tegen aan kijkt De Rli hanteert een vierlagen-model, waarbij vanuit de gebruiker genummerd wordt.
De eerste laag bestaat uit de mobiliteitsdiensten zoals verkeersinformatie, outeplanners, ticketbestellingen, en nieuwe concepten als Mobility As a Service (MAAS)
De tweede laag bevat de vervoersdiensten: de spoorwegmaatschappijen en hun materieel
Daaronder de verkeersdiensten, die het spponetwerk laten functioneren, zoals de treinbeveiligings- en -besturingssystemen en de treinpadentoedeling
De vierde laag is de fysieke infrastructuur: sporen, stations, emplacementen, en ICT-hardware
Je kunt dit geheel vanuit de klant bekijken, en vanuit het systeem bekijken.
De klant heeft geen boodschap aan het vierlagen-systeem. Die ziet een stel problemen:
In vergelijking met andere vervoerswormen (vergelijk het vliegtuig) is de toegang gebrekkig. Je moet zoeken, boeken is moeilijk, tickets zijn meestal pas drie maand van te voren beschikbaar, en je kunt een probleem hebben als je de aansluiting mist. “Kennis, vindbaarheid, boekbaarheid en zekerheid” zijn een probleem. Mijn vrouw is een grootmeester op dit gebied, maar ook die komt er niet altijd uit zonder de Treinreiswinkel. En als je de fiets mee wilt nemen, is het al helemaal een bezoeking.
De reiziger denkt dat de trein duur is, hoewel dat feitelijk niet altijd zo is en hij bij het vliegtuig vaak bijkomende kosten over het hoofd ziet (zoals voor- en natransport en bagage)
Er zijn te weinig rechtstreeks verbindingen en dus moet je overstappen, met alle ongemak van dien. De directheid van de verbinding blijkt vaak een belangrijker factor dan de snelheid. De rechtstreeks Berlijn-lijn blijkt vaak geliefder dan de ICE-lijn met overstap in Hannover die 20 minuten sneller is. Bovendien kan een overstap van invloed zijn op passagiersrechten.
Treinen zijn te langzaam, zelfs vaak langzamer dan technisch hoeft. Omdat de scope van het treinwezen in essentie nog nationaal is, zitten er in een HSL-lijn vaak stops die nationaal begrijpelijk zijn, maar internationaal niet.
Knelpunten, vanuit het systeem geredeneerd Overall noemt de Rli drie onderliggende verklarende factoren:
De belangrijkste partijen in het spoorsysteem hebben overwegend een nationale oriëntatie. Ze worden op hun nationale presteren afgerekend. De internationale verbindingen hangen er maar een beetje bij. De Eurostar zou bijvoorbeeld 16 minuten eerder in Londen zijn als de vijf infrastructuurmanagers op het traject over hun nationale fixatie heen zouden kunnen (en mogen) stappen.
Verbetering wordt vaak gedefinieerd als vooral een infrastructureel probleem. Er bestaan inderdaad de nodige infrastructurele problemen (waarover verderop meer), maar het kost decennia en kapitalen om die op te lossen. Gegeven wat er al ligt, is er ook al met ‘zachte’ maatregelen veel te bereiken. Creatiever omgaan met het Nederlandse basis(half)uurpatroon zou al veel schelen. Je zou dan bijvoorbeeld twee keer zo vaak naar Brussel kunnen rijden, en veel vaker naar Berlijn en Frankfurt.
De technische harmonisatie van het Europese spoorsysteem is te weinig toegespitst op het verbeteren van de hoofdverbindingen in het netwerk (de corridors), die voor de internationale treinreiziger van belang zijn. De aandacht is gespreid over het hele spoornetwerk.
Deze onderliggende factoren verklaren waarom de concrete knelpunten bestaan die bestaan:
Knelpunten bij de mobiliteitsdiensten:
Geen passagiersvriendelijk aanbod van informatie en tickets. Een reiziger die zelf een reis wil plannen en boeken komt terecht in een wirwar van regels en informatie. Iedere spoorwegonderneming biedt vrijwel alleen tickets aan voor haar eigen treinen. Het aanbieden van tickets van andere maatschappijen, ook al betreft dit aansluitende treinen, gebeurt slechts beperkt (bijvoorbeeld alleen wanneer het samenwerkende partners zijn). Verder heeft iedere spoorwegonderneming haar eigen verkoopkanalen en digitale systemen.
Treinreis van combinatie van spoorvervoerders moeilijk te boeken
Er is tot op heden geen uniform Europees boekingssysteem voor treinreizen. Er zijn in Europa (grofweg) twee systemen te onderscheiden voor treinboekingen. In het ‘Duitse’ systeem wordt een ticket gekocht voor het reizen op een specifiek traject op een specifieke dag, waarbij geldt dat op die dag van verschillende treinen gebruik mag worden gemaakt. Dit is gunstig voor een reiziger die een aansluiting mist. In het ‘Franse’ systeem wordt een ticket gekocht voor het reizen met een specifieke trein op een specifieke dag. Hiervoor geldt dat op een vast tijdstip moet worden gereisd, zitplaatsreservering is dan verplicht (NS International, z.d.-b). Beide boekingssystemen zijn in de praktijk lastig te combineren.
Onduidelijk wanneer kortingen op basis van abonnement van toepassing zijn
Dienstregelingen niet op tijd beschikbaar. Voor de reiziger zijn dienstregelingen veelal pas drie maanden van tevoren beschikbaar.
Onvoldoende aandacht bij vervoerders voor ‘last mile’ . Er is onvoldoende aandacht bij treinvervoerders voor de zogenoemde ‘last mile’. Hoe kom je als reiziger na aankomst op het station met metro, bus, fiets of te voet op je eindbestemming? Overigens is dit probleem bij de luchtvaart groter.
Knelpunten bij de vervoersdiensten:
Dominantie nationale vervoerders met focus op binnenlandse markt. Door de (verborgen) barrières die een landsgrens ondanks het Europese opengrenzenbeleid nog steeds met zich meebrengt (bijvoorbeeld als het gaat om taal en gebruiken), blijft het overgrote deel van de treinreizigers binnen de landsgrenzen. Het is dus niet verwonderlijk dat de afspraken met de NS in de huidige concessie voor het hoofdrailnet merendeels gericht zijn op de prestaties voor deze doelgroep. Tijdens de Rli expertsessies bleek dat deze afspraken als zo dwingend worden ervaren, dat ze risicomijdend gedrag bij de vervoerders in de hand werken.
Tot op heden weinig concessies voor internationale verbindingen
Barrières voor toetreden nieuwe vervoerders. De Rli is voorstander van concurrentie op het spoor. Dat kan tot betere prestatie leiden.
Geen leasemarkt voor rollend materieel. Een nieuwe marktpartij heeft niet zomaar nieuwe treinwagons.
Niet delen van data. Spoorvervoerders beschouwen veel data als bedrijfsvertrouwelijke informatie. Zij delen deze informatie dus niet met potentiële nieuwe toetreders of derden die tickets willen verkopen. Ook app-bouwers die informatie-apps willen bouwen, krijgen deze data niet.
Geen coherente visie op internationale dienstregeling. Men kletst in Nederland wat af over grensoverschrijdende treinen, maar op de keper beschouwd wordt er weinig strategisch overlegd.
Geen gelijk speelveld ten opzichte van andere vervoerwijzen. Hier komt het ontbreken van BTW en accijns op de luchtvaart aan de orde. De Rli vindt dat de milieulasten in de ticketprijs verwerkt moeten worden.
De prijs die spoorwegmaatschappijen betalen voor gebruik van de infrastructuur is te hoog. Men kan hier ‘politiek mee spelen’, door bijv. voor langere trajecten of nachttreinen lagere tarieven te rekenen.
Knelpunten bij verkeersdiensten:
Technische en beveiligings-/beïnvloedingssystemen niet compatibel Alleen al het simpele gegeven dat er niet één omgangstaal is binnen de spoorwereld (zoals het Engels in de luchtvaart) zegt al wat. Hieronder de Europese variatie in de spanning op de bovenleiding en de treinbeveiliging.
Invoering ERTMS kostbaar en tijdrovend. Met dit beveiligingssysteem kunnen treinen bijvoorbeeld dichter op elkaar rijden.
Het toepassing van veiligheidseisen vliegverkeer op internationale treinen zou kostenverhogend en vertragend werken en nodeloos op safe spelen. Bovendien verbiedt het de charme van de ‘last -minute’ boeking.
Knelpunten bij infrastructuur:
Geen samenhangend internationaal HSL-netwerk, beperkte toegang tot HSL-infrastructuur. De HSL-projecten zijn nationaal opgezet. Daarom is het HSL- en ICE-netwerk op Europees niveau een lappendeken. De snelheid op de verbinding Amsterdam-Utrecht-Arnhem-Duisburg-Düsseldorf bijvoorbeeld ligt op dit moment ver onder de gewenste 160 tot 200 km/uur. De Europese Rekenkamer heeft hier naar gekeken en was niet blij. “Er is een ondoeltreffende lappendeken van slecht verbonden nationale lijnen aangelegd”, aldus Oskar Herics van de Europese Rekenkamer. Een HSL-lijn bouwen kost om en nabij €25 miljoen per kilometer en €90 miljoen per minuut reistijdwinst. Dat goudgeld komt omdat het spoor ontworpen is voor 300km/uur, terwijl die treinen dat in praktijk zelden halen. Wat gematigder ambities (bijv. bestaand spoor opwaarderen tot 160 a 200km/uur zou wel eens een fors betere kosten-batenverhouding kunnen hebben.
Capaciteit stations te beperkt
Maatschappelijke kosten-batenanalyses eenzijdig gericht op binnenlandse baten. Bij de eventuele reactivering van de ‘Ijzeren Rijn’ (Belgie-Weert-Roermond-duitsland of daaromtrent) voelde men zich niet in staat om een ‘totaal-MKBA’ te maken en werden alleen de kosten en baten in Nederland berekend. Voor de eventuele verbinding Groningen-Bremen is een Nederlandse, een Duitse en een gezamenlijke/Europese MKBA gemaakt.
Aanbevelingen Een en ander brengt de Rli tot de volgende aanbevelingen:
Zet in op corridorcoördinatie
Verbeter de vindbaarheid en boekbaarheid van internationale treinreizen
Zorg dat treintickets minimaal negen maanden van tevoren beschikbaar zijn
Verbeter reizigersrechten
Stimuleer nieuwe internationale vervoersdiensten
maak van de internationale trein een aantrekkelijk product
Verbeter afstemming treinpaden ten behoeve van internationale treinreiziger
Stimuleer toepassing informatietechnologie voor beter gebruik spoorcapaciteit
Investeer in grensoverschrijdend spoor
Investeer in één oostelijke corridor
Ontvlecht regionaal, nationaal en internationaal spoorvervoer
Deze elf aanbevelingen zijn in de tweede figuur met het vierlagen-systeem aan een laag toegekend.
(Op de startfoto het HSL-treinstation in Luik (foto bgerard))
Ook in mijn favoriete buitenland, Ierland, is een proces geweest zoals dat van Urgenda in Nederland. En ook in Ierland heeft de actie gewonnen. Zie onderstaand bericht.
31 juli 2020
The case was brought to the Supreme Court by Friends of the Irish Environment after the High Court rejected its case in September.
THE SUPREME COURT has found in favour of a case taken against the government on its plans to tackle climate change.
Chief Justice Clarke found that the government’s National Mitigation Plan falls “well short” of being specific enough to provide the transparency required to comply with the Climate Action and Low Carbon Development Act 2015.
The case was brought to the Supreme Court by Friends of the Irish Environment after the High Court rejected its case in September.
Counsel for Friends of the Irish Environment argued that a 2017 government plan to tackle climate change would not have an adequate impact on rising emissions, and that breaches the Act because it did not specify how the government would achieve the 2050 objectives.
They argued that lack of sufficient action from the government was a breach of the Constitution and the European Convention on Human Rights in the area of rights to life, bodily integrity, and to a healthy environment with human dignity.
Chief Justice Clarke found that the 2015 Act “requires a sufficient level of specificity in the measures identified in a compliant plan that are required to meet the National Transitional Objective by 2050″.
He said that the 2015 Act involves transparency in formal government policy for achieving the climate objectives laid out in the NTO by 2050.
“A compliant plan is not a five-year plan but rather a plan covering the full period remaining to 2050.”
“The Plan falls well short of the level of specificity required to provide that transparency and to comply with the provisions of the 2015 Act,” Chief Justice Clarke found.
Het Energieakkoord en het 6000MW-windplan gemonitord Een van de bepalingen uit het Energieakkoord uit 2013 is dat er op 31 december 2020 in Nederland 6000MW nominaal windvermogen op het land opgesteld moet staan.
(Het nominaal vermogen is het vermogen bij windsnelheden waar de grafiek vlak loopt. Hierboven de ‘power curve’ van een Vestas van 3,0MW)
De 6000MW is door de provincies onderling verdeeld. Brabant heeft 470,5MW toegewezen gekregen. Wat een provincie niet op tijd afkrijgt, moet in principe voor 2023 dubbel worden ingehaald. Inmiddels heet dat ‘later’ de Regionale Energie Strategie. Dat is als het ware de volgende bestuurlijke generatie. De RES’sen eisen een bepaalde minimum opwekking met wind en grootschalige zon en dat past dus prima. Het moet sowieso.
De uitvoering van deze bepaling wordt jaarlijks gemonitord, zowel nationaal als per provincie. Ik heb er op deze site al eens eerder over geschreven, zie … . De Monitoring van 2019 is net uit.
De Monitoring 2019 landelijk Op 31 december 2019 stond er landelijk 3534MW opgesteld (dus van de 6000MW), en was 3092MW netto in voorbereiding. Met ‘netto’ wordt bedoeld dat er bij de bouw van een nieuw park met grote molens soms oude, kleine molens worden afgebroken, die het landschap aantasten en onevenredig weinig opleveren. Met ‘in voorbereiding’ wordt bedoeld dat er een bouwvergunning is die nog aangevochten kan worden, en dat de SDE+-subsidie aangevraagd of verkregen is. De ‘in voorbereiding’-categorie kan dus nog mislopen. Daarom hebben de provincies reserveprojecten op de plank (dat komt ook van pas voor de RES). Die zitten nog vroeger in de procedure. Geschat wordt dat van de ‘in voorbereiding’- categorie ca 975MW op tijd afkomt, zodat er op 31 december 2020 opgesteld staat 4509MW nominaal vermogen. Driekwart van de taakstelling.
De Monitoring 2019 in Noord-Brabant Op 31 december 2019 stond er in NBrabant 236,9MW nominaal vermogen feitelijk opgesteld (de helft van wat moet).
Van de projecten De Spinder in Tilburg en Windpark Kabeljauwbeek in Woensdrecht is alles af, op de feitelijke bouw na: de SDE+ is rond, zo ook de vergunningen, er is transportcapaciteit op het elektricitietsnet en de turbines zijn besteld (categorie donkergrijs in bovenstaand projectoverzicht). Met deze twee projecten erbij zal het opgesteld vermogen op 31 december 2020 met grote waarschijnlijkheid 266,3MW zijn (59%, minder dan landelijk gemiddeld maar meer dan sommige andere provincies).
Bij het middelgrijze project op het industrieterrein Moerdijk is alles geregeld, maar is het materiaal vertraagd. Bij alle lichtgrijze projecten is er nog geen onherroepelijke vergunning en is er nog geen groen licht van de SDE+. In het theoretische geval dat alle lichtgrijze projecten aanslaan, zou er in Noord-Brabant voor of in 2023 opgesteld staan 654,4MW . Het verschil met de geëiste 470,5MW is een reservecapaciteit.
Kabeljauwbeek en De Spinder Deze twee ‘donkergrijze’ projecten laten beide vaak voorkomende oorzaken zien waarom windenergieprojecten vaak een gebed zonder einde zijn.
Kaart opstelling windturbines Kabeljauwbeek
Kabeljauwbeek speelt al van voor 2011. In het toenmalige ruimtelijke ordening-beleid van de provincie was de locatie niet opgenomen omdat dat toen niet kon vanwege de Defensieradar op Woensdrecht. IN 2011 werd daarvoor een oplossing verzonnen, maar toen was de Verordening Ruimte al klaar. De provincie probeerde daar met een slimmigheidje onder uit te komen, maar dat werd afgestraft door twee ‘natuur’organisaties die de belangen van de natuur geheel verkeerd inschatten en het vrije uitzicht op de Antwerpse haven belangrijker vonden dan duurzame en schone energie. Het heeft jaren geduurd voor er turbines eindelijk gebouwd worden (zie www.bjmgerard.nl/?p=954 en www.eneco.nl/over-ons/Wat-we-doen/In-de-praktijk/Windpark-Kabeljauwbeek/ .
Ook de Tilburgse Spinder heeft natuurvrienden-problemen ondervonden, in dit geval van Natuurmonumenten. De vier turbines staan op een gribusterrein waar zware milieutaken zitten, maar vanuit een nabijgelegen natuurterrein kijk je tegen die lelijke molens aan. Ook weer lang gezeur. Zie www.bjmgerard.nl/?p=10149 en www.spinderwind.nl .
De lijst met projectknelpunten De projectknelpunten vormen een diverse en leerzame lijst.
Eerstens is er de groep (vier locaties) van defensieradar-problemen, soms door de centrale radar die men van Nieuw-Milligen naar Herwijnen wil verplaatsen , soms door de naderingsradarsystemen van de vijf Brabantse militaire vliegvelden. De blokkade is niet altijd absoluut, maar wel hinderlijk. Zie www.bjmgerard.nl/?p=11787 .
Dan is er de groep die last heeft van hogere belangen (het gebied rond het Amerterrein, de aanleg van de 380kV-leiding en de toekomst van de sluizen in het Volkerak).
Er lopen bij twee projecten processen bij de Raad van State. Bij het A16-proces heeft de Raad op 22 juli 2020 de provincie in een tussenvonnis gevraagd negen fouten in het provinciale inpassingsplan te verbeteren. De Raad verwacht dat dat moet kunnen lukken en gunt de provincie een half jaar.
Tenslotte zijn er uiteenlopende, en niet altijd verheffende, taferelen op gemeentelijk niveau, met de gemeente Steenbergen als dieptepunt, die door de provincie in dee onder curatèle geplaatst is.
Op de keper beschouwd, dat zegt ook de Monitor, valt de provincie weinig te verwijten. Haar deel van het verhaal is af en de problemen zitten elders. Misschien dat zelfs Forum voor Demokratie er weinig meer tegen doen kan.
De dorpscoöperatie Traais Energie Collectief (TEC) wil Terheijden binnen vijf jaar energieneutraal maken, en dit geheel in eigen beheer. Daartoe worden een aantal projecten uitgevoerd, waarvan een zelfbeheerd warmtenet het opvallendste is.
Het initiatief hoort bij de eerste ronde van door het Rijk gesubsidieerde ‘Proeftuin aardgasvrije wijken’ – ronde. Hier een analyserende beschrijving van een goed initiatief.
Terheijden ligt een paar kilometer ten Noorden van Breda, maar valt onder de gemeente Drimmelen.
De voorgeschiedenis, de financiering en de organisatie. Zie https://traaisenergiecollectief.nl/collectief/ . Het Traais Energie Collectief is tot stand gekomen door de inzet van Petra Kimmel en oud-Terheijdenaar Pim de Ridder, specialist in duurzame energie. Met zijn bedrijf Izzy Projects helpt hij burgers bij het opzetten van duurzame initiatieven.
Het TEC is een coöperatie waarvan inwoners van Terheijden lid kunnen worden. Dat kost eenmalig €10 en daarna €15 per jaar. Het TEC heeft vooral bestuurlijke, vertegenwoordigende en enthousiasmerende taken.
Zie https://traaiseenergiemaatschappij.nl/vraag-en-antwoord/organisatie/nog-een-titel-van-ene-andere-vraag/ . De feitelijke arbeid (die professionele vaardigheden eist) is georganiseerd in een holding “Traaise Energie Maatschappij (TREM)” die onder controle staat van de coöperatie. De aandelen van de holding zitten bij het TEC (met een prioriteitsaandeel) en bij de Brabantse Duurzame Energiewerken (BDEW), een initiatief van Izzy Projects BV. BDEW heeft de investeringen tot nu toe voorgefinancierd. De bedoeling is dat BDEW zich medio 2023 grotendeels teruggetrokken heeft en zijn geld terug krijgt op basis van uren- en kostenstaten en een deel van het toekomstig rendement.
Onder de holding hangen, indien zinvol, rechtspersonen voor de afzonderlijke activiteiten.
Naast de voorfinanciering door BDEW heeft het project 3,4 miljoen subsidie van het Rijk ontvangen in het kader van de ‘Proeftuin aardgasvrije wijken’- project. De provincie Noord-Brabant heeft daar 0,125 miljoen aan toegevoegd.
De Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) is in beeld geweest voor deelname in de holding, maar heeft zich voorlopig teruggetrokken. Woordvoerder De Kool zei in de NRC van 23 juni 2020 dat de sterk uiteenlopende risico’s van zon en wind enerzijds, en warmte anderzijds, binnen één organisatie teveel van het goede waren voor de condities binnen de BOM. Dit terwijl ook De Kool het een goed plan vond. Misschien later, zei hij, als het allemaal wat overzichtelijker is.
De banken beginnen sowieso niet aan een dergelijk project. Ze vinden het risico gigantisch (weer de NRC), terwijl initiatiefnemen De Ridder dat erg vindt meevallen.
Om aan verder werkkapitaal te komen, is TEC gestart met de verkoop van ‘Traaise bouwstenen’ . Traaise Bouwstenen zijn een lening aan de Traaise Energie Maatschappij. Een Bouwsteen kost € 250,-. In totaal verstrekt de Traaise Energie Maatschappij in deze fase € 505.000,- aan obligaties. Dat zijn 2020 Traaise Bouwstenen. Een persoon kan voor maximaal 80 Traaise Bouwstenen inschrijven. De inschrijfperiode loopt van 11 juni tot en met 6 september 2020. Men ontvangt een vaste rente van 7%. De looptijd van een Traaise Bouwsteen is vier jaar, met een mogelijke verlenging tot 8 jaar. Ter gelegenheid van de feestelijke aftrap (op Zoom) was er een obligatie-tripel gebrouwen. Dd juli 2020 stond de teller op €300.000 .
Een en ander geeft aan dat de TEC nog in zijn beginstadium is. Dat geldt, in wisselende mate, ook voor de concrete projecten.
Het haventje en (op de achtergrond) de Mark bij Terheijden (foto bgerard)
Welke, en hoeveel, energie moet er eigenlijk verduurzaamd worden? De gemeente Drimmelen telde op 01 jan 2020 27629 inwoners, waarvan er 6261 in Terheijden wonen. Ook wat betreft het aantal huizen is Terheijden 23% van Drimmelen. Deze omweg is nodig, omdat de standaard-website in deze, de Klimaatmonitor, slechts tot op gemeenteschaal specificeert. De aanname is nu dat de verhoudingen binnen Terheijden dezelfde zijn als binnen Drimmelen als geheel.
In Drimmelen als geheel ging in 2017 1570TJ op aan warmte en 420TJ op aan stroom (en verder 977TJ aan voertuigbrandstof, maar dat staat buiten het coöperatiegebeuren). Van de totaal aan warmte en stroom van 1990TJ ging dus 79% naar warmte en 21% naar stroom. De aanname is dus dat dat in Terheijden ook zo is. De website https://allecijfers.nl/buurt/Terheijden-drimmelen/ komt over2018 per gemiddelde woning in Terheijden op 44GJ/y warmte uit gas, en op 11GY/y uit stroom – wat nagenoeg dezelfde gas-stroomverhouding is, maar dan alleen voor woningen.
In de categorie ‘Gebouwde omgeving’ , waartoe de werkzaamheden van TEC zich beperken, is Drimmelen als geheel, over 2017 en over 2018) goed voor 893TJ. Hiervan 23% toerekenend aan Terheijden zadelt dit dorp op met 205TJ ter afdekking van de gebouwde omgeving, dus onderverdeeld in 162TJ warmte en 43TJ stroom.
Warmtepompen, die in aanvulling op de TEO nodig zijn, roepen een extra stroomvraag op. Hoe groot die is, is moeilijk in te schatten. Meestal rekent men (grof) dat om 4J warmte te leveren,je 1J stroom nodig hebt. Bovenstaande elektriciteitsvraag zou dan verdubbelen. Maar door de TEO (als dat lukt) zal dat minder zijn. Hoeveel minder is onduidelijk.
Overigens valt in de Klimaatmonitor de enorme post landbouw (en bosbouw en visserij, maar die tellen niet mee). Dat was in 2018 de grootste post van alle, en dat komt door de kastuinbouw bij Made, de hoofdkern van de gemeente Drimmelen.
Het project ‘Energiebesparing’ Het TEC heeft een besparingsteam opgezet, dat gratis huisscans uitvoert en een gratis energiebox levert. Met de uitkering Regeling Reductie Energiegebruik (RREhelpt de gemeente Drimmelen huiseigenaren om energie te besparen.
Het project ‘Zon op Traaise daken’ Het eerste dakproject bestaat uit 120 PV-panelen op het dak van de schietclub Wilhelm Tell, elk 330Wp, die samen jaarlijks goed zijn voor 37000kWh (0,13TJ). Dit loopt via de postcoderoosregeling, die gedurende 15 jaar vrijstelling van energiebelasting verzorgt. Die 15 jaar is ook de looptijd van de afspraak met de schietclub (die 14 panelen krijgt). Voor dit project is een satelliet-coöperatie opgericht, dus een aparte rechtspersoon. Dit paneel moet €377 gaan kosten.
Bedoeling is dat andere dakprojecten volgen.
Ontwerp van Zonnepark de Bergen door de landschapsarchitecten Hofstra en Heersche
Het project zonnepark De Bergen Dat park moet 27000 panelen gaan tellen. De bouwvergunning van de gemeente is rond, evenals de SDE+ (zoals gebruikelijk voor 15 jaar). Er loopt nog beroep (niet van mensen uit Terheijden). Men is optimistisch in Terheijden. Het park (SDE+ gegevens zie hieronder) moet 11,3MWp worden en daarmee goed zijn voor ongeveer 11 miljoen kWh (ongeveer 38TJ) .
Locatie en SDE+ gegevens van het zonnepark.
Het project Windturbine De Noord Er komen 28 windturbines langs de A16, verdeeld over vijf clusters. Een van die vijf clusters is windpark Zonzeel, waar zes turbines komen (zie https://windparkzonzeel.nl/projectinfo/ ): twee van Eneco, drie van Pure Energy en één (via Izzy Projects) van het TEC. Er loopt nog beroep bij de Raad van State. Men is optimistisch in Terheijden.
De precieze kenmerken zijn volgens de website van windpark Zonzeel (dd juli 2020) nog niet bepaald, maar ze moeten ongeveer tussen de 3,5 en 4,5MW worden (tiphoogte rond de 200m). TEC zegt dat ongeveer 16 miljoen kWh gaat worden opgewekt (ca 58TJ), wat een molen van ca 4,5MW impliceert. Mogelijk loopt de website van Zonzeel achter?
De molen kost ca 6,5 miljoen €.
Het project Warmtenet Dat is het meest bijzondere deel van het geheel. Kleine, zelfgerunde, warmtenetten zijn zeldzaam. En riskant, vinden nogal wat mensen. Minstens 70% van de huishoudens moet meedoen.
De eerste fase, die 500 huizen verzorgt, is inmiddels af. Daarna komt geleidelijk aan de rest van het dorp aan de beurt. De aanleg gebeurt in elk geval niet roekeloos. Traaise Energie Maatschappij werkt samen met een aantal partners: Rotterdam Engineering, Aannemersbedrijf Nijkamp, Bouwbedrijf Strukton en Kuijpers zijn de partners voor de ontwikkeling, de aanleg van het netwerk en het inregelen van de installaties. Ook voor het leveren van warmte hebben we de juiste partner gevonden, het Brabantse bedrijf Kelvin (dat de vergunning van de ACM inbrengt). De levering van warmte via het warmtenet wordt ondergebracht bij de dochteronderneming Eerste Traais Warmtebedrijf (ETW) .
De warmte wordt onder 70°C aangeleverd. Dat betekent dat er geen ingrijpende maatregelen aan de woning nodig zijn (al is goede isolatie natuurlijk altijd verstandig).
Er is een voorziening voor piekmomenten en technisch falen.
Monteur aan het werk bij de leidingen van het warmtenet (foto bgerard)
Aansluiting is tot €3000 gratis (voor de burger). Daarna geldt de gebruikelijke tarifering van de Warmtewet, met een vastrecht en een prijs per afgenomen GJ. Dit volgt het Niet Meer Dan Anders-beginsel (er staat overigens een nieuwe Warmtewet op de rol bij de Tweede Kamer).
Een warmtenet is net zo duurzaam als zijn voeding. Het warmtenet moet gaan draaien op warmte uit het nabijgelegen riviertje de Mark en, indien mogelijk, op geothermie. Beide zijn nu nog niet beschikbaar. Daarom draait het warmtenet nu op ‘transitiegas’. De bedoeling is dat dat in vijf jaar afgebouwd wordt, waarna Terheijden energieneutraal zou moeten zijn.
De Mark Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) is een techniek die nog aan het begin staat. Het idee is dat je ’s zomers warmte aan het water onttrekt (waardoor dat bijvoorbeeld van 21 naar 19°C gaat), en dat je dat water van 20°C in de bodem opslaat, waarna je het er ’s winters weer uithaalt. Als je de verwarmingsinstallatie in je huis achterstevoren laat werken en die warmte ook in de grond stopt, heb je koeling – ook nooit weg.
De TEC-site heeft een leuke animatie op https://youtu.be/hWoMxkeN2vU . Daar blijkt overigens uit dat bij heel lage wintertemperaturen het warmtenet bijgestookt wordt met lokaal geteelde houtige biomassa uit olifantsgras – een goed idee, maar het komt in de hoofdtekst van de site niet terug.
Links gaat zomers de warmte de diepte in, rechts gaat de warmte ’s winters de diepte uit, richting gebruikers. Hoe de ondergrondse opslag gerealiseerd wordt, is niet op de TEC-site te vinden. En omdat de Mark bevaarbaar is, kun je niet zomaar je warmtewisselaar in de rivier leggen. Ook elektriciteitsoverschotten kunnen in warmte worden omgezet en ondergronds opgeslagen.
Om ’s winters van water van bijv. 20°C het beoogde water van 70°C te maken, wordt een forse centrale warmtepomp nageschakeld (die weer extra stroom vreet).
Mij lijkt het schema uitvoerbaar, maar de praktijk moet het situatiegebonden aantonen.
Geothermie Geothermie is nooit een bij voorbaat gelopen race. Het is wel erg warm op 1,5 km diepte, maar er moet ook nog zoiets zijn als een poreuze zandlaag waar water doorheen geperst kan worden. En er moeten geen geologische breuken zijn die kunnen gaan schuiven..
Initiatiefnemer De Ridder heeft een opsporingsvergunning aangevraagd bij het ministerie van EZK, maar heeft die nog niet binnen. Ondertussen heeft het Ministerie van EZK een opsporingsvergunning verleend aan Geothermie Brabant en Hydreco Geomec (Geothermie Brabant is een coproductie van het Energiefonds van de provincie en de projectontwikkelaar Hydreco Geomec, en Hydreco Geomec was een dochter van Brabant Water, maar de aandelen zijn in januari 2020 verkocht aan ENGIE). Deze opsporingsvergunning geeft hen het recht om gedurende 4 jaar naar aardwarmte te zoeken. De vergunning is afgegeven voor het zoekgebied ‘Made 2’. Dit zoekgebied van circa 53 km2 ligt op het grondgebied van de gemeenten Drimmelen, Oosterhout en Geertruidenberg. Er zijn al gegevens beschikbaar over de diepere ondergrond van een gedeelte van het zoekgebied. Op basis daarvan wordt een boorlocatie in het kastuinbouwgebied Plukmade het meest kansrijk ingeschat. Hoe de gewenste opsporingsvergunning van De Ridder en de verleende opsporingsvergunning aan Hydreco Geomec en het Energiefonds zich onderling verhouden, is mij op dit moment niet duidelijk. Mogelijk kunnen beide naast elkaar bestaan.
De geologie van het zoekgebied van het Hydreco Geomec_Geothermie Brabant onderzoek (presentatie aan de gemeenteraad van Drimmelen dd 12 sept 2019)
Het hoofdkwartier, annex ‘De Energiebrouwerij’. De stroomkabels van Windmolen de Noord en Zonnepark de Bergen komen in de brouwerij bij elkaar. Vanuit hier gaat de stroom verder het elektriciteitsnet op. Een deel van de stroom gebruiken we voor de warmtepompen in de Energiebrouwerij. Met deze pompen brengen we de warmte voor het Traais Warmtenetwerk op de juiste temperatuur, voordat het de huizen in gaat. De nieuwste technieken voor duurzame energie worden hier toegepast. Een belangrijke toepassing is cablepooling. Bij deze techniek gaat energie, opgewekt uit wind en zon, door één kabel naar het elektriciteitsnet. Zo wordt de infrastructuur optimaal gebruikt. Verder wordt gewerkt aan energieopslag en flexibele energielevering.
Het moet een publieke omgeving worden met een markante uitstraling. Omwonenden en (binnen)huisarchitecten hebben al van gedachten gewisseld.
De Energiebrouwerij zou in 2021 open moeten gaan.
Een korte nabeschouwing Twee opmerkingen.
De eerste is of het hele project organisatorisch en energetisch haalbaar is (financieel is voor mij niet te beoordelen). Mijns inziens zit het project organisatorisch, in elk geval op papier, goed in elkaar. Wat er feitelijk achter de schermen gebeurt onttrekt zich aan mijn waarneming, maar er zijn geen aanwijzingen die op interne ellende wijzen. Als de vergunning voor het zonnepark en de windturbine definitief zijn, is daarmee in elk geval de jaarlijkse elektriciteitsbehoefte gemiddeld ruim afgedekt (met reserve voor de nieuwe warmtepompen). Praktische zaken als de capaciteit van Enexis en eventuele eigen elektriciteitsopslag worden op de site niet behandeld. Mogelijk komt dat nog. Het warmteverhaal is op dit moment, vanwege het ontbreken van concrete cijfers, nog niet beoordeelbaar. Het is aannemelijk dat TEO zal werken en flink zal opleveren, maar meer dan dat valt op dit moment niet te zeggen. Geothermie in Terheijden is een open vraag.
De Mark bij Terheijden (foto bgerard)
De andere is of de Terheijdense aanpak model kan staan voor heel Nederland. Nee, niet omdat het model slecht is, maar omdat het noodzakelijkerwijs beperkingen kent. Dat valt de initiatiefnemers niet aan te rekenen. Een van de beperkingen is dat het project, ook binnen Terheijden zelf, alleen over de gebouwde omgeving gaat en bijvoorbeeld niet over verkeer en vervoer. Binnen de ruimere schaal van de hele gemeente Drimmelen neemt het project bijvoorbeeld ook niet de grootverbruikers in de landbouw mee. Een andere beperking is dat de Mark een specifieke, eindige energiebron is. Het is niet bewezen, maar wel aannemelijk dat Terheijden genoeg warmte uit de Mark kan halen voor eigen gebruik. Het is al iets minder aannemelijk dat dat voor de hele gemeente Drimmelen zou lukken, en nog minder aannemelijk als bijvoorbeeld ook Breda warmte aan de Mark gaat onttrekken. Net als de Maas steeds verder opwarmt door de warmtelozingen van de kerncentrales onderweg, kan de Mark steeds verder afkoelen door de onttrekkingen onderweg.
Hoe dan ook beslaat het totaal aan Nederlandse woningen slechts ongeveer 12%, en de totale Nederlandse gebouwde omgeving slechts ongeveer 20% van het totale Nederlandse energiebudget . Er zijn mensen die denken dat je er bent als je alle huizen geïsoleerd hebt, maar dat is veel te simpel. Het probleem is zeer veel groter dan alleen de woningvoorraad, en dus ook zeer veel groter dan met alleen burgercoöperaties kan worden opgelost.
Een deel bestaat uit gangbare problemen. Bij het graven is munitie gevonden uit de Tweede Wereldoorlog. De Traaise windturbine is een van de zes windturbines die bij Zonzeel langs de A16 staan (het B-cluster). De Raad van State heeft een aantal bedenkingen geformuleerd tegen het A16-plan. Die zijn niet fundamenteel, maar de provincie moet er een antwoord op verzinnen en dat kost weer tijd. Voor wat de povincie ervan vindt, zie www.brabant.nl/actueel/nieuws/ruimtelijke-ontwikkeling/2020/raad-van-state-in-basis-akkoord-met-plan-windenergie-a16 .
Het vervelendste is dat de rechter de vergunning blokkeert voor zonnepark De Bergen. Er gaat een heel verhaal aan vooraf over hoe de gemeente Drimmelen eerst heel veel zonneparken wilde en, na protesten, uiteindelijk maar 10 hectare die men ondershands aan het Traais Energie Collectief gegund had. Maar er was een Italiaanse zonneparkenboer (NaGa Solar) die in de begintijd al een claim op veel meer lappen in de toen nog veel grotere opzet geclaimd had. NaGa Solar vond dat zij evenveel recht hadden op de 10 hectare die overbleef en er op dezelfde manier mee om konden gaan als het TEC dat van plan was. De gemeente Drimmelen had zijn wensen niet secuur genoeg in beleid omgezet. Wat er stond, had een te algemeen karakter waardoor iedereen aan kon voldoen. Dd dit commentara was nog niet duidelijk wat het TEC ging doen.
Het probleem zou niet bestaan als de productie en levering van energie in dit land niet als een commerciele dienstverlening gedefinieerd was, maar als een openbare Nutsverplichting die daarom niet aanbestedingsplichtig was.
Boven: de Mark bj Terheijde (foto bgerard) Links: plattegrond van de windturbines langs de A16. Een van de zes molens in cluster B is van het TEC
De ‘polder’ en wat eraan vooraf ging In 2013 kwam in de SER een Klimaatakkoord tot stand, op basis waarvan in 2020 Nederland 14% van zijn energie duurzaam moest opwekken, en in 2023 16%. Daarvan mocht 25PJ uit (bij)stook van biomassa in kolencentrales komen. Verder moesten de duurzaamheidscriteria voor biomassa bovenwettelijk worden aangescherpt (wat gebeurd is). Zie www.ser.nl/nl/thema/energie-en-duurzaamheid/energieakkoord/database .
Inmiddels is de Nederlandse biomassawetgeving waarschijnlijk de strengste ter wereld.
Zoals hier vaker betoogd (en zoals ook de SER stelt) is biomassa een ruim begrip, van mest tot biodiesel tot rioolslib tot snoeiafval tot dunningshout. In 2018 was biomassa goed voor 61% van alle duurzame energie. Een deel van de biomassa is houtig en een deel van de houtige biomassa komt uit het bos. In 2018 werd er in Nederland voor ruwweg 22PJ aan hout verbrand in alle min of meer grootschalige inrichtingen samen, en daarvan kwam het grootste deel niet uit het bos. De houtige biomassa kwam voor driekwart uit Nederland en voor een kwart uit andere landen in Europa. Cijfers zijn altijd goed om de proporties te zien. Zie www.bjmgerard.nl/?p=9853 .
De SER is de polder en de polder poldert tot er een compromis is, en de 25PJ was bij Greenpeace en andere milieuorganisaties niet van harte. Ondertussen ging de discussie door, en liep zelfs hoog op, soms over feiten maar meestal over meningen die vaak weinig met feiten te maken hebben. Ik heb hierover in deze kolommen veel bericht.
Categorieën toepassingen van biomassa
De discussie werd van overheidswege gekanaliseerd via een advies van Haskoning DHV, een dubbeladvies (in coproductie) van het PBL en CE Delft (zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 ) naar een nieuw SER-advies “Biomassa in balans”.
Dat is uitgebracht door de vaste bezetting van vakbondsleden, werkgeversafgevaardigden, Kroonleden en vertegenwoordigers van het ministerie, aangevuld met mensen namens Natuur en Milieu en Milieudefensie, en adviseurs uit kringen van het PBL, CPB, Nederlandse Bank MVO-NI en iemand vanuit een circulaire economie-onderneming. In de twee dragende commissies zaten geen mensen, die herkenbaar uit de energiewereld of de bosbouw komen.
Een samenvatting van Biomassa in Balans Het SER-advies gaat (dat is een keuze vooraf) niet over voedsel.
De SER wil dat biogrondstoffen bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot, aan de circulaire economie en als bodemverbeteraar. Het doel “bodemverbetaar” wordt als voorwaarde ingebouwd voor duurzame productie en keert niet als zelfstandig beargumenteerd doel terug. Daardoor wordt niet duidelijk wat men zich hier bij moet voorstellen. De SER meent dat er voor veel energieopwekking al technische mogelijkheden bestaan (uit zon en wind). De technische noodzaak om energie uit biomassa in te zetten beperkt zich steeds verder tot onderwerpen als zwaar wegtransport, luchtvaart en (zee)scheepvaart. Dat zou een overgangsfase zijn, omdat er, naar de mening van de SER, vanaf 2030 andere oplossingen in beeld komen zoals verdere energiebesparing en Power to Liquid-brandstoffen. Daarom moeten zaken als lagetemperatuurwarmte, licht wegtransport (personenauto’s) en elektriciteit op niet al te lange termijn niet meer door biomassa mogelijk gemaakt moeten worden – dus geen hout meer in de stadsverwarming, geen bioethanol meer in de tank en centrale elektriciteitsopwekking nog slechts voor piekbelastingen.
Samenvatting van de voorstellen
De niet meer voor energie benodigde biomassa zou basis moeten worden voor een materialen en groene chemie. Als voorbeeld verschijnen zaken als biocomposieten en biobeton uit olifantsgras, maar verder blijft het bij de algemene categorie-aanduiding ‘biobased economy’. Op de langere termijn wordt dit de norm en de energieproductie de uitzondering, al kan er na deze vormen van cascadering restmateriaal achterblijven waar men niets anders meer mee kan dan energie produceren. Uit een suikerbiet bijvoorbeeld komt als vanouds suiker, maar ook groen gas en veevoer. De SER meent dat deze stromen niet meer als hoofd- en bijstroom aangeduid kunnen worden, maar dat ze als onderling gelijkwaardig gezien moeten worden – waarbij de duurzaamheidseisen voor alle stromen gelden, liefst geharmoniseerd (dus dezelfde duurzaamheidseisen voor hout, papier en warmte). Idealiter bestaat voor de SER het woord ‘reststroom niet’.
Toepassingen van de suikerbiet. Hiermee wil niet gezegd zijn dat al deze toepassingen gelijktijdig mogelijk zijn.
Het verbranden van biomassa is bij de SER niet hoogwaardig en andere doelen, min of meer per definitie, wel. Het woord ‘hoogwaardig’ krijgt geen expliciete definitie. Het is een soort containerbegrip.
De SER meent dat de Europese RED II – richtlijn, aangevuld met de ILUC-richtlijn en met de bovenwettelijke bepalingen in de SDE+-subsidievoorwaarden, op zich een goede aanpak zijn om de duurzaamheid van biomassa te waarborgen. Het probleem is alleen, dat RED II alleen bedoeld is voor elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer. RED II zou ook moeten gaan gelden voor bijvoorbeeld bouwmaterialen en chemische grondstoffen. De SER is tevreden over de bij RED II horende certificerings- en verificatiestructuur. RED II biedt de mogelijkheid om van toepassing verklaard te worden op installaties onder de 20MWth ingangsvermogen (vaste biobrandstof) en 2MWth (gasvormige biomassa). De SER pleit ervoor om dat te doen. En passant stelt de SER voor om de drempel voor de Omgevingsvergunningsplicht in verband met de luchtkwaliteit te verlagen. Grotere installaties met een uitgebreide rookgasreiniging kunnen negatieve effecten op de luchtkwaliteit nagenoeg geheel voorkomen.
De SER redeneert vanuit een kapitalistische markteconomie. Bedrijfsleven en overheid zijn samen verantwoordelijk, maar de markt is hoofdzaak en de overheid ondersteunend.
De vraag of er genoeg biomassa is voor de Nederlandse behoefte is moeilijk te beantwoorden. Zowel de geschatte vraag als het geschatte aanbod zijn een zeer brede range aan schattingen. In de EU (en a fortiori mondiaal) is er ruim genoeg om de Nederlandse behoefte af te dekken, maar dan rijst de vraag hoeveel % Nederland daarvan naar zich toe mag trekken. Als naar rato, dan naar rato van wat? Die vraag is niet objectief beantwoordbaar en de SER houdt hier de boot af. Zie www.bjmgerard.nl/?p=12587 .
Wat ik er van vind Ik heb er een gemengd oordeel over en uiteindelijk is dat meer negatief dan positief.
Ik deel de mening van de SER dat het nodig is om het gebruik van biomassa voor energie enerzijds en voor chemie en materialen anderzijds in elkaar te schuiven. Op zich is dat iets wat moet. En in beginsel steun ik het cascaderingsbeginsel en heeft groene chemie mooie beginselen (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Groene_chemie ). Verder ben ik het met de praktische eisen eens dat de Omgevingsvergunningen moeten worden aangescherpt en dat een goede rookgasreiniging bijna alle luchtvervuiling tegenhoudt. Open haarden en pelletkachels zijn niet schoon te krijgen en moeten worden uitgefaseerd. Ik deel de waardering van de SER voor de systematiek van de Europese RED II -richtlijn en het bijbehorende certificerings- en verificatiesysteem. Een uitbreiding naar andere sectoren dan alleen elektriciteit, warmte en koeling en transport is voor mij bespreekbaar, maar ik wil hen dan wel eerst gezien hebben. Ook vind ik het juist dat op korte termijn de bijmengplicht van biodiesel en -ethanol in personenauto’s moet worden afgeschaft.
Maar ik vind het SER-advies onverantwoord optimistisch.
De beslisboom van de SER
Het neemt te makkelijk aan dat het bedrijfsleven de uitdagingen aanpakt. De verhalen klinken mooi, maar in praktijk zitten bedrijven vaak op hun kont tot het probleem met overheidsgeld voor ze opgelost is of tot ze keihard moeten. De geschiedenis van de biokerosine in Europa is een voorbeeld. In 2011 plande de EC het Biofuel FlightPath Initiative . Dat moest in 2020 2Mton/y aan biokerosine produceren (goed voor 93PJ, ca 4% van de Europese kerosinemarkt). Maar het zou de tickets voor een typische 1000-km vlucht een paar Euro duurder gemaakt hebben en dat was voor de luchtvaartmaatschappijen een onbegaanbaar pad. En als er dan toch wat moest, was het ETS of Corsia goedkoper dan biokerosine. Zodoende worden er in Europa pas sinds heel kort (bij Neste Oil) een paar druppels bio jet fuel vervaardigd. Neste Oil was veel groter in de biodiesel, o.a. vanwege de eenvoudige reden dat vanwege de bijmengverplichting de afzet gegarandeerd was, en omdat biodiesel goedkoper om te maken is en aan minder strenge eisen hoeft te voldoen. Biobrandstof komt tot nu toe tot stand op basis van overheidsverplichting en niet op basis van de vrije markt. .
In zijn algemeenheid kom je in artikelen over groene chemie vooral woorden tegen als ‘kans’, ‘pilot’, ‘research’ en dergelijke. Er is weinig concrete grootschalige bestaande productie. Trouwens, dezelfde discussie als over concurrentie tussen brandstof en voedsel kan ook gaan spelen over de concurrentie tussen groene chemie en voedsel. Wie bepaalt welk deel van de suikerbiet suiker wordt of plastic wordt of biogas wordt?
Ik vind de SER aan de overmoed lijdt dat als iets technisch kan of denkbaar is, dat daarmee eigenlijk al vast staat dat het ook inderdaad zal gebeuren.
Biokerosine kent al vele jaren technisch rijpe of bijna rijpe grondstof-productcombinaties, maar de mondiale productie mag nauwelijks naam hebben. De fabriek in Delfzijl van SkyNRG bijvoorbeeld (die afgewerkte olie en vet verwerkt) moet nog gebouwd gaan worden, en nu al begint de SER met aanduidingen als “overgangsmaatregel” en “in 2030 een nieuwe techniek”. Je mag blij zijn als die fabriek in Delfzijl dan überhaupt goed is begonnen te draaien. Ik moet ook nog zien dat er in 2030 inderdaad een commercieel opgeschaalde, werkende Power to Liquid-brandstoftechniek is. Niet zozeer omdat de techniek onmogelijk is (dat kan wel, vooralsnog op schaal van liters), maar omdat het gigantische hoeveelheden stroom vreet en er een gigantische ingreep in de infrastructuur nodig is. Het verhaal over het datacenter in de Flevopolder is er kinderspel bij. Persoonlijk denk ik, dat de biokerosine gewoon in het pakket blijft en dat daarnaast er ook Power to Liquid-kerosine komt, en dat beide samen nog niet genoeg zijn bij het huidige groeitempo van de luchtvaart.
Mestvergister De Princepeel in St Odiliapeel
Een ander voorbeeld waar de SER veel te makkelijk over denkt is over groen gas. Dat idee wordt eventjes van stal gehaald (de beeldspraak is bijna letterlijk van toepassing). Tot eigen noodlot laat de SER hier het woord “veeteelt” ongenoemd. De Groen Gas-website ( https://groengas.nl/programmas/hernieuwbaar-gas-uit-biomassa/ ) noemt een ambitie van 70PJ in 2030. Bij nadere lezing blijkt dat daarvan minstens tweederde uit mest te moeten komen. Nu garandeer ik iedereen die dit in Oost-Brabant of de Achterhoek komt voorstellen een heftig onthaal. De landbouw is daar zo uit de klauwen gelopen dat bij elk idee in die richting bij wijze van spreken de hooivorken ter hand genomen worden. En ik zeg dat dan nog met enige sympathie richting mestvergisting of -vergassing, want ik ben zelf voorstander. Maar vergeet het maar als je niet minstens gelijktijdig een kwart minder dieren in de aanbieding hebt. Misschien kunnen de geachte afgevaardigden van Natuur en Milieu eens in die contreien op missiebezoek gaan?
Houtsnippers. Anders dan vaak gedacht, bedient de versnipperaar vooral de papierfabriek en plaatmateriaalfabriek. Dat brengt meer op en brandhout betaalt per kuub tamelijk slecht. Er wordt al eeuwen resp. decennia duurzaam materiaal gemaakt. Nou kun je van houtsnippers ook (hemi)cellulose (en daaruit weer suikers en daaruit weer andere stoffen) maken, en lignine (waar je bijvoorbeeld fenol uit kunt maken en dan weer fenolformaldehyde-lijm). Het gebeurt alleen maar mondjesmaat omdat dezelfde lijm uit aardolie goedkoper is. Kans dat het de houtsnippers meer waard zou maken en dat het lonender wordt om hout te versnipperen….
Ik ben niet tegen (zelfs voor) groene chemie, maar de absoluutheid waarmee de verhoudingen in tien jaar omgedraaid worden is ongemotiveerd.
Andersom uitgedrukt wordt ook veel te gemakkelijk gezegd dat er voor de elektriciteitsproductie duurzame alternatieven zijn en dat er binnenkort geen elektriciteitsproductie uit biomassa meer nodig is. Dat probleem is overigens niet alleen maar geld, maar nog meer ruimtelijke ordening.
De locatie van de Amercentrale
Ga eens rekenen aan Noord-Brabant en aan de Amer9-centrale. NBrabant verbruikt nu ongeveer 290PJ en als het in lijn bezuinigt met landelijk, is dat in 2050 260PJ (en zeg, in 2030 270PJ). Die moet in 2030 tot stand komen met 50% minder CO2, dus moet NBrabant in 2030 all-in 135PJ duurzaam hebben staan (eigenlijk meer, want die 50% is ten opzichte van 1990). In 2019 was dat all-in (schatting) 24PJ. De gezamenlijke Regionale Energie Strategieën (RES) van Brabant zijn samen ongeveer goed voor 24PJ hernieuwbare grootschalige elektriciteit, als iedereen voor elkaar krijgt wat men belooft. Die 24PJ dubbelt met de bestaande wind en grootschalige zon die er in 2019 stond, samen orde van grootte 4PJ). Moet er dus nog, in het kader van de RES, orde van grootte 20PJ = 24-4 bij tussen nu en 2030. De uitvoering van de RES is een bestuurlijke mega-operatie. Voor de warmtepoot van de RES moet er extra warmte ontwikkeld worden, voor een deel afkomstig uit elektriciteit en voor een deel niet. Doe voor 30.000 huizen tot 2030 eens 1PJ. Naast die mega-operatie RES zal er spontaan buiten de RES ook nog wel het een en ander bijkomen. Doe eens met de natte vinger (met lijntjes doortrekken) dat er autonoom nog 10PJ bijkomt (het gaat maar om ordes van grootte). Voor de Amer9 bestaan tot nu toe twee mogelijkheden: of bestaat vanaf 2025 op basis van 100% biomassa, of hij bestaat niet meer. De centrale, zoals die nu is, is goed voor ca 17PJ stroom en 4PJ warmte. Nu zal hiervan ongeveer de helft, ca 10PJ, al opgenomen zijn in de bestaande duurzame 24PJ, en de andere helft, de ongeveer 11PJ die nog duurzaam moet worden, nog niet. Als de Amer9 blijft draaien, voegt hij vanaf 2025 ongeveer 11PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 66PJ (24+20+1+10+11). Als de Amer9 dicht gaat, voegt hij vanaf 2025 ongeveer -10PJ duurzame energie toe . Je zit dan op 45PJ (24+20+1+10-10). Kortom, de Amercentrale scheelt een slok op een borrel. Sluiting van de Amercentrale betekent ongeveer een extra RES. Om op hetzelfde punt uit te komen, moet de provincie Brabant nu, naast de bestaande RES, nog een tweede RES gaan uitvoeren. De gedachte van de SER dat er binnenkort genoeg alternatieven zijn en dat de elektriciteitsproductie uit biomassa overbodig is, is een onbewezen bewering die in Brabant nergens op slaat.
Het is opnieuw zo’n vorm van techniekovermoed dat als iets technisch denkbaar is, het daarmee vast staat dat het dan ook zal gebeuren. De SER hanteert een ‘brede welzijnsbenadering’ op basis van de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties. Maar de landschapsbeleving van omwonenden en het geluid en de slagschaduw van windturbines zitten daar niet in. En dat is een politiek mogelijk ongewenst, maat politiek belangrijk gegeven.
De afspraken in het Klimaatakkoord moeten worden uitgevoerd. Na de RES moet daartoe nog heel veel extra beleid gerealiseerd worden. Dat zal nog moeite genoeg kosten. Het sluiten van een biomassacentrale die goed draait, niet tot klachten in de omgeving leidt, geen extra elektrische infrastructuur nodig heeft en min of meer regelbaar is, en waar een groot warmtenet aanhangt dat anders, in elk geval voor onbepaalde tijd, op Russisch gas gestookt moet worden, lijkt me niet de snuggerste aanpak.
Wat zou ik doen als ik minister was? Op de eerste plaats beloven dat ik, ondanks alles, geen extra (Russisch) gas ga importeren, en zou ik de Tweede Kamer vragen om dit ook uit te spreken.
By Samuel Bailey (sam.bailus@gmail.com) – Own work, CC BY 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8454588
Ik zou mij op de tweede plaats realiseren, en dit met de Tweede Kamer bespreken, dat de Staat der Nederlanden historisch berucht is om de grilligheid van zijn energiebeleid – dit tot grote schade. Deze SER-move is de zoveelste zwieper in een lange geschiedenis. Elke vorm van planmatig lange termijn-denken wordt in Nederland op deze wijze met kracht bestreden.
Ten derde zou ik het besluit nemen om tot een soort strategisch compromis te komen tussen de, op zichzelf reële, verlangens van de groene chemie-sector enerzijds en de, eveneens reële, voortgezette inzet van biomassa voor energiedoeleinden anderzijds. Dat betekent een zoektocht naar lange termijn-afspraken met leveranciers en een dirigistische politieke sturing wie wat krijgt. De vrije markt moet aan banden gelegd worden.
Ik zo eisen dat de groene chemie-sector met een strategisch plan komt waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de deelnemende bedrijven aangeven welke inspanningen ze zelf leveren. Een dirigistische industriepolitiek is hierbij denkbaar. Onmisbare bestemmingen als biokerosine (bij voorkeur op basis van RED II annex IX A en IX B) en stookolie voor zeeschepen hebben voorrang. Bijmenging van ethanol en biodiesel in tanks van personenwagens wordt afgeschaft.
Verder zou ik een nader te bepalen aantal bestaande grote energieprojecten definieren die beschermd worden zodat ze kunnen doorgaan, als met de exploitanten overeenstemming kan worden bereikt over de condities. De milieuvergunningen moeten aangescherpt worden met een rookgasreiniging op ALARA-basis. De Amer9-centrale is een van deze projecten. Aan deze projecten wordt op een of andere manier een eindigheidsperspectief gekoppeld, maar dat kan lang zijn. In die tijd moet er een plan worden ontworpen en uitgevoerd om het biomassaverbruik van deze projecten geleidelijk aan terug te dringen. Voor de Amer9 is deze overgangstermijn bijvoorbeeld 15 of 20 jaar, rekenend vanaf 2020.
Inleiding Nederland is verdeeld in 30 regio’s, die elk voor de regionale Energie Strategie (RES) hun eigen bod moeten schrijven (nu nog concept-bod) om samen in 2030 aan de landelijke doelstelling te komen van 35TWh duurzame elektriciteit (126PJ) en moeten er anderhalf miljoen woningen en andere gebouwen geïsoleerd zijn en/of van het aardgasnet gehaald. De website van de RES is www.regionale-energiestrategie.nl .
De RES is een tussenstap, een impuls en niet de eindoplossing. Hij dekt nationaal ongeveer 30% van het bestaande stroomverbruik en 20% van de woningen af. Het concept-bod wordt neergelegd in een document, geheten de concept-Regionale Energie Strategie (concept-RES). Landelijk worden al die concepten opgeteld en becommentarieerd, waarna de regio’s de RES 1.0 gaan schrijven.
De concept-RES moet als minimum een document opleveren
waarin uitgelegd wordt welke taak de regio voor zichzelf weggelegd ziet bij het grootschalig opwekken van elektriciteit met wind en zon (bij zon is de SDE-voorwaarde van 15kWpiek de ondergrens) en hoe dat in 2030 gerealiseerd zal zijn
waarin uitgelegd wordt hoe het macroverhaal van de warmtevraag en -aanbod van de gebouwde omgeving in de regio in elkaar kan zitten (de Regionale Structuur Warmte). Deze moet voor de afzonderlijke gemeenten als uitgangspunt dienen.
Waarin op het elektriciteitsnet en de opslagstructuur ingegaan wordt
Wat geen wind of grootschalige zon is, telt niet mee voor de RES, maar uiteraard wel voor het grotere plaatje waarvan de RES een deel is.
(Dit verbruik is exclusief mobiliteit. Daar gaat een andere Klimaattafel over).
De concept-RES zuidoost-Brabant (de Metropool Regio Eindhoven, MRE) is opgesteld door de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre, de waterschappen Aa en Maas en De Dommel, de provincie Noord-Brabant en Enexis Netbeheer. Het document is te vinden op https://metropoolregioeindhoven.nl/thema-s/energietransitie (en dan doorklikken).
Het staat de regio’s vrij om eigen interesses aan het minimum toe te voegen, maar het MRE-gebied heeft daar weinig gebruik van gemaakt. Het document beperkt zich sec tot wat gevraagd is. De regio had ook andere maatschappelijke groepen kunnen uitnodigen om mee te denken over de RES (bijvoorbeeld de TU/e, de Fontys en de MBO-instelling Summa College voor de installatie- en elektrotechniek en de werkgevers in de installatiebranche, maar dat is niet gebeurd (althans, het blijkt niet uit het document). Dit zou in het vervolgtraject mogelijk een waardevolle toevoeging zijn.
Zuidoost-Brabant is een mozaiek van stad en platteland, van landbouw en veeteelt en natuur. Er zitten wel grote bedrijven, vaak hightech. Vanwege de hightech noemt het gebied zich de “Brainport-regio”. Het is een van de sterkste economische centra van Nederland met een sterk op de export gerichte maakindustrie. Dat zijn echter geen grote stroomvreters.
Eindhoven heeft een stadsverwarmingsnet in Meerhoven en op StrijpS (beide biomassa) en op de Hightechcampus, Helmond heeft een groot stadsverwarmingsnet met warmte kracht koppeling (WKK), nu nog op gas.
De Eindhovense wijk ’t Ven is gesubsidieerde proefwijk in het kader van de landelijke “van het gas af-campagne”.
Misplaatst messianisme De concept-RES omvat twee documenten, enerzijds het bestuurlijke document “Energiek en innovatief” en anderzijds een gebundelde pak met negen bijlagen met een uiteenlopend karakter, waarvan bijlage 5, 6, 8 en 9 adequaat en van belang zijn. Hierover verderop meer. De dunne bijlage 6 (het enegieverbruik) is hier en passant al behandeld.
Het bestuurlijke hoofddocument is zwak. Het herkauwt vooral en schuift vooruit naar het nog op te stellen vervolgproduct, de RES 1.0 . Daartoe moet er een PlanMER komen.
Dit alles met veel bestuurlijke meta-taal: men beschrijft waar allemaal op gelet moet worden, maar daar blijft het teveel bij. Omdat de RES-regels nu eenmaal dicteren dat er een bod moet worden uitgebracht, wordt het getal 2TWh genoemd als in 2030. Dat is een iets meer dan evenredig deel van de landelijke 35TWh. Ook is er een kaart met zoekgebied-vlekken voor wind en zon. Verder worden er geen lijnen uitgezet en keuzes gemaakt en uit niets blijkt welke concrete voorstellen het bestuur van de MRE-regio feitelijk over wil gaan. Evenmin is er een samenhangende regionale warmtevisie. Men herhaalt enkele statistiekgetallen uit de bijlage en schuift de rest vooruit.
Dat weerhoudt de regio er niet van om, geheel in Brainportstijl, de loftrompet te steken over de eigen voortreffelijkheden. “Er is geen plek op de wereld waar per dag zoveel nieuwe ideeën ontstaan”. Dit valt niet helemaal te controleren, maar op milieu-, klimaat- en energiegebied worden die ideeën dan toch vooral buiten de eigen regio toegepast. Uit een ranking van Natuur en Milieu uit 2015 blijkt dat in PV-vermogen per inwoner Helmond en Eindhoven het slechtst scoren van alle Brabantse steden, en veel slechter dan de omringende dorpen. Zie www.bjmgerard.nl/?p=2231 . En dat terwijl hier Solliance staat, een R&D-instituut dat onderzoek doet naar dunne film-zonnecellen. In een Quick Scan van Natuur en Milieu dd februari 2018 (zie www.bjmgerard.nl/?p=6545 ) op twaalf duurzaamheidskenmerken doet Eindhoven het matigjes en Helmond uitgesproken beroerd.
De tijdvolgorde van de vier Brabatse RES-sen zegt ook iets: die van het MRE-gebied was er het laatste en er staat het minste in.
Tenslotte een staatje met het aantal inwoners en de hoeveelheid duurzame energie in RES-termen, die momenteel af is of al in de pijplijn zit:
Kortom, het MRE-gebied scoort momenteel per inwoner het minst aan bestaande of geplande hernieuwbare energie onder RES-condities. Om de kreet waar te maken in een van de werkateliers “De MRE als energiepionier voor de wereld” waar te maken (H+N+S blz 23), moet er nog heel wat gebeuren.
In het hierna volgende is 1TWh = 3,6PJ .
Waarom 2TWh? – de duurzame stroom kwantitatief – Enexis De enige manier om concreet te kijken hoe nu eigenlijk die 2TWH onderbouwd is, die in het hoofddocument uit de lucht komt vallen, is door in bijlage 8 te kijken naar de Doorrekening door Enexis. Die instelling moet de nieuwe kabels en trafo-stations en zo aanleggen. Een hele klus.
Dus
439,5MW wind op land (bij 3000 vollasturen goed voor 1,3TWh);
213,5MW zonneveld (bij 950 kWh/kWpiek) goed voor 0,2TWh
946,2MW zon op grote daken (bij 950 kWh/kWpiek) goed voor 0,9TWh
Als alle projecten hierboven inderdaad doorgaan, haalt men de 2TWH wel, en dit met enige reserve. Het probleem is alleen dat omdat het bestuurlijke document geen enkele concrete uitspraak doet, het realisme van deze cijfers moeilijk te beoordelen is.
De Kempengemeenten hebben een ambitieus plan opgesteld, dat op zijn eentje bijna goed is voor de volle mep van de 2TWh, en waarnaar de MRE hoopvol (om niet te zeggen smachtend) naar kijkt. Inmiddels echter begint men in Eersel minder enthousiast te worden over deze onevenredige inbreng. Men zou willen dat het MRE-bestuur hier politiek op reageert.
Verder neem ik aan dat Enexis capabel is, dus dat de berekeningen kloppen als de input die Enexis gekregen heeft klopt. Enexis krijgt dan een forse klus. Voor 2030 moeten er twee nieuwe HS/MS stations komen en moeten er 11 worden uitgebreid.
Complex + complex = minder complex – de ruimtelijke analyse van de elektriciteitsopwekking Een uitermate interessante bijlage is die waarin het befaamde landschapsarchitectenbureau H+N+S , samen met het bureau Over Morgen, op landschapsniveau in kaart brengt hoe een zorgvuldige planning van de duurzame elektriciteitsopwekking mogelijk is en meerdere doelen kan dienen. Startpunt is de lichtelijk provocerende kreet dat “door het complexe vraagstuk van de energietransitie te koppelen aan andere complexe vraagstukken, mogelijke oplossingen eerder in beeld komen”. Het werkt beter dan wanneer je grote problemen in stukjes knipt. Ik heb dat in deze kolommen wel eens in andere woorden gezegd met dat er meerdere crises tegelijk zijn, die elkaar beïnvloeden. Een meer prozaische term is ‘meekoppelkansen’.
Een voorbeeld: de opbouw van duurzame energie is een probleem, natuurontwikkeling is een probleem, waterbeheer is een probleem, maar de drie problemen samen zijn kleiner dan elk probleem afzonderlijk en kunnen met bijvoorbeeld een windmolenpark worden opgelost. Of: de toekomst van boerenbedrijven en de leefbaarheid van het platteland zijn een probleem, een zonnepark is op zich een probleem, maar het een probleem kan het andere probleem oplossen (een zonnepark brengt voor de boer meer geld op dan varkens).
H+N+S heeft dat operationeel gemaakt door
acht landschapstypen te definieren: oude zandontginningen, beekdalen, jonge zandontginningen, Peelkern, Peelrand, bos en heide (droog en nat), urbane gebieden en infrastructuur
vier ambities te defnieren: niets doen, kleinschalige inpassing, grootschalige aanpassing, en transformatie (waardoor je een ander landschap krijgt)
Aldus heeft de regio 33 energiebouwstenen ontwikkeld voor een soort matrix. Wat voorbeelden eruit voor de landschapstypen oude zandontginningen en beekdalen.
(men moet deze twee blokken naast elkaar denken).
Nog een overzichtskaart van wat dat in de Peel zou opleveren:
Een en ander leidt tot complexe politieke discussies. Men schuift energiezaken en waterzaken en natuurzaken en landbouwzaken enz in elkaar. Dat vraagt nogal wat en daarom is het te betreuren dat het MRE-bestuur alleen formele en procedurele opmerkingen brengt. Blijkbaar moet de PlanMER dit voor ons oplossen.
De Regionale Structuur Warmte (RSW) In de concept-RES moet een soort warmtebalans voor de regio als geheel gemaakt worden, de Regionale Structuur Warmte (RSW) . Daarvan moeten gemeentelijke TransitieVisies Warmte worden afgeleid.
Er zijn drie belangrijke methodes om duurzame warmte af te geven, eventueel in combinatie: elektrisch (een warmtepomp), met een warmtenet en met groen gas
Het MRE-gebied verbruikte in 2017 20,9 PJ aan warmte. De bedoeling is dat daarop bespaard gaat worden en dat dit bedrag in 2030 18,4PJ zal zijn en in 2050 15,9PJ. Deze warmte is wat nodig is voor het verwarmen van panden, of het nu om huizen, kantoren, ziekenhuizen of bedrijven gaat. De proceswarmte die nodig is voor industriële processen zit er niet in.
Deze warmtevraag lijkt op het eerste oog behapbaar met hernieuwbare processen, die in bovenstaand diagram samen goed zouden zijn voor 55,3PJ. Er zijn echter belangrijke kanttekeningen:
De industriele proceswarmte zit niet in die 15,9PJ. De vraag is niet compleet weergegeven, het theoretisch mogelijke aanbod wel.
Het aanbod is wat theoretisch maximaal mogelijk is. Na aftrek van technische en praktische beperkingen, financiële haalbaarheid en maatschappelijk draagvlak blijft er een stuk minder over
De geothermische opbrengsten (de tweede en de derde balk) zijn uiterst onzeker. Tot nu toe is er in het MRE-gebied geen geothermiebron actief of in de maak . Bovendien lopen er geologische breuken door het gebied. Het onderzoek loopt nog.
Het grote bedrag van de zon-thermie op veld en dak concurreert met zonnepanelen voor stroom.
Met TEO (Thermische Energie uit Oppervlaktewater) en TEA (idem uit Afvalwater) is nog weinig ervaring opgedaan. Er kan het een en ander, maar de ecologische consequenties (die positief of negatief kunnen zijn) zijn nog niet voldoende uitgewerkt
De hoeveelheid biogas hangt o.a. van de omvang van de veestapel af.
Biomassa is waarschijnlijk voor onbepaalde tijd tijdelijk.
Vast lijkt in elk geval te staan dat er in de toekomst een grotere rol weggelegd lijkt te zijn voor collectieve verwarmingssystemen. Warmtebronnen als geothermie, TEO en TEA en restwarmte zijn slechts via een warmtenet adresseerbaar. De RES van Hart van Brabant bevat een schema dat wat duidelijker is dan een vergelijkbaar schema uit de warmtebijlage van de MRE. Ik druk dit hieronder af.
De warmtebijlage loopt de diverse bronnen af en geeft een schatting voor het MRE-gebied, die uiteindelijk in bovenstaand verzamel-staafdiagram terecht komt. Het voert te ver om alle bronnen hier te bespreken. Ik beperk mij tot biomassa, een controversieel punt, ook binnen de MRE. Een citaat:
Bij de 21 gemeenten wordt niet eenduidig gedacht over de toepassing van biomassa.
We zien droge houtige biomassa als een transitiebrandstof. De regio heeft warmte uit droge biomassa nodig om op korte termijn te kunnen voldoen aan de warmtevraag. Op termijn zal de inzet van droge biomassa uitgefaseerd worden en vervangen worden door duurzamere innovatieve alternatieven. Over de snelheid van uitfasering wordt door gemeenten heel verschillend gedacht.
Biowarmte en biogas wordt vooral ingezet daar waar geen/nauwelijks alternatieve duurzame bronnen voorhanden zijn en waar een hoge temperatuur een vereiste is (bedrijven, oude woningen, solitaire woningen in het buitengebied). Biomassatoepassingen worden altijd vergeleken op duurzaamheid met beschikbare en toepasbare alternatieven. Hierbij dient de werkelijke emissie van de gehele ketenberekend te worden, dus ook de uitstoot die ontstaat bij de teelt, winning, transport enverwerking. Als alternatieven beter scoren, verdienen die de voorkeur.
Gebruik van lokale biomassa verdient altijd de voorkeur boven geimporteerde biomassa. Er wordt van initiatiefnemers verwacht dat er bij startende projecten uitvoerig wordt onderzocht of gebruik gemaakt kan worden van lokale biomassa.
We willen geen nieuwe biomassacentrales, tenzij er vanuit de energievoorziening een aantoonbaar zwaarwegend belang is. Biowarmte wordt bij voorkeur op grotere, maar ruimtelijk wel passende schaal opgewekt, zodat fijnstof afgevangen kan worden middels rookreiniging. Zo blijven milieugevolgen beperkt. We zijn transparant over hoeveel de biomassacentrales uitstoten en zorgen dat dit binnen de wettelijke grenzen is. Biomassa wordt bij voorkeur gebruikt als bron en voor de productie van gas. Dus niet voor de productie van elektriciteit.
Een grondstof moet zo vaak en nuttig mogelijk gebruikt worden. Hierbij geldt de volgende prioritering (Natuur en Milieu, november 2018): 1) bodemverbeteraar 2) Voedsel 3) Veevoer 4)Materiaaltoepassing 5) Biobrandstof 6) warmteproductie 7) elektriciteitsproductie. Een afwegingskader zal vorm moeten krijgen naarmate de vraag toeneemt en het aanbod gelijk blijft.
Zoals op deze plaats vaker beweerd, sta ik een stuk positiever tegenover biomassa. Er worden hier een hoop broodje aap-verhalen verteld. Zolang de biomassa een bijproduct is van de reguliere bosbouw (wat, naar de statistieken uitwijzen, zo is), en zolang de financiele waarde van snipperhout laag is (wat zo is), en zolang de houtige biomassa uit Europa komt (de toevoegingen aan het CO2 -ketenbudget zijn dan te verwaarlozen), is de emissie over de hele keten gunstig en zou de mondiale footprint wel eens gunstiger kunnen zijn dan die van zonnepanelen, als daarvan ook de noodzakelijke mijnbouw en afvalverwerking meegerekend wordt. Het is juist dat de aangelegde beperkingen de hoeveelheden biomassa beperken, maar wel tot een portie van het energiebudget die relevant is. Het laatste nieuws van een nog niet gepubliceerde studie van de SER is, dat men op termijn op een hogere sport van de prioriteringsladder wil instappen. Bij houtige biomassa zou dat alleen maar kunnen betekenen dat 7 uitgefaseerd wordt (uitzonderingen daargelaten) en dat 6 opgewaardeerd wordt tot 5 (wat kan, maar niet eenvoudig en tamelijk duur is). Ik moet het allemaal nog zien, maar ik wacht wel tot de SER-studie uit is. Vooralsnog denk ik, met sommige gemeenten in de MRE, dat de overgangstermijn best wel eens lang zou kunnen duren.
Afsluiting In het MRE-gebied is nog een hoop te doen voor er een goede RES 1.0 ingediend kan worden. Ik zie uit naar de PlanMER.
Op 26 juni 2020 hebben Milieudefensie, Greenpeace en anderen in verschillende steden in Nederland een actie belegd ‘Het klimaat als rode draad’. Doel was om de politiek mee te geven dat er draagvlak is voor een duurzaam en rechtvaardig herstel uit de Coronacrisis. De centrale bijeenkomst was in Den Haag, maar ik heb zelf meegedaan in Eindhoven. Milieudefensie en Operatie Klimaat hebben inmiddels al heel wat gesprekken over het onderwerp aan de deur of aan de telefoon gehad. Er was ook een namaak-Rutte.
De aanleiding Ik kwam op Facebook in een discussie terecht over een oude bekende, het mineraal olivijn als middel om CO2 uit de lucht te halen. Af en toe laait die discussie weer op, de laatste keer vanwege een artikel in de NRC dat “zeven km3 olivijn genoeg is om de aarde te redden”. Zie Zeven kubieke kilometer olivijn om de aarde te redden .
De discussie gaat terug op prof. Olaf Schuiling. Kennislink wijdt een pagina aan hem ( www.nemokennislink.nl/publicaties/peridotieten-zijn-gek-op-co2/ ). Daar blijkt overigens dat die “zeven km3 “ “zeven km3per jaar” moet zijn en dat de redding van de wereld neerkomt op het compenseren van alle verbranding van fossiele brandstoffen.
Wat is olivijn en hoe gedraagt het zich? Olivijn is een dieptegesteente. Het kristal is stabiel op zo’n 400km diepte en wordt alleen aan het aardoppervlakte gevonden als er diepe lava aan de oppervlakte uitgestroomd is. Dat gebeurt soms. Het materiaal dankt zijn naam aan de kleur en kan in extreme gevallen edelsteenkwaliteit bereiken.
De chemische samenstelling is XYSiO4 . Daarbij kunnen X en Y staan voor magnesium (Mg), tweewaardig ijzer (Fe) , en voor sporenelementen waarvan het giftige nikkel (Ni) de belangrijkste is. Als zowel X als Y magnesium is, heet het mineraal Forsteriet. Meestal zit Olivijn in een menggesteente waarin bijvoorbeeld ook witte asbest kan voorkomen.
Het kristal is aan de oppervlakte niet meer stabiel en verweert daarom. Het kan ook gewoon van nature CO2 binden, alleen gebeurt dat uiterst onpraktisch langzaam als het materiaal gewoon een bonk is.
De verweringsreactie is voor forsteriet (in een waterig milieu)
2H2O + 4CO2 + Mg2SiO4 –> 2Mg2+ + SiO2 + 4HCO3–
SiO2 is gewoon kwartszand en het HCO3– -ion (ook wel het bicarbonaation) is wat je ook krijgt als je bakpoeder of zuiveringszout in water gooit. De reactie is dus niet exotisch.
Voor het verweren van olivijn moet er water en CO2 kunnen toetreden. En omdat zich een korstje kan afzetten, is het handig als het materiaal in beweging blijft. Toetreding gaat makkelijker bij een groot oppervlak, en dus een kleine korrel. Wil je dus iets met olivijn, dan moet je het mijnen, transporteren, en heel fijn malen en verspreiden. Dat kost energie en als regel CO2 en dat moet je in mindering brengen op de opbrengst. Je moet dus een Life Cycle Assessment maken (LCA).
Rijkswaterstaat RWS) heeft in 2012 zo’n LCA gemaakt (onderstaande illustraties zijn uit die publicatiue afkoomstig). De verwijzing is http://publications.deltares.nl/1203661_000.pdf en die is te vinden op bovenstaande Deltares-pagina. Daar staat ook een praktijkproef in Rotterdam. De zoekterm rws olivijn geeft nog wel meer resultaat.
Zuivere forsteriet kan per 1 kg forsteriet 1.25 kg CO2 binden. Na diverse aftrekposten blijft ongeveer 1 kg CO2 per 1 kg forsteriet over.
Het titelblad van de studie van RWS geeft goed aan wat RWS als mogelijke toepassing ziet.
Daarnaast heeft RWs gebruik in de landbouw geanalyseerd.
Het analyseresultaat beschrijft hoe snel het olivijn voor 80 en 100% wegverweerd is. Dat is vooral afhankelijk van
de korrelgrootte (kleinere korrel, snellere verwering)
de omgevingstemperatuur (warmer is sneller, tropen werken beter dan gematigde breedtes)
hoe zuur het water is (hoe zuurder, hoe sneller). Omdat landbouwgrondwater zuurder is, gaat het in de landbouw sneller.
Al met al praat men in de landbouw over jaren tot decennia en in de kustlijn over decennia tot enkele eeuwen.
Voor- en nadelen Het nut van olivijn is in meerdere opzichten dubbelzinnig.
Het is juist dat olivijn primair CO2 uit de lucht bindt .
Maar de stof doet dat in water en daarbij ontstaat het HCO3– -ion . Dat kan op verschillende manieren doorreageren. Het eindmengsel kan neerslaan tot het onoplosbare MgCO3 ,bijvoorbeeld als het water opdroogt. Dan komt de helft van de gevangen CO2 alsnog in de lucht, maar de andere helft zakt naar de bodem of wordt een witte aanslag. Het HCO3– -ion kan ook reageren met zuurionen ( H+). Per H+ ion komt er dan weer een CO2– molekuul in de lucht (dat is precies wat zuiveringszout doet met brandend maagzuur – leve de Rennie). Maar het H+ ion kan ook uit zure regen of uit stikstofdepositie komen. En het H+– ion kan ook in de verzuurde oceaan zitten, die door het HCO3– -ion een beetje minder zuur wordt. Het kan ook zijn dat een HCO3– -ion een mossel tegenkomt en zich aanbiedt om een schelp mee te bouwen. Men kan dus niet met alleen de primaire reactie volstaan en moet ook een theorie opbouwen over het vervolg.
Je kan olivijn op goede gronden dus zien als een klimaatoplossing die soms zuur bindt, maar ook als een zuurbinder die soms het klimaat helpt. Die twee sluiten elkaar uit.
In principe kan men olivijn zien als een stof die kalk vervangt bij het ontzuren van landbouw- of bosbodems (want uit kalk komt bij het zuurbinden CO2 vrij) . Bij olivijn ook, maar die CO2 had je eerst gevangen. Bijkomend voordeel is dat uit olivijn magnesiumionen vrijkomen, die planten graag opnemen voor de opbouw van chlorophyll. Het is overwogen om olivijn als meststof in te zetten, maar het probleem is vooral de nikkelbijmenging. Die ligt ver boven de interventiewaarde van vervuilde bodems. Nikkelloze olivijn zou een interessante grondstof zijn.
Olivijn is een interessante stof, maar geen wondermiddel. Men moet niet alleen de primaire reactie analyseren, maar ook het natraject.
Inleiding Nederland is verdeeld in 30 regio’s, die elk hun eigen bod moeten schrijven (nu nog concept-bod) om samen in 2030 aan de landelijke doelstelling te komen van 35TWh duurzame elektriciteit (126PJ) en moeten er anderhalf miljoen woningen en andere gebouwen geïsoleerd zijn en/of van het aardgasnet gehaald. De website van de RES is www.regionale-energiestrategie.nl .
De RES is een tussenstap, een impuls en niet de eindoplossing. Hij dekt nationaal ongeveer 30% van het bestaande stroomverbruik en 20% van de woningen af. Het concept-bod wordt neergelegd in een document, geheten de Regionale Energie Strategie (concept-RES).
De RES moet als minimum een document omvatten
waarin uitgelegd wordt welke taak de regio voor zichzelf weggelegd ziet bij het grootschalig opwekken van elektriciteit met wind en zon (bij zon is de SDE-voorwaarde van 15kWpiek de ondergrens) en hoe dat in 2030 gerealiseerd zal zijn
waarin uitgelegd wordt hoe het macroverhaal van de warmtevraag en -aanbod van de gebouwde omgeving in de regio in elkaar kan zitten (de Regionale Structuur Warmte). Deze moet voor de afzonderlijke gemeenten als uitgangspunt dienen.
Waarin op het elektriciteitsnet en de opslagstructuur ingegaan wordt
Wat geen wind of grootschalige zon is, telt niet mee voor de RES, maar uiteraard wel voor het grotere plaatje waarvan de RES een deel is.
De concept-RES West-Brabant is opgesteld door De gemeenten Alphen-Chaam, Altena, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht, Zundert, de provincie Noord-Brabant, het waterschap Brabantse Delta, het waterschap Rivierenland en Enexis. Het document is te vinden op https://energieregiowb.nl/ . Het staat de regio’s vrij om eigen interesses aan het minimum toe te voegen, maar West-Brabant heeft daar weinig gebruik van gemaakt. Het document beperkt zich sec tot wat gevraagd is. De regio had ook andere maatschappelijke groepen kunnen uitnodigen om mee te denken over de RES (bijvoorbeeld de Avans en MBO-instellingen als installatie- en elektrotechniek en de werkgevers in de installatiebranche, maar dat is niet gebeurd (althans, het blijkt niet uit het document). Dit zou in het vervolgtraject mogelijk een waardevolle toevoeging zijn.
In het gebied ligt een grootschalig industrieterrein Moerdijk met een eigen haven, liggen twee afvalverbranders (Attero AEC Moerdijk en Sita ReEnergy Roosendaal, en ligt de Amer 9 – centrale (waarover hierna meer).
Elektriciteit De zestien gemeenten verbruikten in 2018, all-in, volgens de Klimaatmonitor, ongeveer 18,6PJ (5,17TWh; 1TWh = 3,6PJ). Van die 5,17TWh gaat 4,2TWh naar bedrijven.
Er is in het verleden al het nodige gerealiseerd in West-Brabant.
Hierna eerst wat voor de RES meetelt. Dd 2020 staat er aan hernieuwbare energie 0,5TWh. Op basis van een pijplijn met harde plannen groeit dat binnen een paar jaar naar 1,3TWh (meest wind). In 2030 wil men zeker op 2,2TWh uitkomen. Dat is t.o.v. heel Nederland onevenredig veel. Omdat de ervaring leert dat er onderweg wel eens plannen sneuvelen, programmeert men tot 2,5TWh. Het verschil tussen de bestaande en waarschijnlijke 1,3TWh enerzijds en 2,5TWh anderzijds wordt als volgt ingeprogrammeerd:
0,5TWh op grote daken (waarna ongeveer een kwart van die daken in gebruik is, de rest is vaak niet geschikt)
0,3TWh in zonneparken (waarbij men de zonneladder volgt)
0,2TWh extra windturbines
0,2TWh diverse kleine innovatieve projecten opgeteld, zoals zon op gevels, transparante zonnepanelen, drijvende panelen, opslagtechnieken en drijvende waterkracht
Dan wat voor de RES niet meetelt: Dd 2018 tellen alle kleinschalige zon op dag-projecten (dus onder de RES-ondergrens) op tot 0,1TWh. Het concept-bod wil dat met aanvullend beleid in 2030 opgehoogd hebben tot 0,5TWh (advies, samenwerking met professionele partners, duurzaamheidsleningen en gebouwgebonden financiering).
Tenslotte is er een participatieverhaal: “De gedragscodes voor wind op land (NWEA, 2016) en gedragscode Zon op Land (Holland Solar, 2019) geven richtlijnen voor de participatie en zien we als een belangrijk vertrekpunt. Een energietransitie voor iedereen betekent ook dat we iedereen de kans willen bieden om te profiteren van de wind- en zonne-energie die we in onze regio opwekken. We streven daarom naar 50% of meer lokaal eigendom van de nieuwe zonne- en windparken uit deze energiestrategie”.
De Amer 9 – centrale Om het hierna volgende warmtehoofdstuk te kunnen volgen, is het nodig eerst de positie van de grootste energieopwekker van de regio te bespreken.
De Amer-9 (1993) is de laatste van een reeks centrales nabij Geertruidenberg. Het is van huis uit een kolencentrale. De centrale moet of 31 december 2024 volledig dicht, of volledig overgezet zijn op biomassa (pellets). Eigenaar RWE wil het laatste. In 2018 is 40% bijstook bereikt, in 2020 moet 80% bereikt worden en in 2024 dus 100%.
De centrale is 600MW elektrisch en 350MW thermisch. De elektrische capaciteit voedt het net (bij 8000 bedrijfsuren) met 17PJ. Daarmee is de centrale goed voor bijna de helft van de huidige hernieuwbare energie in Brabant. Omdat de RES per definitie alleen maar over wind en grootschalige zon gaat, telt de elektrische output van de Amercentrale niet mee voor de RES. De thermische capaciteit wordt wisselend benut door een kassentuinbouwcomplex in de Madese polder en door een grote stadsverwarming in Breda, Tilburg en andere plaatsen. De RES West-Brabant is een beetje inconsistent met de cijfers, maar het zit in de buurt van de 4PJ warmte, waarvan 1PJ in Tilburg eo wordt afgezet (dat is de RES-Hart van Brabant) en ongeveer 3PJ in West-Brabant. Omdat de Amerwarmte kan dienen om huizen van het gas te halen, telt de warmteproductie van de Amercentrale wel mee in de RES.
De duurzaamheid van biomassa in het algemeen en die van de Amercentrale in het bijzonder is omstreden. Ik heb daar zelf mijn eigen mening (onder voorwaarden toelaatbaar voor een periode van 15 a 20 jaar, ook met importhout, zie Amercentrale op biomassa een te overwegen optie – nadere uitwerking nodig ), anderen denken daar anders over.
De RES- West-Brabant ziet ´Warmte uit afval en buitenlandse biomassa … als transitieoplossingen. Deze bronnen geven de tijd om te werken aan duurzame alternatieven voor warmte in het Amernet en andere warmtenetten in de regio. Op de langere termijn zien we geen toekomst voor grootschalig gebruik van deze bronnen: vanwege de transitie naar een circulaire economie, en vanwege de beschikbaarheid van lokale biomassa. We volgen vooralsnog het landelijke beleid over de inzet van biomassa in de energietransitie. (blz 19.)’ RWE denkt er anders over en let op het woordje ‘vooralsnog’.
Warmtevraag en warmteaanbod
De Regionale Warmtevisie Waar het elektriciteitsverhaal redelijk recht toe, recht aan is, aannemelijk en navolgbaar, is het warmteverhaal dat niet. Zie bovenstaande afbeelding.
Alles bij elkaar vraagt de regio West-Brabant om 90PJ warmte (bovenstaande 25TWh, maar de TWh-eenheid is bij warmte niet gebruikelijk). Die wordt nu voor zowat 22TWh fossiel ingevuld, en voor wat overblijft bijna geheel door de Amercentrale (1TWH) en de afvalrecycler en -verbrander van Atteroo AEC Moerdijk (2,3TWh). Van de overblijvende dwergen is de Suiker Unie in Dinteloord met groengasvergisting (dus ook biomassa) de grootste (0,15TWh). Niet voor niets staat nagenoeg het hele warmteaanbod in 2050 als een groot ? aangeduid.
Er zijn wel ideeën, maar met elk idee is wel iets.
Terrathermie is in alledaags Nederland bodemwarmte en in nog alledaagser Nederlands een Warmte-Koude Opslag. Dat zijn mooie systemen als er ’s zomers evenveel warmte ingaat als ’s winters eruit.
Aerothermie is een lucht-lucht of lucht-water warmtepomp. Die is alleen geschikt voor goed geïsoleerde huizen (en dat zijn vaak de nieuwere). De opbrengst kan moeilijk geschat worden.
Droge en natte biomassa is conventioneel en standaardtechniek.
Restwarmte is op zich een goede zaak en kan dat ook in praktijk zijn, maar het is een gecompliceerd verhaal om te realiseren, zowel technisch als commercieel als juridisch.
Aquathermie kan wel (bestaat al), maar het is nog onduidelijk of er ecologische consequenties zijn.
Van geothermie is de potentie tot nu toe onduidelijk. Er is een hoop bestuurlijke beweging om dit onderwerp heen, maar feitelijk telt Brabant nu één geothermiebron t.b.v. de glastuinbouw in Zevenbergen (inderdaad wel in West-Brabant). Die is 6-9 MW en pompt water omhoog van 30°C. Zou die bron 6000 uur per jaar werken, dan is dat goed voor orde van grootte van 0,04TWh.
Alles samen halen de bekende, hierboven genoemde bronnen de 59PJ. Dat is minder dan de vraag van 90PJ, zelfs na de voorgenomen bezuiniging.
De meeste bronnen vereisen een warmtenet. De concept-RES verwacht dat in West-Brabant minder dan de helft van de woningen geschikt is voor een individuele warmtepomp. Het grootste deel van de rest is op een warmtenet aangewezen. De RES West-Brabant zegt terecht dat er grote verantwoordelijkheden bij het Rijk liggen, o.a. bij de Warmtewet.
Het is niet mijn bedoeling om deze nieuwe technieken onderuit te halen. Integendeel, hoe meer duurzame productie, hoe beter – als dat binnen goede ecologische grenzen gebeurt. Wel mijn bedoeling is de stelling dat een categorische afwijzing van biomassa West-Brabant in de problemen brengt. Een transitietermijn van 15 a 20 jaar voor de Amercentrale zou wel eens hard nodig kunnen blijken. Niet voor niets hebben de RES-regio’s Midden- en West-Brabant een gezamenlijke MKBA opgezet om verschillende scenario’s voor de verduurzaming van het warmtenet en de overige regionale warmtevoorziening in kaart te brengen.
Participatie van de bevolking bij warmteprojecten zit er niet in. Het gaat om grote en risicovolle investeringen die economisch vaak marginaal zijn.
Wat van het Rijk verwacht wordt De RES West-Brabant presenteert een handig lijstje van wat het Rijk allemaal moet doen. Ze hakken niet voor niets al enige tijd met dit bijltje. Ik kopieer het voor zover het een algemeen karakter heeft (passages over vliegbasis Woensdrecht laat ik onvermeld):
Elektriciteit De doelen voor ‘zon op dak’ kunnen worden behaald, mits:
Er binnen de verbrede SDE++ voldoende financiële stimulans blijft voor gebouw-eigenaren en projectontwikkelaars om zon op dak te realiseren;
Het bouwbesluit wordt aangepast, om te bewerkstelligen dat nieuwe daken sterk genoegzijn om zonnepanelen te dragen;
Zonsystemen prominenter op de Vamil en Eia-lijst komen, zodat bedrijven rendabelemaatregelen zullen uitvoeren;
De uitvoering van de energiestrategie vergt extra capaciteit op het elektriciteitsnet-werk. Het Rijk wordt daarom gevraagd netbeheerders het volgende toe te staan:
Het combineren van wind en zon samen op één kabel (cable pooling);
Het terugregelen van elektriciteitsbronnen bij overbelasting;
Het flexibele inzetten van reservecapaciteit in stations en op het net;
Het toestaan van meerdere leveranciers op een aansluiting (Mloea);
Warmte Voor de warmtetransitie zijn nieuwe oplossingen en afspraken nodig over verantwoor-delijkheden, financiering en marktwerking, bijvoorbeeld voor warmtenetten. We willen deze ‘governance’ graag samen met anderen, waaronder het Rijk uitwerken. Zo vergt de verduurzaming van de warmtevoorziening:
Regels en middelen, die leiden tot een financieel aantrekkelijke businesscase voor warmte(net)projecten
Maatregelen die de business case van warmtenetten verbeteren, onder andere gericht op financiering, financiële risico’s en marktordening.
Financiële bijdragen aan de realisatie en uitbreiding van (boven)regionale warmte-netten.
Standaards voor open netten, zodat meerdere leveranciers warmte kunnen leveren en afnemers kunnen kiezen tussen diverse aanbieders
Stimulansen om restwarmte te benutten, bijvoorbeeld door beprijzing of verbod op het lozen van restwarmte
Een regeling voor het meenemen van particuliere woningen bij het verduurzamen van complexen die grotendeels in het bezit zijn van woningcorporaties
De mogelijkheden voor gebouwgebonden financiering op korte termijn regelen.
Uitvoering Tot slot is het noodzakelijk dat het Rijk de voorwaarden van gemeenten voor de uitvoering van het Klimaatakkoord en de realisatie van de RES borgt (conform de VNG-motie d.d. 29.11.2019). Stel voldoende middelen beschikbaar aan gemeenten om de uitvoeringskosten van de RES te dekken
RWZI Nieuwveer
Energie- en klimaatwinst uit een RWZI De lijst met bestaande warmtebronnen noemt twee Riool Water Zuiverings Installaties (RWZI) waar door vergisting groen gas geproduceerd wordt, Dongemond in Oosterhout en Nieuwveer in Breda. Hierboven Nieuwveer, goed voor 0,002TWh per jaar. Ik print de tekst evenuit, omdat die moeilijk leesbaar is:
Dubbele winst: minder CO2 emissie en alternatief groen gas Een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) heeft met gangbare zuiveringstechnieken een hoge uit-stoot van stikstof en broeikasgassen (CO2, methaan en lachgas). De uitstoot van de RWZI Nieuwveer is bijvoorbeeld een kwart van de CO2-uitstoot van de hele stad Breda. Het waterschap is daarom op zoek naar andere zuiveringstechnieken. Zij verkent samen met enkele gemeenten de kansen van een nieuwe vergistingstechniek. Deze techniek produceert groen gas dat direct kan worden geleverd aan het gasnet. Een middelgrote RWZI kan dan 5000 huishoudens voorzien van groen gas, als ook de verwerking van keukenafval wordt meegerekend. De CO2 uitstoot is 70 tot 80% minder.
Weer een bewijs dat een klakkeloze afwijzing van biomassa (rioolslib is biomassa) schadelijk is.