Eindhovense SP hield avond over verduurzaming bestaande woningbouw

Het waarom van de avond
De verduurzaming van het bestaande woningbestand (in Noord-Brabant ca 800.000 woningen die er in 2050 nog steeds staan) is van wezenlijk belang.

Een drastische energiebesparing binnen deze bestaande woningvoorraad is van groot belang voor een forse besparing op het Brabantse en Eindhovense energiebudget. Hoe groter de besparing, hoe eenvoudiger het wordt om de resterende energie duurzaam op te wekken.
Een dergelijke vermindering is ook van belang voor de woonlasten van huishoudens. Een goed vormgegeven verduurzaming kan voor huurders en eigenaren voordelig uitpakken.

Andersom kan het betekenen, dat men slechte huurwoningen versneld wil slopen. Het is goed als huurders daar in een vroeg stadium bij betrokken worden.
Er zijn echter elders in Nederland ook voorbeelden dat complexen, die eigenlijk gesloopt zouden worden, zijn blijven staan door een grondige verduurzamende renovatie.
Kortom, bewoners hebben, hoe dan ook, belang bij dit onderwerp.

Tegelijk lijkt er soms een soort verlamming te bestaan. Er wordt veel gepraat, maar vaak weinig gedaan en nog minder is er sprake van een systematisch beleid.

Openbare avond Verduurzaming bestaande woningbouw 17 mei 2018

De SP wil druk van onderaf opbouwen om het proces in een hoger tempo te krijgen. Vandaar de openbare avond. Die vond plaats op donderdag 17 mei in ‘t Bellefort. Sprekers waren:

  • Bernard Gerard over de energiebalans van Noord-Brabant en Eindhoven
  • Jaap van Leeuwen, consulent energiebesparing van de Woonbond
  • Luc Reusken, manager vastgoed van Woonstichting Thuis
  • Paulus Jansen, (ex)SP-wethouder in Utrecht met o.a. wonen in de portefeuille

Bernard Gerard (medewerker provinciale SP-fractie)
hield een kort verhaal hoe de Brabantse energiebegroting in elkaar zit en hoe een drastische bezuiniging (bijvoorbeeld door 800.000 Brabantse woningen in 2050 energieneutraal gemaakt te hebben) in dat plaatje paste. Uitgangspunt is de provinciale Posad-studie.
De getallen zijn indicatief en dienen vooral om een idee te geven van de orde van grootte, waarover we praten.

Hoofdlijnen van het Brabantse energiebudget

Jaap van Leeuwen (consulent energiebesparing Woonbond)
schetste de toekomst vanuit het perspectief van de huurder.
Hij begon met te memoreren dat de regering 1,9 miljard uit de huursector gehaald had (met de verhuurdersheffing), en er nu voor de verduurzaming  0,2 miljard in terugstopte.

Aan de Klimaattafel over de gebouwde omgeving, die een nieuw Klimaatakkoord 2018-2030 moeten voorbereiden, wordt gesproken over dat in 2030 de woningvoorraad gemiddeld label A moet zijn, en dat er dan 2 miljoen woningen van het gas af moeten zijn.
In 2050 moet de gebouwde omgeving energieneutraal zijn.


Ter vergelijking: van Leeuwen becijferde de gemiddelde energielasten van een woning op €148 per maand in 2018 (en dat is stijgend). Daarvan iets meer dan 1/3de gas en de rest stroom.

Dit alles leidt de Woonbond tot een prioriteitenlijst:

Van Leeuwen pleitte ook nadrukkelijk voor een warmtestrategie, want daar gaat nu in woningen het meeste geld aan op.
In dit verband maakte hij de vergelijking dat een Fiatmotor ongeveer even groot was en een stuk complexer dan een warmtepomp, maar wel €600 kostte tegenover een warmtepomp €6000 . Met andere woorden: die warmtepomp moet een stuk goedkoper kunnen worden.

Hij noemde de noodzaak van een Regionale Energie- en Klimaat Strategie (REKS)

Luc Reusken, manager vastgoed van Woningstichting Thuis uit Eindhoven
Thuis heeft 10328 woningen, waarvan 3556 in Eindhoven en de rest in enkele voorsteden.

De stichting was in 2018 de meest duurzame woningbouwcorporatie van Nederland. Daar waren ze heel trots op. Evenzo op de prestatie dat in 2017 hun gehele woningvoorraad gemiddeld label B was geworden. Die labels zijn reëel, zegt Reusken, niet theoretisch.
In 2050 moet de woningvoorraad CO2-neutraal zijn.

Thuis was nu zover omdat ze eerder dan anderen, acht jaar geleden, begonnen zijn.

De praktijk leert, zegt Reuskens, dat je met je huurders om speaking terms moet blijven.

Thuis had uit eigen middelen in 10 jaar 70 miljoen financiele ruimte gecreëerd. Maar de vraag blijft hoe het financieel verder moet. Het zal ongeveer €450 miljoen kosten om 76% van hun woningen CO2– neutraal te krijgen.

 

(Deze flats aan de W. de Zwijgerlaan in Best vervangen nu gesloopte flats. De nieuwe flats zijn Nul Op de Meter. Zie ook www.mijn-thuis.nl/Willem-de-Zwijgerweg-Best/ ).

Paulus Jansen (ex-wethouder SP in Utrecht, o.a. Wonen)
Utrecht is een heel andere stad als Eindhoven. Niet alleen groter, maar ook een bijna dubbele woondichtheid en veel maar stadsverwarming. Zijn stad energieneutraal krijgen lukt volgens Jansen niet.

Het Utrechtse leidingennet en de vervangingstermijn

Jansen (die in Eindhoven technische Bouwkunde heeft gestudeerd en veel van deze materie afweet)  focuste vooral op de warmtevoorziening.

Hierboven de leiding-vervangingkaart van netbeheerder Stedin. De gele lijnen moeten op korte termijn vervangen worden en zodoende is Overvecht-Noord het eerst aan de beurt. De wijk gaat dus van het gas af.  Dat is een omvangrijke operatie en de inspraakbijeenkomsten vullen de krantenkolommen.

Warmtesituatie in Overvecht-Noord (Utrecht)

Als men een warmtenet wil verduurzamen, komt men als vanzelf op vraagstukken rond lage temperatuur-warmte 9pakweg 25 tot 40°C). Het gaat over het slim bestrijden van legionella, over vloerverwarming of grote radiatoren via restwarmte en geothermie naar monopolievraagstukken. De Utrechtse gemeenteraad heeft in 2017 een Warmtevisie vastgesteld en dat is iets waar de Eindhovense gemeenteraad vroeg of laat ook aan moet.

Utrecht sorteert voor op €250 miljoen per jaar (dat is inclusief de particuliere gelden).

De presentaties zijn in .pdf-vorm te vinden:

Bernard Gerard

Jaap van Leeuwen

Luc Reusken

Paulus Jansen (deze presentatie is vanwege de omvang op deze site iets ingekort)

De Brabantse SP wil meer van dit soort bijeenkomsten gaan organiseren.

 

Vermillion mag van Wiebes gaan fracken in Waalwijk – en een aardbeving bij een ander klein gasveld

Na het schrijven van dit artikel dd 31 mei heeft zich een zwakke aardbeving voorgedaan bij een ander klein gasveld in Nederland. Op het eind van dit artikel een aanvulling.

Cumulatieve productie in het kleine gasveld Waalwijk-Noord

Er wordt sinds 1991 gas gewonnen in het gebied rond Waalwijk. Tot en met  2016 heeft dat (uit drie putten) 2436 miljoen m3 gas opgeleverd en als men niets nieuws doet, komt daar vanaf 2017 volgens de prognoses 107 miljoen m3 bij. Exploitant Vermillion wil de voorraad verder uitpersen, zodat er vanaf 2017  ruim 700 tot ruim 1600 miljoen m3 bij komt, afhankelijk van geluk of pech. Bij geluk is het kleine gasveld voor driekwart leeg getrokken.

De aanvraag van Vermillion, met de bijbehorende documenten, is te vinden op www.nlog.nl/ter-inzage-legging-winningsplan-waalwijk-noord . Inmiddels ligt er ook al een ontwerp-instemmingsbesluit van Wiebes.
Behalve op genoemde site, zijn de papieren ook in te zien in de gemeentehuizen van Waalwijk, Heumen en Aalburg.
Tot 4 juli 2018 kan iedereen een zienswijze indienen bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Inspraakpunt Winningsplan Waalwijk-Noord, postbus 248, 2250AE Voorschoten.

Voor genoemde meeropbrengst  wil Vermillion nieuwe technische handelingen verrichten, zoals nieuwe putten en/of  boren van uit bestaande putten, en fracken.
“Fracken” is een emotiewoord. Maar je hebt “fracken” en “fracken”. Tussen het grootschalig en landschapsvernielend fracken voor schaliegas (dat per frack zowat 20.000m3 water kost) en het veel kleinschaliger en onzichtbaarder fracken voor de conventionele gaswinning (dat per frack ca 50 tot 100m3 water kost) zit een wereld van verschil. En daarmee ook de risico’s op ongewenste seismiek en ontsnappende stoffen.
Fracken is niet per definitie slecht, maar kan slecht worden in combinatie met andere kenmerken.

Maar er blijven restrisico’s.

Hoewel je daar normaliter niets van merkt, lopen er ook door de ondergrond van Waalwijk geologische breuken. Daar moet je wegblijven met je gaswinning. Vermillion wil er 25m wegblijven, maar omdat geologische breuken niet altijd scherp bekend zijn, zit daar een extra veiligheidsmarge op van 50m.

West-Oostlijn door gasput 2, waar onderstaande breuk bij hoort
Ligging van gasput 2 t.o.v. de dichtstbijzijnde breuk

Een restrisico dat mij nog steeds ergert is dat ik na al die jaren nog steeds niet weet wat er met het afvalwater van het fracken gebeurt. Dat wordt “opgeslagen en per vrachtauto afgevoerd naar een erkende bewerker”. Maar wie die “erkende bewerker” is en wat die met het chemisch en fysisch niet altijd eenvoudige afvalwater doet, is mij een raadsel. De oliewinning in Schoonebeek heeft het heel lang in Twente in de grond gespoten.

Verder ergert mij de geheimzinnigheid over de samenstelling van de frackvloeistof. Die bestaat voor 95% uit water, 4% uit keramiekkorreltjes en voor 1% uit additieven, die chemisch het interessantste zijn maar waarvan de samenstelling bedrijfsgeheim is. Het zou volgens Vermillion aan de Europese REACH-richtlijnen voldoen, maar dat zegt niet alles.
Wat het emotie-argument “chemicaliën in de grond!” waard is, valt dus niet te achterhalen.

Bodemdalingskaart rond Waalwijk-Noord

Er zal een bodemdaling optreden, maar volgens de computermodellen zou die hooguit 4 cm zijn over een horizontale afstand van 2000 m.

De deskundigen, die binnen het paradigma van het systeem opereren, vinden de restrisico’s zeer klein en beheersbaar: Staatstoezicht Op De Mijnen, TNO, waterschap Brabantse Delta en Aa en Maas, Mijnraad. In hun voordeel spreekt dat er feitelijk sinds 1991 niets gebeurd is, terwijl er ook in het verleden al een aantal keren gefrackt is.

Wie politiek redeneert, zoals de gemeente Aalburg en de provincie, heeft het even eenvoudige als doeltreffende argument tot zijn beschikking  waarom je in deze tijd überhaupt nog aan een nieuwe gaswinning wilt beginnen, ook al is die maar gepland tot 2026. Dat is een argument buiten het mijnbouw-paradigma.

Daarnaast noemt de provincie nog een akkevietje uit augustus 2017. Toen liet Vermillion per ongeluk aardgascondensaat ontsnappen. Dat is niet dramatisch, maar de provincie werd niet op tijd op de hoogte gesteld en was daar ‘not amused’ over.
Verder noemt de provincie nog de waterwingebieden en de hoogte van het grondwater als zorgpunt.

Kaart van de winningsvergunning Waalwijk

Natura2000-gebieden en waterbescherming

Op 6 juni 2018 vermeldde de NRC, dat er bij een ander klein gasveld in Noord-Holland (het Middelie-veld) een aardbeving heeft voorgedaan van 2,5 op de schaal van Richter. Het epicentrum lag bij Warder aan het Markermeer. Volgens het KNMI is er waarschijnlijk een verband met de gaswinning. Het NRC-artikel maakt geen melding van schade.
In 1989 was er in hetzelfde gebied ook al eens een aardbeving van 2,7 in Kwadijk.
Dit gasveld bevatte ooit 11 miljard m³ gas.
Volgens de NRC wordt er al zo’n 50 jaar gas gewonnen in Middelie. In october 2017 is er nog een extra put geboord.
Zie www.knmi.nl/aardbeving-in-noord-hollandse-warder .

De aardbeving bij Warder (rode stip) met een magnitude van 2,5 op schaal van Richter. De witte stippen zijn seismologische meetstations waar de beving geregistreerd is. Bron: KNMI

Het gasveld in Waalwijk zal in het (voor Vermilion) gunstigste scenario voor ca 4,1 miljard m³ worden leeggetrokken. Volgens de exploitant is dat ongeveer driekwart van wat er in zit.
Ergo heeft het veld ooit ruim 5 miljard m³ bevat, grofweg de helft van het Noord-Hollandse veld.

Ik vind de gelijkenis groot genoeg om bij het Waalwijkse veld aan het Noord-Hollandse veld te denken. Ondanks alle geruststellende verklaringen blijkt bodemmechanica, diep onder de grond, geen waterdichte voorspellingen te geven.

Milieudefensie zet Fair Future – campagne op rond klimaatzaak tegen Shell

Milieudefensie heeft Shell een brief  geschreven, waarin van Shell wordt geeist dat Shell zijn algehele beleid m.b.t. fossiele brandstoffen wijzigt. Zo niet, dan start Milieudefensie een rechtszaak. Hierover is op deze site al eerder geschreven, zie Milieudefensie dreigt Shell met klimaatzaak

Milieudefensie heeft rondom de aanstaande klimaatzaak een campagne opgezet (de Fair Future – campagne), die erop gericht is heel veel mensen te bewegen om mede-eiser te worden. OP 19 mei 2018, het moment dat dit geschreven werd, stond de teller op 11000 mede-eisers.
Eenieder kan alles over de zaak (en ook de laatste stand van de teller) nalezen op www.klimaatzaakshell.nl .

Fair Future-campagne rond klimaatzaak tegen Shell in Eindhoven dd 19 mei 2018

Op 19 mei streek de campagne in  Eindhoven neer. Ik heb ook een uurtje meegeholpen, naast een paar andere mensen van ons Eindhovense Milieudefensiebestuur en wat mensen uit de verdere regio.
Er stond een bak met suikermelasse, die als namaak-ruwe olie diende. Je kon daar je hand in dopen en die dan op de opblaas-wereldbol zetten. Symboliek.
Ook kon je een formulier invullen om mede-eiser te worden.

Infraroodpanelen voor woningverwarming

Een vraag over infraroodpanelen
Ik vind het altijd leuk om vragen te beantwoorden die op het terrein van deze site liggen. Als ik het niet weet (wat kan gebeuren) zoek ik het op.

Een Brabantse SP-afdeling had vertegenwoordigers van Thermiq ( www.thermiq.com/en/ ) op bezoek gekregen over hoe goed en hoe duur-
zaam infraroodpanelen waren voor woningverwarming. Wat ik daar nou van vond?

Dat was er een om op te zoeken, want ik heb nog nooit met infraroodpanelen te maken gehad.
Milieucentraal heeft een goed verhaal over dit onderwerp op www.milieucentraal.nl/energie-besparen/energiezuinig-huis/energiezuinig-verwarmen-en-warm-water/infraroodpanelen-voor-verwarming/ . Ik heb dit verhaal gebruikt.

Wat zijn infraroodpanelen?
Dat zijn vlakke platen die elektrisch verwarmd worden tot iets tussen de 60 en 200°C. Daardoor zenden ze warmtestraling uit in het langgolvige gebied (ergens rond de 10µm). Daar zijn geen gezondheidseffecten van te verwachten.
Bij Thermiq zijn de platen 60 bij 60cm of 120 bij 60cm. Je kunt ze krijgen in wit of zwart of elke andere kleur en, in overleg, met een patroontje. Die kleur maakt overigens, anders dan soms gedacht wordt, voor het functioneren niet uit. Gedrag van een oppervlak in zichtbaar licht heeft geen relatie met het gedrag van datzelfde oppervlak in het verre infrarood.
Je hebt overigens niets aan de website van Thermiq, want er staat alleen propaganda op en geen enkele getalsmatige informatie.

Ook elektrische straalkachels, grill-apparaten etc. verwarmen door warmtestraling. Het verschil is dat die veel heter zijn (en dus kortere golflengtes uitzenden). Roodgloeiend ijzer is ca 500 a 600°C.

Voor beide geldt dat de stralen niet direct de lucht verwarmen waar ze door heen gaan, maar het materiaal waar ze op vallen. Als er genoeg materiaal genoeg verhit wordt en dat lang genoeg aanhoudt, kan daardoor het materiaal indirect ook de lucht in de ruimte verwarmen.

De stralen gaan rechtdoor en worden in principe tegen gehouden door de eerste materie die ze tegenkomen. Alleen dat materiaal wordt dus verwarmd, dat door de stralenbundel getroffen wordt. Het kan dus gebeuren dat je bovenlichaam lekker warm is en je voeten koud.

De reikwijdte van de verwarming is ongeveer drie meter.

Heaterpanel van Thermiq

Welk gat in de markt vullen infraroodpanelen?
Alleen bij extreem goed geïsoleerde woningen (zegt Milieucentraal) kun je overwegen om infraroodpanelen in te zetten als hoofdverwarming.

In praktisch bestaande woningen zijn infraroodpanelen bijna altijd aanvullende verwarming. Je hebt er anders gewoon teveel van nodig. Het kan een alternatief zijn voor je vaste leunstoel, een werkplek waar je maar af en toe zit, en kleine ruimtes, waar je maar kort hoeft te zijn (zoals bijvoorbeeld de badkamer). Meestal duurt het opwarmen een paar minuten.

Zijn infraroodpanelen duurzaam?
Die vraag hangt zowel positief als negatief van een handvol factoren af en kan daarom niet zonder meer beantwoord worden.

Als je aangewezen bent op elektrisch verwarmen (geen gas meer, geen stadsverwarming), is de eerste vraag waar de stroom vandaan komt. Normaliter is die momenteel een mengsel van een beetje groen en veel grijs, maar je kunt natuurlijk je eigen zonnepanelen inzetten.

Als de overige omstandigheden hetzelfde zijn, is een warmtepomp duurzamer. Een warmtepomp brengt met 1kWh stroom bijvoorbeeld 4kWh warmte in de woning. Een infraroodpaneel komt met 1kWh stroom nooit verder dan 1 kWh warmte.
Maar de omstandigheden blijven niet altijd hetzelfde. Als iemand alleen thuis is, het infraroodpaneel op zijn favoriete leunstoel zet en de rest van het huis op 16°C zet, zal de persoon in kwestie netto wel besparen. Er komen dan life style – overwegingen in beeld.

Het voert te ver om dit allemaal precies uit te leggen. De website van Milieucentraal gaat er dieper om in en geeft bijvoorbeeld ook een financieel plaatje.

Heaterpanels van Thermiq

 

 

Biomassa uit het het Leenderbos – kan dat en mag dat?

Idefix
Mijn vrienden in de milieuhoek spreken zich op emotionele wijze uit tegen de gedachte dat je aan energie kunt komen door hout te oogsten. Het lijkt een beetje op het gejoenkel van het hondje Idefix als Obelix weer eens een Gallische eik uit het bos trekt.
Het duurt wel vijftig jaar, heet het, voor een geplante boom weer aangegroeid is (langer, overigens), dus voor de korte termijn kan het nooit een oplossing zijn – een bekende denkfout waar een bos bestaat uit heel veel bomen van allerlei soort en leeftijd. Bij goed beheer is een bos is als het ware een statistische boom.

Natuurbehoud en zakelijkheid
Nu ben ik vóór natuurbehoud, ik doe aan acties mee en ik ben lid van Natuurmonumenten, maar ik ben ook van de zakelijke en voor mij vertegenwoordigt een partij hout ook een hoeveelheid TeraJoule en timmerhout.
Ik ben in energiezaken een typische sprokkelaar. Gezien de giga-omvang van de duurzame energie-taak (in Brabant ca 290PJ als er niet bespaard zou worden) vind ik, dat je geen enkele mogelijkheid buiten beschouwing moet laten. Ook geen hout. Per slot van rekening draait de stadsverwarming in Meerhoven en Strijp S (Eindhoven) op houtsnippers uit het MRE-gebied. Elke PetaJoule (=1000 TeraJoule) is er een.

Ik ben van plan om binnenkort een verhaal te schrijven over een lezing van Nabuurs (professor in Wageningen, bosbeheerexpert) over de EASAC-studie, die hij hield voor de KNAW. Maar ik wil graag een voorbeeld, waarop ik vooraf wat uitgebreider in kan gaan, zodat straks dat andere verhaal niet zo massief wordt.

De Groote Heide kort na 1900 (In Brabant, Horst en Spek)

Het Leenderbos
Mijn vrouw en ik gaan regelmatig in het Leenderbos en de aangrenzende natuurgebieden fietsen. Het Leenderbos is een mooi voorbeeld hoe je gecombineerd naar bossen kunt kijken.

Het Leenderbos, en aangrenzende natuurgebieden als De Plateaux en de Groote Heide en beekdalen, zijn enerzijds een Natura 2000 – gebied. Het beheerplan van de provincie (dat o.a. nodig is vanwege de Programmatische Aanpak Stikstof, PAS), telt 340 pagina’s.

Wikipedia heeft er een goed verhaal over op https://nl.wikipedia.org/wiki/Leenderbos,_Groote_Heide_%26_De_Plateaux .
Wie de wettelijke omschrijving zoekt, kan terecht op www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=2&id=n2k136 of, als je alleen maar natuur wilt consumeren, op www.staatsbosbeheer.nl/Natuurgebieden/heeze-leende .
Als je een beetje zoekt, vind je wel meer.
Ik maak de lezer gaarne attent op de publicatie van In Brabant van Martijn Horst en Theo Spek “Het Leenderbos en de Groote Heide” met als subtitel “ Ontginningsbossen bovenop een eeuwenoud cultuurlandschap”.

Dat laatste is de overgang naar het “anderzijds” in de redenering. Op bovenstaand plaatje zoals het hele gebied er kort na 1900 uitzag. Het was toen één grote kale verwaarloosde heide, waarvan het restant nog steeds de Groote Heide heet. En ongetwijfeld heeft het er in voorgaande eeuwen weer anders uitgezien. Het landschap verandert door de eeuwen heen en zal dat blijven doen. Toekomstige landschappen bevatten zonneparken en windmolens.

Anderzijds dus kan men het Leenderbos een verwilderd productiebos noemen. De enerzijds- en de anderzijds-aanduiding zijn beide waar.

Het Leenderbos is gestart als werkverschaffing (In Brabant, Horst en Spek)

Het grootste deel van het Leenderbos is als werkverschaffingsmaatregel aangelegd in de jaren ’30 van de vorige eeuw, beeindigd in 1941. De betaalkeet is nu rijksmonument.
En het dennenhout (grenen) was voor de Limburgse mijnen. Mijnwerkers hebben graag stutten van dennenhout, want dat kraakt op tijd voor het het begeeft.

Voor zijn tijd was het een progressieve aanpak. Flinke delen van het oude heideland werden niet bebost, maar toen al door een professorale commissie aangewezen als natuurmonument (rond het begin van WOII 140 hectare).
Ook de recreatie was een bewust doel. Daarom lopen de paden in het Leenderbos niet in een saai dambordpatroon, maar met bochten.

Maar de geschiedenis brengt ook met zich mee, dat de gemiddelde begin-boom in het Leenderbos nu zo’n 80 jaar oud is. Zie over de grove den https://nl.wikipedia.org/wiki/Grove_den .
Als je bij het rondfietsen niet alleen kijkt naar wat er leeft, maar ook naar wat er dood is, zie je ook een heleboel. Alles wat dood is, is bezig om zijn koolstof weer af te geven.

Grove dennen kunnen in gunstige omstandigheden een paar honderd jaar oud worden en soms groeien ze nog lang door (en zo lang ze groeien nemen ze CO2 op), bestanden moeten regelmatig gedund worden en een vaak gekozen kapleeftijd ligt ergens tussen de 50 en de 120 jaar – maar dat is situatieafhankelijk en van boom tot boom verschillend.
Hoe dan ook, het is logisch om bij het Leenderbos aan kap te denken. Daar is verder niets onethisch aan.
In praktijk wordt er al decennia gekapt en herontwikkeld, soms tot nieuw bos en soms tot ander natuurgebied zoals zandverstuiving – leuk overigens voor de biodiversiteit, maar slecht voor de koolstofvastlegging. Niet alle goede doelen verdragen zich onderling goed.

Energetica en koolstofbalans en biomassa-ethiek
Staatsbosbeheer (SBB), de belangrijkste instantie in dit gebied, zegt op zijn site dat men al jaren 6000m3 hout per jaar oogst, waarbij de context erop wijst dat dat uit het gebied Leenderbos-Groote Heide is. Samen is dat goed voor zo’n 2000 hectare. Heel nauwkeurig is SBB niet: op die 2000 hectare staat niet overal bos. Er is niet meer mogelijk dan natte vinger- werk.

Die 6000m3 is een nevendoel bij de natuurgerichte ontwikkeling in het gebied.

Kun je die 6000m3 ecologisch verantwoord oogsten?

Stel als natte-vingeroefening dat de helft van het gebied bebost is.
Dan haalt SBB per hectare 6 m3 per jaar op, en dat is ongeveer de aangroei van de grove den (die langzaam groeit). Andere bomen echter groeien een stuk harder en die kom je ook tegen in het Leenderbos.
Als je het in koolstof op elementbasis uitrekent:
Volgens het CBS vangt een gemiddeld Nederlands bos met zijn fotosynthese 1900kg koolstof (op elementbasis) per hectare per jaar (maar het Leenderbos zal het op zijn kwaaie grond wel slechter doen dan gemiddeld).
6m3 hout per hectare per jaar betekent ongeveer 850kg koolstof (op elementbasis) per hectare per jaar.
Ecologisch lijkt het erop dat SBB jaarlijks minder koolstof uit het Leenderbos weghaalt dan de fotosynthese er jaarlijks in stopt. (Maar dit alles met de natte vinger).
Het zou dus ecologisch moeten kunnen.

Koolstofvastlegging per ecosysteemtype, afgezet tegen het areaal van dit ecosysteemtype, en de koolstofvastlegging per hectare (2013). De grootte van de bollen is recht evenredig met het aandeel in de totale vastlegging in Nederland.

Zie ook Klimaat, koolstof, bos en veen, en energie uit hout

Wat kun je als gebruiker met 6000m3 hout (3120 ton)? En is dat veel?

Als je die hoeveelheid helemaal zou opstoken, levert je dat ongeveer 52TeraJoule warmte op (0,052PJ). Ter vergelijking: als de stadsverwarming in Meerhoven 50 weken per jaar non- stop zou draaien (wat niet zo is), zou hij 30TJ elektriciteit en 170TJ warmte leveren ( zie De biomassacentrale Meerhoven en het overige Eindhovense biomassaprogramma ). Dat zou (volgens de gemeente Eindhoven) 18000 ton houtchips eisen.
Met andere woorden: het Leenderbos zou goed zijn voor 2 a 3 maand biomassacentrale in Meerhoven in vol bedrijf. De centrale heeft dan ook niet alleen het Leenderbos als leverancier.

Het bevestigt mijn stelling over biomassa: je kunt er wel wat mee, maar zeker niet alles. Maar het heeft geen zin om vanwege emotionele redenen, zonder analyse, die beperkte mogelijkheden af te wijzen.

Je kunt natuurlijk ook het hout deels niet verbranden. Stel, je gebruikt de helft voor timmerhout dat langdurig uit de circulatie blijft. Je legt dan jaarlijks ruim 400 ton koolstof vast op elementbasis (goed voor zo’n 1500 ton CO2).

Vanuit gebruikersstandpunt gezien, is 6000m3 hout per jaar dus niet heel veel. Je zou eigenlijk voorzichtig denken dat daar nog wel wat rek in zit.

Koolstofvastlegging in planten waaronder bos_per jaar_over 2013

Power to X – update PtoL via plasmachemie

X is hier niet “the people”, zoals de oude, maar nog steeds actuele strijdkreet luidt. X staat hier voor vormen van energie.

Inleiding
De ‘power’ is duurzame elektriciteit (eventueel overtollig), de X is een energievorm waarin die duurzame elektriciteit kan worden omgezet: warmte, gas, vloeibare brandstof, of andere chemicaliën. Als de power op dat moment overtollig was, kun je deze techniek zien als een vorm van energieopslag.

Dit alles kwam aan de orde tijdens de sessie van de Energy Days op de TU/e op 22 maart 2018.

De presentaties zijn te vinden op www.tue.nl/en/research/strategic-area-energy/about-energy/energy-events/energydays/series-5-2017-2019/day-2-renewable-fuels-and-chemicals/ .

Kramer, van der Schaaf en Eichel

Sprekers waren Eichel van het onderzoekscentrum in Jülich, Van der Schaaf van de TU/e en Kramer van het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit van Utrecht. Ik volg hier vooral de betogen van Eichel (voor de techniek) en Kramer (voor prijs en kansen).

Dit artikel gaat over vooral over één route, namelijk die naar vloeibare brandstof, bijvoorbeeld diesel of kerosine (diesel is niet precies hetzelfde als kerosine, maar ze lijken genoeg op elkaar om ze in dit artikel even over één kam te scheren).
De route naar warmte is in deze kolommen al eerder aan de orde geweest, zie Energy Day TU/e bespreekt Ecovat-systeem
De route van stroom naar gas is een serieus alternatief voor opslag. Voordeel is dat er al een leidingennet ligt (van het aardgas af betekent niet noodzakelijkerwijs ook dat de gasleiding weg moet). Dit verdient in de toekomst een apart artikel (maar zie al vast CE rekent klimaatneutrale warmtevoorziening woningen door voor 2050 ).
De route van gas naar vloeistof (GTL) is al eerder aan de orde geweest, zie Roet en zwavel uit straalmotoren: dat kan veel minder! en Hinderbeperkende maatregelen op vliegveld Eindhoven (update-versie 18 jan 2018) . Die stap van gas naar diesel zetten de Shell en Sasol in Qatar. Het eindresultaat is synthetische brandstof, die (nu) voor 50% met kerosine gemengd kan worden. De technische term is FT-brandstof (Fischer-Tropsch, naar de ontwikkelaars van het procedé).

In schema:

Verschillende Power to X – routes

De techniek

Die brandstoffen bevatten als regel koolstof en die moet ergens vandaan komen. Daaraan geen nood: er is toch al teveel CO2 in de lucht en die kun  je gebruiken, liefst in geconcentreerde vorm voordat het spul de schoorsteen verlaat. Eigenlijk keer je dus de verbranding om: als je gas of kolen verbrandt krijg je CO2 en dat draai je dan om.
Eigenlijk doe je niet anders als bij een twee richting-stuwmeer: als je stroom nodig hebt gaat het water met de zwaartekracht mee van boven naar beneden, en als je stroom teveel hebt pomp je het water terug.

Het CO2-verhaal klinkt mooi en tot op zekere hoogte is het ook mooi, maar tussen droom en daad staan natuurwetten in de weg en praktische bezwaren.
Als je eerst water omhoog pompt en het dan weer door een turbine laat vallen, ben je grofweg 20% van je energie kwijt aan verliezen. In technische termen: het cyclusrendement is zo’n 80%.
Net zo kun je eerst diesel verbranden, en dan de  gevormde CO2 vervolgens weer terug’pompen’ naar de dieselvorm. Als je wilt, kan dat, maar je hebt een cyclusrendement en dat is tamelijk laag.

Cyclusrendementen van stroom naar stroom

Bovenstaande figuur van Eichel legt een vergelijkbare gedachte uit met een ander begin- en eindpunt. Het schema begint met grillige elektriciteit van (bijvoorbeeld) een windmolen en eindigt met geheel geregelde elektriciteit op een gewenst tijdstip.
Als dat via de tussenstap gas en een gasturbine gaat (bovenste regel) is het totaalrendement 15 – 35% , en als het via waterstof en een brandstofcel gaat 35 tot 60%.
Als je in de bovenste regel stopt bij hokje ‘gas grid’ en dan ‘afslaat’ om alle CH4-tjes van het gas aan elkaar te plakken tot diesel, zal er wel weer wat verlies optreden. Hoeveel weet ik niet, maar ik schat in dat het totaalrendement van windmolen-energie tot aldus vervaardigde diesel-energie ergens op 1/3de tot 1/2de uitkomt. Voor het doel van dit artikel is deze nauwkeurigheid groot genoeg.

Met andere woorden: voor elke Joule die je wint als diesel (of kerosine of benzine), onder ontwikkeling van CO2 verbrand wordt, moet je 2 tot 3* zoveel elektrische energie investeren om van die CO2 weer diesel te maken. Dit is de meest basale wet die hier geldt.

Je hebt dan wel extra’s met enig belang: de brandstof, die je zo krijgt, verbrandt schoner. Er gaat geen zwavel in en er komt dus ook geen zwavel uit, en dus ook veel minder ultrafijn stof. Er kan ook minder roet ontstaan.

Energiedichtheid van sunthetische brandstoffen en NOx- en roetontwikkeling

In dit plaatje is EN590 gewone autodiesel, FT-diesel wat hierboven beschreven is, verder biodiesel uit raapolie en OME, een stof waaraan momenteel nog veel onderzoek gedaan wordt en die mogelijk gebruikt kan worden als additief in dieselolie voor auto’s.
Het diagram toont dat de balans tussen roet en NOx een trade-off is. Maar bij een gegeven NOx-niveau geeft de FT-diesel ruim de helft minder roet.

Prijs en kansen
Waar Eichel vooral op het procédé in ging, ging Kramer vooral over wat het kost, wat de maatschappelijke kansen zijn en welke keuzes nodig zijn.

De kosten van Power to Liquid, uitgerekend op de achterkant van een enveloppe.
Hoe het uitpakt met de prijs.

Kramer komt voor synthetische (P2X) brandstof, als hij het op de achterkant van een envelop uitrekent, op zo’n 30$/GJ . Daar mag een kwart van af als de CO2 uit een geconcentreerde bron komt, bijv. een schoorsteen.
Ter vergelijking: bij een ruwe olieprijs van 50$ per barrel kost olie €8,6$/GJ. Maar die ruwe olie moet nog bewerkt worden, dus het prijsverschil ligt iets gunstiger.
Momenteel ligt de olieprijs weer wat hoger, dus P2X-brandstof zou nu grofweg 2 a 3* zo duur zijn als reguliere fossiele brandstof, als er al sprake zou zijn van grootschalige productie.

De toekomst van de energie volgens Kramer

Kramers plaatje voor de toekomst, en tegelijk zijn conclusies, met enige uitleg mijnerzijds:
(TFC is de Engelse afkorting voor Finaal Energetisch Verbruik, dat wat netto aan de klant wordt afgeleverd).

  • The remarkable progress on electric renewables have fundamentally changed the energy and climate outlook.
  • We have about a decade to sort out what we will do with (hydrocarbon) fuels.
  • Mind the development times (decades)
  • P2H2 will come in time (bedoeld wordt de fabricage van waterstof bg)
  • P2X synfuels are more questionable: the Bio / CCS / P2X split hinges on societal choices and on technical progress in P2X (electrolysis & capture)

Over dat laatste: de mensheid kan (volgens Kramer) na 2040 twee kanten op om in 2050 op een situatie uit te komen, waarin zonder netto CO2 – emissie netto 600EJ (dat is 600.000 PJ) aan de klant wordt afgeleverd. Die 600EJ bestaat voor de helft uit stroom en voor de helft uit brandstof.
In het ene scenario is alles RE = Renewable Energy, en komt dus de brandstof uit duurzame bron (Power to X). Dit vraagt vooral om verdere technische vooruitgang.
In het ander scenario wordt in 2050 nog steeds flink wat fossiele brandstof ingezet, en ook biobrandstof, en wordt de vrijkomende CO2 onder de grond gestopt (de CCS-afkorting). Dit vereist minder technische vooruitgang, maar meer maatschappelijke struikelblokken.

Hierover zal de mensheid een zeer fundamentele discussie moeten gaan voeren.

–  –  –  –  –  –

In  Mei 2018 kreeg Marleen Ramakers tot de meest beloftevolle Belgische onderzoeker van 2018 uitgeroepen. Ze kreeg een prijs van het populair-wetenschappelijke blad EOS, de EOS Pipet. Zie www.uantwerpen.be/popup/nieuwsonderdeel .

Marleen Ramakers, plasmachemie, Universiteit van Antwerpen

Ze doet onderzoek aan het vervaardigen van synthetische brandstof uit CO2 met behulp van een plasma. Ze beweert dat je daar hogere rendementen mee haalt. Voor een artikel zie www.researchgate.net/publication/320578875_Revealing_the_arc_dynamics_in_a_Gliding_Arc_Plasmatron_A_better_insight_to_improve_CO2_conversion .

Cover van het bekendste artikel

Het Manifest van BVM2 en de uitwerking daarvan

Het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2) is de overkoepelende organisatie van omwonenden en organisaties van Eindhoven Airport/ vliegbasis Eindhoven. Die mensen en organisaties steunen BVM2 vanwege geluid en openingstijden, vanwege de toxische emissies (fijn stof) en vanwege het klimaat, of vanwege een combinatie hiervan.

Op 31 december 2019 loopt de Gebruiksvergunning van Eindhoven Airport af. Daarin staat o.a. het maximale vliegbewegingen van 43000 per jaar, en de beperking van de openingstijden tot 23.30 uur ipv 24.00 uur.
De Gebruiksvergunning is een beperkende invulling binnen het Luchthavenbesluit. Dat is voor onbepaalde tijd uitgevaardigd. Het is nog niet duidelijk of de overheid (de ministeries van Defensie en I&M samen) naar een nieuw Luchthavenbesluit toewerkt.

Met het oog op deze gang van zaken bereidt BVM2 zich voor op wat komen gaat (eigenlijk wat nu al komt). Daarover is in deze kolommen al vaker gesproken.

Passagiersaantallen op Eindhoven Airport

Het BVM2-manifest
De ambities voor de toekomst zijn vastgelegd in het BVM2-manifest. De hoeksteen daarvan is dat de hinder niet verder mag toenemen (waarbij hinder èn geluid èn fijn stof èn klimaat is), en dat een toename van het aantal vliegbewegingen verdiend moet worden door eerst milieuruimte te kweken (op alle gebieden). Daarvan mag dan de helft gebruikt worden voor nieuwe vliegbewegingen, en de helft komt aan de omgeving en het klimaat ten goede. Dit heet in luchtvaartjargon de 50-50 maatregel.
De 50-50 maatregel is bekend van Schiphol, maar wordt daar alleen gebruikt voor geluid (zolang dat Schiphol uitkomt…). BVM2 wil een 50-50 regel voor èn geluid èn fijn stof èn klimaat.

Het eisenpakket ziet er zo uit:

Het Beraad Vlieghinder Moet Minder zal daarbij in aanvang richten op de volgende punten:

  • Eindhoven Airport moet zich gedragen als een nutsbedrijf ten dienste van de ontwikkeling van de regio in brede zin. Groei en economisch resultaat zijn daarbij geen doel in zichzelf, maar dienen altijd in balans te worden gebracht met de leefomgeving waarin de luchthaven opereert.
  • De hinder bij het in 2020 te bereiken aantal van 43.000 civiele vliegbewegingen en de daarbij te gebruiken geluidsruimte van 11 km2 is het maximaal aanvaardbare.
  • Indien echter de totale milieubelasting afneemt door stillere en schonere vliegtuigen of door een minder overlastgevende verdeling van vliegbewegingen over de week zal 50% van deze milieuwinst als minder vliegbewegingen aan de omwonenden ten goede komen en mag 50% voor extra vliegbewegingen worden benut.
  • Vanaf 2020 vinden er geen geplande landingen meer plaats na 23.00 uur.
    Evenzo vertrekken er dan in het weekend geen vliegtuigen voor 08.00 uur, en door de week niet voor 07.00 uur.
  • Er moet blijvend worden gestreefd naar routeoptimalisatie, die de overlast voor omwonenden minimaliseert
  • De beschikbare vliegcapaciteit moet selectiever worden benut. Er moet worden gestuurd op voorrang voor zakelijke en sociaal-maatschappelijke vluchten.
  • Er wordt naar gestreefd om de internationale vervoersvraag zoveel mogelijk per trein af te wikkelen. Daartoe moeten de kwaliteit van het railnet en de internationale verbindingen verbeterd worden.
  • Het verkeer naar en van de luchthaven vindt zoveel mogelijk per bus of taxi plaats. De omringende wijken en omwonenden worden beschermd tegen verkeers- en parkeeroverlast zonder extra lasten in welk opzicht dan ook.
  • Civiele en militaire geluids- en milieugegevens worden voor het publiek op transparante wijze toegankelijk.
  • Economisch nadeel dat door omwonenden wordt geleden als gevolg van de groei van Eindhoven Airport na 2009 moet worden gecompenseerd door de overheid of door Eindhoven Airport zelf.
  • Eindhoven Airport zet zich binnen de nationale en internationale verhoudingen zo sterk mogelijk in om luchtvervuiling en klimaateffecten door vliegtuigmotoren terug te dringen. Zuivering en fiscalisering van vliegtuigbrandstoffen zijn daarbij belangrijke aandachtspunten.
  • Defensie streeft naar stillere vliegtuigen en programmeert zijn vluchten zo vriendelijk mogelijk voor de omgeving. De ongebruikte militaire gebruiksruimte zal niet worden omgezet in ruimte voor extra civiele vliegbewegingen.

(voor de volledige tekst, met toelichting, zie  Bijlage Manifest )

Meer varianten mogelijk bij satellietgestuurde landingen

De uitwerking van het Manifest in een beschrijvend verhaal

De drievoudige 50-50 regel berust op punt 2,3 en 11. Daar staat echter alleen een beginsel, geen concrete aanpak.
Staatssecretaris Mansveld had een onafhankelijk onderzoek toegezegd naar hinderbeperkende maatregelen, maar er niet bij gezegd wie dat doen moest en wie dat moest betalen. Er kwam dus niets van terecht (en dat is dd april 2018 nog steeds zo). In arren moede ging BVM2 dan zelf maar studeren op hinderbeperkende maatregelen. Bij BVM2 zitten zeer goede tot bijna professionele amateurs, dus na enige tijd lag er een verhaal “Voorstellen van BVM2 voor hinderbeperkende maatregelen bij vliegveld Eindhoven”.

In een brief aan het Ministerie dd 23 jan 2018 vroeg BVM2 om betrokken te worden bij de vormgeving van het proces (zie www.bjmgerard.nl/?p=6202 ). Bij deze brief was het beschrijvende verhaal een bijlage.
De tekst kan zelfstandig gevonden worden BVM2-voorstellen hinderbeperkende maatregelen

Het verhaal gaat met concrete voorbeelden over stillere vliegtuigen, betere navigatie, minder en betere kerosine en hybride elektrisch vliegen. Op dat moment was er nog geen kwantitatieve onderbouwing.

Dit verhaal kan het beste gezien worden als een werkdocument. BVM2 studeert er vlijtig op los en het kan zo maar gebeuren dat we in de toekomst de tekst naar de nieuwste inzichten aanpassen.

De uitwerking is van punt 2,3 en 11, maar de overige punten blijven onverminderd in het eisenpakket staan.

De uitwerking van het Manifest in een kwantitatief verhaal
De volgende stap was om de beschrijvende lijst met maatregelen zodanig in harde getallen te vatten, dat ze als een volstrekt heldere en ondubbelzinnige eis aan de politieke omgeving gesteld konden worden.

Besloten is om niet in het glibberige traject mee te gaan om achteraf vast te stellen wat ook al weer de milieuwinst geweest is, maar om die milieuwinst al bij voorbaat te claimen. In 2030 moeten enkele essentiele milieukenmerken gekwantificeerd beter zijn dan in 2020, en wel op alle drie de gebieden.

Ook dit moet weer gezien worden als een werkdocument. Er komt voortdurend nieuwe kennis beschikbaar en die willen we als BVM2 zeker meenemen. Er staat dan ook niet voor niets een datum op het document!

Het ziet er als volgt uit:

Werkdocument     Kengetallenbenadering              dd 25 mrt 2018

  • In 2030 is op bijna alle punten rond de luchthaven de geluidsbelasting minstens 3 dB Lden minder dan die is in 2020 (of een andere technische bewering die op hetzelfde neerkomt)
    (Toelichting: dit scheelt, bij een gelijkblijvende verdeling over de dag, ongeveer één vliegtuigklasse en de eis is een verbetering van ongeveer 2 klassen)
  • Op het vliegveld en op de daarop vliegende civiele toestellen wordt de modernste navigatieapparatuur geïnstalleerd, zodat het mogelijk wordt heel precies en tot vlak bij het vliegveld volgens gekromde aan- en afvliegroutes te vliegen en bevolkingskernen zoveel mogelijk te ontzien.
    (Toelichting: dit kan met de modernste satellietcommunicatie).
    Waar de geluidshinder groot blijft, worden woningisolatie en/of een uitkoopregeling aangeboden.
  • De CO2, horend bij de in 2030 op Eindhoven Airport getankte hoeveelheid brandstof is <= 0,93 * de CO2, horend bij de in 2020 op Eindhoven Airport getankte brandstof.
    (Toelichting: de luchtvaartsector schermt zelf met een innovatiepercentage van 1,5% per jaar, dus 15% in 10 jaar en daarvan de helft.
    Voorbeeld: de vervanging van A320 door A320NEO, of een vergelijkbare vervanging bij andere merken, scheelt ongeveer 15% en daarvan de helft).
  • Het zwavel- en benzeengehalte in op EhvA getankte kerosine is in 2030 <= 0,50 * het gehalte in 2020
    (Toelichting: het is nu al mogelijk om 50% Gas To Liquid-brandstof (GTL) bij te mengen in gewone kerosine. Alternatieven zijn of worden biokerosine en Power to Liquid-technieken. De verhouding tussen GTL-brandstof en biokerosine of Power to Liquid-brandstoffen moet op een later moment nader bepaald worden.).
  • Het aantal vliegbewegingen kan slechts binnen deze randvoorwaarden groeien
  • De randvoorwaarden zijn èn èn èn
  • Er komt een stappenplan, met enkele ijkmomenten en een handhavingssysteem, om deze verandering in de tijd uit te smeren.
A320NEO (info = zelfrapportage!)

De eerste eis spreekt voor zichzelf: gemiddeld minder vliegtuigherrie.

De tweede eis maakt het mogelijk de geluidsellende zo precies mogelijk te verdelen (of eventueel juist te spreiden). Vliegtuigen kunnen preciezer een voorgeschreven route volgen.
Het kan gebeuren dat verspreide woonbebouwing daar extra last van heeft, en dus moet het mogelijk zijn woningen te isoleren of de eigenaar uit te kopen.

De derde eis dient vooral het klimaat, en in mindere mate de luchtkwaliteit. Het is tot nu toe het enige uitvoerbare krimpscenario van de gevolgen van de luchtvaart in Nederland.

De vierde eis richt zich in eerste instantie tegen toxische emissies (zie voor uitleg  www.bjmgerard.nl/?p=4534 ). Sommige soorten synthetische brandstof zijn ook goed voor het klimaat.

De laatste drie eisen spreken vanzelf.

 

BVM2 gaat zich nu richten op inwilliging  van deze

Provincie Noord-Brabant en Brainport bluffen over eigen duurzame prestaties, en moeten aan duurzaamheid denken bij de verdeling van het Brainportgeld

Inleiding
De provincie Noord-Brabant schept enorm op over de eigen duurzame prestaties. Mij kwam vandaag de Perspectiefnota onder ogen (zeg maar de Voorjaarsnota) en ook daar weer kende men zichzelf ten provinciehuize een onomstreden voorhoedepositie toe, geïllustreerd met een selectief grafiekje en een ander grafiekje dat een index met een index vergeleek. Heb je dus als bewijs geen moer aan.
Het belang, dat de lokale overheden in de Brainportregio rond Eindhoven en Helmond aan zichzelf toekent, bereikt nog kosmischer hoogtes, maar daarover is al eerder geschreven.
Het gezwets ergert me. Ik besloot om het eens te gaan controleren.

De databank van de Klimaatmonitor
Een eenvoudige schatting van hoe duurzaam de provinciale energieopwekking is, kan gemaakt worden met https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard . Je kijkt wat er bij alle provincies (+Flevoland) staat onder de TABs energiegebruik (inclusief hernieuwbare warmte en snelwegen) en hernieuwbare energie, je deelt het een door het ander en je weet hoeveel% duurzame energie elke provincie had in 2016. Alle provincies optellen geeft het duurzame % voor Nederland als geheel.

In 2016 zat Nederland als geheel op 5,7% duurzame energie en Brabant op 7,0%. Dus iets beter dan gemiddeld, maar geen koppositie. Vier provincies doen het beter (Groningen, Friesland, Drente en Flevoland).

Greep uit de benchmark van de Klimaatmonitor

De TAB benchmark Brabant en Nederland geeft inzicht in de oorzaken van het wat hogere Brabantse gemiddelde ( https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/Benchmark/ ).
Bij de hernieuwbare elektriciteit produceert Brabant per inwoner veel minder stroom uit wind en beduidend meer stroom uit biomassa (waaronder de bijstook in de Amer-kolencentrale). Per saldo is de Brabantse stroomproductie minder duurzaam dan Nederland gemiddeld.
Per saldo produceert Brabant per inwoner beduidend meer duurzame warmte uit biomassa dan Nederland gemiddeld (waaronder ook weer uit de Amercentrale), maar vooral uit houtkachels.

Men kan daar van alles van vinden.

De QUICK SCAN DUURZAAMHEID NEDERLANDSE GEMEENTEN
Natuur & milieu heeft in februari 2018 een Quick Scan uitgebracht, waarin 42 Nederlandse gemeenten op 12 indicatoren vergeleken zijn. Per indicator worden de steden ingedeeld in een groep met koplopers (goed voor 2 punten), met volgers (goed voor 1 punt) en met achterblijvers. Het gehaalde aantal punten wordt vergeleken met wat een stad had kunnen halen en zodoende rolt er een percentage uit.

De indeling per indicator, en de totaal-indeling, wordt getoond.
De twaalf indicatoren worden niet onderling naar zwaarte gewogen. Dat is niet te doen. Natuur& Milieu relativeert het eigen werkstuk in de zin dat het geen harde ranking is.
Maar ondertussen is de lijst best wel informatief.

Het document is te downloaden op www.natuurenmilieu.nl/wp-content/uploads/2018/02/180222-Rapport-Quickscan-gemeenten.pdf .

Eerst het quasi-ranking totaalplaatje van alle 42 steden.
De brede rechterkolom is het belangrijkste dat er nog niet gebeurd is.

Men kan moeilijk volhouden, dat de Brabantse steden als groep in de voorhoede zitten. De gemiddelde quasi-ranking van de Brabantse steden is (afgerond) 21 op 42. Utrecht (gemiddeld 5,5) en Noord-Holland (gemiddeld afgerond 15) doen het beter, Zuid-Holland en Limburg doen het slechter.
Als je op deze wijze rekent, zijn de Brabantse steden als geheel gemiddeld. Niks koppositie.

Binnen Brabant bederven Eindhoven en Helmond, met respectievelijk een zwaar ondergemiddelde  27ste en de 39ste plaats, de statistiek. Anders dan de eigen duim onder de oksel-attitude over de slimste regio wil doen geloven, hoort de Brainportregio op duurzaamheidsgebied bij de achterlijkste regio’s van Nederland.

De afzonderlijke indicatoren bieden vaak extra verhelderende inzichten.

Percentage woningen in de labelklasse A-B-C

Dit is het percentage woningen dat label A, B of C is (de beste drie labels). Helmond zit hier goed, want de stad heeft erg veel nieuwbouw. Eindhoven zit om dezelfde reden, maar dan andersom, in de achterhoede.
Om dit te plaatsen: de corporatiekoepel Aedes heeft in de Woonagenda gesteld dat in 2021 het gemiddelde bestand van woningbouwverenigingen label B met hebben. Zelfs in Helmond betekent dat dat minstens 38% van de woningen, in drie jaar tijd op label B gebracht moet worden (in Eindhoven dus 57%). Een interessante klus.

Een ander verhelderend inzicht: de steden in de Automotive-regio doen het matig (Eindhoven) tot slecht (Helmond) waar het gaat om het aantal laadpalen voor elektrische auto’s per 100.000  inwoners. Alle Brabantse steden doen het beter dan Helmond.

Nog zo’n inzicht: in de regio waar Solliance opgericht is, en waar de TU/e een grote speler is in het energieonderzoek, scoren Eindhoven en Helmond zwak in het aantal kWh zonnestroom per inwoner (zie ook Ranking List zonnestroom per inwoner Nederlandse gemeenten ). Alle Brabantse steden doen het beter tot veel beter.
Nu zijn grote steden op dit punt in het nadeel, maar Helmond is niet zo groot en heeft niet zo vreselijk veel hoogbouw, en Tilburg is ongeveer even groot als Eindhoven.

Het overzicht van de PM2.5 – uitstoot binnen de bebouwde kom behoeft geen commentaar.

Brainport: het is niet onze schuld!
Nu heb ik dit soort inzichten wel eens voor de voeten gegooid van de Stichting Brainport. Tot mijn verbazing gaven ze mij gelijk (zie Brainport Development NV: overheid de grootste uitvinder! ). Zij vinden dat de lokale en regionale overheid hier falen.

Die roepen tot nu toe hard, maar hol.

Brainportgeld inzetten voor verduurzaming
Brainport gaat, verspreid over vier jaar, 130 miljoen uit Den Haag krijgen als bijdrage aan een bedrag dat moet eindigen op €370 miljoen. De rest moet uit de regio komen (van onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, provincie?). Ik ben benieuwd hoe dat gaat.

Men leeft zich al uit op fantasieën waar dat geld naar toe moet. Bijvoorbeeld naar noodlijdende instellingen als het Eindhovense Muziekcentrum en het Helmondse Speelhuis (beide bittere noodzaak), naar een fotonicacentrum (klinkt als een goed plan), naar het nieuwe lab Eindhoven Engine (misschien een goed plan), naar het Evoluon (?), naar een nieuw congrescentrum (??). Kortom, er worden al heel veel huiden verkocht voor de geschoten beren binnen zijn.

In al dat geweld ben ik nog geen investeringsprogramma tegen gekomen dat zich richt op het verduurzamen van de Brainportregio.
Ik zie nergens de woningbouwverenigingen in beeld die geld krijgen voor een systematisch label-beleid. Of gemeentebesturen die geld reserveren voor een grootschalig zonneparkenbeleid (op schaal van alle geschikte daken en vele vierkante kilometers park).
Of overheden, die nadenken over hun rol als actieve partner in de Brainportconstructie en zich afvragen hoe dat beter kan. Hoe kunnen wij een betere launching customer worden? Welke garanties moeten wij wel en niet afgeven? Welke politieke tegenprestaties eisen wij tegenover al dat overheidsgeld dat in de industrie gaat? Eisen wij hun afvalwarmte op? Eisen wij een meer cyclisch materiaalgebruik? Eisen wij bijvoorbeeld dat potentieel interessante massa-experimenten op het gebied van verschuiving van het tijdstip van energievraag ook in Eindhoven en Helmond en omgeving uitgevoerd gaan worden? Eisen wij stageplaatsen voor MBO-ers?

Je kunt een heleboel vragen stellen. Ik hoop dat de partijen, die nu aan het onderhandelen zijn over een nieuw coalitieakkoord, ook dit soort vragen in circulatie brengen.

Tot slot een verzameltabel van alle steden en alle criteria van Natuur en Milieu.


MER windturbineproject A16 beschikbaar

De bestuurlijke opdracht
In 2013 is afgesproken dat de gezamenlijke Nederlandse provincies plek gaan bieden aan in totaal 6000MW wind op het land. In de daarop volgende onderhandelingen heeft Brabant 470MW toegewezen gekregen. Daarvan moet minstens 100MW gerealiseerd worden in één groot project, dat door het Rijk, indien nodig, dwingend kan worden opgelegd.
De provincie heeft in de Structuurvisie 2010 (plus 2014), en daarna in de Verordening Ruimte, bepalingen opgenomen waar deze windenergie wel en niet gerealiseerd kan worden.

In Brabant hebben de provincie en de West-Brabantse gemeenten afspraken gemaakt over 200MW, waarvan het 100MW-project een deel is. Het Brabantse 100MW-project strekt zich uit in een strook van ongeveer 1km aan elke kant breed, langs de A16, van de Belgische grens tot het Hollands diep.

De A16-invulling
Er is een proces opgezet dat met veel mogelijke invullingen begon, maar dat gaandeweg teruggetrechterd werd tot er 11 varianten overbleven. Dit alles gebeurde in overleg met de bevolking. Die was er niet altijd blij mee, maar het werd ook geen opstand. Gedeputeerde van Merrienboer (PvdA) en zijn ambtenaren en ingehuurde deskundigen hebben zich af en toe de blaren op de tong moeten praten.
Wat hielp is dat er een sociale participatieregelig ingesteld is. Een deel van de exploitatiewinst zal aan de omwonenden ten goede komen.
Dit verhaal gaat echter niet over deze voorgeschiedenis.

De realisatie van het project vereist een gemeentegrensoverschrijdend bestemmingsplan, een PIP (Provinciaal Inpassings Plan). Daar hoort een MER bij die alle mogelijke aspecten van de overgebleven 11 varianten in dat PIP doorrekent. En die MER (nog een concept) is nu uit (zie https://merwindenergiea16.brabant.nl/mer/samenvatting-van-het-mer ).
In het MER zijn alle 11 varianten doorgerekend op een aantal criteria: geluid, slagschaduwen, water, externe veiligheid archeologie, cultuurhistorie, landschap en de ecologie ter plekke (deze soms meer, soms minder, kwantitatief). Alle 11 varianten scoren, maar wisselend.
Vervolgens heeft men zitten peuteren om uit al die varianten een VoorKeursAlternatief (VKA) te definieren. Dat is, wat de provincie betreft, de kant die het op moet (hieronder de laatste kolom).

Overzichtstabel alle 11 varianten en het VKA

Het VoorKeursAlternatief – energie
In het VKA worden er 26 hoge turbines geplaatst en twee middelhoge. Bij de hoge moet je denken aan een tiphoogte van ongeveer 210m en 4,2MW nominaal vermogen, bij de middelhoge aan 180m tiphoogte en 2,5MW (deze cijfers moet men zien als representatieve voorbeelden).
Bij elkaar komt men zodoende aan 114MW, waarvan men 15% in mindering brengt aan diverse verliezen (o.a. onderhoud of de turbines uitzetten als de slagschaduwen te hinderlijk zijn – kan oplopen tot 5 uur en 40 minuten per jaar). De turbines hebben 3300 vollasturen per jaar.

Dat alles brengt de jaarlijkse opbrengst op 375GWh/jaar , oftewel 1,35PJ/y . Dat valt niet tegen – tot nu toe had ik voor mijzelf ruim 0,8PJ ingeboekt. Maar nu de turbines steeds hoger worden, draaien ze steeds meer uren per jaar en dat tikt flink aan.

Ligging turbines en geluidscontouren A16-project

Het VKA lijkt het meeste op variant 11. In die variant “de knooppuntenvariant” staan de turbines in de oksels van waar snelwegen op elkaar uitkomen, zoals bij  de knooppunten Zonzeel (ten Noorden van Breda), Klaverpolder (bij Moerdijk) of Galder (ten Zuiden van Breda), of op industrieterrein Hazerldonk.

Het VoorKeursAlternatief – geluid
Het geluid is altijd het meest omstreden probleem.
De milieuwetten eisen dat een turbine aan de gevel van kwetsbare gebouwen (o.a. woningen) jaar- en etmaalgemiddeld <47 dB Lden is, en jaar- en nacht gemiddeld <41 dB. De praktijk wijst uit dat aan de nachteis voldaan wordt als aan de dag-eis voldaan wordt, zodat de nacht-eis niet meer apart vermeld wordt (behalve in de bijlagen).
Zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2010-749.html .

Onder het VKA voldoen op de 3016 onderzochte huizen er 18 niet aan de 47 dB Lden – eis. Daar moet dus iets op gevonden worden, bijvoorbeeld isoleren of uitkopen “saneren” stelt de toelichting op h
Onderzoek wijst uit dat binnen de groep die 47dB Lden aan de gevel heeft, 9% ernstige hinder heeft. Dat is dus van bovengenoemde 18 woningen.

Het MER bevat ook een geluidscumulatie-analyse. Die wordt gegeven in GES-taal (Gezondheids Effect Screening). Men moet het getal 198 lezen als dat van de 3016 huizen samen de GES-score 198 toeneemt (dus gemiddeld 0,066 per huis).
In de tabel eronder staat wat men zich ongeveer bij een GES-score moet voorstellen.

Het VoorKeursAlternatief – slagschaduwen
Het frequentste probleem betreft de slagschaduwen die optreden. 1973 huizen zien af en toe een schaduw over de woning flitsen en bij 306 woningen binnen die verzameling is dat meer dan 17 dagen, 20 minuten per dag. Als die woningen op minder dan 12 rotordiameters (in praktijk ongeveer 1,7km) van de turbine afliggen, wordt de turbine automatisch even stilgezet.

Het VoorKeursAlternatief – ecologie
Ecologisch (ter plekke) is er niet echt veel aan de hand. Een windturbine langs de A16 kost, afhankelijk van waar hij staat, 10 tot 15 vogels per jaar het leven die tegen de rotor aanvliegen. Het windpark als geheel kost ongeveer 365 vogels per jaar het leven. Dat is op de stand als geheel niet heel veel. De huiskat, de auto en de glazen loopbrug hebben veel meer vogellevens op hun kerfstok.
De turbines in het VKA hebben all-in lichte effecten op vogels en  vleermuizen.

Vliegbewegingen van ganzen

Het MER rekent alleen met de ecologie ter plekke. Dat is eigenlijk raar, want het beëindigen van kolen- of gasstook elders moet de ecologie van het gebied in ruime zin juist verbeteren. Deze opwaardering van de algemene achtergrond wordt niet in het MER meegenomen.

Eindoordeel
Van mij mogen ze gauw gaan bouwen.

Opnieuw restwarmte van datacenters

In een eerder artikel op deze site heb ik aandacht besteed aan het energieverbruik, eerst van de bitcoin en daarna, meer algemeen, aan de restwarmte van datacenters. Zie www.bjmgerard.nl/?p=5709 .

Sindsdien komt er regelmatig  nieuw nieuws voorbij, waarbij ik mijn waardering wil uitspreken voor de nieuwsbrief van Duurzaam Bedrijfsleven (in dit geval van 14 maart 2018, zie www.duurzaambedrijfsleven.nl/ict/27679/perfecte-combinatie-datacentra-en-restwarmte ). Ik heb het eerdere artikel al een paar keer ge-updated, maar daar kun je niet mee bezig blijven. Vandaar een apart artikel, dat men lezen kan als een vervolg op het eerdere artikel.

Eerst wat klein bier. Duurzaam Bedrijfsleven noemt ( www.duurzaambedrijfsleven.nl/ict/6343/hoe-een-datacentrum-en-viskwekerij-kunnen-samenwerken ) een herontwikkelingsproject in Cleveland (VS), waar de afvalwarmte van een datacenter gebruikt wordt voor een viskwekerij, waarvan de stront weer gebruikt wordt voor een boomgaard en een kassencomplex, waarvan de biomassa weer gebruikt wordt voor stroom voor het datacenter. Het lijkt wel alsof er over nagedacht is…. Het originele project heet het Foundry Project en dat is te vinden op www.projectfoundry.com/ .

Berenschot
Duurzaam bedrijfsleven besteedt ook aandacht aan een recente studie van Berenschot. Die studie is redelijk leesbaar en uitermate de moeite waard. De studie is geschreven voor RVO en dus openbaar. Zie hier (de link is inmiddels vervallen): restwarmte-uit-datacenters_Berenschot_mrt2018

Ik pik er wat bladzijden uit als illustratie van het belang voor het verwarmen van woningen die van het gas af zijn.

Finland heeft het beste beleid m.b.t. restwarmtegebruik. Daar is het hergebruik van restwarmte wettelijk verplicht, want het dumpen van warmte in de atmosfeer verboden. Zodoende wordt de nabijheid van een warmteafnemer een verplichte vestigingsvoorwaarde.
Bovendien is het gas er veel duurder, waardoor de business case sneller sluit. Er zijn Finse datacenters die meer verdienen aan de warmtelevering dan aan de ICT-diensten.

Het voert te ver om de hele studie hier af te drukken.
Er staat bijvoorbeeld een goede uitleg in van de APG-server die aan het Limburgse Mijnwaterproject gekoppeld is, over het Previder datacenter in Hengelo en over het lauwwaternet op de High Tech Campus in Eindhoven (dat bij vol vermogen goed zou zijn voor ca 0,08PJ per jaar).

Commentaar mijnerzijds
Er staat een schat aan aanbevelingen in de Berenschot-studie. Een kleine greep eruit.

Een belangrijke moraal is dat dit voorbeeld bewijst dat collectieve warmtelevering  in stedelijk gebied aan belang moet winnen als alternatief voor aardgas.
Dit ondanks, soms begrijpelijke, ressentimenten m.b.t. de ongunstige financiele afwikkeling en (een enkele keer) de technische staat van stadsverwarmingssystemen. Daarvoor moet een politieke oplossing komen.
Men zou zich kunnen voorstellen dat het aanbieden van warmte bij 25°C aan een woonwijk, in combinatie met een individuele warmtepomp met een relatief laag vermogen, en bij een redelijk financieel plaatje, een politiek denkbare optie zou kunnen zijn.

Een andere belangrijke les is dat overheidsbeleid nodig is, dat over lange tijd consequent wordt volgehouden. Je praat over lange terugverdientijden.

Berenschot schat in dat het totaal opgestelde vermogen in Nederland 1256MW is. Die dingen staan non stop aan, dus ze produceren ongeveer 40PJ warmte per jaar. Daarvan ongeveer 2/3 deel rond Amsterdam, blijft over voor de rest van Nederland 13PJ en als Brabant daarvan ruim 1/7 deel is, is dat in Brabant zo’n 2PJ. Redelijk in lijn met wat ik in mijn eerdere artikel schatte.

Fotonica
De SP-fractie in Provinciale Staten heeft n.a.v. mijn eerdere artikel bij de begrotingsbehandeling gevraagd of er voor Brabant kansen liggen in de restwarmte van datacentra. Warmtebeheer is een taak die typisch bij een provinciale overheid past en de provinciale warmtepolitiek is een van de meer succesvol uitgevoerde taken.
Gedeputeerde Spierings (D66) beantwoordde de vraag nogal bagatelliserend. De efficiencyverbetering en de opkomst van de fotonica zouden het probleem snel de wereld uit helpen. Fotonica-servers zouden veel minder stroom verbruiken en dus minder warmte leveren.

De door Guelbenzu ontwikkelde schakelaar, één van de meest compacte ter wereld

Aan de TU/e wordt dat onderzocht. Op hun site www.tue.nl/universiteit/nieuws-en-pers/nieuws/21-03-2018-opschakelen-naar-efficiente-datacenters-met-fotonica/ staat dat men verwacht dat fotonica het energieverbruik (en dus de warmtelevering) ongeveer kan halveren (proefschrift van Guelbenzu dd maart 2018).

Ook na een halvering van het energieverbruik is er nog steeds veel restwarmte over.
Het aantal datacenters groeit sterk (en soms zijn die heel groot), en de groei van het energieverbruik van bestaande datacenters is 4% per jaar. De fotonicahalvering is waarschijnlijk in minder dan een decennium weggecompenseerd.

Het blijft mijns inziens een interessante input voor duurzame warmte en het minste, dat de provincie zou kunnen doen, is bevorderen dat de Brabantse datacenters in de Warmteatlas worden opgenomen. De gemeente Amsterdam heeft dat al gedaan.