Drinkable Dommel

Dommel vanaf het Sint-Janspontje bij Liempde

We hebben in onze Eindhovense Milieudefensiegroep besloten om (naast de bestaande onderwerpen) meer de aandacht te richten op de waterkwaliteit.
Stom toevallig vond kort daarna de Drinkable Dommel-wandeling plaats. We hebben er als Milieudefensiegroep flink reclame voor gemaakt.
Drinkable Dommel is een van de projecten van de landelijke actiegroep Drinkable Rivers.

Drinkable Rivers
Drinkable Rivers is een landelijke actiegroep, die het drinkbaar maken van ‘s werelds rivieren nastreeft. Ze organiseren  daartoe activiteiten zoals wandelingen langs rivieren, civil science – projecten en gemeenschapsactiviteiten. Wie meer wil weten, kan terecht op https://drinkablerivers.org/ .
Leider en oprichter van de actiegroep is Li An Phoa .

De jeugdafdeling van Drinkable Rivers, Youth for Drinkable Rivers, organiseerde van 18 t/m 23 april een wandeling langs de Dommel, vanaf het begin bij het Belgische Peer tot aan de Maas voorbij  Den Bosch. Hieronder de etappe-indeling. Digitaal is de Dommelwandeling
te vinden op https://drinkablerivers.org/what-we-do/river-walks/drinkbare-dommel/ .

De organisatie heeft een Manifest gemaakt ‘De Dommel drinkbaar over 30 jaar’ dat op genoemde projectwebsite getekend en gedownload kan worden. Aanbevolen.

Leider van de Dommelwandeling was Mathijs van Eeuwijk. Die had de tocht vanaf Peer al in de benen.

Meegelopen van Sint-Oedenrode naar Boxtel
Ik heb het oude en op wandelgebied ongetrainde lijf in gang gezet en ben meegelopen vanaf het zwembad in Sint-Oedenrode naar Kasteel  Stapelen in Boxtel en van daar af naar het Boxtelse station, dat er gelukkig dichtbij ligt. Practice what you preach.
Voorop wandelden twee dames die er duidelijk vaker de sokken ingezet hadden en de rest van de groep (bij het begin 13 mensen) zag er meestal ook wat wandel-professioneler uit dan gemiddeld. Gelukkig was men geneigd tot enige consideratie met de oudste deelnemer en af en toe pauze.
Al met al deden we ruim vijf uur (all-in) over ruim 18km –  niet heel erg schandalig.

Na afloop stijve poten en een blaar, maar dat was allemaal niet dramatisch.

Onderweg gesprekken over de praktijk van de hedendaagse vergunningverlening, en over de geschiedenis van de Belgische en Nederlandse non-ferro (zie https://www.bjmgerard.nl/de-belgische-non-ferro-raffinage-met-uitlopers-in-zo-brabant/ en van daar af verder terug).

De wandeling kreeg goede publiciteit. Het Eindhovens Dagblad stopte er ruim een halve pagina in ( https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/15012/articles/1808160/31/2 ), columnist boswachter Mari de Bijl (what’s in a name?) schreef erover ( https://krant.ed.nl/titles/eindhovensdagblad/7156/publications/14989/articles/1805332/22/4 ) en op zondag zou een journalist van het Brabants Dagblad meelopen van Boxtel naar Den Bosch.

Foto’s
De Dommel is vaak best mooi. De foto’s in dit artikel zijn van eigen hand, dus van het traject tussen Sint-Oedenrode en Boxtel .

Dommel net buiten Sint-Oedenrode

Dommel tussen Sint-Oedenrode en Olland

Dommel tussen Sint-Oedenrode en Olland

Kikkervisjes in een poel nabij de Dommel

FrieslandCampina in Veghel vervuilt het water meer dan gedacht

Vanwege een publicatie in Pointer (30 mei 2022, https://pointer.kro-ncrv.nl/zuivelfabriek-frieslandcampina-veghel-kent-lange-voorgeschiedenis-van-overtredingen ) over overschrijdingen van de sulfaatnorm door FrieslandCampina van de milieuvergunning was er in de gemeenteraad van Veghel onrust ontstaan. Dat leidde tot contact met de SP in Provinciale Staten, en dat leidde weer tot technische vragen (van mijn hand) door milieuwoordvoerder Irma Koopman aan de ambtenaren die over de (provinciale) WABO-vergunning van het bedrijf gaan. Hoe het zat?

Uit de beantwoording bleek dat inderdaad de sulfaatnorm overschreden werd (Pointer had gelijk), maar dat nog meer normen overschreden werden, zoals stikstof in diverse vormen, opgelost en niet opgelost fosfaat, en het Chemisch Zuurstof Verbruik (CZV). Er lopen diverse handhavingsacties en, gegeven de datum van de publicatie in Pointer, moet dat al minstens een jaar duren.  Pointer heeft het over ‘lange voorgeschiedenis’.
Technisch kan er in de fabriek meer tegen sulfaatoverschrijdingen gedaan worden dan nu gebeurt, maar de provincie kan dat niet afdwingen. Die kan alleen het resultaat van de techniek voorschrijven, niet de techniek zelf. Aldus de provinciale beantwoording.

Er is pas nog een hele nieuwe lactoferrinefabriek aan het Veghelse complex toegevoegd, op zichzelf een product dat goed is in voeding en voor de volkagezondheid. Het bedrijf groeit en groeit in zijn 97-jarig bestaan in Veghel, maar het lijkt erop dat het bedrijf op deze locatie uit zijn milieujasje puilt. Friesland Campina zou zijn complete milieuzorg in samenhang drastisch tegen het licht moeten houden, bijvoorbeeld met een sterk verbeterde revisievergunning als mogelijk resultaat.

Sulfaat is op zichzelf niet gevaarlijk, maar het kan in warme en zuurstofloze omgevingen omgezet worden in zwavelwaterstof en dat is wel gevaarlijk. Overtreding van het CZV helpt mee die zuurstofarme condities te doen ontstaan en uit de beantwoording blijkt dat het in het riool geloosde afvalwater 45°C mag zijn.

Maar de bevoegdheid van de provincie houdt op als het water het gemeenteriool instroomt (waar inderdaad zwavelwaterstof gevormd blijkt te worden), en de bevoegdheid van de gemeente houdt op als het water de RioolWaterZuiveringsInstallatie (RWZI) Dinther inloopt, want vanaf dan is het Waterschap Aa en Maas de baas.
Een dergelijke versnipperde bevoegdhedenverdeling is onbevredigend, want op alles wat in of na het riool gebeurt verwijst de provincie naar het daar geldende bevoegd gezag. En in elk geval bij het Waterschap is op de website niets te vinden over welke normen het Waterschap concreet t.a.v. Friesland Campina en de RWZI Dinther hanteert. Het staat vast dat de afvalwaterstroom vanuit Friesland Campina (in m3) een substantieel deel van de totale afvalwaterstroom van de RWZI Dinther uitmaakt.

In de RWZI stroomt de Beekgraaf binnen (een grotendeels kunstmatig aangelegde afwateringssloot). Die stroomt er ook weer uit en transporteert dan het min of meer gezuiverde afvalwater naar de even verderop gelegen Aa. ‘Min of meer gezuiverd’ want een RWZI doet zowat niets met sulfaat. Dat kan dus in of na de RWZI in sulfide omgezet worden, en dan in zwavelwaterstof.
Vragen hierover schoof de provincie door naar het Waterschap.

Waarschuwingen voor zwavelwaterstof in oppervlaktewater zijn schaars, maar bestaan wel. Bijvoorbeeld in de Sonse Heideloop, welke afwateringssloot de uitstroom van de afvalwaterzuivering van het destructiebedrijf Rendac naar de Dommel brengt. Hieronder een foto van een bord, waarmee het publiek gewaarschuwd wordt uit de buurt te blijven, rechtsonder een systeempje waarmee het vuile water van Rendac gescheiden wordt gehouden van het irrigatiewater voor de landbouw dat, ter vervanging van wat vroeger de Sonse Heideloop deed, nu uit het Wilhelminakanaal wordt ingelaten.
Het vuile water stroomt door Son en Breugel en eindigt noordelijker in De Dommel.

De vraag of er ook zo’n bordje moest komen te staan langs de uitstroom van de RWZI Dinther vond de griffie geen technische, maar een politieke vraag.
Lijkt me iets voor de gemeentepolitiek in Meierijstad, waaronder Veghel valt.

Zie ook https://noord-brabant.sp.nl/nieuws/2023/04/frieslandcampina-in-veghel-vervuilt-meer-dan-gedacht .

De technische vragen zijn te vinden op

De antwoorden zijn te vinden op

Refresco overtrad onttrekkingsvergunning, SP stelt vragen

Refresco Benelux BV te Maarheeze is een bedrijf dat aanleverde suikers en smaakstoffen aanlengt met prik en met ter plekke opgepompt grondwater, en het resultaat in flesjes en blikjes doet waarna het frisdrank heet.

Omwonenden zijn er bang voor dat de voorspelde grondwaterdaling tot verzakkingsschade aan hun woningen leidt.

Refresco wilde meer grondwater oppompen, net toen er bij de provincie een omslag plaatsvond om zuiniger met grondwater om te gaan. De juridische strijd eindigde uiteindelijk bij de Raad van State in het voordeel van Refresco, dat de oude onttrekkingsvergunning  mocht inruimen voor ruimere.

Nu bleek bij de Raad van Staten en ook bij een latere gelegenheid, uit een mededeling van Refresco zelf, dat het bedrijf die oudere vergunning fors overschreden heeft. De Omgevingsdienst ODZOB heeft daar niets mee gedaan.

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking 9in meter)

SP-woordvoerder in Provinciale Staten Irma Koopman heeft daar vragen over gesteld. Wisten GS hiervan, handhaaft de ODZOB wel onafhankelijk genoeg, nu en in verleden, heden en toekomst, en is Refresco illegaal vooruitgelopen op de nieuwe vergunning.
Ook zijn vragen gesteld over het vervolgtraject, te weten de milieuvergunning voor een nieuw te bouwen hal,  het Monitoringsplan voor de grondwaterspiegel en de natuurvergunning, die mogelijk nodig is omdat de grondwaterdaling nabij gelegen Natura2000-gebieden kan beïnvloeden.

De volledige tekst van de vragen is hieronder te vinden

Statenfractie SP brengt werkbezoek aan Kempisch Bedrijvenpark

Ik heb voor de Statenfractie van de SP op 23 september 2022 een werkbezoek  georganiseerd aan het Kempisch Bedrijvenpark (KBp) in Hapert (gemeente Bladel). Het gesprek ging over hoe de tijdens de aanleg de duurzaamheidsaspecten van het KBp vorm hadden gekregen,  hoe dat bestuurlijk georganiseerd is, en in hoeverre de aanpak overdraagbaar is op andere bedrijventerreinen.
De website van het KBp is https://www.kempischbedrijvenpark.com/ .

Werkbezoek SP-fractie in Provinciale Staten aan Kempisch Bedrijvenpark dd 23 sept 2022
Werkbezoek SP-fractie in Provinciale Staten aan Kempisch Bedrijvenpark dd 23 sept 2022

Het KBp is een bedrijventerrein in de zware milieucategorie t/m 4.2. Het bestemmingsplan is 170 hectare bruto, waarvan 69 hectare netto voor de industrie. Daarnaast zijn er wegen en is er nieuwe natuur en waterberging en (buiten het eigenlijke industriële gedeelte) 1,5 hectare  woningbouw.

Het plan verscheen ongeveer 15 jaar geleden op de tekentafel als gemeenschappelijke WGR-constructie van de gemeenten Bladel, Bergeijk, Reusel- de Mierden en Eersel (gelegen in de deelregio De Kempen van de RES-regio Zuidoost-Brabant). Nu onlangs het laatste industriële perceel verkocht is, gaat het beheer over naar de gemeente Bladel.
Het terrein is nadrukkelijk opgezet ten behoeve van de regionale maakindustrie, vaak bestaande bedrijven die (zoals Diffutherm) op de bestaande locatie niet meer te handhaven waren. Men heeft distributiedozen buiten het gebied weten te houden.

Bij de aankoop van een kavel verplicht een onderneming zich om toe te treden tot een beheerstichting. Het belang van een gezamenlijke aanpak van energie-, klimaat- en circulariteitszaken werd tijdens het werkbezoek met nadruk benoemd.

Netwerkcongestie in De Kempen

Het KBp ligt bijvoorbeeld in  een rampgebied van het elektriciteitsnetwerk. Het is een van de gebieden in Nederland waar geen nieuwe aansluitingen meer mogelijk zijn, hooguit kleinere tussentijdse aanpassingen. Pas in 2030 is een verzwaring van het trafostation in Hapert voorzien. Daardoor liggen er op veel bedrijfsdaken zonnepanelen die nu niet kunnen worden aangesloten. Bij andere panden staat de constructie het gewicht van zonnepanelen niet toe. Daar valt soms  wel wat aan te doen, maar die investering loont niet als je als bedrijf zelf weinig stroom nodig hebt, en je het niet naar buiten toe kunt afzetten.

Energiehubconcept Kempisch Bedrijvenpark
Energiehubconcept Kempisch Bedrijvenpark

Het KBp heeft ingenieursbureau Tebodin om een plan  gevraagd hoe men het elektriciteitsprobleem in eigen beheer kan oplossen of op zijn minst verbeteren. Er is veel dak, maar ook veel industriële- en transportvraag. Het zou een hub kunnen worden in het Energielandschap de Kempen, georganiseerd rond een nog vast te stellen juridische constructie waarin de bedrijven, de gemeente en de provincie. In een discussie hierover vroeg de SP-fractie of die rechtsvorm bijvoorbeeld ook een overheids-NV zou kunnen zijn. Een interessante gedachte om mee te nemen, vond men.

Een dergelijke aanpak zou tot op zekere hoogte standaardiseerbaar (en dus overdraagbaar) zijn. De aanpak van het energiesysteem is breder toepasbaar, maar de meer specifieke kenmerken zijn vaak te individueel om naar elders te transplanteren.

Een deel van de kaders voor een nieuw bedrijventerrein ligt wettelijk vast, bijvoorbeeld in het Bouwbesluit. Dat  verplicht tot Aardgasvrij bouwen (Gaswet sinds juli 2018), -Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) en Milieuprestatie Gebouw (MPG).
De Wet Milieubeheer definieert een Energiebesparingsplicht en CO2 reductiemaatregelen voor industrie.

watersysteem op Kempisch Bedrijvenpark

Andere onderwerpen kennen een grotere beleidsvrijheid. Er is bijvoorbeeld gekozen voor een gesloten grondbalans (voor elke  bult op het terrein ligt elders op het terrein een kuil) en voor waterbeheer (elke druppel water wordt opgevangen en blijft op het terrein) en ecologische inpassing die aansluit op recente opvattingen (bijvoorbeeld een brede ecozone aan de westkant, waar woonbebouwing ligt).

Men probeert ook de bereikbaarheid te verduurzamen in de geest van zoals dat bij de provincie bedoeld wordt. Er liggen plannen voor een snelfietsroute naar Eindhoven (duurt alleen lang) en het KBp  heeft op eigen kosten een bushalte aangelegd – maar helaas is inmiddels de bus wegbezuinigd.  

Al met al een goed en informatief werkbezoek.

Er blijft overigens het nodige te wensen over. De KBp-presentatie beschrijft een methode, maar geen eindambitie. Je vindt niet terug dat het bedrijventerrein in bijvoorbeeld 2040 klimaatneutraal wil zijn (de huisvestende gemeente Bladel wil dat in 2040 bereikt hebben). Mogelijk hebben de afzonderlijke bedrijven voor zichzelf een dergelijke ambitie, maar als je dat steekproefsgewijze opzoekt vind je die niet bij bijvoorbeeld VDL, Diffutherm, CoTrans transport, maar je vindt een goed verhaal bij het grafische bedrijf Moeskops
Wat je verder ook mist (maar dat lijkt me wel moeilijk) is een verhaal over scope 1-2-3 ambities.

De meeste afbeeldingen hierboven komen uit de getoonde presentatie. Die is hier te vinden.

Voor meer achtergrond, zie Gezamenlijk gespreksverslag Brainport Development – Milieudefensie op 21 jan 2022 en van daar af verder terug.

Actieplan Brabantse bomen

De provincie NBrabant heeft dd 07 juli 2022 een persbericht uitgebracht over het onlangs verschenen Actieplan Brabantse bomen. Dat is de uitwerking van de in 2020 verschenen Brabantse Bossenstrategie.
Gemakshalve druk ik het persbericht hieronder af.
Onderaan een link naar waar beide documenten te downloaden zijn.

Contact op bomen@brabant.nl

Nieuwe aanplant door Staatsbosbeheer in het Leenderbos

Uit de startblokken met Actieplan Brabantse Bomen
De Brabantse Bossenstrategie uit 2020 is vastgesteld en kent een stevige ambitie voor extra bos en de revitalisering van bestaande bossen. Met het Actieplan Brabantse Bomen wordt nu inzichtelijk gemaakt hoe de provincie, samen met partners, die doelen wil gaan bereiken. Het gaat daarbij om de realisatie van 13.000 hectare nieuw bos in 2030 en 60.000 hectare revitalisatie van bestaande bossen in 2050.

De acties op de korte termijn zijn concreet uitgewerkt met als doel in deze bestuursperiode 2500 hectare nieuw bos te realiseren. De lange termijnacties worden met gebiedspartners verkend en gerealiseerd. De hoge ambitie leidt tot een substantiële financieringsbehoefte. Daarbij kijkt de provincie nadrukkelijk naar innovatieve financieringsvormen en -kansen vanuit het rijk, Europa en andere partners in de regio. De lange termijnacties zijn soms gedurfd, wat nodig is om de ambitie te kunnen realiseren.

Aanpak samen met gebiedspartners
Bossen staan sterk in de belangstelling. Ze zijn belangrijk voor flora en fauna, schone lucht, recreatie en het algeheel welbevinden. Bovendien vervullen bossen een belangrijke functie door de vastlegging van CO2 en het opvangen en vasthouden van water. Vanwege klimaatverandering, verdroging en stikstof zijn de Brabantse bossen echter serieus aangetast en zijn herstelmaatregelen  op grote schaal nodig. “Het gezond maken van 60.000 hectare bestaand bos is dan ook een urgente en noodzakelijke opgave, vooral op de drogere zandgronden”, aldus Gedeputeerde Hagar Roijackers. “De aanleg van nieuw bos beschermt bovendien tegen de gevolgen van de klimaatverandering en verbetert de biodiversiteit. Deze opgave kunnen wij echter niet alleen. Ik roep alle organisaties, overheden en particulieren op om met ons aan de slag te gaan met het aanplanten van meer bos en bomen en het herstellen van aangetast bos.” De provincie coördineert en faciliteert, zodat partners direct aan de slag te gaan kunnen als er mogelijkheden zijn om bos aan te leggen of te revitaliseren.

Ambitie huidige bestuursperiode
In Brabant zijn we deze bestuursperiode reeds aan de slag gegaan. In 2020 en 2021 is inmiddels 568 hectare nieuw bos gerealiseerd. Voor de verdere realisatie is op dit moment € 49,5 miljoen beschikbaar. Naast de aanleg van nieuw bos wordt hiermee ook 9.500 hectare bos gerevitaliseerd.

Slimme combinaties
De druk op ruimte is hoog in Brabant. Daarom wordt er gekeken naar slimme combinaties met andere maatschappelijke opgaven op het gebied van wonen, werken, gezondheid, energie, klimaat en landbouw. Denk aan het de mogelijkheid voor klimaatadaptie, door CO2 opslag in bosbodems of aan agroforestry. Ook wordt er stevig ingezet op het meenemen van de Bossenstrategie in de Gebiedsgerichte aanpak rondom de Natura 2000 gebieden en in de werkregio’s voor klimaatadaptatie. Meekoppelen van bossen met woningbouw, industrieterreinen en andere win-win koppelingen staan eveneens in het Actieplan Brabantse Bomen beschreven. Het plan is geen star document maar beweegt mee met de kansen die zich voor bos voordoen.

Financiering lange termijn
Financiering van de ambities uit de Brabantse Bossenstrategie op de lange termijn vraagt nog de nodige inspanningen, maar is hoopgevend. Naast inzet van provinciale middelen gaat het om zoveel mogelijk meekoppelen in andere opgaven en het vinden van financieringsvormen bij andere publieke en private partijen.

In het Actieplan Brabantse Bomen wordt een veelheid aan kansen geschetst die nog de nodige uitwerking en bestuurlijke daadkracht vragen. De uitvoeringstrategie voor de lange termijn betreft een dynamisch document dat periodiek wordt bijgesteld aan de hand van de meest recente ontwikkelingen. De urgentie voor het nemen van klimaatmaatregelen en om de biodiversiteit te herstellen neemt toe. Ontwikkelingen op landelijk en Europees niveau om gezamenlijk doelen te bereiken helpen de Brabantse doelen.

Actieplan Brabantse Bomen
In deze aanpak zijn 40 acties opgenomen om 40 miljoen bomen aangeplant te krijgen en alle verzwakte bossen te herstellen. Met alle acties wordt direct begonnen en sommige effecten zijn binnen een paar jaar zichtbaar. De meeste acties zullen in de 2e helft van dit decennium uitgevoerd worden.

https://www.brabant.nl/-/media/1f584d64890445a0bb76ce8b517964b2.pdf

Brabantse bossenstrategie
Meer en beter bos, goed voor mens, dier en plant. Met de Brabantse bossenstrategie wordt ingegaan op maatschappelijke vragen rondom bos. En met de Brabantse bossenstrategie bieden we een handelingsperspectief.

https://www.brabant.nl/-/media/40fb69246ca245f3a85aa681171ccd38.pdf

Combiplan nieuwe natuur en zonneveld in Eindhoven en Nuenen

De familie Rovers bezit al ruim 350 jaar grond in het gebied rond de Kleine Dommel.
Een deel ligt aan de Eindhovense (west-)kant van de Kleine Dommel, aan weerszijden van de Loostraat. Een deel van dat deel grenst aan de Eindhovense woonwijk ’t Hofke (met een afstand ertussen), en aan de spoorlijn Eindhoven-Helmond.
Het tweede deel ligt aan de Nuenense (oost-)kant van het riviertje, tussen het riviertje en de straat Mulakkers.  Een beperkt deel daarvan grenst aan een kleine Nuenense wijk (waarbij ook weer afstand in te bouwen is).
In beide delen betreft het vooral landbouwgrond.
Net buiten het gebied ligt het hoogspanningsverdeelstation aan de Daalakkersweg. Door het Eindhovense gebied lopen hoogspanningsleidingen waaronder in praktijk geen PV-panelen aangelegd kunnen worden.

Een en ander is na te lezen op de projectwebsite https://groenparkdekleinedommel.nl/ .

Uitzicht vanaf de Nuenense Mulakkersweg. Achter de bomen de Kleine Dommel (foto www.bjmgerard.nl )


De familie wil enerzijds rendement van de grond, maar anderzijds niet het onderste uit de kan en heeft daarom aanbiedingen van projectontwikkelaars afgewezen, die er alleen maar zoveel mogelijk panelen wilden dumpen. In plaats daarvan is gekozen voor een opzet met 18 hectare nieuwe natuur en 18 hectare zonnepark. Men kon op met dit uitgangspunt op pachtbasis tot overeenstemming komen met Vattenfall. De Nuenense energiecoöperatie Morgen Groene Energie (MGE) is gevraagd voor het participatiedeel.

De Kleine Dommel bij de Collseweg (foto www.bjmgerard.nl )


Tegen het plan ontstond meteen aan beide kanten een handtekeningenactie en dat in een gemeente die nog geen beleid heeft (Nuenen) of geen enthousiast beleid (Eindhoven).

Het leek mij zonde dat een dergelijk plan geen reële kans zou krijgen.
Maar op dat moment was het plan alleen nog via de pers bekend, en het verdient geen aanbeveling om alleen op basis van artikelen uit de tweede hand een oordeel  klaar te hebben.

Vandaar dat ik een kennismakingsgesprek aangevraagd heeft om mij nader te laten informeren.
Het gesprek met Vattenfall heeft inmiddels plaatsgevonden tussen twee mensen van Vattenfall enerzijds, Linda van Driel van Trefpunt Groen Eindhoven (TGE) en mij anderzijds.
Op het moment dat dit artikel geschreven wordt heeft het gesprek met Morgen Groene Energie nog niet plaatsgevonden (afspraak staat op de rol).
Evenmin ligt er ten tijde van dit artikel al een eindoordeel.
Ook Vattenfall zelf is nog met de omgeving in gesprek. Er is een klankbordgroep gevormd (met best veel aanmeldingen en in den beginne Coronaproblemen en nu twee keer geraadpleegd), er is een eerste opzet van het visiedocument, maar het loopt allemaal nog. Dat geldt ook voor het participatietraject.
Wat in elk geval vaststaat is dat de aansluiting op het middenspanningsnet in het nabijgelegen verdeelstation geregeld is.

Dus nog geen ronkende steunverklaringen, maar vooralsnog ter informatie twee schetsen uit de eerste versie van het plan (zie de website).


Ligging van de zonnevelden

Update dd 02 december 2022

De stand van zaken dd december 2022 is dat voor de gemeente Eindhoven het plan bespreekbaar lijkt (zonder dat er al vastigheid is), en dat de gemeente Nuenen in zijn coalitieprogramma de oprichting van grondgebonden zonneparken in deze coalitieperiode afwijst.
Het Nuenense coalitieprogramma bevat echter ook wat kapstokhaakjes, waardoor het mogelijk lijkt dit specifieke plan als uitzondering op de politieke agenda te zetten. Het betreft bijvoorbeeld omgang met een gestopte landbouwfunctie, en ene verwijzing naar nieuw provinciale en landelijk beleid dat van kracht geworden is na het opstellen van het huidige coalitieakkoord (zoals het provinciale Beleidskader Natuur 2030 en de recente Water en Bodem sturend-brief van de regering.

Ik heb daarom een brief gestuurd aan B&W en de gemeenteraadsleden van Nuenen met een argumentatie waarom het Kleine Dommelplan een serieuze kans verdient in de Nuenense gemeentepolitiek.
Deze brief is te vinden op

Gebiedsblik aan de Eindhovense kant, met in de verte het verdeelstation aan de Daalakkersweg, waarop al een middenspanningsaansluiting voor het plan gereserveerd is (foto www.bjmgerard.nl )

Raad van State besluit ten gunste van extra water oppompen door Refresco

Vooraf
Refresco Benelux BV in Maarheeze pompt grondwater op, stopt dat in flesjes, voegt daar suiker, smaakstoffen en prik aan toe, en dan heb je Fanta en aanverwant. Het is een proces waar de wereld in het algemeen en de omgeving in het bijzonder weinig aan heeft, of zelfs nadelen.
Refresco wil al heel lang meer grondwater oppompen dan  de in 1997 vergunde 500.000m3 (383000  ondiep, 117.000 diep). De uitbreiding moest liefst van  grote diepte, maar dat botste op dat de diepe aquifer al overbelast was.
In plaats daarvan hadden de provincie en Refresco in overleg bijeen gesmoest dat Refresco eventueel wel 250.000m3 ondiep grondwater extra op zou mogen pompen. De formele aanvraag daartoe werd ingediend op 09 augustus 2018. Ondertussen was het provinciale beleid gewijzigd, wat op 07 sept 2018 van kracht werd. Op 1 april 2019 verleende de provincie de gevraagde beschikking voor 750.000 m3 . Deze timing is van essentiëel belang.

De BMF, de Dorpsraad Maarheeze tekenden beroep aan en kregen gelijk van de rechtbank Oost-Brabant. Waarop Refresco naar de Raad van State stapte. Het is een heel verhaal en wie het nog eens wil nalezen, zie https://www.bjmgerard.nl/rechtbank-verbiedt-extra-water-oppompen-bij-refresco-maarheeze/ en dan eventueel verder terugzoeken.

De Raad van State
De Raad van State zag het anders. Die zag dat de aanvraag van Refresco (die in gesmoes met de provincie tot stand gekomen was) ten tijde van de verlening niet, maar ten tijde van de aanvraag wel vergunbaar was. Tussen beide data in was op 07 sept 2018 het beleid gewijzigd en de Raad van State vond dat daar een overgangsbepaling bij gehoord   had.
Ook noteerde de Raad van State dat de jaarlijkse aanvulling van grondwater (en dus de natuurkundige limiet van wat kan) 250 was, de vergunde hoeveelheid 300 welke echter niet opgebruikt werd, dat vóór 07 sept 2018 het beleid <300 was en na die datum <250, en dat de werkelijke onttrekking volgens de provincie 220 was (maar dat is exclusief de beregening door de landbouw, rond de 40 a 50, waar het Waterschap over gaat) (alle cijfers * miljoen kuub).
Overigens zei Refresco bij de Raad van State regelmatig de productielimieten te overschrijden. Dat leidde niet tot een reactie.
‘In dit specifieke geval’ (de uitspraak heeft dus geen verderreikende strekking) vond de Raad van State dat het belang van Refresco moest overwegen.
Het vonnis van de Raad van State is te vinden

De provincie
Het is een beetje vreemd.
De provincie is niet naar de Raad van State gestapt. De uitspraak van de rechtbank paste immers bij het nieuwe beleid.
In de aanloop naar de uitspraak heeft de Raad van State de provincie twee keer expliciet om ‘een nieuw besluit’ gevraagd. Dat heeft de provincie geweigerd te nemen. In plaats daarvan heeft de provincie de uitspraak van de Raad afgewacht. Ik weet te weinig van  juridische zaken om te zien wat dit betekent. Mogelijk had de Raad van State verwacht dat de provincie de afgegeven vergunning aan Refresco zou intrekken na het vonnis van de Rechtbank.
Ik heb zelf het donkerbruine vermoeden dat de provincie dit bewust nagelaten had om zichzelf niet kwetsbaar te maken voor een schadeclaim van de kant van Referesco. Immers, het intrekken van de vergunning kon een onvriendelijke daad blijken te zijn als Refresco won.

De juridische subtiliteiten zijn aan mij (helaas) niet  besteed. Er zit ergens iets vreemds.
Blijkbaar was de Raad van State ook niet blij, want de provincie werd veroordeeld tot de proceskosten van Refresco.

Ik snap het niet helemaal, maar er is in elk geval niets meer aan te doen. Het is balen.

Grondwaterdaling door Refresco t.o.v. geen onttrekking 9in meter)

De vragen van de SP
De SP in de provincie heeft een paar keer vragen gesteld, maar werd daarbij gehinderd doordat de zaak een tijd lang onder de rechter was. Geen overheidsorgaan dat dan antwoord geeft.

Nu de zaak onder de rechter weg is, heeft SP-milieuwoordvoerder Irma Kooman opnieuw vragen gesteld. Deze zijn te vinden op

Drie moties ingediend voor ALV van Milieudefensie

Milieudefensie had op 11 juni 2022 zijn halfjaarlijkse Algemene Leden Vergadering (ALV). Ik had daarvoor drie moties ingediend, A, B en C. Alle drie hebben te maken met de concretisering van de klimaatstrijd door een goede koppeling van hernieuwbare energie in de Milieudefensiestrategie op te nemen. Tot nu toe is die opvallend afwezig.

Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard) (Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Hier de belangrijkste argumenten voor en tegen en de uitslag van de stemming. Voor dit laatste is het van belang te weten dat 1001 leden van Milieudefensie voorafgaand aan de ALV digitaal gestemd hadden, en 17 tijdens de ALV op papier. Het overgrote deel vna de leden moest het doen met wat er zijdens mij en zijdens het bestuur op papier stond.

Motie A wil dat Milieudefensie steun aan de Regionale Energie Strategieën uitspreekt (en dus ook de kwantitatieve verplichtingen steunt) en naar situatiegebonden invulling streeft.

In reactie hierop stelde het bestuur van Milieudefensie dat men het dictum zag als ondersteuning van het eigen beleid, en dat dictum bolletje 3 al uitgevoerd was via de zeer recentelijk ontwikkelde website www.samenvooronzeleefomgeving.nl en via een, eveneens zeer recentelijk ontwikkelde, eigen toolbox over de omgevingswet (waarbij men dus aangenomen heeft dat die er inderdaad komt).
Dit nu bleek onvoldoende als je op genoemde plaatsen ging kijken.
De MilDef-toolbox is op zich een goed verhaal hoe je moet werken met de Omgevingswet, maar het is precies wat het woord zegt: een verzameling technieken en niet meer dan dat. Het geeft geen richting aan inhoudelijk denken. Straks weet een Mildef-afdeling precies hoe ze een windpark moeten tegenhouden, maar niet waarom ze dat wel of niet zouden moeten willen, of eventueel onder welke voorwaarden. De toolbox bevat geen inhoudelijkheden over wind- en zonneparken.
De website www.samenvooronzeleefomgeving.nl zegt wel wat over wind- en zonneparken, maar dat blijft weinig, vaag en met tegenzin. Voor de website werkt Milieudefensie slechts samen met de natuurorganisaties en die vinden hernieuwbare energie meestal vooral een noodzakelijk kwaad.
Daarmee beschermen ze mogelijk op korte termijn de natuur of de menselijke beleving daarvan, maar op de langere termijn doet de klimaatschade meer kwaad als het korte termijn-beleid goed doet.
Mijn stelling is dat het bestuur van Milieudefensie met samenwerking met alleen maar natuurorganisaties zijn bondgenoten uiterst selectief kiest, en de complete wereld van bijvoorbeeld de energiecoöperaties compleet buiten beschouwing laat. Zodoende krijg je uiterst eenzijdige beoordelingscriteria.
De leden van Milieudefensie steunden mijn motie met 94,7% van de stemmen.


Motie B wil dat Milieudefensie op landelijk niveau het gesprek aangaat met de koepel van energiecoöperaties om te kijken of deze partijen in positieve zin iets voor elkaar kunnen betekenen.

In reactie hierop stelde het bestuur dat het mijn opvatting deelde – ook al blijkt dat in praktijk tot nu toe uit niets. Als je voor de gein op de website van Milieudefensie de zoekterm “energiecoöperatie” invult, krijg je twee treffers van jaren oud en eentje die niks zegt – op de complete site.
Hte bestuur stelt dat het de taak van de overheid is om het klimaatbeleid uit te voeren. Maar het probleem daarmee is dat als die overheid dat gaat doen (zoals in de RES-sen), ze op het terrein van de afdelingen van Milieudefensie komt – die er, zo blijkt, massaal of geen raad mee weten of helemaal niets mee doen.
En, merkte het bestuur op. in de motie stond niet wat Milieudefensie moest gaan doen als het gesprek plaatsgevonden heeft – wat ik logisch vind, want je schrijft aan een open gesprek geen uitkomst voor.
Hoe dan ook, het bestuur nam de motie over.
De leden van Milieudefensie steunden mijn motie met 97,0% van de stemmen.

Motie C wil dat Milieudefensie het probleem onder ogen ziet dat verschillende ambites, die ook binnen Milieudefensie van waarde worden geacht, zowel elkaar versterkende als elkaar bevechtende ruimtelijke claims met zich meebrengen, en wil dat Milieudefensie een ruimtelijke visie ontwikkelt die afdelingen en OK-groepen in hun lokale en regionale werk kunnen hanteren.

Het bestuur stelde zich blijkbaar de vreselijkste tijdsinvestering voor als het een dergelijke ruimtelijke visie moest maken. Hoeft niet, ik wil het zelf nog wel doen. Ik heb benadrukt dat de visie voor intern gebruik bedoeld is en niet dient om bijvoorbeeld met het PBL te concurreren.
Nederland stikt van de spanningsvelden: natuur, grondwater, oppervlaktewater, woningbouw, waterberging, energieproductie. Mijns inziens zijn de sleuteltermen multifunctioneel grondgebruik en verstandige compromissen (zie https://www.bjmgerard.nl/bomen-planten-of-zonneparken-aanleggen/ ).
Zie bijvoorbeeld ook https://groenkennisnet.nl/nieuwsitem/zonneparken-ten-koste-van-biodiversiteit-1
Maar je kunt in die spanningsvelden alleen met overbruggende gedachten opereren als je er wat van weet. Bij een zonnepark bijvoorbeeld aan welke knoppen je draaien kunt: netto-bruto, hoge of lage opstellingen, Oost-west of zuidgericht of vertikaal, etc. Dat wisselt van situatie tot situatie (zie bijvoorbeeld https://www.bjmgerard.nl/solarecoplus/ ). Vandaar wat ik een ‘ruimtelijke visie’ genoemd heb, maar wat mogelijk een verkeerd begrepen term is.
Lijkt me typisch iets voor een gesprek met de energiecoöperaties en met bijvoorbeeld Wageningen.
Het bestuur ontraadde de motie met vette letters.
De leden van Milieudefensie steunden mijn motie met 49,3% van de stemmen.
Deze is dus net afgewezen. Veel maakt het niet uit, want vroeg of laat moet het bestuur er toch aan geloven. Milieudefensie is meer dan alleen maar een top down-campagneorganisatie en zal vroeg of laat ook op lokaal niveau wat moeten willen.

Afbeelding uit het SolarEcoPlus-onderzoek

Bomen planten of zonneparken aanleggen?

De aanleiding
Stel, je hebt een hectare over en daar mag je iets mee doen wat zinvol is voor natuur en klimaat, en de keuze beperkt zich tot bomen planten of een zonnepark aanleggen? Wat moet je dan doen?
Dat soort discussies loop ik binnen mijn Milieudefensie-afdeling, maar ook onlangs nog in de provinciale SP, tegen het lijf.

De ene aanleiding was het krantenbericht dat het erg tegenviel met nieuwe bomen planten in Brabant. De wil was er wel, maar de grond niet (althans, te weinig en versnipperd)

De andere aanleiding was een rechthoekige strook landbouwgrond in Sonniuswijk (tussen Son en Best) van grofweg 400*2000m, 80 hectare, die aansluit op het ten zuiden ervan liggende natuurgebied Oud Meer. Er loopt een gemeentelijke discussie wat je daarmee moet en daar kwamen we in onze Milieudefensiegroep op. In elk geval mogen er geen windturbines en geen nieuwe woningen vanwege het vliegveld.
Er zijn diverse goede bedoelingen: klimaat, energie, biodiversiteit, natuur en landschap, extensieve landbouw. Kortom, een afweging zoals die er steeds vaker zullen komen.

(uit een gastblog van prof. Guido van der Werf, zie https://klimaatveranda.nl/2020/06/12/co2-balans-bij-gebruik-van-biomassa-als-energiebron/ )

Als je alleen naar het klimaat kijkt – de koolstofvergelijking
Ik mag graag kwantificeren en met koolstofbalansen lukt dat als je niet op een tonnetje kijkt. Dat maar eerst.

Als menselijke en natuurlijke oorzaken een bos maar lang genoeg met rust laten (bovenstaande groene lijn) stabiliseert de biomassa (en daarmee koolstofopslag per hectare) op een plateau. Er groeit dan evenveel koolstof bij als er wegrot.
Oogsten (maar bijvoorbeeld ook bosbranden) doen de lijn scherp omlaag duiken.
De groene lijn stabiliseert bij niet-beheerde bossen in Nederland op grofweg 150 ton koolstof (C , op elementbasis) per hectare. Afhankelijk van de omstandigheden en boomsoort kan dat meer of minder zijn, maar het is een redelijke indicatie. Zie https://edepot.wur.nl/114235 .
Dit betreft de bovengrondse koolstof. Als je het hout op en onder de grond meeteelt komt er grofweg een kwart bij (zit je op 190 ton C/ha, en als je de niet-houtgebonden humus meetelt kom je op 600 ton C/ha. Ik gebruik hier FAO-cijfers (in relatieve zin) voor beheerde en gemiddeld jongere bossen in Estland. Zie ook https://www.bjmgerard.nl/slecht-investico-onderzoek-over-estlandse-bomen/ .
Zie dit getal als een orde van grootte-berekening.

(FRA 2020 Estonia FAO)

Een bos is dus in deze kwantitatieve zin een over lange tijd opgebouwde eenmalige koolstofopslag – als tenminste alles goed gaat met dat bos.

Stel nou  dat je op die hectare geen bos zet, maar zonnepark.
Ik zet het zonnepark half vol met moderne panelen van 23% rendement, die bjj 875kWh/kWp en 10% systeemverlies 180kWh per m2 per jaar opleveren. Bij een halve hectare netto levert dat 900.000kWh/ha*y op = 3,2TJ /ha*y.

Gronings aardgas bevat 32 MJ/m3 . Voor de vergelijkbaarheid maak ik daar voor de helft stroom van, en de andere helft, de afvalwarmte, gooi ik weg (een ongunstige aanname).
Om aan 3,2TJ/ha*y te komen,  in de vorm van elektriciteit, heb ik dus nodig 200.000 kuub aardgas, zijnde grofweg 170.000 kg aardgas.
Aardgas bevat ongeveer 85% methaan of daarop lijkende gassen, en methaan bestaat voor driekwart uit koolstof, dus bewerkt mijn halfvolle hectare zonnepark dat ongeveer 110.000 kg  C op elementbasis niet in de lucht komt door vermeden aardgasgebruik.

Met andere woorden, elke vijf jaar concurreert mijn halfvolle zonnepark de hectare eeuwoud bos eruit (zelfs de humus en het dode en ondergrondse hout meegeteld).
Nu is deze uitkomst vatbaar voor aannames en je kunt die makkelijk zo kiezen dat de uitkomst het dubbele of de helft wordt, maar dat doet niets af aan de conclusie dat, redenerend vanuit het klimaat, een zonnepark een zeer veel betere investering is dan een bos.

Lang geleden heeft Karel Knip dit ook al eens uitgelegd in de NRC volgens de simpeler logica dat het rendement van de fotosyntese 2% is en van een PV-paneel (toen) 20%.

(Omvorming van het Leenderbos, ten zuiden van Eindhoven, tot natte heide)

Maar niet elk probleem is een klimaatprobleem
Toch wil er niet voor pleiten dat elke denkbare hectare vol  gezet moet worden met zonneparken.

Het klimaat is een zeer belangrijk probleem, maar er zijn meer belangrijke problemen zoals de eerder genoemde biodiversiteit en natuur- en landschapswaarden, en de grondwaterstand.
Die een wisselwerking hebben met het klimaat. Niet wat aan het klimaat doen vernielt biodiversiteit en natuur met bosbranden, ziektes en verdroging. Alles aan het klimaat doen maakt de natuur arm. Het is een typisch situatiegebonden optimalisatieprobleem.

Evenmin wil ik beweren dat als men een hectare spendeert aan de natuur, die natuur perse uit bomen moet bestaan. Veel bossen zijn bijvoorbeeld geen Natura2000 of zelfs ecologisch arm, en veel Natura2000-biotopen zijn geen bos. Staatsbosbeheer verandert bijvoorbeeld in het Leenderbos een deel in natte heide (die natte heide is ecologisch waardevoller dan de dennenplantage die het Leenderbos van huis uit is). Zie https://www.bjmgerard.nl/op-werkbezoek-bij-staatsbosbeheer/.
Staatsbosbeheer plant ook nieuw loofhout tussen de dennen.

Maar dan verzeilt men in een discussie over doel en middelen van het natuurbeheer. Dat is een interessante discussie, maar een waarin ik niet goed genoeg thuis ben voor een stellige mening.

Halfvolle zonneparken geven overigens ook natuurkansen, meer dan de groene graswoestijn of de maisbodem die er eerst lag.

En Sonniuswijk?
Er is een beproefde oplossing voor dit soort spanningsvelden met elkaar bestrijdende goede bedoelingen, namelijk het compromis.

Mijn advies was aan mijn Milieudefensiemaat: zeg tegen de gemeente Son en Breugel (hij zit in dat soort overleggen) dat ze een goed landschapsarchitectenbureau in de arm nemen en zeg dat ze de 80 hectare volplannen met bijvoorbeeld 40hectare zonnepaneel aan de kant van de A50, 35hectare nieuwe natuur aansluitend aan het  bestaande natuurgebied (bos of hei of ven), en 5 hectare diversen.  
De getallen zijn met de natte vinger, en moeten naar de geest worden opgevat.

Het PlanMER RES MRE beschouwd

Ter inleiding
Ik heb onlangs in deze blog een artikel gewijd aan de beoordeling door de Brabantse Milieu Federatie (BMF) van de RES 1.0 – stukken, zoals die door de vier Brabantse RES-regio’s op tafel gelegd zijn. Zie BMF beoordeelt ingediende RES-plannen .

Bij de beoordeling van de concept-RES 1.0 van het gebied van de Metropool Regio Eindhoven (MRE) maakte de BMF het voorbehoud dat deze concept-RES nog niet goed beoordeelbaar is, omdat die afhankelijk was van een nog lopende PlanMER-grocudure. Dat klopt: de beoordeling door de BMF van de Concept-RES was gedateerd 14 april en de ter visielegging van het PlanMER loopt van 03 mei 2021 t/m 14 juni 2021.
Het PlanMER is opgesteld door Bosch & van Rijn en heet formeel “PlanMER grootschalige zon en wind Regionale Energiestrategie (RES) Metropoolregio Eindhoven”. Hij gaat dus slechts over een deelaspect van de Concept-RES 1.0 (dus bijvoorbeeld niet over warmte).
De concept-RES 1.0 met bijlagen is te vinden op  https://energieregiomre.nl/waar+staan+we+nu/default.aspx ), en de bijbehorende PlanMER op www.planmerresmre.nl/pdf.html#pagemode=bookmarks (digitaal – bovenin ene TAB naar de .pdf-versie).

Het PlanMER is zuiver beschrijvend. Het geeft alleen de feiten en laat de keuzes aan de politiek.

Om een RES 1.0 – document vast te stellen is een PLanMER niet verplicht. Vijf van de 30 energieregio’s in den lande hebben, als pilot, ervoor gekozen om zo’n PlanMER op te doen stellen, waarvan het MRE-gebied er dus één is. Zie http://www.regionale-energiestrategie.nl/bibliotheek/ruimtegebruik/res+en+milieueffectrapportage+mer/1797126.aspx  . Het is me niet helemaal duidelijk in hoeverre dit bij de MRE een positieve of een  negatieve reden heeft (in dat laatste geval zou het equivalent zijn met de befaamde studiecommissie die onoverbrugbare geschillen uitstelt). Hoe dan ook, er ligt nu een interessant document en het uitstel is in elk geval bereikt.  

Het voorbehoud dat de BMF maakte bij de beoordeling van de concept-RES 1.0 van de MRE was terecht. Sommige  van de kritiekpunten komen in het PlanMER aan de orde, zoals bijvoorbeeld wat de BMF “concentratiegebieden” noemt en de PlanMER “energielandschappen”. Eigenlijk zou de BMF zijn analyse opnieuw moeten doen, met de PlanMER erbij.

Zoekgebieden

Nummering zoekgebieden 1 t/m 38

Toen de PlanMER startte, lagen er al 37 zoekgebieden al vast. Die zijn vastgesteld in politieke raadplegingsprocedures in eerdere stadia van de RES, en dus niet met een of andere rigoureuze methode binnen de PLanMER zelf. Men kan dat negatief uitleggen dat politieke (on)wenselijkheden aan het zoekproces voorafgegaan zijn, en positief dat er al bij voorbaat gebieden gezocht zijn met multifunctioneel ruimtegebruik.
Aan deze zoekgebieden is een gebied 38 toegevoegd, zijnde een strook van 300m breed aan weerszijden van de snelwegen (voor zover dat gebied niet al elders meegenomen was).
Deze 38 zoekgebieden staan op bovenstaande kaart.

Voor zonne-energie hebben de opstellers van de PlanMER het bij deze 38 gebieden gelaten.
Voor wind-energie hebben de opstellers er alle mogelijke gebieden aan toegevoegd die niet op basis van harde criteria verboden waren – welke harde criteria het grootste deel  van het MRE-gebied al uitsluiten. De meeste van deze toegevoegde locaties waren al aan de orde geweest in een eerdere PlanMER, die de Kempengemeenten al opgesteld hadden. Zodoende is er een lijst gemaakt met 33 locaties die in de 38 locaties lagen, 24 locaties die daar niet in lagen maar wel in de eerdere PlanMER van de Kempengemeenten, en 8 locaties die niet  in de 38 lagen en ook niet in de Kempengemeenten.

Het zijn nog “gebieden”. Een PLanMER heeft een zeker abstractieniveau dat op projectniveau verder moet worden uitgewerkt.

Het PlanMER rekent met als voorbeeld een Vestas V150 met een ashoogte van 150m en een rotorstraal van 75m. Het vermogen daarvan is 4,2MWen dat levert in het MRE-gebied (bij gemiddeld 7,3 m/sec windsnelheid) 15,3GWh netto op (dus ruim 3600 vollasturen).

Harde en zachte belemmeringen
Er zijn, op het abstractieniveau van een PLanMER, harde en zachte belemmeringen.

De harde belemmeringen voor windenergie zijn (blz 41-42 verkort weergegeven):

BelemmeringMinimale afstand (m)Opmerking

Harde belemmeringen
Buisleidingen225 (tiphoogte) 
Hoogspanning225 (tiphoogte) 
Natura 2000 en Natuurnetwerk Brabant (NNB)75 (wieklengte)Dit sluit aan bij het provinciaal beleid. Overdraai = ‘plaatsing in’.
Panden75 (wieklengte)Deze minimumafstand voorkomt overdraai boven gebouwen.
Spoorwegen86 (wieklengte + 11)Afstandseis Prorail.
Vaarwegen105 (wieklengte + 30)Hier is de Beleidslijn Rijkswaterstaat gevolgd..
Vliegverkeer en radarn.v.tDe invliegfunnels (de 300-voetszone) en de CNS-cirkels zijn harde belemmering
Wegen – rijkswegen75 (wiek-lengte)Alleen voor rijkswegen, beleidsregel gaat niet over provinciale wegen.
Wegen – overige wegen20 (fundering)  De fundering van de windturbine moet vrij van de verharding liggen.
Windturbines600 (4*rotordiameter)Vuistregel ter voorkoming van windafvang
Woningen400 meterVuistregel tegen normoverschrijding geluid en slagschaduw. De daadwerkelijke afstand is op het detailniveau van een PlanMER niet te bepalen.
Zachte belemmeringen 
Vliegverkeer en radarNaast de harde CNS-vlakken ziet dit PlanMER de 500-voetszone als zachte belemmering: hier gelden zeer strenge regels t.a.v. radarverstoring. Hoewel windturbines hier weinig kans maken (TNO), is realisatie niet op voorhand uit te sluiten. 
NNB langs grootschalige infraEen strook van 300m langs grootschalige infrastructuur is een zachte belemmering voor windparklocaties, vanwege art. 3.38 IOV NBrabant. 300 meter is gekozen om enerzijds de koppeling met de grootschalige infrastructuur niet te verliezen en anderzijds nog enige schuifruimte te hebben voor individuele windturbines. Windparklocaties mogen niet geheel binnen deze zone vallen. Grootschalige infrastructuur zijn: rijks- en provinciale wegen, doorgaande vaarwegen en spoorwegen. 

De harde belemmeringen voor zonne-energie zijn, verkort weergegeven (blz 45):

BelemmeringOmschrijving
Bos (20m)Een buffer van 20m is gehanteerd om schaduwwerping te voorkomen.
NNB (20m)NNB wordt met een buffer van 20m als belemmering meegenomen.
Natura 2000 (20m)Natura 2000 wordt met een buffer van 20m als belemmering meegenomen.
Militair oefenterreinTen noorden van Eindhoven Airport ligt een militair oefenterrein dat in deze analyse als geheel is uitgesloten voor de ontwikkeling van zonneparken.
Panden op bedrijventerreinenOm de mogelijkheden op bedrijventerreinen te onderzoeken, maar wel rekening te houden met de belemmeringen die daar spelen is voor de bedrijventerreinen een buffer aangehouden van 20m rondom aldaar gelegen panden.
RecreatiebestemmingenGebieden met enkelbestemming recreatie zijn meegenomen als belemmering.
Wegen (8m)Wegen worden met een buffer van 8m vanuit de hartlijn als belemmering meegenomen.
WoonkernenIn de belemmeringenkaart zijn alle woonkernen meegenomen als belemmering.

Binnen wat de harde en zachte belemmeringen overlaten gaan effectbeoordelingen een rol spelen. Die worden voor een groot aantal onderwerpen ingeschat. Vervolgens worden die effectafstanden als basis voor de rapportage gebruikt.
Naast de belemmeringen op het abstracte niveau van een PLanMER zijn er grootheden die van belang worden op het concrete niveau van een individueel project.

Het Activiteitenbesluit Milieubeheer staat bijvoorbeeld rond windturbines geluidsniveau’s vast van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight aan de gevel. In bovenstaande figuur (berekend vanuit drie genoemde voorbeeldturbines op een rij) valt de effectafstand van 500m  ongeveer overeen met de 47 dB Lden -contour (en idem 1000m en de 42 dB Lden -contour).
Laagfrequent geluid wordt geacht voldoende afgedekt te zijn met de 47 dB Lden -norm.
Bij overschrijding kunnen exploitanten de turbine op een stillere stand zetten, wat enig productieverlies tot gevolg heeft.

Voor de slagschaduw geldt een wettelijke norm van 17*20 minuten per jaar.
Voor de als voorbeeld gebruikte drie voorbeeldturbines op een rij leidt dat tot bovenstaande criterium.
Bij overschrijding moet de turbine tijdelijk stilgezet worden, wat bij afstanden > 400 a 500m nauwelijks tot productieverlies leidt.

Op effectafstanden tot natuurgebieden kom ik verderop terug.

Alles bijeen becijfert het PlanMER de volgende verzameltabel voor wind. Eerst enige toelichting:

  • De rode kleur onder “Afstand tot netcapaciteit” is omdat Enexis-hoofdstation Hapert tot 2030 waarschijnlijk zijn taak  niet aankan. Daaronder valt ongeveer het westelijke kwart van het MRE-gebied.
  • De tweede kolom “zoekgebied” bevat de nummering volgens de Concept-RES 1.0. De eerste nummering bevat alle mogelijke zoekgebieden, waarbij K op “Niet Concept-RES, wel Kempen” slaat en B op “Niet Concept-RES, niet Kempen”.
    De eerste kolom plukt uiteen wat in de Concept-RES als cluster gezien wordt, en in kolom 1 als meerdere kleinere opstellingen. 20-1, 20-2 en 20-3 in de eerste kolom zijn dus samen 20 in de tweede kolom.
  • Per hoofdje is een basis gedefinieerd voor wat donkergroen, lichtgroen, grijs (neutraal), lichtgeel en donkergeel genoemd wordt.
    In bijvoorbeeld het hoofdje “woningen<500m” bestaat groen niet, is grijs <10 gevoelige objecten (als regel woningen), lichtgeel 10-30 idem, en donkergeel > 30.
    In zoekgebied 1-1 staan er dus 22 woningen binnen 500m van de geschetste voorbeeldopstelling van drie Vesta 150 – turbines. Zie blz 70.
    Een voorbeeldturbine wordt geacht 15GWh/jaar op te brengen. Zijn het er <=3, dan is de score lichtgroen, idem >=4 donkergroen. Grijs betekent in deze kolom “Hapert, dus nee”.

Een vergelijkbare tabel voor zonne-energie, ook weer met toelichting:

  • De nummering is alleen die van de Concept-RES 1.0, dus 1 t/m 38 .
  • Jaaropbrengsten zijn donkergroen >100GWh, lichtgroen als 50<opbrengst <100 GWh, en grijs als < 50GWH of 0 vanwege “Hapert”. De eenheid van opbrengst is dus de GWh (1TWh = 1000GWh)
  • Men rekent als vuistregel in het MRE-gebied met 1GWh/hectare*jaar bij onbelemmerde (bruto) opbrengst
  • Er zijn twee opbrengstkolommen, “min” en “max”.
    Deze zijn gebaseerd op een combinatie van landschapstypes (beekdalen, jonge en oude zandontginning, Peelkern- en Peelrandontginning, urbane gebieden) en landschapsstrategieën (inpassen, aanpassen en transformeren – dat loopt van weinig ingrijpend naar zeer ingrijpend).
    Bij elke strategie hoort per landschapstype een percentage dat vol gezet kan worden met zonneparken (de “draagkracht”) zonder dat het gebied zijn karakteristieke uiterlijk verliest.
    “Min” is op basis van inpassing, “Max” is op basis van transformatie.
    Zoekgebied 1 bijvoorbeeld bestaat uit 452 hectare jonge zandontginning en 289 hectare oude zandontginning (zie par. 7.3.3). In de strategie “inpassing” mag de eerste categorie vol gezet worden voor 15% (68ha) en de tweede voor 13% (38ha). Dat levert dus bruto 106ha, dus 106 GWh/jaar. In praktijk moet daar wat af om  aan netto te komen (een beplantingsrand, onderhoudspaden en dergelijke) en zodoende komt men aan 98GWh.
    Hieronder een overzichtstabel van percentages per strategie per landschapstype. Deze tabel en de voorbeeld-berekening zijn te vinden in h7.5 van de PlanMER.
Inpassingsvoorbeeld van een zonnepark in een jonge zandontginning


De zon-tabel per slot van rekening:

De opbrengst van grootschalige wind en zon versus de vraag
Uiteindelijk komt het PlanMER uit

  • op een mogelijke windopbrengst van 1,65TWH (1650GWh). Dat is op basis van de 38 zoekgebieden uit de Concept-RES 1.0 (dus zonder de daar aan toegevoegde extra zoekgebieden), en inclusief twee zoekgebieden die vanwege “Hapert” tot 2030 waarschijnlijk niet kunnen leveren. Exclusief die twee zoekgebieden is de som 1,28TWh.
  • Op een mogelijke zonopbrengst van 1,5TWh (in de minimale strategie “inpassing”) of 5,3TWh (in de maximale strategie “Transformeren”).

De Concept-RES 1.0 verdeelt de zelfopgelegde duurzame elektriciteitstaak van 2,0TWh uit wind en grootschalige zon als volgt:

  • 0,51TWh staat er al
  • 0,64TWh zit in de pijplijn (er is al een SDE+ – subsidie)
  • 0,28TWh zit in toekomstige “no regret-maatregelen”. Het gaat om zonprojecten die boven de RES-drempel vallen (1500kWpiek ) en dus meetellen, maar die zo klein ziojn dat ze op niet of weinig omstreden locaties passen als grote daken, vuilstorten, geluidsschermen, het vliegveld, etc).
  • Nog te realiseren op basis van grootschalige wind- en zonneparken 0,57TWh.

Het PlanMER moet dus 0,57TWh “leveren” en op zich lukt dat dus. Zelfs exclusief “Hapert” en bij de minst vergaande vorm van zonne-energie (inpassen) komt het PlanMER op 1,28 +  1,5TWh = 2,78TWh.
In de vormgeving van grootschalige zon- en windparken, zoals geëist op basis van het RES-programma) is dus wel ruimte voor enige mate van bestuurlijk compromis.

De vervolgdiscussie is moeilijker.

De RES gaat  niet alleen over grootschalige zon en wind, maar ook over warmte. Het PlanMER gaat daar niet over, want dat was niet gevraagd.
Maar als die warmte duurzaam geleverd moet worden in een regio, die vooralsnog niet over veel rest- en bodemwarmte beschikt, en die dus grotendeels elektrisch opgewekt moet worden, kost dat stroom. De Concept-RES 1.0 noemt op blz 37 een bedrag van 1,5TWh in 2050 wat, omdat dit in 2030 nog maar voor ongeveer 20% gerealiseerd hoeft te worden, in 2030 ongeveer 0,3TWh vraagt (met de nodige onzekerheid).
De vraag is of die 0,3TWh een reëel getal is en vervolgens, of die 0,3TWh deel uitmaakt van de 2,0TWh, of er boven op gezet moet worden.
De gebruikte formuleringen lijken er op te wijzen dat het “deel uitmaken van” is, maar dat lost een politiek probleem op en geen probleem in de echte wereld.

(Visualisatie van windparken. Tiphoogte bij voorbeeldturbine in dit verhaal is 225m)

Energie-autarkisch of niet?
De RES is slechts één van de afspraken, die gemaakt is in het kader van het Klimaatakkoord. Er is of komt ook een elektriciteitsvraag vanwege de waterstofeconomie, synthetische kerosine, de verduurzaming van het bedrijfsleven, enz. Ik verwacht zelf dat de nationale vraag naar duurzame elektriciteit enige malen groter wordt dan de huidige 120TWh. Dit zeker na het recente Shell-vonnis in de zaak van Milieudefensie en anderen.

De eerste vraag is nu of wij net doen of de vraagtoename een natuurwet is, of dat we bepaalde activiteiten verminderen of er zelfs afscheid van nemen. In het MRE-gebied bijvoorbeeld: moeten we het vliegvolume op Eindhoven Airport als natuurwet accepteren, of moeten we het gewoon rantsoeneren? Dus een grens aan brandstof en eventueel stroom.
De tweede vraag is of Nederland naar moeten streven om vraag naar duurzame energie, waaronder duurzame stroom, in eigen huis op te vangen (dus autarkisch zijn). Nederland is nu ook niet energie-autarkisch, Veruit het grootste deel van onze energie op dit moment wordt ingevoerd.

Verbijzonderd naar het PlanMER wordt de vraag of de beschikbare mogelijkheden voor grootschalige zon en wind inderdaad allemaal opgebruikt moeten worden.
De 0,57TWh, die nu gevraagd wordt, zal zichtbare, maar nog geen dramatische gevolgen in het landschap hebben. Dat wordt meer door de toekomst van de landbouw bepaald dan door de toekomst van de energie.
Maar als de grootschalige levering van wind- en zonnestroom richting 1,65 + 5,3TWh zou gaan, wordt het mogelijk een ander verhaal.

Er start nu de landelijke discussie rond het Programma Energiehoofdstructuur, waartoe bouwstenen aangeleverd zijn zoals bijvoorbeeld “Grote opgaven in een beperkte ruimte” van het PBL en “Vier klimaatneutrale energiescenario’s 2050  van Kalavasta en Berenschot, waarin bijvoorbeeld ook importscenario’s zitten.
Nu kun je nog niet veel met import, want er zijn nog geen landen die in 2030 duurzame energie en stroom over hebben. Maar de discussie daarover moet snel beginnen.
Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=15349 en https://www.bjmgerard.nl/?p=15387 .

Op dit moment valt er echter nog geen peil op te trekken welke uitkomst deze discussie heeft en op welke termijn die uitkomst nagestreefd wordt. Ik doe hierover op dit moment geen uitspraak.

Visualisatie van de omstreden windturbines bij Bladel, met één turbine in de NNB)

De BMF-brief over vogels
Op 25 mei 2021 heeft de Brabantse Milieu Federatie (BMF), mede namens het Brabants Landschap en Natuurmonumenten, een brief aan Provinciale Staten (PS) gestuurd om de bespreking van de RES in PS dd 28 mei te beïnvloeden. Een meerderheid in PS wees de wensen van de BMF af. De portefeuillehouder Van der Maat: “We begrijpen het en tegelijk vinden we het te kort door de bocht.” Voor windmolens in de buurt van natuur wil hij maatwerk.
Ik ben geen fan van VVD-er Van der Maat, maar in deze ben ik het ongeveer met hem eens.

De BMF wil

  • Zon en wind uitsluiten uit het NatuurNetwerk Brabant (NNB), ook in uitzonderingssituaties
  • Minstens 500m afstand tussen windturbines en de grens van het NNB
  • Minstens 1200m afstand tussen windturbines en weidevogelkerngebieden

Het PlanMER bevat, net als bij de eerder genoemde onderwerpen geluid en slagschaduw, ook voor de fauna effectschattingen en bijbehorende afstanden (h.6.6). Deze gaan minder ver als de wensen van de BMF. De PLanMER noemt afstanden die afhankelijk zijn van het soort natuurgebied en de vogelcategorie. De PLanMER ondersteunt, net als de BMF, zijn opvattingen met literatuur en SOVON-tellingen.

Samenvattend is het richtlijnensysteem van de PlanMER in een tabel onder te brengen (PlanMER blz 99).

Richtafstanden als beoordelingsgrondslag bij verschillende categorieën dieren en natuurgebieden

Dit te lezen als volgt:
Windturbines worden geacht geen significant effect (grijs) te hebben als ze >500m van een VogelRichtlijngebied (VR) af staan of >75m bij Habitatrichtlijngebieden (HR) of >200m van de NNB af staan (bij de BMF 500m), of als er in een gebied minder dan 22 beschermde soorten broedvogels zitten.
Enzovoort.

Kijkt men nu terug op de eerdere “Samenvattende beoordelingstabel windparklocaties”, dan ziet men dat geen enkel zoekgebied in staat is om zelfs onder de soepeler criteria van de PLanMER een score met allemaal grijs te krijgen, laat staan onder de veel scherpere criteria van de BMF.
Het BMF-voorstel betekent effectief een absoluut verbod op nieuwe windturbines in Zuidoost Brabant.

Daar staat tegenover dat de gevolgen van de klimaatopwarming voor de ecologie ook ernstig kunnen zijn (bijvoorbeeld habitatverlies door verdroging, bosbranden, ziektes of invasieve soorten). En dat de Wageningse studie, die de BMF noemt, ook een aantal mitigerende mogelijkheden noemt, zoals tijdelijk stilstand van turbines of markerende beschildering.
Verder kan de ecologie aanmerkelijk verbeterd worden door een gelijktijdig terugdringen van de rol van de intensieve landbouw.

Ook economische en technische redenen pleiten voor een bepaalde hoeveelheid windturbines in de energiemix. Bij een mix van zon en wind is bijvoorbeeld de productie gelijkmatiger.

Ik wil op dit moment, mede omdat de toekomst van de opwekking van duurzame elektriciteit nog niet vast staat, in dit spanningsveld geen categoraal verbod op windturbines in het MRE-gebied uitspreken, zoals de BMF feitelijk voorstelt. Ik vind het een afwegingssituatie met individuele kenmerken.

Toepassing van de strategieën inpassing – aanpassing – transformatie in een jonge zandontginning