Sociale bouw redden met circulair werken en een mini-warmtenet

In de vakpers ( installatie.nl_warmtenet-bij-renovatie-sociale-huurwoningen-in-bussum) passeerde een renovatiepilot uit Bussum die een ruimere interesse verdient, maar dat met enige kritische zin.

De pilot
De woningbouwcorporatie De Alliantie wil al zijn woningen in 2050 van het gas af hebben en is daar al een tijd mee bezig. Maar inmiddels is het ambitieniveau opgeschroefd en wil De Alliantie de verduurzaming  ook grotendeels circulair uitvoeren en met aandacht voor biodiversiteit.
De corporatie heeft daartoe een ‘challenge’ uitgebracht voor het op deze wijze, als pilot, renoveren van 12 (2*6)  geschakelde sociale eensgezinswoningen in Bussum-Zuid (nabij de Bussumer Heide).

De woningen zijn in 1963 opgeleverd en zijn al eerder gerenoveerd geweest, met energielabel D als gevolg. De keuze was tussen sloop en herbouw, of nog eens renoveren voor 20 jaar. Besloten is tot het laatste en dat werd de pilot. Die heeft Europese subsidie ontvangen.

Ik vind het politiek te prijzen dat men niet lichtzinnig tot sloop overgaat. Vaak betekent sloop dat er een duurdere en kleinere woning voor terugkomt die niet perse meer sociaal is.

De renovatie is uitgevoerd volgens het RE-DO concept ( https://www.revolve-co.nl/ ). . Daarin werken samen De Alliantie, een aantal mensen en bedrijven in de hoek van biobased en circulair werken,, en Dé Warmtepompkelder (DWPK,  dwpk.nl ).

Het resultaat van het circulair en biobased bouwen is dat 95% van de geoogste materialen een tweede leven krijgen, en dat de CO2 -uitstoot van het bouwproces zelf met 60% gedaald is t.o.v. de ‘traditie’.

De renovatie heeft besteedt ook aandacht aan biodiversiteit. In deze ‘bio-poot’ zijn ook spouwmuurkastjes voor mussen de gierzwaluwen meegenomen.

Het opmerkelijkste (aar mijn smaak) is de alternatieve verwarmingsopzet.

Zie o.a. .linkedin.com_dwpk-realiseert-mini-warmtenet-bij-woningcorporatie en dwpk.nl/projecten/project/ en linkedin.com_twintigdertig en DWPK  . 
Het begint met kierdichting en isolatie.
DWPK werkt met  bodemwarmtesysteem. Het bedrijf heeft ervoor gekozen om vier boringen te doen tot op 285m diepte en daar een gesloten systeem (met een milieuvriendelijk koudemiddel) in te hangen. Die vier bronnen leveren (en nemen af bij koeling)) van een warmtepomp per individuele woning. Dat zijn er dus twaalf en die zijn gekoppeld, zodat er een mini-warmtenet ontstaat. De warmtevraag is individueel afrekenbaar.
De warmtepomp kan 70˚C halen, zodat de radiator niet perse vervangen hoeft te worden.
Sowieso hoeven er nauwelijks werkzaamheden in huis te worden uitgevoerd, want alleen de CV-installatie wordt vervangen door een boilervat (bewoners hoeven hun huis niet uit). De warmtepomp wordt geplaatst in een prefabkelder, van 1,20 bij 1,20 bij 1,40m, die in de tuin wordt ingegraven.  Er is geen buitenunit, dus geen herrie.
Levering aan de woning gaat, in elk geval in Bussum, via de kruipruimte en de meterkast naar het afgiftesysteem.
Resultaat van dit alles is dat de woningen opgewaardeerd zijn naar A++ .

De kosten van het systeem worden verdeeld over de woningbouowcorporatie (die de warmtepompen overkoopt van DWPK). DWPK zelf, dat eigenaar blijft van het bronsysteem, en de bewoners. Het lijkt voor de bewoners financieel gunstig te zijn, maar er wordt geen getallen genoemd 9behalve een korte terugverdientijd t.o.v. gas).

Mocht men over bijvoorbeeld 20 jaar alsnog willen slopen, dan kan de putannex warmtepomp ongewijzigd naar de nieuwbouw worden omgezet.

De warmtepomp in zijn kubus

Enig kritisch voorbehoud is op zijn plaats

  • Het is een mooi verhaal, maar men vertelt het over zichzelf.
  • Het is jonge techniek.  Het informatiemateriaal dateert van de tweede helft van 2025.  Het is dus afwachten hoe de resultaten over de jaren uitpakken.
  • Informatie over de woonlasten is schaars
  • Niet vermeld wordt of de pilot ook zonder Europese subsidie rond was gekomen.
  • DWPK werkt alleen met bodemwarmtesystemen. Maar in grote delen van Brabant mag je van de provincie niet door kleilagen heen boren of überhaupt niet boren.( https://www.bjmgerard.nl/bodemenergie-en-kleilagen-in-noord-brabant/ )
  • Hoe moet het als er geen kruipruimte is?
  • De gebruikte literatuur biedt geen duidelijkheid hoelang het systeem meegaat. Ergens wordt gesproken over ‘er ruim 20 jaar plezier van’. Uiteraard slijt de mechanica van de pomp, maar die is onderhoudbaar (makkelijk zelfs) en vervangbaar.
    Maar wil de watertemperatuur gemiddeld +12˚C blijven, zoals gesteld, dan moet er door koeling in de zomer ongeveer evenveel warmte in de bodem worden gestopt als er in de winter voor verwarming wordt uitgehaald. Het systeem is in feite een Warmte-Koude Opslag (WKO). ( https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/bodemwarmte/ ). Dat stelt beperkingen aan het gebruik van het systeem. Een professionele installateur rekent dat door en naar alle waarschijnlijkheid bezit DWPK die professionaliteit, maar er wordt in de internet-teksten over de pilot niet over gesproken.

Ik verwelkom technische ontwikkelingen die de balans tussen sloop en renovatie vaker richting renovatie laten doorslaan, en dat nog meer als dat bijna circulair gebeurt,  maar geen enkele technische ontwikkeling is een wondermiddel. Ze blijven om een grondige en situatiegebonden analyse vragen.

Shellproces Milieudefensie haalt tijdschrift Science

Het proces van Milieudefensie versus Shell heeft op veel plaatsen de aandacht getrokken.

Opmerkelijk is een flink artikel in Science. Science hoort bij de beroemdste wetenschappelijke tijdschriften ter wereld en onderzoekers  voelen zich heel vereerd  als een artikel geplaatst is. In dit geval betreft het onderzoekers va de London School of Economics and Political Science.
Het artikel is te vinden op https://www.science.org/doi/10.1126/science.adz4857 , maar het zit achter de betaalmuur. Ik heb het gekocht voor een paar tientjes en men kan het ook hieronder vinden.

Ik probeer hierna uit te leggen wat erin staat. Maar ik ben geen jurist, dus men moet zich niet op mij beroepen. Wie op verantwoorde wijze iets zeggen wil, moet het artikel zelf erbij pakken.

Integrated Assessment Model’s (IAM’s) zijn grote computermodellen waarin klimaatwetenschap, energiesystemen en economie gecombineerd worden.
Op basis van IAM’s gevoerde processen tegen regeringen, waarin bindende klimaatafspraken geëist werden, zijn vaak succesvol geweest (in Nederland bijvoorbeeld het Urgendaproces).

Milieudefensie was de eerste die een IAM inzette tegen een particulier bedrijf, in casu Shell. Dat werd in eerste instantie een succes, en in hoger beroep een gedeeltelijk succes.
In abstracto kreeg Milieudefensie ook in hoger beroep gelijk, maar in concreto wilde het Gerechtshof geen reductiedoel noemen omdat er geen wetenschappelijke consensus zou bestaan over een exact percentage dat toegepast zou moeten worden (in dit geval  45% minder in 2030 t.o.v. 2019 over scope-3, welke scope veruit de grootste post is)

Het dilemma van het Gerechtshof is illustratief voor een brede trend. Op verschillende plekken in de wereld probeert men regelgeving te definiëren die de klimaattransitie van particuliere ondernemingen moet inkaderen.
Een goed voorbeeld zijn de ‘Guidelines for multinational enterprises’ van de OECD. Die zijn niet rechtstreeks bindend, maar moeten door aangesloten staten in nationale wetgeving worden omgezet. Die moet dan op wetenschap gebaseerd zijn en gebaseerd zijn op het GHG-protocol, inclusief Scope-1, -2 en -3 -analyses ( een voorbeeld van een onderneming die dat doet, en hoe dat werkt,  is DAF Trucks, zie https://www.bjmgerard.nl/daf-trucks-en-milieudefensie-spreken-over-het-klimaat/ en andere artikelen).
Ook de EU probeert in zijn (onlangs helaas afgezwakte) CSDDD-wetgeving om aan ondernemingen boven bepaalde omvang-drempels verplichtingen op te leggen in de geest van de OECD-richtlijnen.

Het is voor regeringen een worsteling om wetten te maken die in praktijk werken. En dat is nodig omdat het aanklagen van ondernemingen inzake hun klimaatplan mondiaal steeds vaker voorkomt. Soms gebeurt dat om ze ter verantwoording te roepen voor het verleden (‘backward-looking’), soms om het toekomstig gedrag te beïnvloeden (‘forward-looking’). De Miieudefensiezaak is forward-looking en inmiddels lopen er mondiaal ruim 20 van die forward-looking zaken.

Hoewel het Gerechtshof een streep zetten door de concrete 45% reductie, sprak het wel een belangrijke overweging uit, namelijk dat olie- en gasbedrijven zich moeten buigen over het groeiende duidelijkheid dat geen enkele nieuwe olie- en gasbron verenigbaar is met het Parijs-akkoord. Maar omdat deze specifieke eis niet in het proces ingebracht was, kon het Gerechtshof daarover slechts een overweging formuleren en geen vonnis.
Milieudefensie heeft daarop, in een tweede klimaatzaak tegen Shell, dit verbod op nieuwe olie- en gasboringen  alsnog als een juridische eis op tafel gelegd.
Al eerder had Milieudefensie cassatie aangetekend tegen de uitslag van de eerste zaak.

Ik heb aan beide zaken aandacht geschonken in https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-dreigt-shell-met-klimaatzaak/ . Ik heb dit artikel voor deze gelegenheid geactualiseerd  t/m 15 jan 2026.

Milieudefensie heeft simpelweg de mondiale 45% GHG-reductie in 2030 t.o.v. 2019, waarover brede overeenstemming bestaat, omgezet in een sectorale verplichting aan de Shell als onderdeel van de olie- en gassector.  Het Gerechtshof ging hier niet in mee.

Maar de onderzoekers van de London School of Economics and Political Science vinden dat te kort door de bocht. Ze wijzen erop dat op sectorniveau, ook nu al, protocollen in ontwikkeling zijn die toch al op sectoraal niveau uitspraken doen zoals bijvoorbeeld  de Sectoral Decarbonization Approach (SDA). Die zijn er ook voor de olie- en gassector (scope-1, scope-2 en een deel van scope-3).
Enerzijds suggereren de onderzoekers dat het Gerechtshof meer met de al bestaande protocollen had kunnen doen, anderzijds erkennen ze dat de bestaande sectorale modellen inderdaad gebreken vertonen (te weinig theorie, kwetsbaarheden en te grofmazig).

Dit verdient verbetering. De onderzoekers noemen drie routes.

De eerste is dat mogelijk nog geen wetenschappelijke consensus is over precieze percentages, maar dat de verschillende modellen al wel tot een bandbreedte in de krimp  geleid hebben (zelfs Shell zag noodzaak  voor een reductie). Die bandbreedte liep in het Milieudefensieproces voor bijvoorbeeld gas van 30.1 tot 50.5% reductie. Het Gerechtshof had, in plaats van deze bandbreedte als bewijs voor een gebrek aan consensus te zien,  de ondergrens kunnen opleggen (dat is ook gebeurd in het Urgendaproces).

De tweede route is dat men zou kunnen kijken wat het kost om een ton CO2 uit de atmosfeer te houden (de Marginal Abatement Cost – MAC). Het IPCC heeft in zijn zesde Assessment 230 scenario’s doorgerekend om onder de 2oC te blijven,  en daar kwam een mediaan uit van $73 per ton CO2 . Alle maatregelen die per ton minder kosten dan een $73 zouden dan verplicht gesteld moeten worden.
Een dergelijk schema zou voordelen hebben: er zijn dan meer data beschikbaar zijn (robuustere maatregel) en dat je kunt differentiëren per sector (in plaats van elke sector 45%). Er zijn ook nadelen.
Deze benadering wordt in praktijk nog niet gebruikt en ontbrak in het Milieudefensie-proces.

De derde route is dat de rechter het aansprakelijkheidsrecht kan interpreteren dat de onderneming, op basis van het bestaande recht,  tot redelijke stappen gedwongen wordt die bij elkaar zoiets als een plan zijn. Het gaat dan om zoiets als minimum gedragsvoorschriften die opbouwen tot een soort transitieplanning. De onderzoekers noemen als voorbeeld de UK Transition Plan Taskforce.
Ook het Gerechtshof heeft het aansprakelijkheidsrecht geïnterpreteerd, maar dat leidde tot de beperkte uitspraak dat Shell de plicht heeft de klimaatverandering te verminderen. Dat had volgens de onderzoekers, tot een verdergaande uitspraak kunnen leiden.

Het Science-artikel eindigt met dat nu ondernemingen, wat betreft hun klimaatinspanningen, steeds vaker langs de juridische lat gelegd worden, een meer coherente en wetenschappelijke definitie van de klimaatinspanningen van kritisch belang is.

Luchtvaart verantwoordelijk voor bijna helft van Nederlandse klimaatopwarming in 2024

Contrails boven Eindhoven

Schipholwatch heeft op 10 januari een artikel gepubliceerd ‘Luchtvaart verantwoordelijk voor bijna helft van Nederlandse klimaatopwarming in 2024’ ( https://schipholwatch.nl/2026/01/10/luchtvaart-verantwoordelijk-voor-bijna-helft-van-nederlandse-klimaatopwarming-in-2024/ ). Het gaat om de hele Nederlandse luchtvaart, waarvan Schiphol het grootste effect heeft.
Het artikel is hieronder afgedrukt.


De Nederlandse luchtvaart heeft in 2024 opnieuw een buitensporig grote bijdrage geleverd aan de klimaatopwarming. Dat blijkt uit een nieuwe factsheet van Stichting S4R, gebaseerd op cijfers van het CBS.

De uitkomst is ronduit verontrustend: wanneer niet alleen CO₂ maar ook de andere opwarmende effecten van vliegen worden meegerekend, veroorzaakt de luchtvaart maar liefst 41,6 procent van alle Nederlandse klimaatopwarming. Geen enkele andere sector komt daarbij in de buurt.

Veel rapporten en beleidsstukken kijken uitsluitend naar CO₂-uitstoot. Maar vliegtuigen veroorzaken veel meer schade dan dat. Ze vormen vliegtuigstrepen, creëren extra hoge bewolking en stoten stikstofoxiden uit.

Deze effecten blijven korter in de atmosfeer dan CO₂, maar warmen de aarde juist veel sterker op, vooral in de eerste twintig jaar na de uitstoot. Daarom rekent de factsheet (op het eind van het artikel downloadbaar gemaakt) niet alleen met de gebruikelijke honderd jaar, maar ook met een zichtperiode van twintig jaar. Die kortere periode laat veel duidelijker zien wat vliegen op de korte termijn aanricht.

Schokkend
En dat beeld is schokkend. In 2024 was de luchtvaart verantwoordelijk voor 6,6 procent van alle Nederlandse CO₂-uitstoot. Maar zodra de niet‑CO₂‑effecten worden meegerekend, stijgt de bijdrage aan de totale opwarming naar 41,6 procent.

Zelfs wanneer de mildere honderdjaarsperiode wordt gebruikt, blijft de luchtvaart de grootste vervuiler, met een aandeel van 19,7 procent. Dat aandeel groeit bovendien: in 2023 was het nog 40,7 procent. De sector beweegt dus verder weg van de klimaatdoelen, in plaats van ernaartoe.

Sinds de jaren negentig daalt de uitstoot van de Nederlandse economie langzaam maar gestaag. De luchtvaart vormt daarop een uitzondering. Na de coronadip is de uitstoot weer snel gestegen en ligt deze ver boven het niveau van 1990. Volgens het huidige overheidsbeleid blijft de uitstoot tot minstens 2030 groeien. Terwijl andere sectoren hun best doen om te verminderen, blijft de luchtvaart de opwarming juist versnellen.

Wegmiddelen
De factsheet legt uit dat de klimaatimpact van vliegen vaak wordt onderschat omdat niet‑CO₂‑effecten meestal worden genegeerd of omdat er wordt gerekend met wereldwijde gemiddelden die niet representatief zijn voor de Nederlandse situatie. Ook zorgt de gebruikelijke honderdjaarsperiode ervoor dat de sterke kortetermijneffecten van vliegen worden weggemiddeld. Daarbij komt dat vliegen per reizigerskilometer extreem vervuilend is en dat de afstanden vaak groot zijn, waardoor de totale schade snel oploopt.

Sommigen vinden dat rekenen met een periode van twintig jaar de luchtvaart oneerlijk zwaar belast. Maar volgens de factsheet is deze periode juist realistischer. Sterke opwarming op korte termijn kan namelijk bijdragen aan het activeren van klimaatkantelpunten, met onomkeerbare schade tot gevolg. De honderdjaarsperiode maskeert deze risico’s en geeft een te rooskleurig beeld van de luchtvaartimpact. Bovendien is de komende twintig jaar precies de periode waarin Nederland klimaatneutraliteit moet bereiken. Het is dus logisch om juist naar deze termijn te kijken.

De luchtvaartsector wijst graag naar zogenaamde duurzame vliegtuigbrandstoffen als oplossing. Maar de factsheet maakt duidelijk dat dit geen realistische uitweg is. Bio‑SAF vraagt enorme hoeveelheden landbouwgrond en kan leiden tot ontbossing en concurrentie met voedselproductie. E‑SAF, gemaakt met groene waterstof, vraagt juist gigantische hoeveelheden duurzame energie — voor Nederland vergelijkbaar met tientallen kerncentrales of duizenden grote windturbines.

Geen enkele variant is volledig klimaatneutraal. Alleen hydrobehandelde fossiele kerosine kan iets minder vliegtuigstrepen veroorzaken, maar blijft fossiel en dus vervuilend. De sector kan dus niet blijven groeien onder het mom van “verduurzaming”.

Dalend CO₂‑plafond
Volgens de factsheet is het noodzakelijk dat de overheid een bindend en dalend CO₂‑plafond instelt voor de luchtvaart. Ook moet worden voorkomen dat bio‑SAF wordt ingezet, omdat dit te veel schade veroorzaakt. E‑SAF kan een rol spelen, maar alleen binnen de grenzen van de beschikbare duurzame energie. Voor het fossiele deel van de brandstof zou hydrobehandelde kerosine verplicht moeten worden. Daarnaast is krimp van de sector onvermijdelijk als Nederland zijn klimaatdoelen serieus neemt.

De luchtvaartsector zelf moet stoppen met greenwashing en met lobbyen tegen klimaatmaatregelen. Ook moet zij maatregelen invoeren om contrails te vermijden. Bedrijven en burgers kunnen bijdragen door alleen te vliegen wanneer het echt noodzakelijk is.

De nieuwe cijfers laten geen ruimte voor twijfel: de luchtvaart is veruit de grootste aanjager van klimaatopwarming in Nederland. Terwijl andere sectoren hun uitstoot verminderen, blijft de luchtvaart groeien en veroorzaakt zij bijna de helft van de totale opwarming op de korte termijn. Zonder stevige politieke keuzes — inclusief krimp — blijft Nederland zijn eigen klimaatdoelen saboteren. De feiten zijn duidelijk. Nu is het aan de overheid om te handelen.

GGD presenteert overzicht met maatregelen voor gezonde lucht

De GGD heeft op 25 november 2025 een webpagina gepresenteerd met, bij elkaar verzameld, een pakket maatregelen die tot schonere lucht moeten leiden ( https://ggdghor.nl/actueel-bericht/ggd-presenteert-overzicht-maatregelen-voor-gezonde-lucht/ ).

De GGD legt uit:” Luchtvervuiling is na roken de belangrijkste veroorzaker van ziekte en sterfte in Nederland. De gezondheidseffecten zijn vergelijkbaar met het dagelijks meeroken van vier sigaretten. Bij één op de zes kinderen met astma is dat toe te schrijven aan luchtverontreiniging. Gemiddeld leven Nederlanders hierdoor tien maanden korter. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukt dat elke verbetering van luchtkwaliteit gezondheidswinst oplevert.”

Juridisch krijgt dit vorm doordat het aangescherpte WHO-advies m.b.t. luchtnormen vanaf 2030 via de EU ook tot scherpere luchtnormen in Nederland gaat leiden (hoewel de EU-normen minder ver worden aangescherpt dan de WHO adviseert).

Hier ligt een verantwoordelijkheid voor de lagere overheden en de GGD probeert daaraan tegemoet te komen met een maatregelenpakket op de uitgesplitste gebieden wegverkeer; houtstook; landbouw; industrie; scheepvaart; luchtvaart; mobiele werktuigen; handel, diensten, overheid; consumenten overig. Zie https://ggdghor.nl/onderwerp/effectieve-maatregelen-gezonde-lucht/ .

Het overzicht is gestructureerd en breed maar gaat, naar mijn mening, niet heel diep. Misschien is dat voor adviezen aan lagere overheden beter.

Moleculaire mechanismen voor het ontstaan van roet uit aromatische verbindingen

Bij ‘Luchtvaart’ staan twee adviezen “verbied het maken van dienstreizen door eigen personeel per vliegtuig voor korte en middellange afstanden.” en “Zet in op elektrificatie van grondmaterieel op de luchthavens”. Beide zijn oud nieuws.
De bewering overigens van de GGD dat ultrafijn stof (UFS) van zwavel in de kerosine komt is maar de halve waarheid. Er komt ook UFS in de lucht door onvolledige verbranding  van (met name) onverzadigde koolwaterstoffen. Die vormen eerst individuele Pak-moleculen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) en die klonteren tot in of voorbij het UFS-stadium (en dan worden ze roet). Als je zoveel waterstof hebt dat je substantiële hoeveelheden kerosine zwavelvrij kunt maken, kun je ook overwegen om gewoon rechtstreeks synthetische kerosine te maken.  Maar goed, de maatregel is wel een verbetering.

Jaarwwisseling 2025-26_RIVM-station Europalaan Veldhoven_PM2.5 uurgemiddeld

Bij “consument overig” staan voor de hand liggende voorbeelden als handhaving van het vuurwerkverbod, barbecue-vrije gebieden en als dan toch, dan een elektrische barbecueën en rookverbod in het openbaar.

Bij “mobiele werktuigen” staan een paar aanbevelingen die bij het brede publiek wat minder een deja vu – gevoel geven, omdat dat brede publiek nu eenmaal niet zoveel met mobiele werktuigen te maken heeft (kranen, stoomwalsen, veegwagens en zo). De aanbeveling “Word lid van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)” kan voor gemeenten zinvol zijn, aan “het verduurzamen van de eigen gemeentelijke mobiele werktuigen” wordt al jaren gewerkt, De “uitstoot van mobiele werktuigen meenemen in de vergunningen” ligt voor hand (zou al moeten gebeuren). “Inzettten op schonere evenementen” kan mogelijk voor sommige gemeenten nog een dingetje zijn.

Elektrische asfaltwals (zelfrijdend)

Bij alle adviezen wordt doorverwezen naar verdere sites, voor evenementen bijvoorbeeld naar /Duurzaamheidsplan-voor-evenementenorganisatoren Amsterdam . Ik  schat in dat die doorverwijzingen nuttiger zijn dan de aanbevelingen zelf.

Water op straat bij hevige regen: hoe diep en hoe lang?

Inleiding
In juli 2021 werd Limburg, en werden aangrenzende delen van België en Duitsland, getroffen door zulke hevige en langdurige regen dat grote gebieden langdurig onder water stonden. In Limburg bleven de effecten van deze ‘waterbom’ beperkt tot heel veel schade en ongemak, en België en Duitsland vielen daar bovenop ruim 200 doden. ( Overstromingen in Europa in juli 2021 – Wikipedia ).

De kans op een dergelijke waterbom wordt geschat op eens in de 300 a 1000 jaar, en dat is door het klimaat al enkele malen meer dan in (bijvoorbeeld) 1900. De kans is dus ten duidelijkste niet nul.

Ravage in Pepinster (B) na de overstroming van de Vesder en de Hoëgne (Wikipedia)

Deze, tot dan toe ongekende, gebeurtenis heeft de autoriteiten nog harder aan het denken gezet. “Nog harder”want  er werd al veel werk verzet.

Wat al bestond: het DPRA
Wat al bestond is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie ( DPRA, zie https://klimaatadaptatienederland.nl/beleid/nationale-aanpak/dpra/deltaplan/ ) . Op basis daarvan werden ‘DPRA-Stresstesten’ georganiseerd. De eerste ronde was in 2018, de tweede (verder ontwikkelde) ronde is vanaf 2025 ingepland.
In een DPRA-stresstest ( https://klimaatadaptatienederland.nl/stresstest/ ) worden de grootheden wateroverlast, hitte, droogte en overstroming geanalyseerd. Dit verhaal gaat over wateroverlast (dat is als het water in een gebied van boven komt)  en overstroming (dat is als het water van opzij komt). Juli 2021 was in Limburg meer overstroming dan wateroverlast.

Een DPRA-stresstest is bedoeld voor hevige, korte en lokale piekbuien. Dat is waar bijvoorbeeld een gemeente als regel mee te maken heeft. Bijvoorbeeld of de riolering het houdt. Een DPRA-stresstest is vooral in de bebouwde omgeving nog steeds heel zinvol.
Toegang tot de eerste ronde DPRA-stresstesten is mogelijk via https://klimaatadaptatienederland.nl/stresstest/monitor/ . Je  kunt je gemeente op de kaart aanklikken (bijvoorbeeld Eindhoven). Links van de kaart verschijnt een kolom en de link naar het rapport werkt. Je krijgt dan de stresstest dd 2017 voor de MRE-regio ZO Brabant.
Dit is bijvoorbeeld de (helaas moeilijk leesbare) wateroverlastkaart voor het MRE-gebied.

Zo is er ook een kaart voor de (hier niet behandelde) onderwerpen hitte en droogte.

De monitorkaart geeft, desgewenst, ook een link naar een website van de provincie Noord-Brabant.

De BovenRegionale Stresstest (BRS)
In de op korte en hevige lokale buien ingerichte DPRA-cyclus, die men bezig is op te bouwen, werd ‘ingebroken’ door de langdurige, hevige en over een groot gebied verspreide regenval in en rond Limburg. Het overheidsdenken moest worden uitgebreid en dat gebeurt.

Een artikel hierover op deze site dd het begin van deze ontwikkeling is te vinden op https://www.bjmgerard.nl/als-de-volgende-waterbom-op-oost-brabant-valt/  . In dat artikel een link naar een siteartikel over de klimaatmechanismes in dit soort heftige situaties https://www.bjmgerard.nl/waarom-de-limburgse-over-stroming-een-klimaatcomponent-had-en-hoe-dat-werkt/ .

Aan de kleinschalige regionale DPRA-stresstesten (zoals die in het MRE-gebied) is een grootschalige opzet toegevoegd. Daartoe is Nederland in 13 ‘boven-regio’s’ verdeeld. Daarvan liggen er twee in Brabant: ruwweg Tilburg en oostelijk is NBrabant-Oost en westelijk van Tilburg is Brabantse Delta.
Het ligt bestuurlijk in zoverre simpel dat de bestuurlijke netwerken al bestaan. Het Kennisportaal Klimaatadaptatie, met de aanhangende overheden,  pakt de nieuwe taken er gewoon bij  ( https://klimaatadaptatienederland.nl/ ). Publicatie vindt plaats in https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/grootschalige-extreme-regen (waaruit onderstaande afbeeldingen afkomstig zijn). Het document is opgesteld door de provincies, de waterschappen en enkele ingenieursbureau’s.
Wie in meer onderwerpen geïnteresseerd is dan alleen dit specifieke onderwerp ‘grootschalige extreme regen, kan terecht op https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer (daar kunje diverse lagen aanvinken).

Er is ook weer modelmatig gerekend, in eerste instantie vanuit de aparte ‘boven-regio’s’. Er is een gestandaardiseerde ‘basisgebeurtenis’ gedefinieerd die inhoudt dat bij elk van de twee Brabantse ‘boven-regio’s’ er (uniform) over het hele gebied in 48 uur 200mm regen valt (dat is iets meer mm dan in 2021 in Limburg en nabijgelegen België en Duitsland).  De grondwaterstand is ‘hoogst gemiddeld”, de waterstand op de Maas is gemiddeld, riolering en infiltratie in stedelijk gebied zijn versimpeld meegenomen, het watersysteem functioneert zoals bedoeld en dus ongestoord,  er zijn geen noodmaatregelen en instroom uit België is niet meegenomen. Wie de Brabantse uitkomsten zo wetenschappelijk mogelijk wil zien, moet kijken op Noord-Brabant Oost en Brabantse Delta .

Hierboven het plaatje voor NBrabant-oost als geheel. Hieronder uitvergroot (links) het Dommelsysteem van Waalre tot Son en Breugel, en (rechts) de situatie ten Zuiden van Den Bosch.
De wetenschappelijke kaart staat bewust geen hogere resolutie toe dan die welke hier gehanteerd is. De grootschalige kennis gaat ten koste van de kleinschalige kennis van bijvoorbeeld de rioleringen. Men wil bewust geen uitspraken doen op postcodeniveau
Voor kleinschaliger kennis blijven de eerdere DPRA-stresstesten beter bruikbaar )

Het landelijke waterbeeld
De volgende grootte-stap omhoog is om een plaatje te maken op nationaal niveau. Daartoe zijn de uitkomsten van de 13 ‘boven-regio’s’ op creatieve wijze gecombineerd tot een landelijk ‘waterbeeld’ en dat haalde op 07 nov 2025 het Eindhovens Dagblad ( bij-extreme-regen-staat-in-delen-van-eindhoven-meer-dan-een-meter-water , artikel van Lucas van Houtert).
De documentatie bij onderstaand landelijk ‘waterbeeld’ maakt helaas niet duidelijk hoe dat combineren bij Deltares plaatsgevonden heeft. Het is een beetje een mistige procedureschets.
Je zou denken dat men voor onderstaand plaatje gedaan heeft of het in alle 13 gebieden tegelijk in 48 uur 200mm geregend heeft, maar dat staat er niet. Verder ligt het voor de hand dat water uit de ene ‘boven-regio’ invloed heeft op water in de andere ‘boven-regio’ (bijvoorbeeld via de stand van de Maas), maar ook dat wordt, in elk geval in de communicatie met de algemene buitenwereld, niet uitgelegd.
Het zij zo. Men kan de kaart het beste indicatief opvatten en dat is inderdaad de bedoeling van het concept.

Indicatief blijkt al wel dat er grofweg twee soorten probleemgebieden zijn: hoog Nederland en laag Nederland.
In Hoog Nederland is de afvoercapaciteit van de natuurlijke waterlopen, met daarin voorkomende obstakels, het probleem. De effecten zijn lokaal, het water kan diep zijn, en het kan kort of lang duren.
In Laag Nederland (wat vaak ingericht is op het afvoeren van water binnen de beperkingen van het gemaalsysteem) is de waterdiepte gering over grote oppervlakken, en dat kan weken duren.

De auteurs leggen ook uit wat je niet met bovenstaande  kaart kunt. De kaart bevat als het ware alleen maar natuurkunde: hoe diep het water in bepaalde gebieden ruwweg is, en hoe lang het er ruwweg blijft staan. De inschatting van de maatschappelijke gevolgen moet nog beginnen, en nog meer de keuzes die daarbij gemaakt moeten worden.
Moeten er bijvoorbeeld woonwijken geëvacueerd worden?
Kan er een ziekenhuis onder lopen? En dan?
Kan de A2 bij Den Bosch opnieuw onderlopen? En dan?
Idem het (straks) ondergrondse busstation van Eindhoven?
Wat als het spooremplacement van Amersfoort onderloopt?

Enzovoort. Er liggen nog een heleboel forse fysieke, organisatorische en financiele uitdagingen.
Misschien ook wat meer doen aan een belangrijke verergerende factor  van het probleem, het klimaat?

Avond over voedselsysteem  en AHeijn-petitie

Milieudefensie Eindhoven eo. Heeft op 26 november 2025 een avond georganiseerd over het voedselsysteem en de, daarmee samenhangende, Albert Heijn-petitie. Het was in Lab-1.

Eerst bracht Mathilde de Jeu van de landelijke staf van Milieudefensie een presentatie over het voedselsysteem en de rol van de supermarkten daarin. Onder aan dit bericht is deze presentatie downloadbaar.
Het gaat over de verdeling van de broeikasgasuitstoot over de onderdelen van het voedselsysteem met als categorieën o.a. de boerderij, verpakkingen, transport, ontbossing en landdegradatie, en afval (lijst niet compleet, zie de presentatie)
De supermarkten zijn een soort poortwachter voor dit systeem, en hebben dus een belangrijke functie die ze niet adequaat invullen. De uitstoot over de hele voedselketen zou moeten halveren, maar daalt niet of nauwelijks of stijgt  soms zelfs.

(kort na deze avond kwam de Superlijst Groen 2025 uit, die een en ander cijfermatig onderbouwt. De Lidl komt van de grote ketens er veruit het beste uit. Zie https://milieudefensie.nl/actueel/superlist-report-nl-environment-2025-nl.pdf )

Na Mathilde de Jeu sprak Edwin Grootens, ook van de landelijke staf van Milieudefensie, over de Albert Heijn-petitie. Elders op deze site is daar meer over te lezen.

Tot slot heb ik verteld over waar de afdeling Eindhoven van Milieudefensie mee bezig is. Dat betreft op de eerste plaats de Albert Heijn-campagne (die vier dagen eerder van start gegaan was), medewerking aan demonstraties, andere bedrijf-en-klimaatzaken, maar ook het oppervlaktewater.
Zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af/ .

Tijdens de avond zijn enige tientallen ‘Smoestuintjes’ uitgezet.

De presentatie is hieronder te vinden.

Rijkswaterstaat experimenteert met duurzaam

Soms werkt een instantie onverstoorbaar door aan klimaatoplossingen en opschoning  van het milieu, zonder dat zich daar allerlei rechtsradicaal getetter tegen aan bemoeit. Bij Rijkswaterstaat (RWS) zie je dat. Men kan vinden dat RWS teveel wegen aangelegd heeft en nog legt, men kan vinden dat RWS de bestaande infrastructuur verwaarloosd heeft, maar deze meningen moeten in alle gevallen aan de politiek geadresseerd worden.
Rijkswaterstaat wil in 2030 klimaatneutraal zijn en alle benodigde elektriciteit dan zelf opwekken( https://www.rijkswaterstaat.nl/leefomgeving/energie-en-klimaat ) . Het verhaal als geheel is best wel interessant, maar in dit artikel een verbijzondering naar wegen, specifiek naar het innovatieprogramma innovA58 .

Directe aanleiding was een artikel in het Eindhovens Dagblad van 14 nov 2025 van Ruud Spoor, dat ik eenieder aanraad op wat-staat-daar-toch-naast-de-a58 . Het artikel gaat specifiek over de InnovA58 – proeftuin op en langs de A58 bij Oirschot, en dan op een specifiek persbericht dd 21 okt 2025 ( A58-start-testfase-vier-innovaties-tegen-stikstof-en-fijnstof )
InnovA58 omvat echter meer dan alleen maar de onderwerpen stikstof en fijn stof, en is sowieso niet de enige research-inspanning waarbij RWS betrokken is. Een ander initiatief  bijvoorbeeld betreft de ontwikkeling van fossielvrij asfalt (zie ook, voor een artikel uit 2023 op deze site, heeft-de-ouderwetse-asfaltcentrale-zijn-langste-tijd-gehad ).

Ik  ga er niet van uit dat het wondermiddelen zullen blijken te zijn (ik ben altijd een beetje sceptisch bij dit soort claims). Maar als ze werken, werken ze in elk geval de goede kant op. Hopelijk in significante mate.

Een beetje in het, ruim beschikbare, materiaal rondgeneusd.

De off grid-lichtmast op zonneenergie (Persbericht 15  nov 2025)

In de winter 2024-2025 testte RWS duurzame verlichting van Soluxio / Nedal bij InnovA58. De lichtmasten worden binnenkort geplaatst langs de A67.
De lichtmast bleek een goede oplossing voor locaties waar geen aansluiting op het bestaande elektriciteitsnet mogelijk is. De  mast werkt volledig op zonne-energie en slaat dit voor de nacht op in een ingebouwde batterij. De mast blijkt betrouwbaar te functioneren en wekt voldoende energie op om continu verlichting te bieden op momenten dat dat nodig is.
De eerste toepassing langs de A67 hangt samen met de introductie van Bus-op-Vluchtstrook op deze weg. Wanneer lijnbussen tijdens de spits over de vluchtstrook mogen rijden, moeten weggebruikers bij pech van parkeerhavens gebruik kunnen maken. Voor de veiligheid moeten deze in het donker verlicht zijn. Langs een deel van de A67 staan geen lichtmasten en ligt er geen elektriciteitskabel langs de weg. De off-grid lichtmast vormt hier een perfecte oplossing.

Anti-stikstof en fijn stof maatregelen
Vier ondernemingen bieden oplossingen aan om op InnovA58 te testen:

  • Het Italiaanse E-Bufaga werkt met filters en ventilatoren om fijn stof en, naar men zegt, ook stikstof uit de lucht te vangen. De website bufaga.com is weinig informatief over hoe ze dat doen. Wel wordt bestaande ervaring op serieuze projecten benoemd.
  • Bureau MIS7  biedt zijn Photofoboa-project aan ( mis7.nl/project/photobia/ ): een  geïntegreerd luchtreinigingssysteem in de geleiderail. Fijnstof wordt verwijderd via een elektrostatisch filter en stikstof wordt afgebroken met UV-licht en een fotokatalytische TiO2-coating.
    Volgens de eigen website moet dit systeem nog worden ontwikkeld.
  • Mycofarming is een startup vanuit de VU die schimmels willen kweken die stikstof en fosfor uit het water halen, en daarna als biomassa geoogst worden. ( mycofarming.nl en VUfonds_van-schimmel-tot-oplossing ) De schimmels moeten gaan groeien in zakken met hooi of houtsnippers die in het water gelegd worden van bijvoorbeeld de sloot langs de snelweg. De websites zijn weinig informatief over hoe men zich de business case moet voorstellen.
  • Reinasan BV wil een innovatieve versie van een fotokatalytische coating (TiO2 ) die onder invloed van UV uit zonlicht de stikstofoxiden afbreekt. Het is een wit pigment (titaanwit) op basis waarvan verf kan worden gemaakt. Eenmaal aangebracht (bijvoorbeeld op geluidsschermen of bruggen) houdt die het heel lang uit.
    Op zichzelf staat de fotokatalytische werking van TiO2  op stikstofoxides vast ( TiO2 en stikstofoxides_TUe ). Bij voorkeur in combinatie met water ontstaan in principe krachtige radicalen die de stikstofoxides verder oxideren tot in water opgelost nitraat. In hoeverre witte titaanverf op een geluidsscherm zich, met name bij droog weer, gedraagt zoals bedoeld, moet uit het onderzoek blijken.
    Reinasan BV ( https://reinasan.nl/ )  is een onderneming die zich vooral richt op het schoonhouden van oppervlakken, en niet op het bestrijden van luchtvervuiling.

De ervaring moet leren in hoeverre deze experimenten daadwerkelijk een deuk in de stikstofoxiden-boter slaan. Het testen is in elk geval een goede zaak.
Wie overigens nog een goed idee in de aanbieding heeft, kan bij RWS terecht.

Biobased asfalt
Rijkswaterstaat (RWS) wil van fossiel asfalt af. Daaraan wordt gewerkt in het eerder genoemd  publiek-private consortium Circuroad ( Circuroad ) . Het bindmiddel van het zand en grind moet plantaardig worden (zoals  restproducten uit de bosbouw, papierindustrie en de landbouw).
Op het InnovA58-compex liggen drie proefvakken met deze alternatieve asfaltsoorten.

In deze proefvakken zijn sensoren aangebracht, die permanent de conditie van het asfalt in de gaten houden ( Slimme-sensoren-geven-asfalt-een-stem en CIRCUROAD mijlpaal: proefvakken met biobased asfalt bij InnovA58). Op het laatste adres kan men ook de namen en inbreng van de deelnemende bedrijven vinden. 
Latexfalt bijvoorbeeld biedt niet-fossiele bindmiddelen aan op latexfalt_bindmiddelen-van-de-toekomst (voorlopige pagina) en van daaruit modiseal-full_bio  .
Esha biedt een bio-bindmiddel aan op esha.nl/asfalt-productie-en-verwerking/bio-bindmiddelen .
BituNed biedt een 100% biobindmiddel aan op bituned.nl/sealoflex-bio .

Er zit beweging in het onderwerp.

Update dd 08 december 2025

Op 05 december 2025 kondigden, Rijk, provincies en gemeenten aan dat ze een alliantie vormen om de kwaliteit en levensduur van asfalt te verbeteren en om de asfaltproductie te verduurzamen.
Het persbericht daarover van het Ministerie van I&W is te vinden op https://www.nieuwsienw.nl/home_old1717146098/3177211.aspx . Het persbericht van de bron is te vinden op https://www.duurzame-infra.nl/actueel/nieuws/2025/12/04/overheden-bundelen-krachten-voor-een-toekomstbestendige-asfaltketen .

 .

Laagvliegende en landende legerhelikopters in NBrabant

De context
Vanwege de toestand in de wereld wil Europa, en wil daarbinnen de Nederlandse staat, herbewapenen. Ik ben geen principiële pacifist en ik vind dat verworvenheden als de rechtsstaat, de diverse vrijheden en de democratie, voor zover aanwezig, verdedigd moeten worden tegen vijanden binnen en buiten bondgenootschappen, en binnen en buiten het eigen land, maar ik vind dat de militarisering doorslaat en veel verder gaat dan nodig.
Ik ga echter deze discussie verder niet in dit artikel aan.

Chinook-helikopter (website Defensie)

Gevolg van de verzwaarde taakstelling is dat de Nederlandse krijgsmacht in allerlei opzichten veel meer ruimte nodig heeft. Om die te vinden is het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) opgestart. De algemene filosofie wordt stapsgewijze getrechterd naar steeds concretere plannen.

Op 23 mei 2025 is het Ontwerp-NPRD uitgebracht annex een PlanMER deel A en idem deel B, een samenvatting van dit alles, en 34 bijlagen. Het betreft een flink pak, soms dikke, documenten. MER staat voor Milieu Effect Rapport.
Hierin worden besproken 44 behoeften met een min of meer lokaal karakter, alsmede 13 behoeften met een bovenregionaal karakter. Ik heb hierover toen niet op deze site geschreven.
Wie dit alles wil bekijken, inclusief de voorgeschiedenis, kan terecht op Inspraakpagina met alle documenten .

Het is een goede gewoonte in Nederland dat de onafhankelijke Commissie MER (CieMER) zich over grotere MER-ren buigt en dat is gebeurd. Op 28 oktober 2025 is het werkstuk van de CieMER uitgebracht. Het is te vinden op https://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/milieugevolgen-defensieplannen-grotendeels-in-beel (de pagina geeft een persbericht, met onderaan een link naar het hele rapport).
Ik gebruik het rapport van de CieMER als aanleiding voor dit artikel.

Sommige van de Defensiebehoeften roepen veel commentaar op, zoals de plaatsing van de F35-straaljagers, de grote nieuwe kazerne in Zeewolde, en de explosieven-oefenterreinen.
Deze site focust op Noord-Brabant, waar ook van allerlei dingen moeten. Erg veel zelfs, want Brabant is al heel lang behoorlijk gemilitariseerd, en nu dreigt dus nog meer.
Binnen Noord-Brabant focus ik mij in dit artikel op Defensiebehoefte XI (laagvliegende helikopters) en X!! (helikopterlandingsplaatsen). Niet dat ik de rest onbelangrijk vind, maar selectie van de aandacht is nodig en het verbaasde mij een beetje dat over dit onderwerp nog maar weinig geschreven is.

De CieMER redeneert anders dan Defensie
De CieMER spreekt op hoofdlijnen zijn waardering uit – temeer, daar Defensie niet eens verplicht is een PlanMER  te maken. De Omgevingswet biedt, desgewenst, de mogelijkheid tot ontheffing.
Neemt niet weg dat de CieMer wel het een en ander te verhapstukken heeft met Defensie. Het  komt er eigenlijk op neer dat sommige pakken papier nog niet dik genoeg zijn.

In zijn algemeenheid komt dat door een andere filosofie.

Defensie neemt per onderwerp een beperkt aantal eenvoudige kreten (luchtvervuiling is PM10 – waar je bij vliegtuigen overigens niets aan hebt); recreatie = het aantal wandelkilometer en het aantal overnachtingen (kun je opzoeken bij het CBS); biodiversiteit is vogels op de SOVONkaart.
Geluid en trillingen worden gewogen met de woningdichtheid in het laagvlieggebied. Dit soort principes worden dan 44+13 keer toegepast en zo krijg je eigenlijk 57 kleine PlanMER-retjes.  Breed, maar oppervlakkig.

De CieMER zit meer in de filosofie ‘smaller maar dieper’. Er moet dus van alles nader onderzocht worden.  (In hoeverre Defensie zich daar wat van aantrekt, staat overigens te bezien). De CieMER vindt dat Defensie geen ‘compleet en navolgbaar beeld’ geeft en  dat ‘aanvulling essentieel is’.

De CieMER vraagt zich bijvoorbeeld fijnzinnig af of de 57 deel-MERretjes samen hun doel bereiken (de formulering is van mij, niet van de CieMER). Kom je inderdaad aan het beoogde aantal van 2500 zinvolle en diverse  trainingsuren? Goede vraag.

Er zijn ernstige twijfels over de stikstof. De ‘Passende Beoordeling’ in de MER ziet dat zonnig in, vooropgesteld dat de benodigde maatregelen aantoonbaar effectief zijn. Maar dat is nu net het probleem: die zijn zo algemeen en vaag dat men hier niet zomaar staat op kan maken.

Ook vindt de CieMER dat de NPRD, in zijn algemeenheid, te weinig oog heeft voor de andere grote landelijke thema’s, zoals de woningbouwopgave, de energietransitie, natuurherstel, water en klimaat. Defensie vindt dat de impact daarop beperkt is en verwijst naar een rijkswerkgroep, zonder daar verder veel woorden aan vuil te maken. Dit kon wel eens tegenvallen, meent de CieMER.  Dit alles moet in dezelfde Nota Ruimte terecht komen.

De uitvoering van de NPRD-activiteiten vraagt om een algemeen monitorings- en evaluatieplan.

Laagvliegende helikopters in NBrabant
‘Laag’ betekent echt ‘laag’.
‘Normaal’ voor helikopters is dat ze boven aaneengesloten bebouwing, industrie- en haventgebieden en andere terreinen met veel mensen minstens op 275m hoogte boven het hoogste obstakel moeten vliegen, en daarbuiten op minstens 45m hoogte.
‘Laag’ betekent dus minder dan 45m, en dan zo laag als voor de taakuitoefening  nodig is.

Zijwaarts rekent het MER met een buffer van 600m t.o.v. de bebouwde kom, waarbij men interessante discussies kan ontwaren of ‘aaneengesloten bebouwing’ hetzelfde is als ‘bebouwde kom’ (bijvoorbeeld bij lintbebouwing of vakantieparken).

In het kaartje hierboven zijn de bestaande laagvlieggebieden in NBrabant met een gele rand weergegeven zonder arcering. Dat betreft twee gebieden: een flink blok van ongeveer de Grote Peel tot Venlo (MER-code B1) en de Oirschotse Heide (code B2). (De kaartjes in het MER zijn  vaak slecht te lezen.) Binnen gebied B1 moet dus rond de bebouwde kom een buffer van 600m vrijgehouden worden. De ingetekende gebieden zijn dus bruto: netto is veel minder.

Er zijn in den lande nu twaalf bestaande laagvlieggebieden. Na reductie van bruto naar netto blijft er vaak niet veel meer over als een veredeld ‘rondje rond de kerk’ en als piloot zijnde ken je dat op een gegeven moment wel uit je hoofd.
Daarom wil Defensie meer variatie in de oefenstof. Bovendien moet het aantal trainingsuren omhoog van 1400 naar 2500 per jaar en moet de ellende meer gespreid worden.

Daarom wil Defensie er acht laagvlieggebieden bij, waarvan twee in NBrabant.
Het betreft een lap grond (code N1) die aansluit aan, en ten westen ligt van, het bestaande gebied B1. De begrenzing is ongeveer de A67 in het Noorden, de spoorlijn Eindhoven-Weert in het westen, en een buffer ten Noorden van Weert in het Zuiden.
Verder betreft het een lap grond tussen de stedenrij Tilburg-Breda-Etten-Leur-Rucphen (met een buffer) en de Belgische grens.
Zowel in B1, N1 als in N2 zouden 125 vliegbewegingen per jaar moeten worden toegestaan. In B2 zijn 500 vliegbewegingen toegestaan.

De helikopters moeten vanaf Gilze-Rijen naar de betreffende gebieden vliegen. Dat doen ze niet ‘laag’ in de zin van onder de 45m, maar vaak  ook niet heel hoog boven die 45m. Die onderweg zijnde helikopters geven ook overlast, maar daaraan besteedt de laagvliegbijlage van de NPRD geen aandacht.

Apache op ‘tree top’-niveau

Defensie is uiterst karig met verwijzingen naar communicatie als er straks eenmaal gevlogen gaat worden, dus in de uitvoerende fase. Men kan zich voorstellen dat als er een Chinook op 30m hoogte over een manège met renpaarden vliegt, dat inpandig tot taferelen gaat leiden. De paardenbaas zal op zijn minst van tevoren willen weten dat dat gaat gebeuren. Defensie erkent dat dit nodig is, maar die gedachte wordt in het  geheel niet structureel uitgewerkt.

De CieMER brengt, specifiek over laagvliegende helikopters, een paar dingen in.

Defensie wil  niet aan geluid rekenen, want de vliegroutes zijn onvoorspelbaar en de Lden dus onberekenbaar. De CieMER is het hier niet mee eens en ziet de cumulatie van geluid, die met name in NBrabant kan plaatsvinden door jachtvliegtuigen en laagvliegende en landende helikopters. Defensie geeft geen inzicht bij hoeveel woningen hoeveel herrie gaat optreden.
Deze cumulatie kan ernstige gezondheidsaffecten opleveren.
De CieMER wijdt daarbij een passage aan de wijze van geluidsberekening. Dat doet de CieMER zowel  voor de F35 als voor laagvliegende helikopters. De commissie pleit er nadrukkelijk voor om niet alleen met de jaargemiddelde geluidssterkte te rekenen in Lden (of Ke, maar die gaat eruit), maar om ook hoogte en aantal van de piekgeluiden mee te nemen in de beoordeling. Een F35 kan 115dB(A) LAmax halen (bijna de pijngrens en gegarandeerd goed voor gehoorschade), maar een Apache op 20m boven je hoofd kan er ongetwijfeld ook wat van.
De CieMER is het er niet mee eens dat slaapverstoring niet als apart aandachtspunt meegenomen is.
Het algemene oordeel van de CieMER is dat deze geluidsproblematiek  veel grondiger moet worden aangepakt. Daarbij hoort een jaarlijkse  monitoring. Als het dan al onmogelijk is om vooraf vliegroutes te weten (en daarmee uitrekenbaar te maken), dan kan dat op zijn minst achteraf onderzocht worden.

Het aandachtsgebied luchtverontreiniging moet worden uitgebreid met (ultra)fijn stof en Zeer Zorgwekkende Stoffen.

Defensie moet aanvullende informatie geven over de impact van laagvliegende helikopters op rust- en slaapplaatsen van vogels en zeezoogdieren (Natura 2000- en weidevogelgebieden). In het bestaande resp. beoogde laagvlieggebied B1 en N1 liggen resp. bijvoorbeeld de Grote Peel en de Strabrechtse Heide, met zijn vennen).

Landende helikopters in NBrabant
Defensie wil ook het aan de grond zetten van helikopters, en de daarbij horende, militaire operaties oefenen. Op dit moment landen er helikopters op twee bestaande Brabantse oefenterreinen (De Vijf Eiken en de Oirschotse Heide). Impliciet lijkt het erop dat het aantal landingen op de twee bestaande terreinen gelijk blijft, maar dat staat niet met zoveel woorden op papier.
Defensie wil op negen bestaande oefenterreinen, waar dat nu niet gebeurt, het landen met helikopters mogelijk maken. Bovenstaande kaart en legenda geven aan wat de bedoeling is.
Het is de bedoeling dat, over heel Nederland, het aantal landingen stijgt van 5320 naar 24000.

Voor dit onderwerp gelden in de bijlage bij de NPRD, die over helikopterlandingsplaatsen gaat, overwegingen die vergelijkbaar met, maar niet identiek zijn aan die rond laagvliegen. Er worden ‘proxy-kenmerken’ gezocht die op zich niet absurd zijn en die objectiveerbaar zijn, maar die bij elkaar per terrein toch een oppervlakkige indruk geven:

  • Natura2000 en Natuur Netwerk Nederland en stikstof – welke criteria overigens geen dwingend karakter hebben
  • afstand tot stiltegebied – evenmin een dwingend karakter heeft,
  • infrastructuur als gasleidingen en hoogspanningsleidingen (dwingend, er staat niet bij hoe)
  • de aanwezigheid van kwetsbare bestemmingen als woningen.

Woningen worden in rekening gebracht met een buffer-afstand van 200m tussen woningen en locaties waar 750 landingen per jaar toegestaan (gaan) worden, en een buffer van 400m tussen woningen en locaties waar 3500 landingen per jaar toegestaan (gaan) worden. In beide gevallen leidt dat (volgens Defensie) tot 55dB aan de gevel, waarbij Defensie niet specificeert wat met ‘dB’ bedoeld wordt (max? Lden ? etmaalgemiddeld?).
Uit deze beperking komen contouren voort rond woningen die over een oefenterrein kunnen liggen. Dit lijkt dwingend. Het oefenterrein kan dan gebruikt worden voor zover het buiten de contouren ligt.

Ter illustratie de omgevingskaart van OT De  Vijf Eiken bij Rijen.

De CieMER volgt dezelfde algemene lijn als hiervoor geschetst bij de laagvliegende helikopters, met een belangrijke plaats voor de onderbouwdheid van de  geluidsberekeningen en de geluidscumulatie.
De Cie MER wijst erop, dat Defensie doet alsof alle heli’s op precies één plek op de hei landen (en kmt van daaruit  tot de 55dB), maar in praktijk zal er verspreid geland worden.
Verder benoemt de CieMER twee rapporten van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum(NLR), een over geluid en de andere over luchtkwaliteit en stikstof. Deze studies zijn als bijlage AXVII resp. AXVIII te vinden op de eerder genoemde weblocatie waar alle documenten staan. De CieMER vindt “vanwege de mogelijke ernst van de gezondheidseffecten een nadere toelichting op deze effecten en extra onderzoek daarnaar noodzakelijk”.

Verder wijst de CieMER er op dat het gevaar van natuurbranden moet worden meegenomen. Intensiever gebruik leidt tot een intensievere kans daarop (zie eerder op deze site https://www.bjmgerard.nl/pfos-in-eindhovense-landsardplas-toch-van-vliegveld-afkomstig/ ).
De meeste Brabantse oefenterreinen liggen op droge zandgrond.

Reparatie van de plannen nodig
Afsluitend meen ik, dat het NPRD-product van Defensie, hoe imposant ook in de breedte, nog forse reparatiewerkzaamheden nodig heeft voor het definitief wordt.

Milieudefensie trapt A Heijn-actie af

Op zaterdag 22 november 2025 heeft Milieudefensie op 31 locaties in Nederland de Albert Heijn – petitie-actie afgetrapt.
Ik heb georganiseerd aan, en meegeholpen met de actie bij de Albert Heijn in het Winkelcentrum Woensel in Eindhoven. Zie hierboven. We hebben daar 165 Smoestuintjes uitgezet en een tiental direct ingevulde petities. Smoestuintjes lijken op de ‘moestuintjes’ van Albert Heijn, maar zijn ‘smoes’ omdat Albert Heijn een hoop PR tegen zijn imago aangooit, maar niet of nauwelijks levert wat de onderneming belooft.

De petitietekst, waar je voor kunt tekenen, is:

Daarom roepen wij Albert Heijn en Ahold Delhaize op:
 Neem je verantwoordelijkheid als grote speler en verminder je uitstoot.
 Maak plantaardig eten de makkelijke, betaalbare keuze voor iedereen.
 Maak biologische producten geen luxe, maar betaalbaar voor iedereen.

Inhoudelijke informatie op www.milieudefensie.nl/albert-heijn en daar de ‘veelgestelde vragen’.

Hieronder wat plaatjes van een smoestuintje (de ‘ribbe’ is ongeveer 7cm)..

Als je ook wilt meedoen, ga naar bit.ly/smoestuintjes
Onder op de smoestuintjes staat een QR-code (zie hieronder) die na inscannen bij hetzelfde adres uitkomt.

EU-consumentenrecht verbiedt misleidende duurzaamheidsclaims van o.a. Transavia, Ryanair en WizzAir

Er lopen twee processen tegelijk.

Het ICPEN (International Consumer Protection and Enforcement Network, https://www.icpen.org/ ) is een internationale organisatie waarin ruim 70 organisaties zitten die de consument moeten beschermen. Voor Nederland is de Autoriteit Consument en Markt,  ACM, lid ( https://www.acm.nl/nl ).  17 van deze organisaties (zowel organisaties binnen als buiten Europa) hebben op 22 mei 2025 een open brief geschreven aan een groot aantal luchtvaartmaatschappijen. Het protest in de open brief ging over onbewezen duurzaamheidsclaims die de luchtvaartmaatschappijen de wereld inslingeren.
Een samenvatting van de open brief van het ICPEN is op de site van de ACM te vinden ( internationale-toezichthouders-roepen-luchtvaartsector-op-om-duurzaamheidsclaims-te-controleren ). De Open Brief zelf is integraal te downloaden vis icpen.org/news/1420 .
De mondiale luchtvaartsector is goed voor ca 3% van de door mensen geloosde CO2 -emissie, aldus de ICPEN-brief. Daarnaast leidt het vliegen op grote hoogte ook tot opwarmende effecten, anders dan door CO2 . De sector groeit sterk, aldus het ICPEN,  en maatregelen zijn urgent nodig.
Consumenten die een vlucht boeken en het milieuaspect daarbij willen betrekken, moeten kunnen vertrouwen op de informatie van de luchtvaartmaatschappijen over hun duurzaamheidsinspanningen. Misleidende duurzaamheidsclaims schaden niet alleen consumenten, maar ook bedrijven die zich positief willen onderscheiden met hun duurzaamheidsinspanningen. Zij ondervinden oneerlijke concurrentie van bedrijven die misleidende duurzaamheidsclaims gebruiken. Aldus nog steeds het ICPEN.

Parallel aan het initiatief van het ICPEN is er ook een initiatief vanuit het consumentenrecht van de EU ( commission.europa.eu_consumer-protection-cooperation-regulation ). Dit Europese initiatief wordt in Nederland eveneens gedragen door de ACM. Vertrekpunt voor het EU-initiatief is een gezamenlijke actie na een klacht van de Europese consumentenorganisatie BEUC, waar de Consumentenbond deel van uitmaakt (zie acm.nl_acm-en-europese-consumententoezichthouders-luchtvaart-moet-stoppen-met-greenwashing ). We spreken dan over 30 april 2024.
In deze ‘CPC-actie’ worden 21 luchtvaartmaatschappijen aangesproken op misleidende duurzaamheidsclaims. Dat betreft de in de EU gevestigde ondernemingen Air Baltic, Air Dolomiti, Air France, Austrian Airlines, Brussels Airlines, Eurowings, Easyjet, Finnair, KLM, Lufthansa, Luxair, Norwegian, Ryanair, SAS, SWISS, TAP, Transavia France, Transavia CV, Volotea, Vueling, en Wizz Air.
Van hen vliegen Transavia, Ryanair en Wizz Air regelmatig op Eindhoven Airport.

In hun aanpak stellen de twee parallel lopende initiatieven vergelijkbare eisen, waarbij hier de formulering van de EU gevolgd wordt omdat die meer juridische kracht heeft en rechtstreeks uitwerking heeft op Nederlandse luchthavens, waaronder Eindhoven Airport.

Het EU-initiatief heeft verschillende misleidende duurzaamheidsclaims aangetroffen bij de Europese luchtvaartmaatschappijen. Zij zijn aangesproken op de volgende misleidende claims:

  • gebruik van absolute duurzaamheidsclaims als ‘duurzaam’, ‘groen’ en ‘verantwoordelijk’ en bijbehorende visuele claims als groene blaadjes.
  • suggestie wekken dat CO2-uitstoot van een vlucht vermindert of teniet kan worden gedaan door te investeren in klimaatprojecten of door extra te betalen voor ‘duurzame’ brandstof (‘sustainable aviation fuel’).
  • gebruik van term ‘duurzame’ brandstof zonder uit te leggen wat het duurzaamheidsvoordeel is. Ook moet duidelijk vermeld worden dat deze brandstof op dit moment nog maar zeer beperkt beschikbaar is en dus in zeer kleine hoeveelheden wordt gebruikt.
  • claimen dat de luchtvaart in de toekomst bepaalde duurzaamheidsdoelen gaat halen zonder uit te leggen welke stappen worden gezet en hoe dit wordt gecontroleerd.
  • consument een calculator bieden waarmee je je CO2-uitstoot van jouw vlucht kunt berekenen zonder onderbouwing van de gebruikte methode.
  • consumenten een vergelijking bieden van de CO2-uitstoot per vlucht zonder toelichting waarop dit is gebaseerd.

Op 06 november 2025 maakte de ACM bekend dat de 21 Europese luchtvaartmaatschappijen hun claim aanpassen ( 21-luchtvaartmaatschappijen-passen-misleidende-claims-aan-na-actie-europese-toezichthouders ).
De luchtvaartmaatschappijen hebben de volgende toezeggingen besproken:

  • te verduidelijken dat CO2-uitstoot van een vlucht niet vermindert of teniet kan worden gedaan door te investeren in klimaatprojecten of door extra te betalen voor alternatieve brandstoffen
  • de term ‘sustainable aviation fuels’ (SAF) alleen te gebruiken als dit voldoende wordt onderbouwd
  • als zij claims over duurzaamheidsinspanningen doen, mogen ze geen gebruikmaken van absolute claims als ‘duurzaam’ en bijbehorende visuele claims als groene blaadjes
  • claims over duurzaamheidsdoelen in de toekomst te onderbouwen
  • de berekening en vergelijking van CO2-uitstoot van een vlucht duidelijk weer te geven en te onderbouwen.

De meeste luchtvaartmaatschappijen hebben de aanpassingen doorgevoerd (onduidelijk is welke). De nationale toezichthouders zullen de aanpassingen die zijn toegezegd monitoren. Luchtvaartmaatschappijen die misleidende claims blijven gebruiken riskeren handhaving van de individuele EU-lidstaten.

Stijgend de emissies van de luchtvaart, dalend wat er nog geëmitteerd kan worden (Factshett Peeters-Melkert, Tweede Kamer, juni 2021)