Laagvliegende en landende legerhelikopters in NBrabant

De context
Vanwege de toestand in de wereld wil Europa, en wil daarbinnen de Nederlandse staat, herbewapenen. Ik ben geen principiële pacifist en ik vind dat verworvenheden als de rechtsstaat, de diverse vrijheden en de democratie, voor zover aanwezig, verdedigd moeten worden tegen vijanden binnen en buiten bondgenootschappen, en binnen en buiten het eigen land, maar ik vind dat de militarisering doorslaat en veel verder gaat dan nodig.
Ik ga echter deze discussie verder niet in dit artikel aan.

Chinook-helikopter (website Defensie)

Gevolg van de verzwaarde taakstelling is dat de Nederlandse krijgsmacht in allerlei opzichten veel meer ruimte nodig heeft. Om die te vinden is het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) opgestart. De algemene filosofie wordt stapsgewijze getrechterd naar steeds concretere plannen.

Op 23 mei 2025 is het Ontwerp-NPRD uitgebracht annex een PlanMER deel A en idem deel B, een samenvatting van dit alles, en 34 bijlagen. Het betreft een flink pak, soms dikke, documenten. MER staat voor Milieu Effect Rapport.
Hierin worden besproken 44 behoeften met een min of meer lokaal karakter, alsmede 13 behoeften met een bovenregionaal karakter. Ik heb hierover toen niet op deze site geschreven.
Wie dit alles wil bekijken, inclusief de voorgeschiedenis, kan terecht op Inspraakpagina met alle documenten .

Het is een goede gewoonte in Nederland dat de onafhankelijke Commissie MER (CieMER) zich over grotere MER-ren buigt en dat is gebeurd. Op 28 oktober 2025 is het werkstuk van de CieMER uitgebracht. Het is te vinden op https://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/milieugevolgen-defensieplannen-grotendeels-in-beel (de pagina geeft een persbericht, met onderaan een link naar het hele rapport).
Ik gebruik het rapport van de CieMER als aanleiding voor dit artikel.

Sommige van de Defensiebehoeften roepen veel commentaar op, zoals de plaatsing van de F35-straaljagers, de grote nieuwe kazerne in Zeewolde, en de explosieven-oefenterreinen.
Deze site focust op Noord-Brabant, waar ook van allerlei dingen moeten. Erg veel zelfs, want Brabant is al heel lang behoorlijk gemilitariseerd, en nu dreigt dus nog meer.
Binnen Noord-Brabant focus ik mij in dit artikel op Defensiebehoefte XI (laagvliegende helikopters) en X!! (helikopterlandingsplaatsen). Niet dat ik de rest onbelangrijk vind, maar selectie van de aandacht is nodig en het verbaasde mij een beetje dat over dit onderwerp nog maar weinig geschreven is.

De CieMER redeneert anders dan Defensie
De CieMER spreekt op hoofdlijnen zijn waardering uit – temeer, daar Defensie niet eens verplicht is een PlanMER  te maken. De Omgevingswet biedt, desgewenst, de mogelijkheid tot ontheffing.
Neemt niet weg dat de CieMer wel het een en ander te verhapstukken heeft met Defensie. Het  komt er eigenlijk op neer dat sommige pakken papier nog niet dik genoeg zijn.

In zijn algemeenheid komt dat door een andere filosofie.

Defensie neemt per onderwerp een beperkt aantal eenvoudige kreten (luchtvervuiling is PM10 – waar je bij vliegtuigen overigens niets aan hebt); recreatie = het aantal wandelkilometer en het aantal overnachtingen (kun je opzoeken bij het CBS); biodiversiteit is vogels op de SOVONkaart.
Geluid en trillingen worden gewogen met de woningdichtheid in het laagvlieggebied. Dit soort principes worden dan 44+13 keer toegepast en zo krijg je eigenlijk 57 kleine PlanMER-retjes.  Breed, maar oppervlakkig.

De CieMER zit meer in de filosofie ‘smaller maar dieper’. Er moet dus van alles nader onderzocht worden.  (In hoeverre Defensie zich daar wat van aantrekt, staat overigens te bezien). De CieMER vindt dat Defensie geen ‘compleet en navolgbaar beeld’ geeft en  dat ‘aanvulling essentieel is’.

De CieMER vraagt zich bijvoorbeeld fijnzinnig af of de 57 deel-MERretjes samen hun doel bereiken (de formulering is van mij, niet van de CieMER). Kom je inderdaad aan het beoogde aantal van 2500 zinvolle en diverse  trainingsuren? Goede vraag.

Er zijn ernstige twijfels over de stikstof. De ‘Passende Beoordeling’ in de MER ziet dat zonnig in, vooropgesteld dat de benodigde maatregelen aantoonbaar effectief zijn. Maar dat is nu net het probleem: die zijn zo algemeen en vaag dat men hier niet zomaar staat op kan maken.

Ook vindt de CieMER dat de NPRD, in zijn algemeenheid, te weinig oog heeft voor de andere grote landelijke thema’s, zoals de woningbouwopgave, de energietransitie, natuurherstel, water en klimaat. Defensie vindt dat de impact daarop beperkt is en verwijst naar een rijkswerkgroep, zonder daar verder veel woorden aan vuil te maken. Dit kon wel eens tegenvallen, meent de CieMER.  Dit alles moet in dezelfde Nota Ruimte terecht komen.

De uitvoering van de NPRD-activiteiten vraagt om een algemeen monitorings- en evaluatieplan.

Laagvliegende helikopters in NBrabant
‘Laag’ betekent echt ‘laag’.
‘Normaal’ voor helikopters is dat ze boven aaneengesloten bebouwing, industrie- en haventgebieden en andere terreinen met veel mensen minstens op 275m hoogte boven het hoogste obstakel moeten vliegen, en daarbuiten op minstens 45m hoogte.
‘Laag’ betekent dus minder dan 45m, en dan zo laag als voor de taakuitoefening  nodig is.

Zijwaarts rekent het MER met een buffer van 600m t.o.v. de bebouwde kom, waarbij men interessante discussies kan ontwaren of ‘aaneengesloten bebouwing’ hetzelfde is als ‘bebouwde kom’ (bijvoorbeeld bij lintbebouwing of vakantieparken).

In het kaartje hierboven zijn de bestaande laagvlieggebieden in NBrabant met een gele rand weergegeven zonder arcering. Dat betreft twee gebieden: een flink blok van ongeveer de Grote Peel tot Venlo (MER-code B1) en de Oirschotse Heide (code B2). (De kaartjes in het MER zijn  vaak slecht te lezen.) Binnen gebied B1 moet dus rond de bebouwde kom een buffer van 600m vrijgehouden worden. De ingetekende gebieden zijn dus bruto: netto is veel minder.

Er zijn in den lande nu twaalf bestaande laagvlieggebieden. Na reductie van bruto naar netto blijft er vaak niet veel meer over als een veredeld ‘rondje rond de kerk’ en als piloot zijnde ken je dat op een gegeven moment wel uit je hoofd.
Daarom wil Defensie meer variatie in de oefenstof. Bovendien moet het aantal trainingsuren omhoog van 1400 naar 2500 per jaar en moet de ellende meer gespreid worden.

Daarom wil Defensie er acht laagvlieggebieden bij, waarvan twee in NBrabant.
Het betreft een lap grond (code N1) die aansluit aan, en ten westen ligt van, het bestaande gebied B1. De begrenzing is ongeveer de A67 in het Noorden, de spoorlijn Eindhoven-Weert in het westen, en een buffer ten Noorden van Weert in het Zuiden.
Verder betreft het een lap grond tussen de stedenrij Tilburg-Breda-Etten-Leur-Rucphen (met een buffer) en de Belgische grens.
Zowel in B1, N1 als in N2 zouden 125 vliegbewegingen per jaar moeten worden toegestaan. In B2 zijn 500 vliegbewegingen toegestaan.

De helikopters moeten vanaf Gilze-Rijen naar de betreffende gebieden vliegen. Dat doen ze niet ‘laag’ in de zin van onder de 45m, maar vaak  ook niet heel hoog boven die 45m. Die onderweg zijnde helikopters geven ook overlast, maar daaraan besteedt de laagvliegbijlage van de NPRD geen aandacht.

Apache op ‘tree top’-niveau

Defensie is uiterst karig met verwijzingen naar communicatie als er straks eenmaal gevlogen gaat worden, dus in de uitvoerende fase. Men kan zich voorstellen dat als er een Chinook op 30m hoogte over een manège met renpaarden vliegt, dat inpandig tot taferelen gaat leiden. De paardenbaas zal op zijn minst van tevoren willen weten dat dat gaat gebeuren. Defensie erkent dat dit nodig is, maar die gedachte wordt in het  geheel niet structureel uitgewerkt.

De CieMER brengt, specifiek over laagvliegende helikopters, een paar dingen in.

Defensie wil  niet aan geluid rekenen, want de vliegroutes zijn onvoorspelbaar en de Lden dus onberekenbaar. De CieMER is het hier niet mee eens en ziet de cumulatie van geluid, die met name in NBrabant kan plaatsvinden door jachtvliegtuigen en laagvliegende en landende helikopters. Defensie geeft geen inzicht bij hoeveel woningen hoeveel herrie gaat optreden.
Deze cumulatie kan ernstige gezondheidsaffecten opleveren.
De CieMER wijdt daarbij een passage aan de wijze van geluidsberekening. Dat doet de CieMER zowel  voor de F35 als voor laagvliegende helikopters. De commissie pleit er nadrukkelijk voor om niet alleen met de jaargemiddelde geluidssterkte te rekenen in Lden (of Ke, maar die gaat eruit), maar om ook hoogte en aantal van de piekgeluiden mee te nemen in de beoordeling. Een F35 kan 115dB(A) LAmax halen (bijna de pijngrens en gegarandeerd goed voor gehoorschade), maar een Apache op 20m boven je hoofd kan er ongetwijfeld ook wat van.
De CieMER is het er niet mee eens dat slaapverstoring niet als apart aandachtspunt meegenomen is.
Het algemene oordeel van de CieMER is dat deze geluidsproblematiek  veel grondiger moet worden aangepakt. Daarbij hoort een jaarlijkse  monitoring. Als het dan al onmogelijk is om vooraf vliegroutes te weten (en daarmee uitrekenbaar te maken), dan kan dat op zijn minst achteraf onderzocht worden.

Het aandachtsgebied luchtverontreiniging moet worden uitgebreid met (ultra)fijn stof en Zeer Zorgwekkende Stoffen.

Defensie moet aanvullende informatie geven over de impact van laagvliegende helikopters op rust- en slaapplaatsen van vogels en zeezoogdieren (Natura 2000- en weidevogelgebieden). In het bestaande resp. beoogde laagvlieggebied B1 en N1 liggen resp. bijvoorbeeld de Grote Peel en de Strabrechtse Heide, met zijn vennen).

Landende helikopters in NBrabant
Defensie wil ook het aan de grond zetten van helikopters, en de daarbij horende, militaire operaties oefenen. Op dit moment landen er helikopters op twee bestaande Brabantse oefenterreinen (De Vijf Eiken en de Oirschotse Heide). Impliciet lijkt het erop dat het aantal landingen op de twee bestaande terreinen gelijk blijft, maar dat staat niet met zoveel woorden op papier.
Defensie wil op negen bestaande oefenterreinen, waar dat nu niet gebeurt, het landen met helikopters mogelijk maken. Bovenstaande kaart en legenda geven aan wat de bedoeling is.
Het is de bedoeling dat, over heel Nederland, het aantal landingen stijgt van 5320 naar 24000.

Voor dit onderwerp gelden in de bijlage bij de NPRD, die over helikopterlandingsplaatsen gaat, overwegingen die vergelijkbaar met, maar niet identiek zijn aan die rond laagvliegen. Er worden ‘proxy-kenmerken’ gezocht die op zich niet absurd zijn en die objectiveerbaar zijn, maar die bij elkaar per terrein toch een oppervlakkige indruk geven:

  • Natura2000 en Natuur Netwerk Nederland en stikstof – welke criteria overigens geen dwingend karakter hebben
  • afstand tot stiltegebied – evenmin een dwingend karakter heeft,
  • infrastructuur als gasleidingen en hoogspanningsleidingen (dwingend, er staat niet bij hoe)
  • de aanwezigheid van kwetsbare bestemmingen als woningen.

Woningen worden in rekening gebracht met een buffer-afstand van 200m tussen woningen en locaties waar 750 landingen per jaar toegestaan (gaan) worden, en een buffer van 400m tussen woningen en locaties waar 3500 landingen per jaar toegestaan (gaan) worden. In beide gevallen leidt dat (volgens Defensie) tot 55dB aan de gevel, waarbij Defensie niet specificeert wat met ‘dB’ bedoeld wordt (max? Lden ? etmaalgemiddeld?).
Uit deze beperking komen contouren voort rond woningen die over een oefenterrein kunnen liggen. Dit lijkt dwingend. Het oefenterrein kan dan gebruikt worden voor zover het buiten de contouren ligt.

Ter illustratie de omgevingskaart van OT De  Vijf Eiken bij Rijen.

De CieMER volgt dezelfde algemene lijn als hiervoor geschetst bij de laagvliegende helikopters, met een belangrijke plaats voor de onderbouwdheid van de  geluidsberekeningen en de geluidscumulatie.
De Cie MER wijst erop, dat Defensie doet alsof alle heli’s op precies één plek op de hei landen (en kmt van daaruit  tot de 55dB), maar in praktijk zal er verspreid geland worden.
Verder benoemt de CieMER twee rapporten van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum(NLR), een over geluid en de andere over luchtkwaliteit en stikstof. Deze studies zijn als bijlage AXVII resp. AXVIII te vinden op de eerder genoemde weblocatie waar alle documenten staan. De CieMER vindt “vanwege de mogelijke ernst van de gezondheidseffecten een nadere toelichting op deze effecten en extra onderzoek daarnaar noodzakelijk”.

Verder wijst de CieMER er op dat het gevaar van natuurbranden moet worden meegenomen. Intensiever gebruik leidt tot een intensievere kans daarop (zie eerder op deze site https://www.bjmgerard.nl/pfos-in-eindhovense-landsardplas-toch-van-vliegveld-afkomstig/ ).
De meeste Brabantse oefenterreinen liggen op droge zandgrond.

Reparatie van de plannen nodig
Afsluitend meen ik, dat het NPRD-product van Defensie, hoe imposant ook in de breedte, nog forse reparatiewerkzaamheden nodig heeft voor het definitief wordt.

Milieudefensie trapt A Heijn-actie af

Op zaterdag 22 november 2025 heeft Milieudefensie op 31 locaties in Nederland de Albert Heijn – petitie-actie afgetrapt.
Ik heb georganiseerd aan, en meegeholpen met de actie bij de Albert Heijn in het Winkelcentrum Woensel in Eindhoven. Zie hierboven. We hebben daar 165 Smoestuintjes uitgezet en een tiental direct ingevulde petities. Smoestuintjes lijken op de ‘moestuintjes’ van Albert Heijn, maar zijn ‘smoes’ omdat Albert Heijn een hoop PR tegen zijn imago aangooit, maar niet of nauwelijks levert wat de onderneming belooft.

De petitietekst, waar je voor kunt tekenen, is:

Daarom roepen wij Albert Heijn en Ahold Delhaize op:
 Neem je verantwoordelijkheid als grote speler en verminder je uitstoot.
 Maak plantaardig eten de makkelijke, betaalbare keuze voor iedereen.
 Maak biologische producten geen luxe, maar betaalbaar voor iedereen.

Inhoudelijke informatie op www.milieudefensie.nl/albert-heijn en daar de ‘veelgestelde vragen’.

Hieronder wat plaatjes van een smoestuintje (de ‘ribbe’ is ongeveer 7cm)..

Als je ook wilt meedoen, ga naar bit.ly/smoestuintjes
Onder op de smoestuintjes staat een QR-code (zie hieronder) die na inscannen bij hetzelfde adres uitkomt.

EU-consumentenrecht verbiedt misleidende duurzaamheidsclaims van o.a. Transavia, Ryanair en WizzAir

Er lopen twee processen tegelijk.

Het ICPEN (International Consumer Protection and Enforcement Network, https://www.icpen.org/ ) is een internationale organisatie waarin ruim 70 organisaties zitten die de consument moeten beschermen. Voor Nederland is de Autoriteit Consument en Markt,  ACM, lid ( https://www.acm.nl/nl ).  17 van deze organisaties (zowel organisaties binnen als buiten Europa) hebben op 22 mei 2025 een open brief geschreven aan een groot aantal luchtvaartmaatschappijen. Het protest in de open brief ging over onbewezen duurzaamheidsclaims die de luchtvaartmaatschappijen de wereld inslingeren.
Een samenvatting van de open brief van het ICPEN is op de site van de ACM te vinden ( internationale-toezichthouders-roepen-luchtvaartsector-op-om-duurzaamheidsclaims-te-controleren ). De Open Brief zelf is integraal te downloaden vis icpen.org/news/1420 .
De mondiale luchtvaartsector is goed voor ca 3% van de door mensen geloosde CO2 -emissie, aldus de ICPEN-brief. Daarnaast leidt het vliegen op grote hoogte ook tot opwarmende effecten, anders dan door CO2 . De sector groeit sterk, aldus het ICPEN,  en maatregelen zijn urgent nodig.
Consumenten die een vlucht boeken en het milieuaspect daarbij willen betrekken, moeten kunnen vertrouwen op de informatie van de luchtvaartmaatschappijen over hun duurzaamheidsinspanningen. Misleidende duurzaamheidsclaims schaden niet alleen consumenten, maar ook bedrijven die zich positief willen onderscheiden met hun duurzaamheidsinspanningen. Zij ondervinden oneerlijke concurrentie van bedrijven die misleidende duurzaamheidsclaims gebruiken. Aldus nog steeds het ICPEN.

Parallel aan het initiatief van het ICPEN is er ook een initiatief vanuit het consumentenrecht van de EU ( commission.europa.eu_consumer-protection-cooperation-regulation ). Dit Europese initiatief wordt in Nederland eveneens gedragen door de ACM. Vertrekpunt voor het EU-initiatief is een gezamenlijke actie na een klacht van de Europese consumentenorganisatie BEUC, waar de Consumentenbond deel van uitmaakt (zie acm.nl_acm-en-europese-consumententoezichthouders-luchtvaart-moet-stoppen-met-greenwashing ). We spreken dan over 30 april 2024.
In deze ‘CPC-actie’ worden 21 luchtvaartmaatschappijen aangesproken op misleidende duurzaamheidsclaims. Dat betreft de in de EU gevestigde ondernemingen Air Baltic, Air Dolomiti, Air France, Austrian Airlines, Brussels Airlines, Eurowings, Easyjet, Finnair, KLM, Lufthansa, Luxair, Norwegian, Ryanair, SAS, SWISS, TAP, Transavia France, Transavia CV, Volotea, Vueling, en Wizz Air.
Van hen vliegen Transavia, Ryanair en Wizz Air regelmatig op Eindhoven Airport.

In hun aanpak stellen de twee parallel lopende initiatieven vergelijkbare eisen, waarbij hier de formulering van de EU gevolgd wordt omdat die meer juridische kracht heeft en rechtstreeks uitwerking heeft op Nederlandse luchthavens, waaronder Eindhoven Airport.

Het EU-initiatief heeft verschillende misleidende duurzaamheidsclaims aangetroffen bij de Europese luchtvaartmaatschappijen. Zij zijn aangesproken op de volgende misleidende claims:

  • gebruik van absolute duurzaamheidsclaims als ‘duurzaam’, ‘groen’ en ‘verantwoordelijk’ en bijbehorende visuele claims als groene blaadjes.
  • suggestie wekken dat CO2-uitstoot van een vlucht vermindert of teniet kan worden gedaan door te investeren in klimaatprojecten of door extra te betalen voor ‘duurzame’ brandstof (‘sustainable aviation fuel’).
  • gebruik van term ‘duurzame’ brandstof zonder uit te leggen wat het duurzaamheidsvoordeel is. Ook moet duidelijk vermeld worden dat deze brandstof op dit moment nog maar zeer beperkt beschikbaar is en dus in zeer kleine hoeveelheden wordt gebruikt.
  • claimen dat de luchtvaart in de toekomst bepaalde duurzaamheidsdoelen gaat halen zonder uit te leggen welke stappen worden gezet en hoe dit wordt gecontroleerd.
  • consument een calculator bieden waarmee je je CO2-uitstoot van jouw vlucht kunt berekenen zonder onderbouwing van de gebruikte methode.
  • consumenten een vergelijking bieden van de CO2-uitstoot per vlucht zonder toelichting waarop dit is gebaseerd.

Op 06 november 2025 maakte de ACM bekend dat de 21 Europese luchtvaartmaatschappijen hun claim aanpassen ( 21-luchtvaartmaatschappijen-passen-misleidende-claims-aan-na-actie-europese-toezichthouders ).
De luchtvaartmaatschappijen hebben de volgende toezeggingen besproken:

  • te verduidelijken dat CO2-uitstoot van een vlucht niet vermindert of teniet kan worden gedaan door te investeren in klimaatprojecten of door extra te betalen voor alternatieve brandstoffen
  • de term ‘sustainable aviation fuels’ (SAF) alleen te gebruiken als dit voldoende wordt onderbouwd
  • als zij claims over duurzaamheidsinspanningen doen, mogen ze geen gebruikmaken van absolute claims als ‘duurzaam’ en bijbehorende visuele claims als groene blaadjes
  • claims over duurzaamheidsdoelen in de toekomst te onderbouwen
  • de berekening en vergelijking van CO2-uitstoot van een vlucht duidelijk weer te geven en te onderbouwen.

De meeste luchtvaartmaatschappijen hebben de aanpassingen doorgevoerd (onduidelijk is welke). De nationale toezichthouders zullen de aanpassingen die zijn toegezegd monitoren. Luchtvaartmaatschappijen die misleidende claims blijven gebruiken riskeren handhaving van de individuele EU-lidstaten.

Stijgend de emissies van de luchtvaart, dalend wat er nog geëmitteerd kan worden (Factshett Peeters-Melkert, Tweede Kamer, juni 2021)

Tussenstand ING-proces van Milieudefensie

Ik heb, met enkele andere mensen uit onze Eindhovense Milieudefensiegroep, de aanbieding van de dagvaarding, ter opening van een juridische klimaatprocedure tegen ING, bijgewoond. Zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-biedt-dagvaarding-ing-aan-bij-hoofdingang-directie-afwezig/ .
Milieudefensie stuurde mij daarom op 10 nov 2025 een tussenbericht over hoe het ervoor stond. Ik heb hieronder dat tussenbericht, na enige niet-essentiële redactionele bewerking, afgedrukt.

Dagvaarding naar ING
Op 28 maart bezorgde Milieudefensie de dagvaarding samen met honderd veranderaars en mede-eisers bij het hoofdkantoor van ING. Dat gebeurde  in de vorm van een ‘stapel bewijs’ van 239 archiefdozen, symbolisch voor de 239 bewijsstukken die samen met de dagvaarding zelf het startschot vormden van onze klimaatzaak. Dit kunstwerk, ontworpen door Pauline Wiersema, maakt tot februari 2026 deel uit van de expositie Designing Democracy. In Need of New Dialogues , die tijdens de Dutch Design Week werd geopend.
Voor wat beeldmateriaal over deze expositie, zie https://www.bjmgerard.nl/ik-als-cocreerend-kunstenaar/

Er is veel interesse in deze klimaatzaak, wat onder andere bleek uit belangrijke internationale persaandacht voor onze zaak van bijvoorbeeld Bloomberg en Wall Street Journal  , en uit het feit dat de Milieudefensie On Tour op 10 april in TivoliVredenburg de grootste editie was tot nu toe.

Hoe gaat de rechtszaak nu verder?
De afgelopen weken heeft Milieudefensie met ING en de rechtbank overlegd over het vervolg van het proces. Er is afgesproken dat ING zijn antwoord op de dagvaarding, de zogenaamde ‘Conclusie van Antwoord’, op 18 februari inlevert bij zowel de rechtbank als bij Milieudefensie. Dit document zal honderden pagina’s bevatten met argumenten van ING, waarschijnlijk ook vergezeld door honderden bewijsstukken. Nadat ING zijn stukken heeft ingeleverd, zal Milieudefensie, samen met ING en de rechtbank, beslissen over het vervolg van het proces, zoals wanneer de hoorzittingen zullen zijn.

Recent heeft de Franse bank BNP Paribas in een vergelijkbare klimaatzaak in Frankrijk hun Conclusie van Antwoord afgemaakt. Milieudefensie bestudeert deze nu, en doet voorbereidend onderzoek naar belangrijke thema’s in BNP’s argumentatie, omdat te verwachten valt  dat de argumenten van ING vergelijkbaar zullen zijn.

De campagne
Deze  rechtszaak zit nu dus even in een ‘wachtperiode’. Milieudefensie doet voorbereidend onderzoek en houdt de dossiers goed bij, maar wacht ook op antwoord van ING voordat er weer echt grote stappen gezet gaan worden in de rechtszaak.

Maar Milieudefensie is een campagneorganisatie – de organisatie doet veel meer dan rechtszaken alleen. Daarom zijn is Milieudefensie  nu bezig met de voorbereiding van een grote ING-campagne die eind dit jaar van start gaat. Nader nieuws volgt..

Ondertussen blijft Milieudefensie ook het slechte beleid en de vieze financieringen van ING aan het licht brengen. Zie hier bijvoorbeeld een onderzoek van Follow the Money  naar ING’s financiering van zogenaamde ‘carbon bombs’ en nieuwe olie- en gasvelden. Of hun onderzoek  naar zakelijke klanten van ING.

De trap op in De Bijlmer op weg naar het ING-kantoor

Proefboring naar aardwarmte in Nuenen afgerond

De proefboring in actie op 08 mei 2025_foto www.bjmgerard.nl

In het kader van het nationale geologische onderzoeksprogramma  SCAN heeft in de woonkern Stad van Gerwen van de gemeente Nuenen een proefboring plaatsgevonden. Puur wetenschappelijk gezien, moest de boring uitwijzen informatie opleveren over aardlagen tot bijna 1900m onder NAP. Van een van deze lagen, de z.g. laag van Breda, moest beoordeeld worden in hoeverre die laag poreus genoeg was om stromend water mogelijk te maken.
Het beoogde doel daarvan is een eerste indruk geven van de mogelijkheden van geothermie in het gebied. De praktische mogelijkheden hangen overigens van meer factoren af dan alleen maar een gunstige geologische structuur.

Het persbericht van SCAN is te vinden op scanaardwarmte.nl/onderzoeksboring-in-stad-van-gerwen .

Dd dit artikel waren er op de site nog geen uitkomsten te vinden, ook niet op de site waarnaar doorverwezen werd  https://www.nlog.nl/ .
Er stond wel een interview in het Eindhovens Dagblad (01 nov 2025) met Marten ter Borgh van Energie Beheer Nedeerland (EBN), het publieke energiebedrijf van de Nederlandse staat. Ter Borgh stelde dat de Laag van Breda, in elk geval op deze locatie, inderdaad waterdoorlatend genoeg is om geothermie technisch mogelijk te maken. De laag van Breda strekt zich uit onder het Oosten van NBrabant en het midden van Limburg.
De waterdoorlatendheid is nodig, omdat water op de ene locatie in de grond gepompt worden en er verderop, op een andere locatie, weer uitgehaald wordt. Tijdens de tocht van de ene put naar de andere neemt het water de aanwezige warmte op.
Die aanwezige warmte wordt niet in real time vervangen. Op een gegeven moment is het doublet dus uitgewerkt en moet er (na 30 jaar of zo) een nieuw komen.

In Nederland neemt de temperatuur in de ondergrond toe met ongeveer3oC per honderd meter diepte. De 500m tot 900m diepte van de Formatie van Breda is dus goed voor temperaturen die 15 tot 27oC warmer zijn dan die dicht onder het maaiveld.

Twee diepere lagen, die van Voort en die van Berg, bleken onvoldoende waterdoorlatend.

(website SCAN)

Voor woningen kunnen temperaturen in deze orde van grootte zinvol zijn als directe bron als de woning erop ingericht is (dat kan vooral in nieuwe, energiezuinige huizen), of als eerste stap in de woningverwarming bij oudere huizen (dan resulteert het in energiebesparing).
In beide gevallen is stadsverwarming nodig.

Een bedrijfstak die veel interesse heeft in geothermie, en die ook een voldoend grote omvang kan hebben deze warmte te absorberen, is de glastuinbouw. Het blad van Glastuinbouw Nederland ( glastuinbouwnederland.nl/nieuws/eerste-resultaten-geothermische-boring-stad-van-gerwen-beschikbaar ) geeft dan ook nog extra informatie over de proefboring.

Een ecocertificaat voor zonneparken

Ter inleiding
Grootschalige zonneparken roepen soms de kritiek op dat ze de bodem eronder verarmen en, en meer algemeen, ecologisch slecht zijn. Dat is niet geheel zonder reden en ook niet geheel met reden, want de afwezigheid van zonneparken (en de aanwezigheid van fossiele verbranding) roept nog meer ecologische schade op.

Een tweede reden is dat er in een vergunning vaak bij staat dat de inrichting – zinvol of niet –  na zoveel jaar weer moet worden afgebroken, en dat de grond weer voor de oorspronkelijke bedoeling gebruikt moet kunnen worden.

Zonneparken in Brabant. Dit is een uitvergrote still van de interactieve Arcgis-kaart . https://www.arcgis.com/apps/mapviewer/index.html?webmap=58d4f473f7fe4eef998edc7182dd1988&extent=6.2199,52.951,6.4735,53.0172 Er staan alle parken op die t/m 2024 gerealiseerd zijn.

Hetzij vanuit een positieve, hetzij vanuit een negatieve insteek wordt er al een aantal jaren gestudeerd op aanleg- en beheerplannen die een zonnepark ecologisch neutraal of zelfs positief is ten opzichte van de oorspronkelijke functie van de grond. Bij een zwaar bemeste, hartstikke dode maisakker is alles al gauw een verbetering.

Onlangs heeft dit tot de studie ‘EcoCertified Solar Parks’ geleid. Dit product is te vinden op EcoCertified  Solar Parks openbaar eindrapport 2025.pdf .  Er staat een artikel over in SOLAR 365 op groen-label-voor-zonneparken .

In de literatuurlijst van de studie staat een verwijzing naar de studie “Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland” uit 2021. Ik heb op deze site deze studie  gebruikt in een artikel zonneparken-en-ecologie-van-beweringen-naar-wetenschap . Er staan ook oudere artikelen over het onderwerp zonnepark-bodem-landbouw op mijn site, maar ik ga ze niet allemaal noemen.

Wel wil ik nog melding maken van een ander proces, dat tot eind 2022 parallel liep aan bovengenoemd proces, namelijk SolarEcoPlus, dat zich vooral bezig hield met bifaciële panelen (PV-panelen met twee actieve kanten). Zie https://www.bjmgerard.nl/solarecoplus/ .

In de aanloop naar de EcoCertified Solar Parks – studie is deze studie organisatorisch gekoppeld aan de SolarEcoPlus-studie. Er werkten dezelfde instituten aan, dus dat scheelde tijd.

Dit het park Lungendonk 20, Someren, dat aangelegd is door TP Solar. Ten tijde van de foto (april 2022) was men nog met de inrichting bezig Zie ook https://www.tpsolar.nl/lungendonk/ . Voordat het zonnepark werd, was dit akkerbouwgrond. Foto www.bjmgerard.nl

Er zat een zwaar gezelschap op het onderzoek: Wageningen voor de leiding en voor nieuwe methodes om biodiversiteit te meten, TNO berekende welke opstellingen tot welke bodembelichting ging leiden en hoeveel dat kostte, bureau Eelerwoude deed het veldwerk  en het vegetatiebeheer, en de branchevereniging Holland Solar vertegenwoordigde tien zonnepark-ontwikkelaars, die samen 18 zonneparken opengesteld hebben voor onderzoek.
Ook de Natuur- en Milieu Federaties waren betrokken.
Bovenstaand park Lungendonk 20 (gemeente Someren) van TP Solar is een van die 18.

Vegetatiebeheer
De basis van alles is wat er aan planten groeit. Dat hangt weer van veel dingen af: de bodemsoort, hoeveel licht de bodem bereikt en hoe lang (uitgedrukt als percentage van vol daglicht), hoe het regenwater toegang heeft, en hoe de vegetatie kort gehouden wordt.

Dat is sterk situatiegebonden en sowieso moet dus elk nieuw park eigenlijk een vegetatiebeheerplan maken (als men tenminste een eco-certificaat wil).

Men wilde vier vegatatiebeheerprocedures onderzeken:

  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel laten liggen
  • Volgens een vast schema maaien en het maaisel afvoeren
  • Resultaatgericht maaien (maaien als de vegetatie erom vraagt)
  • Drukbegrazing met schapen (drukbegrazing betekent dat je er korte tijd veel schapen opzet. Die beesten vreten dan alles en als je er lange tijd weinig schapen op zet, vraten ze alleen wat ze lekker vinden)

In alle  gevallen moet er gefaseerd gemaaid worden, dus het terrein bij stukjes en beetjes afwerken.

Men had het leuk bedacht: op 12 parken elk 4*1 hectare voor elk van de vier types beheer, en dan kijken wat er met de vegetatie gebeurde en met de vlinders en de vleermuizen en de spinnen en de mijten en het ondergrondse gewoel, en de bodemkoolstof.
Helaas, toen kwam Corona en soms was het te nat om te maaien en soms week de mindset en het leefritme van de diertjesvrijwilligers een beetje af van dat van de parkeigenaren. Dus er is wel een hoop ervaring opgedaan met vegetatiebeheer op zonneparken en hoe je daarvoor met schapen moet omgaan, maar niet welke beheersvorm welke consequenties heeft voor grotere en kleinere wilde beestjes.
Op basis van de ervaring lijkt bijvoorbeeld vegetatiebeheer op het Lungendonkpark moeilijk. De robotmaaier wordt overal gestuit door balken en geen schaap kan onder het lage uiteinde van de PV-panelen. (Gebruik ook geen lammetjes, want die klimmen op de panelen als die lager dan 60cm boven de grond liggen).

Wat wel en niet werkt als vegetatiebeheermaatregel

Bodemkoolstof en bovengrondse en ondergrondse flora en fauna in het onderzoek
Zolang men de onbeantwoorde vraag naar de fauna-effecten van vegetatiebeheer buiten beschouwing laat, zijn er op basis van het onderzoek bij de 18 parken uitspraken mogelijk.
Bovendien is er oudere literatuur en modelberekeningen regenen niet weg.
En sommige maatregelen kan men ook wel zonder academische titel bedenken (bijvoorbeeld dat als je hazen en egels binnen wilt hebben, die onder het hek door moeten kunnen, of door een klein gat). En dat vleermuizen graag een rij bomen hebben als geleide van A naar B, was ook al wel bekend.
Tussen de panelen en langs de rand van het veld blijkt het spinnen- en insectenleven te vergelijken  soms met intensieve, soms met extensieve graslanden. Onder de panelen is bij reëel bestaande zonneparken de situatie een stuk slechter.
Vogels gedijen beter op zonneparken dan op zwaar bemest grasland of maisakkers, voelen zich meer senang bij extensief beheer van het zonnepark en zitten het liefste in de rand van het zonnepark.
Vleermuizen blijken niet graag bij  zonneparken te verblijven (althans niet van die nu reëel bestaan).

Deze tabel berust op een andere proef op een eigen stukje weiland in Wageningen. Bij 40% opvallend licht wordt dan 4,81 ton bovengrondse biomassa per hectare per jaar geproduceerd. Daarvan is 42% koolstof. Die wordt geacht onder de grond te eindigen. Als dit regime 30 jaar wordt volgehouden, is de hoeveelheid organische stof in de bodem 2% hoger dan hij geweest zou zijn zonder zonnepark. Het inzaaien van schaduwtolerante planten verbetert dit resultaat.

De bodemkoolstof en daarmee de ondergrondse beestjes (bijvoorbeeld regenwormen en nematoden)  blijken sterk van de hoeveelheid opvallend licht af te hangen. De ondergrondse biomassa volgt de bovengrondse.
Bij minder dan 8% van vol daglicht,, gaat het organische stofgehalte (en daarmee ook de ondergrondse beestjes) snel achteruit. Dergelijke parken bestaan, maar het tegendeel ervan ook. Binnen de onderzochte 18 parken ontvangt bij park Wagenborgen 78% van de grond onder de panelen minder dan 10% licht, terwijl dat bij park Haringvliet slechts 12% van de grondoppervlakte betreft (bij Lungendonk zit 36% van de grond onder de 10% licht). .
Tussen de 20 en 30% gaat het organisch stof-gehalte langzaam achteruit en bij 40% belichting blijft het dus grofweg hetzelfde (zie bovenstaande tabel) .

Met enig gesprokkel en geïmproviseer is er een verhaal uitgekomen.
Het uiteindelijke certificaat is op doorontwikkeling gebouwd en verwacht veel feedback te krijgen van de toekomstige praktijk. Dat zou wel eens waar kunnen zijn.

Wat je ecologisch zou willen
Ecologische meerwaarde van zonneparken hangt men op aan drie uitgangspunten annex richtlijnen::

  • Een gezonde bodem.
    Op de donkerste plekken moet de belichting minstens 20% van daglicht zijn. In praktijk leidt dat op de lange duur tot een soort (bodemafhankelijke) referentiewaarde.
    Regenwater moet gelijkmatig over de bodem verdeeld worden. Dat betekent spleten tussen de PV-panelen.
    Bodemverdichting en schade aan drainages moet voorkomen worden.
  • Het bereiken van Basiskwaliteit Natuur in de vorm van ecologisch functionele graslanden.
    Minstens 18% van het park blijft onbedekt, hetzij tussen, hetzij rond de panelen. De minimale afstand tussen rijen panelen moet minstens 2,5m zijn (wat overigens ook voor het maaibeheer nodig is).
    Afhankelijk van de situatie 1 tot 3* per jaar maaien en het maaisel afvoeren. Het park gefaseerd maaien.
    Geen pesticiden.
  • Versterking van bestaande, lokale natuurwaarden en landschappelijke inpassing
    Genoemd wordt een aantal natuurlijke elementen en minimumvereisten daarvan, zoals bomenrijen, watergangen, faunapassages en dergelijke.

Natuurkundige voorbeeldkengetallen. Op de horizontale as de hellingshoek, op de vertikale as het percentage zonnepark dat bedekt is met panelen, en weergegeven het aantal vollasturen links en de opbrengst van het park per m2 park.
Zo zijn er ook fimanciële kengetallen.

In combinatie met de economie
Uiteraard willen de exploitanten dat de kWh-prijs van de geproduceerde stroom niet teveel omhoog gaat door de ombouw naar ecologisch. Moet je eerst weten hoe je dat zou moeten berekenen.

TNO heeft daartoe een bestaand kostenmodel, in samenspraak met de branche-organisatie Holland Solar, uitgebreid en geactualiseerd. Er gaan natuurkundige en financiële kengetallen in en voor een bepaald type constructie komt er dan, via een Netto Contante Waarde-berekening over 15 jaar, uit wat het per kWh extra kost om de opstelling ecologisch verantwoord te maken.
Het ene deel van de berekening gaat ‘klassiek’: bouw plus exploitatie  en geen ecologie. Eelerwoude levert de cijfers om het extra maaibeheer te kunnen berekenen.

 De linkse, tweezijdige Oost-West opstelling, is ecologisch een ramp en het extra maaien zou €6,50 per 100m2 paneel kosten – en dan heb je mogelijk ook nog een ARBO-probleem. Schapen, als het al lukt om die onder de opstelling te krijgen, kost de helft.

De rechtse, zonvolgende opstelling staat in Bockelwitz-Polditz aan de Mulde in Duitsland (bij de 18 onderzochte opstellingen zat niet een dergelijke constructie) kost ecologisch maaibeheer niets extra’s. Dit is ongeveer het andere uiterste.

Deze bestaande mogelijkheden zijn, in combinatie met de sector, geoptimaliseerd. Toegevoegd zijn de gedachte om brede spleten tussen de panelen toe te staan (wat uiteraard tot grotere tafels leidt) en/of om de panelen enigszins transparant te maken. In beide gevallen brengt dat de belichting onder de panelen op 15 of 20% te brengen.

Het uiteindelijke label
Uiteindelijk is er gekozen voor een systeem met zes thema’s (hierboven de zes grote groene hokken), en verspreid over die zes thema’s 25 indicatoren. Elke indicator levert maximaal vijf punten (die soms dubbel of half meetellen in het eindresultaat). Sommige van die indicatoren moeten perse voldoende zijn (>=3).
De ondergrens voor bijvoorbeeld de indicator ‘Bodembelichting’ “bijvoorbeeld luidt “Minimale bodembelichting van 10% op het gehele terrein; daarnaast voor de bodem onder en tussen tafels minimale bodembelichting van 15% op minimaal 60% van het terrein; en minimale bodembelichting van 40% op minimaal 25% van het terrein (conform huidige bodembelichtingstoets). Schaduwtolerante plantensoorten moeten ingezaaid worden om de afname van bodemgezondheid te beperken.
Dit is beter dan huidige situatie bij de bestaande parken, maar niet goed genoeg als eindsituatie.

Zo zijn er twaalf ondergrenzen.
Een andere ondergrens is bijvooorbeeld dat er van een extensief beheerd agrarisch perceel moet worden uitgegaan (men kan dus niet ecologisch een natuurgebied vol zetten met PV-panelen).

Dit is de manier waarop gerekend wordt.
Lees dit als volgt: Thema 01 ‘uitgangspunten ontwikkeling’  telt  de indicator ‘voormalig grondgebruik’ die op een schaal van 1 t/m 5 één maal meetelt, en de indicator ‘koppelkansen natuur’ (ook weer van 1 t/m 5) die een half maal meetelt. Maximum van dit thema dus 7.5, voldoende (de ondergrens) is 3.

Het label wordt voor vijf jaar afgegeven en de eisen worden eens par jaar of twee jaar geactualiseerd.  Daarbij wordt de ondergrens stapsgewijze opgehoogd.
Er hoort een organisatie bij die de certificaten aflevert  The Greenlabel Institute ( https://www.thegreenlabelinstitute.org/  ) en een personeelsbestand aan adviseurs en beoordelaars.

Omdat de uitkomsten afhangen van de gekozen constructie van de PV-panelen, is het systeem in eerste instantie bedoeld voor nieuwe situaties. Maar het staat een exploitant vrij om zijn bestaande park te toetsen aan het label – maar dat is dan vrijblijvend.

Uiteindelijk hoopt de sector er vier belangrijke voordelen mee te winnen:

• Aantoonbare meerwaarde flora en fauna en bodemgezondheid voor investeerders
• Toegang tot subsidies en andere financiële stimuleringsregelingen
• Verbeterde concurrentiepositie in duurzame aanbestedingen
• Helpen in de beeldvorming naar buurtbewoners en andere stakeholders

Nog nieuwe zonneparken?
Een ding is jammer, en dat is dat de Voorkeursvolgorde Zon zo aangescherpt is door (toen nog) minister Jetten, dat het bijna onmogelijk is om nog een regulier zonnepark te bouwen. Zie https://www.bjmgerard.nl/bijna-verbod-op-zonneparken-een-slechte-zaak/ .
De laatste aanscherping in dit verband dateert van 2023, en valt dus in de looptijd van het onderzoek naar dit label. Het maakte de stemming er niet beter op. Feitelijk is er dus nu een label ontwikkeld voor zonneparken op landbouwgrond, die niet meer gerealiseerd mogen worden. Hoera!

Ondertussen wordt, zoals het er nu voor staat,  ook de salderingsregeling afgeschaft en moeten mensen betalen voor teruglevering aan het net. De groei van de productie van zonne-energie op ondergronden, die wel binnen de Voorkeursvolgorde passen, ligt ook stiil.

Misschien dat de nieuwe “sterke man” Jetten zich eens op zijn zonne-energiestandpunten moet gaan bezinnen.

En zo ziet uiteindelijk het certificaat er uit

Luchtmetingen in ZO Brabant in 2024

Ter inleiding
Vanaf 2020 is er in  ZO Brabant een meetnet opgericht om kennis op te doen van de luchtkwaliteit in de regio. Het heet  ILM2 (Innovatief Lucht Meetsysteem, versie 2).
Doel is bewustwording, het bieden van handelingsperspectieven en het ontwikkelen van samenwerkingsvormen voor een gezondere regio. De meeste deelnemers hebben ook het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend, waardoor ze streven naar minstens 50% gezondheidswinst in 2030 t.o.v. 2016.

Het ILM2 heeft geen juridische kracht, maar alleen bestuurlijke invloed.

Ligging van de ILM2 in 2024

 Na wat aanloopeffecten leidt het meetnet nu tot een jaarlijks rapport. Het laatste heet ‘Jaarrapportage 2024 Regionaal Meetnet ILM2 in ZO Brabant’ (okt 2025) en is te vinden op https://publications.tno.nl/publication/34645069/OcepxZJz/TNO-2024-R12915.pdf . Eindverantwoordelijk is TNO, er is academische medewerking van het RIVM en het IRAS-instituut van de Universiteit van Utrecht.
Bestuurlijk berust het ILM2, behalve bij  genoemde instellingen, bij de gemeente Eindhoven, de provincie NBrabant, de GGD Brabant Zuidoost en bij de oorspronkelijke initiatiefnemer, de maatschappelijke organisatie AiREAS.
Financieel wordt het gedragen door de provincie, de Omgevingsdienst ZO Brabant (ODZOB), de 21 gemeenten binnen de MRE-regio Eindhoven-Helmond (minus Bladel), en de gemeenten Boxtel en Meierijstad (die niet in het MRE-gebied liggen).
De ruwe data zijn te vinden op https://ilm2.site.dustmonitoring.nl/ (dat zijn momentane data) of op https://samenmeten.rivm.nl/dataportaal/ .
Het dagelijks beheer zit bij de ODZOB, die tevens een periodieke Nieuwsbrief uitgeeft over aspecten van het onderwerp. De, gelijktijdig met de Jaarrapportage uitgekomen Nieuwsbrief, gaat bijvoorbeeld ook over een nieuw samenwerkingsproject in de Peel, over een houtstookstudie in Heemskerk, over ammoniakmetingen en over roet (dat nog niet binnen het ILM2 gemeten wordt).
De informatie kan bij de ODZOB opgevraagd worden onder https://odzob.nl/meetnet .

Voor een eerder artikel op deze site, zie https://www.bjmgerard.nl/luchtmeting-door-meetnetten-en-burgergroepen-in-zo-brabant/ .

Kenmerken van het systeem
Alle ILM-meetlocaties meten PM10, PM2.5, PM1 en NO2  (PM10 betekent Particulate Matter met een diameter <10µm)).
Het systeem heeft in 2024 goed gefunctioneerd. 2024 was het eerste jaar waarin men de NO2 – metingen fatsoenlijk onder de knie had.

Eén van de 53 CAIREboxes van het ILM

Het systeem gebruikte 53 meetlocaties, als volgt verdeeld:

  • 26 meetlocaties in stedelijk gebied, waarvan 4 in Helmond en 22 in Eindhoven (aldaar verdeeld over diverse typen locaties)
  • 3 bij het vliegveld. Behalve bovengenoemde vier categorieën meten deze drie sensoren ook Ultra Fine Particles (UFP). UFP is in feite PM0.1, met als verschil dat de deeltjes geteld worden per cm3, , terwijl de grotere deeltjes gewogen worden
  • 20 in het buitengebied , waarvan 16 in het kader van het ILM gefinancieerd en 4 los daarvan door de gemeenten Best, Oirschot en Reusel
  • 4 tijdelijke (1 in Nuenen en 3 in Eersel om houtrook te meten)

Individuele sensoren zijn niet vreselijk nauwkeurig: foutmarge in een losse meting van één sensor orde van grootte van 20%. Het signaal wordt sterker bij meer metingen van meer sensoren.

Er kunnen onder andere foutschattingen gemaakt worden omdat er in de regio al veel langer een beperkter meetsysteem bestaan, namelijk het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Dat heeft vier stations in de regio, nl de verkeersbelaste locaties Genovevalaan en Noordbrabantlaan in Eindhoven, de stadsachtergrond in de Veldhovense Europalaan, en het buitengebied in de Vredepeel (Ten noordoosten van Deurne, net in Limburg).

De twee systemen gebruiken verschillende meettechnieken, maar corresponderen onder elkaar redelijk.

Trends
Tussen de oogharen doorkijkend, en zonder toe te spitsen op afzonderlijke issues, kan men een paar zaken waarnemen.

  • Het systeem draait nog maar een paar jaar, dus statistiek is sowieso moeilijk. De luchtvervuiling lijkt een beetje af te nemen, maar dat kan ook liggen aan de neerslag. 2022 was een erg droog jaar en 2023 en 2024 waren erg natte jaren en neerslag maakt de lucht schoner.
  • De achtergrond wordt gedefinieerd als de meetwaarde waaronder nog maar 10% van het aantal metingen ligt.
    Voor PM10 en PM2.5 kan men er beste de vervuiling zien als soort deken die over een groot gebied ligt, aan welke deken de regionale  bronnen betrekkelijk weinig toevoegen (bij PM10 en PM2.5 bestaat grofweg tweederde van de jaar- en plaatsgemiddeld gemeten concentratie (voor PM10 is dat 15,7µg/m3 en voor PM2.5 is dat 9,9µg/m3 ) uit achtergrond, en een derde uit regionale toevoeging.
    Bij NO2  is ongeveer 60% van de jaar- en plaatsgemiddeld gemeten concentraties regionale of lokale toevoeging. Dat komt omdat NOgekoppeld is aan verbrandingsmotoren, en daarmee aan het verkeer.
  • Luchtvervuiling in de regio treedt  vooral in de winter op. Er wordt dan meer gestookt (waaronder hout), en de grenslaaghoogte (waaronder de atmosfeer mengt)zakt omlaag.

Een jaargemiddeld weekverloop in de zomer en de winter

Houtstook
De effecten van houtstook komen aan de orde in het kader van de regionale verhoging van de PM2.5 – concentraties (dat stond al in de rapportage over 2023). Voorlichting en het gebruik van de Stookwijzer kunnen, aldus het rapport, de eerste stappen zijn voor gemeenten om actie op te ondernemen. In het Omgevingsplan kan houtstook verder in beeld worden gebracht om een meer (gebieds-)gerichte aanpak vorm te geven. En er kunnen alternatieve verwarmingswijzen aangeboden worden.

De gemeente Eersel heeft eind 2024 drie tijdelijke meetstations neergezet om de effecten van houtstook te meten. De uitkomsten hiervan komen in de rapportage over 2025 aan de orde.

Over het eigen luchtmeetnet van de gemeente Eersel, zie https://www.eersel.nl/meetnet-luchtkwaliteit-en-geluid-eersel .

WHO-richtlijnen en de komende EU-norm voor de luchtkwaliteit
De WHO heeft in 2005 richtlijnen gepubliceerd voor maximale atmosferische concentraties van PM10; PM2.5; en NO2 .  Een richtlijn is een aanbeveling.
De EU, en daarna de nationale overheden, kunnen juridisch bindende normen vaststellen. Met de nu geldende EU-normen worden de WHO-richtlijnen uit 2005 gedeeltelijk uitgevoerd.
In 2021 heeft de WHO nieuwe richtlijnen uitgebracht. Die zijn een stuk scherper (zie o.a. https://schoneluchtakkoord.nl/nieuwe-who-advieswaarden-luchtkwaliteit_SLA ).
In reactie daarop heeft de EU nieuwe, en eveneens scherpere normen, vastgesteld die vanaf 2030 moeten gaan gelden.

In de Jaarrapportage 2024 wordt de verwachting uitgesproken dat de PM10-concentraties nagenoeg altijd aan de EU-regels zullen voldoen.
Zelfs in het natte jaar 2024 spande het er al om voor PM2.5, zowel jaar- als daggemiddeld.
Wat betreft NO2 kan er in 2030 een probleem optreden langs drukke wegen in een droog jaar.
PM2.5 en NOzijn aandachtspunten die om maatregelen vragen.

Het buitengebied en de PM10-metingen
De meetstations in het buitengebied leiden niet tot een echt informatief verhaal.
Meetstation I33 (langs de A50 bij Son) springt er uit met één hoge, onverklaarde piek (mogelijk een boer die ploegt bij droog  en stoffig weer of zoiets). I42 en I45 springen er dit jaar uit en vorig jaar niet, en voor de stations I43 en I44 geldt het omgekeerde.
Zowel de veeteelt, als boerenwerk op het land, als onverharde paden als droog of nat weer kunnen een rol spelen. Dit vraagt om nader onderzoek.

Stedelijk gebied: vooral verkeer en NO2
Afgezien van een idioot hoge fijnstof-piek op 06 mei 2024 door vuurwerk ter gelegenheid van het kampioenschap van PSV (bij weinig wind), valt er niet veel interessants te vermelden over fijn stof. De concentraties daarvan volgen ongeveer de achtergrond die als een deken over de regio heen ligt.

Alleen NO2 vertoont duidelijke lokale effecten vanwege het autoverkeer.

Bedacht moet worden dat NO2 niet onschuldig is – er is niet voor niets een norm voor.
Zie https://www.bjmgerard.nl/reusachtig-nederlands-onderzoek-naar-luchtvervuiling-en-sterfte/ : 10µg/m3  NO2 meer leidt tot 3% meer algemene sterfte.

De Jaarrapportage 2024 toont daarvan enkele illustratieve voorbeelden, waarvan ik er twee geef.

In Helmond worden op dezelfde locatie auto’s geteld, en wordt NO2 gemeten (meetstation I52 langs de Kasteeltraverse).  Gemiddeld over januari 2024  geeft dat bovenstaand weekverloop.
Bij de door het autoverkeer veroorzaakte wisselingen in de NO2 – concentratie is de wisselende achtergrondconcentratie opgeteld, veroorzaakt omdat er in die maand midden in de week een paar keer een zwakke oostenwind stond (dat jaagt de achtergrond omhoog).
Jaargemiddeld zat dit punt (in het natte jaar 2024) voor NO2  op 19,7µg/m3 , dus een aandachtslocatie vanwege de EU-grenswaarde in 2030 van 20µg/m3 .

Hierboven een vergelijking van het jaargemiddelde weekverloop op basis van metingen op de zeer drukke Eindhovense Ring,  en op basis van metingen binnen de Ring (in Eindhoven is dat de Zero Emission-Zone).
Men ziet dat de milieuzoe het, in vergelijking met de Ring, ongeveer hetzelfde doe bij PM10, een beetje beter bij PM2.5 , en duidelijk zichtbaar beter bij NO2 . Dat is wat men ongeveer zou verwachten.
Jaargemiddeld zitten de twee meetpunten op de Ring (Botenlaan en Beukenlaan) rond de 147µg/m3 ,, dus binnen de nieuwe EU-grenswaarde in 2030.

Twee meetstations volgen een industriële inrichting.
Meetstation I19 staat aan de Kanaaldijk nabij DAF Trucks, en dat station ziet niets bijzonders (gewoon het stedelijk gemiddelde).
Meetstation I28 staat op het dak van het Klokgebouw langs de Beukenlaan (Ring) en ziet de emissies van de ongeveer even hoge pijp van de biomassacentrale van Ennatuurlijk , die er pal tegenover staat aan de andere kant van de straat. In deze condities ziet men een verschil met de gemiddelde waardes voor de regio als geheel. Als de pluim uit de pijp, verder weg waait, worden deze concentraties verdund.
Meetstation I28 staat ook aan de Beukenlaan, maar dan op de grond, en ziet iets gemiddelde hogere PM-concentraties dan die van de regio als geheel.

Het luchthavengebied en Ultrafijn stof (UFP)
Er is op deze site al vaker aandacht besteed aan het vliegveld (en omgeving), en aan de luchtvervuiling  in het algemeen en daarbinnen aan het de UltraFine Particles (UFP) in het bijzonder. Zie (onder andere) https://www.bjmgerard.nl/luchtmetingen-op-en-rond-eindhoven-airport-in-2022/ .

Het vliegveld is van 07-23 uur open is (met wat ongeplande uitloop), en daarbuiten dicht.

Het vliegveld ligt niet in een niemandsland. Er is zeer druk verkeer op het nabije (oostelijk gelegen) A2/N2 systeem, en flink wat verkeer van en naar en nabij de ingang.

Er liggen bij het vliegveld drie meetstations, I02 op de kop van de startbaan aan de ZW-kant, I14 idem aan de NO-kant, en I25 naast de baan, nabij de ingang en nabij het platform. De drie meetpunten staan hierboven aangegeven. Ze meten wat andere meetstations ook meten, en meten bovendien UFP (weergegeven in aantallen per cm3 ).
Van die meetpunten ligt I02 (zuidwestkant) het verst van alle verstoring door  andere bronnen af. Dit punt weerspiegelt het getrouwste het vliegveld – sec.

Een en ander wordt weerspiegeld in de windrozen per punt. I02 reageert vooral op de startbaan en geeft overdag de grootste concentraties als de wind over de startbaan uit het noordoosten komt. I25 reageert overdag vooral op het platform. ’s Nachts reageren de meetstations op andere bronnen in de omgeving, met name op de A2/N2.

Als men de drie meetstations apart jaargemiddeld meet (dus ook gemiddeld over dag en nacht), geeft dat onderstaand overzicht

Als men de drie meetstations op een hoop gooit en een jaargemiddeld weekverloop uit brouwt voor UFP en NO2 dan geeft dat onderstaande grafiek. (Men kon die pas over 2024 maken, omdat voor die tijd het NO2 -systeem niet goed werkte.)

Mijn analyse is als volgt:

  • Het vliegveld voegt nauwelijks PM1, PM2.5 en PM 10 aan de omgeving toe.
  • Het vliegveld zorgt wel voor een goed meetbare hoeveelheid UFP
  • Het autoverkeer produceert NO2 en daarnaast ook UFP, dat ter plekke van vooral I14 en I25 gemeten wordt. Daarom daalt en stijgt de concentratie UFP op deze stations in de maat met de NO2-concentratie.
    Omdat er in het weekend minder gereden wordt, maar niet minder gevlogen, zit het verband er in het weekend anders uit dan door de week.
  • Er komt beduidend meer UFP op de drie sensoren van het vliegen dan van de snelweg

TNO stelt in zijn aanbevelingen voor om hieraan verder onderzoek te doen.
Enerzijds kan men beter in beeld proberen te krijgen wat de UFP-invloed van de snelweg versus die van de vliegtuigen is. Dat kan door naar de chemische samenstelling van het UFP te kijken en naar de deeltjesgrootte (hoewel de deeltjesgrootte van zowel auto’s als vliegtuigen een brede en overlappende band bestrijkt, is vliegtuig-UFP gemiddeld kleiner dan auto-UFP).
Anderzijds zou onderzocht moeten worden wat de blootstelling in de woongebieden rond het vliegveld is – daarover is nu niets bekend. Ik zou daar overigens zelf aan willen toevoegen de blootstelling onder belangrijke uitvliegroutes (zie voor een meting in Riethoven in 2016 https://www.bjmgerard.nl/bergeijk-deed-meting-geluid-en-ultrafijn-stof-eindhoven-airport/ ).
Die laatste meting vond overigens plaats toen de startbaan onderhouden werd en daarna weer open ging – het verschil was daar te zien.
In 2027 wordt de baan geheel gerenoveerd. Welllicht kan dat gebruikt worden als een extra kans op goede metingen.

Wat ik er van vind
De Jaarrapportage is vooral een meetrapport. Het is dus een beschrijvend document dat resulteert in beleidsaanbevelingen. Over het algemeen steun ik die wel, hoewel ik ze niet allemaal onderling even belangrijk  vind.
Er zit niet een soort politiek waardeoordeel in. Ik wil er wel een paar persoonlijke opvattingen geven. Sommige daarvan pleiten voor  landelijk of EU-beleid, andere  voor  lokaal of regionaal beleid (of beide).

  • Er moet een tandje bij om de aangescherpte Europese normen te halen, die in 2030 ingaan. Dat gaat niet vanzelf. En dan is men nog niet op het niveau van de WHO-richtlijn
  • Ik mis een norm voor UFP en roet
  • Kleinschalige houtstook in stedelijk gebied moet zo ver mogelijk worden teruggedrongen  en, voor zover dat niet lukt, moet het aan afdwingbare voorschriften worden verbonden. Het aanbieden van praktische en betaalbare alternatieven is daarbij onmisbaar
  • Elektrisch rijden produceert geen NO2 en iets minder fijn stof (dit naast de klimaatvoordelen). Het beleid ten gunste van elektrisch rijden valt nog wel wat te intensiveren.
    Ook goed is sowieso minder auto’s en meer elektrisch OV.
  • Eerstens is er meer onderzoek nodig rond Eindhoven Airport, met name naar de verspreiding over de regio, niet alleen bij het vliegveld zelf maar ook onder de uitvliegroutes.
    Wat ik verder mis is bronbeleid, zoals minder vliegen en met schonere, synthetische kerosine vliegen.

Klimaatdemonstratie op 26 okt 2025 trekt dik 45000 bezoekers

De bedoeling
Het was de bedoeling om kort voor de Tweede Kamerverkiezingen 2026 met een grote demonstratie aandacht te vragen voor het klimaat. Dat onderwerp heeft in de publieke opinie te lijden van het vele andere leed, en van de algemene verrechtsing van de politiek.

Zowel het middel (een grote demonstratie) als het doel (serieuze publiciteit) zijn bereikt.
Volgens de mede-organisator Milieudefensie waren er ruim 45000 mensen.
Het NOS-journaal besteedde er ruim aandacht aan, de geschreven pers zal wel volgen, en ik was te spreken over Nieuwsuur dat Milieudefensiedirecteur Donald Pols aan het woord liet ( Nieuwsuur 26 okt 2025 ) . Pols zei dat Europese bedrijven moesten concurreren op duurzaamheid, en niet goedkoper moesten proberen te zijn als China of vuiler als de VS.
EU-econoom,Sander Tordoir zei hierover ook nog verstandige dingen.

Ik laat het verder bij wat foto’s.

Foto van de KCC-site

Eindhoven e.o.
Ik was beheerder van de samenreis-app van Milieudefensie voor Eindhoven e.o., en ik was distributiepunt van promotiemateriaal voor deze regio. Ik raakte het materiaal op tijd kwijt 990 posters, 500 flyers en ca 140 stickers).
Aan mij de taak om iets collectiefs te verzinnen voor de heenreis. Er waren duidelijk te weinig mensen voor een bus, en de groepsticket van de NS werkt onhandig.  Vandaar het idee om een groepsfoto van de gezamenlijke afreizers te maken op de trap naar perron 5.
Zie hieronder.

Breed beroep ingesteld tegen nieuwe lozingsvergunning Nyrstar Pelt

Er is in deze kolommen al uitvoerig aandacht besteed aan de nieuwe, tijdelijke  lozingsvergunning van de zinkfabriek in het Belgische Pelt. Die perkt enerzijds de hoeveelheden chloride, sulfaat, selenium en thallium in t.o.v. wat eerder mocht, maar doet dat anderzijds niet zo drastisch dat aan de Kader Richtlijn Water (KRW) voldaan zal worden. Daarbij speelt een rol dat de concentraties, die de nationale overheden van de KRW mogen vaststellen, in België als regel soepeler worden vastgesteld   dan in Nederland.
Dat is relevant, omdat de Dommel vanaf Nyrstar Pelt nog maar een klein stukje door België stroomt en dan de Nederlandse grens oversteekt.

Ik heb voor Milieudefensie Eindhoven e.o. een zienswijze ingediend, die enerzijds benoemt dat Nyrstar Pelt een nuttige recyclefunctie van zink heeft en verplicht is zijn eigen bodem te saneren, en anderzijds dat de zuiveringstechniek niet ver genoeg gaat en te veel het begrip Best Beschikbare Techniek uitlegt als Best Betaalbare Techniek. Dat terwijl moederbedrijf Trafigura steenrijk is.

Wie het na wil lezen, zie https://www.bjmgerard.nl/nyrstar-pelt-gestage-maar-te-trage-vooruitgang/ , en van daaruit verder terug.

Voor de Eindhovense Milieudefensie-afdeling houdt het nu even op, omdat een lokale afdeling bij Milieudefensie geen rechtspersoon is en dus niet kan gaan procederen.

Andere organisaties, die zelfstandige verenigingen zijn of overheidsinstanties, of die een juridische tak hebben, zijn wel gaan procederen of gaan dat nog doen. Het betreft

  • Waterschap De Dommel
  • De gemeenten Valkenswaard, Waalre, Veldhoven en Eindhoven
  • De Belgische milieuverenigingen Limburgse Milieukoepel, Bond Beter Leefmilieu, Natuurpunt Pelt en Dryade
  • De (Nederlandse) vereniging Natuurmonumenten (zegt het Eindhovens Dagblad)
  • Extinction Rebellion (XR) (zegt het Eindhovens Dagblad)

Nyrstar Pelt ligt ongeveer bij nummer 33

Ik heb hieronder een persbericht van Waterschap De Dommel afgedrukt, dat als representatief voor de rest gezien kan worden. Het persbericht van de gezamenlijke Belgische verenigingen, de raadsinformatiebrief van de gemeente Eindhoven, en een bestandje met links naar de raadsinformatiebrieven van alle Dommelgemeenten zijn als bijlage toegevoegd.
Natuurmonumenten en XR maken op hun sites geen melding van dit onderwerp. Vraag is of zij inderdaad zijn gaan procederen.

–          –           –           –           –           –           –           –           –           –           –

Persbericht                                 02-10-2025

Waterschap tekent beroep aan tegen Belgische lozingsvergunning Nyrstar

De Dommel bij De Hogt

https://www.dommel.nl/waterschap-tekent-beroep-aan-tegen-belgische-lozingsvergunning-nyrstar

Nyrstar is een van de grootste metaalverwerkers ter wereld. Het bedrijf heeft een vestiging in Budel en net over de Belgische grens in Pelt. Voor de locatie in Pelt is de Belgische overheid verantwoordelijk voor de vergunningen. De beek waarop Nyrstar loost, stroomt maar 1,5 kilometer door België. Daarna komt het water in de Dommel terecht. Het effect wordt dus vooral in Nederland gevoeld.

In 2029 komt er een nieuwe vergunning voor alle stoffen die Nyrstar loost. Maar nu al lopen enkele deelvergunningen af. Nyrstar heeft ervoor gekozen om voor vier stoffen een nieuwe vergunning aan te vragen tot en met 2027. Ze willen in twee stappen minder gaan lozen, tot 2029. Het gaat om de stoffen Seleen, Sulfaat, Chloride en Thallium. Nyrstar heeft hiervoor een aanvraag ingediend bij de Belgische provincie Limburg. De hoeveelheden die ze mogen lozen zijn lager dan vroeger, maar nog steeds groot. Volgens de nieuwe vergunning mag Nyrstar dagelijks 10.000 kilo Chloride en 5.300 kilo Sulfaat lozen. Per liter water mag er 40 microgram Seleen en 1,5 microgram Thallium in zitten.

Verbeterde stap niet groot genoeg

Wij als waterschap hebben een negatief advies gegeven over deze vergunning. We zien wel een kleine verbetering ten opzichte van de oude situatie, maar vinden de stap niet groot genoeg. Hierdoor halen we onze KRW-doelen (Kaderrichtlijn Water) in 2027 waarschijnlijk niet.

We konden niet zelf adviseren op de vergunning, maar de provincie Noord-Brabant mocht dat wel. Zij hebben ons advies overgenomen. Toch heeft de Vlaamse provincie Limburg ons negatieve advies naast zich neergelegd en de vergunning alsnog verleend. Daar zijn wij als waterschap niet blij mee. Daarom tekenen we administratief beroep aan. Zo krijgen we de kans om onze bezwaren aan de Vlaamse minister te laten weten. We vinden dat er onvoldoende naar onze zorgen is gekeken.

Een zo schoon mogelijke Dommel  

Dit is een stevige stap van ons waterschap richting onze zuiderburen. We maken als Nederlandse overheid bezwaar tegen een besluit van de Belgische overheid. We willen een zo schoon mogelijke Dommel. Daarom vinden we het belangrijk dat de Belgische vergunningen geen belemmering vormen voor het behalen van onze waterkwaliteitsdoelen. Dat is nu wel het geval. Bovendien zijn de Belgische KRW-normen soepeler dan de Nederlandse.

Samenwerking met provincie en gemeenten

We werken in dit dossier nauw samen met de provincie Noord-Brabant en de gemeenten langs de Dommel. We zitten ook met Nyrstar en de provincie Limburg aan tafel, omdat we allemaal een betere waterkwaliteit willen. Iedereen reageert vanuit zijn eigen rol op de vergunning:

  • De provincie kiest voor een diplomatieke aanpak
  • De Dommelgemeenten gaan in beroep
  • Wij kiezen voor een administratief beroep

Blijvende inzet op goede contacten

Ondertussen blijven we inzetten op goede contacten met Nyrstar en de Belgische overheid. Zo zaten Erik de Ridder en gedeputeerde Saskia Boelema vorige week bij de directie van Nyrstar aan tafel om elkaar bij te praten over de situatie

We hebben een Belgische advocaat ingeschakeld en het beroep wordt deze week ingediend. We verwachten in november meer te kunnen vertellen over het vervolg.

Het persbericht van de vier Belgische milieuverenigingen:


De raadsinformatiebrief van de gemeente Eindhoven

Een setje links naar de raadsinformatiebrieven van de vier Dommelgemeenten. Die zijn onderling nagenoeg identiek.

Ik als cocreërend kunstenaar …

Dit vanwege de 51.000ste passant op mijn site (bruto). Dan altijd iets wat de normale kosmische orde der dingen ter discussie stelt, zoals nu ik als “cocreërend kunstenaar”.

Deze ongewone escapade zit als volgt in elkaar.

Op 28 maart 2025 heeft Milieudefensie demonstratief een dagvaarding bij ING neergelegd vanwege het financieren van klimaatschade. Ter deze gelegenheid was een fraaie constructie opgetuigd, waarmee men processiegewijze door de Bijlmer naar het hoofdkantoor van ING trok. Daar aangekomen bleef de bedrijfsleiding onzichtbaar. Zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-biedt-dagvaarding-ing-aan-bij-hoofdingang-directie-afwezig/  . Hieronder een plaatje.

–          –           –           –           –           –           –

‘Foundation we are’ is een ontwerpbureau met atelier- en expositieruimtes op het Eindhovense StrijpS, een voormalig bedrijfsterrein van Philips ( https://www.foundationweare.org/ ). De organisatie heeft zich toegelegd op ‘Civic Society’, informatiecultuur, bestuurssystemen, rechtvaardigheid in het  Anthropoceen (wat zoiets als ‘deze moderne tijd’ betekent), en de ethiek van de  Technologie. Dit alles in typisch designer-engels.

Nu nadert de Dutch Design Week (DDW) 2025 . Dat is altijd een drukke periode en met projecten over heel Eindhoven, waartussen van alles te vinden is op allerlei gebied,  van klein tot groot, van gratis tot betaald, van bescheiden tot pompeus,  en van humbug tot uiterst interessant.
Voor een bescheiden en zinvol project van 2024, zie https://www.bjmgerard.nl/maasklei-keramiek-dijkverzwaring-en-ruimte-voor-de-maas/ .

‘Foundation we are’ wil zijn bijdrage leveren, geheten ‘Designing Democracy’,  en een van de projecten in dat kader kwam voor rekening van kunstenares Pauline Wiersema ( https://pinopotato.com/ ). Pauline had ook meegebouwd aan de Amsterdamse dozenconstructie, dus die wist hoe het moest ( https://www.instagram.com/pinopotato/p/DH3jK2Lty8V/ ).
Pauline vond de Milieudefensie-aanpak bij ING een mooi voorbeeld van design-democratie en had als project om de dozenconstructie als kunstwerk in het atelier na te bouwen en dat gedurende de DDW (en een tijd daarna) tentoon te stellen.
Men kan het bewonderen op het (binnen)adres Torenallee 22-04 in Eindhoven.

Dat vroeg om heel  veel dozen die gevouwen moesten worden, om heel veel dubbelzijdig tape om ze zonder calamiteitenrisico te stapelen, om heel veel spanband (opvallende gifgroene kleur) en om behoorlijk wat ruimte. En dat vraagt ook om heel veel werk en of Milieudefensie kon helpen.

Ja. Er waren twee mensen van het landelijke bureau van Milieudefensie, en van de Eindhovense afdeling waren er Wen, Dorry, Marieke en ikzelf.
Hieronder wat tussentijdse foto’s van maandag, toen het kunstwerk nog  niet af was. Het is woensdag afgemaakt en ik zal het eindresultaat op deze locatie laten zien.

UIteindelijk het eindresultaat:

–          –           –           –           –           –           – 

In het atelier naast dat van de dozenconstructie werd, ook voor de DDW, aan levensechte bommen gewerkt, vakkundig nagemaakt maar dan in textiel.
Hoewel niet ons thema als Milieudefensie, toch twee foto’s