Een interview met mij als lijstduwer

Ik ben in Eindhoven lijstduwer voor de Socialistische Partij bij de GR 2026. De afdeling heeft een interview met mij op hun website geplaatst. Ik vond het eigenlijk wel een geslaagd interview.
Hieronder de tekst met enkele toegevoegde foto’s. De tekening van een mevrouw die Urban Sketchte op staat, toen wij stonden te flyeren.
De originele locatie is https://eindhoven.sp.nl/nieuws/maak_kennis_met_onze_lijstduwer_bernard_gerard .

Bernard is tijdens de Vietnamoorlog politiek actief geworden, en was er al bij op het moment dat de SP werd opgericht. Vanaf 1973 woont hij in Eindhoven. Hij heeft allerlei taken in de Eindhovense SP voor zijn rekening genomen, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van het inlegvel. Hij werd in 1990 het eerste SP-gemeenteraadslid en bleef dat tot 2010. Daarna is hij milieu- en klimaatorganisaties gaan versterken, met name Milieudefensie en het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2).

Bernard was tot zijn pensioen natuurkundeleraar. Na zijn pensioen heeft hij zijn bachelor milieukunde gehaald op een groepsscriptie over synthetische kerosine.

(Zie ook de CV-paragraaf)

Wat trekt je in de SP?
Het algemene fundament van de SP ‘gelijkwaardigheid, menselijke waardigheid en solidariteit’ is goed. Ik vind ook de pogingen om de bevolking in actiegroepen te mobiliseren goed.
Daarnaast trekt mij het socialistische uitgangspunt dat de economie, binnen verstandige grenzen, planmatiger moet worden en beter democratisch gecontroleerd. Mijn vuistregel is dat wat niet failliet mag, niet op de markt thuishoort. De energievoorziening bijvoorbeeld hoort in publieke of semi-publieke handen. En wat mij betreft kun je ook kijken in hoeverre de afvalverwerking in combinatie met recycling en grondstoffenpolitiek meer als een publieke taak gezien moet worden.

Een andere vuistregel is dat de klimaattransitie rechtvaardig moet zijn, en anders niet zal plaatsvinden. De SP zou er, systematischer en met meer prioriteit dan tot nu toe, over moeten nadenken hoe je socialisme en ecologie combineert. Dat zou kansen bieden.
Ik vind overigens dat de Eindhovense afdeling op milieu- en klimaatgebied goed bezig is.

En in afwachting daarvan heb je je eigen taakinvulling ontwikkeld?
Ja, en ik kan wel zeggen dat die mij aardig bezighoudt.
Ik heb drie structurele thema’s: Milieudefensie, het vliegveld en mijn persoonlijke website.
Daarnaast doe ik wat losse dingen, zoals advies geven aan de SP-fracties in Eindhoven en de provincie, en heb ik bijvoorbeeld actie bij huurwoningen in De Geestenberg begeleid over woningverbetering en –verduurzaming.

Je bent vrijwilliger voor Milieudefensie?
Ik ben een van de trekkers van de regionale groep van Milieudefensie.
Milieudefensie als geheel ziet als missie om het bedrijfsleven te laten voldoen aan het klimaatakkoord van Parijs; als strategie om 30 grote ondernemingen die in Nederland opereren onder druk te zetten; en als tactiek om daartoe campagnes te organiseren, eventueel uitmondend in juridische processen (Shell en binnenkort ING).

Nu loopt er een campagne tegen Ahold/Albert Heijn en daarom staan wij met onze groep bij Albert Heijn-filialen. Een van de eisen is beter betaalbare biologische producten. De algemene opzet van de actie past goed bij de SP-uitgangspunten.
Omdat geen van de 30 ondernemingen een hoofdkantoor of productievestiging in onze regio heeft, hebben we er als regionale groep zelf ook een paar bedrijven aangeschreven. DAF Trucks bijvoorbeeld heeft een heel goed klimaatprogramma, maar bij ABZ Diervoeders is het knudde.

Verder proberen we de Brainportorganisatie als geheel duurzaamheidsambities aan te praten. Brainport heeft wel goede losse projecten, maar geen klimaatambitie als geheel. Dat is raar.

En in de tijd die dan af en toe nog over is, kijk ik af en toe naar lozingsvergunningen op het oppervlaktewater, zoals van de zinkfabriek in Pelt of va CFS Weert. Die vergunningen moeten beter.

Het vliegveld?
Ik ben een van de leden van het bestuur van het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2). BVM2 heeft een handvol aandachtspunten, zoals te veel geluid (de afspraak is dat de ‘sigaren’ rond de startbaan 30% kleiner moeten), luchtvervuiling en klimaat – Eindhoven Airport is de grootste klimaataantaster van onze gemeente.
En tenslotte, de onevenredig grote ruimteclaim door het vliegveld. Vanwege de herrie mag er in een sigaar van groefweg 100km2 geen woningbouw plaatsvinden. Toen die afspraak in 2011 gemaakt werd, leek dat nog wel te overzien, maar nu de woningvraag door de schaalsprong explodeert, wordt het vliegveld een steeds grotere blok aan het been van de regio.
Zo zie je maar weer dat klimaat- en milieukwesties zelden op zichzelf staan, maar eigenlijk altijd een connectie hebben met andersoortige urgente maatschappelijke zaken.

Het gebied waar geen grootschalige woningbouw zou mogen plaatsvinden

En je hebt een eigen website?
Daar gaat heel wat tijd in zitten. Het is een strikt persoonlijke educatieve en politieke website in het overlapgebied van natuurwetenschap en techniek; politiek en actie; en klimaat, milieu en duurzaamheid. Ik beweeg me graag in dat spanningsveld. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een artikel over positieve ontwikkelingen in de afbreekbaarheid van PFAS – niet in de natuur, maar wel in een industriële setting, bijvoorbeeld na bodemsanering of op de afvalstroom van een bedrijf.
De twee eerdere artikelen gingen over de zinkfabriek in Pelt en over Vion en het klimaat.

Doe je eigenlijk nog wel eens wat anders dan politiek?
Ik vind het geen straf om zo druk bezig te zijn.
Maar ik doe ook wat alle opa’s doen, kijken naar hoe onze fantastische kleinkinderen groot worden en hier en daar wat helpen. Mijn vrouw en ik houden van fietsen en dat komt goed uit, want we hebben geen auto (ik ben lid van de Fietsersbond).
Ik lees graag vakliteratuur en politieke en maatschappelijke analyses, en als het me even te veel wordt doe ik een computerspelletje – vreedzaam, ik hou niet van dat geschiet.

Verder ben ik vrijwilliger bij mijn voetbalclub Unitas’59. Daar heeft mijn jongste zoon ooit gespeeld en ik doe nog steeds organisatiewerk rond oefenwedstrijden. Jeugdvoetbal is heel belangrijk.
Ik heb onlangs een grote regionale caroussel georganiseerd met oefenwedstrijden voor JO12-teams die volgend jaar voor het eerst op een heel veld gaan voetballen. Ik heb geen verstand van voetbal, maar wel van schema’s, netwerken en afspraken.

Waar kunnen mensen je op Social Media vinden?
Op mijn persoonlijke website, bij Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2) en bij Milieudefensie Eindhoven.

 Zinkfabriek in Pelt krijgt na beroepen strengere vergunning

De zinkfabriek van Nyrstar in het Belgische Pelt heeft eind augustus 2025 uiteindelijk, ondanks de vele negatieve zienswijzen, toch een nieuwe lozingsvergunning op de Dommel gekregen van de Belgische provincie Limburg. Nyrstar Pelt ligt net aan de Belgische kant van de grens, maar de Dommel stroomt al na een paar honderd meter Nederland binnen. Dan stroomt hij door Natura2000-gebieden

De provinciale vergunning was een enerzijds-anderzijds vergunning.
Enerzijds mag Nyrstar Pelt doorgaan met zijn bezigheden, zijnde het zuiveren en recyclen van zinkoxideafval van elders en het maken van zinklegeringen – op zich overigens zinvolle bezigheden. Verder staat het bedrijf bovenop zijn eigen eeuwigdurende bodemsanering, van welke sanering  het opgepompte water gezuiverd wordt.
De provincie verbond limieten aan de vier in de lozingsvergunning genoemde stoffen, te weten chloriden, sulfaten, selenium en thallium en beperkte de looptijd van de vergunning tot 31 december 2027. Die limieten waren strenger dan die tot dan toe golden. Deze lozingsvergunning maakt deel uit van een grotere vergunning, die 16 december 2029  afloopt.
Anderzijds waren de limieten, volgens de in totaal 25 zienswijzen, niet streng genoeg om de Kader Richtlijn Water (KRW) te halen en bleef er vergif afgezet worden op de lage weilanden en natuurgebieden langs de Dommel, soms Natura2000.

Ik heb voor Milieudefensie Eindhoven een zienswijze ingediend ( bjmgerard.nl/bezwaar-tegen-voorgestelde-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/ ) De belangrijkste aanvulling van Milieudefensie op de meer op de natuurwetgeving gebaseerde argumentatie van anderen was dat Milieudefensie principieel bezwaar maakte tegen het ‘economisch haalbaar’- criterium in de ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT en zelfs ook BBT+). Secundair vond Milieudefensie Eindhoven dat als je (noodgedwongen) toch voor dit criterium zou kiezen, dat het dan afgezet moest worden tegen de omzet van Nyrstar Pelt als geheel, en niet tegen alleen maar het specifieke bedrijfsonderdeel dat voor bijna alle vervuiling zorgt (de Hydroafdeling die de recyclingtaak uitvoert). Of tegen de netto kasstroom van moederbedrijf Trafigura, in 2023 rond de 10 miljard.

Men kon in beroep gaan (dat is officieel juridisch) tegen de vergunning bij het eersthogere politieke niveau, de Vlaamse regering. Milieudefensie Eindhoven is geen rechtspersoon en kan niet procederen. Maar er lagen een aantal juridische beroepsschriften, te weten van vijf natuurlijke personen uit kringen van XR; van Waterschap De Dommel; van Natuurmonumenten (NL); van alle elf Nederlandse Dommelgemeenten vanaf Valkenswaard tot en met Den Bosch; en namens vier Belgische natuurorganisaties. Zie bjmgerard.nl/breed-beroep-ingesteld-tegen-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/

De Vlaamse regering heeft al die beroepen behandeld en heeft uiteindelijk, om een lang verhaal kort te maken, geoordeeld dat er nog genoeg rek in de situatie zat om de provinciale lozingsvergunning voor chloriden en sulfaten nog verder aan te scherpen. Die aanscherping was in praktijk in het water al gerealiseerd.

Hieronder een overzichtstabel van de lozingsverordening in de opeenvolgende stappen. Let dus wel dat dit slechts een deel is van een grotere vergunning.

De derde kolom betreft de vergunning, zoals die afliep op 16 december 2025.
De vierde kolom is wat de provincie Limburg er van had willen maken.
De vijfde kolom is wat de Vlaamse regering (na de beroepen) wil.De Vlaamse regering heeft de lozing van selenium en thallium zo gelaten als de provincie Limburg die bepaald had. Wel komt er een nader onderzoek naar de verdere beperking van thallium.
Ook heeft de Vlaamse regering beter uitgewerkte bemonsteringsverplichtingen van het Dommelwater vastgesteld.

Organisaties die in beroep gegaan zijn (en dus gedeeltelijk gelijk hebben gekregen) kunnen  het juridisch nog een stap hogerop zoeken, bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in Brussel. Onduidelijk is of dat gaat gebeuren.

Update dd 14 april 2026

Gemeente Valkenswaard gaat naar hoogste instantie vanwege lozingen Nyrstar Pelt

De gemeente Valkenswaard gaat naar de op dit gebied  hoogste instantie in België, de Raad voor de Vergunning Betwistingen, tegen de vergunning door de Vlaamse overheid aan Nyrstar Pelt voor het lozen op de Dommel. Van alle gemeenten wordt Valkenswaard, als zijnde de eerste gemeente na de grens, het zwaarst door de vervuiling getroffen.

De brief van het College van B&W aan de gemeenteraad, waar dat in staat, is te vinden op raadsbrief hoogste instantie inzake Nyrstar Pelt_07 april 2026 .

B&W achten zelf de kans klein dat het beroep in de lopende periode nog tot betere voorwaarden leidt, en zien dat die eventuele betere voorwaarden maar kort zouden gelden. Het beroep is vooral principieel van aard en toekomstgericht. Men wil de positie als belanghebbende, juridisch en politiek, veilig stellen en wil nu al vast druk uitoefenen op de vergunning die er na de nu betwiste vergunning aan komt. Verder keert de gemeente Valkenswaard zich principieel tegen de overweging dat bedrijfsbelangen meegenomen mogen worden in de strengheid van de vergunning.

Klimaatplannen bedrijven – focus op Vion

De voorgeschiedenis
Milieudefensie vindt dat bedrijven een klimaatplan moeten hebben dat in lijn is met het Akkoord van Parijs. Het eerste slagveld was, en is nog steeds, Shell ( milieudefensie–shell-klimaatzaak ). Volgend op de eerste Shell-uitspraak heeft Milieudefensie 29 andere bedrijven aangeschreven, allen grote systeemspelers die onder Nederlands recht vallen. Het verzoek was dat de bedrijven een ‘Paris-proof’ klimaatplan zouden inleveren. Dat is gebeurd.
Die plannen zijn in 2022 beoordeeld door het Duitse  NewClimate Institute (NCI, https://newclimate.org/). Dat  maakte er in zijn Klimaat Crisis Index (KCI) meestal gehakt van.

Als vervolg heeft Milieudefensie een dagvaarding uitgebracht tegen de bank ING wegens het financieren van fossiele bedrijven. De dagvaarding is demonstratief afgeleverd, zie tussenstand-ing-proces-van-milieudefensie (en van daar af verder terug). Dd nu is de zaak nog niet voor de rechter geweest, maar waarschijnlijk begint het juridische steekspel in 2026.

Inmiddels is Milieudefensie een campagne begonnen tegen Ahold Delhaize ( albert-heijn-faq en bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af )

Een Milieudefensie-ploeg bij Albert Heijn in de Eindhovense Roostenlaan

De overige 28 bedrijven (om juridische reden niet meer Shell en ING) hebben opnieuw een aanschrijving gekregen tot een deugdelijk klimaatplan. Die zijn opnieuw aangeleverd en opnieuw beoordeeld door het NewClimate Institute. De bevindingen in deze tweede ronde van de Klimaat Crisis Index (KCI) zijn op 23  februari 2026 verschenen op nieuwe-klimaatcrisis-index-2026 . Aldaar het volledige (Engelstalige) onderzoek in heel  kleine lettertjes, in de Fact Sheet een goede samenvatting en in ‘Hoe zat het ook al weer?’ de hoofdlijnen van wat er gebeurd is.

De methode van het  NewClimate Institute
Het NewClimate Institute baseert zich op schriftelijke bronnen, vaak als jaarverslagen door het bedrijf zelf aangeleverd. Het is dus een literatuurstudie, waarbij een interessante literatuurlijst  hoort.
Het eerste resultaat is aan de bedrijven voorgelegd, zodat die desgewenst konden reageren.

Het resultaat, de Klimaat Crisis Index 2026, bestaat uit een algemeen deel en een hoofdstuk per bedrijf.

De klimaatpolitiek van de bedrijven wordt beoordeeld op:

  1. De klimaatdoelen die het bedrijf zich stelt
  2. Welke maatregelen het bedrijf treft om die doelen te halen
  3. Wat doen ze met de restemissies die na het nemen van die maatregelen nog overblijven?
  4. Hoe betrouwbaar geven ze hun feitelijk plaatsvindende emissies weer?

 Die doelen en handelingen worden langs een dubbele maatlat gelegd, de ‘transparancy’ en de ‘integrity’.
‘Transparancy’ is ongeveer het Nederlandse transparantie: of een bedrijf een helder inzicht in zijn doen en laten geeft (ongeacht of dat doen en laten goed of slecht is).
‘Integrity’ is iets anders dan het Nederlandse ‘integer’. Het betekent zoiets als ‘geloofwaardig en volledig’.

De dubbele maatlat leidt tot een soort stoplichtvolgorde voor de doelen en voor de feitelijke maatregelen.

Ad 1. Rangorde van de doelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Stellantis redelijk transparant, heeft een matig doel voor 2030 en 2040, en geen doel voor 2035 en 2050.

Ad 2. Rangorde van de maatregelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Vattenfall Nederland goed transparant over zijn maatregelen, en krijgt een ‘matig’ oordeel over zijn plannen.

Ad 3. Stellantis wil zijn restemissies aanpakken via biochar (zoiets als houtskool), Schiphol, Ahold Delhaize en Vattenfall zegt iets met de restemissies te willen, maar zeggen niet wat.

Ad 4. Ahold Delhaize, Dow Chemical, LyondellBasell, pensioenfonds PFZW, Unilever en Vion brengen de emissies redelijk in beeld; de helft van de bedrijven doet dat matig; Boskalis, ExxonMobil, KLM, Schiphol, Vopak, bp en Cargill doen dat zwak of zeer zwak.

Al met al lijkt de KCI als geheel van 2026 een pietsie beter dan die van 2022.

Specifiek Vion
Deze site wil, waar dat kan en zinvol is, focussen op regionaal nieuws. Van de lijst van 28 is de onderneming die het sterkst aan Brabant gekoppeld is, de varkensslachter Vion in Boxtel. Milieudefensie heeft daar al vaker gedemonstreerd, zie klimp-ga-voor-krimp

De woordvoerder van VION, luisterend naar een lokale spreker (28 nov 2024)

Het hoofdstuk per bedrijf bevat een voor alle bedrijven gelijk gestructureerd overzichtsformat , vergezeld van een pagina met specifieke informatie over het bedrijf.

Vion is redelijk transparant over zijn emissies. Dat is een verbetering t.o.v. de eerste ronde van de KCI in 2022.
Het bedrijf loosde in 2024 7,6Mton CO2,eq (7,6 miljard kg broeikasgas). Daarvan valt (afgerond)

  • 0,1Mton in scope 1 (het eigen functioneren van het bedrijf);
  • 0,1Mton in scope 2 (inkoop van door anderen geproduceerde energie);
  • 0,3 Mton in scope 3 downstream (bijvoorbeeld de verwerking van Vionse halffabrikaten door andere ondernemingen verderop in de keten);
  • 6,9Mton in scope 3 upstream onder het label ‘FLAG’;  en
  • 0,3Mton in scope 3 upstream onder het label ‘non-FLAG’.

‘FLAG’ betekent ‘Forest, Land, Agriculture’ en gaat vooral over andere broeikasgassen dan CO2 , zoals methaan en lachgas. Dit heeft betrekking op veranderd landgebruik, productie van diervoeders, boerende koeien en varkens, en dergelijke.

De transparantie over de emissies wordt niet gevolgd door een transparantie over de doelen en de middelen om die te bereiken. Daardoor zit de totale transparantie van Vion in de categorie ‘slecht’ en de totale integrity in de categorie ‘allerslechtst’.

Vion wil in 2030 zijn emissies over scope 1,2 en 3 samen met 42% verminderd hebben t.o.v. 2021. Het bedrijf is bezig zijn doelstellingen voor 2030 in scope 1 en scope 2 te halen. In scope 3 heeft het bedrijf een onbekend deel van de emissies uitgezonderd, zodat niet beoordeeld kan worden of dit aan de 1,5°C van ’Parijs’ gaat voldoen.
Pessimisme is in dit geval op zijn plaats, omdat Vion het behalen van zijn 2030-doel vooral ziet naderen omdat het bedrijf vestigingen sluit of verkoopt (het gaat economisch slecht). De emissies worden dus voor een deel niet verminderd, maar verplaatst.

Nog onduidelijker dan over de doelen die Vion denkt te halen, is Vion over de middelen. De beperkte verbetering t.o.v. de eerste KCI-ronde uit 2022 betreft vooral de beloftes op papier.
Vion wil in 2030 op 100% duurzame stroom zitten, maar zat in 2024 nog maar op 17% – nog onduidelijk is waar de rest vandaan komt. Er worden veel woorden besteed aan dit minuscule deel van het probleem.
Duurzame stroom maakt een deel uit van duurzame energie. Vion wil in 2040 zijn totale scope 1 en 2 broeikasgasneutraal hebben. En dat betreft dan nog maar een fractie van de emissies.
Voor 2050 zijn scope 1,2 en 3 op papier afgedekt, maar in het overzicht staat er niet voor niets een ‘?’ achter. Het is volstrekt onduidelijk hoe Vion dit denkt te bereiken.

Het NewClimate Institute (NCI) benoemt in zijn toellichtende pagina nog een paar aanvullende zaken. Die komen meestal uit  het Sustainability Statement 2024 ( vionfoodgroup_Sustainability-Statement-2024.pdf , zie literatuurlijst) en zijn dus van na de eerste ronde van de KCI. Misschien wordt er toch knarsend iets in beweging gezet.

  • Vion heeft een plantaardige tak ME-AT (spreek uit mieiet) in Leeuwarden ( me-at.com ). Het NCI heeft echter geen ambities t.a.v. dit bedrijfsonderdeel kunnen vinden anders dan de algemene wens ‘leidend in Europa te willen zijn’.
  • Vion belooft een ‘road map’ naar net-zero, maar onduidelijk is wanneer die gepubliceerd wordt
  • Vion wil 35% minder emissies realiseren bij bepaalde varkensboederijen (via  voer en mest) en bepaalde koeienboerderijen (via voer en methaan), maar onduidelijk blijft hoe men dat denkt te doen
  • Vion wil dat vanaf 2030 zijn soja t.b.v. diervoeder ontbossingsvrij is, maar ‘de concrete invulling daarvan lijkt zich nog in een vroeg stadium te bevinden’, aldus het NCI.
    De gezaghebbende benchmark bij dit voornemen, het Accountability Framework, wilde dit al in 2025 gerealiseerd zien. ( the-accountability-framework , zie literatuurlijst).

Aan veel minder vlees zal niet te ontkomen zijn. Vion moet naar zijn core business kijken.

Sojaveld in Argentinië

Eindhovens vliegveld zit ASML in de weg

Van nationaal belang
Even de context voor mensen van buiten Eindhoven.
ASML is als fabrikant van chipmachines een wereldspeler, een van de weinige grote namen die Nederland, zelfs Europa, op elektronicagebied heeft. Het wordt dan ook als een zaak van nationaal economisch belang gezien dat het bedrijf zich in Nederland senang blijft voelen en toen de onderneming begon te lobbyen dat het fors wilde uitbreiden, liefst met een tweede grote vestiging in de regio Eindhoven, sprong men in de regio en in Den Haag nog net niet in de houding. Resultaat was de operatie-Beethoven, een schaalsprong in de regio die herinneringen oproept aan die van Philips in een grijs verleden.

Voor de duidelijkheid: ik heb iets tegen het kapitalisme, niet speciaal iets tegen ASML. Er zijn ergere bedrijven.

Eindhoven heeft een groot gebied aan de westrand van de stad, de Brainport Innovatie Campus (BIC), die sinds 2015 stapsgewijs ontwikkeld wordt (via fase -1 die af is, -2 waarvan het papierwerk af is, en -Noord waar de nieuwe ASML-campus moet komen.

Het BIC en het vliegveld
Nu wil het geval dat iets verderop het vliegveld ligt. Het verlengde van de startbaan loopt schuin over BIC-2 en BIC-Noord.
Bij het vliegveld hoort een fysieke veiligheidscontour (in technische termen de PR 10^-6 – contour). Daarbinnen mag je geen woningen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven bouwen. Nu is niemand dat in dit gebied van plan, maar er is ook een bepaling dat er binnen de contour maar 100 mensen per hectare mogen verblijven en de voorgenomen personendichtheid bij ASML is daarvan een veelvoud. Met andere woorden: binnen de contour mag geen fabriek komen.
In bovenstaande afbeelding betreft dat de overlap tussen de gestreepte ‘speer’ en het paarse bouwvlak. Daar heeft men in arren moede nu maar een parkeerplaats geprojecteerd, maar dat is dus eigenlijk zonde van de grond (het had ook een parkeerkelder kunnen zijn).

De zaak kwam politiek aan het rollen omdat enkele inwoners van het nabijgelegen Oirschot  in de raadscommissie inspraken met dat het toch eigenlijk een schande was dat onze nationale trots veroordeeld werd tot zo’n miserabele locatie. De campus mocht niet op die plaats doorgaan, maar moest naar een verhevener locatie in onze regio. De slaagkans van dit pleidooi is nul, maar het  leidde tot een groot artikel in de lokale krant en dat leidde weer tot een standpunt van mij, in de vorm van een gastopiniel namens het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2).
Kort gezegd: het is de omgekeerde wereld dat de omgeving zich aan het vliegveld moest aanpassen – het vliegveld moet zich maar aan de omgeving aanpassen door te krimpen.

De ruimtelijke claim
Het vliegveld heeft relatief weinig nut voor de regio, maar blokkeert onevenredig veel ruimte voor andere bestemmingen.
Het geluid heeft een blokkerende werking op de woningbouwproductie (er is een regionale afspraak dat er niet gebouwd wordt binnen de 20Ke-zone, ca 100km2 ).
Nu blijkt dat de PR 10^-6 – contour dus ook tot ruimtelijke blokkering kan leiden. In dit geval op het BIC, maar een eind verderop ligt de zone bijvoorbeeld pal naast het grote recreatie- en evenemententerrein Aquabest.

Als het Van Geel-advies uitgevoerd zou worden (wat  nog moet blijken), kan de geluidszone inkrimpen. Als de vliegtuigen inderdaad stiller worden, kan dat op termijn tot meer vliegbewegingen leiden – een discussie die in de regio nog uitgevochten moet worden. Maar hoe dan ook betekent het dat de PR 10^-6 – contour dan verder zal groeien. En Defensie, van wie het vliegveld is, gaat zelf ook meer vliegen.

Kortom, alle reden voor de regionale politiek om aan dit verwaarloosde onderwerp meer aandacht te besteden.

Wie een en ander uitgebreider wil nalezen, kan terecht op https://bvm2.nl/vliegveld-belemmert-ontwikkeling-asml-campus/ . Daar is ook mijn ingezonden brief te downloaden.


Een groter deel van de contour, van welke de vorige afbeelding een uitvergroting is. De gele lijn is de goede.
De stip heb ik er zelf ingezet en verwijst naar een vestiging van Linde Gas.  

Brabant komt met Energieperspectief 2050, incl Small Modular Reactors (en wat ik daarvan vind) (update)

Ter inleiding
Provincies hebben een belangrijke rol in het complexe krachtenveld rond de vele, met elkaar concurrerende, claims op de beschikbare ruimte: landbouw, woningbouw, klimaatadaptatie, natuur en ook de energietransitie.
Landelijk beleid moet vertaald worden naar concrete, regionale omstandigheden. En als de voorbije regering Schoof-1 (en laatst), überhaupt geen beleid maakt of zelfs schadelijk beleid, dan is het goed dat er één overheidsniveau lager nog enige mate van ordening overblijft.

De focus van deze site ligt op de provincie Noord-Brabant. Daar zit momenteel een College met redelijk wat progressieve invloed (geen BBB) en die doet het, binnen de grenzen van wat in dit land mogelijk is, goed.

Het energiedossier zit bij Bas Maes (SP).

Het beleid van de provincie N Brabant ligt momenteel vast tot 2030. Leidend zijn momenteel de Energieagenda 2019-2030 ( energieagenda NBrabant 2019-2030 ), met daarbinnen korter lopende uitvoeringsagenda’s,  en de Omgevingsvisie. Ik heb op deze site eerder een artikel geschreven over de monitoring van deze Energieagenda op brabantse-en-landelijke-energie-en-mobiliteitmonitor/ .

Besparingsambitie in de Energieagenda 2019 – 2030

Het jaar 2030 nadert en er moet nagedacht worden over het vervolg tot 2050.  Na een omvangrijk participatieproces heeft dat geresulteerd in het ‘Energieperspectief 2050’.  Dat moet gezien worden als een toevoeging aan de bestaande Energieagenda.
In dit aanloopproces hebben ruim 3000 Brabanders kunnen reageren, zijn er werkateliers georganiseerd waaraan ruim 70 organisaties een inbreng geleverd hebben, en zijn er in de vier RES-regio’s regiobijeenkomsten georganiseerd. Verder ligt aan het Energieperspectief een PlanMER ten grondslag.

Een korte samenvatting, waarin toegang geboden wordt tot de belangrijkste ondersteunende documenten, is te vinden op energiewerkplaatsbrabant.nl/nieuws+nieuwste  .
De officiële overheidspagina, met alle ondersteunende documenten, is te vinden op officielebekendmakingen.nl/prb-2026-615 . Het Energieperspectief 2050, en de ondersteunende documenten als bijlagen, zijn te vinden onder de TAB ‘Bekijk documenten’.
Via beide locaties kan men een zienswijze indienen. Dat kan t/m 26 februari 2026. Mogelijk verdwijnt de overheidspagina daarna, dus wie op zeker wil spelen, moet de documenten voor die tijd downloaden. Indien nodig, zal ik in dit verhaal  toegang blijven bieden.

Politieke totaal-ambities van het College. Deze zijn iets ambitieuzer dan die van het vorige College.

Het Energieperspectief zelf bevat vooral processen en politieke intenties, die getalsmatig worden weergegeven in de vorm van indicatief bedoelde taartdiagrammen. Bij het Energieperspectief hoort als bijlage een document ‘Verdieping op de opgave’. Daarin worden ook concrete getallen genoemd.

Ordenende beginselen
Bij het samenstellen van het Energieperspectief zijn een aantal ordenende keuzes  gemaakt.

Het Energieperspectief vertrekt vanuit de Brabantse waarden ‘betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust’.  Rechtvaardigheid in de uitvoering is een meermalen gehanteerd argument.

Het document gaat uit van zes leidende uitvoeringsprincipes:

  • Beperk de energievraag
  • Zet de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel in
  • Vergroot het duurzame energieaanbod
  • Beperk het transport van energie (koppel de opweklocatie zoveel mogelijk aan de verbruikslocatie)
  • Breng vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar (opslag of vraagsturing –  zet je wasmachine aan als de zon schijnt)
  • Faseer fossiele brandstoffen bewust uit

Voorkeursvolgorde ‘de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel’

Er zijn in het PlanMER  drie schaalgroottes of systeemalternatieven, waarop gewerkt kan worden, geanalyseerd: de schaalgrootte lokale kracht; idem de grote opgaven gebundeld; en idem op grote schaal denken. Heel kort door de bocht kun je dat vertalen in de lokale of regionale schaal; de nationale schaal; en de internationale schaal.
Gekozen is voor de schaalgrootte ‘lokale kracht’, omdat die decentraler is en daarmee meer kansen biedt op participatie en lokaal eigenaarschap, Tevens is er minder kans op grote storingen en is er weinig geopolitiek risico. Nadeel is kans op versnippering, nadeel is dat de ruimte vooral in Nederland ingevuld wordt, en dat ieder klein initiatief zijn eigen problemen moet oplossen (bijvoorbeeld hacken).

Mede vanwege dat laatste heeft de provincie de keuze uit drie soorten bestuurlijke ambitie: de provincie kan zich beperken tot faciliteren en stimuleren (waarmee het initiatief bij anderen komt te liggen met hooguit subsidieconstructies); de provincie kan reguleren (alleen maar zeggen wat mag en moet, maar dan zit de provincie er niet met geld in); en beide samen: faciliteren, stimuleren en regisseren, wat zowel dwang als steun mogelijk maakt.
De ‘beide’-mogelijkheid is gekozen.

Het Voorkeursalternaatief
Het Voorkeursalternatief (VKA) van het PlanMER is dus decentrale uitvoering met krachtig leiderschap van de provincie. Het lijkt me geen slechte keus.

Het VKA geeft in een soort stoplichtcode aan wat er gebeurt met de doelstellingen, en wat er gebeurt met milieu- en andere effecten, want die zijn er uiteraard ook.
In deze overzichten betekent de stip de huidige sitiatie; betekent ‘referentiesituatie’ (het kleurloze stippelblokje) de uitkomst als het Energieperspectie 2050 niet doorgaat (dus de situatie als de ontwikkeling in 2030 stopt); en VKA (het gekleurde blokje) de situatie als het Energieperspectie 2050 wel doorgaat.
De hoogte van de blokjes geeft een soort herinnering aan de onzekerheid in de uitspraken.
De ‘hoofddoelstellingen’  zijn die van de Energieagenda 2019-2030,

De bronnenmix in 2050
Na  al deze voorbereiding wat het Energieperspectief denkt dat er met de verschillende energie-indellingen gaat gebeuren (zie hieronder).
Neem alle prognoses met een flinke korrel zout – zie ze maar als indicatief. Dat doet het Brabantse College van GS ook.

  • In 2023 is ca 93% van alle bronnen regelbaar (voor het overgrote deel fossie). Dat loopt terug naar grofweg 35% regelbaar
  • In 2023 komt grofweg 8% van de energie uit NBrabant zelf. Dat loopt op op naar grofweg 60%
  • De Brabantse energiemix in 2023 bestaat uit 25% elektriciteit, 4% duurzame warmte, 30% fossiele voertuigbrandstof en 42% aardgas.
    De Brabantse energiemix in 2050 bestaat uit 76% elektriciteit, 8% duurzame warmte, 26% waterstof en groen gas, en 0% aardgas en fossiele voertuigbrandstof
  • De bronnenmix in 2050 gaat er in meer detail uitzien als hieronder:

De energievraag per drager in PJ. Het Energieperspectief 2050 baseert zich op ‘lokale kracht’’. De laatste twee worden niet gebruikt. Het ‘lokale kracht’-scenario telt op tot 211PJ

Het taartdiagram is op zichzelf minder informatief dan het lijkt.

  • Dat je de gekleurde taartpunten als indicatief moet zien, is vrij logisch, gegeven de vele onzekerheden.
  • Groter probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet of deze mix de aanbodkant of de vraagkant beschrijft. Uit de verdiepingsbijlage blijkt dat het om de vraagkant gaat, dus om de energiedragers die aan de klant worden aangeboden (finaal verbruik).
  • Ander probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet op hoeveel energie de taart als geheel betrekking heeft. Het perspectief noemt nergens absolute getallen. Ook hier weer moet je naar de verdiepingsbijlage (bovenstaand staafdiagram) voor een antwoord op die vraag: men verwacht dat de totale energievraag daalt van 235PJ in 2023 naar 211PJ in 2050 (dat is dus de totale taart). Tevens geeft het staafdiagram absolute getallen voor enkele taartpunten samen.
    Overigens dacht men in de Energieagenda 2019-2030 (de voorganger van het Perspectief) nog dat de totale vraag naar energie in 2030 240PJ/y zou zijn. N Brabant zat dus in 2023 met 235PJ al onder de toenmalige prognose voor 2030 (zijnde 240PJ/y).

Wat beschouwingen bij afzonderlijke taartpunten.

  • De provincie wil geen monofunctioneel gebruik van grond voor alleen maar zonnepanelen. Er kan wel wat, maar niet veel,  in combinatie met (‘icm’) bepaalde agrarische doelen, maar meer ‘icm’ met wind. Wind en zon samen is statistisch gunstig omdat ze niet hetzelfde gedrag vertonen.
  • ‘Wind op zee’ telt als Brabants als die aanlandt in Brabant.
    Er is geen verhaal over participatie of eigendomsverhouding bij de productie van stroom uit wind op zee. Gaat de provincie zichzelf inkopen in de windturbineparken of aan een coöperatie meedoen?
  • Er ligt een besluit dat er 2GW windstroom uit zee aan gaat landen in Geertruidenberg, en er loopt onderzoek naar 2GW of 4GW aanlanding in Moerdijk.
    Een aansluiting van 2GW levert ongeveer 37PJ stroom.  6GW zou dus goed zijn voor ca 110PJ. Als daarvan ongeveer 40PJ naar de waterstofproductie gaat (resulterend in ca 28PJ waterstof, rest is restwarmte), en 70PJ naar de andere klanten, klopt de taartpunt grofweg.
  • Het is een terecht uitgangspunt dat men streeft naar minimalisatie van het elektriciteitstransport, en dus naar zoveel mogelijk verwerking ter plekke. Dat zal grote gevolgen hebben voor het gebied rond Moerdijk en Geertruidenberg. Dit mede omdat de Delta Rhine-leiding er langs komt die desgewenst de geproduceerde waterstof kan afvoeren naar klanten elders.
    Ik waag me niet aan uitspraken over de diverse bestaande, andere functies in dat gebied, zoals de woonfunctie

Waterstof en groen gas-kaart

  • Ook met wind op zee is er een stroomtekort. ‘Energie-import’ betekent stroom van buiten het Brabantse systeem, ‘Brabantse’ wind op zee daarin meegeteld.
  • Bij ‘elektriciteitscentrales wordt (in de verdiepingsbijlage) gedacht aan de biomassastook in de Amercentrale (mits die biomassa duurzaam is), en aan Small Modular Reactors (SMR), relatief kleine kerncentrales. Hierover een apart hoofdstukje.
    Ik denk zelf dat er ruimte is, zij het beperkt, voor (bij)stook van biomassa, en dat Amer-eigenaar RWE slecht bezig is met de stadsverwarming ( https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ )
  • De provincie ziet in het Energieperspectief voor groen gas een belangrijke, maar qua omvang beperkte rol (7PJ) voor bepaalde nichesituaties.
    De productie van groen gas hangt van tegengesteld werkende factoren af zoals relatief meer en op termijn absoluut minder uit mestvergisting, groeiende organische stromen uit de eiwittransitie, en vergassingstechnieken van houtig afval, waartegenover groeiende inzet van organisch materiaal voor andere doelen dan groen gas staan.
  • De provincie denkt dat er in grote delen van N  Brabant potentie is voor ondiepe geothermie, en in kleine delen voor diepe geothermie (die warmer water oplevert).  Er  is ook ruimte voor aquathermie (uit oppervlakteater). Daar is in de afgelopen jaren veel  onderzoek naar gedaan.
    Grofweg zou ongeveer eenderde van de gebouwde omgeving hiermee, als regel met elektrische ondersteuning, verwarmd kunnen worden via grote (>1500 aansluitingen) of kleine warmtenetten. De provincie onderzoekt of een publiek warmtebedrijf mogelijk is.

Small Modular Reactors (SMR) – algemeen
De aandacht van de provincie N Brabant voor kernenergie is nog maar jong. Dit is het eerste meerjaren-verzameldocument dat er aandacht aan besteedt.
Ongetwijfeld is er samenhang met de SMR-strategie van het Rijk dd 17 okt 2025 ( SMR-strategie Rijk_okt2025 ) . In hoeverre de provincie hier handelt omdat het moet, of omdat men het zelf wil, is moeilijk te peilen. Enerzijds vindt de provincie in het Energieperspectief dat er nader onderzoek nodig is of SMR’s echt kansrijk zijn in Brabant, anderzijds zit de provincie met geld in een bepaald type (zie verderop).

By KVDP – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=10000621
Diagram of NRC approved SMR type: Pumpless
light water reactordeveloped by NuScale Poweras mini nuclear reactor.

Ik ben geen principiële tegenstander bij voorbaat van welke energievorm dan ook, ook niet van kernenergie. Kernenergie ontwikkelt, in elk geval in de gebruiksfase, heel weinig broeikasgas en naar alle broeikasgasarme energievormen moet gekeken worden.
Ik voel ook geen panische angst bij het woord.  Ik heb in mijn jongere jaren, ten behoeve van mijn werk als natuurkundedocent, mijn diploma Stralingsbescherming A gehaald om (zwakke) radioactieve bronnen te mogen gebruiken. Bij verstandig gebruik is er niet veel aan de hand.

Dat neemt niet weg dat ik problemen heb met specifieke ontwerpen, zoals de grote oude Belgische centrales en Borssele. De gangbare lichtwaterreactoren op basis van uranium staan mij niet aan vanwege het quasi-eeuwiglevende afval, vanwege de relaties met kernwapens, vanwege de geringe versplijtingsgraad, vanwege de geopolitieke afhankelijkheid en omdat een serieus ongeval bij grote centrales grote gevolgen heeft. En wat betreft de nabije centrales, omdat het ouwe meuk is.

Maar de nucleaire techniek schrijdt voort en er zit beweging in sommige problemen, zij het vooralsnog vooral als experiment. De veiligheid van SMR’s bijvoorbeeld is sterk verbeterd, zowel omdat ze kleiner zijn dan conventionele centrales als omdat ze automatisch stoppen als er een probleem is.
SMR’s zijn nog steeds experimenteel: er waren dd 2024  op de wereld maar twee SMR’s in gebruik, namelijk een exemplaar in Rusland, gemodelleerd op de aandrijving van een nucleaire ijsbreker, en een in China. Het experimentele karakter is mede oorzaak dat de eventuele bouw van een SMR in N Brabant 8 tot 11 jaar zou kosten. Voor de korte termijn heb je er, hoe dan ook, niets aan.
Er is een goed Wikipedialemma over de  Small Modular Reactor op https://en.wikipedia.org/wiki/Small_modular_reactor .

Small Modular Reactors – in het NRG Pallas onderzoek is kernenergie te vanzelfsprekend
De provincie heeft NRG Pallas, ten behoeve van het Energieperspectief, om een beperkt onderzoek gevraagd waarin kernenergie in het algemeen, en SMR’s in het bijzonder, als een gegeven beschouwd werden dat niet zelf ter discussie stond. Het onderzoeksresultaat maakt deel uit van het Perspectief-pakket dat men kan downloaden.
Er moest gekeken worden naar hoe drie reactor-grootteklassen bij gegeven koelmogelijkheden en gegeven gebruiksbeperkingen (Natura2000, woonkernen) en een gegeven energievraag passen. Het is geschematiseerd weergegeven in onderstaande tabel

Hoge waterbeschikbaarheid betekent in Brabant de Maas (categorie A). Als daar ergens een grote energievraag zou zijn (>750MWth ) heet de combinatie dan A1.
De subscript  ‘th’ betekent ‘thermisch’. Elke kerncentrale is in wezen gewoon een warmtebron, met welke warmte je verschillende dingen kunt doen. Je kunt er stroom mee maken (subscript ‘el’), maar dat met betrekkelijk laag rendement (een kwart tot een derde). Dus 750MWth aan de Maas betekent, als het meezit, 250MWel .
De grootte-range ‘Small Modular Reactor’ loopt omhoog tot 300MWel en dan zijn ze eigenlijk niet ‘Small’ meer – Borssele is bijvoorbeeld 485MWel . Het is dus zeer wel mogelijk dat een aantal SMR’s opgeteld meer leveren dan een gewone, ouderwetse kerncentrale.

Met warmte kun je op zichzelf ook nuttige dingen doen, zoals industriële processen mogelijk maken, de stadsverwarming voeden, zout of brak water ontzilten (bijvoorbeeld als de drinkwaterwinning  tegen zijn grenzen aanloopt), of de productie van waterstof makkelijker maken.
SMR’s kunnen behoorlijk nut hebben in een goed verhaal.

Voor zo’n goed verhaal moet je ook andere infrastructuur inplannen, zoals de warmtenetten, de grote waterstof ‘backbone’ die er moet komen, en de hoogspanningsleidingen.  Die zijn in de NRG Pallas-analyse niet als dwingende voorwaarde opgenomen, maar als wenselijke aanvulling.

Inpassingsmogelijkheden van SMR’s

Als je dat allemaal  bij elkaar voegt, krijg je bovenstaande kaart (al die kaarten zijn overigens verrot onduidelijk). Die kaart leidt tot enkele interessante speculaties.
Dat Moerdijk  eruit springt is logisch (wat iets anders is als aangenaam). Maar bijvoorbeeld Veghel (klasse B1) springt eruit (als je goed kijkt) en de Theodorushaven in Bergen op Zoom.
En als men nou eens zou besluiten om op de Eindhovense Brainport Industries Campus een groot datacenter te bouwen? Komt op papier in aanmerking voor een SMR (klasse B2 of B3, is niet goed te zien). Dus beperkte koelingsmogelijkheden, namelijk uit het nabije Beatrixkanaal, en dat kan ‘NK, natte koeling betekenen, mogelijk een koeltoren. Over koeltorens spreekt de NRG_Pallas-studie niet, wel over koelgebouwen van 10 – 30m hoog waar verdamping plaatsvindt.

Small Moduler reactors – wat ook ter discussie zou moeten staan
Afgezien van dat SMR’s nog niet commercieel beschikbaar zijn,  zijn er een paar dingetjes:

  • Men hoopt dat SMR’s gestandaardiseerd kunnen worden en prefab gebouwd, waardoor ze per MW goedkoper worden. Maar er zijn ruim honderd typen in ontwikkeling met nogal uiteenlopende kenmerken. Het is niet meteen duidelijk dat een en ander tot massaproductie kan leiden
  • Bijna alle ruim 100 typen hebben uranium als brandstof, hetgeen betekent dat alle narigheid van die grondstof blijft bestaan, zoals bijvoorbeeld het vele afval en de zeer lange levensduur van dat afval. Heel kort door de bocht: tien kleine reactors op uranium zijn even erg als één grote.

De nieuwste ontwikkeling zijn reactoren die werken met Thorium als uitgangselement en gesmolten fluorzouten daarvan als brandstof en koeling. Deze techniek is nog in ontwikkeling. De Chinezen hebben een kleine proefreactor opgestart in de Gobiwoestijn ( https://en.wikipedia.org/wiki/TMSR-LF1  ) en (met luchtfoto van het complex chinadaily.com.cn/a/202511/01 .

1 TMSR-LF1堆本体离线安装启动 

  • Het merkwaardige is dat het Brabantse Provinciebestuur zelf met vier miljoen Euro in de Nederlandse startup Thorizon (https://thorizon.com/ ) zit. Dit samen met het instituut DIFFER van de TU/e, ingenieursbureau DEMCON met een kantoor in o.a. Best, en VDL . Zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/doorontwikkeling-gesmolten-zout-reactor/ .
    Er zit ook 10 miljoen € van de EU in. Dit project zou ergens in 2028 tot iets zichtbaars moeten leiden.
    Het is merkwaardig dat de provincie in zijn Energieperspectief zijn eigen project niet eens noemt, en in de bijlage met het NRG Pallas-onderzoek verschijnt het maar in twee regels.
    Dit terwijl er goede redenen zijn om te geloven dat gesmolten zout-reactoren op thoriumbasis ordes van grootte minder afval maken (zelfs al bestaand afval kunnen verwerken), terwijl dat afval ordes van grootte minder lang radioactief blijft.
    Het zou goed zijn als het provinciebestuur niet alleen laat uitleggen wat de SMR’s kunnen, maar ook hoe ze werken en dus wat de bijeffecten zijn.
  • Alle warmte die een SMR maakt en die geen stroom wordt (minstens tweederde), en die niet op andere wijze nuttig gebruikt wordt, komt in de lucht of het oppervlaktewater terecht (dat geldt overigens voor bijvoorbeeld een gascentrale ook).
    In het oppervlaktewater neemt de temperatuur toe. Bij de kerncentrale in Borsele bijvoorbeeld mag het water van de Westerschelde na de centrale maar 3˚˚°C warmer zijn dan ervoor, maar de Westerschelde is groot en die 3°C wordt niet bereikt. Maar Brabantse kanalen en riviertjes zijn vaak klein, vooral in hete droge zomers, en dan kan die opwarming behoorlijk aantikken (vandaar die koeltorens). Zelfs de kerncentrales op de Maas hebben in het verleden wel eens voor temperatuurproblemen gezorgd.  Sowieso mag de temperatuur van het oppervlaktewater van de Kader Richtlijn Water maar 25°C zijn.
    En als dat extra warme water door een Natura2000-gebied stroomt, kaan dat mogelijk een Natuurvergunning  verplicht maken.
    De opwarming van het oppervlaktewater is dus op zijn minst een aandachtspunt.
  • Je mist aandacht voor het voor- en natraject van de exploitatie. De bouw en sloop leiden tot broeikasgassen, maar dat geldt op zich ook voor wind- en zonne-installaties. Maar bij wind en zon komt er in de exploitatie geen broeikasgas vrij, en bij uranium en thorium wel, namelijk in de mijnbouw die nodig  is.De literatuur (Wikipedia) beweert dat thoriummijnbouw minder nadelen met zich meebrengt dan uraniummijnbouw.
    Een scope -1, -2 en -3-analyse is op zijn plaats.  Het provinciale verhaal gaat tot nu toe alleen over scope-1.

Small modular Reactors: mijn uiteindelijke standpunt
Al met al vind ik dat de provincie N Brabant niet aan SMR’s zou moeten beginnen die op de uraniumcyclus draaien. Ik beschouw het afvalprobleem niet als opgelost – daarin lijken ze nog steeds teveel op een gewone, moderne  kerncentrale.

Het provinciebestuur mag proberen mij te overtuigen van de bouw van een tot enkele SMR’s op thoriumbasis. Dat kan nodig blijken om een zo broeikasarme energieproductie op te bouwen in 2050, en zo’n SMR bespaart veel ruimte.
Maar dat moet dan met een verhaal dat inhoudelijk beter is dan wat er nu ligt.

Tenslotte vind ik dat energie in (semi)publieke handen moet zijn, zeker kernenergie. Er zijn risico’s en alles wat niet failliet mag, hoort niet op de markt.

========

Ik heb een zienswijze ingediend op het Energieperspectief 2050. Wie het wil lezen, kan het vinden op


==========

Update dd 02 april 2026

In maart 2026 heeft de provincie alle 41 zienswijzen (rijp en groen, groot en klein) van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen. Op 31 maart 2026 hebben Gedeputeerde Staten het Energieperspectief 2050 vastgesteld, zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/energie-2050-duurzaam-zelfstandig-mogelijk/ . Deze webpagina biedt via doorverwijzing toegang tot alle documenten.

In het voorjaar komt het (op onderdelen aangepaste) Energieperspectief 2050 ter besluitvorming in Provinciale Staten.


Onveiligheid door extreme regen

Inleiding
De klimaatopwarming leidt tot steeds extremer weer, onder andere tot steeds vaker steeds extremere regenval. Het in pre-klimaatjaren zorgvuldig opgebouwde watersysteem kan die extreme stortvloeden niet meer aan. Dat kan lokaal of regionaal tot calamiteiten leiden.
De schok van de Eifel/Ardennenramp, met zijn taferelen uit Valkenburg, in 2021 (ruim 220 doden, vele miljarden schade) heeft het onderzoek verder versneld.

Tot nu toe leverde dat vooral natuurwetenschappelijke informatie op, zoals waterdieptes en verblijfstijden op straat. Zie https://www.bjmgerard.nl/water-op-straat-bij-hevige-regen-hoe-diep-en-hoe-lang/ . De onderzoeksopdracht is daarmee niet af, want uiteraard is iedereen geïnteresseerd in de maatschappelijke gevolgen.

De Onderzoeksraad  Voor Veiligheid (OVV)

 De OVV heeft de behoefte aan inzicht in de maatschappelijke gevolgen opgepikt – vanuit zijn core business ‘veiligheid’. Vertrekkend vanuit de natuurwetenschappelijke inzichten, heeft de OVV in januari 2026 een studie uitgebracht ‘Onveiligheid door extreme regen’. Die is te  vinden op https://onderzoeksraad.nl/onderzoek/veiligheidsrisicos-rond-wateroverlast/ .   

Voor de OVV is ‘veiligheid’ een ruim begrip. In de context van wateroverlast  valt er niet alleen direct levensgevaar onder, maar bijvoorbeeld ook zaken als gezondheidsschade, uitvallende maatschappelijke voorzieningen, maatschappelijke ontwrichting, of stress vanwege financiële rampspoed, met name bij arme mensen. De OVV noemt in dit verband rechtvaardigheidsoverwegingen.

Een rapport op basis van drie voorbeeld-thema’s
De OVV heeft zijn rapport gebaseerd op drie case studies:

  • De vijf uur durende uitval van een stroomverdeelstation in Nijverdal
  • De urenlange sluiting van de SpoedEisende Hulp (SEH) in Doetinchem
  • Het overstromen, en onbewoonbaar worden, van woningen in Enschede.

In alle gevallen wordt er beschreven wat er precies gebeurd is, waarom het heeft kunnen gebeuren, of er iets aan gedaan kan worden (beleid). Waar dat zin heeft, wordt het specifieke voorbeeld veralgemeniseerd.

Nijverdal
In een stroomverdeelstation eindigen hoogspanningskabels op op het maaiveld geplaatste  transformaatoren, waarachter dikke kabels middenspanning voeren. Die gaan naar een verdeelsysteem dat levert aan de trafohuisjes in het omringende gebied (en die maken er weer 230V van).

Ligging in het dal van de Regge                                                     10.000V…

Het stroomverdeelstation van Nijverdal ligt in het dal van de Regge. Het maaiveld van het station ligt niet veel hoger dan het Reggewater. Dat is niet ideaal, maar, zo vertelde Enexis aan de OVV, niemand wil zo’n station vlak bij zijn huis en zodoende worden wij vaak naar niet-ideale locaties verbannen – een typisch leermoment.
Nijverdal hoort tot een groep verouderde inrichtingen, waarbij het verdeelsysteem in een kelder ondergebracht is. Dat ging tot dan toe altijd goed, en daarom werd de groep kelderopstellingen als groep beoordeeld, en werden de afzonderlijke leden van de groep niet individueel geanalyseerd vanwege de specifieke omgeving (leermoment). En dat had eenvoudig  gekund, want de grondwaterstanden zijn gewoon openbaar beschikbaar. Maar Enexis had er nooit aan gedacht om ze op te vragen, en het waterschap en de gemeente Hellendoorn hadden er ook nooit aan gedacht om ze proactief aan te bieden (leermoment).
Maar het had heel lang heel hard geregend, de Regge stond hoog en het grondwater ook, en op 36 december 2023 liep dat grondwater langs zoiets als een lekke mof de kelder in waar (leermoment) contactpunten niet geïsoleerd waren.  Gaf een interessante kortsluiting.
Nu had Enexis in twee opzichten geluk, waardoor de stroomstoring niet tot maatschappelijke ontwrichting leidde: het gebeurde midden in de nacht, iedereen sliep, en de reserve-inrichting in de kelder lag door stom toeval een paar cm hoger en was net niet door het water geraakt. Dat maakte snel herstel mogelijk en toen veel mensen wakker werden, was het probleem inmiddels opgelost.
De technische opwaardering van dit soort verdeelstations stond al eerder op de rol en wordt nu planmatig uitgevoerd.

De SpoedEisende Hulp (SEH) van het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem
Het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem ligt laag (tussen twee heuvels), en de SEH ligt lager dan laag, en is maar via één weg bereikbaar. Wateroverlast is hier niet onbekend en mede vanwege de leeftijd van het ziekenhuis (1965) waren er al nieuwbouwplannen elders, die inmiddels uitgevoerd worden.

Maar de 60 a 70mm in twee uur op zondagmiddag 21 juli 2024 waren van een niet eerder vertoonde orde. Het met rioolwater verontreinigde regenwater spoelde de ingang binnen, en uit de toiletten omhoog, en de toegangsweg was een rivier geworden. Je kunt dan moeilijk een ziekenhuis runnen. De SEH bleef zeven uur dicht.

Tegelijk was vlakbij de Zwarte Cross, een bekend cultureel massa-evenement, en was er (ook vanwege de regen) het dak van een speelpaleis ingestort (welk gebouw op tijd geëvacueerd was, maar ondertussen legde het wel beslag op de commandant van de brandweer).

De OVV benadrukt terecht dat een heftige gebeurtenis afhankelijk van de context een calamiteit kan worden. In dit geval ging er niet veel fout op de Zwarte Cross en was de evacuatie tijdig, zodat er geen onverwachte vraag was naar diensten van de gesloten SEH.

Voor de veralgemeniseringsstap (‘kan dit ook elders in Nederland gebeuren?’) heeft de OVV een publicatie van Investico Onderzoeksjournalisten geraadpleegd ( https://www.platform-investico.nl/onderzoeken/nederland-niet-voorbereid-op-hevige-regen ). Het antwoord is ja. Binnen de focus van deze site (NBrabant en NLimburg) betreft het  de SEH van het Elkerliek in Helmond en het St Jans Gasthuis in Weert, die onbereikbaar worden vanwege ondergelopen  toegangswegen, en het Bravis Ziekenhuis in Roosendaal, dat om dezelfde reden onbereikbaar wordt, en waarvan bovendien de SEH overstroomt.

Pathmos en Stevenfenne in Enschede; rechtvaardigheid bij rampen
Hetzelfde extreme regencomplex als dat wat het Slingeland Ziekenhuis trof, ging op 21 juli 2024 ook boven Enschede te keer.
Het centrum van Enschede ligt op de Twentse Heuvelrug, maar later gebouwde delen op de helling of, tientallen meters lager,  onder aan de bult. Daaronder de wijk Stadsveld en de deel-wijken daarbinnen Pathmos en Stevenfenne. Zie bovenstaande plattegrond, die echter niet de feitelijke situatie weergeeft maar een modelberekening op basis van 70mm/uur regen.
Feitelijk liepen in grote gebieden de straten op 21 juli 2024 meteen onder, en toen de smak water van de heuvelrug aankwam liep het rioolwater bij een deel van de woningen via de straat en de toiletten de huizen in.

Ook hier dat een calamiteit altijd in context ontstaat.  In dit geval dat het rioolwater binnenkwam bij vooroorlogse (oudste 1914), slecht gebouwde woningen. De poreuze bakstenen zogen het rioolwater decimeters hoog de muren in. Daardoor ontstond er schimmel- en bacteriegroei met bijbehorend gevaar (direct of met vertraging) gevaar op infectieziektes. Dit verergerd omdat uit de natte vloerplanken formaldehyde vrijkwam. Er werden 79 huurhuizen geëvacueerd, waarvan 57 voor onbepaalde tijd. Die zijn functioneel onbewoonbaar geworden. Stress van jewelste.

De OVV noemt hier het rechtvaardigheidsbeginsel. De bewoners van de twee getroffen deelwijken behoren tot de armste en laagst opgeleide mensen in Enschede.

In zijn veralgemeniseringsslag is de OVV op zoek gegaan naar vergelijkbaar kwetsbare wijken elders in den lande. Dat is geobjectiveerd met CBS-cijfers. De WOZ-waarde en het bouwjaar modelleren de kwetsbaarheid van de woningen (50%   van de woningen is vooroorlogs), de (sociaal-economische) SES-score de kwetsbaarheid van hun bewoners (onderste 30%). Zo vindt de OVV 47 buurten.
De aardrijkskunde van de omgeving zit er dan nog niet in. Daarom heeft de OVV de 47 buurten op een hoogtekaart van Nederland geprojecteerd. Sommige wijken liggen onder een hoog gebied of laag, nabij een grote rivier.

De geselecteerde wijken (meest in grote of middelgrote steden) zijn goedkoop (WOZ-waarde is 2/3de van gemiddeld dd 2023); versteend; en vooral huur.

Bij stedelijke ontwikkeling wordt vaak de natuurlijke waterafvoer van een gebied verstoord. Hierboven een kaart van de gemeente Enschede die de afwaterende beken vanaf de Twentse heuvelrug toont rond 1900 en rond 2000 .
Op zich kun je een beek soms wel in een riool stoppen, maar je maakt dan keuzes over de dimensionering. Als dat krap gebeurd is, en daarna gaat het vanwege het klimaat explosiever regenen, is er een probleem.
In mijn woonplaats Eindhoven is informatie over verdwenen beken te vinden op https://www.waterineindhoven.nl/ .

Beleid
De case studies bieden een goed zicht op wat de risicofactoren zijn, maar het zijn voorbeelden, geen bewijzen. Voor een beter beeld is de OVV, bijvoorbeeld via gesprekken met deskundigen, ook buiten de studies om de diepte ingegaan.

Eigenlijk alle deskundigen zeggen dat er met adaptatiebeleid een hoop te winnen valt, ook al verschillen ze van mening over hoeveel precies.

De OVV is in elk geval niet tevreden over hoe de overheid met de problematiek omgaat:

  • Het beleid is onvoldoende specifiek op veiligheid gericht. Voor zover er beleid is, gaat dat vooral over overlast en schade
  • Het beleid is te vrijblijvend.
    Er zijn bijvoorbeeld wel bouwrichtlijnen en stresstesten, maar die verplichten tot niets. Er is veel te weinig centrale sturing. Daardoor rommelt iedereen op lagere niveau’s maar wat aan en blijven maatregelen steken in kleinschaligheid en pilots. (Wat je ziet is dat Nederland al een paar jaar nauwelijks bestuurd is geweest (dat zeg ik, dat zegt niet de OVV).
    Het goede ‘water en bodem leidend-beginsel’ is door de ministers Madlener en Keijzer afgezwakt tot ‘Rekening houden met water en bodem’.
  • De samenhang van risicofactoren met hun maatschappelijke context (bijvoorbeeld kwaliteiten van woningen en armoede) blijft te veel buiten beeld. Ook in de tweede ronde stresstesten worden dit soort verbanden niet meegenomen
  • Er wordt te weinig gedaan met vroegwaarschuwing in wat men de ‘lauwe fase’ noemt. Zo mag het KNMI alleen maar vroege waarschuwingen uitbrengen aan overheidsorganen. Dat zou anders marktverstorend werken, omdat er ook commerciële weerberichtorganisaties zijn. Het KNMI had bijvoorbeeld het Slingelandziekenhuis niet mogen waarschuwen.
  • De regering wordt niet onder druk gezet door bange burgers, want er is onder de bevolking nog geen breed gedeeld urgentiegevoel – blijkt uit enquêtes. Men verkeert nog teveel in zalige gemoedsrust over wat een probleem zal gaan worden – misschien niet meer in delen van Enschede. Het oude waterschapsgebed om af en toe een klein watersnoodje gaat ook hier op.

In het laatste hoofdstuk worden deze gebreken op logische wijze omgezet in aanbevelingen, verdeeld over de categorieën;

  • Risicofactoren onvoldoende in beeld
  • Centrale sturing ontbreekt
  • Onvoldoende realisatie van maatregelen
  • Onvoldoende vroegtijdige weerwaarschuwingen

PS: exact op de dag dat ik deze bijdrage op mijn site zette (04 februari 2026), verscheen er in de NRC een groot artikel over precies hetzelfde onderwerp, op basis van hetzelfde OVV-rapport. Daarin o.a. een bijdrage van hoogleraar Marjolijn Haasnoot. Zeker de moeite waard om er bij te pakken.
Zie https://www.nrc.nl/nieuws/2026/02/02/ineens-was-het-delftse-bagijnhof-in-een-put-veranderd-hoe-gaan-wijken-om-met-extreme-regen-a4918972 .

De provincie NBrabant geeft zijn maatregelenpakket weer op https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/voorbereid-hoogwater-extreme-neerslag/ .
Daarin wordt verwezen naar een visual op https://www.brabant.nl/publish/pages/17570/visual-wateroverlast.pdf ,

Sociale bouw redden met circulair werken en een mini-warmtenet

In de vakpers ( installatie.nl_warmtenet-bij-renovatie-sociale-huurwoningen-in-bussum) passeerde een renovatiepilot uit Bussum die een ruimere interesse verdient, maar dat met enige kritische zin.

De pilot
De woningbouwcorporatie De Alliantie wil al zijn woningen in 2050 van het gas af hebben en is daar al een tijd mee bezig. Maar inmiddels is het ambitieniveau opgeschroefd en wil De Alliantie de verduurzaming  ook grotendeels circulair uitvoeren en met aandacht voor biodiversiteit.
De corporatie heeft daartoe een ‘challenge’ uitgebracht voor het op deze wijze, als pilot, renoveren van 12 (2*6)  geschakelde sociale eensgezinswoningen in Bussum-Zuid (nabij de Bussumer Heide).

De woningen zijn in 1963 opgeleverd en zijn al eerder gerenoveerd geweest, met energielabel D als gevolg. De keuze was tussen sloop en herbouw, of nog eens renoveren voor 20 jaar. Besloten is tot het laatste en dat werd de pilot. Die heeft Europese subsidie ontvangen.

Ik vind het politiek te prijzen dat men niet lichtzinnig tot sloop overgaat. Vaak betekent sloop dat er een duurdere en kleinere woning voor terugkomt die niet perse meer sociaal is.

De renovatie is uitgevoerd volgens het RE-DO concept ( https://www.revolve-co.nl/ ). . Daarin werken samen De Alliantie, een aantal mensen en bedrijven in de hoek van biobased en circulair werken,, en Dé Warmtepompkelder (DWPK,  dwpk.nl ).

Het resultaat van het circulair en biobased bouwen is dat 95% van de geoogste materialen een tweede leven krijgen, en dat de CO2 -uitstoot van het bouwproces zelf met 60% gedaald is t.o.v. de ‘traditie’.

De renovatie heeft besteedt ook aandacht aan biodiversiteit. In deze ‘bio-poot’ zijn ook spouwmuurkastjes voor mussen de gierzwaluwen meegenomen.

Het opmerkelijkste (aar mijn smaak) is de alternatieve verwarmingsopzet.

Zie o.a. .linkedin.com_dwpk-realiseert-mini-warmtenet-bij-woningcorporatie en dwpk.nl/projecten/project/ en linkedin.com_twintigdertig en DWPK  . 
Het begint met kierdichting en isolatie.
DWPK werkt met  bodemwarmtesysteem. Het bedrijf heeft ervoor gekozen om vier boringen te doen tot op 285m diepte en daar een gesloten systeem (met een milieuvriendelijk koudemiddel) in te hangen. Die vier bronnen leveren (en nemen af bij koeling)) van een warmtepomp per individuele woning. Dat zijn er dus twaalf en die zijn gekoppeld, zodat er een mini-warmtenet ontstaat. De warmtevraag is individueel afrekenbaar.
De warmtepomp kan 70˚C halen, zodat de radiator niet perse vervangen hoeft te worden.
Sowieso hoeven er nauwelijks werkzaamheden in huis te worden uitgevoerd, want alleen de CV-installatie wordt vervangen door een boilervat (bewoners hoeven hun huis niet uit). De warmtepomp wordt geplaatst in een prefabkelder, van 1,20 bij 1,20 bij 1,40m, die in de tuin wordt ingegraven.  Er is geen buitenunit, dus geen herrie.
Levering aan de woning gaat, in elk geval in Bussum, via de kruipruimte en de meterkast naar het afgiftesysteem.
Resultaat van dit alles is dat de woningen opgewaardeerd zijn naar A++ .

De kosten van het systeem worden verdeeld over de woningbouowcorporatie (die de warmtepompen overkoopt van DWPK). DWPK zelf, dat eigenaar blijft van het bronsysteem, en de bewoners. Het lijkt voor de bewoners financieel gunstig te zijn, maar er wordt geen getallen genoemd 9behalve een korte terugverdientijd t.o.v. gas).

Mocht men over bijvoorbeeld 20 jaar alsnog willen slopen, dan kan de putannex warmtepomp ongewijzigd naar de nieuwbouw worden omgezet.

De warmtepomp in zijn kubus

Enig kritisch voorbehoud is op zijn plaats

  • Het is een mooi verhaal, maar men vertelt het over zichzelf.
  • Het is jonge techniek.  Het informatiemateriaal dateert van de tweede helft van 2025.  Het is dus afwachten hoe de resultaten over de jaren uitpakken.
  • Informatie over de woonlasten is schaars
  • Niet vermeld wordt of de pilot ook zonder Europese subsidie rond was gekomen.
  • DWPK werkt alleen met bodemwarmtesystemen. Maar in grote delen van Brabant mag je van de provincie niet door kleilagen heen boren of überhaupt niet boren.( https://www.bjmgerard.nl/bodemenergie-en-kleilagen-in-noord-brabant/ )
  • Hoe moet het als er geen kruipruimte is?
  • De gebruikte literatuur biedt geen duidelijkheid hoelang het systeem meegaat. Ergens wordt gesproken over ‘er ruim 20 jaar plezier van’. Uiteraard slijt de mechanica van de pomp, maar die is onderhoudbaar (makkelijk zelfs) en vervangbaar.
    Maar wil de watertemperatuur gemiddeld +12˚C blijven, zoals gesteld, dan moet er door koeling in de zomer ongeveer evenveel warmte in de bodem worden gestopt als er in de winter voor verwarming wordt uitgehaald. Het systeem is in feite een Warmte-Koude Opslag (WKO). ( https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/bodemwarmte/ ). Dat stelt beperkingen aan het gebruik van het systeem. Een professionele installateur rekent dat door en naar alle waarschijnlijkheid bezit DWPK die professionaliteit, maar er wordt in de internet-teksten over de pilot niet over gesproken.

Ik verwelkom technische ontwikkelingen die de balans tussen sloop en renovatie vaker richting renovatie laten doorslaan, en dat nog meer als dat bijna circulair gebeurt,  maar geen enkele technische ontwikkeling is een wondermiddel. Ze blijven om een grondige en situatiegebonden analyse vragen.

Shellproces Milieudefensie haalt tijdschrift Science

Het proces van Milieudefensie versus Shell heeft op veel plaatsen de aandacht getrokken.

Opmerkelijk is een flink artikel in Science. Science hoort bij de beroemdste wetenschappelijke tijdschriften ter wereld en onderzoekers  voelen zich heel vereerd  als een artikel geplaatst is. In dit geval betreft het onderzoekers va de London School of Economics and Political Science.
Het artikel is te vinden op https://www.science.org/doi/10.1126/science.adz4857 , maar het zit achter de betaalmuur. Ik heb het gekocht voor een paar tientjes en men kan het ook hieronder vinden.

Ik probeer hierna uit te leggen wat erin staat. Maar ik ben geen jurist, dus men moet zich niet op mij beroepen. Wie op verantwoorde wijze iets zeggen wil, moet het artikel zelf erbij pakken.

Integrated Assessment Model’s (IAM’s) zijn grote computermodellen waarin klimaatwetenschap, energiesystemen en economie gecombineerd worden.
Op basis van IAM’s gevoerde processen tegen regeringen, waarin bindende klimaatafspraken geëist werden, zijn vaak succesvol geweest (in Nederland bijvoorbeeld het Urgendaproces).

Milieudefensie was de eerste die een IAM inzette tegen een particulier bedrijf, in casu Shell. Dat werd in eerste instantie een succes, en in hoger beroep een gedeeltelijk succes.
In abstracto kreeg Milieudefensie ook in hoger beroep gelijk, maar in concreto wilde het Gerechtshof geen reductiedoel noemen omdat er geen wetenschappelijke consensus zou bestaan over een exact percentage dat toegepast zou moeten worden (in dit geval  45% minder in 2030 t.o.v. 2019 over scope-3, welke scope veruit de grootste post is)

Het dilemma van het Gerechtshof is illustratief voor een brede trend. Op verschillende plekken in de wereld probeert men regelgeving te definiëren die de klimaattransitie van particuliere ondernemingen moet inkaderen.
Een goed voorbeeld zijn de ‘Guidelines for multinational enterprises’ van de OECD. Die zijn niet rechtstreeks bindend, maar moeten door aangesloten staten in nationale wetgeving worden omgezet. Die moet dan op wetenschap gebaseerd zijn en gebaseerd zijn op het GHG-protocol, inclusief Scope-1, -2 en -3 -analyses ( een voorbeeld van een onderneming die dat doet, en hoe dat werkt,  is DAF Trucks, zie https://www.bjmgerard.nl/daf-trucks-en-milieudefensie-spreken-over-het-klimaat/ en andere artikelen).
Ook de EU probeert in zijn (onlangs helaas afgezwakte) CSDDD-wetgeving om aan ondernemingen boven bepaalde omvang-drempels verplichtingen op te leggen in de geest van de OECD-richtlijnen.

Het is voor regeringen een worsteling om wetten te maken die in praktijk werken. En dat is nodig omdat het aanklagen van ondernemingen inzake hun klimaatplan mondiaal steeds vaker voorkomt. Soms gebeurt dat om ze ter verantwoording te roepen voor het verleden (‘backward-looking’), soms om het toekomstig gedrag te beïnvloeden (‘forward-looking’). De Miieudefensiezaak is forward-looking en inmiddels lopen er mondiaal ruim 20 van die forward-looking zaken.

Hoewel het Gerechtshof een streep zetten door de concrete 45% reductie, sprak het wel een belangrijke overweging uit, namelijk dat olie- en gasbedrijven zich moeten buigen over het groeiende duidelijkheid dat geen enkele nieuwe olie- en gasbron verenigbaar is met het Parijs-akkoord. Maar omdat deze specifieke eis niet in het proces ingebracht was, kon het Gerechtshof daarover slechts een overweging formuleren en geen vonnis.
Milieudefensie heeft daarop, in een tweede klimaatzaak tegen Shell, dit verbod op nieuwe olie- en gasboringen  alsnog als een juridische eis op tafel gelegd.
Al eerder had Milieudefensie cassatie aangetekend tegen de uitslag van de eerste zaak.

Ik heb aan beide zaken aandacht geschonken in https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-dreigt-shell-met-klimaatzaak/ . Ik heb dit artikel voor deze gelegenheid geactualiseerd  t/m 15 jan 2026.

Milieudefensie heeft simpelweg de mondiale 45% GHG-reductie in 2030 t.o.v. 2019, waarover brede overeenstemming bestaat, omgezet in een sectorale verplichting aan de Shell als onderdeel van de olie- en gassector.  Het Gerechtshof ging hier niet in mee.

Maar de onderzoekers van de London School of Economics and Political Science vinden dat te kort door de bocht. Ze wijzen erop dat op sectorniveau, ook nu al, protocollen in ontwikkeling zijn die toch al op sectoraal niveau uitspraken doen zoals bijvoorbeeld  de Sectoral Decarbonization Approach (SDA). Die zijn er ook voor de olie- en gassector (scope-1, scope-2 en een deel van scope-3).
Enerzijds suggereren de onderzoekers dat het Gerechtshof meer met de al bestaande protocollen had kunnen doen, anderzijds erkennen ze dat de bestaande sectorale modellen inderdaad gebreken vertonen (te weinig theorie, kwetsbaarheden en te grofmazig).

Dit verdient verbetering. De onderzoekers noemen drie routes.

De eerste is dat mogelijk nog geen wetenschappelijke consensus is over precieze percentages, maar dat de verschillende modellen al wel tot een bandbreedte in de krimp  geleid hebben (zelfs Shell zag noodzaak  voor een reductie). Die bandbreedte liep in het Milieudefensieproces voor bijvoorbeeld gas van 30.1 tot 50.5% reductie. Het Gerechtshof had, in plaats van deze bandbreedte als bewijs voor een gebrek aan consensus te zien,  de ondergrens kunnen opleggen (dat is ook gebeurd in het Urgendaproces).

De tweede route is dat men zou kunnen kijken wat het kost om een ton CO2 uit de atmosfeer te houden (de Marginal Abatement Cost – MAC). Het IPCC heeft in zijn zesde Assessment 230 scenario’s doorgerekend om onder de 2oC te blijven,  en daar kwam een mediaan uit van $73 per ton CO2 . Alle maatregelen die per ton minder kosten dan een $73 zouden dan verplicht gesteld moeten worden.
Een dergelijk schema zou voordelen hebben: er zijn dan meer data beschikbaar zijn (robuustere maatregel) en dat je kunt differentiëren per sector (in plaats van elke sector 45%). Er zijn ook nadelen.
Deze benadering wordt in praktijk nog niet gebruikt en ontbrak in het Milieudefensie-proces.

De derde route is dat de rechter het aansprakelijkheidsrecht kan interpreteren dat de onderneming, op basis van het bestaande recht,  tot redelijke stappen gedwongen wordt die bij elkaar zoiets als een plan zijn. Het gaat dan om zoiets als minimum gedragsvoorschriften die opbouwen tot een soort transitieplanning. De onderzoekers noemen als voorbeeld de UK Transition Plan Taskforce.
Ook het Gerechtshof heeft het aansprakelijkheidsrecht geïnterpreteerd, maar dat leidde tot de beperkte uitspraak dat Shell de plicht heeft de klimaatverandering te verminderen. Dat had volgens de onderzoekers, tot een verdergaande uitspraak kunnen leiden.

Het Science-artikel eindigt met dat nu ondernemingen, wat betreft hun klimaatinspanningen, steeds vaker langs de juridische lat gelegd worden, een meer coherente en wetenschappelijke definitie van de klimaatinspanningen van kritisch belang is.

Luchtvaart verantwoordelijk voor bijna helft van Nederlandse klimaatopwarming in 2024

Contrails boven Eindhoven

Schipholwatch heeft op 10 januari een artikel gepubliceerd ‘Luchtvaart verantwoordelijk voor bijna helft van Nederlandse klimaatopwarming in 2024’ ( https://schipholwatch.nl/2026/01/10/luchtvaart-verantwoordelijk-voor-bijna-helft-van-nederlandse-klimaatopwarming-in-2024/ ). Het gaat om de hele Nederlandse luchtvaart, waarvan Schiphol het grootste effect heeft.
Het artikel is hieronder afgedrukt.


De Nederlandse luchtvaart heeft in 2024 opnieuw een buitensporig grote bijdrage geleverd aan de klimaatopwarming. Dat blijkt uit een nieuwe factsheet van Stichting S4R, gebaseerd op cijfers van het CBS.

De uitkomst is ronduit verontrustend: wanneer niet alleen CO₂ maar ook de andere opwarmende effecten van vliegen worden meegerekend, veroorzaakt de luchtvaart maar liefst 41,6 procent van alle Nederlandse klimaatopwarming. Geen enkele andere sector komt daarbij in de buurt.

Veel rapporten en beleidsstukken kijken uitsluitend naar CO₂-uitstoot. Maar vliegtuigen veroorzaken veel meer schade dan dat. Ze vormen vliegtuigstrepen, creëren extra hoge bewolking en stoten stikstofoxiden uit.

Deze effecten blijven korter in de atmosfeer dan CO₂, maar warmen de aarde juist veel sterker op, vooral in de eerste twintig jaar na de uitstoot. Daarom rekent de factsheet (op het eind van het artikel downloadbaar gemaakt) niet alleen met de gebruikelijke honderd jaar, maar ook met een zichtperiode van twintig jaar. Die kortere periode laat veel duidelijker zien wat vliegen op de korte termijn aanricht.

Schokkend
En dat beeld is schokkend. In 2024 was de luchtvaart verantwoordelijk voor 6,6 procent van alle Nederlandse CO₂-uitstoot. Maar zodra de niet‑CO₂‑effecten worden meegerekend, stijgt de bijdrage aan de totale opwarming naar 41,6 procent.

Zelfs wanneer de mildere honderdjaarsperiode wordt gebruikt, blijft de luchtvaart de grootste vervuiler, met een aandeel van 19,7 procent. Dat aandeel groeit bovendien: in 2023 was het nog 40,7 procent. De sector beweegt dus verder weg van de klimaatdoelen, in plaats van ernaartoe.

Sinds de jaren negentig daalt de uitstoot van de Nederlandse economie langzaam maar gestaag. De luchtvaart vormt daarop een uitzondering. Na de coronadip is de uitstoot weer snel gestegen en ligt deze ver boven het niveau van 1990. Volgens het huidige overheidsbeleid blijft de uitstoot tot minstens 2030 groeien. Terwijl andere sectoren hun best doen om te verminderen, blijft de luchtvaart de opwarming juist versnellen.

Wegmiddelen
De factsheet legt uit dat de klimaatimpact van vliegen vaak wordt onderschat omdat niet‑CO₂‑effecten meestal worden genegeerd of omdat er wordt gerekend met wereldwijde gemiddelden die niet representatief zijn voor de Nederlandse situatie. Ook zorgt de gebruikelijke honderdjaarsperiode ervoor dat de sterke kortetermijneffecten van vliegen worden weggemiddeld. Daarbij komt dat vliegen per reizigerskilometer extreem vervuilend is en dat de afstanden vaak groot zijn, waardoor de totale schade snel oploopt.

Sommigen vinden dat rekenen met een periode van twintig jaar de luchtvaart oneerlijk zwaar belast. Maar volgens de factsheet is deze periode juist realistischer. Sterke opwarming op korte termijn kan namelijk bijdragen aan het activeren van klimaatkantelpunten, met onomkeerbare schade tot gevolg. De honderdjaarsperiode maskeert deze risico’s en geeft een te rooskleurig beeld van de luchtvaartimpact. Bovendien is de komende twintig jaar precies de periode waarin Nederland klimaatneutraliteit moet bereiken. Het is dus logisch om juist naar deze termijn te kijken.

De luchtvaartsector wijst graag naar zogenaamde duurzame vliegtuigbrandstoffen als oplossing. Maar de factsheet maakt duidelijk dat dit geen realistische uitweg is. Bio‑SAF vraagt enorme hoeveelheden landbouwgrond en kan leiden tot ontbossing en concurrentie met voedselproductie. E‑SAF, gemaakt met groene waterstof, vraagt juist gigantische hoeveelheden duurzame energie — voor Nederland vergelijkbaar met tientallen kerncentrales of duizenden grote windturbines.

Geen enkele variant is volledig klimaatneutraal. Alleen hydrobehandelde fossiele kerosine kan iets minder vliegtuigstrepen veroorzaken, maar blijft fossiel en dus vervuilend. De sector kan dus niet blijven groeien onder het mom van “verduurzaming”.

Dalend CO₂‑plafond
Volgens de factsheet is het noodzakelijk dat de overheid een bindend en dalend CO₂‑plafond instelt voor de luchtvaart. Ook moet worden voorkomen dat bio‑SAF wordt ingezet, omdat dit te veel schade veroorzaakt. E‑SAF kan een rol spelen, maar alleen binnen de grenzen van de beschikbare duurzame energie. Voor het fossiele deel van de brandstof zou hydrobehandelde kerosine verplicht moeten worden. Daarnaast is krimp van de sector onvermijdelijk als Nederland zijn klimaatdoelen serieus neemt.

De luchtvaartsector zelf moet stoppen met greenwashing en met lobbyen tegen klimaatmaatregelen. Ook moet zij maatregelen invoeren om contrails te vermijden. Bedrijven en burgers kunnen bijdragen door alleen te vliegen wanneer het echt noodzakelijk is.

De nieuwe cijfers laten geen ruimte voor twijfel: de luchtvaart is veruit de grootste aanjager van klimaatopwarming in Nederland. Terwijl andere sectoren hun uitstoot verminderen, blijft de luchtvaart groeien en veroorzaakt zij bijna de helft van de totale opwarming op de korte termijn. Zonder stevige politieke keuzes — inclusief krimp — blijft Nederland zijn eigen klimaatdoelen saboteren. De feiten zijn duidelijk. Nu is het aan de overheid om te handelen.

GGD presenteert overzicht met maatregelen voor gezonde lucht

De GGD heeft op 25 november 2025 een webpagina gepresenteerd met, bij elkaar verzameld, een pakket maatregelen die tot schonere lucht moeten leiden ( https://ggdghor.nl/actueel-bericht/ggd-presenteert-overzicht-maatregelen-voor-gezonde-lucht/ ).

De GGD legt uit:” Luchtvervuiling is na roken de belangrijkste veroorzaker van ziekte en sterfte in Nederland. De gezondheidseffecten zijn vergelijkbaar met het dagelijks meeroken van vier sigaretten. Bij één op de zes kinderen met astma is dat toe te schrijven aan luchtverontreiniging. Gemiddeld leven Nederlanders hierdoor tien maanden korter. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) benadrukt dat elke verbetering van luchtkwaliteit gezondheidswinst oplevert.”

Juridisch krijgt dit vorm doordat het aangescherpte WHO-advies m.b.t. luchtnormen vanaf 2030 via de EU ook tot scherpere luchtnormen in Nederland gaat leiden (hoewel de EU-normen minder ver worden aangescherpt dan de WHO adviseert).

Hier ligt een verantwoordelijkheid voor de lagere overheden en de GGD probeert daaraan tegemoet te komen met een maatregelenpakket op de uitgesplitste gebieden wegverkeer; houtstook; landbouw; industrie; scheepvaart; luchtvaart; mobiele werktuigen; handel, diensten, overheid; consumenten overig. Zie https://ggdghor.nl/onderwerp/effectieve-maatregelen-gezonde-lucht/ .

Het overzicht is gestructureerd en breed maar gaat, naar mijn mening, niet heel diep. Misschien is dat voor adviezen aan lagere overheden beter.

Moleculaire mechanismen voor het ontstaan van roet uit aromatische verbindingen

Bij ‘Luchtvaart’ staan twee adviezen “verbied het maken van dienstreizen door eigen personeel per vliegtuig voor korte en middellange afstanden.” en “Zet in op elektrificatie van grondmaterieel op de luchthavens”. Beide zijn oud nieuws.
De bewering overigens van de GGD dat ultrafijn stof (UFS) van zwavel in de kerosine komt is maar de halve waarheid. Er komt ook UFS in de lucht door onvolledige verbranding  van (met name) onverzadigde koolwaterstoffen. Die vormen eerst individuele Pak-moleculen (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) en die klonteren tot in of voorbij het UFS-stadium (en dan worden ze roet). Als je zoveel waterstof hebt dat je substantiële hoeveelheden kerosine zwavelvrij kunt maken, kun je ook overwegen om gewoon rechtstreeks synthetische kerosine te maken.  Maar goed, de maatregel is wel een verbetering.

Jaarwwisseling 2025-26_RIVM-station Europalaan Veldhoven_PM2.5 uurgemiddeld

Bij “consument overig” staan voor de hand liggende voorbeelden als handhaving van het vuurwerkverbod, barbecue-vrije gebieden en als dan toch, dan een elektrische barbecueën en rookverbod in het openbaar.

Bij “mobiele werktuigen” staan een paar aanbevelingen die bij het brede publiek wat minder een deja vu – gevoel geven, omdat dat brede publiek nu eenmaal niet zoveel met mobiele werktuigen te maken heeft (kranen, stoomwalsen, veegwagens en zo). De aanbeveling “Word lid van het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)” kan voor gemeenten zinvol zijn, aan “het verduurzamen van de eigen gemeentelijke mobiele werktuigen” wordt al jaren gewerkt, De “uitstoot van mobiele werktuigen meenemen in de vergunningen” ligt voor hand (zou al moeten gebeuren). “Inzettten op schonere evenementen” kan mogelijk voor sommige gemeenten nog een dingetje zijn.

Elektrische asfaltwals (zelfrijdend)

Bij alle adviezen wordt doorverwezen naar verdere sites, voor evenementen bijvoorbeeld naar /Duurzaamheidsplan-voor-evenementenorganisatoren Amsterdam . Ik  schat in dat die doorverwijzingen nuttiger zijn dan de aanbevelingen zelf.