Wie hebben wat gedaan? De organisaties ODI Global ( https://odi.org/en/ ), de linkse lobbyorganisate in Brussel Transport & environment (T&E, https://www.transportenvironment.org/ ) en de International Council on Clean Transportation (ICCT, https://theicct.org/ ) hebben samen een online tool ontwikkeld Airport Tracker ( https://airporttracker.org/tracker/ ), waarmee voor 1300 vliegvelden in de wereld apart in kaart gebracht is wat hun respectievelijke CO2 – emissies zijn, en wat enkele belangrijke toxische emissies zijn, te weten stikstofoxides (NOx ); fijn stof PM2.5; alle koolwaterstoffen samen (total HC); en koolmonoxide (CO). De datavisualisatie en de websitebouw zijn van TEKJA ( https://tekja.com/ ).
Het overzicht is over 2023, omdat van latere jaren het gegevensbestand nog niet compleet was. Het gaat alleen over civiele vluchten, inclusief vrachtvluchten en privévliegtuigen (welke laatste overigens slechts een verwaarloosbare impact op de emissies hebben).
Toepassing op Schiphol en Eindhoven Airport Uiteraard kan men op allerlei manieren een selectie maken uit het gegevensbestand. De website zelf houdt van het grote woord en de grote getallen, en daar valt iets voor te zeggen.
Gezien mijn focus op Brabant wordt hier gekozen voor het in beeld brengen van Eindhoven Airport en moederbedrijf Schiphol. Men kan die vinden vla de zoek-TAB ‘search Airports’, of via de tussenstap ‘search countries’. Schiphol is AMS (van Amsterdam) en Eindhoven is EIN.
Dat geeft onderstaande twee overzichten (boven Schiphol, onder Eindhoven Airport).
(Een miljoen ton is een miljard kilo). Bedenk dat één vlucht twee vliegbewegingen is (daarmee wordt in Nederland meestal gerekend). Dat Schiphol 25* zoveel CO2 loost als Eindhoven Airport, terwijl er 11* zoveel vluchten zijn, komt omdat de vliegtuigen op Schiphol gemiddeld zwaarder zijn en veel verder weg vliegen.
Dit is verder allemaal helder en vraagt niet om allerlei toelichtend commentaar.
Kloppen de cijfers? Grofweg wel.
Het geval wil dat er vergelijkingsmateriaal is, toch altijd goed om dat er even bij te pakken. Het wordt hier gehanteerd voor Eindhoven Airport
Internationaal is er Climate Trace , een samenwerkingsverband van ruim 100 universiteiten, wetenschappers en AI-exoperts. Climate Trace onderzoekt mondiaal systematisch regio’s en sectoren op klimaat en toxische emissies, waaronder ook het internationale vliegen. Eindhoven Airport (en uiteraard ook Schiphol) is ook op Climate Trace te vinden, en wel onder (https://climatetrace.org/data ) en dan via de Explore-TAB naar zoeken op stad en sector . In de bovenbalk kun je bij Geographic Area ‘Eindhoven’ invullen, waarna je een submenu krijgt met onder andere ‘Eindhoven municipality’ en Eindhoven Airport ‘international aviation’; bij het jaartal ‘2023’; en onder de CO2,e -knop ‘CO2 ‘. Dat leidt tot de bewering in het rechterblok dat Eindhoven Airport in 2023 0,34Mton CO2 zou hebben uitgestoten. In het linkerblok staat dat over de hele wereld samen in 2023 de internationale luchtvaart 514,6Mton CO2 heeft uitgestoten.
Ondertussen is 0,42Mton toch wel iets anders als 0,34Mtom. Hier wreekt zich dat noch Climate Trace, noch Airport Tracker op eenvoudig vindbare wijze duidelijk maken welke aannames en keuzes ze gemaakt hebben. Welk soort vliegtuigen? Afkappen boven de 3000 voet (kleine 1000m hoogte)? enz.
In Nederland bestaat daarnaast ook als derde kennisbron de nationale Emissieregistratie, die een speciaal bestand wijdt aan vliegvelden ( https://www.emissieregistratie.nl/data/vliegvelden ). Die gaat, vanwege het gebruik van de internationale gestandaardiseerde LTO-cyclus (Landing and Take Off), impliciet uit van 3000 voet afkap (alles boven de 3000 voet telt niet mee). Dat gegeven zijnde, maakt de Emissieregistratie wel precies duidelijk welke emissies bij welke activiteiten in de cyclus horen. Dat gebeurt op basis van schattingen die de emissieregistratie zelf maakt. Het is daarbij fascinerend te zien hoe deze instantie schattingen tot in acht significante cijfers op papier weet te krijgen.
Professionals weten en kunnen meer, maar als geïnformeerde leek moet je improviseren, bijvoorbeeld door met vuistregels gaan werken hoe de gemiddelde hele reis zich verhoudt tot wat onder de 3000 voet van de LTO geloosd wordt. Voor CO2 en voor Eindhoven is dat in praktijk dat de totale CO2 ongeveer 8* de LTO-CO2 is ( bvm2.nl/emissies-van-eindhoven-airport-in-kaart-gebracht/ ).
Alle drie de bronnen leveren ook gegevens over enkele toxische emissies, maar die lopen nogal uiteen. Die van de Airport Tracker zijn in het EhvA-overzicht vermeld, die van Climate Trace kunnen in het Eindhoven-blok op het scherm worden aangeklikt, en van de Emissieregistratie staan expliciet in het Excelbestand. Die bronnen verschillen onderling nogal. Men moet wat aanklussen om er een verhaal van te maken.
Voor stikstof is er een vuistregel dat de totale emissies om en nabij drie keer de LTO-emissies zijn (bvm2.nl/meeste-vliegtuigstikstof-op-natura2000-gebieden-komt-van-boven-de-3000-voet/ ). Een vuistregel is dat koolmonoxide vooral onder de 3000 voet uitgestoten wordt. Voor PM2.5 lijkt de Climate Trace-waarde, als die over de hele reis is, ongeveer compatibel met de LTO-waarde, en lijkt de Airport Tracker-waarde onwaarschijnlijk laag.
We zullen echter het geduld van de lezer niet eindeloos oprekken.
Met een beetje verantwoord prutsen, duwen en trekken (in de volksmond een ‘educated guess’) komt schrijver dezes op het volgende, ruwe lijstje voor wat er door vliegtuigen vanaf Eindhoven Airport mondiaal in 2023 uitgestoten is:
CO2 : ongeveer 0,4Mton (400000 ton)
PM2.5: ruim 30 ton
NOx : rond de 600 ton
Koolmonoxide: ca 160 ton
Roet (BC of EC): orde van grootte 5 ton (= Climate Trace)
Ik heb op 01 mei 2026 meegelopen in de 1 mei-demonstratie van de FNV in Amsterdam, van het Museumplein naar het Marten Luther King – park. Een flinke tippel overigens. Er waren 15000 geregistreerde bezoekers. Ik heb in het SP-blok meegelopen.
Inleiding en de betrokkenheid van Brabant In Noord-Brabant (waarover ik bij voorkeur schrijf) is beleid in procedure voor de energiehuishouding na 2030 (in welk jaar op dit moment veel beleid stopt). In dat beleid krijgt kernenergie, naast andere CO2 – arme bronnen, mogelijk een rol toebedeeld in de vorm van Small Modular Reactors Ik heb daar op deze site over geschreven op brabant-komt-met-energieperspectief-2050-inclusief-small-modular-reactors-en-wat-ik-daarvan-vind/ . Mijn stelling was daarin dat ik geen kernenergie wil, small of niet, op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Er is een klein probleem: die dingen bestaan nog niet.
Kort na dit artikel verscheen er een persbericht van de Nederlands-Franse private scale up-onderneming Thorizon (niet beursgenoteerd), waarin een Memorandum of Understanding (MoU) bekend gemaakt werd tussen Thorizon enerzijds en
de provincies Zeeland en Noord-Holland en hun regionale ontwikkelingsbedrijven,
Invest-NL (een verzelfstandigd bestuursorgaan waarvan de aandelen bij het ministerie van Financiën liggen)
EPZ, de exploitant van de kerncentrale in Borssele
NRG PALLAS, de exploitant van de kerncentrale in Petten
De provincie NBrabant is geen partij in het MoU, maar heeft wel al eerder subsidie toegekend aan Thorizon.
Rond dit raamwerk hangen onderwijsinstellingen als de TU Delft, de TU Eindhoven (het programma Differ), De Zeeuwse HBO- en MBO-opleidingen, en ook onderzoeksinrichtingen als TNO en een ingenieuersbureau als Demeco (Zeeuws), en maakbedrijven als het Zeeuwse Schelde Exotech en de vanoorsprong Brabantse VDL-groep.
In het Memorandum wordt de intentie uitgesproken dat er in 2027 een, nog niet nucleaire, testfaciliteit gebouwd wordt op het terrein van Borssele; dat er in 2028 een wel-nucleaire demonstratieopstelling komt op het terrein van Petten; en dat er in 2034 een werkende thoriumcentrale opgeleverd wordt op het terrein van Borssele. Die centrale moet 250MW warmte gaan leveren, die omgezet gaat worden in 100MW stroom (en 150MWrestwarmte, waarover niets gemeld wordt).
De reactorkern en een afzonderlijke cartridge, zoals Thorizon zich dat voorstelt
Van atoomonderzeeër tot LFTR Vooraf enkele mogelijke misverstanden wegwerken. Er lopen vaak drie begrippen door elkaar.
Een SMR is een Small Modular Reactor. Dat betekent niet meer dan dat de term letterlijk zegt: ‘Small’ betekent <300MW stroom (dat is overigens niet zo klein) en ‘Modular’ betekent dat er een bouwstroom is die in meerdere identieke inrichtingen voorziet die je kunt combineren. Verder betekent het niets. Een SMR kan op allerlei ’brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
Een Molten Salt Reactor (MSR) zegt ook niet meer dan de term aanduidt: het koelmiddel is gesmolten zout. Ook een MSR kan op allerlei ‘brandstoffen’ en technieken gebaseerd zijn.
Een ‘Thoriumreactor’ betekent niet meer dan dat er (in hoofdzaak) thorium ingaat. Ook dat kan op allerlei technieken gebaseerd zijn. De ‘brandstof’ kan bijvoorbeeld in vaste of in vloeibare vorm aanwezig zijn.
Deze concepten komen in allerlei combinaties en in meerdere fabricagelanden voor, waardoor een wirwar aan reactortypes ontstaan is. Alleen daarom al is het lastig om tot een gestandaardiseerde bouwstroom te komen die mogelijk tot goedkopere reactoren zou kunnen leiden.
Het gros van de heden ten dage werkende reactoren is niet ‘small’, werkt met gewoon water onder hoge druk als koelmiddel (Pressured Water Reactor, PWR), en werkt op uranium in vaste vorm. Deze generatie-2 sector is de gevestigde macht met grote financiële belangen. Het is een systeem met belangrijke nadelen. Desondanks is er, rond 1970, definitief voor gekozen. Wat een rol speelde was opgedane ervaring bij de eerste VS-kernonderzeeërs (zie wikipedia.org/wiki/Hyman_G._Rickover ), waar het type goed tot zijn recht kwam, en dat het relatief eenvoudig was om er bommen mee te maken. Nadelen zijn (naast de bommen) bijvoorbeeld dat een PWR niet inherent veilig is. Mede daardoor zijn er enkele grote, bekende ongelukken gebeurd die de aanvaardbaarheid van kernenergie bij het publiek drastisch aangetast hebben. Andere nadelen zijn dat het radioactief afval honderdduizenden jaren weggestopt moet blijven en dat maar een klein deel van de energie in het uranium gebruikt wordt.
MSR-testopstelling Oak Ridge 1965-1969, waarvoor uiteindelijk niet gekozen is
De categorie waar rond 1970 niet voor gekozen is (ondanks positieve testresultaten) is die welke wij nu noemen Molten Salt Reactor. Daardoor is het concept een kleine 50 jaar op de plank blijven liggen. Een aantal ontwikkelingen heeft eraan bijgedragen het concept weer van de plank af te krijgen.. De noodzaak van broeikasgasloze energie werd nijpend, er is discussie over of men met zon en wind kan leveren wat nodig is en vervolgens of men dat ook wil, er is een heftige strijd om de ruimte in Nederland, bij bepaalde toepassingen in de zware industrie ligt het moeilijk, er is geopolitiek rond olie en gas, en mogelijk kon seriebouw van reactoren goedkoper zijn? Er is hier geen plek om deze discussie nog eens dunnetjes over te doen. Ik beschouw de toegenomen belangstelling voor relatief kleine en (verondersteld) goedkope kerncentrales in dit artikel als een gegeven feit, en redeneer in dit kader. Ik ben principieel niet bij voorbaat tegen welke energievorm dan ook.
De teksten van Thorizon zijn meer wervend dan informatief ( https://www.thorizon.com/ , de website van b ijvoorbeeld een Europese concurrent als copenhagenatomics vind ik beter), maar wat er wel gezegd wordt past bij een categorie die het MSR- en het thoriumconcept combineert. In het jargon heet dat een Liquid Fluoride Thorium Reactor (LFTR, in de volksmond ‘lifter’). Thorizon zegt van zichzelf niet dat het een ‘lifter’ is, maar ik doe hier alsof Thorizon in die categorie valt.. Over LFTR-en bestaat heel veel literatuur, veel meer dan een niet-vakman als ik kan lezen. Ik hen een goed lemma van Wikipedia gevonden dat ik als onderlegger gebruik, namelijk Liquid_fluoride_thorium_reactor .
Kenmerken, plussen en minnen van een LFTR Thorium (de T in LFTR) komt in de natuur alleen voor als de zwak radioactieve isotoop Th-232 (90 protonen, 142 neutronen). De stof is een stuk minder zeldzaam dan uranium en makkelijker winbaar. Soms zie je, na heftige storm, thoriumhoudend zwart zand ten noorden van Ameland. En bij de winning van zeldzame aarde-metalen komt vaak thoriumerts vrij als, tot nu toe, ongewenste bijmenging.
Thorium is zelf niet splijtbaar, maar kan een neutron invangen, waarna twee vervolgstappen komen, waarvan enkele varianten bestaan, die meestal leiden tot U-233 (92 protonen, 141 neutronen) en af en toe tot U-232. Bij een splijting komen ook weer enkele neutronen vrij, waarvan een deel erin slaagt opnieuw een Th-232 kern om te zetten. Als dat per splijting er één is, houdt de reactor zichzelf op gang. Dat is niet vanzelfsprekend, want neutronen kunnen ook te hard gaan of in het verkeerde atoom terecht komen. Een ontwerp moet dus zuinig omgaan met neutronen. Dat stelt eisen aan de samenstelling van het koelmiddel en de vormgeving van het reactorvat. Bij elke splijting komt, zoals bedoeld, warmte vrij. Die moet afgevoerd worden met het koelmiddel. De mogelijkheden om dat met water te doen zijn begrensd omdat steeds hogere drukken nodig zijn om steeds hogere temperaturen te bereiken. Dat kan tot stoomexplosies leiden. (Kerncentrales werken vaak met stoom van rond de 80 atmosfeer en 300oC.) Hogere temperaturen echter bevorderen het rendement. Vandaar dat men er bij LFTR-en voor gekozen heeft voor een koelvloeistof die meestal bestaat uit een mengsel van gesmolten lithium- en berylliumfluoride (afgekort FLiBe, wikipedia.org/wiki/FLiBe ) dat, bij een druk die niet ver boven de atmosferische ligt en bij een optimale mengverhouding, een smeltpunt heeft van 459˚ C. Een reactor moet daar een eind boven zitten (bij Thorizon 550˚.C).
Gezuiverd FLiBe (ten tijde van Oak Ridge).
By Bckelleher – Own work, CC BY-SA 3.0,
Het mengsel is corrosief, Het stelt eisen aan de samenstelling van de leidingen. Thorizon wil dit eenvoudiger maken door hun cartridges om de 5 a 10l jaar te verwisselen. De L van het Liquid in LFTR staat voor het gesmolten zout en de F voor Fluoride.
In een gangbare reactor, met een vaste kern, werken de splijtingsproducten gaandeweg hun oorzaak tegen. Daarom wordt in deze centrales slechts een klein deel (paar procent) van de aanwezige energie nuttig gebruikt. Daarna moet de door eigen toedoen vergiftigde splijtstofstaaf, met de meeste energie er nog in, uit de reactor, en staat hij jaren voor nop te koelen in een soort zwembad. In een LFTR is ervoor gekozen om ook de ingaande Thorium en de gevormde uranium in de gesmolten fluoridevorm aanwezig te laten zijn. Hoe dat gerealiseerd wordt, kan van machine tot machine verschillen (voor zover dat nu al beoordeelbaar is). Ook dan vergiftigt de reactie zichzelf, maar omdat de vloeistof kan stromen, kan het vergif er buiten het reactorvat worden uitgehaald – zoiets als nierdialyse, maar dan een beetje ingewikkelder. Er is dus een chemische installatie aan de LFTR gekoppeld. Op deze manier wordt een zeer hoog splijtingsrendement bereikt (bijvoorbeeld 98% van het inkomende thorium wordt nuttig verwerkt). Het is denkbaar dat sommige van de verwijderde splijtingsproducten nut kunnen hebben (bijvoorbeeld als medische isotoop), maar dat is nog erg speculatief.
Een gebruiksklare LFTR heeft wel een starter nodig die de eerste neutronen levert. Dat moet iets zijn wat van zichzelf splijt, want dan neutronen. Bijvoorbeeld opgespaard U-233 of uranium of plutonium uit afgedankte atoombommen. Als er veel LTFR-en zijn, kan dat mogelijk een probleem worden, maar zover is het nu nog niet.
Een LFTR produceert zelf nauwelijks of geen langlevend afval omdat het proces niet of nauwelijks boven de U-233 uitkomt (dat splijt bijna volledig). 83% van het radioactieve afval moet dan 10 jaar opgeslagen worden, en de rest 300 jaar. Dan is alles terug, of onder, het oorspronkelijke radioactieve niveau. Het is een politiek standpunt wat men van die resterende opslagtermijn vindt. Ik vind het persoonlijk te overzien. Lange halfwaardetijden ontstaan in een gangbare reactor die op U-235 werkt en een energetische ballast heeft van heel veel U-238. De 238-isotoop kan neutronen invangen waardoor zwaardere elementen ontstaan (de transuranen), waarvan plutonium (bommateriaal) de bekendste is. Die U-238 en de transuranen kunnen hele lange halfwaardeijden hebben die tot de beruchte opslagtermijnen leiden van honderdduizenden jaren. In principe kan er aan de gesmolten zoutmassa van een draaiende LFTR langlevend kernafval van elders worden toegevoegd, als dat kan splijten en zodoende neutronen levert. De reactor vernietigt dan dat reeds bestaande afval (waar, zoals gezegd, nog heel veel energie in zit). Dus als de LFTR naast de kerncentrale n Borssele komt te staan, zou het afval van de een de brandstof van de ander kunnen worden. Er is dan weinig gesjouw met radioactief materiaal nodig. Dit alles idealiter. Men komt hierover optimistische bespiegelingen tegen, maar ik heb nog geen cijfers kunnen vinden.
De omvangrijke nijverheid die kernwapens produceert doet dat op basis van sterk verrijkt U-235 of op basis van Plutonium-239. Dat werkt ‘goed’. Het is mogelijk kernwapens te maken op basis van het U-233 dat in thoriumcentrales ontstaat (het is gebeurd), maar het is niet praktisch vanwege de bijmenging van U-232. Beide zijn splijtbaar, maar U-232 gammastraalt als een gek en is dus impopulair in de omgang. Bijvoorbeeld omdat de elektronica van de bom er niet tegen kan. Landen die bereid en in staat zijn om atoombommen te maken hebben aan de gevestigde procedé’s rond U-235 en plutonium genoeg.
Een goed ontworpen LFTR stabiliseert zichzelf. Als er energie aan onttrokken wordt, koelt het systeem af en gaat het vanzelf harder werken (de vloeistof krimpt, de deeltjes komen dichter op elkaar en de reacties gaan sneller). Idem omgekeerd als het systeem warmer wordt. Het systeem kan dus, tot op zekere hoogte, bijvoorbeeld de wisselende opbrengst van zonnepanelen compenseren. Onduidelijk is, tot nu toe, tot op welke hoogte. Dit soort beweringen zijn nog niet praktijkgetest.
LFTR-en zijn inherent (zonder continu menselijk toezicht) veilig. In het laagste punt van de inrichting zit een prop die kan smelten. Als de zelfregulerende mechanismes falen en de temperatuur te hoog oploopt, of als de stroom uitvalt die de prop koelt, loopt het mengsel weg in een afvalbak en stopt de reactie. Voor de restwarmte is natuurlijke circulatie genoeg.
Er zijn nog een heleboel technische kwesties (plus en min), en er is nog heel wat R&D nodig, maar dat is te specialistisch voor deze kolommen. Blijkbaar vertrouwt Thorizon voldoende op de eigen R&D tot nu toe, en daarmee op het eigen product. De praktijk van de komende jaren zal leren hoe gerechtvaardigd dit is.
RWE-centrale in het Duitse Hamm-üntrup. In de jaren ’80 heeft men hier geëxperimenteerd met een bepaald type thoriumreactor. Dat was geen succes. Foto zelf gemaakt in 2019. Zie https://de.wikipedia.org/wiki/Kernkraftwerk_THTR-300
Een politieke afsluiting Deze weblog gaat mede over politiek. Wat vind ik hiervan?
Ik ben dit artikel begonnen met een verwijzing naar het Noord-Brabantse Energieperspectief 2050, waarin het denken over Small Modular Reactors een p[laats heeft. Ongetwijfeld lopen in andere provincies vergelijkbare gesprekken. Gegeven de omvang van de SMR-en is het logisch dat provincies ernaar kijken. Dat vraagt om een serieus politiek antwoord.
Over het Energieperspectief 2050 van de provincie N Brabant vond ik dat ik geen kernenergie wil, small of niet, op basis van de ouderwetse, 2de generatie, uraniumtechnologie, en open sta voor een goed verhaal over SMR’s op basis van thorium. Toen was Thorizon nog niet in beeld. Ik heb dit artikel met deze stelling geopend. Nu Thorizon sindsdien wel in beeld is gekomen, heb ik uiteindelijk nog steeds dezelfde mening. Ik twijfel er alleen heel sterk aan of het verhaal goed is.
Een eerste overweging, en niet eens de belangrijkste, is het geld. Thorizon noemt geen bedrag, maar n Change wordt ‘ruim € 1 miljard’ genoemd, waarvan ruim 40 miljoen binnen is. Dat valt nog niet eens tegen, als het dat inderdaad zou worden.
Een tweede, zwaardere, overweging is dat ik geen fluit van het tijdschema geloof, en dat op basis van een analyse van prof. Wim Turkenburg ( https://midossier-hoe-snel-dragen-nieuwe-kleine-kerncentrales-smrs-commercieel-bij-aan-de-energievoorziening/ ). Turkenburg werkt met het puntensysteem van het NEA SMR Dashboard (NEA = Nuclear Energy Agency). Een ontwerp kan voor een aantal tussenstappen punten krijgen en bij 30 punten is er sprake van een opgeleverde, commercieel werkende centrale. Bij Turkenburg staat een groot aantal SMR-ontwerpen in een diagram (jaar sinds de start versus het aantal punten) Thorizon (startjaar 2018) zit na zes jaar op 3 punten. Een oplevering in 2034, zoals beloofd, zou betekenen dat na 16 jaar (sinds 2018) de Thorizon ONE op 30 punten zou moeten zitten. Dat lijkt er niet op.
Waarna als derde vraag rijst hoe Thorizon ONE zich tot het grotere geheel van de broeikasgasloze nieuwe energie verhoudt. Als het een op zichzelf staand project wordt dat blijkt uit te lopen en meer kost dan begroot, is er geen man overboord want dat is men bij de overheid wel gewend. En op zich mag research en industriepolitiek geld kosten. Maar als een rechtse meerderheid Thorizon ONE zou gebruiken als kapstok om met alle wind- en zonneparken te stoppen, hebben we een groot probleem. Dan hebben we vele jaren noch het een noch het ander. Met andere woorden: een Thorizon ONE die aanvullend op zon en wind enzovoort is, kan (het ontwerp leent zich er tot op zekere hoogte voor). Een Thorizon ONE die in plaats komt van wind en zon enzovoort zou een ramp zijn. Het N Brabantse Energieperspectief 2050 definieert naast SMR-en goed pakket aan zon en wind en warmte (enzovoort), en vertrouwt kwantitatief nog niet op die SMR-en. Dat is verstandig.
Er moet (ten vierde) naar keteneffecten gekeken gaan worden (hoe kom je aan de thorium en wat doe je met het afval, ook al is dat veel minder en leeft het veel korter dan bij uraniumafval). Het is begrijpelijk dat dat niet nu al gebeurt, maar vroeg of laat zal het moeten.
Uiteraard (5) zullen er uitvoeringsvraagstukken komen, zoals wat waar onder welke voorwaarden mag komen te staan. Het is echter te vroeg om daar nu zinvol op in te kunnen gaan.
Tenslotte: ik vind dat de energieproductie in overheidshanden moet zijn, zeker als het om kernenergie gaat. Wat niet failliet mag, hoort niet op de markt thuis. De zeggenschapsverhoudingen bij de deelnemende partijen zijn niet altijd duidelijk.
Vooraf Het SEO is een onafhankelijk economisch onderzoeksinstituut dat gelieerd is aan de Universiteit van Amsterdam ( wikipedia_SEO_Economisch_Onderzoek ). In oktober 2025 heeft het SEO een rapport uitgebracht “The insurance costs of climate change’, te vinden op seo_de-verzekeringskosten-van-klimaatverandering . Het is geschreven door Pedro Romao, Emma Martinez en Nienke Oomes. Dezelfde auteurs hebben een artikel geschreven voor de Economisch-Statistische Berichten (ESB) , te vinden op esb_klimaatverandering-drijft-verzekeringsclaims-op . En het Assurantie Magazine heeft er ook over geschreven, maar dat zit achter de betaalmuur.
Het rapport gaat over de stijgende kosten van verzekeringen door extreem weer, met als perspectief dat bepaalde zaken niet meer verzekerbaar zijn. En omdat die verzekerbaarheid de basis is voor bijvoorbeeld hypotheken, kan dat gevolgen hebben voor de woningmarkt.
Het SEO-rapport gaat over iets essentieels van groot politiek belang en is geloofwaardig in zijn stellingen. Helaas is het, naar mijn smaak, nogal rommelig geschreven. Mogelijk ligt dat aan mij als economische leek en zijn beroepseconomen aan elkaars rommeligheid gewend. Hoe dan ook, leken kunnen het beste het ESB-artikel lezen om een goede indruk te krijgen. Als service aan de lezer heb ik een schematische samenvatting bijgevoegd, zie
De methode Het werk bouwt voort op een eerder werk van Newman en Noy uit 2023, het is alleen niet altijd duidelijk waar Newman en Noy ophouden en SEO begint (het staat allemaal een beetje door elkaar). Newman en Noy hebben 185 gebeurtenissen meegenomen, verdeeld over de jaren 2000 t/m 2019, en hebben dat geëxtrapoleerd naar alle gebeurtenissen. Zodoende komen ze erop uit dat in die 20 jaar extreem weer mondiaal voor ca $5400 miljard aan verzekerde schade heeft doen ontstaan, waarvan 53% (zijnde ca $2860 miljard) voor rekening van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering was. Met andere woorden: als het klimaat gelijk gebleven was, hadden de maatschappijen $2860 miljard minder hoeven uit te keren. Die schade is, zeggen Newman en Noy,, voor 60% in te boeken als veroorzaakt door loss of life en voor 40% door economisch verlies. Het SEO neemt deze verdeling zonder nadere toelichting over.
Het SEO heeft grofweg hetzelfde gedaan als Newman en Noy, maar dan met 617 gebeurtenissen over de periode en twee jaar opgeschoven (waarbij SEO de irritante gewoonte heeft om niet te zeggen of het 2002 tot of tot en met 2022 is – uit de context blijkt dat 20 jaar bedoeld wordt).
Beide werkstukken kijken vanuit het perspectief van de verzekeringsmaatschappijen: wat hebben we uitbetaald? Het SEO haalt zijn gegevens bij een bekende rampendatabank (de EM-DAT) en bij de vijf toonaangevende herverzekeringsmaatschappijen (een herverzekeringsmaatschappij is als het ware de verzekeraar van de verzekeraars. Alle bronnen hebben zo’n beetje hun eigenaardigheden en dat vraagt enig gepuzzel. Daarom staat er rondom groeicurves een behoorlijk wijde onzekerheidsband.
In de bovenste figuur hierboven geeft SEO de jaarlijkse mondiale uitbetalingen aan directe schade door extreem weer. Dat komt, opgeteld over 20 jaar, op grofweg ruim $1700 miljard uit. In de onderste figuur hierboven geeft SEO zowel de jaarlijkse uitbetalingen aan directe schade, voor zover die door de klimaatopwarming veroorzaakt worden – schaalverdeling links -, alsmede de cumulatieve versie daarvan (een bedrag in een bepaald jaar wordt opgeteld bij de som van de voorgaande jaren – schaalverdeling rechts -). Die cumulatieve uitgaven eindigen op $614 miljard. Dat impliceert dat bij SEO het klimaat goed is voor ca 37% van de totale uitbetaalde, door extreem weer veroorzaakte schade.
De piek in 2005 is van de orkaan Katrina, die van 2017 van orkaan Harvey, en die van 2022 van orkaan Ian.
SEO legt niet goed uit hoe het kan dat hun voorgangers op zoveel hogere bedragen uitkwamen. Er wordt iets gemompeld over andere wijzen van omgang met data, bijvoorbeeld dat SEO vooral directe effecten meetelt en Newman en Noy daarnaast ook indirecte (secundaire) effecten meenemen. Echt duidelijk wordt het niet.
Dat maakt in zoverre niet veel uit, dat de relatieve cijfers voor de trends feitelijk informatiever zijn dan de absolute. In de absolute cijfers (zie hieronder) speelt immers ook mee voor welk bedrag er verzekerd is. De schade in Noord-Amerika is groot omdat er veel cyclonen en tornado’s voorkomen, maar ook omdat er simpelweg veel verzekerd is. De schade wordt immers uitgedrukt in geld. Om diezelfde reden is de schade in Africa niet klein omdat daar geen klimaatgerelateerde weer-rampen voorkomen, maar omdat er in verhouding erg weinig verzekerd is. Maar die onderliggende werkelijkheid zit niet in het onderzoek. Daarom is de conclusie dat in de 20 jaar van 2002 – 2022 het klimaat meestal goed was voor ca 35 a 40% van de schade meer universeel bruikbaar. Zo ook dat dat klimaatpercentage relatief stijgt. Van 2012 tot 2022 steeg alle extreem weer-schade met 4,9% per jaar, terwijl in die periode de klimaatgerelateerde extreem weer-schade met 6,5% per jaar steeg.
Bovenstaande figuur specificeert de klimaatgerelateerde extreem weer-schade per regio en per oorzaak. Dit mondiaal.
Als men dergelijke overzichten opsplitst in de eerste en de tweede 10 jaar, zie je (in dit geval uitgerekend voor alle extreem weer-schade) een toename in schade door bosbranden door droogte, en een lichte afname van schade door overstromingen.
Onverzekerbaarheid en hypotheken SEO noemt, zij het in kort bestek, het toekomstbeeld dat huizen op gevaarlijke plaatsen straks niet meer, of slechts tegen veel hogere kosten, verzekerbaar zijn. Een voetnoot verwijst naar een artikel uit de San Fransisco Chronicle van 25 sept 2024 ( sfchronicle_state-farm-insurance ) dat State Farm, de grootste opstalverzekeraar van Californië, bezig was te bezwijken – en toen moesten de verwoestende branden van januari 2025 nog komen ( https://www.bjmgerard.nl/los-angeles-brandt-maar-de-discussie-gaat-niet-over-klimaat/ ). Door premies fors omhoog te gooien, bestaat State Farm dd dit artikel nog steeds. Ik heb het SF Chronicle-artikel als bijlage toegevoegd –>
Europa Het ESB-artikelgaat iets dieper in op Europa, waar de klimaatopwarming harder gaar dan mondiaal gemiddeld. Hieronder de niet- en wel-klimaatgerelateerde extreem weer-schade, uitgesplitst naar oorzaak.
Je moet dat dus lezen als: overstromingen in Europa zijn voor 40% klimaatgerelateerd en veroorzaakten van 2002 – 2022 75miljard aan schade, van welk schadebedrag 30 miljard er zonder klimaatopwarming niet geweest zou zijn.
Uiteraard wordt er ook in de EU over schade en verzekeren gesproken. Daarover de koepel EIOPA, die over verzekeringen en bedrijfspensioenen gaat. Recentelijk is een discussiestuk uitgebracht over het afdekken met zoiets als een Europese pool van uitzonderlijke natuurrampen ( zie eiopa-and-esm-staff-propose-mechanism-better-manage-fallout-outsized-natural-catastrophes-2026-04-09 ). Indien gewenst, is het discussiestuk op deze pagina binnen te halen.
De EIOPA stelde eerder’, dat de klimaatschade in de EU in 2021, 2022 en 2023 ongeveer 50 miljard per jaar bedroeg. Daarvan is (zie ook bovenstaande webpagina) driekwart onverzekerd.
TNO heeft, naar eigen zeggen als eerste, een zonne-dakpan ontwikkeld. Die bestaat uit een dakpan met een dunne flexibele laag folie, waarop een module op basis van perovskiet. Dat staat in een persbericht dd 02 april 2026, zie tno.nl/perovskiet-zonnecellen-dakpan/02 april 2026 . De onderliggende dakpan is ontwikkeld door het Hengelose start up-bedrijf Advanced Solar Applications Technology (ASAT).
Als met perovskiet één enkele, zuivere stof bedoeld wordt, is dat CaTiO3 . Daarnaast zijn er een aantal erop gelijkende mineralen die die je zou kunnen aanduiden als de perovskiet-familie ( zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Perovskieten ). Deze mineralen zijn niet zeldzaam en kunnen soms ook synthetisch, uit andere grondstoffen, in elkaar gezet worden.
De Zonne-dakpan met uiteenlopende beschermingslagen (website TNO)
Dunne laag-zonnepanelen hebben voordelen boven de gangbare siliciumpanelen. Ze wegen minder en kunnen vanwege hun buigzaamheid gemakkelijker in gebouwen en infrastructuur ingepast worden. Er is minder energie en minder grondstoffen nodig voor de productie en die grondstoffen zijn ruim beschikbaar.
Nadeel is dat het rendement lager is. In reële omstandigheden haalt de perovskietcel 12,4% en halen gangbare panelen 20%. (NB: de combinatie van perovskiet met gangbare zonnepanelen haalt veel hogere rendementen, maar dat is niet aan de orde op dakpannen).
De demo-dakpan is de volgende stap in een lopend research- en opschalingsproject dat gekoppeld is aan Brabantse industriepolitiek, gedragen door TNO/Solliance, de Provincie NoordBrabant en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM). Het paneel is dus nog niet commercieel beschikbaar.
Voor verdere opschaling richting commercialisatie heeft TNO in maart 2026 de spin out Perovian Technologies ( https://www.tno.nl/nl/newsroom/2026/03/tno-lanceert-perovion-technologies/ ) opgezet. Die moet de perovskiet-modules gaan uitrollen, ongeveer op de manier zoals een krant gedrukt wordt. Men hoopt de fabriek, waarin dat gaat gebeuren, in 2030 te gaan bouwen.
TNO Mass-Customization research pilot lijn waarop zonne-cellen en folies op maat gepositioneerd worden, en waarover een beschermende folie wordt aangebracht. (website TNO)
Ter inleiding De congestieproblematiek van het stroomnet is bekend en wordt steeds acuter. Op 15 april 2026 stond bijvoorbeeld in het Eindhovens Dagblad dat voor grote delen van mijn regio Zuidoost Brabant inmiddels ‘code rood’ geldt, ook voor nieuwe woonwijken. En daarvan willen ze er een heleboel aanleggen in onze explosief groeiende regio.
Die congestie geldt vooral voor pieken en dan met name voor de avondpiek vaan 16 tot 20 uur. Naast andere aanpak probeert Enexis, de regionale beheerder van het laag- en middenspanningsnet, daarom piekbelastingen te verschuiven. Enexis maakt dat al mogelijk bij het laden van elektrische auto’s en met thuisbatterijen. Een algemene schets van dit beleid op de site van Enexis is te vinden op verschuiven-stroomverbruik-buiten-piekuren-kan-binnenkort-ook-met-hybride-warmtepomp/ (dd 12 januari 2026).
Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026
Om de anti piek-aanpak verder uit te breiden met hybride warmtepompen heeft Enexis, samen met andere maatschappelijke partners, in het Drentse Dalen een pilot opgezet om hybride warmtepompen collectief, van buitenaf, aan te sturen. Dat werd het DACS-HW programma ( https://dacs-hw.nl/ ). Huishoudens werden uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen. 40% van de uitgenodigde huishoudens achter een specifiek transformatorhuisje, reeds in het bezit van een hybride warmtepomp, deed mee en dat telde op tot ca 100 huizen. Men kon zich ook weer afmelden, maar gebeurde weinig. Bewoners moesten specificeren hoe ze het hebben wilden, en gaven dan de bediening van hun warmtepomp in handen van Enexis. Enexis heeft een collectief aansturingsprogramma uitgevonden waar het gewenste resultaat (bijvoorbeeld 19˚ C van 17 tot 23 uur) als randvoorwaarde inging, alsmede woningkenmerken, slimme meetdata en beschikbare netcapaciteit, en waar de gewenste temperatuur uitkwam. Enexis kon dan bijvoorbeeld van afstand de hybride warmtepomp om 15 uur aanzetten (welk tijdstip buiten de piek ligt) en om 16 uur weer uit (deze getallen zijn een voorbeeld en komen niet van Enexis).
Resultaat is dat de avondpiek in deze specifieke omstandigheden, bij 40% deelname, en bij dit specifieke transformatorhuisje, 10 tot 25% lager was. Verder bleek het gasverbruik van de huishoudens ruim 70% lager te zijn geworden (dat komt omdat bij een hybride warmtepomp er voor de ruimteverwarming pas gas wordt ingezet als de stroom het niet meer aan kan, en bij piekverschuiving gebeurt dat dus minder vaak).
Het DACS-HW project heeft een persbericht uitgebracht ( persbericht DACS-HW dd 27 nov 2025 ) dat ik hieronder, net een steunkleur, integraal afdruk. Daarna kom ik er nog even op terug met een paar relativerende opmerkingen.
Luchtfoto van de wijk in kwestie_website DACS-HW website
= = = = = = =
PERSBERICHT: Slimme aansturing van hybride warmtepompen biedt oplossing tegen netcongestie op het laagspanningsnet
Een groot deel van een woonwijk voorzien van hybride warmtepompen zónder dat het stroomnet hoeft te worden verzwaard: in het Drentse Dalen is dit concept succesvol getest door een consortium van Enablemi, Enexis, Intergas, Inversable, Samen Energie Neutraal, Technische Universiteit Eindhoven en Voorstroom. Binnen het pilotproject DACS-HW werden honderd hybride warmtepompen bij huishoudens collectief en centraal aangestuurd, om te onderzoeken of op deze manier de capaciteit en flexibiliteit van het lokale stroomnet beter kan worden benut.
Collectieve sturing helpt een vol stroomnet De groei van (hybride) warmtepompen, laadpalen en elektrische apparaten zorgt voor toenemende belasting van het lokale stroomnet. Het stroomnet raakt steeds voller en er dreigt op sommige plekken zelfs overbelasting. In Dalen is aangetoond dat het laagspanningsnet aanzienlijk kan worden ontlast door de slimme en centrale aansturing van hybride warmtepompen. Het resulteerde in 10 tot 25% reductie van de avondpiek. Deze resultaten zijn specifiek voor deze wijk en testopzet – met circa 40% deelnemende huishoudens. Bram Gerrist, Directeur Innovatie & Ontwikkeling bij Enexis: “De pilot in Dalen toont aan dat het stroomnet beter wordt benut en dat op piekmomenten het lokale stroomnet wordt ontlast zonder dat bewoners comfort verliezen. Hierdoor kan een eventuele netuitbreiding worden uitgesteld of mogelijk zelfs worden voorkomen. Iets wat zowel de maakbaarheid van de energietransitie als de betaalbaarheid voor de bewoners ten goede komt”.
Comfort en duurzaamheid voor bewoners De hybride warmtepompen worden automatisch en centraal aangestuurd, waarbij bewoners altijd inspraak houden in het verwarmingsproces door middel van een comfortknop (‘opt-out’). Slechts een beperkte groep bewoners maakte hier gebruik van, wat het vertrouwen in het systeem benadrukt. Louis Visser, Manager Innovatie bij Intergas; “Door de prestaties van hybride warmtepompen in DACS-HW te optimaliseren, minimaliseren we het risico op netoverbelasting. Bewoners zien tegelijk het voordeel: meer dan zeventig procent minder gasverbruik voor verwarming. Dit resulteert direct in een lagere energierekening en een reductie in CO2-uitstoot.”
Innovatie en transparantie Binnen de pilot wordt gewerkt met metingen, aanstuurscenario’s en dataverzameling via een open-source cloudplatform. Zowel data uit slimme meters en warmtepompen, als netdata worden veilig uitgelezen en transparant gedeeld, met volledige borging van privacy. De piekreductie lag tussen de 10 en 25 procent, afhankelijk van de gekozen aansturingsmethoden en wensen van bewoners.
Draagvlak en betrokkenheid Succesvolle energietransitie vraagt naast technologische vooruitgang om actief draagvlak en betrokkenheid van bewoners. In Dalen heeft veertig procent van de huishoudens deelgenomen aan de pilot, mede dankzij de transparante samenwerking en het tastbare duurzame resultaat. De ervaringen en resultaten bieden een waardevolle basis om deze innovatieve aanpak verder door te ontwikkelen en mogelijk uit te rollen naar andere wijken en gemeenten, en zo samen te werken aan een stabieler, zuiniger en toekomstbestendig energiesysteem.
Dit project is uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), binnen de MOOI-subsidieronde 2022.
= = = = =
Van de website van Milieu Centraal dd 16 april 2026
Drie relativerende opmerkingen mijnerzijds:
Een hybride warmtepomp bespaart bij individueel gebruik sowieso al ca 60 a 70% gas ,zegt Milieu Centraal ( milieu centraal over de hybride warmtepomp/ . De extra besparing die het gevolg is van de collectieve aanpak moet dus gerekend worden over de 30 a 40% die nog over is (all-in hou je dus pakweg 10% gasverbruik over)
Hybride warmtepompen zijn eigenlijk geen groot probleem (zegt ook het persbericht). De gemiddelde piekbelasting blijkt grofweg 0,85kW en het transformatorhuisje is zo gedimensioneerd dat alle woningen tegelijk 1,5kW mogen vragen. Maar dezelfde aanpak kan ook gehanteerd worden bij grotere stroomvreters, zoals een all electric-verwarming. Daar zet het meer zoden aan de dijk.
Een dergelijke aanpak is noodzakelijk, maar waarschijnlijk niet voldoende om de netproblematiek op te lossen
Nature Climate Change heeft een editorial op Internet gezet met aansprekende vergelijkingen om de effecten te visualiseren. Hieronder heb ik ze afgedrukt.
Lees de eerste twee voorbeelden (lettertjes zijn helaas klein, maar soms kun je die met een ingreep vergroten):
als je alle gletscherijs dat in die afgelopen 15 jaar gesmolten is zou omvormen tot een piramide waarvan de vierkant-zijden even groot waren als de hoogte, dan zou die piramide drie maal zo hoog zijn als de Mount Everest.
de temperatuur, gemiddeld over de hele aarde, is in die tijd 0,517oC gestegen
Netbeheerder Enexis, de provincie Noord-Brabant en de Nationale Deelneming Warmte (NDW) hebben op 08 april 2026 een persbericht uitgebracht waarin gemeld wordt dat de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf Brabant haalbaar is. (NDW is een dochter van het overheidsbedrijf Energie Beheer Nederland). Op 2 april 2026 werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit. Er wordt samengewerkt met gemeenten en men staat positief tegenover bestaande of nieuwe kleinshalige collectieve oplossingen.
Afgelopen jaar onderzochten provincie Noord-Brabant, Enexis Groep en de Nationale Deelneming Warmte (NDW – dochter van Energie Beheer Nederland) de financiële en juridische haalbaarheid van een publiek warmtebedrijf. Op 2 april werd de bestaande intentieverklaring omgezet in een samenwerkingsovereenkomst. De partijen werken nu toe naar de oprichting van een Regionaal Warmtebedrijf (RWB). Naar verwachting is de oprichting in het eerste kwartaal van 2027 een feit.
Een publiek warmtebedrijf is een investering in de lange termijn: het helpt om de ontwikkeling van warmtenetten te versnellen, zorgt voor de laagste maatschappelijke kosten en bewaakt de betaalbaarheid. Het toekomstige RWB zal zich richten op de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van collectieve warmte, met Brabant als kerngebied. Dit is in lijn met de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw), die op 9 december 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer en sinds begin dit jaar in fases wordt ingevoerd. De wet bepaalt dat warmtebedrijven in meerderheid publiek moeten zijn. De investering in de warmtetransitie biedt op de lange termijn voordelen, zowel vanuit maatschappelijke waarde als vanuit publieke zakelijkheid. Zo draagt het RWB bij aan een betrouwbare, duurzame warmtevoorziening voor Brabanders, met minder afhankelijkheid van gebeurtenissen in het buitenland. Gemeenten hebben hierin een duidelijke regierol, terwijl het provinciale niveau schaalvoordelen, standaardisatie en bundeling van kennis en kunde mogelijk maakt.
Voldoende gebouwen en bronnen beschikbaar
Het RWB kan een belangrijke rol spelen in het aardgasvrij maken van gebouwen in Noord-Brabant. Uit de verkenning van de drie samenwerkende partijen blijkt onder meer dat ongeveer 400.000 woningen en 35.000 utiliteitsgebouwen aangesloten kunnen worden op een warmtenet. Voor deze woningen geldt dat aansluiten op een warmtenet tot de laagste nationale kosten leidt. Dit potentiële aantal rechtvaardigt ruimschoots de oprichting van het RWB, ook als zou blijken uit de Warmteprogramma’s waar gemeenten momenteel aan werken dat deze potentie lager wordt. Er zijn ook voldoende duurzame warmtebronnen aanwezig, zoals restwarmte, geothermie en warmte van rioolwaterzuiveringen en van rivieren. Dit betekent dat er ongeveer een derde van de woningen in Brabant aangesloten kan worden op een duurzaam warmtenet naast de 70.000 woningen die al op een bestaand warmtenet zijn aangesloten. De onderzoeksresultaten en de aanname van de Wcw, zorgen ervoor dat de partijen een vervolg willen geven aan hun huidige initiatief. In de samenwerkingsovereenkomst hebben ze daarom afspraken gemaakt hoe ze samen verder toewerken naar de oprichting van een RWB.
Energiezekerheid en betaalbaarheid
De partners vinden het belangrijk dat energie altijd beschikbaar is voor inwoners én dat energie voor iedereen betaalbaar blijft. Het nog op te richten regionale warmtebedrijf kan zorgen voor een eerlijke prijs en betrouwbare levering van energie. Het RWB wil samen met gemeenten vormgeven aan de warmtevoorziening in Brabant. Gemeenten houden zo regie, terwijl zij steun krijgen bij de voorbereiding en aanleg van warmtenetten. Het RWB ondersteunt gemeenten zodat zij zich volledig kunnen richten op hun wijkplannen, zonder zelf een warmtebedrijf te hoeven opzetten.
We onderzoeken wat binnen de Wcw mogelijk is om ook te werken aan andere, kleinschalige collectieve oplossingen die passen bij het karakter van de Brabantse dorpen. Betaalbare warmte voor Brabanders is hierbij het uitgangspunt. Doordat de provincie, Enexis Groep en NDW hun krachten bundelen krijgen gemeenten warmtenetten sneller en op een zorgvuldige manier van de grond. Zo krijgen wijken en dorpen sneller zicht op een betrouwbaar en betaalbaar alternatief voor aardgas.
Planning
Het oprichten van een nieuw warmtebedrijf is ingewikkeld. Daarom plannen de partners hier voldoende tijd voor in. Zo voeren provincie, NDW en Enexis Groep in de eerste helft van 2026 ook gesprekken over de invulling van het RWB met alle Brabantse gemeenten die een warmtenet voorzien. Hiermee proberen we zo goed mogelijk aan te sluiten bij wensen en behoeften van gemeenten. We zoeken daarbij naar een gezonde balans tussen maatwerk en uniformiteit. De wijze waarop het RWB georganiseerd wordt moet maximaal bijdragen aan betaalbare warmte. Het uiteindelijke voorstel voor oprichting wordt waarschijnlijk voor het einde van 2026 aan Provinciale Staten voorgelegd. Na positieve besluitvorming door Provinciale Staten, Enexis Groep en NDW, kan gestart worden met de daadwerkelijke oprichting van het RWB en het opstellen van concrete investeringsvoorstellen voor warmteprojecten.
In Deense steden, zoals in Lemvig, zijn stadsverwarmingen gemeentelijk of collectief (foto mag overgenomen worden o.v.v. www.bjmgerard.nl )
Leuk dat je mijn site bezoekt! Ik wil op deze site aandacht besteden aan maatschappelijke zaken in het overgangsgebied tussen milieu en duurzaamheid, natuurwetenschappelijke discipline, politiek werk en acties op deze gebieden. Ik heb hierbij voorkeur voor onderwerpen die voor Noord-Brabant van belang zijn. Elders op deze website vind je tot welke concrete lidmaatschappen en maatschappelijke functies dat leidt. Ik verwelkom iedereen op mijn site die hier ook iets mee wil.
Daarnaast staan er ook persoonlijke accenten tussen de boodschappen.
In de artikelen op deze site kun je zien hoe ik over de dingen denk. Je kunt me ook een vraag stellen (zie de tekst onder de foto).
Om artikelen te vinden werkt de “categorie-knop” het gemakkelijkste. Dat is een hierarchische rangschikking op (deel)onderwerp.
Bedenk dat bij elk artikel een datum staat. Na artikelen treden ontwikkelingen op die de inhoud van het artikel kunnen ondergraven. Kijk altijd even of er nog een later artikel is.
En wees sowieso sceptisch als iemand iets beweert, zelfs als ik dat ben.
Voor geen enkel artikel op deze site is ChatGPT gebruikt.
Als u mij een vraag wilt stellen die geen betrekking heeft op een concreet artikel (bijvoorbeeld om iets uit te zoeken waar ik nog niet over geschreven heb), wilt u dat dan doen als commentaar bij deze passage?
Bij de RABO-bankdemonstratie dd 16 mei 2023 met Miss Piggy
Bij het Einsteinmonument in Ulm (Einstein is daar geboren). Ik vind het overigens geen mooi monument, maar ik heb grote bewondering voor Einstein.. 09 juli 2023
Ik was ook bij de actie van Milieudefernsie ter gelegenheid van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Ahold Delhaize op 08 april 2026. Er was een demonstratieve buitenactie, waar ik bij was, en een binnenactie door ca 100 Milieudefensieleden die een aandeel gekocht hadden en de leiding van Ahold Delhaize uiterst kritisch bevroegen. Voor een verslag op de site van Milieudefensie, zie bijna-12000-handtekeningen-aangeboden-tijdens-de-ava-ahold (Milieudefensie rondt wel erg ruim af naar boven ………)
H Wat foto’s met onderschrift, en op het eind een persbericht van Milieudefensie over de actie.
Kunstenares Pauline Wiersema had voor de actie een Groene Kassa gemaakt, waar heel veel mensen graag groen en betaalbaar boodschappen wilden doen, maar die, helaas helaas, gesloten was. Dit is Pauline voor haar kassa.
Kassa gesloten, lange rij (ca 150 mensen). De groene mandjes zijn gehuurd en kunnen weer terug. Foto Edo Landwehr. .
Ondertussen werd de klantenservice van Albert Heijn gebeld met kritische vragen. Dit voor zover die service bereikbaar was. Foto Edo Landwehr.
==========
Actievoerders uit hele land bij vergadering Ahold Delhaize
Zaandam, 8 april 2026 – Van Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen: vanuit het hele land kwamen woensdag actievoerders van Milieudefensie en Milieudefensie Jong naar het Zaantheater in Zaanstad. Ze staan namens ruim 11.000 klanten in de rij voor een groene maar helaas gesloten kassa van Albert Heijn. Terwijl binnen in het gebouw de aandeelhoudersvergadering plaatsvindt van Ahold Delhaize, het moederbedrijf van Albert Heijn.
Winnie Oussoren van Milieudefensie Jong is daar al voor de vijfde keer om de aandeelhouders aan te spreken. “Ik kwam hier als scholier, en inmiddels heb ik mijn masterdiploma op zak, en Ahold heeft in die tijd weinig tot niks gepresteerd op het gebied van klimaat.”
Klimaatplan en dure boodschappen
“Ahold Delhaize heeft nog steeds geen goed klimaatplan”, benadrukt ze. “Maar intussen raken de CO2-doelen van het Klimaatakkoord van Parijs steeds verder uit het zicht, ligt er nog veel te veel vlees en zuivel in de schappen en zijn biologische boodschappen onnodig duur.” Vrijwilligers hebben maandenlang in het hele land met smoestuintjes actie gevoerd bij Albert Heijn-filialen voor groene en betaalbare boodschappen.
Hoge bonussen
Binnen richt een deel van de vrijwilligers zich ook specifiek tot individuele directieleden. Oussoren: “Wij moeten stemmen over hogere bonussen. Verdienen zij die wel? Zij falen immers om beleid te maken dat nodig is om de klimaatcrisis een halt toe te roepen.”
De Eindhovense Milieudefensiegroep voor Albert Heijn in de Roostenlaan na een van de negen Smoestuintjes-sessies. Er zijn ca 720 Smoestuintjes weggezet, waarvan er x-100 tot een ingevulde petitie geleid hebben. Zie ook https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-trapt-a-heijn-actie-af/