Wageningen en WNF: stikstofprobleem te groot voor alleen maar lokaal maatwerk

Het WNF
Het Wereld Natuur Fonds Nederland (WNF-NL) heeft de Universiteit van Wageningen gevraagd om een beeld te geven van de stikstofuitstoot van verschillende bronnen, het gedrag van die stof, en van wat dat betekent voor maatregelen, specifiek voor de landbouw.
Het resultaat is een document dat te vinden is via https://www.wwf.nl/wat-we-doen/actueel/nieuws/stikstofplannen-kabinet-niet-toereikend .

Uitleg
In het hierna volgende is een Mol N (op atoombasis) 14 gr, een Mol NH3 (ammoniak) 17 gr, en een Mol NO2 46gr .
Emissie is wat uit een pijp, kont of tank komt; immissie is wat via de atmosfeer in een neus of meetapparaat komt; en depositie is wat op of in de grond komt. Omdat de gassen zich op verschillende wijze gedragen en op verschillende locatie, hoogte en wijze worden losgelaten, hoeven emissieverhoudingen niet perse dezelfde te zijn als depositieverhoudingen (de zeescheepvaart bijvoorbeeld).

Levende wezens hebben een bepaalde hoeveelheid stikstof nodig, maar het aanbod in Nederland is veel groter dan wat nodig is. Daardoor worden bodems te voedselrijk en verzuren ze, waardoor essentiële stoffen als kalium, calcium en magnesium oplossen en wegspoelen, en aluminium vrijkomt, dat in overmaat ecologisch giftig is. Teveel stikstof vermoordt sommige bodems en de daarop levende schepselen.

(www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/stikstof-nekt-vogels-op-de-veluwe )

Tot op zekere hoogte zijn herstelmaatregelen mogelijk (bijv. afplaggen), maar dat is beperkt (met de stikstof worden ook andere stoffen afgeplagd).

De huidige stikstofproblematiek heeft juridisch betrekking op Europees beschermde Natura2000-gebieden, maar geldt algemener. Van die Natura2000-gebieden zijn er een heleboel in  Nederland, in allerlei soorten en maten (‘habitats’). De meeste zijn vatbaar voor teveel stikstof. Bij een stikstofgevoelig Natura2000-gebied hoort een kritische depositiewaarde (KDW), die afhankelijk is van het soort gebied.

De emissies
Van de totale emissie binnen Nederland bestaat goede CBS-statistiek . De cijfers in de hierna volgende statistische tabel zijn in kiloton (= miljoen kg). Lees dit als: in Nederland werd in 2018 139 kton NH3 geloosd, waarvan 132 kton meetelt voor de Europees opgelegde limiet van 128kton (het NEC-plafond 2010).

Hetzelfde verhaal in een staafdiagram, ook weer van binnen Nederland geloosde stikstof. Dit staafdiagram geeft twee regels uit bovenstaande tabel in verdergaand detail weer, namelijk de regel Verkeer en vervoer (bij NO2 ) en landbouw (bij ammoniak).
De vliegtuigemissie is meegenomen tot 3000 voet (914m) hoogte.

Stikstofemissies in de categoriëen landbouw (NH3) en verkeer (NO2)

De deposities
De emissies verspreiden zich in de atmosfeer en de eruit voortvloeiende deposities per hectare nemen af met de afstand. Ondanks dat belandt de meeste depositie ver van de bron. Hieronder hoe dat voor ammoniak werkt (20% van de ammoniak slaat binnen een kilometer van de bron neer). Let op de logaritmische schalen!
Voor NO2geldt een vergelijkbare grafiek met grotere afstanden.

De kaart van de depositie van stikstof wordt zowel berekend als gemeten. Anders dan soms gedacht wordt, lukt beide met behoorlijke precisie.
Vanwege alle commentaar heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) de RIVM- resultaten nog eens nagerekend. De CDM kwam er op uit dat de ammoniaklozingen waarschijnlijk hoger waren dan het RIVM inschatte. De woordkeus suggereert dat de boeren als groep de boel flessen, maar dat staat er niet met zoveel woorden.

De stikstofdepositie, gemiddeld over heel Nederland, bedraagt ruim 1600 Mol/ha*y (Mol per hectare per jaar). Lokaal kan dat veel meer of minder zijn: de Peel bijvoorbeeld zit op ca 4000Mol/ha*y .
42% van de totale Nederlandse stikstofdepositie (NH3 en NO2 samen) komt van de landbouw; 30% komt uit het buitenland; 20% komt uit de rest van Nederland; 5% van schepen op de Noordzee; en een paar % is onverklaard.
Overigens exporteert Nederland van beide stikstofvarianten ongeveer 3 a 4 keer zoveel als het importeert. Nederland is in Europa een vies land.

Na enig gecijfer komt Wageningen er op uit dat, gemiddeld over heel Nederland, er ongeveer 500 Mol N/(ha*y) te veel op Natura 2000-gebieden terecht komt.
Gemiddeld over alle Noord-Brabantse Natura2000 – gebieden komt er ongeveer 650 Mol N/ha*y teveel op terecht.

Per afzonderlijk Brabants Natura2000-gebied ziet het plaatje er, alleen voor ammoniak uit de landbouw,  als volgt uit:

Lees dit als volgt.
In gebied 144 (Boschhuizerbergen, een stuifzandgebied met dennen op de Brabants-Limburgse grens bij Venray) wordt de kritische depositiewaarde met ongeveer 420 Mol/(ha*y) overschreden (= CL).
Uit Brabant zelf (E ) komt 510 Mol/(ha*y) aanwaaien en van buiten Brabant (B) is dat ongeveer 760 Mol/(ha*y) . De agrarische herkomst van E en B is met een kleurtje gecodeerd. Daarnaast is er een beetje ammoniak van buiten de landbouw, en is er NO2 – depositie, maar die zijn niet ingetekend.
Zo ook de andere gebieden.

Voor de landbouw te overwegen maatregelen
De analyse is bedoeld om mogelijke maatregelpakketten voor de landbouw te kunnen overdenken, waarvan dan bovendien de effecten kunnen worden ingeschat.

WNF wil dat alle sectoren, die bijdragen aan de eerder genoemde stikstofoverdaad van (landelijk gemiddeld) 500 Mol N/(ha*y), naar evenredigheid van hun lozing stikstofdepositie inleveren. Gemiddeld zou het probleem dan opgelost zijn.
De landbouw is goed voor 40% van de stikstofemissies en moet dus 40% van 500 = 200 Mol N/(ha*y) inleveren. Aldus Wageningen namens het WNF.
Waarna het verhaal wordt hoe je aan die 200 komt.

Wageningen bespreekt hiertoe drie brede categorieën.

  1. Technische en management-maatregelen binnen het huidige veehouderijsysteem
  2. Transitie naar een meer grondgebonden kringloop- en/of een natuurinclusieve landbouw
  3. Lokaal maatwerk rond Natura2000 – gebieden: emissiebeperking of sanering van ongelukkig gelegen boerderijen

Ad

  1. Met maatregelen als ander voer; betere stallen met lagere emissiewaarden; stalsystemen met gescheiden opvang van poep en plas; en een meer emissiearm uitrijden van de mest over het land; moet je volgens Wageningen aan 220 Mol N(ha*y) kunnen komen.
    Maar daarvoor zijn wel soms paardenmiddelen nodig en/of middelen die duur zijn en/of middelen waarvan het effect nog niet zo duidelijk is.
    Bovendien is de stikstof niet het enige probleem. Er is ook nog zoiets als de Nitraatrichtlijn (voor het grondwater), de Kaderrichtlijn Water (voor grond- en oppervlaktewater) en het Klimaatakkoord. Het is nog niet meteen duidelijk wat maatregelen op het ene gebied doen op het andere gebied.
  2. Dit wordt onderverdeeld in twee typen maatregelen: enerzijds de kringloopgedachte, anderzijds natuurinclusieve landbouw in zones rond Natura2000-gebieden.
    Bij de kringloopgedachte is de voornaamste variabele op welke schaal de kringloop zich afspeelt.
    Bij de studie naar de ‘Noordwest Europa-kringloop’ ben ik zelf betrokken geweest. Deze studie is voor Noord-Brabant uitgevoerd in de nasleep van de Ruwenbergconferentie (2013) over de veeteelt. De Brabantse Milieu Federatie (BMF) had mij gevraagd om mee te draaien in de klankbordgroep van deze operatie. Dat was een leerzame ervaring. Op deze site staat er een artikel over op drie zittingen over het sluiten van kringlopen op het niveau van NW Europa . Wat hier staat beschrijft de uitkomsten adequaat, mits men dit als een verkenning beschouwt en een flinke onzekerheidsmarge inbouwt.
    Wageningen leert dat alleen het sluiten van de kringlopen op nationale schaal voor het stikstofprobleem zoden aan de dijk zet. Dan moet je ook weer aan 220 Mol N(ha*y) kunnen komen.
    Ook bufferzones rond Natura2000-gebieden zijn een paardenmiddel.
    Als men aanneemt (onzeker) dat natuurinclusieve veeteelt de emissie relatief halveert, en als men kiest voor een buffer van 5 km breed rond Natura2000-gebieden, moet je ermee tot 200 MolN(ha*y) kunnen komen.
    Mogelijk vraagt dit om een verandering van het landbouwsysteem tot op EU-niveau.
  3. Sommige, nabij een Natura2000-gebied gelegen, bedrijven veroorzaken op hun eentje deposities in de orde van grootte van 200 Mol N(ha*y) . Het emissiearm maken van dergelijke bedrijven, of het saneren ervan, kan dus lokaal veel verschil maken. Gemiddeld is het effect veel kleiner. Als er in het kader van het eerste opkoopprogramma van varkensbedrijven (dat op beperking van de geur gericht is) 10% van de varkensrechten wordt opgekocht, levert dat (Nederlands gemiddeld) 1 tot 5 Mol N/(ha*y) op, provinciaal gemiddeld tot 10 a 20Mol N(ha*y), en lokaal dus mogelijk meer.

Per saldo komen Wageningen en WNF-NL tot de volgende conclusies en aanbevelingen:

En dit gaat dan alleen nog maar over een beperkt probleem als de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Resteren overige milieu-, klimaat- en volksgezondheidsproblemen.

Het moet iets totaal anders in de landbouw en dat houden boeren niet tegen door met trekkers het Provinciehuis binnen te rijden.
En het kabinet moet het eigen pappen en nathouden niet neerwaarts afschuiven naat de provincies. Ze moeten zelf flink zijn.

Factsheet Uitspraak Raad van State Programmatische Aanpak Stikstof

Er is veel te doen over de uitspraak van de Raad van State over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Ook in de kolommen van deze blog staan eerdere artikelen over het onderwerp.
Gezien de vele eerdere artikelen, wil mij beperken tot een handzaam overzicht voor mensen die door de bomen het bos niet meer zien.
Verder kan het geen kwaad te benadrukken dat de PAS niet alleen maar de positieve gevolgen heeft, die sommige milieumensen er in zien, maar ook nadelige.
En dat de PAS niet zo’n absoluut verbod is als velen denken (of hopen) dat het is.

Ik trof een handzame factsheet aan van de hand van Frank Futselaar, Tweede Kamerlid voor de SP (woordvoerder landbouw). Omdat de factsheet zich richtte op de SP-afdelingen heb ik er een lichte redactie opgezet, zodat hij zich nu richt op een algemeen publiek.
Hieronder de factsheet.

Voor een indruk aan welke maatregelen om het PAS-probleem aan te pakken het kabinet denkt, zie www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2019/6/Schouten-wil-PAS-meldingen-legaliseren-444335E/?cmpid=NLC|boerderij_vandaag|2019-06-28|Schouten_wil_PAS-meldingen_legaliseren .

Stikstofbronnen_evaluatie PAS 2017

Samenvatting:
Op 29 mei dit jaar heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over een aantal vergunningsaanvragen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Directe consequentie ervan is dat er geen natuurbeschermingswetvergunningen meer in het kader van de PAS kunnen worden verstrekt voor bijvoorbeeld veestallen, wegen, bedrijven die stikstof uitstoten, en nieuwe woonwijken.

Feitelijke deposities in 2014 en (berekend) in 2020 in de Kampina en de Oisterwijkse vennen in Brabant

Wat is er aan de hand?
Nederland is een land met heel veel stikstofuitstoot (bijvoorbeeld van veehouderij en verkeer) en een groot aantal vrij kwetsbare natuurgebieden waarvan de diersoorten en planten via Europese regels beschermd moeten worden (Natura 2000). Stikstof is schadelijk voor veel soorten, omdat de grond er te voedselrijk van wordt en dus bijvoorbeeld schrale heide verdwijnt.

De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is feitelijk een enorm theoretisch computermodel waarin alle bronnen van stikstof in Nederland zijn opgenomen en alle Natura 2000-natuurgebieden. Hiermee kan bij elke nieuwe stikstofbron (bv een grotere stal) berekend worden wat de theoretische gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden. Als die er niet zijn of acceptabel zijn kan op grond hiervan en Nb-wetvergunning worden vertrekt. Tegelijkertijd wordt extra stikstofruimte gecreëerd door ingrepen in natuurgebieden om hen te versterken. Idee van de PAS is dat natuurgebieden worden beschermd tegen teveel stikstof maar tegelijkertijd niet heel Nederland “op slot gaat”, dwz dat geen vergunning meer verleend kan worden.

Maatregelenkaart in het kader van de PAS bij de Kampina-Oisterwijkse Vennen

De uitspraak van de Raad van State betekent dat de PAS niet langer voldoet. Onder andere heeft de Raad van State gesteld dat Nederland niet toekomstige verbeteringen van natuurgebieden nu al mag inzetten om stikstofruimte te creëren. Ook bepaalde uitzonderingen die Nederland had gemaakt op de PAS, zoals beweiden van koeien, zijn door de Raad afgewezen.

De consequenties van deze uitspraak zijn dat er voorlopig geen enkele Nb-wetvergunning kan en zal worden uitgegeven, inclusief vergunningen die voorlopig waren goedgekeurd. Ook is beweiding, waar dat NB-wet-vergunningsplichtig is, feitelijk illegaal. In totaal zitten naar schatting zeker 3300 bedrijven nu in een illegale situatie, grotendeels veebedrijven. Daar zal overigens niet op korte termijn op gehandhaafd worden.

Voor bestaande, volledig afgegeven vergunningen verandert er niets.
De enige manier waarop een nieuwe vergunning kan worden afgegeven is als, uitgebreid voor deze individuele casus, kan worden onderbouwd dat dit geen negatief effect heeft.

Is dit goed nieuws?
Op zich is het positief dat nu volledig zichtbaar is dat ons natuurbeleid niet werkt, er veel te veel stikstofuitstoot is en er op veel plekken nu geen stal meer bij kan. Aan de andere kant maakt dit ook dingen onmogelijk die veel mensen misschien wel willen: koeien in de wei, sommige wegen, aanleg van spoorlijnen, aanleg van woonwijken.  Zelfs de aanleg van windparken kan in theorie op plekken onmogelijk worden met deze uitspraak. Er zal dus wel iets moeten gebeuren. Een fors deel van Nederland zit met deze uitspraak inderdaad voorlopig op slot. Provincies zullen vrijwel zeker komende weken, misschien maanden helemaal geen vergunningen af geven.

De uitspraak biedt kansen op een aantal zaken. In de eerste plaats natuurlijk om de intensieve veehouderij terug te dringen, die het nu (op veel plekken) wel heel moeilijk gaat krijgen te groeien. Maar dat geldt waarschijnlijk ook voor een aantal geplande wegen en bijvoorbeeld een ontwikkeling als Lelystad Airport (hiervan is door het kabinet al bevestigd dat de aanleg bemoeilijkt wordt door de uitspraak).
Er is sowieso een inventarisatie van grote projecten die komt stil te liggen hierdoor aangekondigd. De afgeschoten PAS kan daarmee een stok worden om mee te slaan. Het ligt voor de hand om bij alle niet-welgevallen projecten te vragen om stillegging, als dat niet al gedaan is.

Overzichtskaart PAS-gebieden 2017

Wat moet er gebeuren:

  • In de eerste plaats is het verhaal relatief simpel: de stikstofuitstoot moet omlaag. Niet theoretisch, maar in de praktijk. Minder vee, minder vliegtuigen, minder auto’s. Hiervoor zou een brede strategie moeten worden ontwikkeld. Daarnaast zijn forse investeringen in onze natuurgebieden nodig om ze te versterken. Hiermee kan ruimte gecreëerd worden die we echt nodig hebben voor bijvoorbeeld extra woningbouw en die ene rondweg die echt nodig is.
  • Op korte termijn zijn er ook een aantal juridische aanpassingen nodig. In de eerste plaats zal er snel wetgeving moeten komen om weidegang weer vergunningsvrij te maken: niemand in de Tweede Kamer wil boeren juist dwingen hun koeien op stal te zetten.
  • Daarnaast zijn er twee mogelijke oplossingen op de korte termijn. De eerste is provinciale salderingsbanken. Dat wil zeggen dat als bijvoorbeeld een veebedrijf in Brabant stopt, diens stikstofuitstoot in de salderingsbank gaat en weer kan worden uitgegeven aan een ander bedrijf. Dit kan als juridisch instrument best werken. Probleem is dat zo’n bank gevuld moet worden, en er is juist teveel stikstof. Waardoor we weer terugkomen bij het eerste punt.
  • Een tweede alternatief is de zogenaamde ADC-toets. Hierbij kan de hele PAS omzeild worden als voldaan wordt aan 3 voorwaarden: Alternatieven ontbreken (A), er is een Dwingende reden van groot openbaar belang (D) en er worden Compenserende maatregelen (C) getroffen. Dit is onder andere gebruikt om de Blankenburgverbinding aan te leggen, die anders dreigde stil te liggen vanwege de PAS. De Raad van State accepteerde in deze zaak dat de verbinding nergens anders kon (geen alternatief) en zag volksgezondheid en openbare veiligheid als gegronde redenen.

    De ADC-toets is zowel een kans als een bedreiging. Hij kan misbruikt worden om projecten door te drukken, al zal dat alleen om grotere infrastructuur gaan (een individueel veebedrijf bijvoorbeeld maakt geen enkele kans), maar doordat de overheid in kwestie gedwongen wordt te praten over gebrek aan alternatieven en dwingend belang, kan de overheid in de politieke discussie ook vastgezet worden. Denk wederom aan Lelystad Airport, waarvoor de argumentatie nogal zwak is.
Uitleg van de PAS in een eerdere RvState-uitspraak

Programmatische Aanpak Stikstof en Eindhoven Airport

De Raad van State heeft een ver-reikende uitspraak gedaan over de aanpak van stikstofemissies door allerlei processen. Het kan gaan om de veehouderij, maar ook om allerlei verbrandingsprocessen zoals in vliegtuigmotoren.

De SP heeft er in Provinciale Staten vragen over gesteld. Kortheidshalve nemen we hier de tekst van hun site over (met toestemming).
Let wel dat het om vragen gaat die, in elk geval bij Eindhoven Airport, niet retorisch naar de bekende weg vragen. Het zijn  echt vragen.

Pratt&Whitney motor van een F15 met ingeschakelde naverbrander

–  –  –  –  –  –

29 mei 2019

De PAS beschermt de natuur onvoldoende

De SP in Brabant stelt vragen aan het college van Gedeputeerde Staten over de gevolgen van de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Volgens fractievoorzitter Maarten Everling betekent de uitspraak namelijk nogal wat: “eigenlijk zegt de Raad van State: overheid, je beschermt de natuur onvoldoende.”

De PAS is bedoeld om bedrijven die bij hun activiteiten stikstof uitstoten de ruimte te geven om te ontwikkelen terwijl er tegelijkertijd maatregelen genomen moeten worden om diezelfde uitstoot terug te dringen. Stikstof is problematisch omdat een teveel aan stikstof een negatieve invloed heeft op natuur, zo heeft de biodiversiteit er bijvoorbeeld zwaar onder te lijden. Everling: “het probleem met de PAS is dat het eigenlijk voor de natuur niks oplost, aan de ene kant worden er maatregelen genomen om de natuur te beschermen door de uitstoot van stikstof te verminderen, maar aan de andere kant komt er doodleuk weer nieuwe bedrijvigheid bij dat weer stikstof toevoegt. Wat schieten we daar uiteindelijk mee op?”

De gevolgen van de uitspraak zullen volgens de SP groot zijn. Alle nieuwe, nog af te geven vergunningen kunnen niet meer uitgegeven worden op basis van de PAS. De veehouderij is grootverbruiker van de beschikbare PAS-ruimte en zal de gevolgen snel gaan voelen: “de veehouderij stoot enorm veel stikstof uit en heeft daarmee veel invloed op onze natuur en moest bij uitbreidingen daarom een vergunning aanvragen. Dat kan dus niet meer,” zegt de SP-voorman, “maar dat geldt niet alleen voor de veehouderij, maar voor álle activiteiten die stikstof uitstoten, bijvoorbeeld bij het aanleggen van wegen of uitbreiding van Eindhoven Airport, ook dat soort activiteiten staan nu op losse schroeven.”

“Willen we de natuur écht beschermen, dan moeten er maatregelen genomen worden die zekerheid bieden over de afname van de neerslag stikstof. Dat betekent dat we in de veehouderij echt naar minder dieren toe zullen moeten, dat we het OV goedkoper en beter zullen moeten maken waardoor we minder vaak in de auto hoeven te stappen en dat het aantal vluchten op Eindhoven Airport omlaag zal moeten. Deze maatregelen zullen in de nabije toekomst noodzakelijk blijken en ondertussen zijn wij reuzebenieuwd naar wat het college denkt dat de gevolgen zullen zijn,” aldus Everling. Bijlage: vrg_uitspraak_pas_raad_van_state_29mei2019_PS_SP

Feitelijke deposities in 2014 en (berekend) in 2020 in de Kampina en de Oisterwijkse vennen

Het objectiveren van de geur van varkensbedrijven

De context
De vergunningverlening aan veehouderijen op geurgebied stemt tot niemands genoegen.
Op de eerste plaats omdat momenteel in vergunningen middelen worden voorgeschreven (bijvoorbeeld een luchtwasser), maar geen doelen (bijvoorbeeld een toevoeging aan de ammoniakachtergrond die kleiner is dan een gespecificeerd getal). Doelvoorschriften zijn in de milieukunde gebruikelijk. Dat de oppervlakte binnen de 35Ke-contour rond Eindhoven Airport kleiner moet zijn dan 10,3km2 is bijvoorbeeld een doelvoorschrift.
Dat dat gebeurt (de tweede plaats) is bij gebrek aan beter. Er bestaat geen wetenschappelijk systeem dat reproduceerbaar ‘geurstoffen’ kan meten. Het OU-systeem is in essentie niet wetenschappelijker dan betogen over de fruitige afdronk en het nootmuskaatvleugje in rode wijn.
Gegeven dit alles (ten derde) wordt het effect van een stal op de omgeving gebaseerd op rekenmodellen, met daaronder ‘forfaitaire aannames’. Een kraamzeug staat in de Regeling Ammoniak en Veehouderij ( https://wetten.overheid.nl/BWBR0013629/2019-01-01 ) , categorie D 1.2.5, mestgoot met mestafvoersysteem voor 3.2 kg ammoniak per jaar. Maar de ene zeug is de andere niet, de ene luchtwasser niet de andere en idem de exploiterende boer. En bovendien heb je dan alleen een cijfer voor ammoniak, maar niet voor de veelheid aan andere stankstoffen.
Daardoor kan het gebeuren dat een veehouderij, die aan de middelen-voorschriften voldoet, toch stinkt. En kan een boer die zijn bedrijf beter runt dan gemiddeld, dat niet laten zien.
Ten vierde is het moeilijk om de aanvaardbaarheid (en daarmee de vergunbaarheid) van nieuwe stalconcepten vast te stellen. Immers, hoe moet men die aanvaardbaarheid vaststellen?

De wazigheid ondermijnt op het platteland het onderlinge vertrouwen.

Een pilot om stank kwantitatief te meten
Er is behoefte aan een systeem dat een complexe zaak als ‘geur’ betrouwbaar kan meten.

De provincie Noord-Brabant heeft een pilot opgestart (uitgevoerd door Connecting Agri&Food – CAF) bij vijf Brabantse varkensbedrijven (in Reusel de Mierden, Sint Antonis, Bernheze, Boekel en Someren). Om het complexe probleem niet nog complexer te maken, zijn gebieden uitgezocht waar geen conflicten bestonden.
De deelnemende boeren moesten elk twee buren uitzoeken.
Boeren en buren kregen een logboek, waar ze, in de tweede en derde week van november 2018, hun handelingen respectievelijk ervaringen moesten noteren.

Bij één bedrijf werden sensoren in de stal gezet, bij alle vijf de boeren buiten de stal, en ook bij de buren. Een en ander vroeg om een hoop gepionier. De sensoren moeten nogal wat kunnen hebben, en een grote meetrange. Binnen de stal heb je hoge concentraties, erbuiten zit je vaak tegen de ondergrens aan van wat de sensoren kunnen meten (vandaar de stapsgewijze uitkomsten). Het bedrijf Whysor moet hier met waardering genoemd worden.

Eén type sensor mat alleen ammoniak (NH3 ), één type diende voor zwavelwaterstof (waterstofsulfide, H2S) en één type voor een pakket aan Vluchtige Organische Componenten (VOC), zoals die hierboven in de tabel staan.
De VOC-groep blijft, door technische problemen, in praktijk voornamelijk beperkt tot indicatieve uitkomsten (de eerste VOC-sensor bleek vooral op de luchtvochtigheid te reageren en is vervangen). ‘Oude’ VOC-metingen hebben nog betrekkelijk weinig waarde.
De sensoren maten om de vijf minuten en gaven de resultaten door aan een automatisch datalog-systeem, dat naast de directe meting ook voortschrijdende 2 uurs-gemiddeldes produceerde.

Geur is (net als geluid) een mengsel van objectieve en subjectieve factoren.
Er zijn concentraties (net als er deciBellen zijn), maar er zijn ook belevingsaspecten – de neus zit zogezegd tussen de oren. Dat weerspiegelt zich in per individu zeer uiteenlopende geurdrempels.

Het is gepast om de nodige relativeringen uit te spreken, en er moet inderdaad nog veel gebeuren, maar dat gezegd zijnde liggen er toch interessante resultaten.

De gegevens zijn in de maat ‘ppm’, waar µgr/m3 gebruikelijker is (ook in de regelgeving).
1 ppm ammoniak = 706 µgr/m3 en 1 ppm zwavelwaterstof = 1412 µgr/m3.

De groene punten zijn de H2S-niveaus in de stal, de blauwe buiten de stal, en de rode bij de buren.
De stapsgewijze uitkomsten zijn omdat de sensor aan de onderkant van zijn bereik gebruikt wordt.
De pieken treden op als de varkens gevoerd worden.
Voor zover bekend, treden bij dit soort concentraties bij mensen nog geen medische effecten op (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Waterstofsulfide ). Het stinkt wel in die stal.

Windrichting en windsnelheid hebben invloed op de hinder

De tekst van het onderzoek is hier te vinden –> eindrapport CAF geurmetingen varkenshouderij_04feb2019_provincie
Een iets oudere, maar nagenoeg identieke versie, is met enig gezoek te vinden op www.brabant.nl/search/brabant?q=Geurmetingen .

Dierenwelzijn
Uit (hier niet getoonde) grafieken blijkt dat de ammoniakconcentraties in stallen systematisch rond de 30 a 35 ppm liggen (dus 21 tot 25 mg/m3). Dat is fors hoog. Voor menselijk publiek zou dat verboden zijn.
En een flink deel van de groene stippen bij de H2S – grafiek ligt boven de menselijke geurdrempel, en waarschijnlijk dus nog meer boven die van varkens. Blij dat ik niet als varken in een stal lig.
De studie schrijft niet over dierenwelzijn.

Het vervolg
Zoals gezegd moet men de uitkomsten relativeren. De techniek moet verder ontwikkeld worden en er zit veel ruis op de lijn (gevolgen waar geen oorzaak bij gevonden wordt, en omgekeerd).
Desalniettemin loont het om hiermee door te gaan. Dat is de provincie dan ook van plan, liet ze weten in een Statenmededeling van 12 maart 2019.

EenVandaag over het stikstofrapport rond Eindhoven Airport

EenVandaag zond op 20 september 2018 een uitzending uit over het stikstofrapport van Haskoning over het vliegveld, waar eigenlijk in stond dat de situatie op sommige Natura2000 – gebieden zo slecht was, dat er geen vlucht meer bij kon op Eindhoven Airport.

Dat rapport was er eerst wel en toen weer niet en toen weer wel. Duidelijk is het nog steeds niet en het lijkt er sterk op dat men een onwelgevallig rapport achter heeft willen houden.

Wie de uitzending van EenVandaag terug wil zien, kan terecht op https://eenvandaag.avrotros.nl/item/werd-een-kritisch-rapport-over-de-groei-van-vliegveld-eindhoven-verzwegen/ .

Een inhoudelijk verhaal over hoe het probleem in elkaar zit en hoe de PAS werkt op Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld  .

  

Stikstof-problematiek blokkeert groei vliegveld

De Programmatische Aanpak Stikstof
De top van de Nederlandse natuurgebieden wordt beschermd door de Europese Natura-2000 richtlijn. Nederland heeft die wet geïmplementeerd door ruim 160 van die gebieden aan te wijzen en de bescherming onder te brengen in de Wet natuurbescherming.

Die gebieden staan soms zwaar onder de druk. Zeker in Brabant met zijn enorme intensieve veeteelt. Die loost grote hoeveelheden stikstof (in de ammoniakvorm), en die komt uiteindelijk in de bodem terecht en wordt daar nitraat.
Maar ook alles wat bij hoge temperatuur verbrandt wordt produceert uit stikstof uit de lucht stikstofoxides (NO en NO2 , samen aangeduid als NOx ). Die stikstofoxides reageren weer in het grote reactievat dat gewone mensen als ‘de atmosfeer’ aanduiden, en worden uiteindelijk ook omgebouwd tot nitraat.
Daarnaast komt er veel nitraat via de mest en de kunstmest in het oppervlaktewater.

Waar veel nitraat in de grond zit, groeien vooral brandnetels en bramen en dat is natuurlijk niet het gewenste lot van onze Natura2000 – gebieden. Toch zitten sommige van die gebieden al ver boven hun taks.

Daarom is er met veel moeite een nationaal programma opgetuigd, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit project loopt van 2015 t/m 2021. Het is hele ingewikkelde wetgeving, maar in de kern komt het er op neer dat men met een extra set emissiebeperkingen aan de bron (bijv. luchtwassers) en met beheersmaatregelen in het veld (bijv. afplaggen) wat extra ruimte heeft gecreëerd, de depositieruimte. De helft van die ruimte moet aan de natuur worden gegeven, de andere helft mag praktisch gebruikt worden. Daardoor gaat de daling van de stikstofdepositie iets minder traag dan die anders gegaan was.

Toedeling van eventuele depositieruimte

De depositieruimte wordt op papier in  vieren verdeeld:

  • groei van stikstofclaims die vanzelf gaat (bijv. meer auto’s)
  • de gezamenlijke groei van een groot aantal nieuwe projecten, die ieder voor zich onder een drempelwaarde zitten
  • ruimte die gereserveerd is voor prioritaire projecten (de overheid claimt al bij voorbaat)
  • de ruimte die vrij gebruikt kan worden.

De PAS is inmiddels in Brabant een gevreesde naam. De aanleg van de N69 is een prioritair project en wordt door de PAS om die reden niet geblokkeerd, maar de aansluiting van de N69 op de A67 bij de Koningshof wordt wel geblokkeerd omdat de dames en heren bestuurders in hun oneindige wijsheid dit als twee aparte projecten hadden aangemerkt, en dit slimmigheidje zich nu tegen hun keert omdat die aansluiting niet op de prioritaire lijst staat.

Na veel juridisch leed is de PAS om advies voorgelegd aan het Europees Hof. Dat duurt altijd heel lang, en de eerste tekenen lijken erop te wijzen dat het Europees Hof eerder strenger dan minder streng zal zijn. Bijvoorbeeld dat de stikstofruimte niet meer op de pof kan worden uitgegeven, zoals nu.

De prioritaire projecten staan op een limitatieve lijst en daar staat de uitbreiding van Eindhoven Airport niet op. Toch kan men moeilijk ontkennen dat straalmotoren bij hoge temperatuur werken en dus stikstofoxides vormen.

In de la
Een probleem lag dus voor de hand. Ergens hoog heeft iemand (terecht) verordonneerd dat er een stikstofstudie moest komen en die heeft Royal Haskoning DHV uitgevoerd.
Waaruit inderdaad veel ongemak bleek, waarna het eindresultaat (naar ons is meegedeeld) in  een la belandde (in welke la, dat is ons niet bekend). In maart 2018 hebben Eindhovense gemeenteraadsleden van Groen Links en de PvdA naar het lijk in de la gevraagd, waarna dat alsnog tot leven kwam en zich op 6 september 2018 bij de Eindhovense projectleider Verhoeven meldde. Daarna is het zonder ruchtbaarheid alsnog op de site Samen op de Hoogte gezet, waar het nu nog staat. Zie http://samenopdehoogte.nl/over-ons/nieuws .
BVM2 kwam erachter omdat Een Vandaag belde of wij hier iets van af wisten. Toen dus niet.

Feitelijke deposities in 2014 en (berekend) in 2020 in de Kampina en de Oisterwijkse vennen

Een probleem: het vliegveld kan zonder ingreep niet groeien

Normaliter is de drempelwaarde 1 Mol N per hectare per jaar (dat is 14 gram). Ter vergelijking: de depositie op bijvoorbeeld De Kampina kan boven de 2000 Mol/ha*y zitten en dat is een stuk meer als de kritische depositiewaarde, die als norm gebruikt wordt.
Maar als de stikstofruimte al bijna op is, wordt de drempelwaarde verlaagd naar 0,05 Mol/ha*y, en er zijn gebieden waar de drempelwaarde inmiddels 0,00 is.

Dat betekent dat elke aktiviteit, die in enig kwetsbaar Natura2000-gebied meer dan 0,05 Mol/ha*y laat neerslaan, vergunningplichtig is of zelfs dat al niet meer – dan mag het gewoon sowieso niet.

Het lijk in de la bevatte dus schattingen van toename in de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden ten gevolge van uitbreiding van het vliegveld. Die waren gebaseerd op de LTO-emissieberekeningen van CE Delft en de bijbehorende groeiscenario’s (zie Emissies van Eindhoven Airport in kaart gebracht ).
Toen het lijk weer opdook, bleek bijvoorbeeld dat het dichtstbij gelegen Natura2000-gebied Kempenland West zelfs in het lichtste groeiscenario l (van 43000 naar 55000 vliegbewegingen) met 0,67 Mol/ha*y op zijn vennetjes erbij kreeg. (Voor gegevens over Kempenland-West zie www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=11&id=n2k135 ).

Nu zou Kempenland-West nog in aanmerking komen voor een vergunning. Blijkbaar zit daar nog wat rek.

Maar zelfs in het lichtste groeiscenario zit die rek er bij de Maasduinen, het Leenderbos-Groote Heide-De Plateaux, en de Weerter- en Budelerbergen en Ringselven niet meer in.
Ook voor bepaalde vegetatietypen, waar ook gelegen (actief en herstellend hoogveen en zeer zwak gebufferde vennen) is de limiet simpelweg nul.

Als het vliegveld harder groeit, neemt het aantal onmogelijkheden steeds verder toe en liggen de gebieden steeds verder weg.
In het hoogste groeiscenario bijvoorbeeld ontstaan er problemen tot diep in Zuid-Limburg, op de Brabantse Wal en in het dal van de Vecht en de Regge.

Nu is het verstandig om zowel de ene kant als de andere kant op wat kanttekeningen aan te brengen.

Op de eerste plaats: de PAS heeft een eindige looptijd (2015 -2021). Uiteraard moet worden afgewacht wat er daarna gebeurt, hoewel de Europese bescherming nog steeds geïncorporeerd moet worden.
Op de tweede plaats kan de overheid besluiten om de uitbreiding van het vliegveld tot prioritair project te verklaren. Dat klinkt leuk, maar de totale stikstofruimte neemt niet toe en dus krijgt dan een andere instantie de ellende. De boeren bijvoorbeeld.

Aan de andere kant: het rekenmodel telt het wegverkeer van en naar het vliegveld niet mee (dat hoeft niet) en telt het militaire verkeer niet mee (want dat groeit niet).

 

BVM2 gaat heel goed volgen wat er gebeurt.

Het grillige gedrag van luchtwassers (update dd 2 mei 2018)

Waartoe dient een luchtwasser?
Nederland volgt met zijn Natura2000-wetgeving de Europese natuurbeschermingsregels. Dat is een goede zaak.
Die gebieden worden onder andere aangetast doordat er veel meer stikstof op neer regent dan wat zo’n gebied aan kan. Die komt overal vandaan: verkeer, luchtvaart, industrie, maar ook heel veel uit de landbouw en de veeteelt. Dat laatste gebeurt in de vorm van het gas ammoniak (NH3 ). De eerste taak van een luchtwasser is zoveel mogelijk ammoniak uit de stallucht afvangen.

Daarnaast stinken die stallen ook nog ‘gewoon’ richting omwonenden. Toen men eenmaal begonnen was, kwam de gedachte al gauw op om ook de geur zo veel mogelijk af te vangen. Dat werd de tweede taak van de luchtwasser.

Chemische en biologische luchtwassers (mono-)
Chemische luchtwassers zonder verdere toevoegingen (mono) werken door de stallucht over een soort lamellensysteem te leiden waarlangs een zwavelzuuroplossing loopt. Dat bindt de ammoniak en als het goed is, resulteert dat uiteindelijk in een neutrale oplossing van ammoniumsulfaat. Daar moet je dan ergens mee naar toe en dat is een ander verhaal.
Chemische luchtwassers werken heel goed tegen ammoniak en doen betrekkelijk weinig tegen geur.

Biologische luchtwassers werken anders. Een goede uitleg staat op de site van een producent www.dorset.nu/nl/home-fs/biologische-luchtwasser/#werking . De stallucht gaat daar van onder naar boven door een filterpakket, waarop bacterien zitten, en die worden van boven af nat gehouden door circulerend waswater. Die oxideren ammoniak (als het goed is) tot eerst nitriet en dan nitraat. Dat stroomt met het waswater mee en dat wordt regelmatig ververst. Het nitriet/nitraat mag op het land worden uitgereden, zo lang het niet in het oppervlaktewater komt (want nitriet is vergiftig bij inname).
Biologische luchtwassers werken minder goed tegen ammoniak en beter tegen geur.

Combi-luchtwassers en controlemetingen
Waarna de gedachte voor de hand ligt om combinatie-luchtwassers te maken (combi-). Daar begint de politieke actualiteit.

De hierna genoemde stukken kunnen worden gedownload via www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D22770&did=2018D22770 .

Het lijkt er erg op dat vanaf hier de wens te veel de vader van de gedachte werd. We schrijven dan 2006 en het Programma Gecombineerde Luchtwassers.
Er is een theoretische functie gedefinieerd die een output moest halen van 85% ammoniakverwijdering en 70 tot 85% geurverwijdering. Vervolgens zijn er vergunningen afgegeven (vooral aan varkenshouders) alsof dat theoretische apparaat daadwerkelijk werkte. Daardoor mochten de varkensboeren meer varkens houden en/of dichter bij woonbebouwing of Natura2000 – gebieden staan dan tot dan toe mogelijk was geweest.

Maar de klachten bleven en dat bracht het Ministerie van I&M (2015) ertoe Wageningen een onderzoek te laten doen. Dat heeft Wageningen (WUR) in twee stappen gedaan en dat leidde tot “evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen”, deel 1 en deel 2.
Deel 1 beschrijft de uitslag bij 2 bio-combiwassers en bij 2 chemo-combiwassers, die elk op 6 tijdstippen gemeten zijn met Nederlandse en Duitse aanpak.
Deel 2 beschrijft de uitslag bij 16 mono-chemische wassers, 29 combiwassers en 3 mono-biowassers. Bij deze inrichtingen is één keer gemeten.
Dat leidde tot een aantal conclusies die ik in mijn eigen woorden geef.

  • Het blijkt heel moeilijk om geur te meten. Er zijn grote toevallige en systematische fouten. Duitse laboratoria, die aan dezelfde NEN-normen voldoen, meten systematisch veel lagere concentraties. Uiteindelijk komt het erop neer dat een ambtenaar of een laborant, na een foutgevoelig voortraject, aan een monster moet snuffelen.
    Het gebeurt regelmatig dat de geurrendementsverwijdering negatief is (de lucht stinkt na de wasser harder dan voor de wasser). Of dat echt zo was of dat de snuffelaar het fout had, valt niet te achterhalen. Meer algemeen is niet duidelijk of het grillige verloop van de cijfers in de tijd bij een bepaald apparaat aan een grote meetonzekerheid liggen, aan het grillig functioneren van het apparaat, of aan beide.
    Er is dringend behoefte aan een objectieve sensor (‘elektronische neus’) die stallucht aan kan.
    Ammoniakmetingen zijn goed uitvoerbaar.
  • De techniek blijkt erg storingsgevoelig. Bij de 24 metingen, die in deel 1 beschreven worden, was er in 5 gevallen een storing. Bij de 48 metingen, die in deel 2 beschreven zijn, was er in 8 gevallen een storing (waarbij aangetekend moet worden dat de steekproef eigenlijk in eerste instantie uit 59 adressen bestond, maar dat vijf boeren niet mee wilden doen).
  • In deel 1 werd bij geen van de 24 Nederlands-uitgevoerde metingen een rendement gevonden dat zowel voor ammoniak als voor geur aan de specificaties voldeed. Bij 3 van de 24 metingen zou men de uitslag, hoewel voor geur onder de specificaties, redelijk kunnen noemen.
    Geen van de inrichtingen voldoet (tijd)gemiddeld aan de combi-norm.
    In deel 2 wordt bij 7 van de 16 mono-chemische wassers zowel voor geur als voor ammoniak de voor deze inrichting geldende norm gehaald (maar voor geur is die lager dan de combinorm). (Groep)gemiddeld halen deze de geldende norm niet.
    In deel 2 voldoet 1 van de 29 combi-wassers aan beide normen. Van 11 combiwassers kan men stellen dat deze de ammoniaknorm halen en redelijk, maar onder de norm, presteren op geurgebied. (Groep)gemiddeld haalt deze groep, noch voor ammoniak noch voor geur, de norm.
    In deel 2 voldoen 2 van de drie mono-biowassers aan beide normen (maar die zijn lager dan bij combi-wassers). (Groep)gemiddeld voldoet deze groep aan de norm.

De politieke actualiteit was dat de combiwassers niet aan de norm zouden voldoen. Dat klopt, maar de mono-chemische wassers voldoen vaak, en gemiddeld, ook niet aan de norm. WUR redeneert dat dit verschil niet significant is, gezien de grote onzekerheid.

Bouwtekening van een chemo-biologische combiwasser

Constructie-overwegingen: hoe combineert men en kan het idee werken?
Men kan combineren met drie mono-basis-bouwstenen: een watergordijn (zoiets als een sprinklerinstallatie), een chemische trap (zwavelzuurgordijn) en een biologische stap.
De sprinklerinstallatie verwijdert stof, waardoor wat er na komt beter zou werken.
Het zwavelzuurgordijn verwijdert heel veel ammoniak en een beetje geur, de biotrap een beetje ammoniak en veel geur. Tenminste, dat is het idee.

De eenvoudigste opstelling, die goed is voor 25 van de 29 in deel 2 beschreven combi-inrichtingen, combineert een watergordijn met een biologische stap (bio-combi). Waarschijnlijk is dat ook de goedkoopste inrichting.
De conclusie is dat deze opstelling vergelijkbaar werkt met een mono-biologische wasser. Met andere woorden, de sprinklerinstallatie heeft weinig of geen meerwaarde.

Overigens schrijft de WUR-studie niet over stofafvangrendementen.

Een inrichting die een chemische trap combineert met een nageschakelde biologische trap (zie bouwtekening) zou op papier moeten kunnen werken, maar in praktijk werkten de 2 combi-chemische inrichtingen in deel 1 en de 4 van de 29 combi-chemische inrichtingen in deel 2 allemaal niet of matig vanwege een storing. Vaak komt er zwavelzuur uit de eerste trap in het water van de bio-trap en dan leggen de bacterien al gauw het loodje.

Het is, al met al, geen hoopgevend beeld.

Zou het kunnen werken?
In theorie kan alles. Dit zijn standaard-technische problemen en die zijn oplosbaar. Als men de destructor (Rendac, de dooie beesten-fabriek tussen Son en Best) nagenoeg geurloos kan krijgen, kan men alles zowat geurloos krijgen. Maar de destructor is een grote, professionele inrichting en de meeste boerenbedrijven niet.

Rendac

De zeer scherpe specificaties, die in de wet zijn vastgelegd (een geurreductie van 70-85% in het Rgv en een ammoniakreductie van 85% in het Rav) kunnen, mijns inziens, met alleen een biologische trap (met of zonder sprinklerinstallatie) niet gehaald worden. Met een chemische en een biologische trap kunnen ze op papier gehaald worden, maar tot nu toe niet in de reëel bestaande situatie op een boerderij (met een reëel bestaand opleidingsniveau, budget, werklast, en handhavingsregime).

Wellicht is het beter bij reëel bestaande boerderijen de wens niet langer de vader van de gedachte te laten zijn. En accepteren dat het geurverwijderingsrendement ergens rond de 40% zit en het ammoniak-verwijderingsrendement ergens rond de 90%.
Uiteraard heeft dat gevolgen voor het aantal varkens achter de luchtwasser.

Iedereen een probleem
In feite kent de situatie alleen verliezers.

  • De omwonenden zitten meer in de stank als de bedoeling is,
  • Boeren die nog geen vergunning hebben moeten langer wachten of krijgen hem niet,
  • boeren die wel een vergunning hebben zijn nu, meestal buiten hun schuld, de kwaaie peer en hebben betaald voor iets wat niet deugt,
  • de provincie moet handhaven maar kan dat niet,
  • en staatssecretaris Van Veldhoven mag de kastanjes uit het vuur halen voor minister Schouten.

Waarbij men met laatstgenoemde het minste medelijden hoeft te hebben, want het is het Rijk (en onder andere de CU, de partij van minister Schouten) die voortdurend de veeteelt de hand boven het hoofd houden en elke poging het aantal dieren terug te dringen, blokkeert.

In een brief dd 03 april 2018 aan de Tweede Kamer schetst staatssecretaris Van Veldhoven de voorgeschiedenis, en neemt ze het besluit om de emissiefactoren van combiwassers terug te brengen tot die van mono-wassers. Daarmee geeft ze in feite de fictie op.
Het gevolg is dat ze per decreet wetsovertredingen creëert, waartegen niet zomaar kan worden opgetreden omdat deze bona fide begaan worden.
De brief van de staatssecretaris is te vinden op www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D22770&did=2018D22770 .

De provincie heeft op 06 april 2018 een brandbrief gestuurd aan de staatssecretaris.
De provincie wijst erop dat er bij 732 bedrijven in Brabant samen ruim 2000 combiwassers in gebruik zijn, en dat er nog meer dan 100 vergunningaanvragen liggen waarin een of meer combiwassers zijn opgenomen.
Verder wijst de provincie erop, dat door alle stikstoflozingen, en door de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) de provincie al bijna helemaal op slot zit (zie Varkens verhinderen vooruitgang – ontwikkelingen rond de PAS )
De provincie vraagt de staatssecretaris

  •  de nieuwe geuremissiefactoren voor combiwassers direct vast te stellen
  •  een zeer spoedig herstelplan voor overbelaste gebieden op te stellen, samen met RIVM en GGD
  • ruimte te bieden aan innovatieve systemen inaanvulling op of ter vervanging van luchtwassers
  • bij minister Schouten erop aan te dringen dat op korte termijn meer duidelijkheid wordt
  • gegeven over de effectiviteit van combi-luchtwassers mbt de ammoniakverwijdering, eventueel na nader onderzoek

De brief van de provincie is hier te vinden brief falende luchtwassers prov aan rijk_06april 2018

Inmiddels heeft er overleg plaatsgevonden tussen een ambtelijke delegatie uit Den Haag, de provincie, de BMF en de ZLTO . Zodra daar meer over te vertellen valt, zal ik daar een artikel aan wijden.

Update:
De minister wil de eisen, die aan geurreductie door luchtwassers gesteld worden, verlagen. Chemische luchtwassers hoeven nog maar 30% geur te verwijderen (was 70 tot 80%), voor biologische en combi-luchtwassers daalt de geurreductie-eis naar 45% (was 75 of 85%). Dat meldde De Boerderij van 02 mei 2018. Tot 30 mei loopt er een Internetconsultatie.

Met deze stap brengt de minister de tot nu toe bestaande fictie terug tot wat daadwerkelijk bereikt kan worden (bij een goede bedrijfsvoering). Gegeven hierboven staaand verhaal is dat niet verrassend.
Het betekent wel dat het aantal dieren in bestaande stallen nu ineens te hoog is. Als 800 varkens samen, door het fictief verwijderen van bijv 80% van de geur, net onder de berekende geurnorm aan de gevel van nabije woningen zitten, komen diezelfde 800 varkens met een reëel geurverwijderingsrendement van 40% aan diezelfde gevel boven de norm uit. In praktijk kwamen ze dat ook al wel.

Het stankprobleem is niet opgelost, maar vanaf straks heet het geen overtreding meer.

Eerste reactie op veeteelt-besluit Provinciale Staten 07 juli 2017

Op vrijdag 7 juli 2017 hebben PS, na een marathonvergadering, besloten om een aantal maatregelen te nemen die beperkingen opleggen aan de veehouderij. Ik ben zeer blij met dit besluit, al moet er nog veel meer gebeuren.

Publieke tribune op 23 juni 2017, landbouwdebat

Ik heb voorafgaand aan 7 juli al een korte samenvatting van het voorstel op deze site gezet. Die kan men nalezen op Behandeling nieuwe maat-
regelen tegen door landbouw veroorzaakte problemen
.

Deze voorstellen zijn als integraal pakket aangenomen. Ik zal daarop binnenkort uitgebreider reageren.
Nu wil ik alvast aandacht vragen voor een reactie van Werkgroep Behoud de Peel. Die zetten in hun recente Nieuwsbrief een aantal verstandige kanttekeningen.

  • Het besluit is niet historisch, want er is in 1995 in midden- en oost Brabant en midden- en noord Limburg een soort standstill-beginsel geweest. Maar dat heeft het maar twee jaar uitgehouden.
  • Dit is een eerste stap richting natuurherstel
  • Met extra staltechnieken schiet je niet veel op als tegelijk het aantal dieren omhoog mag
  • De kosten van het stalderen moeten niet onevenredig bij de uitbreidende boeren gelegd te worden. In het flankerend beleid moet hiernaar gekeken worden.
  • Er is geen reden voor ophef vanwege de mogelijkheden uit te breiden tot een bouwblok van meer dan 1,5 hectare. Er bestonden al uitzonderingsmogelijkheden. Er komt één uitzondering bij, maar twee andere worden strenger. En ook dan moet 100% nieuwe ruimte opgebracht worden met 110% minder ruimte elders (dat heet stalderen).
  • De schaalvergroting wordt met dit besluit niet gestimuleerd, maar juist afgeremd.
  • Stalderen heeft wel degelijk effect voor de burger. Het aantal dieren groeit niet verder en waarschijnlijk komt er een lichte krimp. Meer is binnen de provincie niet te realiseren.
  • Boeren kunnen inderdaad andere boerderijen uitkopen om zo uit te breiden. Daar is niets aan te doen. Maar ook dan doen de nieuwe techniekeisen en de staldering hun werk.
  • Er komt in praktijk weinig of geen nieuwe mestbewerking, want tussen de bestaande en de nieuwe afspraken bestaat in praktijk weinig verschil.

De tekst van de Nieuwsbrief van Werkgroep Behoud de Peel is hier te vinden.

Peel zonder stikstofoverschot

Peel met stikstofoverschot

Een korte geschiedenis van Brabant en de boeren

Wateroverlast op de aardappelvelden

————————————————–

Door Gepost op

OPINIE – Boeren horen bij Brabant. Deze leus komt de laatste weken, keer op keer terug. En het klopt ook, Brabant is gevormd door boeren. Boeren en Brabant hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. En het is nu net die geschiedenis die ervoor zorgt dat deze verbintenis onder druk staat.

Al in 1970 verscheen er een rapport bij de overheid met de titel “Mestoverschotten: een potentiële bron van milieuverontreiniging”. Het was niet het enige rapport. Onderzoekers trokken regelmatig aan de bel met verontrustende bevindingen.

Een overheidscommissie kwam kort erna met een adviesstuk: “De afvoer en eliminatie van mestoverschotten”. Meerdere rapporten vanuit de overheid en het Landbouwschap, de belangenorganisatie voor land- en tuinbouw, volgden. Fons van der Stee, de minister van Landbouw en lid van de voorloper van het CDA, deed niets.

In de jaren daarna bleven stukken elkaar opvolgen, mede door opdrachten vanuit het ministerie. Het had er zelfs een werkgroep voor, het Curatorium Landbouwemissies. In 1978 verscheen een voorstel om het mestprobleem aan te pakken, geschreven door een medewerker van het Landbouwschap.

Toen in 1980 CDA minister voor Landbouw, Gerrit Braks, het toneel betrad, beweerde hij dat niemand zicht had op vervuiling door mest. Een uitermate vreemd standpunt, helaas volgde hij daarmee de lijn van eerdere ministers vanuit zijn partij.

Toch verandering?

Nu hebben waarnemingen en conclusies de vervelende eigenschap niet te verdwijnen doordat je ze negeert. Rapport na rapport en advies na advies volgden. In 1984 werd Braks dan ook gedwongen om maatregelen te nemen en in samenspraak met de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB), werd gesproken over de grote mestproblemen. Het kwam tot een voorstel waarin de absolute ondergrens van de adviesrapporten werd gebruikt om een soort van paal en perk te stellen. De NCB reageerde woedend. Ook dat hoort bij Brabant. Uiteindelijk bleken de maatregelen een dode letter: boeren deden er alles aan om zich te onttrekken aan de regels, controle was lastig en dus was er nauwelijks handhaving. De verzuring van de grond werd niet gestopt.

De problemen duren voort en worden erger

In 1990 blijkt dan dat er van alles mis is met de Nederlandse landbouwgronden: een achtste van alle beschikbare landbouwgrond blijkt fosfaatverzadigd. En om grondwatervervuiling tegen te gaan mag hier geen extra mest meer worden uitgereden, het mestoverschot werd dus alleen maar groter.

De Algemene Rekenkamer komt met een vernietigend rapport over het mestbeleid en schuwt daarbij harde woorden richting ambtenaren en hun houding niet: ambtenaren hebben jarenlang de problematiek bewust verzwegen. Volgens adviseur en onderzoeker Henkens lijkt de regelgeving afhankelijk van een rendabele bedrijfsvoering, in plaats van dat de bedrijfsvoering wordt aanpast op wat het milieu en de maatschappij kan verdragen. CDA minister Bukman weerspreekt de kritiek.

In het begin van de jaren 90 wordt de toevlucht gezocht in technologische oplossingen, zoals mestbewerking. De hoop is dat het overschot aan meststoffen dan geëxporteerd kan worden. Mestbewerking voor grootschalige export is heden ten dage nog steeds niet aan de orde en pakt het probleem enkel achteraf aan, in plaats van bij de bron: een te grote hoeveelheid dieren op te weinig grond.

Mestvergister

In 1993 wordt er alarm geslagen omdat er groot gevaar van fosfaatvergiftiging van oppervlakte- en grondwater dreigt. In 1995 blijkt dat de landbouw sector opnieuw te weinig maatregelen heeft getroffen tot verbetering en sancties blijven weer uit. We zitten inmiddels in een kabinet met een VVD minister op Landbouw. Een jaar later wordt het doel van 6 miljoen ton mestverwerking niet gehaald. Het verbaast helaas niet.

Voor boeren?

Brabant is gevormd door boeren. Of is het andersom? Is Brabant gevormd voor boeren?

Want inmiddels is het de 21e eeuw en nog steeds verschijnt rapport na rapport. In 2007 komt het rapport “Uitspoeling van stikstof overschot naar grond- en oppervlaktewater”. Nu is de helft van de beschikbare landbouwgrond fosfaatverzadigd, in sommige gebieden zelfs meer dan drie kwart. Het wordt er niet bepaald beter op.

CDA minister Veerman komt bij zijn vertrek in 2007 tot de conclusie dat het systeem hopeloos is vastgelopen. Oud ABN AMRO directeur van afdeling Agrarische Bedrijven, Geu Sibenga, verzucht dat het bedrijfsmodel absoluut onrendabel is omdat er simpelweg veel te veel productie is.

In datzelfde jaar weigert de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) haar handtekening te zetten onder een manifest tot verbetering van het landelijk gebied. Blijkbaar moet de natuur maar blijven bloeden.

Betwijfelen, vertragen, frustreren

In 2009 wordt een langlopend onderzoek gestart naar gezondheidsrisico’s.

In 2010 komt hoogleraar rurale sociologie Van der Ploeg tot de conclusie dat de sector bezig is zichzelf collectief te bedreigen, volgens hem is schaalvergroting een doodlopende weg. Supermarktwatcher Rutte zegt dat boeren teveel afhankelijk zijn van subsidies en herhaaldelijke hulpmaatregelen.

Het nieuws volgt elkaar steeds sneller op. In 2011 blijkt uit onderzoek dat omwonenden van nertsenfokkerijen meer last hebben van astmaklachten. VVD minister Schippers legt de aanbevelingen naast haar neer.

De universiteit van Utrecht publiceert de resultaten van haar onderzoek naar de gevolgen van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden in 2011. De reacties uit de sector zijn zoals verwacht, men wil meer onderzoek en vooral geen nieuwe regels.

Nieuwe regelgeving dreigt. De ZLTO waarschuwt voor miljoenenclaims vanwege deze milieu- en gezondheidsbeschermende maatregelen. Ondertussen lopen er veel leden weg, zij staan niet langer achter de richting van deze zogenaamde belangenbehartiger.

Een schot in eigen voet

In april 2015 volgt de afschaffing van het melkquotum, ooit ingesteld vanwege de door subsidiëring aangejaagde overvloedige productie. De sector heeft flink voor de afschaffing gelobbyd. Boeren hebben massaal geïnvesteerd in nieuwe stallen en er komt een forse toename van melkvee. Het gevolg? De daling van fosfaatuitstoot stopt, boeren schieten opnieuw door het fosfaatplafond en door de hoge productie keldert de melkprijs naar het laagste niveau sinds 2009.

Later dat jaar presenteren Rabobank, het ministerie van Economische Zaken en Producten Organisatie Varkenshouderij, de POV, een plan om het aantal varkenshouderijen van 5000 bedrijven naar 3000 terug te dringen. De LTO is enthousiast, zo lang er maar een grote zak geld klaarstaat.

De natuur heeft het zwaar

De natuureffecten zijn groot. In 2017 brengt de RIVM naar buiten dat de voedselproductie  verantwoordelijk is voor 25% van de uitstoot van broeikasgassen en 60% verlies in biodiversiteit. Vlees en vis productie zijn hier voor meer dan de helft schuldig aan.

In gebieden met intensieve veehouderij blijkt antibiotica tot 25 meter diep in het grondwater te zitten en langzaamaan in het oppervlakte water terecht komen. De gevolgen voor de micro-organismen, ook nodig voor de landbouw, laten zich nog vooralsnog raden. Het zal wel niet positief zijn. Uit onderzoek blijkt dat de hoeveelheid insecten drastisch afneemt.

Er zit in Brabant door de verzuring zo weinig kalk in de grond, dat eierschalen van vogels dun zijn en de botjes van jonge kuikentjes te zwak zijn: hun pootjes breken voordat ze het nest kunnen verlaten. In beschermde natuurgebieden wordt kalk gestrooid om het verlies op te vangen. Maar organisaties weten: het is vechten tegen de bierkaai.

Gezondheidsrisico’s blijven terugkomen

In de zomer van 2016 blijkt volgens een 3-jarig onderzoek dat omwonenden van veehouderijen meer luchtweg klachten hebben. De Landbouw en Tuinbouw Organisatie (LTO) claimt dat schaalverkleining geen oplossing is voor gezondheidsproblemen.

Als uit 4 jarig onderzoek blijkt dat er vaker longontstekingen zijn in de buurt van pluimvee- en geitenhouderijen, vraagt de LTO, zoals altijd, om meer onderzoek, en agrarisch adviseur Van Westreenen oppert dat de overheid maar met een zak geld moet komen en dat de sector het dan zelf wel oplost, want regeltjes zijn er al genoeg.

Kaart met 21 vanwege de mest gesloten drinkwaterputten in Nederland

En twee weken geleden slaan waterbedrijven opnieuw alarm, bij bijna de helft van de grondwater-punten wordt een te hoge dosis meststoffen gemeten. Het zuiveren van ons drinkwater wordt te complex en te duur. Volgens de directeur gaan onze kinderen nog tientallen jaren last hebben van overbemesting.

De reactie van de boerenlobby? De ZLTO dreigt met een rechtszaak als Brabant, voor het eerst sinds decennia zonder CDA, haar strengere milieu- en gezondheidsmaatregelen doorvoert. Er is altijd een reden voor vertraging, altijd een reden voor uitstel.

Boeren horen bij Brabant

Boeren horen bij Brabant. Elke individuele boer heeft zijn of haar eigen zorgen, dat is te begrijpen. Helaas is het de hele sector, de hele keten van begin tot eind, die op een vreemde manier bezig is om zichzelf onmogelijk te maken. Adviseurs en banken die blijven inzetten op schaalvergroting om steeds meer, voor minder te produceren, werken financiële problemen in de hand. Belangenorganisaties die blijven betwijfelen, vertragen en frustreren, dienen het boerenbelang niet. 

Om boeren in Brabant te houden, moet het roer om. Het huidige systeem werkt niet. Iedereen weet het.

Laten we als maatschappij en overheid de welwillende agrariërs onze steun geven: met een investeringsfonds, met gefundeerd transitie advies, met maatwerk. Richt je op de toekomst, een gezonde toekomst, met financieel gezonde veehouderijbedrijven en een gezonde leefomgeving.

Na 50 jaar is het wel tijd.