Verdwijnt fosfaat bij mestverbranding?

Van mijn goede kennis Toon uit Oss kreeg ik, via de Provinciale Statenfractie van de SP, de volgende vraag binnen die wellicht ook bij andere niet chemisch geschoolde mensen speelt.

Beste mensen,
vandaag stond in de krant dat er in de toekomst mogelijk het overschot aan mest in Brabant wordt ingezet als biobrandstof. Er dreigt echter een groot tekort aan fosfaten in de wereld, daarom moeten we meststoffen zeker niet verbranden. er worden al miljoenen kostende projecten opgezet om fosfaten terug te winnen. En dan fosfaten gaan verbranden? Weer korte termijn oplossingen van de boeren om hun probleem op de maatschappij af te schuiven. Kunnen jullie hier in Provinciale Staten aandacht voor vragen? 
m.vr.g.


Toon

Ik heb in mijn intro gezegd dat ik gaarne vragen ontvang en daarop antwoord. Onderstaand antwoord is snel geschreven op basis van aanwezige kennis en enig gegoogle. Het gaat nog niet erg diep.
Als er een case study is of als er vervolgvragen zijn, wil ik wel kijken of ik er dieper in kan duiken.

Toon

In dit voorlopige standpunt wil ik enkele zaken aanstippen.

1)    Je hebt gelijk dat er een groot tekort aan fosfaten op de wereld dreigt. Er moet een strategie komen om het fosfaatgebruik terug te dringen en om reeds in circulatie gebracht fosfaat terug te winnen.
2)    je maakt echter een denkfout (die veel gemaakt wordt) dat het mogelijk is om fosfor in het niets te laten verdwijnen. Bij welk chemisch proces dan ook (indikken, scheiden, verbranden, vergisten) blijft het aantal fosforatomen hetzelfde. Als je een chemisch proces ingaat met (op basis van het zuivere element) 10 kg fosfor, dan kom je er uit met 10 kg fosfor (idem). Het vernietigen van de mest leidt niet tot het vernietigen van de fosfor in de mest.
3)    De echte vraag is in welke chemische verbinding het element fosfor eindigt, of die verbinding diffuus of geconcentreerd aanwezig is, en of hij oplosbaar is of niet. Dat hangt wel van het proces af.
De fosforverbinding PH3 bijvoorbeeld is een (giftig) gas dat in theorie uit een vergistingsinstallatie zou kunnen ontwijken. Die fosfor is niet vernietigd, maar zo diffuus verspreid dat je er in praktijk niets meer mee kunt. De kans op zo’n ontsnapping schijnt overigens zeer klein te zijn.
De grootste praktische verliespost van fosfor is dat het uiteindelijk uitspoelt en in opgeloste vorm met de rivieren mee gaat de zee in. Die fosfor is niet vernietigd, maar in praktijk wel ontoegankelijk. Dit is de huidige situatie.
4)    Van fosfor (wat in praktijk bijna altijd fosfaat of superfosfaat betekent, het PO4— ion of het ion H2PO4-, ) bestaan zowel oplosbare als onoplosbare vormen. Kaliumfosfaat is bijvoorbeeld oplosbaar en calcium- of ijzerfosfaat normaliter niet. Planten kunnen vooral iets met opgelost fosfaat. Het is een ingewikkeld verhaal dat ik niet zomaar kan navertellen, maar in de bodem en het grond- en oppervlaktewater werken ingewikkelde chemische evenwichten, waardoor verschuivingen tussen de oplosbare en onoplosbare fosfaatvorm mogelijk zijn.superfosfaation met natrium of kaliumion ernaast

superfosfaation met natrium of kaliumion ernaast

5)    Het hangt nu van het proces af wat er bij verbranding met fosfor in mest gebeurt. Omdat ik niet weet hoe het verbrandingsproces precies in zijn werk gaat, kan ik daar alleen maar een slag naar slaan.
Verbranding betekent dat een substraat bij meestal hoge temperatuur zuurstof uit de lucht pakt en (als de verbranding volledig is) in een of meerdere oxidevormen overgaat. De koolstof in de mest wordt CO2, de waterstof H2O, de zwavel SO2, en de fosfor wordt fosfaat of was al fosfaat. Dat is bij normale temperatuur een vaste stof. Stel bijvoorbeeld (maar dat weet ik dus niet) dat je de verbranding zou laten plaatsvinden met een toeslag van ongebluste kalk, dan zou het eindproduct het onoplosbare calciumfosfaat zijn. Dat is (kort door de bocht) het basismateriaal van fosfaaterts. Je kunt daar via allerlei bewerkingen weer bruikbare fosfaatkunstmest van maken.

zo: Ca3(PO4)2 + 2H2SO4 Ca(H2PO4)2 + 2CaSO4

Google ook maar eens op  “Ketenanalyse van struvietproductie uit communaal afvalwater en terugwinning van fosfor uit assen van slibverbranding” van CE Delft.
6)    Een andere vraag hoe effectief en efficiënt en rendabel deze specifieke vorm van fosforterugwinning is t.o.v. fosforterugwinning uit andere vormen van mestbewerking. Die vraag kan ik nu niet beantwoorden.
Bij mijn weten beperkte (althans tot voor kort) de mestverbranding zich tot kippenmest (bij BMC Moerdijk), omdat kippenmest relatief droog is.

BMC Moerdijk
BMC Moerdijk


BMC zegt van zichzelf op zijn site:

Bedrijfsproces

BMC Moerdijk verwerkt 450.000 ton pluimveemest. Dit is een derde van de totaal in Nederland geproduceerde pluimveemest. Per jaar wekt de centrale zo’n 285.000 MWh aan groene stroom op. Een deel wordt aangewend voor eigen gebruik. Netto gaat 245.000 MWh naar het elektriciteitsnet. Genoeg om 70.000 huishoudens jaarlijks van stroom te voorzien. Dat is vergelijkbaar met het verbruik van een stad als Breda.

Naast de elektriciteitsproductie ontstaat een waardevol bijproduct in de vorm van pluimveemest-as. Het bevat nuttige mineralen als kalium en fosfor. De brandstof, pluimveemest, is van constante kwaliteit, waardoor de as homogeen van samenstelling is. BMC Moerdijk verkoopt de as in het buitenland. Daar wordt het gebruikt als bodemverbeteraar. BMC Moerdijk produceert jaarlijks naast groene stroom nog 60.000 ton pluimveemest-as.

Zo levert BMC Moerdijk op verschillende manieren voordelen: een verantwoorde mestverwerking, productie van groene stroom en pluimveemest-as vol nuttige mineralen.

7)    de laatste vraag is hoe schoon het eindproduct is. In mest zitten veel zware metalen en bijv. medicijn- en hormoonresten. Het hangt van de procesomstandigheden af wat hiermee precies gebeurt. Je zou verwachten dat je bij verbranding je medicijn- en hormoonresten kwijt bent, maar dat de zware metalen door het fosfaatproduct zitten. Maar dat zou bij uitrijden of in de vergister in principe ook gebeuren.

Gedachten bij de overname van Reiling in Sterksel

Een consortium onder leiding van Ruben van Maris van Maris Projects (http://www.maris-projects.nl/) uit Schijndel wil het bedrijfsterrein van Reiling in Sterksel opkopen. Van Maris wil er volgens de krant (het ED van 1 april 2015) tientallen miljoenen investeren met het doel
organische meststoffen, stroom en gas te produceren. Het klinkt als een moderne biovergister met toebehoren. OP de website van Maris Projects is nog geen informatie over het project te vinden.

De eerste reacties in de pers zijn voorzichtig optimistisch, waarbij
eenieder denkt aan wat er bij Reiling aan ellende naar buiten gekomen is in de afgelopen jaren (en er zijn ook wel wat dingetjes niet naar buiten gekomen). Men denkt dat het niet gauw slechter kan. Op zich heb ik dat gevoel ook wel een beetje.
Ik zie echter ook wel haken en ogen, die vooral te maken hebben met de ruimtelijke inpassing van het huidige complex, de ontsluiting en met de juridische structuur binnen het complex.

Pattegrond van de omgeving van Reiling
Pattegrond van de omgeving van Reiling

De ruimtelijke geschiedenis
Het ruitvormige paarse gebied in het midden is het Reiling-terrein. Daarboven ligt Sterksel.
De oude Reiling had in dit Landbouw Ontwikkelings Gebied een daglonersbedrijf. Zo stond het ook op het vroegere bestemmingsplan (BP) Buitengebied Heeze-Leende 2009. Er mocht één bedrijf staan en dat stond er.
Na het faillissement van Reiling heeft de Driessen Group het terrein gekocht. De Driessen Group heeft het terrein vol gezet met categorie 3, 4 en zelfs 5 – inrichtingen die allemaal iets anders doen met afval, en die gemeenschappelijke inrichtingen gebruiken als bijvoorbeeld een weegbrug. Aan deze ontwikkeling is nooit een wijziging van het BP te pas gekomen. Op de plankaart van het BP 2009 en op de kaarten bij de Verordening Ruimte van de provincie zal men op die plaats tevergeefs naar deze bestemming zoeken. In essentie heeft de Driessen Group het terrein gekraakt voor een illegale activiteit. Al die tijd stond de gemeente Heeze-Leende daarbij en keek er naar. Personele verbindingen tussen Driessen en de lokale politiek waren daaraan niet vreemd.

In 2012 en 2014 is het BP veranderd. Bijgevoegde kaart komt uit het BP Buitengebied Heeze-Leende 2014. Omdat de illegale aanwezigheid van de Driessen Group inmiddels de status had van een verworven recht, zit de onderneming er nu op basis van het z.g. ‘overgangsrecht’. Dat betekent dat de onderneming mag doorfunctioneren, maar dat de
strijdigheid met het BP niet groter mag worden. Met andere woorden: de onderneming mag niet uitbreiden. Het is nu de vraag hoe de (nog steeds eventuele, want het is nog niet rond) nieuwe eigenaar met dit probleem wil omgaan. Volgens de krant is er voor de tweede fase een wijziging van de vergunning nodig.

De vrachtauto’s door Sterksel en Maarheeze
De vrees in Sterksel en Maarheeze is dat er straks misschien nog wel meer vrachtauto’s door de dorpskernen komen (er zijn er 1230 per etmaal vergund, waarvan er ca 300 feitelijk plaatsvinden). Deze verkeersstroom vloeit logisch voort uit het ontbreken van een ordentelijke BP-procedure, want daarin is de wijze van ontsluiting een standaard
onderdeel. Gezond ruimtelijk verstand zou nooit op die locatie met die ontsluiting een dergelijke bedrijvigheid gepland hebben.
De (eventuele) nieuwe eigenaar Maris Projects loopt tegen hetzelfde probleem aan.

Men hoopt in Sterksel en Maarheeze dan ook op een rechtstreekse aansluiting op de A2. Als je de krant moet geloven, bestaat daartegen bij Rijkswaterstaat geen bezwaar, maar moet de provincie er acht ton startsubsidie voor neertellen, waarna nog een heleboel meer moet gebeuren. In feite komt het erop neer dat de Driessen Group de kosten, die voortvloeien uit zijn ruimtelijke kraak, afwentelt op de overheid met als argument dat anders de bevolking onder de vrachtauto’s lijdt.
Ik wil volgen hoe zich dit in de toekomst ontwikkelt.

De organisatie binnen het Reiling-terrein
Het heet wel ‘Reiling’, maar in feite gaat het om een half dozijn zelf-
standige bedrijven waarvan ‘Reiling’ er een is. De andere bedrijven zijn voor hun milieuvergunning ondergeschikt aan Reiling (een ‘paraplu-
situatie’). Op zich schijnt dat te kunnen omdat Reiling (lees Driessen) gemeenschappelijke voorzieningen aanbiedt en privaatrechterlijke contracten heeft met de andere bedrijven.
Het is mij niet duidelijk of Driessen juridisch in staat is bedrijven, die niet in de nieuwe opzet passen, weg te krijgen. Ik denk het wel, maar mogelijk vertraagt het. We zullen zien.

Milieuhandhaving
SP-gedeputeerde Johan van den Hout erfde de situatie, die ruimtelijk niet klopt, van zijn voorganger en moest de omgevingsvergunningen
ontwerpen en handhaven voor een situatie die eigenlijk niet had mogen bestaan. Daar had hij zijn handen vol aan. Hij deed er in elk geval meer aan dan zijn voorgangers, maar het bleef dweilen met de kraan open. Camera’s, heimelijk geplaatste GPS-trackers en vluchten met het politievliegtuig waren nodig om bewijs rond te krijgen.

De (eventuele) nieuwe eigenaar beweert dat het een modelonderneming gaat worden. Ik gun hem (zoals eigenlijk iedereen op dit moment) het voordeel van de twijfel.

Het Bodem Anders – congres en de Brabantse landbouw

Ik ben naar het Bodem Anders – congres geweest. Dat was georganiseerd door de organisatie Voedsel Anders-netwerk en de BMF en de Stichting Down2Earth. Op donderdag 19 maart 2015 was er een velddag, op
vrijdag een lezingendag.

Er is alle reden om aandacht te besteden aan de bodem. Niet voor niets heeft de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN 2015 uitgeroepen tot jaar van de bodem.
Ik had er dan ook een fietstocht naar Biezemortel voor over (een onbereikbare uithoek van Brabant) om op de velddag aanwezig te zijn (heen en terug de wind tegen – je moet wat over hebben voor de waarheid).

Niet helemaal mijn wereld ……
Ik ga bewust naar congressen als deze om mijn blikveld te verruimen, maar het is niet helemaal mijn wereld. Ik voel me er thuis als een atheïst tussen de Jehovah’s. Een flink deel van de doelgroep bestaat uit holistisch denkende gelovigen, maar ik ben geen holist. Er hangt mij teveel een Rudolf Steiner-mystiek.

Ik geloof als overtuigd reductionist in randomized dubbel blind – onderzoek en statistiek. De medische wetenschap bijvoorbeeld is daar ook groot mee geworden. Het menselijk lichaam is ook complex en hangt met allerlei ingewikkelde verbanden aan elkaar. En als ze wetenschappelijk darmbacteriën kunnen onderzoeken, kunnen ze dat ook met bodembacteriën.

De energie-workshop donderdag bevatte tenenkrommende prietpraat met aperte onjuistheden. De praktijkexcursies waren redelijk tot goed, met als toppers een gesprek de Stichting Duinboeren (bedoeld worden de Loonse en Drunense Duinen) over bodembeheer nabij natuurgebieden, en een rondleiding bij Van Iersel Compost.
Zoals altijd heeft de praktijk een heilzaam disciplinerende werking. Van Iersel kent zijn processen en kon bijvoorbeeld zeggen welke schimmels er in zijn schimmeldominante compost zaten (een vel papier vol ter grootte van een deur in kleine lettertjes).

Van de lezingen op vrijdag spraken mij de eerste twee aan, evenals de workshop van Bosser.

De eerste was van ZLTO-voorzitter Huijbers. Generieke modellen konden de bodem niet goed omschrijven, omdat die tot op perceelniveau anders kon zijn. Het is een levend organisme. Dat vraagt generaties lang vakmanschap. De ZLTO had een paar duizend leden bereikt met bodemsessies.
Hij merkte op dat de overdosis mineralen in het verleden wel eens kon gaan omslaan in een onderdosis aan organische stof. De vraag is in
hoeverre je koolstof moet verbranden, en in hoeverre je die koolstof in de bodem moet vastleggen door een meer circulaire koolstofbalans. Dat kan ook een klimaatadaptatie zijn. “De bodem is van ons allemaal” en “De regeneratie van de bodem moet versneld worden”.

Wim van der Putten (Wageningen NIOO, oprichter van het Wageningen Centre for Soil Ecology (CSE; http://www.soilecology.eu/ ) bracht een vergelijkbare boodschap die samengevat kan worden met dat wat het tropisch regenwoud boven de grond is, oud grasland onder de grond is. Dat wij dat niet zien is “omdat wij op dit gebied in een permanente zonsverduistering leven” (er was er net een aan de gang).

De derde lezing van Volkert Engelsman (“Een groenteboer uit Waddinxveen” naar eigen zeggen) bevatte veel van wat mij tegenstaat: weidse oratorische vergezichten zonder navenante diepgang, suggesties van verbanden die op geen manier hard gemaakt werden). Teveel
goeroe-achtig.

De workshop van akkerbouwer Bosser (met een zeven gewassen-rotatiesysteem) was leerzaam en toonde opnieuw de disciplinerende
werking van de praktijk aan.

……. maar enig begrip is op zijn plaats
Nu is goed bodemvruchtbaarheidsonderzoek inderdaad moeilijk. Net als bij voedingsonderzoek is het moeilijk individuele aspecten in een netwerk te isoleren. Het is lastig experimenteren. Maar tussen de
bewering dat een wetenschappelijk onderzoek in praktijk moeilijk is, en de bewering dat wetenschappelijk onderzoek principieel bij voorbaat onmogelijk is, gaapt een diepe kloof.

Ook moet erkend worden dat in de afgelopen decennia het paradigma van de industriële landbouw sterk geweest is. In extreme vorm is de bodem daarin eigenlijk een substraat waaraan chemische voeding wordt toegevoegd. Nu lukt dat misschien met kamerplanten op hydroculture en aardbeien op steenwol in kassen, maar niet op duizenden km2 volle grondteelt. Ik heb hier niet veel verstand van, maar op zijn minst lijkt het me onpraktisch om 50 hectare suikerbieten in steenwol te kweken. Dat kan in praktijk toch alleen maar in echte grond.
Ik vind in dit verband de woorden van de ZLTO-voorzitter betekenisvol.

Tenslotte
Voor zover mijn bescheiden opinies wat waard zijn: ik verwacht dat in de komende jaren verschillende problemen aspecten zullen blijken van één groot verzamelprobleem dat in zijn geheel behandeld moet worden. Een schets:
–           Het recente Energie Akkoord van de Brabantse SER ( BrabantsEnergieakkoord_2015 ) wil voor het behalen van de 14% – doelstelling in 2020 per jaar 28PJ van biologische herkomst van het land halen
–           Het Telos-rapport van 2008 ( Telos_Energiek_Brabant_2040_scenario)noemt als realistisch getal 21,6PJ voor 2040. Dan wordt alle mest vergist en alle andere organische afval op enige manier voor energie gebruikt. Wil men meer, dan moet men energiegewassen gaan kweken
–           Er een Green Tech Campus is, die in West-Brabant chemie gaat doen met suikerbieten
–           Er gaat dus waarschijnlijk minder koolstof terug de bodem in
–           Er is nu al ongerustheid over de bodemvruchtbaarheid
–           Het klimaat is gebaat bij meer koolstof in de grond

Het komt mij voor dat knappe wetenschappelijke koppen hier diep over moeten gaan nadenken. Ik spreek hier niet meteen een principe uit, maar het lijkt mij dat hier toch op zijn minst sprake is van een behoorlijk optimalisatieprobleem.

Ik vind dat dit politieke aandacht verdient.

Gedachten bij het opstappen van de voorzitter van Mestac

In het Eindhovens Dagblad van 12 februari 2015 staat een interview over het opstappen van John van Paassen, de (tot dan toe) voorzitter van Mestac. Dat is een coöperatie met ruim 400 veehouders uit Brabant en Noord-Limburg als lid, bedoeld voor de duurzame verwerking van het mestoverschot van de aangesloten leden. Mestac zet zich ook in voor mestverwerking bij bedrijven als Ecoson en Kumac (aldus het ED).
Het persbericht, waarin Van Paassen zijn vertrek bekend maakt, kunt u vinden op de site van Mestac http://www.mestac.nl/ . De tekst staat hier–> Persbericht_Vertrek_Van_Paassen_10-2-2015 .

Van Paassen is aan de ene kant trots op zijn prestaties. Hij noemt onder andere de Mestpool en de (in onze regio opererende) fabriek Ecoson (bij de destructor in Son).
Aan de andere kant baalt hij van delen van zijn eigen achterban, waarvan er teveel achter beperkt financieel gewin op korte termijn aanlopen, waardoor een structurele oplossing bemoeilijkt wordt.

Interessant zijn de redenen, die Van Paassen noemt waarom het mogelijk is dat er zoveel onder de verantwoorde verwerkingsprijs gewerkt wordt.
Aan de ene kant worden boeren muggeziftend “vervolgd omdat ze soms 100 kg stikstof niet kunnen verantwoorden” terwijl “Intermediairs een speciale ontheffing hebben waardoor ze geen stikstof hoeven te verant-
woorden. Dit leidt ertoe dat bij mesthandelaren miljoenen kilo’s stikstof verdwijnen zonder dat dat voor hen gevolgen heeft. Ondanks dat deze verdwijningen staan geregistreerd bij het RVO doen de Tweede Kamer en het Ministerie hier niets mee. Men probeert aan alle kanten fraude met fosfaten tegen te gaan en laat tegelijk het nitraatprobleem fors groeien. Gevolg is dat veehouders en akkerbouwers opnieuw geconfronteerd worden met nog scherpere normen.”
(citaat uit het persbericht).

Tijd voor enig eigen commentaar. Bij de mestverwerkingsmethode ‘scheiden en indikken’ ontstaan er twee productstromen, de ingedroogde (op zaagsel lijkende) dikke fractie die het fosfaat bevat, en een waterige oplossing die vooral het nitraat bevat. De totale hoeveelheden fosfor en stikstof (omgerekend op elementbasis) veranderen bij het verwerkingsproces niet of nauwelijks.
Fosfaat is een natuurlijke hulpbron die uit fosfaatmijnen komt, geleidelijk aan opraakt en zeldzamer wordt. En daarmee geld waard. Dat stimuleert de broodnodige recycling van fosfaat en dat is op zich goed. Fosfaat is goed registreerbaar en telt in mestzaken als “rekeneenheid”. Vandaar Van Paassens opmerkingen.
Stikstof kan in verschillende chemische vormen voorkomen die in elkaar kunnen overgaan (bijvoorbeeld door bacteriën). Je hebt nitraat, nitriet, elementaire stikstof (zoals in de lucht), en ammoniak. Stikstof is dus een lastiger rekeneenheid. Daardoor is de stikstofbalans moeilijker te volgen. Dat kan echter geen reden zijn om structureel van controle af te zien, zoals Van Paassen schetst.

Het is mij op dit moment niet duidelijk welke financiële waarde aan nitraat (in praktijk de meest voorkomende vorm) wordt toegekend. Mogelijk is deze zelfs negatief.
Dat betekent dat bij scheiden en indikken van mest een fosfaatstroom ontstaat die geld waard is, en een nitraatstroom die weinig waard is of zelfs wat kost – dus de facto afval is. Voor mij plaatst deze gedachte de opmerking van Van Paassen in  perspectief.

Voor een werkbezoek aan een mestverwerker zie
Bezoek aan mestverwerker Lithoijen .

Het biomassapotentieel op provincieniveau

In deze kolommen is al vaker aan de orde geweest wat de doelen en mogelijkheden van biomassa op provinciaal niveau zijn. De SP heeft er vragen over gesteld in Provinciale Staten van Brabant, de milieubeweging vindt er wat van en bijvoorbeeld Boxtel en Deurne verwachten er veel heil en zegen van.

Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne
Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne

Die discussie wordt zelden op basis van cijfers gevoerd. De biologische landbouw vertrekt vanuit het morele imperatief “Gij zult elke gram snipperhout terug de grond in doen” tot gemeenten en biochemiebedrijven die willen oogsten zonder zich de vraag te stellen wat er eigenlijk te oogsten valt en of daar politieke prioriteiten aan moeten worden toegekend.

Is er een provincie die al cijfers heeft?

De provincie Utrecht wil in 2040 klimaatneutraal zijn en heeft in dat kader Ecofys opdracht gegeven het Utrechtse biomassapotentieel in kaart te brengen (3 augustus 2011, Warmerdam, Yildiz, Koop). Ingekort weergegeven leidt dat tot onderstaande voorwaarden en vaststellingen:

  • Het klassieke gebruik van biomassa als voedsel voor mens en dier blijft onaangetast
  • Het onderhoud van de bodemvruchtbaarheid in termen van stikstof en fosfor blijft onaangetast
  • Het onderhoud van de bodemvruchtbaarheid in termen van koolstof wordt niet systematisch besproken. Wel wordt van enkele belangrijke organische deelstromen vastgesteld dat ze weer de grond in gaan
  • Min of meer droge reststromen worden verbrand, natte vergist
  • In Utrecht worden nagenoeg geen specifieke energiegewassen geteeld
  • De biomassa komt geheel uit afval (stedelijk afval; mest, snoeihout fruitteelt, overige agrarische reststromen; snoeihout, gras en maaisel uit landelijk gebied).
  • De energetische mogelijkheden van stedelijk afval worden al voor 85% gebruikt, die voor agrarisch en natuurafval nog maar voor 8 a 9%
  • De afvalstroom van de voedings- en genotmiddelenindustrie wordt slechts voor een zeer klein deel aan de opwekking van energie toegerekend. De veruit grootste toepassing is en blijft veevoer
  • Er is op dit moment niet of nauwelijks sprake van concurrerende vraag voor de productie van bio-grondstoffen.
  • Afvalwarmte wordt in praktijk voor 20% benut
  • De provincie Utrecht verbruikt 212PJ/jaar (*) . Alle biomassa samen is goed voor 2,0PJ/jaar (waarvan zowat de helft nu al opgewekt wordt). Dat is dus 1,0% .
  • Die 2,0PJ bestaat uit 1,35PJ elektriciteit en 0,65PJ nuttig gebruikte warmte
  • De provincie loost nu 9340 kiloton/jaar. Alle biomassa samen zou 330 kiloton CO2 per jaar besparen. Dat is dus 3,5%.

Al met al zijn de mogelijkheden voor biomassa in de provincie Utrecht in 2011 bepaald niet sensationeel. Waarmee ik ze zelf overigens niet afschrijf, want de energetische verduurzaming van Nederland gaat met èn èn èn , en sommige van die èn-nen zijn kleine stapjes. Bovendien zou het op termijn meer kunnen worden. De uitbreiding van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS) leidt tot meer houtafval en minder koeien.
De discussie tussen Faaij enerzijds en Katan ea anderzijds lijkt in het Utrecht van 2011 een non-discussie, een soort ver van mijn bed – show.

Nu is de provincie Utrecht de provincie Brabant niet (waar ik woon). Er zijn belangrijke verschillen.
–           Het aantal dieren is in Brabant in verhouding groter
–           In Brabant functioneert de Green Chemistry Campus, waarvan een belangrijk doel is om chemische producten te maken uit biologische grondstoffen (zoals bijvoorbeeld uit suikerbieten).
–           Er is daarom meer reden om wel aparte energie- of grondstoffengewassen te kweken

Utrecht is een nuttig voorbeeld, maar in Brabant is er meer reden dan in Utrecht om na te denken van wat je als provincie nu eigenlijk wilt. Vandaar de vragen in PS.

Voor het Ecofysrapport zie –> ecofys biomassapotentieel provincie utrecht

(*): 1 PJ = 10^15 J = 278 miljoen kWh)

 

Antwoord op vragen over chemisch spuiwater en brief van Dijksma

Mijn fractievoorzitter Nico Heijmans en ik hebben in oktober 2014 met inwoners van Deurne gesproken over incidenten, waarbij het giftige gas zwavelwaterstof (H2S) uit de grond kwam. Via een ingewikkelde bodemchemie hangt dat samen met de bodemkenmerken, de zure regen van vroeger, en de mestproblematiek. Er heerst onrust bij veel mensen in Deurne. Er kwam wetenschappelijk onderzoek en er kwamen kamervragen van de SP-ers Smaling en van Gerven.
Een van de theorieën was dat het spuiwater van chemische luchtwassers bijdroeg aan het probleem. Bij chemische luchtwassers blaast men stallucht door een soort waterscherm, met daarin opgelost zwavelzuur, om de ammoniak te binden. Die zou anders, Europees beschermde, Natura2000 – gebieden in de buurt verzieken.
De spuiwater-theorie is onwaar, zoals het wetenschappelijk onderzoek uitlegde, want water zakt met grofweg 1 meter per jaar en kon dus nog niet op 20 a 25 diepte aangekomen zijn, want zo lang bestaan chemische luchtwassers nog niet. Die zijn er pas vanaf 2006.
De theorie is echter niet onzinnig (maar dat legde het wetenschappelijk rapport niet uit), want chemisch spuiwater van wel degelijk over een aantal jaren de bodem gaan verzieken met een sulfaatoverschot (waaruit in bepaalde omstandigheden H2S ontstaat). Ik heb geprobeerd om dat een beetje uit te zoeken.

Een chemische luchtwasser
Een chemische luchtwasser

Op 13 januari 2015 heeft de provinciale SP op basis van dat uitzoekwerk vragen gesteld over het spuiwater van chemische luchtwassers dat als meststof over landbouwgrond mag worden uitgereden. Ik had die vragen geschreven. Zie Technische vragen van de SP over chemisch spuiwater-vs2

Op 3 februari kwam het antwoord: beantwoording_vragen_chemisch_spuiwater .

Ongeveer tegelijk kreeg ik van een van mijn contacten in Deurne een brief, die staatssecretaris Dijksma op 28 januari 2015 aan de Tweede Kamer gestuurd had (ik was dus eerder!). Zie kamerbrief-over-het-gebruik-van-zwavelhoudende-meststoffen.

Ik heb hierop voor de site van de provinciale SP een reactie geschreven: Provincie bevestigt mechanisme chemisch spuiwater .

In het kort een samenvatting van dit alles.
– het mechanisme, zoals in de vragen van 13 januari beschreven, klopt. De provincie stelde de getallen wat naar beneden bij, maar dat verandert niets aan de essentie. Het lozen van chemisch spuiwater komt er in praktijk ongeveer op neer dat op die percelen de zure regen terug keert.
– maar het zal nog een tijd duren voordat dat water de dieptes bereikt waarop de H2S gevormd wordt
– als je aanneemt dat alle vergunningen volledig gebruikt worden (wat niet zo is), en als je aanneemt dat er geen spuiwater afgevoerd wordt (wat onbekend is) heb je genoeg spuiwater om 1350 tot 1700 km2 Brabant 1* per jaar te voorzien. Noord-Brabant heeft een oppervlakte van 4919 km2
– er bestaat een tweede mechanisme dat nog heftiger werkt, en dat is het aanzuren van mest met zwavelzuur. Dat procédé is recentelijk in de belangstelling gekomen. Je gooit het zwavelzuur op de mest, zodat de ammoniak gebonden wordt voor hij ontwijkt. En het doet ook iets tegen methaan. Dat is mooi, maar met een beetje pech bruist de H2S je uit de mest tegemoet en de zwavel komt uiteindelijk in het grondwater terecht.
Deze handelwijze verdient politieke aandacht.
– men moet in de landbouw minder met zwavelzuur werken. Dat gebeurt vooral omdat het goedkoop is en in grote hoeveelheden voorradig.

Ik heb onze contacten in Deurne op de hoogte gesteld. Ongetwijfeld komen we er intern en met hen over te spreken.

De moraal is dat technische maatregelen tegen het ene milieuprobleem andere milieuproblemen kunnen oproepen. Dat valt wel te verbeteren met alternatieve technische maatregelen, maar ook dat heeft zijn grenzen en werkt prijsverhogend.
Het hoofdprobleem is dat er gewoon te veel dieren gehouden worden.
Het beste is minder dieren en daar goede techniek op toepassen.

 

Bezoek aan mestverwerker in Lithoijen

OP 16 januari 2015 bezochten Bernard Gerard en Veerle Sleegers van de SP-fractie een opstelling om mest te verwerken. Het gaat om een installatie van AquaPurga Nederland BV uit Den Bosch, die op het terrein staat van Loonbedrijf Gebroeders van den Brand BV in Lithoijen/Teeffelen.

De installatie is van het type scheiden en indikken. Na toevoeging van wat hulpstoffen, na de zeefband en na een uur pasteuriseren resulteert aan de ene kant iets dat op een berg zaagsel lijkt, en waarin een groot deel van de fosfor zit. Deze vaste stof kan worden geëxporteerd.
Aan de andere kant wordt de dunne fractie verder gefilterd, uiteindelijk met ultrafilters en omgekeerde osmose totdat er enerzijds zuiver water uitkomt (dat probleemloos geloosd kan worden) en anderzijds een concentraat. Daarin bevindt zich op ongeveer 1/3 tot ¼ deel van de oorspronkelijke hoeveelheid mestwater het nitraat en kalium. Als extra stap heeft de installatie een stap, waarin stikstof in de ammoniumvorm door bacterieën geoxideerd wordt tot nitraat (wat overigens anders van nature in de bodem zou gebeuren). Deze omzetting komt het scheidingsrendement ten goede. Het concentraat wordt niet-gepasteuriseerd en wordt in de omgeving afgezet, voorzover mogelijk.

AquaPurga_schema

De installatie kan 25000 ton per jaar aan. Dat is grofweg de mest van 17000 varkens, horend bij pakweg een handvol tot een dozijn boeren. De installatie past (exclusief de mestopslag) in drie grote containers en is op locatie plaatsbaar, als de boeren het tenminste eens kunnen worden.
Aan- en afvoer samen vergen, mits efficiënt georganiseeerd, 5 a 6 grote vrachtauto’s per dag.

De installatie stinkt nauwelijks (althans, ten tijde van het werkbezoek). Je ruikt pas wat op een paar meter van de bakken.

Anders dan een vergister kost deze installatie energie, grofweg 100.000kWh per jaar, dat is ongeveer 30 gemiddelde huishoudens.

De installatie lost het mestprobleem slechts in zeer beperkte mate op. De bottleneck in het toedienen van mest aan de Brabantse bodem wordt gevormd door de maximale hoeveelheden stikstof en fosfor, die mogen worden uitgereden. De bodem is al ruimschoots oververzadigd met die stoffen. Het AquaPurga – systeem verandert niets aan de hoeveelheid stikstof en fosfor, maar maakt het fosfordeel (de dikke fractie die ca 1/6 van de mest beslaat) vanuit Brabant beter exporteerbaar. Deze export is het enige dat mest uit het Brabantse systeem haalt.

AquaPurga is een bedrijf in opbouw. Wat er nu staat zien zij als een eerste fase. Ze hopen daarna het procedé uit te bouwen met een vergister- of verwerkertrap.

Bernard Gerard

Spuiwater van chemische luchtwassers

Dit wordt een ingewikkeld verhaal!

In Deurne ging (dec. 2012) een kind op een waterspeeltoestel onderuit  omdat er in het grondwater, dat van 20 m diepte omhoog gepompt werd, zwavel-waterstofgas zat (H2S). Daarna ook een ambtenaar van het Waterschap. H2S is behoorlijk giftig en is in gesloten ruimtes al een paar keer dodelijk gebleken.
De gebeurtenissen bleken  niet noodlottig, maar veroorzaakten veel opschudding in Deurne, zo ongeveer het epicentrum van de veeteeelt. Temeer daar er al vaker H2S omhoog gekomen was. Er kwam wetenschappelijk onderzoek, kamervragen van de SP, provincievragen en politieke strijd omdat bevestigd werd dat het H2S-gas een bijverschijnsel van de mestproblematiek was.

Er zitten echter meer kanten aan dit verhaal. De bacteriën op 20 m diepte hebben sulfaat nodig en er ontstaat alleen gas als het grondwater zuur genoeg is. Waar komen die factoren vandaan? De wetenschappelijke studie zegt dat die er al waren. Zwaveldepositie uit mest en zure regen van vroeger hebben een voorraad pyriet opgebouwd in de diepte en die gaat nu, simpel gezegd, weer in oplossing.
Die opbouw vindt nu niet meer plaats, zegt de orthodoxie, want de regen is veel minder zuur. Wat op zich waar is.

Maar er is intussen een tweede ontwikkeling bijgekomen, die ook met de intensieve veehouderij te maken heeft, namelijk de luchtwassers. Varkens in de stal produceren grote hoeveelheden ammoniak en de walm tast de Natura2000 – gebieden aan, die Europese bescherming genieten, zoals bijvoorbeeld De Peel. Die ammoniak moet worden afgevangen en een van de twee technieken daarvoor is de chemische luchtwasser. Je perst de ammoniakhoudende lucht door water, waarin opgelost een overmaat aan zwavelzuur, en die bindt de ammoniak (waarbij flink wat zwavelzuur overblijft). Het resultaat  (een aangezuurde ammoniumsulfaatoplossing) mag als meststof op het land worden uitgereden.
Ga je hier nu wat aan rekenen, dan blijkt dat als een boer doet wat mag en als normaal geldt, er minstens twee tot drie keer zoveel zwavel op het land gebracht wordt als het gewas aan kan. De rest gaat diepte in en zal  over bijvoorbeeld 10 a 15 jaar op 20 m diepte precies brengen wat nodig is voor de vorming van zwavelwaterstof. Nu is dat nog niet zo, want water zakt maar een meter per jaar en luchtwassers bestaan nog geen 20 jaar. De orthodoxe waarheid is onvolledig.
Als deze theorie waar is, organiseren we op die percelen waarop chemisch spuiwater wordt uitgereden, in de toekomst ons eigen sulfaatoverschot.

Ik heb hierover vragen opgesteld voor de PS-fractie van de SP. Deze zijn ingediend door Nico Heijmans en Francy van Iersel. De tekst van het persbericht is te vinden op http://noord-brabant.sp.nl/nieuws/2015/01/verziekt-het-spuiwater-van-chemische-luchtwassers-de-bodem .

 

 

 

Gesprek met inwoners Deurne over grondwaterrapport en andere mestzaken

Ik heb in mijn hoedanigheid als fractiemedewerker van de provinciale SP, samen met fractievoorzitter Nico Heijmans, gesprekken gevoerd in Deurne over het grondwater, waaruit het giftige zwavelwaterstof omhoog kwam. Op  20 okt 2014 heb ik daarover een artikel voor de SP-site geschreven.

In december 2012 ging een kind bewusteloos onderuit op zijn waterspeeltoestel in het Deurnese recreatiegebied ’t Zandbos en een paar dagen later een monsternemende ambtenaar van het Waterschap ook. In beide gevallen was zwavelwaterstof de boosdoener, het gas met de rotte eieren – geur. Dit zeer giftige gas was met het grondwater mee omhoog gekomen. In besloten ruimtes is dit gas in de afgelopen jaren enkele malen dodelijk geweest. In het vrije veld bleef de concentratie ver onder de dodelijke grens, maar hoog genoeg om zeer vervelend te zijn.
Bovendien gingen er in de zomer van 2013 65 eenden en een heleboel vissen dood in de Heiakkervijver en ook de kastanjebomen langs die
vijver legden in korte tijd het loodje.

De Heiakkervijver in Deurne
De Heiakkervijver in Deurne

Deurne in rep en roer en er kwam een onderzoek. Een expertpanel bracht uiteindelijk een rapport uit (mei 2014) en daar stond eigenlijk, soms wat omfloerst, in dat het aan de in het verleden overvloedig gedumpte mest kon liggen, in combinatie met de bodemverzuring.
Een meter of twintig onder de grond ging de nitraat uit de mest een reactie aan met de eerder gevormde pyriet en via een ingewikkelde bodemscheikunde, die we de lezer zullen besparen, resulteerde dat uiteindelijk in zwavelwaterstof die met het grondwater omhoog kwam. Zoiets gebeurt vaker (het is o.a. ook in Oss gebeurd), maar in Deurne was het erg heftig.
De dode eenden lagen volgens het rapport waarschijnlijk aan botulisme (en/of blauwalg), hoewel dat achteraf niet te bewijzen viel, maar in 2010 en 2011 was daar ook al botulisme geweest. Deze “gewone” oorzaak lag dus voor de hand. Overigens wordt ook dit door mest veroorzaakt. Het beekje de Vlier, dat de vijver voedt, ontspringt schoon op de Peelrandbreuk maar loopt daarna een aantal kilometer door landbouwgebied en pikt daar behoorlijk wat fosfaat en nitraat op. Een blik vanaf het bruggetje op het water met zijn algendrab en zijn overvloedige kroos doet eutrofiëring als oorzaak vermoeden (het water bevat te veel voedingsstoffen voor planten).
Hoe het met de kastanjes zat, is niet duidelijk. Er waren wat rare feiten omtrent de grond waar ze in stonden, maar daarvan was geen goede interpretatie.

In juni 2014 hebben de SP-Tweede Kamerleden Smaling en van Gerven hierover vragen gesteld, waarop op 27 augustus antwoord gegeven is (voor de tekst zie beantwoording-kamervragen-van-de-leden-smaling-en-van-gerven-sp-over-rotte-eierenlucht-bij-deurne).

Omdat de provincie in mestaangelegenheden een belangrijke zeggenschap heeft, heeft de PS-fractie van de SP een gesprek gearrangeerd met een aantal inwoners van Deurne, deels SP-leden, deels lid van de actiegroep Stop de Stank, deels lid van de gemeenteraad voor de lokale partij Transparant Deurne. Het gesprek ging over de scheikunde van bodem en mest en over de gemeentepolitiek van Deurne. Aanwezig voor de SP fractievoorzitter Nico Heijmans en fractieondersteuner Bernard Gerard.

Zonering in het grondwater met en zonder mest
Zonering in het grondwater met en zonder mest

Deurne wordt sinds mensenheugenis gedomineerd door het agrarisch-industriële complex. Op dit moment heeft Deurne twee lokale wethouders met een ZLTO-achtergrond en één van de VVD. Het tekent de verhoudingen dat het rapport op 16 mei gepresenteerd werd op een besloten persconferentie. Zelfs PvdA-Statenlid Knoet, toevallig in de buurt, mocht niet naar binnen. De dorpelingen mochten de avond van tevoren vragen stellen, maar toen was het rapport er nog niet. Zo doen wij dat in Deurne.
Kort voor het gesprek deed het College van B&W iets goeds, namelijk een aanhoudingsbesluit vast stellen. Dat betekent dat nieuwe aanvragen tussen de 6 weken en een jaar werden uitgesteld. Helaas, er lagen al drie gevoelige uitbreidingsplannen van veehouderijen, dat wel.

Over de scheikunde van bodem en mest, in aanvulling op wat al gezegd is, nog twee thema’s.
–           De waterkwaliteit van de Vlier verdient sowieso meer aandacht. Het beekje voldoet nog lang niet aan de Europese Kaderrichtlijn Water.
–           Min of meer als bijvangst werden er soms forse concentraties zware metalen in de Deurnese bodem aangetroffen, voor nikkel, zink en arseen een enkele keer zelfs tot boven de interventiewaarde bodemsanering. Het rapport beperkte zich vooral tot geruststellende verklaringen, maar liet het voor het antwoord op de vraag waar die concentraties vandaan kwamen bij “mogelijk sintelpaden” (uit Budel en omstreken). Dat kan niet het hele verhaal zijn. Een deel van de metalen zit van nature in de grond, maar dan oorspronkelijk gebonden in de vaste pyrietvorm. Een ander deel van de metalen komt echter met de mest mee. Het CBS houdt uitvoerige statistieken bij waar bijvoorbeeld in staat dat in Nederland in 2009 netto 840 ton zink de grond in ging, voor het overgrote deel uit dierlijke mest.

Zware metalen in het Brabantse grondwater (uit het onderzoek van mei 2014)
Zware metalen in het Brabantse grondwater (uit het onderzoek van mei 2014)

Men zou kunnen denken aan en systematisch bodemonderzoek in Deurne. De metingen nu zijn te hooi en te gras.