Onderzoekers van het GeoRessources Laboratorium van de Universiteit van Lotharingen (gevestigd in Nancy en Metz), van de Franse overheidsrganisatie voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, CNRS, en van energiebedrijf Française de l’energie (FDE) hebben met de PTH-2-put bij Pontpierre op bijna 4 km diepte een grote ondergrondse voorraad waterstof ontdekt. Zie (o.a.) georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project/ en persbericht FDE . Voor een CNRS-filmpje zie new-reportage-cnrs-lorraine-hydrogen-under-our-feet .
Mn spreekt van minstens 34 miljoen ton waterstof, maar er worden ook hogere getallen genoemd. Het kan zijn dat het reservoir doorloopt tot in België, Luxemburg en Duitsland. Voor zover de kennis nu reikt, is het de grootste waterstofbel ter wereld.
Eigenlijk is de waterstofvoorraad bij toeval ontdekt bij het uitvoeren van een ander onderzoek, namelijk naar de winning van Coal Bed Methane (CBM). Vroeger werden in de regio Lotharingen, net als in de aangrenzende delen van Belgie en Duitsland, kolen gewonnen. Die mijnen zijn alweer geruime tijd dicht, maar er zitten nog steeds veel kolen in de grond. Vaak is met die kolen methaan geassocieerd (wat de consument waardeert als aardgas en wat de mijnwerker vreest als mijngas). De gedachte achter het, daartoe in 2012 opgerichte, Regalor-project was om dat kolengas te winnen. Bij proefboringen echter bleek dat het kolengas waterstof als bijmenging had, en dat de bijmengconcentratie hoger werd naarmate de boor dieper ging. Dat veroorzaakte opwinding, waarna de bijzaak hoofdzaak werd. Als het zou lukken om de waterstof te winnen, zou dat extreem waardevol zijn – veel waardevoller dan methaan. Waterstof wordt massaal ingezet in de chemische industrie en tot nu toe wordt bijna alle waterstof uit fossiel aardgas gemaakt (en vooralsnog relatief een beetje uit elektrolyse van water).
Er volgde fundamenteel onderzoek naar hoe het ondergrondse systeem in elkaar zat. Het uiteindelijke model is dat de bron van de waterstof zich onder de kolenlagen bevindt, dat die waterstof (een heel licht gas) naar boven wil migreren, en dat de kolenlagen die omhoog trekkende waterstof adsorberen. De eerste boringen hebben die geadsorbeerde waterstof gemeten. Men gaat er van uit dat de waterstof ontstaat door een reactie van warm water met sideriet (in chemische termen ijzer(II)carbonaat). De details moeten verdre opgehelderd worden. Tegenover de ondergrondse vorming van waterstof staat ook ondergrondse ontsnapping en afbraak (waterstof is een reactief gas en sommige bodemorganismen vinden het heel lekker). Ook hiervan is nog lang niet alles bekend.
Dit is jonge wetenschap. De Pontpierreboring van het Regalor-II is bijvoorbeeld pas in december 2025 gestart. Men heeft heel lang gedacht dat er geen noemenswaardige hoeveelheden waterstof in de bodem zaten, omdat men vooral keek naar olie en gas en de ontstaansomstandigheden voor olie en (meestal) gas zijn anders dan van waterstof. De achterstand wordt overal ingehaald. De literatuur is vaak van na 2020. De VS bijvoorbeeld heeft een programma opgezet (https://www.usgs.gov/centers/central-energy-resources-science-center/science/geologic-hydrogen#overview )) en bijvoorbeeld Franse onderzoekers kregen hun sideriet-publicatie over een gebied in Zuid-Amerika gepubliceerd in november 2025 ( https://doi.org/10.3390/min15111218 ) – dat sideriet leverde overigens, in de omstandigheden op 3 tot 6km diepte, verrassend veel waterstof op.
Voor de sier een reactievergelijking
Het eerdere artikel op mijn site ( https://www.bjmgerard.nl/waterstofmijnbouw/ ) was gebaseerd op de interactie tussen heet water en vulkanisch gesteente (serpentinisatie), waarvan men tot voor kort dacht dat het de dominante vorm was. Serpentinisatie is inderdaad een veel voorkomende vorm, maar de vraag is in hoeverre die dominant is.
Duidelijk is dat er nog veel uitgezocht moet worden, niet in het minst hoe je die waterstof in praktijk op verantwoorde wijze kunt winnen. In Lotharingen is daartoe het vervolgproject Regalor-II opgezet ( georessources.univ-lorraine.fr/en/regalor-2-project ). Dat loopt van 2025 tot 2028.
De waterstof blijkt op de dieptes, waar die ontstaat, onder hoge druk en temperatuur opgelost te zijn in water zoiets als bubbeltjes in champagne, maar dan heftiger. Dat zijn omstandigheden die de gangbare mijnbouw niet eerder tegengekomen is. Hoe krijg je het gas gecontroleerd naar boven terwijl het water achterblijft, en dat bij 100 tot 200 atmosfeer en bijvoorbeeld 150˚ C? Voor de kleine schaal, die van de metingen, is dit probleem opgelost. Er is een sonde ontwikkeld ( de SYSMOG probe ( https://www.solexperts.com/files/downloads/FP_SysMoG_Deepenglisch.pdf )die via een smal boorgat in de diepte gebracht kan worden. Er zit een membraan op waar de waterstof wel doorheen kan, en het water niet. De sonde is nu gebruikt om meetmonsters te nemen, maar zou doorontwikkeld moeten worden om op industriële schaal af te tappen.
Alle bij het project betrokkenen benadrukken dat het nog wel een paar jaar zal duren voor er eventueel waterstof op verantwoorde wijze en in bruikbare hoeveelheden naar boven komt. Toch kijkt FDE al naar een exploitatievergunning.
De voordelen van heel veel zuivere waterstof zijn groot. Maar wat zeker ook beoordeeld moet worden, zijn de nadelen.
Men haalt onder druk staand gas uit onder druk staand water dat zelf op locatie blijft. Nog niemand heeft zich er tot nu toe in het openbaar aan gewaagd om in te schatten wat dat aan de oppervlakte betekent en dat zal wel moeten. Gaat het zoals in Groningen of is dat te voorkomen?
En het boorgat mag niet lekken. Waterstof versterkt de werking van methaan in de atmosfeer en heeft dus een indirect broeikasgaseffect dat het ermee bereikte verdwijnen van het van het fossiele broeikasgaseffect in onbekende mate zou tegenwerken.
Tenslotte: het landschappelijk effect van een onbekend aantal boorlocaties van onbekende omvang (voetbalveldgrootte? Buisleidingen?) is een punt van overweging. Tegenover de grote voordelen vind ik het zelf een klein nadeel, maar er moet wel naar worden gekeken.
CFS Weert (onderdeel van Renewi) voert een onmisbare taak uit door allerlei problematisch bedrijfsafval te conditioneren (CFS betekent Chemisch Fysisch Scheiden). Helaas krijgt het bedrijf, met het ingenomen bedrijfsafval, ook, bedoeld of onbedoeld, veel PFAS binnen. Het bedrijf produceert zelf geen PFAS.
Al die jaren (vanaf 1989) ging die PFAS, met het proceswater, het Weertse riool in. Al minstens vanaf 2018 was daarvoor enige vorm van vergunning nodig geweest, in het midden gelaten wat die vergunning in die tijd voorstelde. Dit werd door de Omgevingsdienst gedoogd omdat er een traject was richting een vergunning. Die vergunning werd een moeizaam gebeuren. De eerste versie werd ook weer ingetrokken en toen de tweede versie uitkwam, veroorzaakte die een storm van protest. De binnenkomende PFAS werd voor ruim de helft afgevangen en ter vernietiging afgevoerd, maar er bleef (opgeteld over alle soorten PFAS) vijf kg over die alsnog het riool inging. Waterschap Limburg, de natuurorganisaties, de drinkwaterbedrijven en de gemeente Weert dreigden met een proces tegen de provincie Limburg. Wat ook kwaad bloed zette was dat CFS Weert vond dat het met een kwart miljoen extra exploitatiekosten per jaar wel genoeg deed (Best Betaalbare Techniek in plaats van Best Beschikbare Techniek). Ik heb zelf voor Milieudefensie Eindhoven ook een zienswijze op de (tweede) concept-vergunning in gediend. Die heeft in bescheiden mate bijgedragen aan een betere oplossing. Wie het op deze site na wil lezen, zie https://www.bjmgerard.nl/milieudefensie-eindhoven-dient-zienswijze-in-over-pfas-vergunning-cfs-weert/ .
Na intensief overleg cq pressie tussen de provincie en de Omgevingsdienst enerzijds en CFS Weert anderzijds heeft CFS Weert de vergunning opnieuw ingetrokken. Dat liet gedeputeerde Theuns op 24 maart aan Provinciale Staten weten. Zie
De boodschap van Theuns valt in twee delen uiteen.
Eerstens dat er (naar alle waarschijnlijkheid) een nieuwe vergunning aangevraagd zal worden (dus de derde aanvraag). De provincie heeft een gespecialiseerd team van juristen op de situatie laten studeren en dat team heeft geconcludeerd dat aan de nieuwe aanvraag een project-MER vooraf moet gaan. Die gedachte is dus door de provincie en de Omgevingsdienst overgenomen.
Tweedens verbetert CFS Weert, vooruitlopend op de nog aan te vragen vergunning annex project-MER, de nabehandeling van zijn afvalwater. Alle afvalwater gaat nu door drie achter elkaar geschakelde actieve kool-filters, en daarna afgevoerd voor thermische vernietiging. In de ingetrokken vergunningsaanvraag ging het meeste water door één actieve kool-filter. Provincie en Omgevingsdienst moeten dit plan officieel nog wel goedkeuren. Immers, geen filter is perfect en dus komt er nog steeds PFAS via het riool in de Zuidwillemsvaart, maar dan wel zeer veel minder dan de 5kg in de tweede aanvraag.
Rij actieve kool-filters bij afvalverwerker Indaver in Antwerpen
Doordat de vergunningsaanvraag ingetrokken is, zijn de zienswijzen in de lucht komen te hangen voor zover ze niet op de project-MER en de drie achter elkaar geschakelde filters betrekking hadden. Ik had voor Milieudefensie Eindhoven bezwaar gemaakt tegen de financiële begrenzing door CFS van zijn milieuverplichtingen, en ik vond dat de Omgevingsdienst ook eens naar andere technieken als thermische reiniging moest kijken (zie https://www.bjmgerard.nl/veel-recente-vooruitgang-in-pfas-destructie/ ). Je krijgt dus nu geen antwoord op deze inbreng. Moet dan maar een andere keer.
Inleiding De PFAS-problematiek is algemeen bekend. Ik ga daar niet meer een exposé over geven. Men noemt de PFAS-stoffen (PFAS is een verzamelnaam voor vele duizenden soorten stoffen) wel eens ‘forever chemicals’. Dat is deels terecht en deels niet. In de natuur zijn ze inderdaad nagenoeg ‘forever’. Daarom moet de productie zover mogelijk worden teruggedrongen en zo ook het vrijkomen van de stoffen. Ik heb begrip voor de emoties die bij dit onderwerp horen, maar ik ga daar in dit verhaal niet verder op in. Er staat op deze site al genoeg over. In het laboratorium, steeds meer in chemisch-technologische pilots en soms ook in serieuze hoeveelheden worden er in snel tempo nieuwe procedé’s ontwikkeld naast het enige procedé dat al jaren grootschalig presteert, namelijk verbranding bij >1000°C bij de afvalverbrandingsoven van Indaver in Antwerpen. Daartoe moet het PFAS in hanteerbare vorm uit de natuur gehaald of gehouden worden, bijvoorbeeld door bodemsanering of door het wegwerken of voorkomen van PFAS-houdend industrieel afval. Hierover wil ik het in dit artikel hebben.
Er staat op deze site een artikel over CFS Weert ( bjmgerard.nl/milieudefensie-eindhoven-dient-zienswijze-in-over-pfas-vergunning-cfs-weert/ ) . Het bedrijf conditioneert industrieel afval met als doel dit elders te laten verbranden. In het aangeleverde afval zit PFAS (CFS produceert zelf geen PFAS) en vroeger ging dat met het restwater, na de bedrijfsactiviteiten, allemaal het Weertse riool in. In de concept-vergunning t.b.v. de PFAS-emissie werd die bestaande emissie voor ruim de helft afgevangen met actieve kool en daarna richting verbrander gestuurd (mogelijk de oven van Indaver). De emoties in het Weertse richtten zich uitsluitend op de helft die overbleef en niet op de helft die weggevangen werd. Daarmee keerde Weert cum suis zich dus feitelijk tegen het eigen belang. Alleen sluiting van CFS zou het Weertse riool vrij CFS-PFAS gemaakt hebben, maar dan was het PFAS-probleem in volle omvang elders blijven bestaan en was er een probleem ontstaan met het ‘gewone’ afval. Kortom, de emoties (later ook nog eens aangevuurd door een alarmerende inbreng van Nieuwsuur) leiden tot precies het tegenovergestelde van wat bedoeld was. Wat wel zin heeft, is de vergunning aanscherpen. Waarom er maar de helft uithalen en niet driekwart, bijvoorbeeld? En waarom een vergunning voor onbepaalde tijd? En waarom is geld leidend? Dat was mijn inbreng in een zienswijze namens Milieudefensie Eindhoven. De provincie Limburg heeft na de inspraakronde nog geen definitieve vergunning afgegeven.
Vanwege dit soort verwarring in dit artikel een eerst lesje PFAS- kennis.
Grijs is C Groen is F Geel is S Rood is O Wit is H Het molecuul heet PFOS
PFAS-kennis Het PFAS-werkveld is het terrein van specialisten. Dat ben ik in deze niet. Maar ik heb mijn hele arbeidzame leven als natuurkundeleraar op HAVO-VWO doorgebracht met laag in het kennisgebouw dingen uitleggen die men hoog in het kennisgebouw veel beter wist, dus ik waag me toch redelijk onbevreesd aan uitleg die dieper ingaat op PFAS.
De meest relevante verbingingen in een PFAS-molecuul zijn die tussen twee koolstofatomen ( C – C ) en tussen een koolstof- en een fluoratoom ( C – F ) . Daarnaast zitten er nog zuurstof ( O ); zwavel ( S ) ; en waterstof ( H )-atomen
Als alle potentiële plekken met F gevuld zijn, heet het ‘per’ en anders ‘poly’
PFAS (PerFluorAlkylSubstances) is een verzamelnaam waaronder vele duizenden verschillende stoffen vallen. Zeer kort door de bocht kun je de belangrijkste PFAS die men het meest in de natuur tegenkomt indelen in drie groepen: – de groep waarvan de kop op die van azijn lijkt (de carboxylgroep) – de groep waarvan de kop van zwavelzuur afgeleid is (de sulfongroep, zie hierboven) – de rest, waaronder de grondstof voor het GenX-procedé. De ‘zuurkop’ maakt het molecuul hanteerbaar en maakt dat het in bescheiden mate in water oplost (en daarmee mobiel wordt)
Men noemt moleculen met – 1 of 2 C-atomen ‘ultrakort ‘ . Die kunnen vloeibaar of gasvormig zijn en zijn erg mobiel – 3 t/m 7 bij azijnkopzuren en 3 t/m 5 C-atomen bij zwavelzuurkopzuren ‘kort’ – de rest lang Met name (ultra)korte moleculen zijn de lastigste categorie. Ze beginnen nu pas een beetje hanteerbaar te worden gemaakt. Trifluorazijnzuur (TFA) is een milieuprobleem in water.
De ‘kop’ is hydrofiel (zit graag in water), de ‘staart’ is hydrofoob (zit liever niet in water). In een luchtbel bijvoorbeeld (in schuim) zit de kop in het waterlaagje en steekt de staart in de lucht. Een PFAS-zuur is dus een in zichzelf tegenstrijdig molecuul. Naarmate het molecuul een langere staart heeft, wordt het als geheel hydrofober (en omgekeerd). Dat beïnvloedt het gedrag: bijvoorbeeld actieve kool houdt lange moleculen beter vast dan korte.
Het doorknippen van alleen maar een C – C band bewerkt op zich alleen maar twee kortere PFAS-moleculen en dat is niet perse een voordeel (‘degraderen’). Het doorknippen van alle C- F band (defluorideren) is de uiteindelijke bedoeling. Het gewenste eindresultaat van afbraak is dat men alleen maar eenvoudige bouwstenen over heeft: fluorionen, CO2, eventueel sulfaationen. Het PFAS heet dan ‘gemineraliseerd’.
Er bestaan twee wezenlijk verschillende categorieën bewerkingen. In de ene categorie worden de PFAS-moleculen gescheiden van hun drager en daarbij geconcentreerd. Aan de moleculen zelf verandert niets. Vaak wordt actieve kool gebruikt. Die is hele erg poreus en heeft daardoor een enorm groot binnenoppervlak waar de PFAS (om precies te zijn de hydrofobe staart van het molecuul) ongewijzigd tegen aan plakt. Ook gebruikt men soms nanofiltratie of schuimscheiding. In alle gevallen bestaat de PFAS dus gewoon nog steeds, maar zit gecomprimeerd in een veel kleinere ruimte en is daardoor hanteerbaarder. In de andere categorie vallen bewerkingen die het PFAS afbreken, liefst volledig tot zijn minerale bestanddelen. In oudere vergunningen doet men er vaak een beetje stilletjes over hoe dat gebeurt.
Bij CFS Weert vindt de scheiding en concentratie plaats met actieve kool, en vindt de vernietiging thermisch plaats.
De VITO-studie VITO is zoiets als de Vlaamse tegenhanger van TNO. De organisatie heeft veel verstand van industrieel afvalwater omdat er ook in Vlaanderen een hoop stront aan de knikker geweest is. VITO heeft een studie uitgebracht waarin een grondig overzicht van alle relevante aspecten van de verwijdering en vernietiging van PFAS uit afvalwater. De studie is te vinden op VITO – document . Hierboven is een voorbeeld in tabelvorm gegeven van een scheidingstechniek (in casu actieve kool) en hieronder van een vernietigingstechniek (namelijk thermisch). ‘Thermisch’ kan in één stap gaan (dan wordt het PFAS met filter en al zo geheel mogelijk verbrand), of in twee stappen (dan wordt eerst het PFAS uit de porieën gegloeid, waarna de actieve kool weer bruikbaar is en waarna de ontsnapte PFAS in een naverbrander alsnog verbrand wordt).
Bij CFS Weert verwijzen zowel de ILT als de provincie Limburg naar deze VITO-studie.
Het is inderdaad een serieuze studie, met echter als belangrijkste bezwaar dat de gegevens inzameling op 06 juli 2023 gestopt is (het werk moest uiteraard een keer af). Maar door die datum is de studie alweer voor een deel achterhaald, omdat er veel literatuur van na die tijd is. Eigenlijk zou er een vervolgstudie moeten komen.
Uit de VITO-studie. De sluitingstermjin voor opname van info daarin was juli 2023. Bij Indaver hebben na die datum veel ontwikkelingen plaatsgevonden, waardoor dit schema voor Indaver, wat betreft het derde nadeel, mogelijk achterhaald is
Indaver Het afvalbedrijf Indaver (INDustrieelAfvalVERwerking) is actief in een heleboel afvalverwerkende bezigheden. Inzake de vernietiging van PFAS-houdend afval is Indaver zoiets als de gevestigde monopolist. De voor PFAS relevante vestiging staat in Antwerpen, dichtbij de Nederlandse grens.
De Antwerpse vestiging werkt met vier draaitrommelovens, met naverbrander, waarin het langdurig heel warm is. Indaver garandeert in de ovens een gemiddelde temperatuur van minstens 1050˚C en in de naverbrander een nog hogere temperatuur. Dat is ruimschoots genoeg om heel veel problematische chemische verbindingen kapot te krijgen, waaronder een heel hoog percentage van het PFAS. Let wel dat de installatie dus niet alleen voor PFAS bedoeld is. Eén oven is bijvoorbeeld speciaal voor medisch afval. Indaver is zoiets als functioneel lomp geweld waarvoor op dit moment nog geen grootschalig alternatief bestaat.
Draaitrommeloven bij Indaver (website INdaver)
Maar omdat Indaver in Antwerpen jaarlijks 150 miljoen kg afval verbrandt, waarvan ca 0,6 miljoen kg PFAS, is het ook van belang hoeveel er niet, of half, verbrand wordt, tot wat precies en waar die restanten blijven.
De PFAS-problematiek is oud – ongetwijfeld loosde Indaver via de Antwerpse haven al heel lang PFAS op de Westerscshelde. Maar het brede maatschappelijk bewustzijn van die problematiek, en de bijbehorende wetenschappelijke studies, dateren van ergens rond 2017. In dit verband bijvoorbeeld: Chemours bestaat überhaupt pas sinds 2015; de geruchtmakende film Dark Waters is van 2019 en is op basis van een artikel in de New York Times uit 2016; en de eerste bestuurlijke antiPFAS-handeling van de Nederlandse regering, het Tijdelijk handelingskader PFAS, dateert van juli 2019 ( wikipedia.org/wiki/Poly-_en_perfluoralkylstoffen ). .
Inmiddels verwerkte Indaver al decennialang PFAS-houdend afval. De eerste lozingsvergunning dateert van 2007 en ging alleen over PFOS (getal mij onbekend). Daarna zijn de vergunningen stapsgewijs uitgebreid en aangescherpt. Begin jaren ’20 echter begon de lozingsproblematiek maatschappelijk op te spelen, bijvoorbeeld vanwege Zembla op 8 sept 2022 ( zembla/grote-zorgen-nederland-over-nieuwe-belgische-bron-pfas-lozingen-in-westerschelde ). Wat aan de attentiewaarde bijdroeg, was dat Indaver op dat moment jaarlijks 1,8 miljoen kg PFAS-houdend afval van Chemours Dordrecht verwerkte, waarmee in2025 geheel gestopt is – vraag is waar dat afval nu blijft.
De lozingen op de Westerschelde leidden, vanwege de volksgezondheid en vanwege de Kader Richtlijn Water, tot spanningen tussen de Nederlandse en de Belgische regering, en dat leidde weer tot beduidend scherpere, aan Indaver opgelegde, normen. Ondanks geklaag bouwde Indaver onder andere een dubbele rij van vier achtereenvolgende actieve kool-filters (die ze dus zelf kunnen verwerken). Dat hielp goed.
De lozingsvergunningen worden steeds tijdelijk verleend, waardoor verdere aanscherping mogelijk blijft. Er vindt ook steeds nieuw onderzoek plaats.
Momenteel ligt bij de Vlaamse overheid de aanvraag voor uit 2025, die met name het grootste overblijvende probleem aan wil pakken, dat van de ultrakorte PFAS-keten (bij Indaver betekent dat 1, 2 of 3 koolstofatomen). De lengtes daarboven zijn inmiddels geen probleem meer. Voor de ultrakorte ketens is sinds kort een meettechniek beschikbaar. De stand van zaken van deze aanvraag is nog onbekend.
Indaver beschrijft met zelfvertrouwen de externe milieuaspecten, en het voortgaande onderzoek, op zijn website. Het claimt dat de luchtemissie minder dan 100 gr PFAS op jaarbasis is en de wateremissie minder dan 50 gr, opgeteld over alls PFAS-soorten. Het zou waar kunnen zijn. Indaver lijkt inmiddels tot de best gecontroleerde bedrijven van Vlaanderen te horen en de webpagina’s, waarop een en ander vermeld wordt, zien er degelijk uit en verwijzen naar veel extern onderzoek. Zie indaver.com/duurzame-verwerking-van-pfas-afval en indaver.com/duurzame-verwerking-van-pfas-afval/monitoring-en-risicobeoordeling-pfas .
Blijft nog een dingetje: Indaver is een particulier bedrijf. Het is eigendom van de Belgische onderneming Katoen Natie ( wikipedia.org/wiki/Katoen_Natie ). Ik vind dat een dergelijk strategisch onmisbaar bedrijf onder directe democratische controle zou moeten staan. Maar helaas, dat was vroeger zo. Toen had het Zeeuwse nutsbedrijf Delta driekwart van de aandelen Indaver, maar uit geldnood is dat pakket in 2015 verkocht.
Andere technieken Ook al is, en wordt, het verbandingssysteem van Indaver sterk verbeterd, het blijft nadelen houden. Het is een systeem dat duur is en fossiele energie vreet (er ging in 2023 3,8 miljoen kg stookolie in en 200TJ hete stoom, en verhoudingsgewijs weinig elektriciteit), er blijft een beperkte emissie van PFAS naar de lucht, de fluor uit het PFAS moet ergens blijven en de grootschalige verbranding van fossiele brandstof levert ook de ‘gewone’ problemen op zoals stikstofoxides. Er zit een omvangrijke luchtbehandeling achter de ovens, maar het is onduidelijk hoe goed die is.
Voldoende reden om nieuwe technieken te ontwikkelen. Er is een ware hausse aan start-ups en universiteiten die daarmee bezig zijn. Dat bleek bijvoorbeeld bij de beurs Aquatech Amsterdam 2025, Aquatech ( https://www.aquatechtrade.com/amsterdam ) is een toonaangevend mondiaal platform voor watertechniek.
Aquatech licht er zeven ondernemingen uit die goed op weg zijn met procedé’s om PFAS uit afvalwater te halen en/of daarna te vernietigen. In een artikel van Aquatech dd 21 augustus 2025 wordt het als een kort overzicht beschreven ( forever-chemical-destruction-technology-seven-companies-offering-solutions ). Oxyle (Zwitsers) wordt genoemd (waarover verderop meer); maar bijvoorbeeld ook het Canadese Axine Water Technologies dat tussen twee elektrodes stroom door afvalwater jaagt (elektrochemische oxidatie); de USA-Australische samenwerking Ovivo-Evocra verwijdert en concentreert PFAS uit het afvalwater met ozonhoudend schuimen vernietigt het concentraat ook met elektrochemische oxidatie; Graidant uit de USA doet min of meer hetzelfde; de onderneming Aquagga concentreert en vernietigt PFAS op niet geheel duidelijk omschreven wijze; en het Engelse Puraffinity en de USA-based onderneming AqueoUS Vets beperken zich tot efficiente verwijdering van PFAS uit het afvalwater, zonder het daarna te vernietigen.
Daar waar het PFAS vernietigd wordt, wordt geclaimd dat het geheel gemineraliseerd wordt. Er worden afbraakpercentages gesuggereerd ergens boven de 99%, wat enigszins gereserveerd bekeken moet worden want voor de mensheid interessant is vooral wat overblijft (met andere woorden, wat staat er achter de laatste 9 in het percentage?). Verder soms ook hier dat men in relatieve zin een probleem heeft met (ultra)korte PFAS. Alle bedrijven zijn, logischerwijs, erg terughoudend met informatie over de precieze werking van hun gepatenteerde procedées.
Er worden nergens tarieven genoemd.
Zuiveringsinstallaties worden in containers aangeboden die een modulair geheel mogelijk maken.
Mijn eerdere artikel beschreef Oxyle toen het zich, kort na de oprichting, nog vooral richtte op sanering van vervuild grondwater met piëzokatalytische technologie. Behalve PFAS konden bijvoorbeeld ook pesticiden en medicijnresten afgebroken worden. Bij een bepaalde grondwaterproef werden 11 verschillende PFAS-soorten voor 99,8% afgebroken, en haalde men 90% afbraak bij ultrakorte ketens.
Toch biedt Oxyle op dit moment de grondwaterspecialisatie niet langer aan. De belangrijkste reden was dat er te weinig vraag naar was. Als het vuile grondwater alleen maar (middel)lange PFAS-ketens bevatte, was de bestaande zuivering met actieve kool die eens per drie jaar vervangen werd, goed genoeg. Het ‘gat in de markt’ bleek in de praktijk te zitten bij de afbraak van (ultra)korte PFAS-ketens in industrieel afvalwater. Dat is in praktijk veel moeilijker, omdat elke fabriek anders is en men er in die fabrieken als de dood voor is om gekoppeld te worden aan de aanwezigheid van PFAS.
Oxyle verwierf een investering van €14,6 miljoen voor de overstap op de verwerking van industrieel afvalwater. Het ontwikkelde eerdere research, die parallel aan de grondwateraanpak ontwikkeld was, tot ‘PFAS Solutions’, dat gespecialiseerd is op de verwijdering van (ultra)korte PFASketens. Er heeft al een full scale-pilot met succes gedraaid en Oxyle hoopt er in 2026 nog twee te kunnen draaien.
De CEO van Oxyle, mevrouw Fajer Mushtaq, claimt in het Aquatechtrade-verhaal dat Oxyle zelfs zeer sterk door PFAS vervuild industrieel afvalwater in een paar uur kan zuiveren tot onder de detectiegrens. Wel kunnen er voorbewerkingen nodig zijn die buiten het pakket van Oxyle vallen.
Ter afsluiting Bedrijven kunnen zich binnenkort niet meer verschuilen achter de onvermijdelijkheid van PFAS-lozingen, en overheden niet meer achter de onoplosbaarheid van bestaande vervuiling. Er is straks niet meer nodig dan investeringen en organisatie.
CFS Weert, om even terug te keren naar het begin van dit verhaal, kan straks dus best wel veel meer PFAS uit hun afvalwater halen en vernietigen dan de 55% in de concept-vergunning. Maar dat had Milieudefensie al gezegd.
De onveiligheidscontouren van het vliegveld (in technische termen de PR10^-5 – en PR10^-6 -contour) lopen dwars over het nieuwe bedrijvengebied BIC-2 en BIC-Noord. Des te pijnlijker omdat ASML op BIC-Noord komt. Met enig passen en meten heeft men de gebouwen van de nieuwe ASML-campus net buiten de contour weten te frotten, maar voor eventuele verdere ontwikkeling van het gebied ligt die contour in de weg.
• We als gemeente een plicht hebben om de veiligheid van werknemers op BIC Noord te bewaken;
• Een verdere groei van de veiligheidsrisico’s en risicocontouren niet kan plaatsvinden;
• De duurzamere high-tech industrie op BIC Noord belangrijker is dan de oude fossiele luchtvaartindustrie;
• Om te voorkomen dat risico’s en bijbehorende contouren op BIC Noord toenemen, het aantal vliegbewegingen van en naar Eindhoven Airport nooit mag groeien;
• Als groei van vluchten voor defensie noodzakelijk is, dit ten koste hoort te gaat van de civiele vluchten.
De raad roept het college van burgemeester en wethouders op om:
1. Een quickscan uit te voeren naar de impact op het maximum aantal vliegbewegingen wanneer de veiligheidsrisico’s en risicocontouren niet verder mogen toenemen omwille van de veiligheid van werknemers op BIC Noord;
2. De resultaten van dit onderzoek met de raad te delen en mee te nemen in het lopende proces voor de meerjarige medegebruiksvergunning 2027-2030 voor Eindhoven Airport
De motie werd al snel door het College van B&W overgenomen, en is dus niet meer in stemming gebracht. Wethouder Steenbakkers zegt toe de aspecten in punt 1 van de motie in te brengen in het proces voor de meerjarige medegebruiksvergunning 2027-2030. Dat betekent dat deze ingebracht worden door wethouder Strijk bij het eerstvolgende LEO-overleg (Luchthaven Eindhoven Overleg) en dat het resultaat aan de raad wordt teruggekoppeld.
Ik ben in Eindhoven lijstduwer voor de Socialistische Partij bij de GR 2026. De afdeling heeft een interview met mij op hun website geplaatst. Ik vond het eigenlijk wel een geslaagd interview. Hieronder de tekst met enkele toegevoegde foto’s. De tekening van een mevrouw die Urban Sketchte op staat, toen wij stonden te flyeren. De originele locatie is https://eindhoven.sp.nl/nieuws/maak_kennis_met_onze_lijstduwer_bernard_gerard .
Bernard is tijdens de Vietnamoorlog politiek actief geworden, en was er al bij op het moment dat de SP werd opgericht. Vanaf 1973 woont hij in Eindhoven. Hij heeft allerlei taken in de Eindhovense SP voor zijn rekening genomen, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van het inlegvel. Hij werd in 1990 het eerste SP-gemeenteraadslid en bleef dat tot 2010. Daarna is hij milieu- en klimaatorganisaties gaan versterken, met name Milieudefensie en het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2).
Bernard was tot zijn pensioen natuurkundeleraar. Na zijn pensioen heeft hij zijn bachelor milieukunde gehaald op een groepsscriptie over synthetische kerosine.
(Zie ook de CV-paragraaf)
Wat trekt je in de SP? Het algemene fundament van de SP ‘gelijkwaardigheid, menselijke waardigheid en solidariteit’ is goed. Ik vind ook de pogingen om de bevolking in actiegroepen te mobiliseren goed. Daarnaast trekt mij het socialistische uitgangspunt dat de economie, binnen verstandige grenzen, planmatiger moet worden en beter democratisch gecontroleerd. Mijn vuistregel is dat wat niet failliet mag, niet op de markt thuishoort. De energievoorziening bijvoorbeeld hoort in publieke of semi-publieke handen. En wat mij betreft kun je ook kijken in hoeverre de afvalverwerking in combinatie met recycling en grondstoffenpolitiek meer als een publieke taak gezien moet worden.
Een andere vuistregel is dat de klimaattransitie rechtvaardig moet zijn, en anders niet zal plaatsvinden. De SP zou er, systematischer en met meer prioriteit dan tot nu toe, over moeten nadenken hoe je socialisme en ecologie combineert. Dat zou kansen bieden. Ik vind overigens dat de Eindhovense afdeling op milieu- en klimaatgebied goed bezig is.
En in afwachting daarvan heb je je eigen taakinvulling ontwikkeld? Ja, en ik kan wel zeggen dat die mij aardig bezighoudt. Ik heb drie structurele thema’s: Milieudefensie, het vliegveld en mijn persoonlijke website. Daarnaast doe ik wat losse dingen, zoals advies geven aan de SP-fracties in Eindhoven en de provincie, en heb ik bijvoorbeeld actie bij huurwoningen in De Geestenberg begeleid over woningverbetering en –verduurzaming.
Je bent vrijwilliger voor Milieudefensie? Ik ben een van de trekkers van de regionale groep van Milieudefensie. Milieudefensie als geheel ziet als missie om het bedrijfsleven te laten voldoen aan het klimaatakkoord van Parijs; als strategie om 30 grote ondernemingen die in Nederland opereren onder druk te zetten; en als tactiek om daartoe campagnes te organiseren, eventueel uitmondend in juridische processen (Shell en binnenkort ING).
Nu loopt er een campagne tegen Ahold/Albert Heijn en daarom staan wij met onze groep bij Albert Heijn-filialen. Een van de eisen is beter betaalbare biologische producten. De algemene opzet van de actie past goed bij de SP-uitgangspunten. Omdat geen van de 30 ondernemingen een hoofdkantoor of productievestiging in onze regio heeft, hebben we er als regionale groep zelf ook een paar bedrijven aangeschreven. DAF Trucks bijvoorbeeld heeft een heel goed klimaatprogramma, maar bij ABZ Diervoeders is het knudde.
Verder proberen we de Brainportorganisatie als geheel duurzaamheidsambities aan te praten. Brainport heeft wel goede losse projecten, maar geen klimaatambitie als geheel. Dat is raar.
En in de tijd die dan af en toe nog over is, kijk ik af en toe naar lozingsvergunningen op het oppervlaktewater, zoals van de zinkfabriek in Pelt of va CFS Weert. Die vergunningen moeten beter.
Het vliegveld? Ik ben een van de leden van het bestuur van het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2). BVM2 heeft een handvol aandachtspunten, zoals te veel geluid (de afspraak is dat de ‘sigaren’ rond de startbaan 30% kleiner moeten), luchtvervuiling en klimaat – Eindhoven Airport is de grootste klimaataantaster van onze gemeente. En tenslotte, de onevenredig grote ruimteclaim door het vliegveld. Vanwege de herrie mag er in een sigaar van groefweg 100km2 geen woningbouw plaatsvinden. Toen die afspraak in 2011 gemaakt werd, leek dat nog wel te overzien, maar nu de woningvraag door de schaalsprong explodeert, wordt het vliegveld een steeds grotere blok aan het been van de regio. Zo zie je maar weer dat klimaat- en milieukwesties zelden op zichzelf staan, maar eigenlijk altijd een connectie hebben met andersoortige urgente maatschappelijke zaken.
Het gebied waar geen grootschalige woningbouw zou mogen plaatsvinden
En je hebt een eigen website? Daar gaat heel wat tijd in zitten. Het is een strikt persoonlijke educatieve en politieke website in het overlapgebied van natuurwetenschap en techniek; politiek en actie; en klimaat, milieu en duurzaamheid. Ik beweeg me graag in dat spanningsveld. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een artikel over positieve ontwikkelingen in de afbreekbaarheid van PFAS – niet in de natuur, maar wel in een industriële setting, bijvoorbeeld na bodemsanering of op de afvalstroom van een bedrijf. De twee eerdere artikelen gingen over de zinkfabriek in Pelt en over Vion en het klimaat.
Doe je eigenlijk nog wel eens wat anders dan politiek? Ik vind het geen straf om zo druk bezig te zijn. Maar ik doe ook wat alle opa’s doen, kijken naar hoe onze fantastische kleinkinderen groot worden en hier en daar wat helpen. Mijn vrouw en ik houden van fietsen en dat komt goed uit, want we hebben geen auto (ik ben lid van de Fietsersbond). Ik lees graag vakliteratuur en politieke en maatschappelijke analyses, en als het me even te veel wordt doe ik een computerspelletje – vreedzaam, ik hou niet van dat geschiet.
Verder ben ik vrijwilliger bij mijn voetbalclub Unitas’59. Daar heeft mijn jongste zoon ooit gespeeld en ik doe nog steeds organisatiewerk rond oefenwedstrijden. Jeugdvoetbal is heel belangrijk. Ik heb onlangs een grote regionale caroussel georganiseerd met oefenwedstrijden voor JO12-teams die volgend jaar voor het eerst op een heel veld gaan voetballen. Ik heb geen verstand van voetbal, maar wel van schema’s, netwerken en afspraken.
De zinkfabriek van Nyrstar in het Belgische Pelt heeft eind augustus 2025 uiteindelijk, ondanks de vele negatieve zienswijzen, toch een nieuwe lozingsvergunning op de Dommel gekregen van de Belgische provincie Limburg. Nyrstar Pelt ligt net aan de Belgische kant van de grens, maar de Dommel stroomt al na een paar honderd meter Nederland binnen. Dan stroomt hij door Natura2000-gebieden
De provinciale vergunning was een enerzijds-anderzijds vergunning. Enerzijds mag Nyrstar Pelt doorgaan met zijn bezigheden, zijnde het zuiveren en recyclen van zinkoxideafval van elders en het maken van zinklegeringen – op zich overigens zinvolle bezigheden. Verder staat het bedrijf bovenop zijn eigen eeuwigdurende bodemsanering, van welke sanering het opgepompte water gezuiverd wordt. De provincie verbond limieten aan de vier in de lozingsvergunning genoemde stoffen, te weten chloriden, sulfaten, selenium en thallium en beperkte de looptijd van de vergunning tot 31 december 2027. Die limieten waren strenger dan die tot dan toe golden. Deze lozingsvergunning maakt deel uit van een grotere vergunning, die 16 december 2029 afloopt. Anderzijds waren de limieten, volgens de in totaal 25 zienswijzen, niet streng genoeg om de Kader Richtlijn Water (KRW) te halen en bleef er vergif afgezet worden op de lage weilanden en natuurgebieden langs de Dommel, soms Natura2000.
Ik heb voor Milieudefensie Eindhoven een zienswijze ingediend ( bjmgerard.nl/bezwaar-tegen-voorgestelde-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/ ) De belangrijkste aanvulling van Milieudefensie op de meer op de natuurwetgeving gebaseerde argumentatie van anderen was dat Milieudefensie principieel bezwaar maakte tegen het ‘economisch haalbaar’- criterium in de ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT en zelfs ook BBT+). Secundair vond Milieudefensie Eindhoven dat als je (noodgedwongen) toch voor dit criterium zou kiezen, dat het dan afgezet moest worden tegen de omzet van Nyrstar Pelt als geheel, en niet tegen alleen maar het specifieke bedrijfsonderdeel dat voor bijna alle vervuiling zorgt (de Hydroafdeling die de recyclingtaak uitvoert). Of tegen de netto kasstroom van moederbedrijf Trafigura, in 2023 rond de 10 miljard.
Men kon in beroep gaan (dat is officieel juridisch) tegen de vergunning bij het eersthogere politieke niveau, de Vlaamse regering. Milieudefensie Eindhoven is geen rechtspersoon en kan niet procederen. Maar er lagen een aantal juridische beroepsschriften, te weten van vijf natuurlijke personen uit kringen van XR; van Waterschap De Dommel; van Natuurmonumenten (NL); van alle elf Nederlandse Dommelgemeenten vanaf Valkenswaard tot en met Den Bosch; en namens vier Belgische natuurorganisaties. Zie bjmgerard.nl/breed-beroep-ingesteld-tegen-nieuwe-lozingsvergunning-nyrstar-pelt/
De Vlaamse regering heeft al die beroepen behandeld en heeft uiteindelijk, om een lang verhaal kort te maken, geoordeeld dat er nog genoeg rek in de situatie zat om de provinciale lozingsvergunning voor chloriden en sulfaten nog verder aan te scherpen. Die aanscherping was in praktijk in het water al gerealiseerd.
Hieronder een overzichtstabel van de lozingsverordening in de opeenvolgende stappen. Let dus wel dat dit slechts een deel is van een grotere vergunning.
De derde kolom betreft de vergunning, zoals die afliep op 16 december 2025. De vierde kolom is wat de provincie Limburg er van had willen maken. De vijfde kolom is wat de Vlaamse regering (na de beroepen) wil.De Vlaamse regering heeft de lozing van selenium en thallium zo gelaten als de provincie Limburg die bepaald had. Wel komt er een nader onderzoek naar de verdere beperking van thallium. Ook heeft de Vlaamse regering beter uitgewerkte bemonsteringsverplichtingen van het Dommelwater vastgesteld.
Organisaties die in beroep gegaan zijn (en dus gedeeltelijk gelijk hebben gekregen) kunnen het juridisch nog een stap hogerop zoeken, bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in Brussel. Onduidelijk is of dat gaat gebeuren.
Update dd 14 april 2026
Gemeenten, Natuurmonumenten en waterschap gaan naar hoogste instantie vanwege lozingen Nyrstar Pelt
De gemeente Valkenswaard gaat naar de op dit gebied hoogste instantie in België, de Raad voor de Vergunning Betwistingen, tegen de vergunning door de Vlaamse overheid aan Nyrstar Pelt voor het lozen op de Dommel. Van alle gemeenten wordt Valkenswaard, als zijnde de eerste gemeente na de grens, het zwaarst door de vervuiling getroffen.
B&W achten zelf de kans klein dat het beroep in de lopende periode nog tot betere voorwaarden leidt, en zien dat die eventuele betere voorwaarden maar kort zouden gelden. Het beroep is vooral principieel van aard en toekomstgericht. Men wil de positie als belanghebbende, juridisch en politiek, veilig stellen en wil nu al vast druk uitoefenen op de vergunning die er na de nu betwiste vergunning aan komt. Verder keert de gemeente Valkenswaard zich principieel tegen de overweging dat bedrijfsbelangen meegenomen mogen worden in de strengheid van de vergunning.
De voorgeschiedenis Milieudefensie vindt dat bedrijven een klimaatplan moeten hebben dat in lijn is met het Akkoord van Parijs. Het eerste slagveld was, en is nog steeds, Shell ( milieudefensie–shell-klimaatzaak ). Volgend op de eerste Shell-uitspraak heeft Milieudefensie 29 andere bedrijven aangeschreven, allen grote systeemspelers die onder Nederlands recht vallen. Het verzoek was dat de bedrijven een ‘Paris-proof’ klimaatplan zouden inleveren. Dat is gebeurd. Die plannen zijn in 2022 beoordeeld door het Duitse NewClimate Institute (NCI, https://newclimate.org/). Dat maakte er in zijn Klimaat Crisis Index (KCI) meestal gehakt van.
Als vervolg heeft Milieudefensie een dagvaarding uitgebracht tegen de bank ING wegens het financieren van fossiele bedrijven. De dagvaarding is demonstratief afgeleverd, zie tussenstand-ing-proces-van-milieudefensie (en van daar af verder terug). Dd nu is de zaak nog niet voor de rechter geweest, maar waarschijnlijk begint het juridische steekspel in 2026.
Een Milieudefensie-ploeg bij Albert Heijn in de Eindhovense Roostenlaan
De overige 28 bedrijven (om juridische reden niet meer Shell en ING) hebben opnieuw een aanschrijving gekregen tot een deugdelijk klimaatplan. Die zijn opnieuw aangeleverd en opnieuw beoordeeld door het NewClimate Institute. De bevindingen in deze tweede ronde van de Klimaat Crisis Index (KCI) zijn op 23 februari 2026 verschenen op nieuwe-klimaatcrisis-index-2026 . Aldaar het volledige (Engelstalige) onderzoek in heel kleine lettertjes, in de Fact Sheet een goede samenvatting en in ‘Hoe zat het ook al weer?’ de hoofdlijnen van wat er gebeurd is.
De methode van het NewClimate Institute Het NewClimate Institute baseert zich op schriftelijke bronnen, vaak als jaarverslagen door het bedrijf zelf aangeleverd. Het is dus een literatuurstudie, waarbij een interessante literatuurlijst hoort. Het eerste resultaat is aan de bedrijven voorgelegd, zodat die desgewenst konden reageren.
Het resultaat, de Klimaat Crisis Index 2026, bestaat uit een algemeen deel en een hoofdstuk per bedrijf.
De klimaatpolitiek van de bedrijven wordt beoordeeld op:
De klimaatdoelen die het bedrijf zich stelt
Welke maatregelen het bedrijf treft om die doelen te halen
Wat doen ze met de restemissies die na het nemen van die maatregelen nog overblijven?
Hoe betrouwbaar geven ze hun feitelijk plaatsvindende emissies weer?
Die doelen en handelingen worden langs een dubbele maatlat gelegd, de ‘transparancy’ en de ‘integrity’. ‘Transparancy’ is ongeveer het Nederlandse transparantie: of een bedrijf een helder inzicht in zijn doen en laten geeft (ongeacht of dat doen en laten goed of slecht is). ‘Integrity’ is iets anders dan het Nederlandse ‘integer’. Het betekent zoiets als ‘geloofwaardig en volledig’.
De dubbele maatlat leidt tot een soort stoplichtvolgorde voor de doelen en voor de feitelijke maatregelen.
Ad 1. Rangorde van de doelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Stellantis redelijk transparant, heeft een matig doel voor 2030 en 2040, en geen doel voor 2035 en 2050.
Ad 2. Rangorde van de maatregelen. De ondernemingen zijn geordend per mate van ‘integrity’. In de relatieve topcategorie ‘matig’ is Vattenfall Nederland goed transparant over zijn maatregelen, en krijgt een ‘matig’ oordeel over zijn plannen.
Ad 3. Stellantis wil zijn restemissies aanpakken via biochar (zoiets als houtskool), Schiphol, Ahold Delhaize en Vattenfall zegt iets met de restemissies te willen, maar zeggen niet wat.
Ad 4. Ahold Delhaize, Dow Chemical, LyondellBasell, pensioenfonds PFZW, Unilever en Vion brengen de emissies redelijk in beeld; de helft van de bedrijven doet dat matig; Boskalis, ExxonMobil, KLM, Schiphol, Vopak, bp en Cargill doen dat zwak of zeer zwak.
Al met al lijkt de KCI als geheel van 2026 een pietsie beter dan die van 2022.
Specifiek Vion Deze site wil, waar dat kan en zinvol is, focussen op regionaal nieuws. Van de lijst van 28 is de onderneming die het sterkst aan Brabant gekoppeld is, de varkensslachter Vion in Boxtel. Milieudefensie heeft daar al vaker gedemonstreerd, zie klimp-ga-voor-krimp
De woordvoerder van VION, luisterend naar een lokale spreker (28 nov 2024)
Het hoofdstuk per bedrijf bevat een voor alle bedrijven gelijk gestructureerd overzichtsformat , vergezeld van een pagina met specifieke informatie over het bedrijf.
Vion is redelijk transparant over zijn emissies. Dat is een verbetering t.o.v. de eerste ronde van de KCI in 2022. Het bedrijf loosde in 2024 7,6Mton CO2,eq (7,6 miljard kg broeikasgas). Daarvan valt (afgerond)
0,1Mton in scope 1 (het eigen functioneren van het bedrijf);
0,1Mton in scope 2 (inkoop van door anderen geproduceerde energie);
0,3 Mton in scope 3 downstream (bijvoorbeeld de verwerking van Vionse halffabrikaten door andere ondernemingen verderop in de keten);
6,9Mton in scope 3 upstream onder het label ‘FLAG’; en
0,3Mton in scope 3 upstream onder het label ‘non-FLAG’.
‘FLAG’ betekent ‘Forest, Land, Agriculture’ en gaat vooral over andere broeikasgassen dan CO2 , zoals methaan en lachgas. Dit heeft betrekking op veranderd landgebruik, productie van diervoeders, boerende koeien en varkens, en dergelijke.
De transparantie over de emissies wordt niet gevolgd door een transparantie over de doelen en de middelen om die te bereiken. Daardoor zit de totale transparantie van Vion in de categorie ‘slecht’ en de totale integrity in de categorie ‘allerslechtst’.
Vion wil in 2030 zijn emissies over scope 1,2 en 3 samen met 42% verminderd hebben t.o.v. 2021. Het bedrijf is bezig zijn doelstellingen voor 2030 in scope 1 en scope 2 te halen. In scope 3 heeft het bedrijf een onbekend deel van de emissies uitgezonderd, zodat niet beoordeeld kan worden of dit aan de 1,5°C van ’Parijs’ gaat voldoen. Pessimisme is in dit geval op zijn plaats, omdat Vion het behalen van zijn 2030-doel vooral ziet naderen omdat het bedrijf vestigingen sluit of verkoopt (het gaat economisch slecht). De emissies worden dus voor een deel niet verminderd, maar verplaatst.
Nog onduidelijker dan over de doelen die Vion denkt te halen, is Vion over de middelen. De beperkte verbetering t.o.v. de eerste KCI-ronde uit 2022 betreft vooral de beloftes op papier. Vion wil in 2030 op 100% duurzame stroom zitten, maar zat in 2024 nog maar op 17% – nog onduidelijk is waar de rest vandaan komt. Er worden veel woorden besteed aan dit minuscule deel van het probleem. Duurzame stroom maakt een deel uit van duurzame energie. Vion wil in 2040 zijn totale scope 1 en 2 broeikasgasneutraal hebben. En dat betreft dan nog maar een fractie van de emissies. Voor 2050 zijn scope 1,2 en 3 op papier afgedekt, maar in het overzicht staat er niet voor niets een ‘?’ achter. Het is volstrekt onduidelijk hoe Vion dit denkt te bereiken.
Het NewClimate Institute (NCI) benoemt in zijn toellichtende pagina nog een paar aanvullende zaken. Die komen meestal uit het Sustainability Statement 2024 ( vionfoodgroup_Sustainability-Statement-2024.pdf , zie literatuurlijst) en zijn dus van na de eerste ronde van de KCI. Misschien wordt er toch knarsend iets in beweging gezet.
Vion heeft een plantaardige tak ME-AT (spreek uit mieiet) in Leeuwarden ( me-at.com ). Het NCI heeft echter geen ambities t.a.v. dit bedrijfsonderdeel kunnen vinden anders dan de algemene wens ‘leidend in Europa te willen zijn’.
Vion belooft een ‘road map’ naar net-zero, maar onduidelijk is wanneer die gepubliceerd wordt
Vion wil 35% minder emissies realiseren bij bepaalde varkensboederijen (via voer en mest) en bepaalde koeienboerderijen (via voer en methaan), maar onduidelijk blijft hoe men dat denkt te doen
Vion wil dat vanaf 2030 zijn soja t.b.v. diervoeder ontbossingsvrij is, maar ‘de concrete invulling daarvan lijkt zich nog in een vroeg stadium te bevinden’, aldus het NCI. De gezaghebbende benchmark bij dit voornemen, het Accountability Framework, wilde dit al in 2025 gerealiseerd zien. ( the-accountability-framework , zie literatuurlijst).
Aan veel minder vlees zal niet te ontkomen zijn. Vion moet naar zijn core business kijken.
Van nationaal belang Even de context voor mensen van buiten Eindhoven. ASML is als fabrikant van chipmachines een wereldspeler, een van de weinige grote namen die Nederland, zelfs Europa, op elektronicagebied heeft. Het wordt dan ook als een zaak van nationaal economisch belang gezien dat het bedrijf zich in Nederland senang blijft voelen en toen de onderneming begon te lobbyen dat het fors wilde uitbreiden, liefst met een tweede grote vestiging in de regio Eindhoven, sprong men in de regio en in Den Haag nog net niet in de houding. Resultaat was de operatie-Beethoven, een schaalsprong in de regio die herinneringen oproept aan die van Philips in een grijs verleden.
Voor de duidelijkheid: ik heb iets tegen het kapitalisme, niet speciaal iets tegen ASML. Er zijn ergere bedrijven.
Eindhoven heeft een groot gebied aan de westrand van de stad, de Brainport Innovatie Campus (BIC), die sinds 2015 stapsgewijs ontwikkeld wordt (via fase -1 die af is, -2 waarvan het papierwerk af is, en -Noord waar de nieuwe ASML-campus moet komen.
Het BIC en het vliegveld Nu wil het geval dat iets verderop het vliegveld ligt. Het verlengde van de startbaan loopt schuin over BIC-2 en BIC-Noord. Bij het vliegveld hoort een fysieke veiligheidscontour (in technische termen de PR 10^-6 – contour). Daarbinnen mag je geen woningen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven bouwen. Nu is niemand dat in dit gebied van plan, maar er is ook een bepaling dat er binnen de contour maar 100 mensen per hectare mogen verblijven en de voorgenomen personendichtheid bij ASML is daarvan een veelvoud. Met andere woorden: binnen de contour mag geen fabriek komen. In bovenstaande afbeelding betreft dat de overlap tussen de gestreepte ‘speer’ en het paarse bouwvlak. Daar heeft men in arren moede nu maar een parkeerplaats geprojecteerd, maar dat is dus eigenlijk zonde van de grond (het had ook een parkeerkelder kunnen zijn).
De zaak kwam politiek aan het rollen omdat enkele inwoners van het nabijgelegen Oirschot in de raadscommissie inspraken met dat het toch eigenlijk een schande was dat onze nationale trots veroordeeld werd tot zo’n miserabele locatie. De campus mocht niet op die plaats doorgaan, maar moest naar een verhevener locatie in onze regio. De slaagkans van dit pleidooi is nul, maar het leidde tot een groot artikel in de lokale krant en dat leidde weer tot een standpunt van mij, in de vorm van een gastopiniel namens het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2). Kort gezegd: het is de omgekeerde wereld dat de omgeving zich aan het vliegveld moest aanpassen – het vliegveld moet zich maar aan de omgeving aanpassen door te krimpen.
De ruimtelijke claim Het vliegveld heeft relatief weinig nut voor de regio, maar blokkeert onevenredig veel ruimte voor andere bestemmingen. Het geluid heeft een blokkerende werking op de woningbouwproductie (er is een regionale afspraak dat er niet gebouwd wordt binnen de 20Ke-zone, ca 100km2 ). Nu blijkt dat de PR 10^-6 – contour dus ook tot ruimtelijke blokkering kan leiden. In dit geval op het BIC, maar een eind verderop ligt de zone bijvoorbeeld pal naast het grote recreatie- en evenemententerrein Aquabest.
Als het Van Geel-advies uitgevoerd zou worden (wat nog moet blijken), kan de geluidszone inkrimpen. Als de vliegtuigen inderdaad stiller worden, kan dat op termijn tot meer vliegbewegingen leiden – een discussie die in de regio nog uitgevochten moet worden. Maar hoe dan ook betekent het dat de PR 10^-6 – contour dan verder zal groeien. En Defensie, van wie het vliegveld is, gaat zelf ook meer vliegen.
Kortom, alle reden voor de regionale politiek om aan dit verwaarloosde onderwerp meer aandacht te besteden.
Een groter deel van de contour, van welke de vorige afbeelding een uitvergroting is. De gele lijn is de goede. De stip heb ik er zelf ingezet en verwijst naar een vestiging van Linde Gas.
Ter inleiding Provincies hebben een belangrijke rol in het complexe krachtenveld rond de vele, met elkaar concurrerende, claims op de beschikbare ruimte: landbouw, woningbouw, klimaatadaptatie, natuur en ook de energietransitie. Landelijk beleid moet vertaald worden naar concrete, regionale omstandigheden. En als de voorbije regering Schoof-1 (en laatst), überhaupt geen beleid maakt of zelfs schadelijk beleid, dan is het goed dat er één overheidsniveau lager nog enige mate van ordening overblijft.
De focus van deze site ligt op de provincie Noord-Brabant. Daar zit momenteel een College met redelijk wat progressieve invloed (geen BBB) en die doet het, binnen de grenzen van wat in dit land mogelijk is, goed.
Het energiedossier zit bij Bas Maes (SP).
Het beleid van de provincie N Brabant ligt momenteel vast tot 2030. Leidend zijn momenteel de Energieagenda 2019-2030 ( energieagenda NBrabant 2019-2030 ), met daarbinnen korter lopende uitvoeringsagenda’s, en de Omgevingsvisie. Ik heb op deze site eerder een artikel geschreven over de monitoring van deze Energieagenda op brabantse-en-landelijke-energie-en-mobiliteitmonitor/ .
Besparingsambitie in de Energieagenda 2019 – 2030
Het jaar 2030 nadert en er moet nagedacht worden over het vervolg tot 2050. Na een omvangrijk participatieproces heeft dat geresulteerd in het ‘Energieperspectief 2050’. Dat moet gezien worden als een toevoeging aan de bestaande Energieagenda. In dit aanloopproces hebben ruim 3000 Brabanders kunnen reageren, zijn er werkateliers georganiseerd waaraan ruim 70 organisaties een inbreng geleverd hebben, en zijn er in de vier RES-regio’s regiobijeenkomsten georganiseerd. Verder ligt aan het Energieperspectief een PlanMER ten grondslag.
Een korte samenvatting, waarin toegang geboden wordt tot de belangrijkste ondersteunende documenten, is te vinden op energiewerkplaatsbrabant.nl/nieuws+nieuwste . De officiële overheidspagina, met alle ondersteunende documenten, is te vinden op officielebekendmakingen.nl/prb-2026-615 . Het Energieperspectief 2050, en de ondersteunende documenten als bijlagen, zijn te vinden onder de TAB ‘Bekijk documenten’. Via beide locaties kan men een zienswijze indienen. Dat kan t/m 26 februari 2026. Mogelijk verdwijnt de overheidspagina daarna, dus wie op zeker wil spelen, moet de documenten voor die tijd downloaden. Indien nodig, zal ik in dit verhaal toegang blijven bieden.
Politieke totaal-ambities van het College. Deze zijn iets ambitieuzer dan die van het vorige College.
Het Energieperspectief zelf bevat vooral processen en politieke intenties, die getalsmatig worden weergegeven in de vorm van indicatief bedoelde taartdiagrammen. Bij het Energieperspectief hoort als bijlage een document ‘Verdieping op de opgave’. Daarin worden ook concrete getallen genoemd.
Ordenende beginselen Bij het samenstellen van het Energieperspectief zijn een aantal ordenende keuzes gemaakt.
Het Energieperspectief vertrekt vanuit de Brabantse waarden ‘betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust’. Rechtvaardigheid in de uitvoering is een meermalen gehanteerd argument.
Het document gaat uit van zes leidende uitvoeringsprincipes:
Beperk de energievraag
Zet de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel in
Vergroot het duurzame energieaanbod
Beperk het transport van energie (koppel de opweklocatie zoveel mogelijk aan de verbruikslocatie)
Breng vraag en aanbod zoveel mogelijk bij elkaar (opslag of vraagsturing – zet je wasmachine aan als de zon schijnt)
Faseer fossiele brandstoffen bewust uit
Voorkeursvolgorde ‘de juiste duurzame energiedrager voor het juiste doel’
Er zijn in het PlanMER drie schaalgroottes of systeemalternatieven, waarop gewerkt kan worden, geanalyseerd: de schaalgrootte lokale kracht; idem de grote opgaven gebundeld; en idem op grote schaal denken. Heel kort door de bocht kun je dat vertalen in de lokale of regionale schaal; de nationale schaal; en de internationale schaal. Gekozen is voor de schaalgrootte ‘lokale kracht’, omdat die decentraler is en daarmee meer kansen biedt op participatie en lokaal eigenaarschap, Tevens is er minder kans op grote storingen en is er weinig geopolitiek risico. Nadeel is kans op versnippering, nadeel is dat de ruimte vooral in Nederland ingevuld wordt, en dat ieder klein initiatief zijn eigen problemen moet oplossen (bijvoorbeeld hacken).
Mede vanwege dat laatste heeft de provincie de keuze uit drie soorten bestuurlijke ambitie: de provincie kan zich beperken tot faciliteren en stimuleren (waarmee het initiatief bij anderen komt te liggen met hooguit subsidieconstructies); de provincie kan reguleren (alleen maar zeggen wat mag en moet, maar dan zit de provincie er niet met geld in); en beide samen: faciliteren, stimuleren en regisseren, wat zowel dwang als steun mogelijk maakt. De ‘beide’-mogelijkheid is gekozen.
Het Voorkeursalternaatief Het Voorkeursalternatief (VKA) van het PlanMER is dus decentrale uitvoering met krachtig leiderschap van de provincie. Het lijkt me geen slechte keus.
Het VKA geeft in een soort stoplichtcode aan wat er gebeurt met de doelstellingen, en wat er gebeurt met milieu- en andere effecten, want die zijn er uiteraard ook. In deze overzichten betekent de stip de huidige sitiatie; betekent ‘referentiesituatie’ (het kleurloze stippelblokje) de uitkomst als het Energieperspectie 2050 niet doorgaat (dus de situatie als de ontwikkeling in 2030 stopt); en VKA (het gekleurde blokje) de situatie als het Energieperspectie 2050 wel doorgaat. De hoogte van de blokjes geeft een soort herinnering aan de onzekerheid in de uitspraken. De ‘hoofddoelstellingen’ zijn die van de Energieagenda 2019-2030,
De bronnenmix in 2050 Na al deze voorbereiding wat het Energieperspectief denkt dat er met de verschillende energie-indellingen gaat gebeuren (zie hieronder). Neem alle prognoses met een flinke korrel zout – zie ze maar als indicatief. Dat doet het Brabantse College van GS ook.
In 2023 is ca 93% van alle bronnen regelbaar (voor het overgrote deel fossie). Dat loopt terug naar grofweg 35% regelbaar
In 2023 komt grofweg 8% van de energie uit NBrabant zelf. Dat loopt op op naar grofweg 60%
De Brabantse energiemix in 2023 bestaat uit 25% elektriciteit, 4% duurzame warmte, 30% fossiele voertuigbrandstof en 42% aardgas. De Brabantse energiemix in 2050 bestaat uit 76% elektriciteit, 8% duurzame warmte, 26% waterstof en groen gas, en 0% aardgas en fossiele voertuigbrandstof
De bronnenmix in 2050 gaat er in meer detail uitzien als hieronder:
De energievraag per drager in PJ. Het Energieperspectief 2050 baseert zich op ‘lokale kracht’’. De laatste twee worden niet gebruikt. Het ‘lokale kracht’-scenario telt op tot 211PJ
Het taartdiagram is op zichzelf minder informatief dan het lijkt.
Dat je de gekleurde taartpunten als indicatief moet zien, is vrij logisch, gegeven de vele onzekerheden.
Groter probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet of deze mix de aanbodkant of de vraagkant beschrijft. Uit de verdiepingsbijlage blijkt dat het om de vraagkant gaat, dus om de energiedragers die aan de klant worden aangeboden (finaal verbruik).
Ander probleem is dat het Energieperspectief er zelf niet bij zet op hoeveel energie de taart als geheel betrekking heeft. Het perspectief noemt nergens absolute getallen. Ook hier weer moet je naar de verdiepingsbijlage (bovenstaand staafdiagram) voor een antwoord op die vraag: men verwacht dat de totale energievraag daalt van 235PJ in 2023 naar 211PJ in 2050 (dat is dus de totale taart). Tevens geeft het staafdiagram absolute getallen voor enkele taartpunten samen. Overigens dacht men in de Energieagenda 2019-2030 (de voorganger van het Perspectief) nog dat de totale vraag naar energie in 2030 240PJ/y zou zijn. N Brabant zat dus in 2023 met 235PJ al onder de toenmalige prognose voor 2030 (zijnde 240PJ/y).
Wat beschouwingen bij afzonderlijke taartpunten.
De provincie wil geen monofunctioneel gebruik van grond voor alleen maar zonnepanelen. Er kan wel wat, maar niet veel, in combinatie met (‘icm’) bepaalde agrarische doelen, maar meer ‘icm’ met wind. Wind en zon samen is statistisch gunstig omdat ze niet hetzelfde gedrag vertonen.
‘Wind op zee’ telt als Brabants als die aanlandt in Brabant. Er is geen verhaal over participatie of eigendomsverhouding bij de productie van stroom uit wind op zee. Gaat de provincie zichzelf inkopen in de windturbineparken of aan een coöperatie meedoen?
Er ligt een besluit dat er 2GW windstroom uit zee aan gaat landen in Geertruidenberg, en er loopt onderzoek naar 2GW of 4GW aanlanding in Moerdijk. Een aansluiting van 2GW levert ongeveer 37PJ stroom. 6GW zou dus goed zijn voor ca 110PJ. Als daarvan ongeveer 40PJ naar de waterstofproductie gaat (resulterend in ca 28PJ waterstof, rest is restwarmte), en 70PJ naar de andere klanten, klopt de taartpunt grofweg.
Het is een terecht uitgangspunt dat men streeft naar minimalisatie van het elektriciteitstransport, en dus naar zoveel mogelijk verwerking ter plekke. Dat zal grote gevolgen hebben voor het gebied rond Moerdijk en Geertruidenberg. Dit mede omdat de Delta Rhine-leiding er langs komt die desgewenst de geproduceerde waterstof kan afvoeren naar klanten elders. Ik waag me niet aan uitspraken over de diverse bestaande, andere functies in dat gebied, zoals de woonfunctie
Waterstof en groen gas-kaart
Ook met wind op zee is er een stroomtekort. ‘Energie-import’ betekent stroom van buiten het Brabantse systeem, ‘Brabantse’ wind op zee daarin meegeteld.
Bij ‘elektriciteitscentrales wordt (in de verdiepingsbijlage) gedacht aan de biomassastook in de Amercentrale (mits die biomassa duurzaam is), en aan Small Modular Reactors (SMR), relatief kleine kerncentrales. Hierover een apart hoofdstukje. Ik denk zelf dat er ruimte is, zij het beperkt, voor (bij)stook van biomassa, en dat Amer-eigenaar RWE slecht bezig is met de stadsverwarming ( https://www.bjmgerard.nl/rwe-stopt-warmtelevering-aan-amer-warmtenet-wat-nu/ )
De provincie ziet in het Energieperspectief voor groen gas een belangrijke, maar qua omvang beperkte rol (7PJ) voor bepaalde nichesituaties. De productie van groen gas hangt van tegengesteld werkende factoren af zoals relatief meer en op termijn absoluut minder uit mestvergisting, groeiende organische stromen uit de eiwittransitie, en vergassingstechnieken van houtig afval, waartegenover groeiende inzet van organisch materiaal voor andere doelen dan groen gas staan.
De provincie denkt dat er in grote delen van N Brabant potentie is voor ondiepe geothermie, en in kleine delen voor diepe geothermie (die warmer water oplevert). Er is ook ruimte voor aquathermie (uit oppervlakteater). Daar is in de afgelopen jaren veel onderzoek naar gedaan. Grofweg zou ongeveer eenderde van de gebouwde omgeving hiermee, als regel met elektrische ondersteuning, verwarmd kunnen worden via grote (>1500 aansluitingen) of kleine warmtenetten. De provincie onderzoekt of een publiek warmtebedrijf mogelijk is.
Small Modular Reactors (SMR) – algemeen De aandacht van de provincie N Brabant voor kernenergie is nog maar jong. Dit is het eerste meerjaren-verzameldocument dat er aandacht aan besteedt. Ongetwijfeld is er samenhang met de SMR-strategie van het Rijk dd 17 okt 2025 ( SMR-strategie Rijk_okt2025 ) . In hoeverre de provincie hier handelt omdat het moet, of omdat men het zelf wil, is moeilijk te peilen. Enerzijds vindt de provincie in het Energieperspectief dat er nader onderzoek nodig is of SMR’s echt kansrijk zijn in Brabant, anderzijds zit de provincie met geld in een bepaald type (zie verderop).
Ik ben geen principiële tegenstander bij voorbaat van welke energievorm dan ook, ook niet van kernenergie. Kernenergie ontwikkelt, in elk geval in de gebruiksfase, heel weinig broeikasgas en naar alle broeikasgasarme energievormen moet gekeken worden. Ik voel ook geen panische angst bij het woord. Ik heb in mijn jongere jaren, ten behoeve van mijn werk als natuurkundedocent, mijn diploma Stralingsbescherming A gehaald om (zwakke) radioactieve bronnen te mogen gebruiken. Bij verstandig gebruik is er niet veel aan de hand.
Dat neemt niet weg dat ik problemen heb met specifieke ontwerpen, zoals de grote oude Belgische centrales en Borssele. De gangbare lichtwaterreactoren op basis van uranium staan mij niet aan vanwege het quasi-eeuwiglevende afval, vanwege de relaties met kernwapens, vanwege de geringe versplijtingsgraad, vanwege de geopolitieke afhankelijkheid en omdat een serieus ongeval bij grote centrales grote gevolgen heeft. En wat betreft de nabije centrales, omdat het ouwe meuk is.
Maar de nucleaire techniek schrijdt voort en er zit beweging in sommige problemen, zij het vooralsnog vooral als experiment. De veiligheid van SMR’s bijvoorbeeld is sterk verbeterd, zowel omdat ze kleiner zijn dan conventionele centrales als omdat ze automatisch stoppen als er een probleem is. SMR’s zijn nog steeds experimenteel: er waren dd 2024 op de wereld maar twee SMR’s in gebruik, namelijk een exemplaar in Rusland, gemodelleerd op de aandrijving van een nucleaire ijsbreker, en een in China. Het experimentele karakter is mede oorzaak dat de eventuele bouw van een SMR in N Brabant 8 tot 11 jaar zou kosten. Voor de korte termijn heb je er, hoe dan ook, niets aan. Er is een goed Wikipedialemma over de Small Modular Reactor op https://en.wikipedia.org/wiki/Small_modular_reactor .
Small Modular Reactors – in het NRG Pallas onderzoek is kernenergie te vanzelfsprekend De provincie heeft NRG Pallas, ten behoeve van het Energieperspectief, om een beperkt onderzoek gevraagd waarin kernenergie in het algemeen, en SMR’s in het bijzonder, als een gegeven beschouwd werden dat niet zelf ter discussie stond. Het onderzoeksresultaat maakt deel uit van het Perspectief-pakket dat men kan downloaden. Er moest gekeken worden naar hoe drie reactor-grootteklassen bij gegeven koelmogelijkheden en gegeven gebruiksbeperkingen (Natura2000, woonkernen) en een gegeven energievraag passen. Het is geschematiseerd weergegeven in onderstaande tabel
Hoge waterbeschikbaarheid betekent in Brabant de Maas (categorie A). Als daar ergens een grote energievraag zou zijn (>750MWth ) heet de combinatie dan A1. De subscript ‘th’ betekent ‘thermisch’. Elke kerncentrale is in wezen gewoon een warmtebron, met welke warmte je verschillende dingen kunt doen. Je kunt er stroom mee maken (subscript ‘el’), maar dat met betrekkelijk laag rendement (een kwart tot een derde). Dus 750MWth aan de Maas betekent, als het meezit, 250MWel . De grootte-range ‘Small Modular Reactor’ loopt omhoog tot 300MWel en dan zijn ze eigenlijk niet ‘Small’ meer – Borssele is bijvoorbeeld 485MWel . Het is dus zeer wel mogelijk dat een aantal SMR’s opgeteld meer leveren dan een gewone, ouderwetse kerncentrale.
Met warmte kun je op zichzelf ook nuttige dingen doen, zoals industriële processen mogelijk maken, de stadsverwarming voeden, zout of brak water ontzilten (bijvoorbeeld als de drinkwaterwinning tegen zijn grenzen aanloopt), of de productie van waterstof makkelijker maken. SMR’s kunnen behoorlijk nut hebben in een goed verhaal.
Voor zo’n goed verhaal moet je ook andere infrastructuur inplannen, zoals de warmtenetten, de grote waterstof ‘backbone’ die er moet komen, en de hoogspanningsleidingen. Die zijn in de NRG Pallas-analyse niet als dwingende voorwaarde opgenomen, maar als wenselijke aanvulling.
Inpassingsmogelijkheden van SMR’s
Als je dat allemaal bij elkaar voegt, krijg je bovenstaande kaart (al die kaarten zijn overigens verrot onduidelijk). Die kaart leidt tot enkele interessante speculaties. Dat Moerdijk eruit springt is logisch (wat iets anders is als aangenaam). Maar bijvoorbeeld Veghel (klasse B1) springt eruit (als je goed kijkt) en de Theodorushaven in Bergen op Zoom. En als men nou eens zou besluiten om op de Eindhovense Brainport Industries Campus een groot datacenter te bouwen? Komt op papier in aanmerking voor een SMR (klasse B2 of B3, is niet goed te zien). Dus beperkte koelingsmogelijkheden, namelijk uit het nabije Beatrixkanaal, en dat kan ‘NK, natte koeling betekenen, mogelijk een koeltoren. Over koeltorens spreekt de NRG_Pallas-studie niet, wel over koelgebouwen van 10 – 30m hoog waar verdamping plaatsvindt.
Small Moduler reactors – wat ook ter discussie zou moeten staan Afgezien van dat SMR’s nog niet commercieel beschikbaar zijn, zijn er een paar dingetjes:
Men hoopt dat SMR’s gestandaardiseerd kunnen worden en prefab gebouwd, waardoor ze per MW goedkoper worden. Maar er zijn ruim honderd typen in ontwikkeling met nogal uiteenlopende kenmerken. Het is niet meteen duidelijk dat een en ander tot massaproductie kan leiden
Bijna alle ruim 100 typen hebben uranium als brandstof, hetgeen betekent dat alle narigheid van die grondstof blijft bestaan, zoals bijvoorbeeld het vele afval en de zeer lange levensduur van dat afval. Heel kort door de bocht: tien kleine reactors op uranium zijn even erg als één grote.
De nieuwste ontwikkeling zijn reactoren die werken met Thorium als uitgangselement en gesmolten fluorzouten daarvan als brandstof en koeling. Deze techniek is nog in ontwikkeling. De Chinezen hebben een kleine proefreactor opgestart in de Gobiwoestijn ( https://en.wikipedia.org/wiki/TMSR-LF1 ) en (met luchtfoto van het complex chinadaily.com.cn/a/202511/01 .
图1 TMSR-LF1堆本体离线安装启动
Het merkwaardige is dat het Brabantse Provinciebestuur zelf met vier miljoen Euro in de Nederlandse startup Thorizon (https://thorizon.com/ ) zit. Dit samen met het instituut DIFFER van de TU/e, ingenieursbureau DEMCON met een kantoor in o.a. Best, en VDL . Zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/doorontwikkeling-gesmolten-zout-reactor/ . Er zit ook 10 miljoen € van de EU in. Dit project zou ergens in 2028 tot iets zichtbaars moeten leiden. Het is merkwaardig dat de provincie in zijn Energieperspectief zijn eigen project niet eens noemt, en in de bijlage met het NRG Pallas-onderzoek verschijnt het maar in twee regels. Dit terwijl er goede redenen zijn om te geloven dat gesmolten zout-reactoren op thoriumbasis ordes van grootte minder afval maken (zelfs al bestaand afval kunnen verwerken), terwijl dat afval ordes van grootte minder lang radioactief blijft. Het zou goed zijn als het provinciebestuur niet alleen laat uitleggen wat de SMR’s kunnen, maar ook hoe ze werken en dus wat de bijeffecten zijn.
Alle warmte die een SMR maakt en die geen stroom wordt (minstens tweederde), en die niet op andere wijze nuttig gebruikt wordt, komt in de lucht of het oppervlaktewater terecht (dat geldt overigens voor bijvoorbeeld een gascentrale ook). In het oppervlaktewater neemt de temperatuur toe. Bij de kerncentrale in Borsele bijvoorbeeld mag het water van de Westerschelde na de centrale maar 3˚˚°C warmer zijn dan ervoor, maar de Westerschelde is groot en die 3°C wordt niet bereikt. Maar Brabantse kanalen en riviertjes zijn vaak klein, vooral in hete droge zomers, en dan kan die opwarming behoorlijk aantikken (vandaar die koeltorens). Zelfs de kerncentrales op de Maas hebben in het verleden wel eens voor temperatuurproblemen gezorgd. Sowieso mag de temperatuur van het oppervlaktewater van de Kader Richtlijn Water maar 25°C zijn. En als dat extra warme water door een Natura2000-gebied stroomt, kaan dat mogelijk een Natuurvergunning verplicht maken. De opwarming van het oppervlaktewater is dus op zijn minst een aandachtspunt.
Je mist aandacht voor het voor- en natraject van de exploitatie. De bouw en sloop leiden tot broeikasgassen, maar dat geldt op zich ook voor wind- en zonne-installaties. Maar bij wind en zon komt er in de exploitatie geen broeikasgas vrij, en bij uranium en thorium wel, namelijk in de mijnbouw die nodig is.De literatuur (Wikipedia) beweert dat thoriummijnbouw minder nadelen met zich meebrengt dan uraniummijnbouw. Een scope -1, -2 en -3-analyse is op zijn plaats. Het provinciale verhaal gaat tot nu toe alleen over scope-1.
Small modular Reactors: mijn uiteindelijke standpunt Al met al vind ik dat de provincie N Brabant niet aan SMR’s zou moeten beginnen die op de uraniumcyclus draaien. Ik beschouw het afvalprobleem niet als opgelost – daarin lijken ze nog steeds teveel op een gewone, moderne kerncentrale.
Het provinciebestuur mag proberen mij te overtuigen van de bouw van een tot enkele SMR’s op thoriumbasis. Dat kan nodig blijken om een zo broeikasarme energieproductie op te bouwen in 2050, en zo’n SMR bespaart veel ruimte. Maar dat moet dan met een verhaal dat inhoudelijk beter is dan wat er nu ligt.
Tenslotte vind ik dat energie in (semi)publieke handen moet zijn, zeker kernenergie. Er zijn risico’s en alles wat niet failliet mag, hoort niet op de markt.
========
Ik heb een zienswijze ingediend op het Energieperspectief 2050. Wie het wil lezen, kan het vinden op
In maart 2026 heeft de provincie alle 41 zienswijzen (rijp en groen, groot en klein) van een antwoord voorzien in de Nota van Zienswijzen. Op 31 maart 2026 hebben Gedeputeerde Staten het Energieperspectief 2050 vastgesteld, zie https://www.brabant.nl/actueel/nieuws/energie-2050-duurzaam-zelfstandig-mogelijk/ . Deze webpagina biedt via doorverwijzing toegang tot alle documenten.
In het voorjaar komt het (op onderdelen aangepaste) Energieperspectief 2050 ter besluitvorming in Provinciale Staten.
Inleiding De klimaatopwarming leidt tot steeds extremer weer, onder andere tot steeds vaker steeds extremere regenval. Het in pre-klimaatjaren zorgvuldig opgebouwde watersysteem kan die extreme stortvloeden niet meer aan. Dat kan lokaal of regionaal tot calamiteiten leiden. De schok van de Eifel/Ardennenramp, met zijn taferelen uit Valkenburg, in 2021 (ruim 220 doden, vele miljarden schade) heeft het onderzoek verder versneld.
Tot nu toe leverde dat vooral natuurwetenschappelijke informatie op, zoals waterdieptes en verblijfstijden op straat. Zie https://www.bjmgerard.nl/water-op-straat-bij-hevige-regen-hoe-diep-en-hoe-lang/ . De onderzoeksopdracht is daarmee niet af, want uiteraard is iedereen geïnteresseerd in de maatschappelijke gevolgen.
De Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV)
De OVV heeft de behoefte aan inzicht in de maatschappelijke gevolgen opgepikt – vanuit zijn core business ‘veiligheid’. Vertrekkend vanuit de natuurwetenschappelijke inzichten, heeft de OVV in januari 2026 een studie uitgebracht ‘Onveiligheid door extreme regen’. Die is te vinden op https://onderzoeksraad.nl/onderzoek/veiligheidsrisicos-rond-wateroverlast/ .
Voor de OVV is ‘veiligheid’ een ruim begrip. In de context van wateroverlast valt er niet alleen direct levensgevaar onder, maar bijvoorbeeld ook zaken als gezondheidsschade, uitvallende maatschappelijke voorzieningen, maatschappelijke ontwrichting, of stress vanwege financiële rampspoed, met name bij arme mensen. De OVV noemt in dit verband rechtvaardigheidsoverwegingen.
Een rapport op basis van drie voorbeeld-thema’s De OVV heeft zijn rapport gebaseerd op drie case studies:
De vijf uur durende uitval van een stroomverdeelstation in Nijverdal
De urenlange sluiting van de SpoedEisende Hulp (SEH) in Doetinchem
Het overstromen, en onbewoonbaar worden, van woningen in Enschede.
In alle gevallen wordt er beschreven wat er precies gebeurd is, waarom het heeft kunnen gebeuren, of er iets aan gedaan kan worden (beleid). Waar dat zin heeft, wordt het specifieke voorbeeld veralgemeniseerd.
Nijverdal In een stroomverdeelstation eindigen hoogspanningskabels op op het maaiveld geplaatste transformaatoren, waarachter dikke kabels middenspanning voeren. Die gaan naar een verdeelsysteem dat levert aan de trafohuisjes in het omringende gebied (en die maken er weer 230V van).
Ligging in het dal van de Regge 10.000V…
Het stroomverdeelstation van Nijverdal ligt in het dal van de Regge. Het maaiveld van het station ligt niet veel hoger dan het Reggewater. Dat is niet ideaal, maar, zo vertelde Enexis aan de OVV, niemand wil zo’n station vlak bij zijn huis en zodoende worden wij vaak naar niet-ideale locaties verbannen – een typisch leermoment. Nijverdal hoort tot een groep verouderde inrichtingen, waarbij het verdeelsysteem in een kelder ondergebracht is. Dat ging tot dan toe altijd goed, en daarom werd de groep kelderopstellingen als groep beoordeeld, en werden de afzonderlijke leden van de groep niet individueel geanalyseerd vanwege de specifieke omgeving (leermoment). En dat had eenvoudig gekund, want de grondwaterstanden zijn gewoon openbaar beschikbaar. Maar Enexis had er nooit aan gedacht om ze op te vragen, en het waterschap en de gemeente Hellendoorn hadden er ook nooit aan gedacht om ze proactief aan te bieden (leermoment). Maar het had heel lang heel hard geregend, de Regge stond hoog en het grondwater ook, en op 36 december 2023 liep dat grondwater langs zoiets als een lekke mof de kelder in waar (leermoment) contactpunten niet geïsoleerd waren. Gaf een interessante kortsluiting. Nu had Enexis in twee opzichten geluk, waardoor de stroomstoring niet tot maatschappelijke ontwrichting leidde: het gebeurde midden in de nacht, iedereen sliep, en de reserve-inrichting in de kelder lag door stom toeval een paar cm hoger en was net niet door het water geraakt. Dat maakte snel herstel mogelijk en toen veel mensen wakker werden, was het probleem inmiddels opgelost. De technische opwaardering van dit soort verdeelstations stond al eerder op de rol en wordt nu planmatig uitgevoerd.
De SpoedEisende Hulp (SEH) van het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem Het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem ligt laag (tussen twee heuvels), en de SEH ligt lager dan laag, en is maar via één weg bereikbaar. Wateroverlast is hier niet onbekend en mede vanwege de leeftijd van het ziekenhuis (1965) waren er al nieuwbouwplannen elders, die inmiddels uitgevoerd worden.
Maar de 60 a 70mm in twee uur op zondagmiddag 21 juli 2024 waren van een niet eerder vertoonde orde. Het met rioolwater verontreinigde regenwater spoelde de ingang binnen, en uit de toiletten omhoog, en de toegangsweg was een rivier geworden. Je kunt dan moeilijk een ziekenhuis runnen. De SEH bleef zeven uur dicht.
Tegelijk was vlakbij de Zwarte Cross, een bekend cultureel massa-evenement, en was er (ook vanwege de regen) het dak van een speelpaleis ingestort (welk gebouw op tijd geëvacueerd was, maar ondertussen legde het wel beslag op de commandant van de brandweer).
De OVV benadrukt terecht dat een heftige gebeurtenis afhankelijk van de context een calamiteit kan worden. In dit geval ging er niet veel fout op de Zwarte Cross en was de evacuatie tijdig, zodat er geen onverwachte vraag was naar diensten van de gesloten SEH.
Voor de veralgemeniseringsstap (‘kan dit ook elders in Nederland gebeuren?’) heeft de OVV een publicatie van Investico Onderzoeksjournalisten geraadpleegd ( https://www.platform-investico.nl/onderzoeken/nederland-niet-voorbereid-op-hevige-regen ). Het antwoord is ja. Binnen de focus van deze site (NBrabant en NLimburg) betreft het de SEH van het Elkerliek in Helmond en het St Jans Gasthuis in Weert, die onbereikbaar worden vanwege ondergelopen toegangswegen, en het Bravis Ziekenhuis in Roosendaal, dat om dezelfde reden onbereikbaar wordt, en waarvan bovendien de SEH overstroomt.
Pathmos en Stevenfenne in Enschede; rechtvaardigheid bij rampen Hetzelfde extreme regencomplex als dat wat het Slingeland Ziekenhuis trof, ging op 21 juli 2024 ook boven Enschede te keer. Het centrum van Enschede ligt op de Twentse Heuvelrug, maar later gebouwde delen op de helling of, tientallen meters lager, onder aan de bult. Daaronder de wijk Stadsveld en de deel-wijken daarbinnen Pathmos en Stevenfenne. Zie bovenstaande plattegrond, die echter niet de feitelijke situatie weergeeft maar een modelberekening op basis van 70mm/uur regen. Feitelijk liepen in grote gebieden de straten op 21 juli 2024 meteen onder, en toen de smak water van de heuvelrug aankwam liep het rioolwater bij een deel van de woningen via de straat en de toiletten de huizen in.
Ook hier dat een calamiteit altijd in context ontstaat. In dit geval dat het rioolwater binnenkwam bij vooroorlogse (oudste 1914), slecht gebouwde woningen. De poreuze bakstenen zogen het rioolwater decimeters hoog de muren in. Daardoor ontstond er schimmel- en bacteriegroei met bijbehorend gevaar (direct of met vertraging) gevaar op infectieziektes. Dit verergerd omdat uit de natte vloerplanken formaldehyde vrijkwam. Er werden 79 huurhuizen geëvacueerd, waarvan 57 voor onbepaalde tijd. Die zijn functioneel onbewoonbaar geworden. Stress van jewelste.
De OVV noemt hier het rechtvaardigheidsbeginsel. De bewoners van de twee getroffen deelwijken behoren tot de armste en laagst opgeleide mensen in Enschede.
In zijn veralgemeniseringsslag is de OVV op zoek gegaan naar vergelijkbaar kwetsbare wijken elders in den lande. Dat is geobjectiveerd met CBS-cijfers. De WOZ-waarde en het bouwjaar modelleren de kwetsbaarheid van de woningen (50% van de woningen is vooroorlogs), de (sociaal-economische) SES-score de kwetsbaarheid van hun bewoners (onderste 30%). Zo vindt de OVV 47 buurten. De aardrijkskunde van de omgeving zit er dan nog niet in. Daarom heeft de OVV de 47 buurten op een hoogtekaart van Nederland geprojecteerd. Sommige wijken liggen onder een hoog gebied of laag, nabij een grote rivier.
De geselecteerde wijken (meest in grote of middelgrote steden) zijn goedkoop (WOZ-waarde is 2/3de van gemiddeld dd 2023); versteend; en vooral huur.
Bij stedelijke ontwikkeling wordt vaak de natuurlijke waterafvoer van een gebied verstoord. Hierboven een kaart van de gemeente Enschede die de afwaterende beken vanaf de Twentse heuvelrug toont rond 1900 en rond 2000 . Op zich kun je een beek soms wel in een riool stoppen, maar je maakt dan keuzes over de dimensionering. Als dat krap gebeurd is, en daarna gaat het vanwege het klimaat explosiever regenen, is er een probleem. In mijn woonplaats Eindhoven is informatie over verdwenen beken te vinden op https://www.waterineindhoven.nl/ .
Beleid De case studies bieden een goed zicht op wat de risicofactoren zijn, maar het zijn voorbeelden, geen bewijzen. Voor een beter beeld is de OVV, bijvoorbeeld via gesprekken met deskundigen, ook buiten de studies om de diepte ingegaan.
Eigenlijk alle deskundigen zeggen dat er met adaptatiebeleid een hoop te winnen valt, ook al verschillen ze van mening over hoeveel precies.
De OVV is in elk geval niet tevreden over hoe de overheid met de problematiek omgaat:
Het beleid is onvoldoende specifiek op veiligheid gericht. Voor zover er beleid is, gaat dat vooral over overlast en schade
Het beleid is te vrijblijvend. Er zijn bijvoorbeeld wel bouwrichtlijnen en stresstesten, maar die verplichten tot niets. Er is veel te weinig centrale sturing. Daardoor rommelt iedereen op lagere niveau’s maar wat aan en blijven maatregelen steken in kleinschaligheid en pilots. (Wat je ziet is dat Nederland al een paar jaar nauwelijks bestuurd is geweest (dat zeg ik, dat zegt niet de OVV). Het goede ‘water en bodem leidend-beginsel’ is door de ministers Madlener en Keijzer afgezwakt tot ‘Rekening houden met water en bodem’.
De samenhang van risicofactoren met hun maatschappelijke context (bijvoorbeeld kwaliteiten van woningen en armoede) blijft te veel buiten beeld. Ook in de tweede ronde stresstesten worden dit soort verbanden niet meegenomen
Er wordt te weinig gedaan met vroegwaarschuwing in wat men de ‘lauwe fase’ noemt. Zo mag het KNMI alleen maar vroege waarschuwingen uitbrengen aan overheidsorganen. Dat zou anders marktverstorend werken, omdat er ook commerciële weerberichtorganisaties zijn. Het KNMI had bijvoorbeeld het Slingelandziekenhuis niet mogen waarschuwen.
De regering wordt niet onder druk gezet door bange burgers, want er is onder de bevolking nog geen breed gedeeld urgentiegevoel – blijkt uit enquêtes. Men verkeert nog teveel in zalige gemoedsrust over wat een probleem zal gaan worden – misschien niet meer in delen van Enschede. Het oude waterschapsgebed om af en toe een klein watersnoodje gaat ook hier op.
In het laatste hoofdstuk worden deze gebreken op logische wijze omgezet in aanbevelingen, verdeeld over de categorieën;