De Klimaat Crisis Coalitie regio Eindhoven-Helmond heeft op 22 oktober 2021 een demonstratieve tocht door Eindhoven gehouden. Milieudefensie Eindhoven was een van de organisatoren. Tijdens de tocht zijn ruim 700 flyers gedeeld.
Die-in bij het PSV-stadion (klimaatdemo 22 okt 2021)
Doel van de tocht en de flyers is om de Eindhovenaren op te roepen om op 06 november 2021 naar de grote Kimaatdemonstratie op de Dam in Amsterdam te komen.
De tocht voerde van het terras van het popmuziekcentrum Popei onder de leidingstraten door van het voormalige fabriekscomplex van Philips, waar nu een groot deel van de Dutch Design Week georganiseerd is. Via de historische Glaspoort trok de demonstratie over de Frederiklaan, om het PSV-stadio heen, langs de oudste flat van Eindhoven (de Ventoseflat), naar het 18 septemberplein, waar de demonstratie beëindigd werd. Tijdens de tocht is op vier plaatsen, en ondanks de vele regen, een die-in georganiseerd (in de Leidingstraat, bij de Glaspoort, bij het PSV-stadion en op het 18 septemberplein.)
Klimaatdemonstratie 22 okt 2021 in de Leidingstraat op Strijp S
Hieronder het verslag in het Eindhovens Dagblad van de tocht. De link naar het artikel staat op het eind. Langs die route is het filmpje toegankelijk dat gemaakt is. Het is een leuk filmpje.
UIt het filmpje
Klimaatdemonstratie Eindhoven in de stromende regen
videoEINDHOVEN – In de stromende regen vroeg een legertje klimaatdemonstranten vrijdag aan het eind van de middag in Eindhoven aandacht voor ‘het grootste probleem’ waarvoor de wereld zich momenteel gesteld weet: de klimaatverandering.
Rob Burg 22 okt. 2021 Laatste update: 23-10-21, 18:20
En dat aandacht vragen gebeurde op een opmerkelijke manier. Op diverse plekken op de route, die liep van het Klokgebouw op Strijp-S, via het Philips Stadion en de Emmasingel naar het 18 Septemberplein, gingen de demonstranten op de grond liggen, als waren zij overleden.
De boodschap was duidelijk: dit is het lot van de mensheid als er niet heel snel verregaande maatregelen worden getroffen om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen. De actie was georganiseerd door de Klimaatcrisis Coalitie, een samenwerking van politieke partijen en Milieudefensie.
Klimaatmars Amsterdam
De demonstranten riepen op om op zaterdag 6 november naar de Klimaatmars in Amsterdam te komen.
Af en toe kwam de regen vrijdagmiddag met bakken tegelijk naar beneden. Warm was het wel. En dat is dan weer een beetje raar voor de tijd van het jaar. ,,Het weer? Dat is bepaald balen”, was de onderkoelde reactie van woordvoerder Bernard Gerard (Milieudefensie) voorafgaand aan de demo. ,,Het nodigt niet echt uit om lang te blijven liggen in elk geval.”
‘Demonstreren blijft pure noodzaak’
Hoe dan ook, demonstreren blijft pure noodzaak, zegt Gerard. ,,Dit is een van de belangrijkste problemen, wereldwijd, op de langere termijn. In feite gaat het onder meer over het voortbestaan van Nederland. Dat verdwijnt grotendeels onder water als er niets gebeurt. En er gebeurt inmiddels wel wat, maar het gaat te traag. Dus is het zaak druk op de ketel te blijven zetten.”
Milieudefensie Eindhoven heeft op 05 sept 2021 een Open Brief aan de regionale politiek en aan Brainport gestuurd waarom Brainport eigenlijk geen duurzaamheidsplan had op koepelniveau, zoals veel andere industrieclusters (Chemelot, havens Amsterdam, Rotterdam, Moerdijk, gezamenlijke industrieterreinen Helmond) dat wel hebben. Een eerdere publicatie hierover is te vinden op Milieudefensie Eindhoven: waarom heeft Brainport geen duurzaamheidsplan? . Daar is de tekst van de brief te vinden.
De Open Brief trok de aandacht van de pers. En bijna onmiddellijk lag er een gespreksuitnodiging van directeur Van Nunen van Brainport Development, de uitvoeringsorganisatie van Brainport.
Het gesprek heeft op 24 september 2021 plaatsgevonden. Het liep goed en de standpunten lagen niet zover uiteen als men wellicht zou verwachten. In feite zijn beide partijen, in een andere positie opererend en met andere slagen om de arm, beide voor zoiets als een groene industriepolitiek die ook binnen de eigen regio tot meer resultaten leidt dan tot nu toe. Ik heb van het gesprek een (wederzijds geauthoriseerd) verslag gemaakt dat hieronder integraal staat afgedrukt.
Van Nunen zei dat hij met het ideeënpakket in de slag ging, en er is een vervolgafspraak gemaakt voor januari 2022.
Standpunten Brainport Development en Milieudefensie Eindhoven naderen elkaar
Voorafgaand Milieudefensie Eindhoven had in een Open Brief aan Brainport en aan de lokale en regionale politiek gesignaleerd dat Brainport geen duurzaamheidsplan had op koepelniveau, zoals veel andere industrieclusters (Chemelot, havens Amsterdam, Rotterdam, Moerdijk, gezamenlijke industrieterreinen Helmond) dat wel hebben. Er gebeuren wel verstandige dingen in Brainport op het niveau van individuele ondernemingen en bedrijventerreinen, maar er is geen plan voor Brainport als geheel. Op economisch en industriepolitiek terrein probeert Brainport, met enig succes, het geheel tot meer dan de optelsom der delen te maken. Op het gebied van duurzaamheid gebeurt dat niet. De technische vernieuwingen, die binnen Brainport ontwikkeld worden, landen niet zichtbaar binnen de eigen regio. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg, dat het aandeel hernieuwbare energie binnen het MRE-gebied kleiner is dan binnen de provincie Brabant als geheel.
Op de Open Brief volgde een gespreksuitnodiging van de kant van Brainport Development NV, de uitvoeringsorganisatie van het strategisch leidinggevende orgaan Stichting Brainport.
Het gesprek Het gesprek vond plaats op vrijdag 24 september. Aanwezig was voor Brainport Development Paul van Nunen, directeur van zowel Brainport Development NV als bij de Stichting Brainport. Van Nunen heeft in meerdere opzichten een brugfunctie. Voor Milieudefensie regio Eindhoven waren aanwezig Bernard Gerard, Mischa Hakvoort en Hans van der Wegen.
Het gesprek verliep in een goede sfeer. Sommige standpunten naderden of overlapten elkaar.
Van Nunen stelde dat bij alle projecten van Brainport duurzaamheid zowel doel als randvoorwaarde was. De uiteindelijke verkoopbaarheid van de producten is dat ook. Hij noemde als voorbeeld het nieuw op te richten batterijencentrum, de mobiliteitsinitiatieven en de inzet voor de gebouwde omgeving. Innovatie is echter niet garandeerbaar.
Binnen de individuele bedrijven vinden duurzaamheidsinitiatieven vooral plaats binnen de grote bedrijven als Philips en ASML. Je kunt als high tech-bedrijf niet anders, want slimme jonge mensen willen alleen bij ondernemingen werken die maatschappelijk verantwoord bezig zijn. Philips is bijvoorbeeld bezig met het demonteerbaar maken van apparaten, zodat circulariteit beter gewaarborgd wordt. In de laag grotere en kleinere MKB-bedrijven onder het grootbedrijf valt nog wel een slag te maken. Aldus van Nunen, die eraan toevoegde dat Brainport niet het soort Co2-uitstotende bedrijven heeft zoals die op bijvoorbeeld Chemelot en Moerdijk staan.
De zichtbaarheid van de duurzaamheidsinspanningen van Brainport kon inderdaad beter, aldus Van Nunen. Die had hij ten onrechte als vanzelfsprekend beschouwd.
De inplementatie binnen de regio is inderdaad een probleem, aldus Van Nunen. De strategische situatie is dat de gemeenten, soms na grote inspanning, de RES onderschreven hebben. De grote vraag is nu hoe het verder moet in de uitvoering. De grootste problemen zitten daarbij in de organisatie, de beschikbaarheid van goed personeel en de beperkte capaciteit. Geld is een kleiner probleem en als regel niet onoplosbaar. De techniek is eigenlijk geen probleem.
Interne aanbesteding, bijvoorbeeld van decentrale elektriciteitsopslag, zou kunnen helpen. In die zin ziet Van Nunen de Open Brief van Milieudefensie als ondersteuning voor zijn beleid.
Milieudefensie noemde als voorbeeld dat de gemeente Eindhoven wil dat er in 20 jaar 40.000 huizen gebouwd worden, en dat je daar een thuisaccu in zou kunnen aanbrengen om piekbelasting van het net ten gevolge van inductief koken op te vangen. Dit voornemen wordt nu gerealiseerd in flats in de Utrechtse wijk Overvecht-Noord, met steun van Stedin. Of (een ander voorbeeld) om grote batterijsystemen uit te zetten op bedrijventerreinen, als die massaal zonnepanelen gaan aanleggen (wat ze nu nog niet doen). Dit soort initiatieven zou misschien kunnen passen in een implementatie van batterijtechniek in het eigen Brainportgebied, aldus Van Nunen.
De afspraak is dat beide partijen met dit type inzichten aan de slag gaan, en dat er in januari 2022 een vervolggesprek plaatsvindt.
Structuur Brainport Development NV, de uitvoeringsorganisatie van Brainport. De Stichting Brainport (met daarin overheid, onderwijs en bedrijfsleven) is degene die strategisch leiding moet geven
Tijdens de Knegselbijeenkomst van BVM2 dd 09 oktober 2021 werd een conflict zichtbaar waarover al maanden in het Luchthaven Eindhoven Overleg (LEO) gesoebat wordt. Het vliegveld en de Rijksoverheid enerzijds, en de omwonenden anderzijds botsen over de geluidsruimte.
In zijn advies ‘Opnieuw verbonden” dd april 2019 adviseerde dhr. Van Geel om in 2030 de geluidsruimte van het vliegveld (de oppervlakte binnen de 35Ke – contour) met 30% terug te dringen. Dit naast enkele andere aanbevelingen. Dit advies werd breed ondersteund.
Dit advies moet worden vastgelegd in een nieuw Luchthavenbesluit (LHB), wat in 2023 gaat gelden. Nu is het LHB van 2014 van kracht, gebaseerd op een Milieu Effect Rapport (MER) uit 2012. In het nieuwe LHB, met MER, moet als uitgangspunt de geluidsruimte bij ongewijzigd beleid worden vastgesteld (het “referentiescenario”). Op dit referentiescenario zou dan de 30% vermindering van Van Geel in mindering worden gebracht.
Het conflict gaat er nu over op wat dat referentiescenario is. Met andere woorden, 30% van wat?
BVM2 en andere belanghebbenden in de regio gingen er als vanzelfsprekend van uit dat de geluidsruimte die was die het bestaande LHB 2014 toestaat. Dat is maximaal 10,3km2 .
Toen “Opnieuw Verbonden” uit kwam, bleek echter dat Eindhoven Airport al in 2019 met zijn geluidsruimte op 12,7km2 zat, als er met de juiste gegevens wordt gerekend. Eindhoven Airport overschreed dus al in 2019 het LHB 2014. Vliegveld en rijksoverheid lijken er van uit te gaan dat die 12,7km2 het referentiescenario moet zijn Dat is dus veel hoger dan het toen geldende wettelijke maximum
Hiermee is BVM2 het fundamenteel oneens. BVM2 vindt dat de geluidsruimte op deze manier eerst met ca 25% opgehoogd wordt, waarna deze dan weer in 10 jaar met 30% verkleind zou worden. Overigens heeft (inmiddels ex-)minister Van Nieuwenhuizen (VVD) consequent geweigerd het getal “30%” over te nemen.
De overschrijding heeft enkele oorzaken.
De 10,3km2 is in de MER 2012 berekend op basis van wat er in 2012 rondvloog, en dat doorgerekend t/m 2020. Sindsdien is het aantal kleine vliegtuigen, als deel van het totale pakket van (toen nog) 43.000 vliegbewegingen, sterk gedaald en is het aantal grote vliegtuigen sterk gestegen. Hierdoor alleen al overschreed Eindhoven Airport in 2019 de vergunde ruimte, zelfs terwijl ondertussen het aantal vliegbewegingen al teruggebracht was naar 41.500.
De grote vliegtuigen zijn zwaarder geworden (de 737-300 werd 737-800).
Het vliegveld is overgegaan op een nieuwe startprocedure (een NADP2-variant), terwijl in de MER 2012 nog gerekend werd met NADP1 (het ICAO A-startprofiel in onderstaande figuur). De NADP2-variant blijft langer dichter bij de grond en maakt dus navenant meer herrie (en deponeert daarmee overigens ook meer stikstof die juridisch meetelt).Een aangepast startprofiel zou overigens de vergunningsoverschrijding grotendeels kunnen afvangen, maar daar wil het vliegveld vooralsnog niet aan.
Hoewel directeur van het vliegveld Hellemons meldde dat partijen het op bijzaken wel eens waren (bijvoorbeeld de reductie van het aantal vliegbewegingen tot 41.500, geen geplande vluchten meer na 23.00 uur, prikkels in de havengelden en additionele criteria bij de slottoewijzing, en herstel van de correcte omgang met de meteomarge), blijft het fundamentele verschil van inzicht bestaan.
Dit zal de komende gesprekken in het LEO fors blijven belasten.
In deze kolommen is eerder aandacht besteed aan het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarin uitgesproken werd dat de provincie Drente de effecten van de uitbreiding van de lelieteelt nabij het Natura2000-gebied Holtingerveld. De zaak was aangespannen door de afdeling Westerveld van Milieudefensie, in samenwerking met Milieudefensie landelijk. Concreet waren de bedreiging voor het Natura2000-gebied de grondwaterdaling t.b.v. de lelieteelt en het spuiten van gif. Zie Rechter: inzet bestrijdingsmiddelen zonder vergunning Wet natuurbescherming voortaan taboe .
Gladiolenteelt ten Westen van Grave (mogelijk na het, vanwege Corona, niet doorgaan van de Vierdaagse)
Kort nadien heeft de SP in Provinciale Staten vragen gesteld over het vonnis. Samengevat gaan die erover in hoeverre het op een hoog abstractieniveau gestelde vonnis ook een uitwerking had op de provincie Noord-Brabant en zo ja, hoever die invloed strekte.
De vragen (dd 09 juli 2021) zijn hieronder afgedrukt.
Vragen van de SP
Is het College van GS op de hoogte van de hier beschreven uitspraak?
Ligt de strenge opvatting van het ‘project-begrip’, zoals de rechtbank Noord-Nederland die hanteert, ten grondslag aan de huidige Brabantse verlening van Natuurvergunningen? Zo niet, hoe gaat uw College daar dan in de toekomst mee om?
Is het College van GS het met de SP eens dat het abstractieniveau in de uitspraak zodanig is, dat feitelijk voor elk gif- of grondwatereffect van elk soort teelt op nabijgelegen Natura2000-gebieden een natuurvergunning nodig is, behalve als deze teelt plaatsvindt in een volledige steady state-context die al voor december 2004 bestond?
Geldt de uitspraak, naar de mening van uw College, bijvoorbeeld ook voor het toenemend uitrijden van mest nabij Natura2000-gebieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mogelijk zijn er na 2004 situaties ontstaan, waarbij uw College, met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in de hand, achteraf oordeelt dat er een Natuurvergunning aangevraagd en verleend had moeten worden, terwijl dat niet gebeurd is. Heeft u er zicht op in welke mate dit het geval is, en overweegt u stappen met terugwerkende kracht?
Ligt de opvatting van de Rechtbank Noord-Nederland dat de effecten van een project altijd in cumulatieve samenhang met andere plannen en projecten beoordeeld moeten worden, ten grondslag aan de huidige Brabantse verlening van Natuurvergunningen? Zo niet, hoe gaat uw College daar dan in de toekomst mee om?
In hoeverre deelde u de (door de Rechtbank onderuitgehaalde) opvatting van de provincie Drente dat het enkele feit, dat er een CTGB-toelating bestaat, voldoende reden is om bestrijdingsmiddelen als irrelevant te zien voor het verlenen van een Natuurvergunning? Zo dit het geval is, handhaaft u dan deze mening? Als uw College bestrijdingsmiddelen wel relevant vindt voor een natuurvergunning, welke afstand hanteert uw College dan als berekeningsgrondslag?
Op 28 september 2021 (dus na bijna drie maand) zijn de vragen beantwoord. Mogelijk is er over nagedacht. De tekst is hier te vinden –>
De provincie is het met de SP eens dat de letter van de wet ook in Brabant opgaat. Uiteraard. Specifiek betreft dat de inzet van het projectbegrip, de beoordeling van een project in cumulatieve samenhang met andere plannen en projecten, en de relevantie van bestrijdingsmiddelen voor een natuurvergunning (en daarnaast ook die van geluid en grondwateronttrekking). De provincie Noord-Brabant werkt niet met een vaste afstand van 250m,
De provincie maakt een andere inschatting dan de SP waar het gaat om de algemene strekking. De provincie brengt het Noord-Nederlandse vonnis als een specifiek geval waaraan “voorshands geen vergaande conclusies voor andere teelten en/of houderijen worden getrokken”. Verder meldt het antwoord dat de provincie Drente in hoger beroep gegaan is bij de Raad van State.
Men zou dit antwoord kunnen opvatten als een aanzet tot een Noord-Brabantse verdedigingslinie. Persoonlijk denk ik dat deze poging zal falen omdat het Drentse vonnis wel degelijk in zeer algemene bewoordingen gegoten is en daardoor het individuele geval overstijgt. Maar ik heb geen jurist en we zullen zien wat de Raad van State ervan zegt.
Hoe werkt het systeem waarmee luchtkwaliteitscriteria worden vastgesteld? De Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) brengt met enige, niet al te frequente, regelmaat de Air Quality Guidelines (AQG’s) uit. Daarin adviseert de WHO de wereld wat naar haar inzicht de maximale vervuilingsconcentraties zijn door een handvol belangrijke stoffen, die in de buitenlucht aanvaardbaar zijn, gemiddeld over een periode die van de stof afhangt.
De ‘Guidelines’ zijn precies wat het woord zegt: richtlijnen. Het zijn dus, anders dan vaak gedacht, geen normen. De WHO heeft over het gebruik van zijn richtlijnen geen rechtsmacht. Integendeel, de WHO wordt regelmatig geteisterd door politieke stammenstrijd met geopolitiek karakter (bijvoorbeeld over Covid-19) en is vooral van zijn morele en wetenschappelijke gezag afhankelijk om zijn inzichten gerealiseerd te krijgen. Het wetenschappelijke gezag, althans bij dit onderwerp, is onomstreden. Aan elke uitspraak liggen bakken met goed onderzoek ten grondslag.
Een Canadees concentratie-effect verband tussen NO2 en de algemene sterfte (voor zover niet door toevallige oorzaken). Er zijn veel van dit soort studies en die zijn allemaal net wat anders, dus verabsoluteer deze ene niet. Een Hazard Ratio van bijvoorbeeld 1.05 betekent dat er 5% meer kans is op een negatief effect. De referentie 22,9µg/m³ is willekeurig gekozen)
Luchtvervuiling met een getalsmatige omschrijving Als service aan mijn lezers heb ik de relevante lijsten uit 2005 (WHO), 2008 (EU, ook Nederland) , en 2021 (WHO) naast elkaar gezet. Binnen enkele jaren moet daar dus een nieuw setje kolommen worden toegevoegd. Ik heb ook de Europese normen erbij gezet die niet van de WHO komen,
In nogal wat steden zit de luchtvervuiling zover boven de door de WHO gewenste waarde, dat de WHO tussendoelen vastgesteld heeft “Interim Targets” (maximaal 4). De eindwaarde zit daar niet bij.Ik heb die hierboven weggelaten omdat de tabel dan onhanteerbaar wordt. Men kan ze in het originele document terugvinden.
Bij het WHO-advies zit geen tijdschema en geen verplichting in welk interimniveau een staat of groep van staten zou moeten instappen. Zoals gezegd, is dat aan de politiek. De EU zou bijvoorbeeld kunnen bepalen dat de lidstaten in 2024 voor chronische blootstelling aan PM2.5 instappen op IT3 = 15 µg/m³ , in 2027 op IT4=10 µg/m³ en in 2030 op het eindniveau 5 µg/m³ . Let wel dat dit niet meer dan een voorbeeld is, maar het geeft wel aan dat het een politieke keus is.
Voor NO2 bijvoorbeeld zijn de Interim Targets IT1=40, IT2=30 en IT3=20µg/m³, waarna de eindwaarde van 10µg/m³ volgt. De NO2 – aanscherping is het opvallendste verschil tussen de versie dd 2005 en de versie 2021. Ooit dacht men dat dat NO2 meer een diagnose-instrument was en in zichzelf niet zo giftig, maar daar denkt de WHO dus nu anders over. Alle studies samenpakkend (een ‘meta-analyse’) en met enige versimpeling zegt de WHO, dat het verschil tussen 15µg/m³ en 25µg/m³ (jaargemiddeld) goed is voor 2% extra sterfte door alle oorzaken behalve toevallige, en daarbinnen voor 3% extra sterfte voor ziektes aan het ademhalingsapparaat.
De eindwaarde 10µg/m³ is zelfs lichtelijk dramatisch, als men zich bijvoorbeeld herinnert dat het geschil over de Knip in de Eindhovense Vestdijk over een jaargemiddelde waarde ging van 45µg/m³ (in 2016). Nu was dat toen de vuilste plek in het bewoonde gebied van Eindhoven en er zijn maatregelen genomen, maar de verschillen binnen Eindhoven en Brabant zijn nog steeds groot. Zie bijgevoegde NO2– kaart over 2019 uit de Atlas van de Leefomgeving ( https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten – je kunt daar uitvergroten en locaties aanklikken):
NO2-kaart van het gebied Helmond-Eindhoven-Tilburg-Den Bosch over 2019
10µg/m³ verschil haal je binnen Eindhoven wel. Ter vergelijking: Schiermonnikoog zit op 7µg/m³ .
Het betekent zeer veel minder verbrandingsprocessen.
Luchtvervuiling zonder getalsmatige omschrijving Over drie categorieën luchtvervuiling bestaat genoeg zorg om uitspraken te willen, maar nog niet genoeg onderzoeksmateriaal om die uitspraken te kunnen doen. Althans, als dat kwantitatief moet. Het betreft ultrafijnstof (UFP), BC/EC (in de volksmond roet), en Sand and Dust Storms (SDS). Ik heb hier onlangs al iets over geschreven, omdat het advies van de Nederlandse Gezondheidsraad over ultrafijn stof ongeveer tegelijk uitkwam met het advies van de WHO. Zie https://www.bjmgerard.nl/?p=16677 .
De WHO beperkt zich nu tot kwalitatieve uitspraken, die vooral handelingsvoorschriften zijn (‘good practice statements’). Daarvan bestaat een nette, samenvattende tabel die ik hieronder (vertaald) zal geven voor de eerste twee categorieën. De derde is niet voor Nederland van belang, maar wel voor landen met een flinke lap woestijn binnen de grenzen. In Nederland heb je kleine stuivende lapjes richting woestijn in de aspergevelden in een droog voorjaar, maar dat mag als zandstorm geen naam hebben.
Opbouw van een roetkorrel
BC/EG (technische aanduidingen voor roet) 1. Doe systematische metingen van black carbon en/of elementaire koolstof. Dergelijke metingen mogen niet in de plaats komen van of leiden tot een vermindering van de bestaande bewaking van die verontreinigende stoffen waarvoor al richtlijnen bestaan. 2. Inventariseer de emissies, beoordeel de blootstelling en koppel BC/EC aan bronnen 3. Neem maatregelen om de uitstoot van BC/EG binnen het betrokken rechtsgebied te verminderen en ontwikkel, waar nodig, normen (of streefcijfers) voor BC/EG-concentraties in de lucht.
UFP 1. Kwantificeer UFP in de lucht met een PNC (Particle Number Concentration in /cm3) vanaf een ondergrens van ≤ 10 nm en zonder bovengrens. 2. Breid de bestaande bewaking van de luchtkwaliteit uit door de monitoring van UFP te integreren in de bestaande monitoring van de luchtkwaliteit. Neem naar grootte gesegregeerde real-time PNC-metingen in geselecteerde luchtmeetstations op, naast en samen met andere vormen van luchtvervuiling waaronder fijnstof. 3. Maak een onderscheid tussen lage en hoge PNC om de emissiebeheersing door UFP-bronnen te prioriteren. Onder lage PNC kan worden verstaan < 1 000 deeltjes/cm3 (24-uurgemiddelde). Een hoge PNC kan worden beschouwd als > 10 000 deeltjes/cm3 (24-uurgemiddelde) of 20 000 deeltjes/cm3 (1-uurgemiddelde). 4. Gebruik opkomende wetenschap en technologie om betere invalshoeken te vinden voor de beoordeling van en blootstelling aan UFP , voor toepassing in epidemiologische studies en het beheer van UFP.
Aanvullende geldigheidsomschrijvingen: 1. De uitspraken zijn zowel buitenshuis als binnenshuis geldig, maar: 2. De WHO-studie gaat niet over de werkomgeving (daarvoor bestaan andere documenten) 3. De studie gaat over afzonderlijke stoffen en niet over mengsels 4. De studie gaat niet over persoonlijke beschermingsmiddelen (daarvoor bestaan andere documenten)
Lees dit als volgt: Ga uit van de situatie in 2016. Toen stierven er in Afrika aan PM2.5 474.000 mensen. Zou men in Afrika voor PM2.5 Interim Target 2 bereiken (25microgram/m3), dan zouden er 349.000 mensen aan PM2.5 sterven (met een onzekerheidsmarge). Het verschil is ruim een kwart van de sterfte in 2016. De procentschaal is dus cumulatief. In Europa maakt het bereiken van bijvoorbeeld Interim target 2 veel minder verschil, omdat het gros van de Europese landen al verder is. Daar begin je pas vanaf Interim target 3 echt verschil te zien (15microgram/m3).
De chipmachinefabriek ASML in Veldhoven, op industrieterrein De Run, groeit aan alle kanten uit zijn voegen: nu 16.000 en over een paar jaar 20.000 werknemers. Dat leidt tot steeds grotere verkeersproblemen.
Het ASML-gebouw in de verte
De gemeenten Eindhoven en Veldhoven, de provincie Noord-Brabant, ASML en het ministerie van I&M hebben in augustus 2019 een samenwerkingsbijeenkomst getekend met openbaar vervoer- oplossingen, een goede fietsaanpak, verbetering van de Kempenbaan Oost, en een systeem van parkeren op afstand met duurzaam vervoer van en naar het industrieterrein.
Dat parkeren op afstand leidde tot commotie toen een dergelijke locatie gepland was in een natuurgebied in Waalre-Noord. Milieudefensie heeft daar actie tegen gevoerd, met als gevolg dat het plan uit beeld verdween.
Daarna heeft Milieudefensie Eindhoven met ASML gesproken (12 nov 2019), in welk gesprek ASML nadere toelichting gaf op de plannen, en op de problemen die ontstonden bij de realisatie. Een voorbeeld was een voorgenomen transferium op het (toen) E3-strand, nu landgoed Duynenwater.
Het Eindhovens Dagblad van 28 sept 2021 meldt nu dat het E3-transferium gerealiseerd is, vooralsnog voor vijf jaar. Er worden ruim 2000 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarna de laatste kilometers worden afgelegd met de bus of de elektrische fiets (1200 fietsparkeerplekken). Er wordt ook gewerkt aan andere transferiumpunten, bijvoorbeeld in Veghel.
Bij de ASML-gebouwen zelf zijn er ruim 6500 parkeerplaatsen (vooral in de parkeergarage langs de A67), en dat worden er niet meer ook al is de behoefte ruim het dubbele. “We willen de medewerkers uit de auto krijgen” aldus directeur vastgoed Wartenbergh, indertijd gesprekspartner van Milieudefensie. Het ‘nieuwe normaal” wordt extra plek voor fietsparkeren. Dat wordt 5500 plekken.
Er wordt, in samenwerking met andere grote bedrijven, ook gewerkt aan provinciale “business-buslijnen” en aan de reisapp Turnn, samen met de gemeente Eindhoven, en aan een carpoolsysteem. Op de ASML-camping komen ook maatschappelijke voorzieningen, zoals een supermarkt.
ASML verwacht dat na Corona zo’n 20% structureel zal worden thuisgewerkt (zie Thuiswerken en de gevolgen voor wonen, werken en mobiliteit ), en streeft ernaar dat het autoaandeel in het woon-werkverkeer daalt van 69% naar 47% eind 2025.
Het advies is een vervolg op een eerder advies “Gezondheidswinst door schonere lucht”(2018). Op basis hiervan is het Schone Lucht Akkoord tussen de gemeente en de lagere overheden opgezet. Bij de bespreking van het advies uit 2018 bleven er vragen over over ultrafijnstof (UFS in het Nederlands, Ultrafine Particles, UFP, in het Engels. UFP is beter, want de particles hoeven niet vast te zijn wat ‘stof’ suggereert). Dat was de aanleiding voor het nu uitgekomen verzoek. Een artikel op de site over het advies uit 2018 is te vinden op Gezondheidswinst door schonere lucht . Een reactie op deze site, met verdere verwijzing, op het Schone Lucht Akkoord in Brabant is te vinden op Het Schone Lucht Akkoord in Brabant .
Over het PM-systeem en over roet Voorafgaande aan het rapport van de Gezondheidsraad wat nadere uitleg en historie. Er zijn soms misverstanden in omloop.
Dat er verband is tussen stof enerzijds en ziekte en dood anderzijds, is op zich al sinds de prehistorie bekend: zandstormen. Ook in de nabije historie is er een rijke documentatie van stofstormen, zoals de Dust Bowls in de VS. Zie bijvoorbeeld Dust pneumonia blues (Woody Guthrie) en History Brief: Dust Pneumonia and Dust Storm Preparations . Wie verband zoekten zoekt tussen ecologisch wanbeheer, extreme droogte en (in dit geval binnenlandse) migratie kan er terecht.
Ook silicose bij mijnwerkers is bekend.
‘Oud’ is echter niet ‘voorbij’. Nog in september 2021 was er een geschil tussen de Inspectie SZW enerzijds en Prorail anderzijds,over het vrijkomen van respirabel kwartsstof bij de aanleg van ballastbedden voor spoorrails. Zie SZW: ProRail mag geen kwartsstof meer gebruiken in tunnels en bij treinstations_SpoorPro_23sept2021 In het recente luchtkwaliteitsadvies van de WHO komen overigens zand- en stofstormen weer terug.
Gaandeweg is sinds die tijd de PM-aanduiding in zwang gekomen. Met PM10 wordt bedoeld een verzameling deeltjes met een (voor fijnproevers: aerodynamische) diameter <10µm (1µm is eenduizendste millimeter). In principe kun je PM-elk getal doen (een verzameling zandkorrels van 1mm is dan PM1000) en loopt bovenstaande stofstorm ergens van PM2 tot PM300. Dat is uiteraard afhankelijk van waar het zand of stof vandaan komt). Gebruikelijk zijn echter de getallen PM10, PM2.5, soms PM1 en PM0.1 . Vanaf PM10 naar beneden heet het fijnstof en vanaf PM0.1 naar beneden heet het ultrafijn stof (UFS of UFP). Zomaar wat voorbeelden:
Een mensenhaar is ongeveer 50 µm dik
Een covid19-virusdeeltje is ongeveer 0,08 µm. De druppeltjes waar ze in zitten zijn enige tiende tot enige honderden µm , afhankelijk van allerlei aannames.
Een E.colibacterie is 1 a 2 µm
Typische luchtvaartemissies zitten rond de 0,02 µm
Een moderne Dyson Microstofzuiger adverteert dat hij 99,99% van de deeltjes tot 0,3 µm tegenhoudt
Een enkel ammoniumnitraatmolecuul (een gangbaar secundair reactieproduct tussen ammoniak uit de landbouw en doorgereageerde stikstofoxides uit de straalmotor) is ongeveer 0,0003 µm . Dat is meteen ongeveer de onderkant van de PM-schaal, als men die hier nog zou hanteren.
Een enkel benz(a)pyreen-molecuul (een beruchte polycyclische aromaat die zeer kankerverwekkend is) is 0,00085 µm lang. Het molecuul vormt met zichzelf en verwante moleculen aggregaten die wij als roet kennen, en die in de orde van grootte van een halve micrometer of meer zijn (en dus niet meer ultrafijn).
Let wel dat de aanduiding UFS/UFP dus een grootte-aanduiding is. Dat was de vraag die aan de Gezondheidsraad gesteld werd. Een uitdrukking als ‘roet’ is een samenstellingsaanduiding en viel dus niet in de taakopdracht. Daarom, en omdat het meeste roet, uitgedrukt als gewicht, buiten de UFP-categorie valt, is het in de studie buiten beschouwing gebleven.
Historisch gezien werkte de wetenschap van grof naar fijn om de eenvoudige reden dat de meetmethodes steeds beter werden. De wetenschap begon zonder PM-aanduiding en verschoof toen via PM10 en PM2.5 naar PM1 en PM0.1 , waar nu ongeveer het front ligt. Voor PM2.5 wordt er al een kleine acht jaar een omvangrijke epidemiologisch corpus opgebouwd. Er beginnen nu resultaten binnen te komen voor het submicrometergebied, maar nog niet zoveel dat er op dit moment getalsmatige richtlijnen en normen bestaan. Ook het recente rapport van de WHO (dd sept 2021) beperkt zich tot kwalitatieve uitspraken en een pleidooi voor verdere studie.
De research is wel zover dat men tot de communis opinio gekomen is, dat UFP niet meer gewogen maar geteld worden met, in de EU, een gestandaardiseerde telmethode. UFP zijn zo licht, dat zelfs een enorm aantal qua gewicht in het niet valt bij één PM2.5-deeltje. De eenheid is daarom het aantal deeltjes per cm3 (#/cm3 ). In zijn recente rapport noemt de WHO <1000 #/cm3 (etmaalgemiddeld) weinig en > 10.000 #/cm3 (etmaalgemiddeld) of 20….000 #/cm3 (uurgemiddeld) veel, maar dat is geen formeel advies.
De research is nog niet zover dat er een systeem van emissieregistratie bestaat, en dat er UFS-meetnet is. TNO runt een permanent meetpunt in Cabauw in Utrecht, en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit heeft een meetpunt in Amsterdam-Osdorp (ingesteld voor het Schipholonderzoek en daarna overgenomen door de gemeente Amsterdam, zie gemiddelde UFP-concentraties in Osdorp in 2019).
Omdat de deeltjesomvang als criterium is ingesteld, is er veel discussie of de vele samenstellingen en herkomstbronnen binnen dezelfde groottecategorie allemaal even gevaarlijk zijn. Dat is nog onbeslist. Ikzelf bijvoorbeeld (maar daarover schrijven de WHO en de Gezondheidsraad niet) vraag me af of goed in water oplosbare secundaire producten als ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat niet gewoon in het longvocht oplossen en dan dus deeltje-af zijn. De twee stoffen zijn niet inherent gevaarlijk. Waar dan tegenover staat dat roet-achtige stoffen dus misschien extra gevaarlijk zijn. Nader onderzoek moet dat leren.
Bronnen en gedrag van UFS Primair ultrafijnstof wordt vooral uitgestoten als direct product van verbrandingsprocessen (bijvoorbeeld submicrometer roet). Secundair UFS wordt gevormd uit gassen die bij die verbrandingsprocessen vrijkomen (bijvoorbeeld SO2 en NO en NO2), die eerst verder oxideren en dan andere gassen pakken (zoals bijvoorbeeld ammoniak uit de landbouw). Het resultaat zijn zeer kleine korreltjes vaste stof als ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Wat ook kan is dat doorgereageerde SO2 uit zwavelhoudende brandstof waterdamp om zich heen verzamelt en dan druppeltjes zwavelzuur vormt. Men kan de atmosfeer het beste zien als een groot en ingewikkeld reactievat waarin van alles mogelijk is, en waarin zich mensen bevinden.
Omdat de reactieve UFS-sen al gauw zichzelf of andere deeltjes vastpakken, klonteren ze en verdwijnen ze, doordat ze de PM0.1-grens overschrijden, uit de definitie (niet uit de atmosfeer). Ze kunnen bijvoorbeeld ook uit de atmosfeer verdwijnen bij een regenbui (stikstofdepositie) of smogreacties aangaan. Een gemiddeld UFP-deeltje leeft ca drie uur, maar ze worden steeds weer aangevuld.
Concentraties UFS-concentraties (en ook roetconcentraties) zijn dan ook sterk tijd- en plaatsgebonden. Afhankelijk van de omstandigheden draagt UFP-vervuiling enkele honderden meters tot enkele tientallen kilometers. Bij de Atlas van de Leefomgeving zie je op een roetkaart de wegenstructuur zeer veel beter dan op een PM10-kaart. Uit deze vaststelling volgt logischerwijs dat een gemeentebestuur zeer veel beter roetconcentraties kan beïnvloeden dan PM10-concentraties.
Alle luchtvervuiling bevat een achtergrondcomponent en een regionale-lokale component. De linker tekening (beide tekeningen afkomstig uit het achtergronddocument Blootstelling en in #/cm3) geeft de achtergrondconcentraties in Nederland (wat je krijgt als je alle nabije, geprononceerde bronnen wegdenkt). De rechtertekening is een voorbeeld van de berekende impact van vijf industriele lozers op de Particle Numbers (PN) in de Rijnmond in 2012, op basis van hun zwavelemissies.
Omdat PM0.1-concentraties sterk tijd- en plaatsgebonden zijn, en omdat er veel informatie ontbreekt, kan men op basis van modelberekeningen slechts tot schattingen komen van een wijde range aan mogelijke concentraties. Dat geeft onderstaande schets (kijk ook even terug naar wat de WHO als ‘weinig’ en ‘veel’ beschouwt.
Medische effecten UFP-vervuiling treedt altijd op in combinatie met andere vervuiling (NOx, PM2.5, roet). Die zijn ook schadelijk. Het is niet eenvoudig om de schade, die specifiek veroorzaakt wordt door UFP, te isoleren van schade door andere stoffen in die context (‘co-pollutants’). Dat gebeurt eigenlijk pas na 2017.
Na 2017 hebben er 16 studies plaatsgevonden, waarvan 13 met correctie voor co-pollutants. Dit aantal is overigens nog steeds niet heel erg groot. De Gezondheidsraad geeft dit overzicht alleen voor lange blootstellingsduren. In het achtergronddocument ‘Gezondheidseffecten’ wordt een en ander meer in detail besproken. Er staan daar enkele kortlopende studies genoemd, waaronder rond Schiphol.
De Gezondheidsraad hanteert een systeem van de Environmental Protection Agency (EPA) in de VS. Die hanteert voor de bewijskracht de niveau’s ‘aangetoond’, ‘waarschijnlijk’, ‘indicatief’ en ‘onvoldoende’. Langs deze meetlat gemeten, is de bewijskracht, volgens de Gezondheidsraad, in sommige gevallen verschoven van ‘onvoldoende’ naar índicatief’.
Voor kortdurende respectievelijk langdurige blootstelling levert dit op:
Het achtergronddocument ‘Gezondheidseffecten’bevat een lijst met gegevens van 26 langlopende onderzoeken (de 10+16 uit tabel2). Ik heb er hieronder één groot onderzoek uit 2019 uit Toronto afgedrukt als voorbeeld.
Voor nadere informatie verwijs ik naar de hoofdtekst en het achtergronddocument. Beschrijving voert hier te ver en ik ben terughoudend met het schrijven van medische teksten.
Er wordt veel gespeculeerd over of het thuiswerken tijdens Corona een blijvertje is, en zo ja, wat daarvan de te verwachten gevolgen zijn voor de woningmarkt, de kantorenmarkt en de mobiliteit. Het PBL (PlanBureau voor de Leefomgeving) heeft (uit eigen beweging) geprobeerd om dat te kwantificeren. Zie https://www.pbl.nl/publicaties/thuiswerken-en-de-gevolgen-voor-wonen-werken-en-mobiliteit .
Ik heb op deze locatie vooral interesse in het mobiliteitsaspect, omdat dat een relatie heeft met milieu en klimaat. De effecten op woning- en kantorenmarkt blijken er overigens niet te zijn, althans niet binnen de beperkingen van dit onderzoek. Omdat inmiddels de 29000ste bezoeker aan de home page van deze site gepasseerd is, af en toe een persoonlijke zijsprong.
De methode Het voorspellen van de toekomst is altijd lastig, vooral vooraf. Het PBL heeft naar vermogen geprobeerd er wat van te maken met een omvangrijke literatuurlijst van mede-toekomst voorspellers, bestaande statistiek van o.a. KIM en CBS, en diepte-interviews met 35 thuiswerkers uit focusgroepen. Maar ik blijf enige scepsis houden over voorspellingen, mede omdat de uitkomst van nog te ontwikkelen handelen van overheden en werkgevers afhangt.
De studie bevat hier en daar slordigheden (volgens mij zijn de koppen bij tabel 8.3 fout en is fig. 8.5 onvolledig afgedrukt). Verder hanteert ook deze studie de ergerlijke gewoonte om van alles te bewijzen met alleen maar procenten/procentpunten, waarbij halverwege de rekenbasis verspringt. Je kunt het zelfs niet in de bijlage opzoeken. Dat soort praktijken dienen eigenlijk verboden te worden.
Dat neemt niet weg dat ik inschat dat het verhaal basaal klopt.
Hoewel mijn focus niet op de sociologie is, maar op de uitwerking op de mobiliteit, wil ik toch de lezer dezes wat sappige details niet onthouden die de droge PBL-tekst verlevendigen. Zoals van die mevrouw die alleen maar kon thuiswerken als vriendlief de papegaai mee naar boven nam, maar vriendlief was er helaas niet altijd. Waarbij vaak de hond een belangrijk begunstigde van het thuiswerken was. Of het echtpaar dat geen goed collegapaar was: “Hij vond dat ik te hard praatte, dat ik te veel op het toetsenbord sloeg, ik vond dat hij smakte, dus wij werken niet op dezelfde verdieping en wij zien elkaar overdag ook niet.”.
Heel erg grosso modo stellen de meeste thuiswerkers een mix op prijs “Er gebeuren toch wel goede dingen bij het koffiezetapparaat. Alleen zou ik dan bijvoorbeeld vier dagen willen werken en één dag thuis om toch die productieve dag te hebben, dus eigenlijk weer precies geflipt. Ja, omdat ik ook gewoon veel met studenten werk, mensenwerk doe. Dus contact is gewoon heel belangrijk. Voor het werk zelf vind ik het vaak niet nodig om naar het werk te gaan: de computer die ik hier heb staan is dezelfde als die op kantoor”.
De omvang van het thuiswerken Het eerste wat opvalt is dat, anders dan wellicht gedacht, het thuiswerken tijdens Corona niet sterk toegenomen is en vóór Corona ook al een beetje toenam. In 2013 werkte 6% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 31% soms en 63% nooit. In het vierde kwartaal van 2019 (net voor Corona) werkte 6% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 35% soms en 59% nooit. In het vierde kwartaal van 2020 werkte 17% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 29% soms en 54% nooit. Met andere woorden, de belangrijkste verschuiving is binnen de groep die al thuiswerkt, en wel van soms naar altijd.
Van de ‘nooit-groep’ (het gele gebied boven) heeft een deel een beroep dat zich, in elk geval op papier, zou lenen voor thuiswerken. Hoe groot die groep is, valt door het gehannes met procenten en procentpunten niet te achterhalen. Na enig gepuzzel kom ik op ca 20 a 25% van de hele werkzame beroepsbevolking. Je zou zeggen dat er nog enige reserve is.
(een verplaatsing is een ‘enkeltje’. Een gemiddeld aantal verplaatsingen kan 1,0 zijn vanwege part time-werk en thuiswerk. De tabel vergelijkt het 4de kwartaal van 2019 met dat van 2020. Een ‘levensgebeurtenis is bijvoorbeeld een sterfgeval of een nieuw kind).
Wat heeft dat voor gevolgen voor de mobiliteit? Thuiswerken heeft twee voor de hand liggende effecten op het woon-werkverkeer: er vinden minder bewegingen plaats, en spitsmijden wordt makkelijker. Daar staat tegenover dat het aantal verplaatsingen voor andere doelen dan het woon-werk verkeer toe blijkt te nemen, wat de winst bij het woon-werkverkeer deels ongedaan maakt.
Per saldo is het voornaamste effect, aldus het PBL, dat de spits ontlast wordt. Het PBL kwantificeert elke 1% minder autokilometers, op basis van eerdere literatuur, op 3 a 4% minder files – als het meezit, zelfs nog meer.
OP basis van de interviews meent het PBL te weten dat Corona een blijvend effect zou kunnen hebben van 8% minder woon-werkverkeer.
De omslag van kwantiteit in kwaliteit Ik ben in mijn politieke jeugd bij de SP opgevoed met de marxistische filosofie van het dialectisch materialisme. Ik heb daar nooit spijt van gehad. De SP is er mee gestopt, en daar hebben ze nu misschien wel spijt van – dat zou in elk geval zo moeten zijn.
Een van de dialectische wetten is de omslag van de kwantiteit in de kwaliteit. Een grootheid kan een tijd lang gradueel verschuiven tot er een sprongsgewijze verandering optreedt. Het is ook in de natuurwetenschap een bekende gedachte, alleen heet die daar anders (bijvoorbeeld een fase-overgang). Met enige fantasie kun je trouwens filevorming ook wel als een fase-overgang zien.
De gevoeligheid van files voor het aantal autokilometers (die in de PBL-studie wel benoemd wordt) hangt van een onderliggend proces dat in de PBL-studie niet apart benoemd wordt, namelijk de I/C – verhouding van een wegtraject of kruispunt (de intensiteit van het aantal auto’s gedeeld door de maximale capaciteit). Laat de intensiteit van het autoverkeer op een traject toenemen vanaf 0, dan ontstaat er een sprong (in de vorm van het ontstaan van files) bij een I/C verhouding van 0.85. Kort door de bocht, geen files als I/C < 0,85 en wel files als >0,85. Ik ben er mee doodgegooid bij discussies over de Ruit om Eindhoven (waarvan het meest omstreden deel, de weg langs het Wilhelminakanaal, uiteindelijk niet doorging – een grote triomf Ruit-zombies (update dd 8 april 2018) .
Gevolgen voor het handelen van de overheid Het eerste wat de overheid moet doenis het blijvende voordeel van thuiswerken vastleggen, want dat voordeel is niet vanzelfsprekend. Dat werkt vooral via de werkgevers. Thuiswerken als volwaardige vorm van arbeid moet worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door het accepteren van variabele werktijden. Thuiswerkmogelijkheden en thuiswerkvergoedingen worden nu al in sommige CAO’s vastgelegd. Ook kan een ander beleid gehanteerd worden t.a.v. leaseauto’s.
Het voordeel voor de overheid kan zijn dat er minder investeringen in infrastructuur nodig zijn. Nu worden autowegen en treinverbindingen vaak op piekbelasting gedimensioneerd. “De toegenomen flexibiliteit zorgt ervoor dat de piekbelasting van het wegennet en het openbaar vervoer afneemt, waardoor beleidsmakers zich moeten afvragen of geplande uitbreidingen van snelwegen of treinverbindingen wel nodig blijven”, stelt hoofdonderzoeker Edwin Buitelaar.
Deze maand gaat een tweejarig project van start waarin het Nederlandse Deltares, samen met het World Resources Institute en het World Wildlife Fund, een nieuw informatieplatform gaat bouwen dat precies laat zien hoeveel zoet oppervlaktewater er op elke plek op aarde is: Global Water Watch.
Met de informatie uit de Global Water Watch kan het water in de samenleving beter in evenwicht worden gebracht en kunnen overstromingen en droogtes die veroorzaakt worden door klimaatverandering, beter worden beheerst. Om dit evenwicht te helpen bereiken, zal de Global Water Watch openbare informatie verstrekken over beschikbare zoetwatervoorraden.
Global Water Watch wordt gratis toegankelijk en overheden en burgers kunnen er, online en via een app, informatie krijgen over waterstanden in hun regio.
Google heeft meebetaald aan het project.
De analyses worden in hoofdzaak gebaseerd op satellietmetingen van NASA en ESA, in combinatie met metingen ter plaatse
Deltares zal zich gaan richten op remote sensing en het ontwikkelen van machine learning-algoritmen (de ruwe data zijn zonder deze bewerking niet goed genoeg voor beleid). De rol van WRI in dit project is om de eisen van de gebruikers in kaart te brengen en pilots te ontwikkelen. WWF zal de vertaalslag maken naar belanghebbenden en zal de dialoog faciliteren binnen lokale gemeenschappen, die er gebruik van kunnen maken.
Onderstaande foto is een detail uit een grotere foto, die door de ESA (European Space Agency) gemaakt is door satellietopnamen met de Sentinel-1 van 03 en 15 juli 2021 te vergelijken, en daar kunstmatige intelligentie op los te laten. Op de foto zijn de overstroomde gebieden langs de Maas te zien ten Zuiden van Roermond.
Op de site van de gemeente Tilburg staat een persbericht dat ik hieronder overneem. Ik vind dat er goede ideeën in zitten waar men ook in Eindhoven (waar ook veel binnenstedelijk gebouwd wordt) naar zou kunnen kijken.
De leefbaarheid van Tilburg is er mee gemoeid. En omdat een ondergrondse parkeerplaats €50.000 per stuk kost (welk bedrag uiteindelijk in de koop- of huurprijs van de appartementen terecht komt), kan een kelderloze flat tot goedkopere appartementen leiden – in ruil waarvoor men de immateriele prijs betaalt dat men zijn/haar verplaatsingsbehoefte anders moet invullen.
Een wat uitgebreider artikel staat in het Brabants Dagblad van 11 september 2021 onder de kop “Tilburg gaat strijd aan met ruimtegebrek voor auto’s” .
Nieuw beleid parkeren en deelmobiliteit
Het college wil één systeem voor deelmobiliteit ontwikkelen. Ook wil het parkeerplaatsen in parkeergarages beter benutten. Dit om genoeg ruimte te houden in de stad voor bijvoorbeeld parken en terrasjes.
De komende 20 jaar komen er in Tilburg zo’n 25.000 woningen bij. Het gemeentebestuur wil die woningen bijna allemaal bouwen binnen de bestaande stad. Deze zogenoemde verdichting heeft grote gevolgen voor het gebruik van onze openbare ruimte.
Het college stelt daarom voor om voor heel Tilburg één systeem voor deelmobiliteit te ontwikkelen, zodat mensen minder afhankelijk worden van een eigen auto. Ook wil het college de parkeerplaatsen in parkeergarages, die een groot deel van de tijd leeg staan, veel beter benutten. Een slim systeem met abonnementen moet daarvoor zorgen. Daarnaast wordt daar waar dat mogelijk is, extra parkeerruimte bijgebouwd binnen grotere bouwprojecten, met mogelijkheden voor dubbelgebruik voor bewoners en bezoekers. Tot slot komt er een concreet toekomstplan voor transferia. Dat zijn parkeervoorzieningen aan de rand van de stad, met snelle verbindingen met het centrum.
“We moeten ervoor zorgen dat we genoeg ruimte behouden voor groen, voor voetgangers, fietsers en om prettig te verblijven op de pleinen, parken terrasjes en in parken. Dat betekent dat de ruimte voor de auto, met name in en rond de binnenstad, kleiner wordt”, aldus wethouder Rik Grashoff (parkeren, mobiliteit en binnenstad).: “Met deze groei van onze stad en de eisen die dat stelt aan een leefbare, groene en veilige openbare ruimte, zijn slimme en schone mobiliteitsoplossingen dringend nodig. We hebben over dit thema al belangrijke besluiten genomen of gaan die snel nemen, zoals over ons wegennetwerk en de cityring. Maar ook het voorkomen van een verdere toename van de parkeerdruk in mhet name de binnenstad is belangrijk. Daarvoor stellen we nu het nieuwe actuele parkeer- en deelmobiliteitsbeleid vast.”.
Nieuw beleid
Het nieuwe parkeer- en deelmobiliteitsbeleid bestaat uit 4 onderdelen:
We benutten de restcapaciteit in parkeergarages in de binnenstad beter. Vooral in de avonden en buiten de weekenden zijn er nog veel ongebruikte parkeerplaatsen in de parkeergarages. Maar zelfs tijdens de piekuren staan er nog honderden parkeerplekken leeg. De bedoeling is dat meer inwoners deze vrije plekken in de garages benutten door hun auto minder op straat te parkeren, en maar meer in een parkeergarages. Hiervoor wordt een nieuw systeem van abonnementen ontwikkeld.
We stimuleren deelmobiliteit. Dit betekent minder eigen auto’s en meer elektrische auto’s die gedeeld worden door een straat of buurt. De gemeente wil hier de regie nemen om, samen met organisaties die hiervoor oplossingen voor bieden, een nieuw systeem voor te maken.
We onderzoeken of het voor grote gebiedsontwikkelingen in de stad mogelijk is om daarbinnen parkeervoorzieningen bij te bouwen, die zowel door bewoners als bezoekers gebruikt kunnen worden.
We werken een concreet plan uit voor zogenoemde transferia:, parkeervoorzieningen aan de rand van de stad, met snelle verbinding met het centrum.
Deze onderdelen worden de komende periode verder uitgewerkt. Gesprekken hierover met belanghebbende organisaties zijn al opgestart. Binnenkort worden hierover ook gesprekken georganiseerd met betrokkenen uit de (binnen)stad.
Vervolg
In november behandelt de gemeenteraad de actualisatie van het parkeerbeleid en deelmobiliteit. Meer informatie hierover is te vinden op de webpagina met raadsinformatie.