GS reageren op zienswijze Milieudefensie Eindhoven op de NRD RES MRE

Op 26 januari 2021 hebben Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Brabant hun reactie vastgesteld op de zienswijzen en dat verwoord in de gebruikelijke Nota van Zienswijzen. Er waren 15 zienswijzen.
De Nota van Zienswijzen is hieronder te vinden:

Het indienen van deze zienswijze is in een eerder artikel op deze site aan de orde geweest, zie www.bjmgerard.nl/?p=14059 .

Een van de zienswijzen was van de provincie Limburg die terecht stelde dat het wel handig zou zijn om aan weerszijden van De Peel (en dus van de provinciegrens) ongeveer dezelfde afspraken te hanteren. Dit is gehonoreerd.

Van de 14 zienswijzen uit Brabant waren er negen van particuliere inwoners die, in minder of meer professionele bewoordingen, vooral tegen wind- en zonneparken in de buurt pleitten (veel uit Laarbeek). Bijvoorbeeld omdat ze er een recreatieonderneming hadden of een paardenbedrijf. Over het algemeen werd dit alles afgewezen omdat de PlanMER te grootschalig was voor kleine belangen en/of omdat de wettelijke normen het afdekten.
Er was een zienswijze van de Brabantse Milieu Federatie (BMF) en van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO), die op ondergeschikte punten wat binnenhaalden, en er waren twee lokale actiegroepen voor natuurbehoud (gesteund door de natuurorganisaties) die geen windturbines wilden in het gebied Beekloop-Koolbliek ten zuiden van Valkenswaard, die alleen formele afwijzingen binnenhaalden.

En er was dus de zienswijze van Milieudefensie Eindhoven, waar overigens ook in staat dat niet of slechts bij hoge uitzondering opwek in Natura2000 of het Natuur Netwerk Brabant moet plaatsvinden. Het kaartje is een goed voorbeeld van de mogelijke spagaat tussen natuurdoelen en klimaatdoelen.

Sowieso is de beantwoording in de Nota van Zienswijzen juridisch formeel. De opdracht was om de milieugevolgen in kaart te brengen van grootschalige opwek met wind en zon in het MRE-gebied, niet meer en niet minder. En dit gegeven de bestaande landelijke en provinciale ruimtelijke ordening-wetgeving.

De positie van Milieudefensie Eindhoven was in zoverre lastig, dat je je moet conformeren aan het wettelijk kader zoals de Zonneladder (nationale Omgevingsvisie) en de tijdelijkheid van opwek-inrichtingen (provincie). De inbreng van Milieudefensie Eindhoven verwerd daardoor tot een salvo politieke schoten voor de boeg, waarmee de PlanMER niks kan of niks wil. Milieudefensie Eindhoven meent dat niet alle mooie doelen gelijktijdig uitvoerbaar zijn en dat de koers van de planMER moet gaan in de richting va een kleinere landbouw) – het is per slot van rekening een NRD waarvan de bedoeling is dat die richting aangeeft. Dat werd afgepoeierd als taak van de belangenafweging na de PLanMER.
Dat de Integrale Strategie Ruimte van de MRE slechts ruimte als consumptieartikel voor menselijk gebruik ziet, en het woord  “– klimaat” slechts in combinatie met het woord “vestigings” gebruikt, werd niet weersproken. Gewezen werd op een recenter MRE-document “Streefbeeld Landelijk Gebied” waar wel wat over klimaat en energietransitie in staat. Dit document (dat in 2020 door de 21 gemeenteraden is vastgesteld) maakt inderdaad meermalen melding van de energietransitie en de klimaatadaptatie, maar het blijft nog erg afstandelijk. Zie https://metropoolregioeindhoven.nl/thema-s/transitie-landelijk-gebied , link “streefbeeld”.

Milieudefensie blijft het verloop volgen.

Circulair appartementencomplex in Monnickendam volledig opgetrokken uit hout

CLT-plaat

VolkerWessels is vandaag met de bouw gestart van een uniek appartementencomplex in Monnickendam (gemeente Waterland). Het gebouw bestaat grotendeels uit CLT (Cross Laminated Timber – naaldhout waarvan lagen kruiselings op elkaar gelijmd zijn), ondersteund met traditioneel metselwerk en aluminium gevelelementen.
Het bouwen is koolstofnegatief (netto wordt er koolstof langdurig vastgelegd). De bouw is prefab en remontabel en daardoor volledig circulair. Door deze opzet blijft de bouwtijd beperkt tot vijf maand.
Het wonen in de bouw is all electric. Door de zeer goede isolatie zijn de energielasten laag.

Ik druk hieronder het persbericht van VolkerWessels af omdat ik het een mooi plan vind, en omdat ik het wil gebruiken als argument tegen niet goed ingelichte milieuactivisten die er heilig van overtuigd zijn dat houtige biomassa bestreden moet worden, terwijl ze in feite de reguliere bosexploitatie willen beëindigen. Zie onder andere Slecht Investico-onderzoek over Estlandse bomen en NEN-norm benadeelt bouwen in hout en Waugh Thistleton architects beroemd om houtbouw en Houtbouw voor het klimaat – terug naar de toekomst .

Het komt van www.volkerwessels.com/nl/nieuws/starthandeling-uniek-houten-woongebouw-in-monnickendam .


De bouw van het houten woongebouw M’DAM aan de Pierebaan in Monnickendam is van start gegaan. Wethouder Jelle Kaars van de gemeente Waterland zette vandaag symbolisch de eerste schop in de grond en gaf hiermee het startsignaal. Waterland is hierdoor straks de eerste gemeente in de regio met een compleet circulair houten woongebouw. Het plan is ontwikkeld door BMB ontwikkeling B.V. uit Limmen (onderdeel van VolkerWessels). M’DAM is een ontwerp van productontwikkelaar en architect Finch Buildings uit Amsterdam. De prefabricage en bouw van dit bijzondere houtbouwconcept wordt uitgevoerd door De Groot Vroomshoop (tevens onderdeel van VolkerWessels). M’DAM wordt in de zomer van 2021 opgeleverd.

Het project in Monnickendam is uniek. In Nederland is niet eerder een grootschalig woongebouw gebouwd, dat bijna in zijn geheel is opgetrokken uit CLT (cross laminated timber). De appartementen worden daarbij vrijwel volledig in de fabriek gebouwd. Door het gebruik van massief hout, het modulaire ontwerp en het industriële fabricageproces, heeft het gebouw per saldo een negatieve CO2-footprint: de som van de uitstoot is kleiner dan de hoeveelheid bespaarde en in het CLT gebufferde CO2. Door gebruik te maken van hout uit duurzaam beheerde productiebossen, planten de bouwpartners bovendien meer bomen terug dan er worden gebruikt.

Vijf maanden bouwtijd

Door het industriële fabricageproces worden de woningen al geproduceerd, terwijl de grondwerkzaamheden nog  plaatsvinden. Hierdoor blijft ook de bouwoverlast beperkt. Het totale bouwproces duurt slechts vijf maanden.De gevel van het in U-vorm ontworpen gebouw bestaat grotendeels uit hout, deels uit traditioneel metselwerk en deels uit aluminium gevelelementen. Het houtbouwconcept reduceert de CO2 uitstoot en is daardoor veel duurzamer en milieuvriendelijker dan traditionele bouwprojecten en zorgt voor een gezonder leefklimaat. Door het gebruik van hout en de re-montabele bouwmethode kunnen de grondstoffen in de toekomst worden hergebruikt. De koopwoningen zijn middels individuele particuliere hypotheekvormen gefinancierd en dit bevestigt het vertrouwen en erkenning van banken voor dit nieuwe hoogwaardige en uiterst duurzame product.

All-electric en duurzaam

Alle appartementen worden ‘all-electric’ opgeleverd. Dit betekent dat de volledige energievraag elektrisch wordt ingevuld. Een lucht-water warmtepomp zorgt voor het verwarmen van de appartementen en een boiler voor het verwarmen van water. Via zonnepanelen wordt zoveel mogelijk energie voor de appartementen – en waar mogelijk voor de algemene voorzieningen – opgewekt. Tevens heeft het gebouw een zeer hoge isolatiewaarde. Hierdoor kunnen bewoners rekenen op lagere energielasten. Duurzaam Waterland biedt bewoners die geen auto (willen) bezitten, in de nabijheid van M’DAM, elektrische deelauto’s aan.

Woningbehoefte en innovatie in de gemeente Waterland

Wethouder Jelle Kaars: “M’DAM sluit aan op de grote woningvraag in de gemeente Waterland. We lopen met M’DAM tevens voorop in het vernieuwend bouwen met de laagst mogelijke footprint”. Corporatie Wooncompagnie, dat 20 sociale huurwoningen uit het plan zal aanbieden, wil voldoende betaalbare huurwoningen realiseren en zorgen voor een duurzaam en divers aanbod. Directeur-bestuurder Stefan van Schaik: “Zowel de renovatie als nieuwbouwopgave vullen we waar mogelijk in met biobased materialen, zoals hout. Alle nieuwbouw telt voor ons, maar dit project ligt ons na aan het hart, omdat we hiervoor echt onze nek hebben moeten uitsteken. We hebben dit graag gedaan, omdat wij vinden dat de huidige woningnood schreeuwt om innovatieve oplossingen zoals deze”.

Slecht Investico-onderzoek over Estlandse bomen

Vooraf
Het platform Investico voor onderzoeksjournalistiek publiceerde op 09 december 2020 een aanval op enerzijds het biomassa- en bosbeheerbeleid van de Estse overheid en bedrijfsleven als dader, en anderzijds de Nederlandse overheid en energiesector als belangrijke medeplichtige. Het onderzoek is te vinden op www.platform-investico.nl/artikel/hoe-estse-bomen-worden-opgestookt-in-onze-centrales-geannoteerd-verhaal/  .
Dit verhaal is onderdeel van het project Money to Burn – een internationaal onderzoek door een team van zestien Europese journalisten en acht redacties, geleid door het Nederlandse onderzoeksjournalistieke platform Argos en gefinancierd door Investigative Journalism for Europe.

Ondanks de imponerende aftiteling vind ik het een zwak onderzoek. Ik vind het meer een opinie-artikel dat naar een al vaststaande uitkomst toe werkt (inderdaad, die bestond drie jaar geleden al, stelt het artikel).
Het grootste probleem is dat het de houtproductie en de biomassaproductie niet uit elkaar houdt. Verder zit de studie te veel op de emotietoer, hanteert de studie selectieve statistiek en gebruikt hij slordige definities.  Het citeert andersgezinden vooral voor de vorm, nauwelijks ingaand op hun kant van de zaak, presenteert gegevens eenzijdig en doet onware beweringen (‘Tussen 2014 en 2019 verdubbelde de jaarlijkse afname van bosoppervlak in Estland, blijkt uit onze analyse van gegevens46 van dataplatform Global Forest Watch en de Universiteit van Maryland, Google en NASA.’). Meteen maar een voorbeeld dat op deze bewering ingaat.

  • Er is in Estland geen grote systematische ontbossing en het bosareaal groeit licht
    Eerst de definitie van ontbossing ‘deforestation’.
    Om aan onafhankelijk en systematisch statistisch materiaal te komen, heb ik er de FAO-cijfers bij gepakt (de Food and Agriculture Organisation van de VN).
    De FAO-definitie (Global Forest Resources Assessment 2015 en 2020, FRA, www.fao.org/3/ca9989en/ca9989en.pdf ) voor deforestation is ‘The conversion of forest to other land use or the longterm reduction of the tree canopy cover below the minimum 10% threshold’. Die 10% is de ondergrens voor wat de FAO als ‘forest’ definieert. Het heet dus ontbossing als er een blijvende functieverandering optreedt van bos naar niet-bos, zoals infrastructuur en bebouwing. De cijfers daarover zijn warrig en als ‘ontbossing’ in deze zin bedoeld is, is de bewering onwaar. Het is in Estland een ondergeschikt fenomeen (FRA 2020 blz 15).

Er wordt in Estland wel flink gekapt, maar ook flink herplant (zowel machinematig als langs de natuurlijke weg). Omdat de functie niet verandert, moet dit geen ‘ontbossing’ genoemd worden. Per saldo groeit het Estlandse bos licht.


De feitelijk beschikbare FAO-cijfers lopen t/m 2017. Latere jaren zijn gemakshalve gelijk gesteld aan 2017 (FRA 2020 blz 8)
De biomassa en koolstofopslag boven, op en in de grond groeide eerst licht en blijft nu ongeveer gelijk (FRA 2020 blz 25 en 28).


In het onderzoek staat een ‘deforestation’-grafiek (zonder definitie van ‘deforestation’) in Natura2000-gebieden. In de context lijkt dit te betekenen kap waar opnieuw bos komt, en dus is het in de reguliere betekenis geen ontbossing. Op het Natura2000 – aspect kom ik later terug.

Een andere manier om mijn punt te maken is het staafdiagram van het landgebruik in Estland. Die komt van de website van Graanul en daarom heb ik hem geijkt op de FAO, en dat klopt precies.

Even weer terug naar het lopende verhaal.

Nu heb ik zelf ook al drie jaar een opinie die andersom is.  Maar om mijn gelijk te beargumenteren vond ik dat ik het beter moest doen dan het Investico-artikel, en omdat zo hier en daar iemand mij dat gevraagd had, heb ik enige tijd geïnvesteerd in dit artikel.
Ik wil deugdelijke en systematische statistiek gebruiken (zoals de al genoemde FAO-statistiek en internationale im- en exportstatistieken) en ik lees ook wat de Estse regering ervan vindt en wat het bedrijf Graanul ervan vindt. Dat bedrijf  functioneert in dit soort verhalen altijd als een soort opper-Beëlzebub. Mijn studie leidt tot wat Investico ongetwijfeld niet beoogd heeft, namelijk dat mijn Sympathy for deze Devil is toegenomen.

Ik gebruik in het volgende regelmatig de Sustainability Report 2019 van Graanul Invest. Dat is te vinden op www.graanulinvest.com/eng/environment/environment (evenals eerdere versies).

Twee caveats:
* ik ga er niet bij voorbaat van uit dat commerciele  ondernemingen de waarheid spreken. Ook niet dat ze bij voorbaat liegen. Ik probeer uitspraken te controleren, door Estlandse statistiek te vergelijken met andere.
* Ik  beweer niet dat er geen problemen zijn. Die zijn er wel, zelfs grote, maar ze zitten anders in elkaar dan Investico beweert.

Ik ga mijn antwoord geven in een aantal statements waarvan hierboven de eerste staat (met een . ervoor)

  • Graanul is Estland niet – even een stukje gevoel voor verhoudingen
    Zoals alle Scandinavische landen, kent Estland al eeuwen een bosexploitatie waarin hout in huizen, gereedschappen, meubels etc verwerkt wordt, en restanten opgestookt.
    Estland kent dan ook een gevarieerde houtbewerkende sector. De branche-organisatie Estonian Timber heeft er een pagina vol mee ( https://estoniantimber.ee/companies/ ) en alleen Graanul maakt pellets. De rest zaagt of maakt fineer of triplex.
    En Graanul is alleen in relatieve zin een reus. Het bedrijf bezit in Estland 53.687 hectare en dat is op 2.438.400ha bos in Estland. Goed voor 2,2%  van een bos ter grootte van een half klein land – eerder een middelgrote onderneming.
    Daarnaast heet Graanul nog wat grond in Letland.
    Graanuls pelletproductie is veel groter dan wat Graanul in Estland zelf aan hout oogst, omdat Graanul diensten verleent aan andere boseigenaren, houtresten van houtverwerkende bedrijven overneemt en importeert uit landen als Letland en Wit-Rusland.
  • Houtige biomassa is niet de hoofdzaak
    Om eerst weer even een gevoel voor getallen te krijgen:
    In 2018 werd er in Estland 14 miljoen m3 hout geoogst (op een totale voorraad van ca 494 miljoen m3 ). Die 14 miljoen kuub is goed voor ongeveer 10 miljoen ton.
    Van die 14 miljoen kuub kwam 0,66 miljoen kuub van de eigen productie van Graanul (2019), goed voor 0,46 miljoen ton.

Er bestaat geen makkelijke statistiek over hoeveel van die jaarlijkse 14 miljoen kuub afgesplitst wordt voor binnenlandse energiedoeleinden.
De FRA 2015 (blz 34-35) geeft van 2000 tot 2011 ‘removal for fuel wood’-waardes die tussen de 1,2 en 2,3 miljoen kuub schommelen en dat is inclusief de export. De FRA 2020 geeft hier geen statistiek.
De site http://www.europeanbioenergyday.eu/wood-fit-for-purpose-in-estonia2/ stelt dat 89% van de hernieuwbare energie in Estland op hout gebaseerd is, wat goed zou zijn voor 2,1 miljoen kuub, goed voor grofweg 25PJ, rechtstreeks in de kachel of via warmte-kracht installaties en dan de stadsverwarming (waar een groot deel van Estland op zit).
De IEA ( www.iea.org/countries/estonia )stelt dat biomassa goed is voor ca 1/9de deel van de 12,3TWh stroom in Estland, welke 1,35TWh na enig ruw cijferwerk ongeveer op ca 700 miljoen kg hout uitkomt. Graanul levert 170 miljoen kg wood chips (583.000 kuub) voor 0,34TWh. Waarschijnlijk dubbelt de restwarmte van die stroomopwekking  grotendeels met die van de 2,1 miljoen m3 vanwege de stadsverwarming.
Op basis van de IEA-cijfers is Graanul, volgens het eigen duurzaamheidsverslag, goed voor grofweg een kwart tot een derde van de huidige hernieuwbare energie in Estland.

Ik maak de binnenlandse vraag af naar energiehout af op rond de 2,5 miljoen m3 . Op 14 miljoen m3 houtoogst vind ik dat een bijzaak, zij het een belangrijke bijzaak.

In de export hetzelfde beeld.
De site TrendEconomy stelt je in staat om van elk land over elk jaar op elke denkbare wijze de im- en export binnen te halen . Mijn selectie is https://trendeconomy.com/data/h2?commodity=44,4401,4402,4403,4404,4405,4406,4407,4408,4409,4410,4411,4412,4413,4414,4415,4416,4417,4418,4419,4420,4421&reporter=Estonia&trade_flow=Export&partner=World&indicator=NW,TQ,TV&time_period=2019 (categorieën houtproducten, papierproducten en pulp).
De waarde van deze drie categorieën samen was in 2014 $1683 miljoen en in 2019 $1958 miljoen. Daarvan maakte de categorie Fuel wood in ruime zin in 2014 10,8% uit en in 2019 13,5%, en daarvan bestaat waarschijnlijk het merendeel uit pellets van Graanul.
In kilogram uitgedrukt stijgt de export van Fuel wood in ruime zin van 1231 miljoen kg in 2014 naar 2140 miljoen kg in 2019. Dit meest in  de vorm van pellets van Graanul (waarvan Graanul 2492 miljoen kg produceert, die dus grotendeels aan de export opgaan). Wie het gemakkelik wil, zie onderstaande file.

Zelfde idee: Fuel wood is in de export een bijzaak, zij het een belangrijke bijzaak.

Ik hou het erop dat all-in ongeveer een kwart tot een derde van de houtoogst in Estland, direct of indirect, eindigt als energiehout. Preciezer dan dit lukt me niet.

De besluitvorming over de bosexploitatie in Estland wordt dus overheerst door de klassieke houtproductie – zoals al eeuwen. Er worden als regel geen bossen gekapt, enkel om ze te vermalen.

Er is nog een tweede reden waarom houtige biomassa een bijzaak blijft, namelijk het simpele gegeven dat het per kuub minder opbrengt.
Houtprijzen schommelen sterk, maar de onderlinge prijsverhouding tussen de categorieën heat logs, pulpwood logs, naaldhout (softwood) sawlogs en loofhout (hard wood) saw logs blijft ongeveer hetzelfde. In 2019 zit fuel wood op 24€/m3 , pulpwood op 40€/m3 (hier getoond), naaldhout op 55€/m3 , en hardhout op 170€/m3 (de laatste twee hier niet getoond). Dit alles met een flinke toevalsmarge. Dus 1 : 1,5 a 2 : 2 a 2,5 : 5 a 7.

Het grote geld in de bosbouw zit niet in het energiehout, maar in het gewone hout.

  • De koolstofschuldtheorie van Investico klopt niet en Graanul zegt een koolstofsink te zijn
    Het is een populair narratief.
    Er is een bos; bos kan van zichzelf onbeperkt veel onbeperkt lang koolstof opslaan; op t=0 wordt het bos gekapt; het wordt geheel opgestookt in verderfelijke biomassacentrales; het duurt tot t = vele decennia voor de koolstof weer in bomen terug gevangen is; we hebben nu een probleem en alleen korte termijnoplossingen zijn aanvaardbaar, korte termijnschade niet.
    Ook Investico volgt dit narratief met enthousiasme.

Er klopt alleen niet veel van het narratief.

Op de eerste plaats wordt het meeste gekapte hout niet opgestookt. Voor het kwart tot derde deel dat wel verbrand wordt, geldt het narratief met de kanttekeningen dat de generatieduur van sommige bomen maar enkele decennia is (daarom noemt de Nederlandse SDE+subsidie in zijn reglementen 40 jaar), terwijl de tijdshorizon van klimaatstudies soms het jaar 2100 is.

Van het hout dat niet opgestookt wordt (ten tweede) komt de koolstof met vertraging vrij en die vertraging kan lang duren. Bij een goede organisatie van de houtbouw bijvoorbeeld (standaardisatie en recycling) kan de vertraging langer dan 100 jaar zijn (zie NEN-norm benadeelt bouwen in hout ), en in uitzonderlijke gevallen nog veel langer (zie Houtbouw voor het klimaat – terug naar de toekomst ).
Ook kunnen belangrijke korte termijn-voordelen bereikt worden als bijvoorbeeld hout vervanger wordt voor beton en staal.
Zo ontstaat er geen koolstofschuld, maar zoiets als een koolstoftegoed. Maar dat is niet in een makkelijk populair narratief weer te geven.

Op de derde plaats veronderstelt het narratief een ideaal bos. In feitelijke bossen gaat van alles mis door toenemende droogte, bosbranden, ziektes en beestjes. Zodoende kan de gemiddelde bewaartijd van koolstof in een houten huis best wel langer zijn dan in een boom in het bos, ook als die niet gekapt wordt.

Tenslotte (vier): in de bosbouw is er niet één groot moment t=0. Dat is een model dat door actievoerende buitenstaanders bedacht is zonder kennis van de bosbouw. Er zijn elk jaar een heleboel momenten t=0 en die waren er 30 en 50 jaar geleden ook al, en idem over 30 en 50 jaar (als alles goed gaat met het bos).
In de bosbouw middelt zich dat gewoon in de jaarlijkse bedrijfsvoering statistisch uit. Er ontstaat een gemiddelde balans van plus en min-koolstof.

En Graanul beweert in zijn Duurzaamheidsverslag 2019 dat zijn gemiddelde balans koolstofnegatief is.
Op zich is dat niet verbazingwekkend. Ook het IPCC stelt dat de bossen op de Noordelijke gematigde breedtes een koolstofsink zijn (netto koolstof opnemen omdat ze netto groeien). Als je dus niet teveel verprutst met CO2 lozen in je dagelijkse bedrijfsvoering, moet het lukken om koolstofnegatief te zijn.

Het Duurzaamheidsverslag echter presenteert zijn cijfers tamelijk chaotisch. Het is meer wervend en van de mooie plaatjes dan van het boekhouden. Je snakt naar een echt jaarverslag met gortdroge tabellen en leesbare Sankeydiagrammen met massa- en energiestromen. De beweringen vallen nu moeilijk te controleren.
De bewering kan waar zijn als hij als koolstoflozers omvat de gehele pelletproductie, alle door Graanul uitgevoerde werkzaamheden in het bos, en van de Combined Heat and Power inrichtingen alleen de energetische randkosten, en als als koolstofabsorbeerders alle eigen land van Graanul in Estland en Letland geteld wordt bij een koolstofvastlegging van 10,46 ton CO2,eq per hectare per jaar.
Het functioneren van de CHP-inrichtingen in eigenlijke zin moet dan worden afgedekt door de productie (in 2019) van 583.000 m3 (170 miljoen kg) houtchips als een aparte post, die buiten bovenstaande balans gehouden wordt.
Alleen op die manier kan ik er chocola van maken.
Als ik de CO2-effecten van die 583000 m3 als lozing meetel (wat je m.i. moet doen), speelt Graanul bij mij ongeveer quitte (mogelijk nog een klein beetje klimaatnegatief). Zo redenerend gebruikt Graanul de koolstofabsorbtie van zijn bosportefeuille om in eigen land enkele CHP-inrichtingen klimaatneutraal te laten draaien, en om een flinke hoeveelheid klimaatneutrale pellets de wereld in te sturen. Niet slecht voor een middelgrote onderneming.

Nou was het leuk geweest, zelfs fatsoenlijk, als het onderzoeksteam van Investico hier iets over gemeld had. Maar Investico noemt uit de rapportage alleen maar dat 84% van de houtoogst uit kaalkap kwam, en uit niets blijkt dat het document verder gelezen is.

  • Uitdunnen en versnipperde bomen
    Keer op keer wreekt zich dat dat men (ook Investico) de bosbouw niet afmeet aan de wetmatigheden van de sector zelf, maar aan die van geïdealiseerde opvattingen over energie en biodiversiteit.

Voor een commerciële bosbouwer bestaat het ideaalbeeld uit een bos vol  met dikke, lange, rechte en gezonde bomen waar je bij voorkeur goed planken van kunt zagen, en waar je anders pulp van kunt maken, bijvoorbeeld als de vezels zich lenen voor de papierindustrie of voor celstof. Daar werkt hij (of zij), en zijn opvolgers, decennia naar toe (de rotatietijd van een Noorse spar is bijvoorbeeld 60 tot 90 jaar, afhankelijk van de kwaliteit). Daarna wordt de plant geoogst en verkocht. Zo gaat het al eeuwen.
Om aan de gewenste bomen te komen, wordt er een- of meermalen doorgeselecteerd om de beste bomen meer ruimte te geven. Een kennis van mij, die als ecoloog  bij Staatsbosbeheer gewerkt heeft, vertelde me dat ze bij een bebossingsproject met coniferen met 6000 per hectare begonnen en met 300 eindigden. Er is een enorm verschil tussen netto en bruto.
Zie ook Hout als energiebron is niet perse van de duivel en Biomassa veel beter voor het klimaat dan aardgas .

Omdat er bij grootschalige bosbouw meer leeftijdsklassen tegelijk geoogst of weggeselecteerd worden, bestaat dus de oogst uit bomen in allerlei soorten en maten, waaronder inderdaad heel veel stammen die te slecht zijn voor het hoogste doel. Die worden als stam versnipperd. Het versnipperde hout kan allerlei bestemmingen hebben anders dan brandhout. Zo exporteert Estland ook 59 miljoen kg papierproducten, 94 miljoen kg plaatmateriaal, 277 miljoen kg houtpulp. Dat ‘alles wat niet perfect is de pelletmolen ingaat’ zoals Investico een Estse activist citeert, is niet waar. Zelfs niet bij Graanul, waar wel veel de pelletmolen in gaat.
De verwerking van hout dat niet aan de zaagbaarheidseisen voldoet op andere wijze verwerkt wordt is de normale gang van zaken in de bosbouw. Investico onthult hier geen diep geheim.

De oogst van Graanul bestaat voor 35% uit stammen om te zagen (wat heel redelijk is, en het bedrijf wil in 2050 op 50% zitten, wat heel ambitieus is), zit op 10% pulphout (wat weinig is ) en op 55% brandhout (wat verhoudingsgewijze veel is, maar het bedrijf heeft zich hierop gespecialiseerd).
Het verhaal in Estland is dat er ten rijde van het Sowjet-regime veel landbouwgrond herbebost is, maar zonder zorg, waardoor de kwaliteit slecht is. Zegt Graanul en gebruikt dat mede om zijn percentages te rechtvaardigen.

Commerciele bosbouw sluit andere functies niet uit. Er is ook gewoon biodiversiteit mogelijk en natuurbeleving en wandelen en fietsen en bosbessen plukken.

  • Kapmethodes en Natura2000 – gebieden
    Eerst een verhaal over de niet-Natura2000 – gebieden.
    De standaardmethode in de Scandinavische bosbouw is van oudsher de perceelsgewijze kap. Daarvoor bestaan uitgebreide reglementen (voor de Estse Boswet en Regels voor Bosmanagement zie www.envir.ee/en/forestry . Het is inderdaad, zoals Wiebes zegt, een oogstwijze.

Ongetwijfeld is een verse kapvlakte een onaangename beleving. Het ziet er heel erg uit als de TV-camera aan de rand gezet wordt. De menselijke beleving is echter slechts één aspect van de zaak.
In hoeverre het werken met elkaar afwisselende kapvlaktes van minder dan een hectare, afgezien van de menselijke beleving daarvan, feitelijk op de langere termijn schade aanricht aan bijvoorbeeld de biodiversiteit, is een andere vraag. De werkwijze bestaat al eeuwen en heeft bossen opgeleverd die nu, of anders tot voor kort, goede ecologische kenmerken hadden.
Ook Investico suggereert van alles, maar ontloopt een feitelijke behandeling.

Of dit zo moet blijven is een andere zaak. Nu het leefmilieu zwaar onder druk staat door klimaatgerelateerde problemen, stikstofemissies, versnippering en andere problemen, is een discussie op zijn plaats over subtielere vormen van houtoogst. Nabuurs spreekt bijvoorbeeld over Climate Smart Forestry, en ook in een EASAC-studie ‘Multi-functionality and sustainability in the European Union’s forests’ uit 2017 geeft denkrichtingen aan (zie Over het EASAC-rapport “Multi-functionality and sustainability in the EU’s forests” ) . Hierover meer onder het slothoofdstuk ‘Afwegingen’

Ik vind dat in Natura2000-gebieden de natuurwaarde voorop moet staan. Daar kan kap en herontwikkeling bij passen, als een verbetering van de natuurwaarde het doel is. In mijn persoonlijke omgeving heeft bijvoorbeeld Staatsbosbeheer veel gekapt, en kapt nog steeds, in het Leenderbos. Dat was ooit een monotoon, in de crisisjaren aangelegd, dennen- en sparrenbos en nu een Natura2000 – gebied – wat echter steeds weer nieuwe uitdagingen ondervindt, zoals de droogte en de stikstof en de noodzaak om ook andere biotopen te beschermen dan alleen maar bos. En daarom wordt er nog steeds gekapt.
In hoeverre de kap in Estse Natura2000-gebieden bedoeld is om die gebieden te verbeteren, kan ik van hieraf niet beoordelen. Ook hier suggereert Investico veel, maar komt niet tot feitelijke uitspraken.

Weer terug naar het lopende verhaal.

Afwegingen
In de kamer staan een olifant en een grote hond.
De olifant is de algemene productie van hout voor gebouwen, meubels, verpakkingen, papier, spaanplaat, groene chemie enzovoort. De grote hond is de houtige biomassa.
Met een grote hond in de kamer kun je omgaan als het beest zich gedraagt en daar kun je afspraken over maken. Binnen zekere grenzen kun je plezier hebben van het beest (bijvoorbeeld dat Nederland zijn klimaatdoelen haalt met iets minder schade voor het Nederlandse landschap). En als de hond zich niet goed genoeg gedraagt, richt je hem beter af. Dus, als de regulering van biomassa niet goed genoeg is (wat ik overigens betwijfel), maak je hem strenger.
Olifanten in woonkamers zijn een veel groter probleem.
Wat nu Investico voortdurend doet is de problemen van de olifant aan de hond toeschrijven omdat men het niet over de olifant wil hebben.
Door voortdurend de bijzaak te framen als hoofdzaak, blijft die hoofdzaak buiten beschouwing.

Houtige biomassa is een afgeleid probleem. Het Estlandse beleid wordt vooral bepaald door de houtproductie. De kapvlaktes zijn er niet omdat men biomassa wil , maar omdat men hout wil (wat, het zij nog eens herhaald, veel meer opbrengt). Bij die houtproductie blijft biomassa over.
Die mooie grote boom van 70 jaar oud waar activist Kuresoo bij Investico op wijst, werd gekapt vanwege zijn planken. Vanuit het perspectief van een bosbouwer gezien is dat een normale zaak. 70 jaar is een gangbare rotatietijd voor bijvoorbeeld een Noorse spar.

In Estland is ongeveer 1/8ste deel van het bos zwaar beschermd, ongeveer 1/8ste beperkt beschermd, en de rest in principe productiebos.
Productiebossen kunnen heel mooi zijn en men kan zich goed voorstellen dat zo’n bos voor veel Estlanders een soort spirituele functie heeft. Net zoals wijde open polderlandschappen dat voor Nederlanders hebben. Ik doe hier niet geringschattend over.
Maar een energietransitie met alleen maar aangename kanten bestaat  niet. In Nederland verandert het aanzien van polders door windturbines en zonneparken, en in Estland blijft een productiebos uiteindelijk nog steeds een productiebos. Men zal daarmee politiek moeten dealen, en wel door het zo goed mogelijk te doen en daarbij de bevolking mee te nemen.
Daarbij zijn bosbeschermers in Estland een maatschappelijke kracht maar niet de enige, net zoals wind – en zonneparkbestrijder Natuurmonumenten in Nederland een maatschappelijke kracht is, maar niet de enige.

Circulaire houten school Het Epos in Rotterdam (De Groot Vroomshoop houtbouw)

Hout als bouwmateriaal kan staal en beton en baksteen vervangen, kan erg goed circulair georganiseerd worden, en dat werkt op korte en lange termijn goed voor het klimaat en goed voor het grondstofgebruik. Bovendien is het mooi.
Afzien van houtgebruik zal klimaat en circulariteit ernstig schaden.

Tegelijk is glashelder dat de mogelijkheden beperkt zijn. Van hout als gebruiksmateriaal, en daarmee ook van houtige biomassa als afgeleide grootheid.
De Estlandse oogststatistiek is de laatste jaren sterk gegroeid en nadert zijn maximum (zie het tweede staafdiagram). Die groei kan zo niet doorgaan.
Als ik het goed zie, heeft Graanul de koolstofopslag in zijn eigen bossen opgebruikt om zijn huidige pelletproductie en CH PO-inrichtingen klimaatneutraal te maken, en is dat ongeveer de limiet.
En ook Estland (dat nu grotendeels op schalie-olie draait) moet vroeg of laat klimaatneutraal worden. Goed kans dat de pellets van Graanul voor een deel binnenlands ingezet moeten gaan worden.
Ongetwijfeld zullen er vroeg of laat in vergelijkbare landen vergelijkbare trends optreden. Estland is wat dat betreft een beetje een voorloper.

Er is, mijns inziens, in onze milieukringen dringend behoefte aan een serieus maatschappelijk debat over het hoe, waar en hoeveel van de bosbouw op de Noordelijke gematigde breedtes. Niet op zo’n tranentrekkende manier als Investico dat aanpakt, maar goed georganiseerd en wetenschappelijk onderbouwd.

Studentenplan voor renovatie van alle portiekflats in Nederland

Vijftig studenten van de TU Delft (het SUM-team = Symbiotic Urban Movement) hebben na een jaar uitgepuzzeld dat het mogelijk moet zijn alle 847.000 portiekflats in Nederland te verduurzamen (dat is 11% van de totale woningvoorraad). Dat schrijft Cobouw op 14/15 december 2020.
De studenten gaan met het plan meedoen aan de Solar Decathlon 2022 in Duitsland.

Dit soort flats zijn na de oorlog massaal gebouwd. Nu worden ze vaak gesloopt omdat het onderhoud vaak erbarmelijk is en niemand echt weet hoe ze handig energieneutraal te krijgen zijn. De studenten vinden het zonde.

Ze gaan de woningen zo verbouwen dat ze groter, moderner en duurzamer worden. De gevel en trappenhuis worden aangepakt.  Zo komt de trap niet binnen, maar buiten, waardoor er meer ruimte gecreëerd wordt. Bovenop de woningen worden nieuwe energiepositieve modules geplaatst, die ervoor gaan zorgen dat het gebouw energieneutraal wordt.
Daarnaast krijgt het gebouw een buurtfunctie: op de begaande grond komen winkels, werkplaatsen en een gezamenlijke ruimte. Er komt meer groen en meer ontmoetingsplaatsen (zoals urban farmingplekken), waardoor de bewoners meer gaan samenleven, wat nu vaak niet het geval is.
Aldus een van de studenten in Cobouw.

De renovatie van dit soort woningen is vaak erg duur. De studenten komen met hun ontwerp boven de gemiddelde prijs uit op basis van renovatie alleen, maar dat moet nog goedkoper kunnen. Overigens is het bijna altijd zo dat renoveren plus verduurzamen duurder is dan alleen renoveren (en niet of beperkt verduurzamen).

Het is nog een hoofdontwerp op papier. Nu wordt het prototype ontwikkeld en dat moet voor het concours in Duitsland af zijn.

Of dit stoutmoedige studentenplan ook werkelijk uitvoerbaar is, moet blijken. Er is in elk geval nu al interesse uit de sector.
Een andere vraag is in hoeverre er behoefte is aan vergrote appartementen. Dat kost veel geld en driekwart van de doelgroep bestaat uit een- en tweepersoonshuishoudens, die eerder behoefte hebben aan een betaalbare flat van 40-70m2 .

Voor het Cobouwartikel zie www.cobouw.nl/duurzaamheid/nieuws/2020/12/een-oude-portiekflat-verduurzamen-appeltje-eitje-volgens-studenten-van-tu-delft-101291341?utm_source=Vakmedianet_red&utm_medium=email&utm_campaign=20201215-cobouw-std&tid=TIDP4454453X0E06F82CAC3F444698D50B7343D5400FYI4&utm_content= .


Het studententeam staat in een Delftse traditie. Het voorafgaande MOR-team (Modular Office Renovation) had zich toegelegd op het creatief omvormen van leegstaande kantoren. Het ontstane apprtement produceerde meer energie dan het zelf verbruikte.

Tot appartement omgebouwde voormalige kantoorunit. Het appartement produceert meer energie dan het zelf gebruikt. Het ontwerp is van het Delftse MOR-studententeam.

Zie ook www.duurzaamgebouwd.nl/artikel/20200204-opvolgers-mor-team-verleggen-focus-naar-portiekflats .

Batterij om piekbelasting inductief koken op te vangen in Overvecht-noord

Stedin (in Utrecht wat in Brabant Enexis is) ondersteunt de activiteiten om de Utrechtse wijk Overvecht-Noord van het gas te halen. Dat heeft de wij alleen om op te komen.

Men wil nu de bewoners aanmoedigen om inductief te gaan koken. Dat geeft rond etenstijd forse piekbelastingen op het stroomnet. Een inductiekookplaat kan 11kW zijn.
Stedin experimenteert nu met een ondersteunende accu die deze piekbelasting kan helpen op vangen.

Op zijn website plaats Stedin hierover twee persberichten. Ik neem die beide over.

Zie ook www.milieucentraal.nl/energie-besparen/apparaten-en-verlichting/huishoudelijke-apparaten/inductie-kookplaat/ .


Utrecht, 25 juni 2018

Stedin en woningcorporatie Mitros gaan het komende jaar het kookgas van corporatiewoningen in de Utrechtse wijk Overvecht vervangen door een inductiesysteem (elektrisch koken). De betreffende 362 woningen werden al niet met aardgas verwarmd, waardoor ze na deze ingreep volledig ‘van het aardgas af’ zijn. Dankzij een doordachte financieringsconstructie gaan de bewoners er met het nieuwe kooksysteem financieel op vooruit. Het project vangt na de zomer aan.

Om de CO2-uitstoot te beperken wil de overheid dat woningen in 2050 geen aardgasaansluiting meer hebben om te verwarmen of koken. De Utrechtse wijk Overvecht wordt een van de voorlopers in deze ontwikkeling. In deze wijk zijn zo’n 4.000 woningen enkel voor het koken aangesloten op het aardgasnetwerk. Huurders van Mitros worden daarom actief gestimuleerd om over te stappen op inductiekoken. Henk Peter Kip, directievoorzitter van Mitros: “Als we bij een groot project koken op gas in één keer vervangen door koken op inductie, dan vervallen de kosten voor de gasaansluiting. Met die besparing financieren we de inductieplaten. Zo dragen we samen met onze huurders bij aan de Nederlandse ambities op het gebied van duurzaamheid.”

Ook Stedin ondersteunt het plan. De netbeheerder heeft een grote opgave om de komende dertig jaar al haar 2,2 miljoen klanten van het aardgas te krijgen en is hiervoor constant op zoek naar partners. Daarom lanceerde Stedin eerder deze maand een starthubchallenge, waarin startups worden uitgedaagd om met een businessmodel te komen voor een grootschalige overstap naar inductie. David Peters, Chief Transition Officer van Stedin: “De energietransitie levert veel uitdagingen op. Maar ook kansen om te innoveren. Je ziet, ook met dit project met Mitros, dat als we samenwerken we tot goede en betaalbare oplossingen kunnen komen.” Met een andere challenge onderzoekt Stedin wat de mogelijkheden zijn om de afsluitkosten fors te reduceren waardoor de businesscase voor een overstap nog aantrekkelijker wordt. Na de zomer vangt het project in Overvecht aan en worden de eerste 362 appartementen aangepakt. 

Overvecht
Door Ruben Alexander, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=1929716

Utrecht, 8 oktober 2020

Inpandige batterij vangt piekbelasting op bij koken op inductie 

 Rotterdam, 8 oktober 2020 – Stedin onderzoekt in een flat in de Utrechtse wijk Overvecht-Noord hoe een inpandige batterijopstelling de piekbelasting bij koken op inductie kan opvangen. In deze wijk gaan de komende jaren naar verwachting ruim 4000 woningen over van koken op gas naar koken op inductie. Wanneer de proef slaagt, wordt mogelijk een investering in het elektriciteitsnet voorkomen of uitgesteld naar een moment waarop meer werkzaamheden in de ondergrond moeten plaatsvinden.  

Het proefproject in Overvecht-Noord startte pasgeleden met het plaatsen van een batterij in een flat van woningcorporatie Mitros. Stedin werkt voor deze proef samen met Iwell, een bedrijf dat batterijen levert en zich richt op het versnellen van de energietransitie. Stedin onderzoekt hoe de batterij de pieken kan opvangen die ontstaan wanneer de bewoners van deze flat elektrisch koken. De batterij kan mogelijk ook gebruikt worden voor het verlagen van piekstroom van bijvoorbeeld de lift. Het afvlakken van de pieken in energieverbruik kan daardoor ook resulteren in lagere vastrechtkosten voor Mitros. 

Wanneer de proef slaagt, worden de mogelijkheden voor opschaling naar andere flats verkend. Individuele batterijen opereren in de wijk als één groot slim decentraal batterijsysteem. Leiden de kosten en baten van deze batterij tot een positieve businesscase, dan zijn extra investeringen in het elektriciteitsnet mogelijk niet nodig. Zo ontstaat een geaggregeerde wijkbatterij die kostenbesparend kan uitpakken voor de woningbouwcorporaties en leidt tot lagere netinvesteringen door Stedin. 

Toename van de piekstroom 

Stedin werkt op meerdere plekken in Nederland aan de overgang van koken op gas naar koken op inductie. Op een aantal plekken moesten de netten worden verzwaard om elektrisch koken te kunnen faciliteren. Ook voor deze 4000 woningen in Overvecht-Noord is een investering nodig. Warmold ten Zijthoff, Innovatiemanager Energietransitie bij Stedin: “Veel mensen realiseren zich nog niet dat de overgang naar inductiekoken al impact kan hebben op het elektriciteitsnet. Het vermogen van een inbouw inductie kookplaat kan oplopen tot 11000 watt. Dat is vergelijkbaar met circa 4 wasmachines die tegelijkertijd centrifugeren. Wanneer een paar huishoudens overstappen is dat vaak nog geen probleem. Het wordt anders wanneer een hele flat of straat over gaat zoals in Overvecht.” 

Challenge voor jonge ondernemers

Eerder dit jaar zette Stedin al een startup challenge in de markt gericht op het opvangen van piekstroom, waar jonge ondernemers of bedrijven een goed idee kunnen pitchen. In dit geval gaat het om oplossingen om de noodzaak van zwaardere infrastructuur te voorkomen of uit te stellen. In Overvecht-Noord is de batterij mogelijk de oplossing voor het ontlasten van het elektriciteitsnet. Centraal in de challenge staat het borgen van betaalbare infrastructuur en een vereenvoudiging van de afhankelijkheden in investeringsplannen van infrabeheerders en gebouweigenaren. Een tweede doel is te onderzoeken hoe Stedin met de juiste prikkels samenwerking in en met de markt tot stand kan brengen, wat leidt tot een efficiënter gebruik van het bestaande elektriciteitsnet.

Zie ook www.echtovervecht.nl/nieuws/427-overvecht-noord-aardgasvrij-als-eerste-bestaande-utrechtse-wijk en www.utrecht.nl/wonen-en-leven/duurzame-stad/energie/utrecht-aardgasvrij/overvecht-noord-aardgasvrij/ .

Van www.energievergelijk.nl/onderwerpen/elektrisch-koken .

Eteck verwarmt woningen duurzaam met servers van Leafcloud

Ik kwam in Duurzaam Bedrijfsleven een aardig bericht tegen over een server, die warmte levert aan een appartementencomplex in Amsterdam.
De startup Leafcloud plaatst zijn servers decentraal, bijvoorbeeld in verwarmingsruimtes.
De servers zijn watergekoeld en die warmte kan worden overgedragen op de blokverwarming. Die ontvangt zo jaarlijks 42GJ, equivalent met 1300m3 gas en 2300kgCO2.
Veel is dat niet (kun je niet verwachten van één complex), maar als dit opgeschaald kan worden, kan het misschien toch aantikken.

De server van Leafcloud in de verwarmingsruimte van Eteck

Er is veel aandacht voor de energieslurpende datacenters, bijvoorbeeld die in de Wieringermeer. In deze site heb ik daaraan al eerder aandacht besteed, zie Opnieuw restwarmte van datacenters .
Energetisch gezien is een server een machine die elektrische energie omzet in warmte, dus niet anders dan een elektrische boiler. Tot nu toe wordt er weinig gedaan met de afvalwarmte van servers.
Leafcloud laat aan de hand van dit kleine project zien dat het ook anders kan.

Ik heb het persbericht van Leafcloud hieronder afgedrukt.
Het origineel is te vinden op www.leaf.cloud/blog/eteck-verwarmt-woningen-duurzaam-met-servers-van-leafcloud .


By: Thatcher Peskens – 20 November 2020

Amsterdam, 20 november 2020 – Datacentra in Nederland verbruiken veel energie. De elektriciteit die door deze ICT-apparatuur gebruikt wordt, genereert ook veel warmte. Warmte die zonder goede bestemming vervolgens verloren gaat. Om die energieverspilling tegen te gaan werken Leafcloud, een leverancier van cloud hosting en Eteck, leverancier van duurzame warmte, sinds vandaag samen.

Het gebruik van clouddiensten is dit jaar in een stroomversnelling geraakt. Datacentra verbruiken 4% van alle elektriciteit in Nederland[1]. Met de gestegen cloud-consumptie is ook de aandacht gegroeid voor het energieverlies doordat de vrijgekomen warmte onbenut blijft.

Het gebruik van restwarmte uit datacentra is dan ook één van de manieren die genoemd wordt als oplossing om Nederland van het gas te krijgen en onze woningen duurzaam te verwarmen. Leafcloud speelt hierop in door haar servers te plaatsen daar waar er warmtebehoefte is zodat de restwarmte direct en lokaal ingezet kan worden.

Eteck en Leafcloud werken nu samen om lokaal en duurzaam warmte te leveren aan een Amsterdams appartementencomplex. Om de warmtelevering verder te vergroenen plaatst Leafcloud een modulair serversysteem in de gezamenlijke techniekruimte onder de woningen. De server met het formaat van een kleine koelkast wordt vervolgens aangesloten op het warmtesysteem van Eteck. Dit systeem zorgt dat de vrijgekomen warmte van de servers wordt omgezet in bruikbare warmte voor de woning, zoals ruimteverwarming en warm tapwater. De te plaatsen server levert jaarlijks ca. 42 GJ aan energie. Dat is vergelijkbaar met 1.300 m3 gas. En zo levert elke eenheid op de locatie al een reductie op van 2.300 kg CO2.

“Lokale warmtebronnen, zoals servers dicht bij de woningen, kunnen een prachtige bijdrage leveren aan de verduurzaming van onze lokale duurzame warmtesystemen.”

Rard Rijcken, directeur Eteck

Om de reductie niet teniet te doen, worden de servers voorzien van 100% duurzame Nederlandse energie zonder dat dit leidt tot hogere kosten voor de bewoners van het Amsterdamse appartementencomplex. Wel profiteren zij van een duurzamere warmtelevering en leveren daarmee een positieve bijdrage aan het klimaat.  

Duurzame Nederlandse cloud hosting service
De Amsterdamse startup Leafcloud biedt een groen en Nederlands alternatief voor de cloud hosting services van de bekende grote Amerikaanse leveranciers. Door innovatie is het mogelijk servers aan te sluiten op bestaande warmtesystemen. Daarbij staat de feitelijke data veilig op harde schijven in een traditioneel datacenter, terwijl de servers, die de meeste warmte genereren, op locaties staan om gebouwen van warmte te voorzien. Deze oplossing resulteert in een groenere cloud, duurzame warmtelevering en CO2-reductie.

“Mensen zijn steeds meer bewust van de energieverspilling van cloud, met deze oplossing kunnen we samen een écht groen alternatief bieden voor de bekende Amerikaanse partijen”

Thatcher Peskens, Co-founder Leafcloud

Duurzame lokale warmtebronnen

In Nederland staan bijna 8 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen die in 2050 aardgasvrij moeten zijn. Het duurzaam verwarmen van deze panden zal stapsgewijs gebeuren met focus op lokale, collectieve en duurzame oplossingen. De inzet van restwarmte van datacentra is daar één van. Ook aquathermie, waarbij warmte uit oppervlaktewater wordt gebruikt, en thermische zonne-energie in combinatie met warmte-en-koudeopslag wordt vaak toegepast en gezien als oplossingen in de warmtetransitie.

Over Eteck

Eteck streeft naar maximale impact op de verduurzaming van de Nederlandse warmte- en koudevraag. Met meer dan 250 projecten in de woningbouw en commercieel vastgoed met in totaal bijna 60.000 (woning equivalente)  eindgebruikers onder contract, is Eteck de grootste leverancier van duurzame lokale warmte en koude in Nederland. We hebben de ambitie om te gaan voor 0. Nul CO2-uitstoot en nul gebruik van fossiele brandstoffen.

Over Leafcloud

Leafcloud is een Amsterdamse startup en de eerste provider van cloud hosting die energieverspilling tegengaat door lokaal warmte te leveren. Klanten kunnen bij Leafcloud terecht voor cloud servers, die per uur of per maand gehuurd kunnen worden, alsmede gerelateerde services. Gebruikers kunnen zich goed voelen omdat ze door te kiezen voor Leafcloud, ze ook een bijdrage leveren aan het tegengaan van energieverspilling.


[1] Bron: Dutch Datacenter Association.
4% is meer dan bijvoorbeeld de helft van álle beschikbare opgewekte windenergie, of meer dan het verbruik van de stad Amsterdam, of 3x zoveel als de behoefte van de NS.

Datacenter KPN Hightech campus Eindhoven

Een eigen energiebedrijf in De Meierij?

De vraag
Ik kreeg van Pierre van den Oord uit Boxtel de vraag “Ik lees in de Meierij dat er ideeën zijn om zelf een energiebedrijf in de gemeente Boxtel te starten. De positieve kanten ‘regie in eigen hand en dergelijke beweringen’ worden steevast genoemd. Graag wil ik van jou een compleet verhaal. De voors en tegens. De financiele kant enz.”.

De vraag volgt op een artikel in het Brabants Dagblad van 11 november 2020, waarin de grootste coalitiepartij PPA, en D66, in Sint Michielsgestel ‘een onderzoek willen naar het opzetten van een grootschalig energiebedrijf’ waarbij de PPA aanstuurt op ‘samenwerking met de buurgemeenten Boxtel en Vught’.
PvdA/Groen Links in Vught willen ook wel met een plan voor vijf windturbines en vijf hectare zonneveld.
Ook PvdA/GroenLinks en de SP in Boxtel hadden om een dergelijk onderzoek gevraagd, maar het College van B&W in Boxtel houdt de boot af. Althans, ‘Zelf grootschalige energie opwekken met windturbines en zonnevelden hebben we al eerder afgeraden’ (B&W van Boxtel) ‘Maar als wij als gemeente de juiste voorwaarden scheppen, kan een initiatiefnemer toch aan de slag. Dan kun je ook regelen dat inwoners ook kunnen deelnemen in zulke plannen en daar voor 50% in kunnen participeren en van kunnen profiteren.
Zie www.bd.nl/meierij/gestel-onderzoekt-gezamenlijk-energiebedrijf-met-windturbines-samen-met-boxtel-en-vught~a97116d0/ en www.ed.nl/den-bosch/pvda-gl-wil-gemeentelijk-energiebedrijf-een-miljoen-euro-winst-om-bijvoorbeeld-n65-schuld-af-te-lossen~a88e4289/ .

Ik beantwoord graag vragen. In dit geval een beetje moeilijker omdat mijn expertise vooral natuurwetenschappelijk is en niet juridisch en bedrijfseconomisch. Maar ik ga mijn best doen.

Rentabiliteit van hernieuwbare energie in Boxtel en de SDE+ – subsidie
Eerst de voor de hand liggende vraag of een zonnepark in Vught of een set turbines in Boxtel zelfstandig hun broek kunnen ophouden. De hamvraag is dus of je in Boxtel e.o. wind- en zonnestroom kunt maken voor een kostprijs die onder de marktprijs ligt. Het antwoord is nee. De groothandelsprijs van stroom is te laag (let wel dat de consumentenprijs veel hoger is. Dat komt vooral door toegevoegde belastingen.)
Hieronder een momentopname van de stroombeurs EPEX voor 23 en 24 november 2020, van uur tot uur. In de stille uren brengt het verkopen van stroom ca 3 cent/kWh op en in de vraagpieken rond de 6 cent/kWh.
Uiteraard zit er wel fluctuatie in de prijs (bijvoorbeeld als de winter zacht is, de olie en gas goedkoop, het hard waait en er weinig gebeurt vanwege Corona of allemaal andersom). Er zit een sterk overcapaciteit-effect in.

De groothandelsprijs van elektriciteit op 23 en 24 november 2020 op de EPEX

De kosten van windenergie in de buurt van Boxtel zaten in 2017 rond de 8 cent/kWh, zegt een studie van (toen nog) Ecofys voor de Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA) (hieronder ligt Boxtel in gebied 4):

Uiteraard zit ook hier wel variatie in, maar de grosso modo is de boodschap helder dat de kostprijs van 1kWh in Boxtel momenteel niet gedekt wordt door wat je er voor krijgt in de markt.

Om toch hernieuwbare energie van de grond te tillen wordt er gesubsidieerd. De belangrijkste regeling is de SDE+ (tegenwoordig SDE++, maar dat maakt hier niet veel uit). De Rijksoverheid legt, vooral via die route, jaarlijks miljarden toe op de hernieuwbare energie. Politiek logisch zou zijn om aan die donaties in enigerlei vorm georganiseerde zeggenschap te ontlenen, en eigenlijk is de meest logische schaal voor een publiek energiebedrijf de nationale schaal.
Maar dat gebeurt niet – integendeel, het is met de Splitsingswet eerder omgekeerd gegaan en nu proberen brave gemeentebestuurders met micromiddelen een kruimeltje zeggenschap terug te veroveren.

In de aparte tekst enkele belangrijke kanttekeningen over kostprijzen van diverse vormen van elektriciteitsopwekking. Als je de NVDE-prognose in die tekst moet geloven, moet in Boxtel in 2030 en later zonder subsidie wind ongeveer quitte gaan spelen en voor zon is het onduidelijk.
Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=5591 .

Voorlopig staat of valt energie uit wind en zon in Boxtel, Vught en SintMichielsgestel dus met de SDE+-subsidie.
En om de verwerving daarvan door (in enigerlei vorm georganiseerd) duurzame energiebedrijf  aannemelijker te maken, zouden de drie gemeenten een efficiënte uitvoeringsorganisatie klaar moeten hebben staan die aan de voorwaarden voldoet en die goed genoeg werkt om bij voorkeur in de goedkope categorie te kunnen bieden.
Verder moet er nagedacht worden wat te doen als na 15 jaar de subsidie ophoudt en de exploitatie verder gaat. Dat moet oplosbaar zijn, want velen gingen u voor.

Wat is een Gemeentelijk Duurzame Energiebedrijf en heb je dat nodig?
De vraag blijkt makkelijker gesteld dan beantwoord. Er is een range aan antwoorden en de Meierijse politieke microcosmos geeft daar al een aardige indruk van.

Ik volg hier een studie van Primum “Iinzicht in de mogelijkheden van een lokaal duurzaam energiebedrijf bij windenergieprojecten”, te vinden op https://www.rvo.nl/sites/default/files/2013/09/mogelijkheden_lokaal_duurzaam_energiebedrijf_wind.pdf . Dat gaat weliswaar over windprojecten, maar de systematiek geldt even goed voor zonprojecten. Primum heeft een heldere stapsgewijze structuur en bevat veel llinks naar meer informatie. Er staat geen jaartal in de Primumstudie, maar aan de naam van de link te zien is het uit 2013.
Goede andere literatuur is “Verkenning meerwaarde Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB)” van de gemeente Alphen aan de Rijn, te vinden op https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=alphenaandenrijn&id=d43770b1-bdd5-4d65-bbdb-fd2c0281293a .

In beginsel is een ‘lokaal duurzaam energiebedrijf’ niet meer dan een juridisch/organisatorisch vehikel dat de realisatie en exploitatie van een duurzaam energieproject door één of meerdere initiatiefnemers faciliteert’ aldus Primum. Dat klinkt als een containerbegrip en dat is het ook. En om rood aanlopende wethouders te sussen die ‘net Nuon/Essent  verkocht hebben’: het hoeft niet groot te zijn en het hoeft niet perse risicodragend te zijn.

Primum vindt het essentieel dat een Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB) niet als doel op zich gezien wordt, maar slechts als middel. Dat is een essentiële vraag, over de beantwoording waarvan men het niet met Primum eens hoeft te zijn. Men kan ook om ideologische redenen het bezit van een productiemiddel (hoe beperkt dan ook) als een zelfstandig doel zien. Het is aan de lezer wat hij daarvan vindt.

Zonnepark in Smilde, op eigen grond en in eigen beheer van de gemeente Midden-Drente

Maar wat men daar ook van vindt, het heeft geen gevolgen voor het vervolg van de analyse. Ook een ideologisch wind- of zonnepark moet aan wetmatigheden voldoen.

Volgende vraag is wat men precies wil (meerdere antwoorden zijn mogelijk).

  • De lokale klimaatdoelstellingen halen?
  • De lokale werkgelegenheid verbeteren?
  • Een duurzamer imago van de gemeente?
  • Geld binnenhalen dat anders naar de energiecowboys gaat?
  • Een socialistisch gevoel hebben?

Het doel heeft invloed op de positie die men als gemeente kiest. Ook hier zijn weer meerdere antwoorden tegelijk mogelijk.

  • Initiatiefnemer en facilitator zijn
  • Voor communicatie en educatie zorgen
  • Grondeigenaar zijn
  • Afnemer van elektriciteit zijn
  • Financieel betrokken zijn, hetgeen kan
    • Zonder zeggenschap via een beleggingsfonds, een rentedragende lening, certificering van aandelen, via rentedragende obligaties  en via een garantstelling (risicovergoeding)
    • Met zeggenschap en dan heet het een Duurzaam Gemeentelijk Energie Bedrijf (DGEB). Dat kan als Stichting; Coöperatieve Vereniging; Maatschap, v.o.f. of c.v.; of B.V.  Het wordt, hoe dan ook, een rechtsvorm buiten het gemeentelijke apparaat. Gewaakt moet worden voor overtreding van de staatssteunregels.
Samenvattend overzicht uit de Primum-studie

De Primumstudie, die dit allemaal analyseert, is van vóór het Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord wordt 50% lokale participatie nagestreefd. Het Klimaatakkoord stelt geen eisen aan de vorm van de Participatie. Zie ook www.bjmgerard.nl/?p=10733 en  www.bjmgerard.nl/?p=12483 .
In Primumtermen vertaald zou je die 50% desgewenst ook nog kunnen vertalen als een soort joint venture-achtige constructie.

De Vughtse PvdA/Groen Links willen dat de gemeente volledig eigenaar blijft van de opgewekte duurzame energie zonder aan te geven welke financiele techniek gebruikt wordt. (Die hoeveelheid duurzame energie is overigens beperkt, maar niet verwaarloosbaar: het Vughtse plan met 5 ha zon en 5 turbines à 3MW moet met de natte vinger ongeveer 135TJ (ca 37 miljoen kWh) per jaar opleveren en het totale energieverbruik van Vught was in 2018 1643TJ (zonder de autosnelweg). Het merendeel komt dus nog steeds van de oude energieleveranciers.).
Die 37 miljoen kWh zou de gemeente dit bedrag * 7 cent per kWh moeten opleveren en op papier is dat dus goed voor 2,6 miljoen per jaar. Bruto. De SDE+ gaat uit van een rendement rond de 10%, dus dat zou uitdraaien op ergens orde van grootte van een kwart miljoen per jaar winst.
De PvdA-Groen Linksmensen verwachten er een miljoen per jaar uit te kunnen halen. Ik zou die berekening wel eens willen zien.

Per sluitend slot van rekening
B&W van Boxtel hebben op zich gelijk dat men een hoop goed kan doen zonder risicodragend deel te nemen. Van afstand lijkt mij dat ze wat al te voorzichtig zijn. Het warmtebedrijf van Rotterdam als schrikbeeld nemen is wel erg buiten de Boxtelse verhoudingen.
En als de schrik voor het beheer over een stel windturbines en zonneparken te groot is, zou men ook nog kunnen kiezen voor een joint venture met een commerciële partij en/of een landelijke energiecoöperatie die 49% van de aandelen krijgt, of iets dergelijks.

Een plan als dat van PvdA-Groen Links in Vught moet, met de kletsnatte vinger, enige tientallen miljoenen Euro’s incidenteel kosten. Daarvan mag 80% vreemd vermogen zijn. Klinkt niet als per definitie onmogelijk.

Dit allemaal op voorwaarde dat de SDE+ – subsidie af komt.

En uiterard op voorwaarde dat Enexis kan aansluiten.

Update warmtebronnenregister dankzij Brabantse bedrijven

(Overgenomen van de site van de Provincie NBrabant dd 05 nov 2020)

Meer dan 110 bedrijven reageerden op de oproep van provincie Noord-Brabant om de potentie van restwarmte voor de industrie en gebouwde omgeving beter in kaart te brengen. Met de nieuwe inzichten kan het warmtebronnenregister geüpdatet worden. Dit helpt gemeenten, regio’s én de bedrijven om op hun beurt zelf na te denken over het slim benutten van restwarmte.

Restwarmte in de gemeente Oss

Enquête restwarmte

De provincie Noord-Brabant deed dit najaar een oproep aan Brabantse bedrijven om een enquête in te vullen om de potentie van restwarmte beter in kaart te brengen. En daar werd veelvuldig op gereageerd. Meer dan 110 bedrijven gaven input.

Met deze informatie kan het warmtebronnenregister geüpdatet worden. Het gaat hierbij niet direct om technische mogelijkheden, maar om het verkrijgen van meer inzicht en transparantie, zodat we met elkaar na kunnen denken over slimme uitwisseling van warmte.

Een kwart van de bedrijven actief bezig met restwarmte

Uit de resultaten blijkt dat een kwart van de Brabantse bedrijven al aan de slag is met restwarmteprojecten, bijvoorbeeld met intern hergebruik of het leveren van restwarmte aan omliggende gebouwen. Maar liefst 90% geeft aan mee te willen werken aan nieuwe initiatieven. Keerzijde is dat 80% van de bedrijven ook knelpunten ziet, met name als het gaat om het uitwisselen van restwarmte.

De resultaten beamen dat de warmtetransitie een leerproces is. Het is waardevol om met elkaar in gesprek te gaan over de inzet van restwarmte als warmtebron. Want de energietransitie, dat doen we samen.

Update warmtebronnenregister

Vanaf november 2020 zijn de resultaten terug te vinden in het warmtebronnenregister van Noord-Brabant. Deze informatie kan gebruikt worden voor opstellen van de Regionale Structuur Warmte en de Transitievisie Warmte. Bij vragen zijn de provinciale adviseurs warmtetransitie te bereiken via warmtetransitie@brabant.nl.

Voor eerdere artikelen op deze site over warmtebronnen in Brabant zie Warmtebronnenregister Noord-Brabant .

Zienswijze ingediend voor NRD PlanMER RES Zuidoost-Brabant

Vooraf
Het is één ding (een goed ding) om te roepen dat huizen van het gas af moeten en dat de broeikasgasemissies in 2030 gehalveerd moeten zijn (en in 2050 gereduceerd met 95%) t.o.v. 1990 – wat in de Klimaatwet staat en wat de basis is van het Klimaatakkoord.

Een ander ding is dat daarvoor ter uitwerking concrete handelingen verricht moeten worden, zoals renovatieprojecten in woningen en  het oprichten van grote installaties voor wind en zon. En dat valt in praktijk behoorlijk tegen.
Dit verhaal gaat over de grootschalige wind en zon in de Metropool Regio Eindhoven (MRE), een van de 30 Regionale Energie Strategie (RES)-regio’s. Zie www.bjmgerard.nl/?p=13055 .

In het MRE-gebied loopt het matig tot slecht. In zijn recente plan voor het plaatsen van wind en grootschalige zon (waarmee de opwek-taak van de RES ingevuld moet worden) schuift de gemeente Eindhoven eigenlijk alles af – er staat geen enkel concreet voornemen in het Eindhovense plan. Eindhoven zou op eigen grondgebied wel degelijk zonneparken kunnen laten bouwen (zie www.bjmgerard.nl/?p=13573 ).
Dat afschuiven zou vooral op de Kempengemeenten zijn ( Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel – De Mierden). Die hebben samen een ambitieuze PlanMER op gesteld ( voor de voorlopige zie www.zonenwindindekempen.nl/zonenwindindekempen/zon-en-wind-items_48056/item/bekijken-voorlopige-milieueffectrapportage_94556.html en voor toezending van de definitieve zie www.zonenwindindekempen.nl/zonenwindindekempen/proces-documenten_48203/ ) . De Commissie MER vond de eerste opzet niet goed, wat ook weer vertraging opleverde (zie onder andere www.ed.nl/kempen/duurzaam-energiebeleid-kempen-maanden-vertraagd~a5bd931f/ ). Nu ligt hij er.

(Uit de PlanMER Kempengemeenten, november 2019. ‘ Radar’ slaat op het vliegveld)

 
Uiteindelijk ligt er voor 35MB aan PlanMER De Kempen, maar ondertussen zijn de gemeenten Eersel en Bladel grotendeels afgehaakt – en beetje ‘eigen Joules eerst”. De andere drie gemeenten hebben in het tweede kwartaal van 2020 de PlanMER in hun beleid verwerkt.

Het liefste zien omwonenden relatief pijnloze oplossingen. ‘Zet eerst alle daken maar vol’ en ‘als ik ze maar niet hoor en zie’ en ‘geen kostbare landbouwgrond inzetten’ en ‘het landschap verandert’ en ‘natuurgebieden worden aangetast’ enzovoort.
Het klinkt allemaal goed in eigen oren, maar als je gaat rekenen komt het niet uit. Zelfs bij een relatief beperkte tussensprint als de RES ontkom je niet aan of extra windturbines of zonneparken op de grond.
En ook als een besparingen inboekt, blijft er nog steeds heel veel energie over die hernieuwbaar geproduceerd moet worden. Een bekende studie als de provinciale POSAD-studie gaat uit van 290,5PJ in 2014 en 244,5PJ in 2050 voor het totale bruto eindgebruik in de provincie Noord-Brabant. Als je die vraag hernieuwbaar wilt dekken, krijg je bijvoorbeeld zo’n soort plaatje voor een maximale opbrengst aan zonne-energie:

Uit de provinciale POSAD-studie


De laatste twee kolommen zijn of – of.
Er is ook zo’n plaatje waar de parken meer richting stedelijk gebied geschoven zijn, maar dat verandert niet wat aan de totaal getallen.  
En met ook zo’n plaatje voor wind en voor mestvergisting en voor restwarmte en geothermie kom je met allemaal samen op een geheel hernieuwbare energieproductie in Brabant in 2050.

Nu kan men delibereren over de waarde van POSAD, maar de grote lijn staat en die is dat de pijnloze oplossingen als dak en stort het bij lange na niet gaan redden.
Voor de introductie van voldoende hernieuwbare energie moet een prijs betaald worden en dat vraagt om vervelende keuzes.

Aan de andere kant moet men ook niet overdrijven. 57PJ zon op land vraagt om ongeveer 150km2 en dat is 3% van de 5082km2 van Brabant (waarvan 60% voor de landbouw gebruikt wordt). In bovenstaande  zonneplaatje worden bijvoorbeeld het NatuurNetwerk Brabant (NNB) en de ‘Groenblauwe Mantel’ (cultuurgronden nabij de NNB) niet gebruikt voor zonneparken.

Het komt allemaal neer op het maken van moeilijke keuzes die soms ook weer gunstige bijeffecten hebben. Een zonnepark kan ook nieuwe natuur worden of waterberging, en een windpark is goed agrarisch te gebruiken.
En dan is er ook nog zoiets als een compensatieregeling, in het Klimaatakkoord 50%. Zie www.bjmgerard.nl/?p=12483 en www.bjmgerard.nl/?p=10733 . Een goede compensatieregeling scheelt een slok op een borrel. Helaas is de 50% niet wettelijk afdwingbaar.

Het zou goed zijn als bijvoorbeeld Milieudefensie zich in deze lokale problematiek ging verdiepen.

(Schetsmatige zoekgebieden voor zon en wind in de RES MRE)


De PlanMER en de NRD

De MetropoolRegio Eindhoven komt er nu niet uit – andere regio’s zijn flinker. Er is een mooie landschapsanalyse van H+N+S, maar de zoekgebieden in de RES van de MRE houden daar niet op een aantoonbare manier verband mee en veel tekst is met de natte vinger.
Of het nu om serieuze kennisvergaring gaat of uit een wens om pijnlijke keuzes vooruit te schuiven of om de vrede in de regio te bewaren of een combinatie van alle, valt niet uit te maken, maar de regio is een PlanMER-procedure gestart.
Een PlanMER is een Milieu Effect Rapportage van een groot Plan waarvan de uitwerkingsprojecten grote invloed kunnen hebben op het milieu.

Omdat de Metropool Regio Eindhoven, ondanks zijn imperiale naam, zelf niets mag, is het bevoegd gezag van de PlanMER de provincie.

De PlanMER van de MRE gaat alleen over de potentie en de milieugevolgen van grootschalige opwek van wind en zon binnen het MRE-gebied. De PlanMER die de Kempengemeenten al hadden laten maken voor het eigen gebied, wordt geacht een onderdeel te worden van de MRE-PlanMER.

Elke PlanMER begint met is dat vroeger een Startnotitie heette en nu de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), maar dat is in wezen nog steeds een startnotitie.
In de NRD staat welke onderwerpen men wel en niet aan bod wil laten komen (de Reikwijdte), en hoe diep men op de materie ingaat (het Detailniveau). Een NRD is dus een begrenzend document dat vooraf gaat aan het eigenlijke document. Het is lichtelijk abstract, maar het belang van een NRD kan niet onderschat worden.
Op een NRD kan een zienswijze worden ingediend.

Stapsgewijze besluitvorming PlanMER (fase 1 is voor de Kempengemeenten al doorlopen)

De zienswijze van Milieudefensie
Milieudefensie Eindhoven (en ikzelf als persoon) vonden dat het met de RES van de MRE, en met de klimaat- en energieplannen van de gemeente Eindhoven in het bijzonder, knudde ging. Het lulde vooral overal omheen en er kwamen geen concrete plannen die wat voorstelden.
We wilden daar iets van zeggen en de eenvoudigste manier om dat te doen was door op dat moment een zienswijze in te dienen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Op zijn minst is men (dus de provincie) verplicht om daar wat op terug te zeggen.
Deze zienswijze is ingediend.

Omdat een zienswijze een officiele tekst is, zijn indieners gebonden aan de bestaande wetgeving.

De ‘zonneladder’ bijvoorbeeld staat in de Nationale Omgevingsvisie en staat ook in de provinciale wetgeving. (De zonneladder is bedacht door de natuurorganisaties). De zonneladder zegt dat je eerst moet nadenken over zonnepanelen op daken, dan over ‘rommelgronden’ als waterzuiveringen en stortplaatsen, dan over vrijkomende agrarische locaties tot 5000 m2 (een halve hectare), en dan pas grote vrijstaande PV-opstellingen (die veel boeren overigens graag willen omdat ze er meer mee verdienen dan met de reguliere landbouw).


Je kunt de zonneladder stringent en rekkelijk opvatten.
Als je hem stringent opvat, moeten eerst alle daken vol voor er één vierkante meer op de stort mag, moeten eerst de stort vol voor er één vierkante meter op kleine parken mag, enz. Maar omdat de daken technisch sowieso niet vol kunnen, en omdat bovendien  de overheid niets over particuliere daken te vertellen heeft, werkt de stringente opvatting van de zonneladder in feite als een sabotage-instrument. En veel mensen hanteren hem graag zo.
De rekkelijke opvatting is dat het denken wel moet beginnen met de daken, maar dat je van tevoren weet dat daar sowieso niet genoeg ruimte is (zelfs al lagen ze vol), en dat je ondertussen andere parken niet blokkeert. Er moet dan een goed verhaal liggen.
Milieudefensie kan in de NRD niet de zonneladder als zodanig ter discussie stellen (de Reikwijdte), maar wel positie innemen over stringent versus rekkelijk (de Detaillering).
In de zienswijze stelt Milieudefensie voor om rekkelijk te werken.

Want tegelijk wil de provincie Noord-Brabant in de Energieagenda 2019-2030 ook 88PJ (24,4TWh) uit grootschalige wind en zon. Om dat in een kader te plaatsen: de gezamenlijke vier Brabantse RES-sen komen in hun bod tot 7TWh.
Je zult iets moeten.

Een andere belangrijke vraag in een NRD is welke doelen men voorop stelt.
Naar eigen zeggen wil de MRE:

  1. De verduurzaming van de energievoorziening wordt beknopt als doel geformuleerd en is nog niet veel verder uitgewerkt dan het eindbod van 2TWh. De dienstbaarheid van de energietransitie aan andere doelen is veel explicieter uitgewerkt, namelijk:
  2. Een vitale agrarische economie
  3. Een veerkrachtig natuurlijk systeem
  4. Een duurzame en innovatieve economie
  5. Een veerkrachtig en klimaatbestendig watersysteem

Milieudefensie Eindhoven heeft gesteld dat dat allemaal mooie doelen zijn, maar dat ze niet tegelijk uitvoerbaar zijn. Een vitale agrarische economie is mooi, maar alleen als hij een stuk kleiner is dan de huidige agrarische economie.

Deze set doelen is voor de MRE sowieso al een vooruitgang, want in het leidinggevende eerdere document uit 2017 “Integrale Strategie Ruimte” (ISR) is ruimte niet meer dan een consumptieartikel ten behoeve van economisch gebruik en aantrekkelijke menselijke leefomstandigheden. Het woord ‘klimaat’ komt in de ruimtestrategie van de  de MRE in 2017 slechts naar buiten in combinatie met het voorvoegsel ‘vestigings-‘.
Inzet van ruimte voor grootschalige opwek van hernieuwbare energie is in de ISR volledig afwezig.
Milieudefensie meent dat de MRE zijn ruimte-opvatting moet aanpassen.

Tegelijk meent Milieudefensie in zijn NRD-zienswijze dat Natura2000-gebieden, het Natuur Netwerk Brabant (NNB – wat men vroeger de Ecologische Hoofdstructuur noemde) slechts bij uitzondering met opwek-activiteiten belast moeten worden, en dat in de Groen-blauwe mantel van cultuurlandschappen die aan de NNB grenst voorzichtig moet zijn.
Bedacht moet hier wel bij worden dat opwek-landschappen van zon en wind ook natuur kunnen toevoegen. Een goed zonnepark kan opjectief meer natuurwaarde hebben dan de raaigraswoestijn of het maisveld dat het vervangt. Of de omwonenden en de natuurliefhebbers dat subjectief ook zo voelen, is een ander verhaal. Zie bijvoorbeeld www.bjmgerard.nl/?p=12661 en www.bjmgerard.nl/?p=11263 ).

De volledige tekst van de zienswijze van Mileudefensie Eindhoven op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van de PlanMER RES MRE is te vinden op

Zonnepark Bockelwitz-Polditz aan de Mulde (Dld) (foto bgerard) (Dit park telt 14000 panelen, samen goed voor 3,15MW piek, en was daarmee in 2010 het 130ste park van Duitsland).

Update dd 24 nov 2020

Onderstaand artikel staat op 23 nov 2020 in het Financieel Dagblad. Ik vind dit een zeer slechte ontwikkeling. Bij ons in Brabant wordt dit initiatief gedragen door o.a. Forum voor Democratie, CDA, CU en LokaalBRabant in een recente motie. Dit is het standpunt van (extreem) rechts.Tegelijk is de onderliggende zonneladder ontwikkeld door de natuurorganisaties. Die hebben hem mogelijk niet zo stringent bedoeld als hij nu wordt uitgelegd, maar het tekent de spagaat.Ik vind dat de zonneladder, nu die eenmaal in het officiele beleid is opgenomen, rekkelijk gehanteerd moet worden. Men moet beginnen met denken bij de daken, maar het kan niet zo zijn dat pas als de daken (waarover de overheid niet eens wat te vertellen heeft)eerst voor 100% vol moeten liggen voor de eerste vierkante meter rommelgrond bedekt mag worden, en dat eerst alle rommelgrond bedekt moet worden voor de eerste vierkante meter zonnepark in de wei gebouwd mag worden. En dat terwijl bij voorbaat vast staat dat je het met alleen daken en rommelgronden niet redt.Wie de zonneladder zo uitlegt, heeft er een effectie sabotage-instrument van gemaakt en bij (extreem) rechts is dat ook precies de bedoeling.Wie vóór deze ontwikkeling is, is tegen hernieuwbare energie.

.



Rare Amsterdamse gemeentehuisactie met terechte kritiek op Arjen Lubach

Het loopt soms raar.

Lubach
Ik erger me vaak kapot aan (vriendelijk uitgedrukt) de oppervlakkigheid en slordigheid van Arjen Lubach op energiegebied. Lubach heeft zijn persoonlijke voorkeuren (tegen biomassa en voor kernenergie) en daar moet komisch naar toegeredeneerd worden. Het is uiterst schadelijk.

Zo ook op zondag 08 november. Het was een mengsel van waarheden, halve waarheden en onwaarheden over de ‘van het gas af-operatie’ die, omdat Lubach zo’n goede komiek is, schade aanricht bij mensen die de boodschap, dankzij de goede verpakking, geloven.

Dat is des te makkelijker omdat de ‘van het gas af-operatie’ een ingewikkeld verhaal is. De problemen zijn niet alleen technisch, maar ook politiek en sociaal-economisch. De operatie is zeker niet populair onder de bevolking, maar er zit externe dwang op de broeikasgasreductie vanwege het klimaat en vanwege het voortbestaan van Nederland.

Het handboek lastige vragen
Toen ging het raar lopen.

Ook de gemeente Amsterdam baalde van Lubach en besloot tot een tegencampagne.

Het Regionaal Energieloket schreef op verzoek een contra-tekst.  Het Regionaal Energieloket is een door de gemeenten gefinancierde organisatie met de verduurzaming van de woningvoorraad als gespecialiseerd doel. Daartoe loopt er een hoop deskundigheid rond. Zie https://regionaalenergieloket.nl/ en https://regionaalenergieloket.nl/over-ons . Je kunt er bijvoorbeeld een energiescan van je huis laten doen door op de computer vragen in te vullen. Heb ik zelf ook gedaan om het te testen, hoewel wij pas in Eindhoven zo’n gesprek gehad hebben (met gratis Energiebox).

De gemeente Amsterdam besloot om die contra-tekst als intern document aan zijn ambtenaren te geven met de aansporing “Stuur dit handboek niet naar bewoners”.
Een van de ambtenaren luisterde goed en stuurde het niet naar de bewoners, maar naar De Telegraaf, dat er op 13 november over schreef, met een downloadlink.

Onduidelijk is waar de bij voorbaat hopeloze geheimhoudingsplicht eigenlijk goed voor was.
Het is een fatsoenlijke analyse van wat er allemaal wel, half en niet klopt aan het verhaal van Lubach. Eigenlijk zelfs te fatsoenlijk voor De Telegraaf, maar goed, de primeur…

  • Het is niet zo dat er maar 86 huizen van het gas gehaald zijn, zoals Lubach zegt, er zijn in Purmerend 86 huizen van het gas gehaald – en elders ook een heleboel.
  • Het is niet zo dat warmtenetten alleen op gas of biomassa of restwarmte draaien, maar ze kunnen ook een start maken met bijvoorbeeld aquathermie of warmte-kracht koppeling (zoals de Amercentrale).
  • En het is niet zo dat een warmtepomp geen broeikasgas bespaart als hij op stroom uit aardgas loopt – zelfs dan bespaart hij nog flink omdat je voor 4J output aan warmte maat 1 J input aan stroom nodig hebt (het ding produceert geen warmte, maar verplaatst warmte, net als een koelkast).

    Dat soort kennis is aan Lubach en zijn team niet besteed.
    Eigenlijk zegt de populaire lolbroek Lubach dat er maar twee mogelijkheden zijn:
  • Kernenergie, maar zelfs als er een bedrijf is dat dat aandurft, staat het product er pas over 15 a 20 jaar – wijzen de ervaringen uit. In elk geval ver na het doeljaar 2030.
  • Meer gas van Poetin.

Met alle andere oplossingen is iets, uiterst humoristisch verwoord, mis.
Lubach en zijn team moeten hun huiswerk beter gaan doen.

Wie het verhaal wil lezen kan het hieronder vinden.