Het verzachten van groeistuipen van Eindhoven Airport

In het Eindhovens Dagblad van 19 juli 2017 staat onder de kop “Groei-
stuip van 20 jaar” een terugblik op 20 jaar explosieve groei van Eindhoven Airport. Sinds 1997, toen Schiphol de baas werd op Eindhoven Airport, is het aantal passagiers vertwintigvoudigd tot (nu) 5,2 miljoen. Het aantal vliegbewegingen zal in 2020  grofweg 3* zo groot geworden. Anders dan het lijkt staat er wel een  maat op het vliegveld, maar die wordt steeds verder opgerekt. Het overgrote deel van de bestemmingen bestaat uit vakantiebestemmingen.

Naast het artikel stond een toegevoegd artikel, ook over Eindhoven Airport “Schade aan het milieu is (iets) te verzachten”. Met “milieu” wordt “klimaat” bedoeld, want het gaat niet over fijn stof, kerosinelucht en geluid. Met “iets verzachten” wordt bedoeld dat een klein deel van de passagiers vrijwillig een compensatie betalen via een van de vele clubs en clubjes, die een soort tussenhandelslaag vormen tussen het geld van die passagiers en de concrete boomplantinitiatieven en houtskoolbranderijen in ontwikkelingslanden, waar dat geld naar toe gaat.
Een voorbeeld is dat je na een retour Dublin aan Greenseat €2,80 kunt betalen voor een reeks kleinschalige initiatieven in ontwikkelingslanden, of dat Trees for All minstens één dode boom vervangt door een levende.

Ik heb in mijn hoedanigheid als secretaris van het Beraad Vlieghinder Moet Minder een ingezonden brief over dit compensatieverhaal aan het Eindhovens Dagblad aangeboden.

Boeing 737-800

(Overigens kost een retourtje Dublin met een Boeing 737-800 een kleine 3000kg kerosine, te compenseren met grofweg 12ton hout, ergens rond de 18m³ . Een flinke eik moet dat inderdaad ongeveer kunnen halen.)

– – – – – — – – – — – – – – – – –

Het verzachten van groeistuipen                            20 juli 2017

In het ED van 19 juli staat onder de kop “Schade aan het milieu is (iets) te verzachten” een kanttekening bij het ernaast afgedrukte artikel over 20 jaar groeistuip op Eindhoven Airport.

Het artikel, hoewel op zich sympathiek, kent enkele gebreken.

  • Het berekent geen outputprestaties. Hierbij een losse schatting wat je zou moeten doen voor volledige compensatie voor het vliegen vanaf Eindhoven Airport.
    Er steeg op Eindhoven Airport in 2016 voor ongeveer 10,5PJ (PetaJoule) brandstof op. Dat getal groeit bij ongewijzigde groeistuip met ca 8,7% per jaar.
    Die hoeveelheid is op elementbasis goed voor zo’n 200.000 ton koolstof in de lucht (als CO2).
    Op tropisch regenwoud staat grofweg 200 ton biomassa/hectare, goed voor 80 ton koolstof.
    Wie dus het vlieggedrag van Eindhoven Airport over 2016 wil compenseren, moet 2500 hectare nieuw tropisch regenwoud doen ontstaan die anders niet was ontstaan. Zo ook over 2017, met die 8,7% erbij, dus 2700 hectare, enz.
    Volgroeid bos slaat geen nieuwe koolstof op.

Dat hout moet uit het milieu blijven, want anders heb je alleen maar enkele decennia vertraging bereikt. Een dode boom omruilen voor een nieuwe boom, de boetedoening voor een retourtje Dublin, betekent slechts één boomleeftijd uitstel.
Dus gouden dagen voor de timmerhoutindustrie.

  • Het artikel laat de niet-CO2– effecten achterwege. Op 10km hoogte vinden er andere atmosferische reacties plaats. Die tellen ongeveer even zwaar als de wel- CO2– effecten . Eigenlijk vereist het jaar 2016 dus 5000 hectare nieuw regenwoud.

Ergens rond 2020 gaan de klimaateffecten van Eindhoven Airport zwaarder wegen dan die van de gehele overige gemeente Eindhoven. (zie Klimaateffect Eindhoven Airport binnenkort gelijk aan dat van heel Eindhoven )

  • Het artikel erkent dat deelname vrijwillig is en daardoor beperkt. Het helpt voor de beleving van het probleem, maar slechts zeer beperkt voor het klimaatprobleem zelf.
    De verplichting om klimaatschade te beperken moet wettelijk aan de luchtvaartmaatschappijen worden opgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van een koolstofprijs. Het IMF heeft in 2016 al een prijs van $30/ton CO2 voorgesteld (in plaats van de ridicule €5/ton van de EU).
    In de recente ICAO-overeenkomst echter zijn zulke gedachten op efficiente wijze gekortwiekt en op de lange baan geschoven.
    Ook binnen de EU hebben de grote verbruikers als de luchtvaartmaatschappijen de boot nog weten af te houden, tot steeds grotere woede bij het Europees Parlement.
  • Er is mondiaal een wildgroei aan compensatie-organisaties ontstaan, die concurreren binnen een gezamenlijk plafond dat niet willekeurig kan stijgen. De additionaliteit van de projecten is soms moeilijk controleerbaar (“hadden ze anders niet ook plaatsgevonden?”). Er gaat ook nogal wat overhead in om. Geen ideale constructie.De wereld zal moeten accepteren dat er paal en perk gesteld wordt aan de explosieve groei van de luchtvaart, en dat er technieken komen waarbij het vliegen geen of weinig CO2meer produceert.

Bernard Gerard
De schrijven is secretaris van het Beraad Vlieghinder Moet Minder (BVM2)

– – – – – – – – – – –

Iedereen die er verstand van heeft geeft als eerste reactie: “we moeten met zijn allen minder gaan vliegen”. Maar voor wie, zolang de zaken niet centraal geregeld zijn, toch zelf het goede wil doen, hier enkele voorbeelden van compensatiesites.
Zie ook Vliegen en klimaat na de recente ICAO-overeenkomst (en Eindhoven Airport)  .

Bos op de website van VCS

Volgens deskundige Bart Crezee (die ook in De Correspondent schrijft, naar mijn smaak te optimistisch) zijn de Golden Standard (www.goldstandard.org) , de Verified Carbon Standard (VCS) (www.v-c-s.org/project/vcs-program/ ), Climate, Community&Biodiversity (CCB_)Standard ( www.climate-standards.org/ccb-standards/ )en de Fairtrade Climate Standard ( www.fairtrade.net/standards/our-standards/climate-standard.html ) betrouwbaar en duurzaam.
Het spreekt niet vanzelf dat standaarden dat zijn, want het is een niet door de overheid gereguleerde sector.

Fairtrade Climate Site

Overigens zijn dit standards, die zich richten op klimaatcompensatieprojecten in algemene zin en die al langer bestaan. De luchtvaartcompensatieprojecten hebben zich daar tussen gedrongen.

Voor een verhaal over het in dit artikel genoemde IMF-voorstel (eigenlijk een discussiebijdrage van personeel van het IMF), zie Klimaatmaatregelen gaan ook de luchtvaart beïnvloeden .

 

Houtbouw voor het klimaat – terug naar de toekomst

Voorbeelden van houtbouw (oud en nieuw)
In Nature van 17 mei 2017 staat een leuk artikel over een moderne renaissance in de houtbouw (zie www.nature.com/news/the-wooden-skyscrapers-that-could-help-to-cool-the-planet-1.21992 ).

Het artikel bespreekt de voordelen van houtbouw: voordelen in eigen recht en voordelen voor het klimaat.
Hout legt koolstof vast en zolang het hout hout blijft, kan dat voor heel lang zijn.

De Chinese Sakyamuni Pagode uit 1056, geheel van hout

Deze Chinese Sakyamuni Pagode is in 1056 gebouwd, geheel uit hout, en heeft al verschillende zware aardbevingen doorstaan. Het ding is ruim 67m hoog (zie bijvoorbeeld https://en.wikipedia.org/wiki/Pagoda_of_Fogong_Temple ).

Stavkyrke uit Urnes, Noorwegen, gebouwd in 1132, geheel uit hout. Deze Stavkyrke staat op de Unescolijst. Zie bijv. wikipedia.org/Staafkerk_van_Urnes .

De nieuwe gebouwen zijn ook vaak hoog. Het Nature-artikel opent met een gebouw in Prince George, Canada (een oude timmerhout-stad). Het is het Wood Innovation and Design Center van de University of North British Columbia en is (voor zover geen glas) helemaal gemaakt van hout van de Douglas spar.

Het Wood Innovation and Design Centre van de Universiteit van North British Columbia, geheel uit Douglas spar

Zo zijn er meer hoge gebouwen. Dit gebouw in Bergen (Noorwegen) had met 53m hoogte een tijd lang het mondiale record. Het is modulair geconstrueeerd met prefab-technieken, en telt 62 flats over 14 verdiepingen. Maar deze recordhoogte blijft niet lang bestaan.

Links Treet in Bergen, rechts de nieuwe ontwikkelingen

Voor- en nadelen
Hout kan bijvoorbeeld goed tegen aardbevingen.
Alle bouwwerken, ook die van hout, moeten aan het Bouwbesluit voldoen. Dat bevat veel bepalingen over brandvertraging en brandwerendheid. En, anders dan vaak gedacht, zakt bij brand een houten gebouw minder snel in elkaar dan een pand van beton (dat zwak wordt) en staal (dat smelt). Hout van de Douglas spar verkoolt met 39mm per uur en als je de planken en balken maar dik genoeg maakt, blijft een houten pand minstens de vereiste één uur staan.
Hout is per kg sterker dan staal.

Hout ontstaat doordat planten CO2 uit de lucht halen en opslaan in de vorm van vooral (hemi)cellulose en lignine. Een kg hout bestaat voor ruim 40% uit het element koolstof.
Een Fins regeringsrapport heeft geschat dat als heel Europa jaarlijks 4% meer in hout bouwde, dat zo’n 150 miljoen ton CO2 zou schelen (zowat de totale Nederlandse jaarproductie). (zie http://go.nature.com/2phy6rk ).
Dat getal komt vooral omdat de constructie zeer veel minder energie vraagt.

Een pagode kan wel 1000 jaar oud worden zonder zijn functie te verliezen, maar voor een modern kantoorpand geldt dat niet. Na enkele decennia is het door zijn bruikbaarheidscyclus heen. Dat vraagt om een recyclingprogramma voor het hout, zodat het niet alsnog verbrand wordt of verrot.

Houtbouw kan een lokale economie stimuleren. Het United Nations Development Program (UNDP) heeft bijvoorbeeld geconstateerd dat 27% van Turkije bebost is, dat daar 7 miljoen van de armste Turken wonen, en dat in Turkije maar 0,13% van de huizen een houten frame had. De UNDP werkt om die reden aan een integraal bosbouwplan voor Turkije.

In principe bieden de bossen nog ruimte om op duurzame basis meer hout te winnen, en in principe biedt dat kansen. Maar er is wel een goed plan voor nodig, met name in de Derde Wereld waar soms roofbouw op de bossen gepleegd wordt. Je kunt er niet zomaar op los kappen.

Biomassa stoken
Het (bij)stoken van biomassa, bijvoorbeeld in de stadsverwarming of in kolencentrales, heeft in milieukringen een slechte reputatie. Met grote stelligheid, en soms niet gehinderd door enige kennis, wordt gedaan of de duivel zelf hier bezig is.
De recente Zembla-documentaire wordt hier als bewijs opgevoerd terwijl die, als je die goed bekijkt, een gemengd beeld geeft. Soms zie je typisch productiebos gerooid worden (bomen die geplant zijn met de regelmaat van een kristalrooster), soms zie je de houthakkers bezig in een moerasbos dat er allesbehalve als een productiebos uitziet. En inderdaad werd er één kar met als constructiehout bruikbare stammen versnipperd tot pellets. Ik heb er de conclusie uit getrokken dat er in praktijk het een en ander fout is, maar niet dat het systeem per definitie fout is. Het vraagt om een context-verhaal, want anders gooi je het kind met het badwater weg.

Ik heb hierover op deze site eerder een artikel geschreven in www.bjmgerard.nl/?p=972 (Houtpellets en bosbeheer in de VS), op basis van een lezing van Junginger tijdens de befaamde KNAW-bijeenkomst . De basis is dit plaatje (voor een uitgebreidere uitleg zie het artikel).

De koolstofopslag in een gekapt en herplant bos

De zwarte lijn (de nullijn of referentielijn) is de koolstof die in een gewoon productiebos ligt opgeslagen. Dat bos wordt gekapt en dat leidt tot de koolstofschuld van de bruine lijn. (voor de duidelijkheid: een bos legt alleen CO2 vast zolang het groeit!).
Maar bij reguliere bosbouw worden er ook weer boompjes geplant en zolang die groeien of zolang de koolstof, die ze vastleggen, buiten het systeem gebracht wordt, leggen de CO2 vast (de paarse lijn). Waar de paarse lijn de zwarte snijdt, is de oorspronkelijke koolstofschuld afgelost.
Je had ook een meer ambitieuze referentielijn kunnen kiezen, namelijk een natuurlijk bos (de blauwe lijn). Als de paarse lijn blijft stijgen, passeert hij vroeg of laat ook dit referentieniveau en is er dus meer koolstof vastgelegd dan de natuur ooit had kunnen doen.

Het bouwen met hout is een methode waardoor de paarse lijn omhoog kan blijven lopen. De Chinese pagode heeft deze lijn nu 961 jaar doorgetrokken (althans, voor zover zijn bescheiden aandeel daarin reikt).

Met een dergelijk verhaal erbij is het mogelijk om netto CO2 vast te leggen en toch resthout als biomassa te gebruiken.  Essentieel voor de inzet van biomassa is een dergelijk samenhangend, multidisciplinair verhaal waarin ook andere vormen van gebruik van dat resthout meegewogen worden. Er moet beter nagedacht worden dan alleen maar roepen dat biomassa(bij)stook van de duivel is.
En er is een vorm van houtrecycling nodig als het hout ouder wordt dan de levensduur van het gebouw waar het in zit.

Eickhout

Bas Eickhout (EU, GrL)

Europarlementarier Eickhout van Groen Links (mooie naam trouwens in dit verband) heeft een aanzet gegeven tot een dergelijk verhaal. Het verbranden van complete boomstammen (na versnippering) mag van hem niet als duurzame energie aangemerkt worden, maar het verbranden van resthout wel, mits aan een aantal aanvullende voorwaarden voldaan is (bijv. biodiversiteit en bodemonderhoud).

Je kunt wel wat heen en weer misten en maren over Eyckhout’s standpunten (bijv. wanneer je iets een boomstam noemt en hoe je dit wil handhaven), maar in essentie is dit de kant die je op moet.

 

Zuidoost Brabant als trage supertanker richting energietransitie en de terreinbeheerders in spagaat

En zo zat ik op donderdag 6 april bij twee bijeenkomsten over hoe het MRE-gebied ( = Zuidoost Brabant rond Eindhoven en Helmond) energie-
neutraal moest worden. ’s Middags was er een bijeenkomst voor
bestuurders van het MRE-gebied in de Kasteelhoeve in Geldrop, ’s avonds had ik samen met Michiel Visser van de BMF en met Joop van Hout en Lieke Stoffelen van het Trefpunt Groen Eindhoven een bijeen-
komst belegd voor vrijdenkende geesten, waaronder die van de Terrein Beherende Organisaties (TBO), enkele provinciale politici, en met een echte prof erbij, om ook eens onafhankelijk naar het onderwerp te
kijken.

De bestuurlijke bijeenkomst
Men kan het in  Eindhoven en Helmond niet laten, ze moeten de slimste en de eerste zijn. Dus zal het MRE-gebied de eerste regio zijn (in de kosmos) die energieneutraal is. Dat terwijl de regio nu eerder bij de laatste dan bij de eerste plaatsen rondhangt. Insiders schudden hun hoofd. Maar goed.

Onder de regionale inspanning ligt de Posadstudie (zie op deze site www.bjmgerard.nl/?p=4316 ). Die geeft een redelijk heftige inspanningsverplichting, maar hanteert aannames en heeft rekenfouten die toch nog redelijk wat lucht zouden geven.

MRE-bijeenkomst 06april2017 . Links Van Liempd, rechts Kuijken

Het proces wordt getrokken door Paul van Liempd (PvdA), wethouder in Waalre en Mathijs Kuijken(CDA), wethouder in Bergeijk. De eerste doet in MRE-verband de duurzaamheid en de tweede de Regionale Ruimtelijke Strategie. Ze doen hun best.

In de zaal zaten heel veel ambtenaren en bestuurders van de gemeenten, waterschappen en provincie, een aantal beroepslobbyisten van energiebedrijven of voor het eigen bureautje, en wat bezorgde burgers. Overigens was 89% van de aanwezigen met de auto.
Het was de derde zitting in deze “Atelier-reeks”. In eerdere zittingen had men afgesproken dat men niet zou blijven inzetten op ontsnappingsmogelijkheden in de toekomst, maar dat men nu zou beginnen. In elk geval sommigen zagen de beperkingen van de Posad-studie ook wel.

Het was geen kwaaie bijeenkomst. Ik kan niet in hoofden kijken, maar wat er gezegd werd ging de goede kant op, zij het niet als een flitsende sprint – inschatting van de politieke realiteiten zal daar niet vreemd aan zijn. Het overheersende beeld is dat van een supertanker die begint te varen.

Publiek bij MRE-bijeenkomst 06april2017

De smart phone-stemming gaf enkele geprononceerde resultaten:

  • het grote publiek heeft er nog geen besef van hoe groot de uitdaging is (65%)
  • de overheid kan de energieneutrale regio het beste naderbij brengen door initiatieven te ondersteunen met maatwerk (41%), door samenwerking te stimuleren en wet- en regelgeving aan te passen (beide ca 22%). Subsidie was het minst populair, want de gemeenten hebben geen geld.
  • kennis kan het beste worden ingezet voor de transitie door concrete projecten te stimuleren en daar kennisinstituten bij in te zetten
  • het MKB heeft het meeste aan zekerheid over meerdere jaren (50%) en geld (33%). Meer vrijheid door minder regelgeving stond laag op de agenda (13%) en een communicatiecampagne werd nog veel mnder zinvol geacht.
  • de ‘oude’ infrastructuurbedrijven blijven hard nodig omdat die de infrastructuur beheren, kennis hebben en kansen zien (82%) en omdat we nog jaren fossiel nodig hebben (13%)
  • op dit moment is het hardst nodig een Deltaplanachtige totaalaanpak (71%) en een breed draagvlak (21%)

Hierna mochten acht mensen een korte pitch geven om het publiek naar hun werkgroep te lokken. Ik heb wat rondgelopen.
Woonbedrijf (de grootste woningbouwcorporatie van Eindhoven) had zijn Nul Op De Meter-projecten (NODM) afgeblazen. Die zouden voor hun woningen 80 a 90 mille per stuk kosten. In plaats daarvan wordt ingezet op kleinere projecten, bijv. ketelvervanging door een hybride warmtepomp. De woningen in kwestie hebben al spouwmuurisolatie en dubbel glas en het ketelprogramma brengt woningen met een C-label op A en woningen met een B-label op A+ . En dat voor €6500, waarvan een groot deel gesubsidieerd. Woonbedrijf probeert zo te werken dat de maatregelen compatibel zijn met NODM in bijvoorbeeld 2035.

(Nu nog) wethouder van Veldhoven, Nicole Ramaekers wilde Veldhoven energieneutraal maken, om te beginnen nieuwbouwprojecten.

Een van de oplossingsmodellen.

De onofficiele bijeenkomst
Die vond  ’s avonds plaats in ’t Bellefort.

De aanleiding was o.a. de spagaat, waarin de TBO’s zich bevinden, en waar de BMF mee moet dealen. “Wij hebben decennia geïnvesteerd in ons enige Brabantse Nationale Park Het Groene Woud, om daar een aantrekkelijk landschap van te maken, en nou willen ze daar windmolens midden in gaan zetten” aldus een vertegenwoordiger van Natuurmonumenten (een belangrijke TBO). Ik kan begrip opbrengen voor het standpunt, hoewel strikt genomen niet de natuur zelf onder die windturbines lijdt, maar vooral de menselijke beleving van de natuur. Het is een spanningsveld van jewelste, ook al met aanwezigen uit Boxtel die activistisch zijn in het plaatsen van windmolens. Die vinden dat Boxtel de meest ecologische gemeente is en op die eretitel hebben ze meer recht dan het MRE-gebied.

Nationaal Park Het Groene Woud

De TBO’s staan hier ook niet allemaal hetzelfde in. ’s Middags was er een werkgroep van Jan Fenten van Staatsbosbeheer, die als man van publieke organisatie medeverantwoordelijkheid voelde voor de oplossing van de energieproblemen, liever niet maar als dan toch, dan niet in Natura2000 – gebieden. Maar goed geplaatste turbines in de Boswachterij Kempenland of geothermie naast de Natura200-gebieden in De Peel zou bespreekbaar zijn. En biomassa (bijv. voor de stadsverwarming in Meerhoven) kon, want ze wisten precies hoeveel ze wel en niet konden oogsten, en tot nu toe nam de hoeveelheid hout toe. ( zie De biomassacentrale Meerhoven en het overige Eindhovense biomassaproramma )

Het ging er flink op los. De biljarters die aan de andere kant van de deur met een kampioenschap bezig waren vroegen of het niet wat zachter kon.

Vanwege deze spagaat had ik mijn commentaar op het Posad-rapport verder uitgewerkt en van een aantal suggesties voorzien. Ook had ik er de plannen van Urgenda en van Sijmons en TenneT kwantitatief naast gezet. Dit alles zou op termijn flink wat reserveruimte in de vraagstelling kunnen inbouwen. Kort samengevat:

  • doe tot 2023 gewoon wat in het Energieakkoord afgesproken is. Dat gaat sowieso de goede kant op
  • laat iedereen erg zijn best doen om wind op de Noordzee sterk uit te breiden
  • reken een evenredig deel van de wind op zee aan Brabant toe
  • import van duurzame energie is geen verwerpelijke zaak.
  • heb meer aandacht voor warmteprojecten

Men kan mijn presentatie  HIER vinden. Commentaar wordt altijd op prijs gesteld.

We hebben afgesproken onze informele tijdelijke werkgroep uit te breiden en om er verder mee door te gaan. De energietransitie in Brabant is te belangrijk om alleen aan politici over te laten. Geïnteresseerden zijn welkom.

Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa (3) – update

Inleiding
De provincie Noord-Brabant wil mineralenkringlopen sluiten binnen Noordwest-Europa en voorkomen dat de gassen ammoniak, methaan en lachgas worden uitgestoten. Dat is een onderdeel van het nieuwe mestbeleid, dat in die vorm terug gaat tot op de roemruchte Ruwenbergconferentie in februari 2013.

Ook de Vereniging Milieudefensie wil inperking van de landbouwkringlopen. In 2016 is de brochure uitgebracht ‘Naar 100% regionaal eiwit’ (zie milieudefensie.nl/publicaties/naar-100-regionaal-eiwit/ ). In deze brochure wordt onderzocht hoe de Europese veeteelt zou kunnen reageren als er geen eiwit t.b.v. veevoer meer geïmporteerd zou worden in de vorm van soja. De melk-actie van Milieudefensie richt zich tegen de wantoestanden die verbonden zijn aan de grote monocultures in Zuid-Amerika.

Aan een van de zijtafels van de (inmiddels afgeronde) Mestdialoog hebben vertegenwoordigers van de Brabantse Milieu Federatie BMF (waaronder ik) en van de  ZLTO een paar zittingen gesproken over dit onderwerp, in aanwezigheid van deskundigen van Wageningen University Research (WUR) en onder een onafhankelijk voorzitter.

Ik heb hierover een eerder artikel geschreven vlak na de eerste zitting (zie Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa (1) en ik heb de voorlopige eindverklaring genoteerd (zie Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa (2) .

Daarna hebben de WUR-mensen, voor wie deze sessies ook een beetje kleuren buiten de lijntjes waren,  zich ingezet om een net eindrapport van de zittingen te maken. Dat rapport is op 25 november, met een notitie van Gedeputeerde Spierings erbij, aangeboden aan de leden van Provinciale Staten. De volledige tekst is hier te vinden –> Eindrapport WLR _Sluiten van nutriëntenkringloop op het niveau van Noordwest-Europa_25nov2016 .

Overigens heeft ook het Plan Bureau voor de Leefomgeving hier in 2011 een tekst over geschreven, zie www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/passende-veestapel-nl.pdf . Het PBL meent (zonder doelgericht onderzoek) dat zonder externe wisselwerking buiten NW Europa de huidige veestapel ‘nauwelijks’ kan, WUR meent (met doelgericht onderzoek) dat het net kan, mits een heleboel.

Een samenvatting op het niveau van Noordwest Europa
Het WUR-onderzoek herhaalt de globale conclusies waarover ik in artikel 2 al geschreven heb, maar onderbouwt dit met nieuw materiaal waaraan ik ten onrechte nog geen aandacht gewijd had.

Let wel dat WUR slechts de beperkte vraag heeft proberen te antwoorden wat er gebeurt als alleen de im- en export van veegerelateerde producten te stoppen. WUR heeft aangenomen dat er verder niet wat verandert – bijvoorbeeld het globale consumptiepatroon in ons deel van de wereld. Val ze dus niet aan met allerlei normatieve opvattingen over het eten van vlees! – want dat was hun opdracht niet.

Overzicht im- en export veeteeltproducten buitengrenzen zes landen 2014 (WUR)

Hierboven de stromen in en uit de zes landen, die gedefinieerd zijn als Noord-West Europa (Benelux, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittanie – toen nog).

In het model stoppen de importen van grondstoffen voor veevoer en de im- en export van dierlijke producten. O.a. zal de export naar buiten de zes landen van zuivel, eieren en varkensvlees stoppen, en de import van rundvlees uit Ierland en Argentinie.
Het stoppen van de veevoerimporten komt er op neer dat plantaardige eiwitten schaarser worden. Het systeem zal trachten zichzelf in stand te houden en gaat op zoek naar vervangers. Als de huidige netto export van granen wordt beëindigd, komt er 13 Mton (miljoen ton) beschikbaar (31,7 – 18,4, zie afbeelding). Als dat veevoer wordt, blijft er een veevoergrondstoffen over van 10Mton.

Omdat er teveel melk zal zijn en te weinig veevoer, zal een deel van het bestaande grasland weer akker worden (voor graan, vlinderbloemigen, of koolzaad), en compenseert de veeteelt dat ten dele door uit te wijken naar nu marginale gronden.

Er zullen methodes ontwikkeld worden om gft, swill (halfvloeibare voedselresten tbv varkens) en diermeel uit pluimvee en varkens, alsmede insecten, veilig aan dieren te kunnen voeren. Vanwege het risico  van dierziektes vraagt dit wel aandacht.

Verder zal het aantrekkelijker worden om poten, neuzen en zo door de worst te draaien.

De systeemrespons op schaal van NW Europa

Per saldo komt er minder organisch materiaal, met daaraan gekoppeld nitraat en fosfaat, beschikbaar.
Voor nitraat heeft dat geen belangrijke gevolgen, want dat kan naar believen bijgemaakt worden (en is er nu ook al teveel).
Voor fosfaat zal het richting extra import van kunstmest gaan, en richting menselijke stront terug op het land.
Voor organisch materiaal maakt het nauwelijks uit, omdat de import zeer gering is t.o.v. de hoeveelheden die de gewassen jaarlijks op locatie produceren.

Het klimaateffect van het kappen van bos op marginale weilanden, en van het scheuren van oud grasland t.b.v. akkerbouw, zal fors zijn. Dat is het nu in Zuid-Amerika ook, naar alle waarschijnlijkheid verhoudingsgewijs nog groter. We importeren een deel van het probleem in ruil voor een verkleining van het probleem elders.

Gevolgen voor Brabant
Veehouders en mengvoerfabrikanten zullen zich moeten aanpassen aan nieuwe voerstromen.

Melkveehouders krijgen het zwaarder, want het voer wordt duurder en er ontstaan overschotten.
Varkenshouders krijgen het ook zwaarder en in het studiegebied als geheel zullen er minder varkens zijn, maar de verwachting is dat die krimp vooral in Bretagne en Zuid-Duitsland terecht zal komen omdat ze daar minder concurrerend werken. In brabant zou niet veel veranderen.

De studie heeft een aparte bijlage over de mestafzet. Het Brabantse mestoverschot is ca 60%.
De export van nitraat, dat sterk verdund in heel veel water zit, is nu al moeilijk want veel te duur, en blijft in het denkbeeldige straks even moeilijk.
De export van integrale mest en/of fosfaat naar Duitsland en Frankrijk blijft ‘vooralsnog’ mogelijk, maar is op de langere termijn niet te voorzien vanwege zaken als aanscherpingen van de regelgeving, het risico van dierziektes en de kosten/batenverhouding bij steeds verder transport.

Im- en export vanuit de zes landen naar de rest van de wereld op veegebied

Duurzame energie kan zeer grote impact krijgen op het Brabants landschap

Inleiding over grootschalig en kleinschalig
Mensen houden zich vooral bezig met kleine, individuele energieprojecten in de eigen omgeving. Zo  hoort het, vinden ze en daarbij hoort logischerwijs de opvatting dat duurzame energieprojecten bottom-up
ontwikkeld horen te worden en dat energiecoöperaties en vergelijkbare stichtingen de maat der dingen zijn.

Dat kan tot draagvlak leiden, maar niet tot grote getallen. Het PBL heeft becijferd dat de gezamenlijke Nederlandse energiecoöperaties tot 2020 enkele PJ toe zullen voegen aan het duurzame energiepakket, terwijl het totale Nederlandse energiebudget ca 3200PJ is. Die paar PJ is misschien een onderschatting, maar dan nog halen wij de Klimaatovereenkomst van Parijs er niet mee.

Wie het Parijse klimaatakkoord als uitgangspunt neemt, praat over getallen die minstens enkele honderden maal de gezamenlijke energiecoöperaties zijn, en denkt dus macro. Ik denk zelf meestal macro. ‘Macro’ is alleen te behappen voor kapitaalkrachtige, professionele organisaties die sinds de (door mij betreurde) privatisering van de op NUTS-basis geschoeide energiemaatschappijen allemaal in particuliere handen zijn. Ik zou willen dat er weer een grote publieke energie-
maatschappij kwam.
Mede omdat ze particulier zijn, worden die grote organisaties als NUON of Raedthuys als boemannen gezien die, dwars tegen de bevolking in, hun grote projecten willen doordrukken (zie bijv. het 100MW- windproject langs de A16).

De twee invalshoeken moeten op een of andere manier in elkaar gaan grijpen. Goede participatieregelingen en idem afspraken zijn essentieel.

De ruimtelijke effecten van windturbines en grote zonneparken laten dezelfde tweedeling zien.
Eén turbine in de onmiddellijke leefomgeving is vooral een leefbaar-
heidsprobleem.
Van de ruimtelijke effecten van duizenden turbines en honderden hectares zonnepark, kunnen slechts weinigen zich een voorstelling vormen, zelfs niet bij Brabantse natuur- en milieuorganisaties. Men heeft geen idee van de maat en de schaal van de installaties, die nodig is om Nederland in 2050 voor 80 tot 95% minder CO2 te laten produceren dan in (bijv.) 2014.

De provincie begint er over na te denken
Beleid begint logischerwijs bij Rijk en provincie. De provincie Brabant (waarover ik van nu af spreek) is begonnen de kennisleemte te vullen met de publicatie van bureau Posad “Gebiedsstrategie Duurzame Energieopgave provincie Noord-Brabant” (sept 2016). Eventueel bereikbaar via https://metropoolregioeindhoven.nl/thema-s/ruimte-voor-energie en dan doorklikken.
Brabant Kennis heeft een interactief publieksdocument van gemaakt waar op een wat levendiger manier hetzelfde in staat http://brabantkennis.nl/energie-in-zicht/ .

Van nu af bespreek ik het werkstuk van Posad.

De Brabantse energievraag

Finaal Energetisch Verbruik Brabant 2050

Na de goedbedoelende, maar technisch zwakke documenten “Brabantse Energie Akkoord” en “Provinciale Uitvoeringsagenda Energie” ligt er nu voor het eerst een document dat probeert te starten vanuit een kwantitatieve analyse die te volgen is (hoewel niet vlekkeloos). Aangegeven is het Finaal Energetisch Verbruik van heel Noord-Brabant.
Aangenomen wordt dat in de autonome ontwikkeling de energievraag van 290,5PJ in 2014 zou stijgen naar 319,9PJ in 2050. Maar er wordt een besparingsprogramma opgezet, waardoor de energievraag in 2050 244,5PJ is (denkt men). De  besparing, en alle deelbesparingen, worden gegeven als (2050 zonder) minus (2050 met besparing). Totaliter dus 319,9-244,5PJ = 75,3PJ.

Aan die besparing (die ik nogal laag ingeschat vind) liggen aannames ten grondslag.
Vervolgens worden scenario’s bedacht die, bij elkaar opgeteld, tot die 244,5PJ aan duurzame energie komen. Ook daaraan liggen aannames ten grondslag. Ik kom op beide terug.

Dat lukt net als men in alle scenario’s de maximale variant neemt (conclusies blz 43). Je komt dan uit op:

Maximale opbrengst windturbines 7,58MW Brabant

Windenergie 142,4PJ, opgewekt door 2270 turbines van 7,58MW per stuk (ter vergelijking: Brabant moet 470MW uitvoeren van het landelijke 6000MW – programma, en dat gaat na voltooiing 3,6PJ per jaar opleveren)
Zonne-energie 70,9PJ, opgewekt op het 37km2 dak (effectief wordt geacht te zijn 18% van alle dak), 4,4PJ op stortplaatsen, en 57,3PJ in parken van samen 143km2 groot (ter vergelijking: in 2015 wekte de zon aan stroom en warmte in Brabant 0,9PJ op)
Geothermie en restwarmte 17,9PJ , opgewekt als 7,8PJ bij woningen en 10,2PJ bij kassen, en wat industrie)
Biomassa 24,8PJ, opgewekt uit 6,6PJ covergisting en 18,2PJ monovergisting van mest (9.3 miljoen ton rundermest, 10,6 miljoen ton varkensmest, en nog zo het een en ander)

Totaal geeft dit (142,4+70,9+17,9+24,8) = 256PJ (en niet 253PJ, zoals Posad zegt).

Maximaal potentieel biomassa
Biomassa naar bronnenhoeveelheid

Behoorlijk heftig, maar wat waren de gebruikte aannames?
Dit op te splitsen in technische aannames enerzijds en afbakenende keuzes anderzijds.

Er zijn technische aannames t.a.v. de omrekening van een oorzaak in een opbrengst (bijv. wind in PJ), en t.a.v. het besparingsprogramma.
Aan de eerste heb ik niet echt gerekend. Op het oog klopt het allemaal redelijk en de kengetallen komen ongeveer overeen met wat ik zelf ook gebruikt heb bij eigen schattingen (zie Hoe 14% duurzame energie in Brabant in 2020 haalbaar is ).
In het besparingsprogramma worden enkele merkwaardige keuzen gemaakt.
Zo waardeert Posad de bestaande Brabantse woningen slechts tot label B op en beweert dat label A-woningen minder besparen dan label B-woningen (minder gas, maar onevenredig meer stroom). Dat laatste
lijkt me sterk. Maar het is typisch dat de provincie al jaren op het Nul Op de Meter-scenario tamboereert, terwijl er nu een zeer relevant document ligt namens diezelfde provincie, dat geen woord wijdt aan diezelfde Nul Op De Meter-woningen.
Het bespaartempo bij de industrie wordt op 1% per jaar gezet (dus t.o.v. het autonome groei-scenario), wat naar mijn smaak laag is, maar bovendien onjuist uitgerekend wordt. 36 jaar lang 1% eraf betekent *0,696, maar doe ik dat met het autonome ontwikkeling-gebruik in 2050, dan kom ik nog op een lager getal uit dan Posad geeft. Volgens de eigen systematiek zou de industrie in 2050, na besparing, nog 68PJ nodig hebben en geen 77PJ.
Verder rijdt bij Posad in 2050 alleen personenauto’s elektrisch. Over bussen en vrachtauto’s wordt niets gezegd.
Volgens mij onderschat Posad de mogelijke besparing met zeker 10 a 20PJ (dus van 244,5 moet 10 a 20PJ af).

Maar de grootste impact hebben de afbakenende keuzes.
Dat zijn er twee.
– op de eerste plaats dat Nederland als geheel autarkisch moet zijn op energiegebied. Dat heeft zich gaandeweg tot een soort dogma ont-
wikkeld, maar waarom eigenlijk? Nederland importeert nu ook grofweg de helft van zijn energie. Waarom zouden we geen zonneenergie importeren uit Marokko of Spanje of Griekenland? Is de EU ook nog eens ergens goed voor.
– dat Brabant binnen Nederland autarkisch moet zijn. Alle Posad-scenario’s spelen zich geheel binnen Brabants grondgebied af.
Biomassastromen kunnen alleen binnen de provincie benut worden, hetgeen, gegeven de hoeveelheden veevoer uit verweggistan, nogal vreemd klinkt. Mag van Posad ook het veevoer niet meer van buiten Brabant komen? Klinkt te mooi om waar te zijn.

Maar het kwantitatief belangrijkste effect is dat wind op zee niet meegenomen wordt. “Brabant energieneutraal” is geen doel op zich, maar een middel. Het doel is “Nederland energieneutraal”. Dus mag men, naar mijn smaak, zo’n 15% van de geschatte opbrengst van het nu lopende 4450MW-programma op zee (binnenkort goed voor zo’n 50PJ) aan Brabant toerekenen. Scheelt weer 7 tot 8PJ.
Nog veel meer zoden aan de dijk zet het revolutionaire Energetic Odyssey-voorstel (nog niet meer dan een voorstel) om met de gezamenlijke Noordzeelanden 25000 windturbines op de Noordzee te bouwen (zie www.hnsland.nl/nl/projects/2050-energetic-odyssey en www.bjmgerard.nl/?p=4244 ). Die zouden samen goed moeten zijn voor ca 90% van de elektriciteitsproductie van de deelnemende landen, zijnde ongeveer 1/3 deel van de totale energiebehoefte.
De Provincie zou zich er met kracht voor moeten inzetten dat dit project zo snel mogelijk gerealiseerd wordt. Dat zou het totale Brabantse plaatje van de elektriciteitsopwekking veel beter te behappen maken. De gezamenlijke milieuorganisaties en de progressieve politieke partijen zouden zich achter dit Odyssee-plan moeten scharen.

Warmte en biomassa en de resterende elektriciteitstaak
Zelfs als de elektriciteitsproductie, zoals in het Odyssee-project, grotendeels op zee zou plaatsvinden, dan blijft er nog steeds een formidabele taak over.

Aan elektriciteit moet er nog steeds 20 a 25PJ op het Brabantse land opgewekt worden. Zelfs dat is nog een forse nieuwe taak.

127,2PJ van het totale Brabantse 290,5PJ-budget (44%) bestaat uit warmte, meestal afkomstig uit aardgas dat er straks niet meer is. Daar zal iets mee moeten gebeuren.
Dat Posad inzet op biomassa, waarvan het meeste in de vorm van mestvergisting, is dan ook principieel te volgen. Ik heb er zelf ook voor gepleit. Wat niet meteen te beoordelen is, is op hoeveel dieren de schattingen gebaseerd zijn. Als dat de huidige veestapel is, is er een probleem want die is veel te groot. Als dat (bijvoorbeeld) driekwart van de huidige veestapel is, kan daar, wat mij betreft, over nagedacht worden. Hier passen geen reflexmatige afwijzingen.
Het biomassadossier is ingewikkeld en veel hangt met veel samen. Iemand die er verstand van heeft, zou eens vanuit dat vertrekpunt naar de Posad-studie moeten kijken.

Verder verdient de toekomst van de collectieve warmtelevering veel meer aandacht van milieuorganisaties en progressieve partijen. In de toekomst zal collectieve warmtelevering (WKO, groen of hydrolysegas, en restwarmte en geothermie) een veel belangrijker rol spelen dan nu. Zie onder andere CE rekent klimaatneutrale warmtevoorziening woningen door voor 2050

Biomassaprojecten en collectieve warmteprojecten zijn visueel veel minder overheersend dan elektriciteitsprojecten als wind en zon. Het is in het belang van het landschap om die hoger te waarderen.

CE rekent klimaatneutrale warmtevoorziening woningen door voor 2050

Inleiding
CE Delft heeft op verzoek van GasTerra (groothandel in gas) en de Gasunie (de leidingen) scenario’s doorgerekend om de warmtevraag van alle Nederlandse woningen in 2050 geheel klimaatneutraal te verzorgen. Er is een hoofdscenario, waaruit ik de resultaten (en de afbeeldingen) put, en er zijn nevenscenario’s waarin steeds één variabele veranderd wordt (waaronder een scenario waarin 2050 in 2040 veranderd wordt). Ik ga niet op deze nevenscenario’s in.
De in juli 2016 gepubliceerde studie is te vinden op http://www.ce.nl/publicatie/een_klimaatneutrale_warmtevoorziening_voor_de_gebouwde_omgeving_%E2%80%93_update_2016/1838 . Het is een uiterst interessant, zij het voor leken niet makkelijk leesbaar, werkstuk.

De studie is gebaseerd op het CEGOIA-model van CE ( http://www.ce.nl/ce/cegoia_-_warmte_gebouwde_omgeving/957 ). Daar valt te lezen dat behalve het openbare rapport, CE ook diensten aanbiedt aan gemeenten, instanties etc. Daarvoor gelden tarieven en dat deel van het verhaal is dus niet openbaar. Maat niet uit, want het zou toch te ver voeren. Een voorbeeld van wat er kan:

Opdracht van GasTerra en Gasunie, is dat wel te vertrouwen?
Ja. Het verzoek is gewoon rechttoe, rechtaan gedaan en staat netjes genoemd. Bovendien is CE Delft een zeer gerespecteerd en op dit terrein een van de meest gerespecteerde bureau’s in Nederland.
Bovendien is er een reden voor het verzoek.

Gasloos of gasarm en zo dat laatste, welk gas?
Elk model wordt per definitie gebaseerd op keuzes.

CE gaat er van uit dat het aardgas in 2050 tot nul is afgebouwd. In 2012 was de warmtevraag van de Nederlandse woningvoorraad 386PJ, waarvan 373PJ uit aardgas (wordt dus 0) en de rest uit de stadsverwarming.
CE gaat er van uit dat er geleidelijk aan alternatief gas komt uit twee bronnen:
– groen gas (methaan) uit biomassa, waarvan ca 51PJ aan woningen ten goede komt en ca 21PJ aan de utiliteitsbouw. Dit kan gewoon in het bestaande gasnet en heet in de diagrammen “gas”.
– hernieuwbaar gas uit overtollige elektrische energie, die bijv in waterstof wordt omgezet. Dit kan niet onbeperkt in het bestaande gasnet en wordt op meer centrale locaties opgestookt tbv collectieve warmtevoorziening. Voor woningen, utilitair en andere behoeften samen wordt ca 180PJ ingeschat, waarvan 41PJ voor woningen. In de diagrammen heet dit “bijstook”.

GasTerra en Gasunie menen dat de toekomst gasarm zal zijn en niet gasloos (waar ze waarschijnlijk gelijk in hebben), en hebben dus belang bij deze studie.

Welke andere gegevens of aannames?

  • de studie moet sturen op de laagste systeemprijs (variabele plus systeemkosten)
  • gegevens van alle 12000 buurten in Nederland
  • data van de aanwezige en toekomstige restwarmte en de verdeling over Nederland (alleen >0,4PJ/y)
  • gegevens van geothermiemogelijkheden
  • data van enkele standaard-hybride en all-electric warmtepompen. Een warmtepomp werkt als een koelkast. Hij produceert weinig warmte, maar verplaatst veel warmte in de gewenste richting. Hij kan bijv. 4GJ binnen afleveren door 1GJ stroom in warmte om te zetten, en 3 GJ warmte uit bodem of atmosfeer of ventilatielucht te halen. Warmtepompen werken op elektriciteit. Een hybride warmtepomp kan bij heel koud weer daarnaast ook gas verstoken en is dus wat flexibeler.
  • groen en hernieuwbaar gas en elektriciteit worden CO2 – loos opgewekt
  • warmtenetten hebben geen hele grote warmtebuffers
  • heel veel technische en financiele gegevens

Waar kom je met dit alles op uit?
De studie bevat een stortvloed aan uitkomsten, maar ik beperk mij tot de hoofdvariant en dan tot die, waarvan het politieke belang het grootste is.
Enkele diagrammen.

Verdeling van het aantal woningen per techniek in 2050

Hierin zijn restwarmte, geothermie en WKO collectieve opties en HR-ketel en warmtepompen individuele opties (WKO = Warmte Koude Opslag).

Warmtevraag en finaal energieverbruik per techniek in 2012 en 2050

Voor de jaren 2012 en 2050 wordt links de warmtevraag weergegeven en rechts energiehoeveelheid, waarmee aan deze vraag tegemoet kan worden gekomen. Zoals gezegd wordt de verwarmingstechniek veel efficienter.
Als het goed is, hoort bij 2050 geen CO2 – emissie meer.

Verloop van de finale energievraag tussen 2016 en 2050

Hierboven het tijdpad van 2016 tot 2050. (Als 2050 2040 wordt, ziet het plaatje er in essentie niet veel anders uit, alleen gaat alles sneller. En moeilijker!)

Conclusies, waaronder politieke

  • De hoofdmoot van de toekomstige warmtevoorziening in Nederland zal gebaseerd zijn op collectieve systemen, dus stadsverwarmingen. 83% van de woningen (goed voor 80% van de warmtevraag) zal gebruik maken van een van de collectieve opties restwarmte, geothermie of WKO. Het is dus van groot belang dat de Warmtewet anders wordt ingericht en dat bewoners betere aansluitvoorwaarden en een betere rechtspositie krijgen. Zie Een informatieavond over de stadsverwarming in Meerhoven en De Warmtewet moet anders!
    Gangbare HR-ketels zijn een uitzondering geworden.
  • In de studie komen geen grote warmtebuffers voor, waarmee bijv, een seizoen overbrugd kan worden (zie Warmte in Brabant ). Het zou een gunstige invloed kunnen hebben om die er, gekoppeld aan een warmtenetwerk, in te brengen in een vervolgstudie.
  • De drijvende kracht achter de studie was de laagste prijs–randvoorwaarde. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de relatief bescheiden daling van de warmtevraag tussen 2012 en 2050. Dat komt omdat isolatie niet altijd de financieel voordeligste techniek is.
    Een andere onderzoeksvraag (bijv. of het sneller kan of dat de besparingen optimaal moeten zijn), zou tot een andere studie geleid hebben.
  • De studie veronderstelt een belangrijke bijdrage van biomassa. In milieukringen bestaat de neiging om op politiek correcte, maar intellectueel losse gronden de neiging om met de grootste argwaan naar biomassa als energiebron te kijken. Dat zie je bijv. als het om mestvergisting gaat.
    Mestvergister

    Biomassa moet zakelijker en met meer goodwill beoordeeld worden.

  • het wordt in de studie allemaal droog opgeschreven, maar de uitvoering van dit project is een gigantische operatie die slechts kan plaatsvinden middels een jaren lang consequent volgehouden overheidsbeleid.
  • De studie vermeldt geen totaal eindbedrag, want dat was niet gevraagd. Maar er worden wel schattingen gedaan van wat het zou kosten om een woning vanuit het D-label Nul op de Meter te maken (€20 mille per grondgebonden woning, €29 mille per gestapelde woning bij huidige prijzen. Dat zou dan (in zeer ruwe schatting) neerkomen op ca €170 miljard voor de totale woningvoorraad.

    Maar er zit een leercurve op, die een gemiddeld over de periode 2016-2050 grofweg op 80% uitkomt, dus zou je voor ergens tussen de €100 miljard en €150 miljard de Nederlandse woningvoorraad energieneutraal moeten kunnen maken. Dat is alleen bouwfysica, exclusief BTW, exclusief algemene kosten en exclusief inflatie. Het programma loopt 34 jaar, dus je komt gemiddeld rond de 4 miljard per jaar uit. Zou moeten kunnen.

Landbouwkringlopen sluiten op schaal van NW Europa

Voorgeschiedenis en het proces
De provincie Noord-Brabant wil mineralenkringlopen sluiten binnen Noordwest-Europa en voorkomen dat de gassen ammoniak, methaan en lachgas worden uitgestoten. Dat is een onderdeel van het nieuwe mestbeleid, dat in die vorm terug gaat tot op de roemruchte Ruwenbergconferentie in februari 2013.

Om de mestketen op de schop te nemen loopt nu een ‘mest-dialoog’. Aan een rits tafels (slagveldjes, zo men wil) wordt al maanden gediscussieerd en touwgetrokken over diverse aspecten van dat nieuwe beleid.

Aan een van die tafels moet nader bepaald worden wat men eigenlijk bedoeld heeft met “kringlopen sluiten” en “Noordwest-Europa”, en wat de mogelijke gevolgen daarvan zouden zijn. Daartoe zaten op donderdag 15 september, in het kantoor van de ZLTO in Den Bosch, bij elkaar (onder onafhankelijke leiding) de BMF, de ZLTO en Wageningen University Research (WUR). Ik zat erbij voor de BMF.
Dit was niet het eerste gesprek en zal ook niet het laatste zijn. Het proces is nog niet af. Ik zal dan ook nu beperken tot zaken die niet gevoelig liggen en/of mij beperken tot hoe ik er zelf in sta.

Wat is “Noordwest-Europa” en waarom?
Dat vroeg WUR zich ook af. De EU als geheel was veel makkelijker, daar konden ze zo de gegevens over oplepelen. Hierom dus:

Fosfaatbalans in Europa
Fosfaatbalans in Europa

De idee is dat het doelgebied voor de mest en het herkomstgebied van het veevoer hetzelfde zijn. Er zit een economische grens op hoever je met fosfaat kunt rijden. Je kunt Italie wel meetellen, maar het transport is in praktijk onbetaalbaar duur.
Dus Noordwest-Europa = Nederland, Belgie, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittanie.

Overigens heeft WUR in dit verband veel interessant materiaal, ook al is dat voor de EU als geheel, waaronder:

Zelfvoorzieningsgraad EU
Zelfvoorzieningsgraad EU

Voor veevoer (dus de importkant) is ‘schroot van oliezaden’ van belang, waaronder soja. Soja is een (mede)determinant van het aantal dieren.

Wat is een kringloop en hoe sluit je die?
Interessant onderwerp. Ik heb een stukje huisvlijt gemaakt:

De CNP-kringloop
De CNP-kringloop

Met een beetje fantasie en veel vereenvoudiging lees je dit als een systeem dat in eerste instantie de zes landen weergeeft. Het enige, dat dan van buiten het systeem komt, is de soja-pijl (lees ook tapioca etc) tbv het vee, en de voedselimport tbv de mens..
De actie “Allemaal Lokaal” van mijn club Milieudefensie richt zich tegen soja-importen. MilDef argumenteert dit vooral met de wantoestanden in het land van herkomst (de gewone man in Argentinie heeft minder baat en meer schade bij het systeem dan soms gedacht), dus met de linker-
kant van de vee-pijl. Ik argumenteer het met de rechterkant van diezelfde vee-pijl, omdat soja een belangrijk middel is om veel te veel dieren in Brabant op de been te houden. Vanuit beide gezichtspunten is de  X  op zijn plaats.

WUR gebruikt een ander plaatje van de kringloop:

WUR Kringlooptoets
WUR Kringlooptoets

Het merkwaardige is dat WUR de fotosynthese niet opvoert. Die moet je er bij de post “Gewassen” bij denken. Uiteraard weet WUR dat ook wel. Waarschijnlijk heeft WUR dat zo vanzelfsprekend gevonden, dat het niet genoemd hoefde te worden.
Maar het resultaat is dat een jaarlijkse input van inheemse koolstof ontbreekt. Zoals het er letterlijk staat, komt alle koolstof van buiten of van vroeger.
Waarschijnlijk heeft WUR toegewerkt naar de provinciale vraag “het sluiten van mineralenkringlopen” (=stikstof, fosfor, kalium en nog wat grut), en zich van de koolstofkant afgemaakt met de verzamelnaam “organisch materiaal”.
Er zijn echter goede redenen om de koolstofkringloop niet weg te frommelen. Het maakt uit voor het organisch stofgehalte van de bodem, het maakt misschien uit voor de export van melk, eieren, vlees etc naar buiten het systeem (waarom zou je daar a priori tegen zijn?).
En tenslotte, naast de voedselkringloop staat het (niet getekende) ener-
gieschema van de provincie Brabant, waarin veruit het grootste aandeel uit biomassa bestaat.

Prognose samenstelling energiepakket uit het Brabantse Energie Akkoord
Prognose samenstelling energiepakket uit het Brabantse Energie Akkoord

Ik vind een grondig onderzochte koolstofbalans van Brabant onmisbaar voor de toekomst.

Misschien inderdaad beter niet in dit proces, want WUR gaat nu een very quick scan opstellen waarin alle discussiebijdragen meegenomen worden. Binnenkort wordt verder gepraat. Je krijgt een koolstofbalans niet afgeraffeld, want dat zou wel eens akelig complex kunnen zijn. Eerder een uitdaging voor een aparte studie.

Nitraat en fosfaat
Het WUR-plaatje is vooral adequaat voor fosfaat. Dat is een waardevolle, tot zekere afstand economisch transporteerbare en op termijn schaarse grondstof. Fosfaatverliezen zijn onbedoeld en ongewenst.
Zie Afzetkansen voor bewerkte mest?  en Wat de provincie wel en niet kan bij landbouwvervuiling
Voor nitraat ligt dat heel anders. Dat is niet schaars, hoewel de productie veel energie vraagt, en in praktijk slechts zeer beperkt economisch transporteerbaar. Een academisch model dat er vanuit gaat dat nitraatverliezen geminimaliseerd worden, is wereldvreemd. Gezien de permanent veel te hoge concentraties worden die verliezen eerder gemaximaliseerd dan geminimaliseerd.

Ik hoop dat WUR hier niet teveel van sociaal gewenste aannames uitgaat.

Beschikkingen SDE+ regeling voorjaar 2016 bekend (nationaal)

De SDE+ regeling geeft exploitatiesubsidie aan duurzame energieprojecten. Het budget over 2016 bedroeg aanvankelijk €8,0 miljard, verdeeld over twee gelijke tranches. Nadien is er voor de tweede tranche (die in september opengesteld wordt) nog een miljard naar voren gehaald.
Voor nadere uitleg zie ook Voorbeelden van de SDE+ regeling
Als aanvullende uitleg: De kop “Beschikte productie (MWh)” en “Maximale subsidie (€)” moet men cumulatief opvatten over de subsidieduur (die 12 of 15 jaar bedraagt). Boekhoudkundig wordt het bedrag in één keer weggezet. Een bepaald concreet initiatief verschijnt dus maar één keer in de statistiek, nl bij de eerste beschikking. In beginsel zijn dus alle posten nieuw.

Inmiddels zijn de beschikkingen bekend op de aanvragen, die t.b.v. de eerste tranche ingediend zijn. Op een budget van €4,0 miljard lag er voor €8 miljard aan aanvragen. Lang niet alles is dus aan de beurt gekomen.

De website van RVO publiceerde de resultaten. Zie http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/sde/stand-van-zaken .

Het totaal aan beschikkingen per techniek:
beschikte bedragen per techniek

Deze tabel komt uit het eindoverzicht kamerbrief-tweede-openstellingsronde-sde-2016
Elke categorie bestaan uit concrete projecten. Die staan in een Excel-bestand Tabel met beschikte projecten SDE voorjaar 2016.

De toegekende projecten zijn ruimtelijk verdeeld als in het kaartje
hieronder.
Wat uitleg:
— Let wel dat er vier indelingscriteria zijn: op aantal, op geld, op vermogen en op energieproductie (die hangt, behalve van het vermogen, ook van de bedrijfstijd af)
—  projecten werden in volgorde van oplopende kWh-prijs afgewerkt.
—  de tabel is exclusief wind op zee

SDE+projecten eerste helft 2016_overzicht

Wat eerste conclusies:
—  gemeten naar aantal winnen de zonnePV-projecten afgetekend (831 stuks)
—  gemeten naar vermogen wint de biomassa met 964MW ruim (dat is incl. de post mee- en bijstook in kolencentrales) Maar ook zonder die post is biomassa de grootste post. Het ondoordachte anti-biomassa sentiment bij sommigen verdient nadere overweging.
—  er zit maar weinig windenergie in

Ik ga er nog wel eens verder in grasduinen.

De biomassacentrale Meerhoven en het overige Eindhovense biomassaprogramma

Ik heb in deze kolommen al vaker over de stadsverwarming in het algemeen en die in de Eindhovense wijk Meerhoven in het bijzonder geschreven, en ook over de Warmtewet.

De stadsverwarming heeft twee, jegens elkaar vijandige, kanten die mij beide sympathiek zijn: enerzijds dat een stadsverwarming een goede manier is om zuinig met energie om te gaan, anderzijds dat bewoners vaak uitermate boos zijn vanwege de manier waarop de kosten bij hun in rekening gebracht zijn.
Wie over dat laatste meer wil lezen, moet maar kijken naar mijn commentaar bij de evaluatie van de Warmtewet (zie De Warmtewet moet anders! ).

De techniek van de biomassacentrale
Vandaag alleen over de technische kant van de biomasssacentrale in Meerhoven en dat is omdat Ennatuurljk op 20 juli 2016 daar een open dag had georganiseerd. Iedereen mocht in de biomassacentrale komen kijken waarmee de stadsverwarming in hoofdzaak gevoed wordt
(hieronder de basiswarmte).

Schema van de stadsverwarming in Meerhoven
Schema van de stadsverwarming in Meerhoven

De biomassacentrale draait er gemiddeld 500 ton hout per week doorheen. Dat hout komt van terreinbeheerders in pakweg het MRE-gebied (transportafstanden tot enige tientallen kilometers). Elk jaar is er een aanbesteding. De instanties die mogen leveren krijgen er €28 tot €30 per ton voor. Dat bedrag zou bijvoorbeeld Staatsbosbeheer kunnen helpen bij het beheer van het Leenderbos.
Het hout moet gesnipperd zijn (0,5 tot 5cm), onbehandeld en er mag geen zand inzitten.
hout+oven
De oven produceert stoom, die goed is voor 1,13MWel en 5,6MWth . Als de biomassacentrale de voorziene 50 weken per jaar nonstop draait, zou dat goed zijn voor ruim 30TJ elektriciteit en 170TJ warmte. Het zal in praktijk wel minder zijn, maar ik heb nog niet kunnen achterhalen
hoeveel minder.
De warmte gaat naar ruim 3000 woningen in de deel-wijken Grasrijk en Zandrijk, de stroom gaat het elektriciteitsnet in.
Het netto overall rendement van het systeem zit rond de 80%.

Het systeem heeft buffer- en backup voorzieningen.
In de twee weken dat de centrale buiten gebruik is, en in extreme situaties, wordt de levering voortgezet met gasturbines.
Het ‘torentje’ naast de centrale is een buffervoorraad voor ongeveer 4 uur warmtelevering.

De biomassacentrale in Meerhoven
De biomassacentrale in Meerhoven

Als ik de rondleider goed begrepen heb, worden de afgassen gereinigd met een Venturiwasser en daarna een doekfilter. Verder is een katalyti-
sche DeNox-installatie voorzien.
De as gaat als vulmiddel in asfalt.
Er zijn mij geen klachten bekend over de effecten van de biomassacentrale op de omgeving.

Een korte geschiedenis van de stadsverwarming Meerhoven
Meerhoven is als ecologisch moderne wijk ontworpen. Ik weet dat goed, omdat ik in de gemeenteraad zat toen alle plannen passeerden. Sindsdien is er nogal wat water bij de wijn gedaan. Het concept stadsverwarming gold in de jaren ’90 als modern-ecologisch. Ik deelde dat oordeel. De tijden zijn drastisch veranderd, maar ook nu nog vind ik dat een bestaande, technisch goede stadsverwarming doorslaggevende ecologische voordelen heeft. Of je er nu nog een zou moeten bouwen, is een ander verhaal dat nu te ver voert.

De stadsverwarming in Meerhoven als geheel is ouder dan de biomassacentrale.
De eerste woningen zijn opgeleverd rond of kort na 2000. Uit die tijd zijn dus ook de meeste leidingen.
De warmte kwam toen uit vijf gasgestookte warmte-krachtkoppelingen in Grasrijk en Zandrijk.

Vroegere WKK-wijkinstallatie
Vroegere WKK-wijkinstallatie

De biomassacentrale is in 2011 aan het bestaande systeem toegevoegd. De vijf vroegere WKK-inrichtingen verloren hun rol als productie-eenheden grotendeels (behalve in uitzonderlijke omstandigheden), en werden distributielocaties (in bovenstaand schema het middelste grijze hok).

De huidige onvrede van bewoners vloeit voort uit de wijze, waarop de aanlegkosten verrekend zijn. Een onevenredig deel van de onrendabele top is richting bewoners geschoven en dat is niet erg transparant gebeurd. De effecten daarvan zitten nog steeds in de tarieven.
Bovendien zijn huizen, die op de stadsverwarming aangesloten zijn, soms slechter dan overigens vergelijkbare huizen die niet op de stadsverwarming aangesloten zijn.
Voor zover mijn kennis reikt, is minstens een deel van de onvrede terecht.
Ik heb er echter moeite mee dat een kritiek op financiele aspecten van een concreet vormgegeven stadsverwarming omgezet wordt in een aanval op het concept als zodanig.

De biomassa-centrale op Strijp T
De biomassa-centrale op Strijp T

Het Eindhovense biomassaprogramma
Zoals veel steden, heeft ook Eindhoven de ambitie om op termijn energieneutraal te worden. Dat is overigens geen geringe opgave.
Onderdeel is een biomassaprogramma, dat momenteel uit 6 centrales bestaat.
biomassacentraletabel_Ehv_dec2014

Strijp T heeft overigens de hele buurt in de rook gezet (zie Houtrook op Strijp T ongevaarlijk? ). Dat kwam, naar men tijdens de open dag zei, doordat het hout te nat was, doordat de warmtevraag nog klein was, dat daardoor de centrale aan de ondergrens van zijn regelvermogen zat, en dat daardoor de verbrandingstemperatuur te ver zakte). Mogelijk. Maar het had niet mogen gebeuren.

Er staan geen bedrijfstijden bij, waardoor het jaarlijkse verbruik niet rechtstreeks geschat kan worden.
Wel meldt genoemde bron dat De Tongelreep jaarlijks 7600 ton CO2 bespaart. Als de Tongelreep anders met aardgas zou zijn gestookt, was dat gas goed geweest voor 136TJ.
Zo ook meldt de bron dat de overige vier centrales samen (Strijp S is nog in voorbereiding) goed zijn voor 21.600 ton CO2 , wat op dezelfde basis overeen zou komen met 386TJ.

Om dit alles enigszins te plaatsen: het totale finale energiegebruik van de gemeente Eindhoven (dat wat als energie wordt afgeleverd aan huishoudens, bedrijven, scholen etc) zit op 19.000 a 20.000 TJ. Dat cijfer kan worden vergeleken met bovenstaande TJ-aantallen.
Er is dus nog veel te doen en elke denkbare techniek moet uit de kast worden gehaald.

De Brabantse Uitvoeringsagenda Energie – het ECN-advies

Ik had beloofd nav de Uitvoeringsagenda Energie een derde artikel te schrijven, dat specifiek inging op de Quick Scan Warmte Noord-Brabant.

Die Quick Scan is een typisch verhaal.
De eerste reden is dat de Quick Scan gebruikt wordt om in het begin (blz9) de Uitvoeringsagenda Energie een wetenschappelijke tint te geven, terwijl de provincie zichzelf op het eind een taak oplegt (uitgedrukt in % van 287PJ). De koppeling tussen beide valt niet te achterhalen. Of die koppeling is goed verstopt, of ECN heeft zijn scan voor Piet Snot gemaakt.

Ontwikkeling bij autonoom beleid als de landelijke maatregelen uit het Energieakkoord uitgevoerd zijn
Ontwikkeling bij autonoom beleid als de landelijke NEV-maatregelen uit het Energieakkoord uitgevoerd zijn

Tweedens: de provincie maakt op blz9 een ernstige fout door hier bij-
stook in de Amercentrale en in de industrie, ter waarde van 6,4PJ, op te nemen. Die 6,4PJ zit al in de maatregelen waarmee ECN, op basis van autonoom beleid en uitvoering van maatregelen uit de Nationale Energie Verkenning (NEV), tot 36,4PJ duurzame opwekking in 2020 komt (zie boven). Dat is niet genoeg want 12,4% (zie mijn eerste artikel over dit onderwerp), en daarom doet ECN een pakket aanbevelingen, die het %
duurzame opwekking iets boven de gewenste 14% tillen. Dat pakket staat correct verwoord op blz 9 (bolletje 1,2,3,4,6). Bolletje 5 (genoemde 6,4PJ) mag daar niet staan, want dubbelop. Consequenties heeft dit niet, want het staatje wordt toch verder niet gebruikt.
Het is bovendien sowieso de vraag of de Amer9 open blijft.
Tenslotte geeft ECN om mij onduidelijke redenen alleen warmteopties als aanvullende maatregelen. Het klopt dat warmte een grote post is, en het is inderdaad verstandig om naar warmtemaatregelen te kijken, en ECN komt ermee tot 14%, maar het is niet logisch om je daartoe te beperken. Waarom niet bijvoorbeeld extra zonne-energie opgevoerd? Per slot van rekening moet er na 2020 verder verduurzaamd worden en zelfs al eerder als het Urgenda-vonnis standhoudt..

Maar de warmtevoorstellen van ECN zijn interessant in eigen recht want er moet sowieso een Brabants warmteplan komen (zie Brabants warmteplan nodig ). Daarom loop ik er doorheen.

De berekening van de opbrengst van de Nul op de Meter-operatie (NodM)
Dit is een ingewikkeld verhaal!  Ik heb er minstens een uur op zitten puzzelen. Ik geef het toch, want er is tot nu toe onverantwoord weinig informatie over dit onderwerp gegeven. Ik weet overigens niet of het verhaal op de natte vinger van ECN berust of op bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten. Ik denk het eerste.

Het verhaal heeft drie hoofdmoten: het aantal woningen, de besparing per woning, en de extra eisen die die besparing stelt.
–  Het aantal. In de NEV worden 100.000 NodM-huizen opgevoerd als nationale maatregel. Brabant is 14,4% van Nederland, dus heeft Brabant er 14400 van het Rijk ‘te goed’. Het is me niet duidelijk of dat financieel al afgedekt is.
Brabant wil in 2020 40000 huizen NodM maken. Het verschil met die 14400 wordt opgevoerd als “Brabantse plus”. ECN rekent dus met 25600 woningen.
–  ECN gaat er van uit dat de gemiddelde woning label B is (realistisch?). Die verbruiken elk gemiddeld 14991kWh warmte uit gas (1686m3 – realistisch?).
Als de woning NodM wordt, verbruikt hij in het model van ECN nog 8510kWh. Dat is een besparing van 14991-8510 = 6481kWh = 23,3GJ. Dit bij 25600 huizen –> 0,59PJ besparing.
Die 8510kWh wordt toegevoerd met een warmtepomp met een COP van 2,6. Dat kost 8510/2,6 = 3273kWh aan stroom. Het verschil 8510-3273 = 5237kWh = 18,8GJ wordt opgevoerd als besparing per woning. Over 25600 woningen –> 0,48PJ besparing.
–  Die 3273 kWh stroom moet ergens vandaan komen. Bij NodM-huizen betekent dat extra opwekking door zonnepanelen, over 25600 huizen –> 0,30PJ extra opwekkingstaak .
Bovendien gebruiken de bewoners ook stroom voor het leven van alledag, bij ECN 3000kWh (het huidige gemiddelde). Over 25600 huizen –> 0,28PJ vervangende opwekkingstaak .
ECN gaat ervan uit dat deze 0,58PJ (=0,30+0,28) er inderdaad komt, en boekt het resultaat in als provinciale plus aan duurzame opwekking, zonder die overigens op blz 9, als bolletje 7 te noemen.
Dat betekent 22,6GJ per woning. Bij de huidige standaardpanelen betekent dat 29m2, dus 20 panelen per dak. Kan alleen als een deel van die panelen in de wei komt te staan.

Het zou verstandig zijn om de NodM-operatie eens een keer goed in PS door te praten.

Besparingen anders dan woningen
ECN denkt dat het (als provinciale plus) mogelijk moet zijn om 2,3PJ te besparen door een betere afstelling van utiliteitsgebouwen (overheid, diensten, handel).
Bij de industrie krijgt de provincie geen poot aan de grond, denkt ECN. Daar wordt geen extra besparing als provinciale plus geprogrammeerd.

Geothermie
Geothermie in Brabant is nu afwezig. ECN gaat (op gezag van de provincie) uit van geothermie t.b.v. de Helmondse stadsverwarming (die daartoe eerst wel fors opgekalefaterd moet worden) en van drie industriele projecten, elk goed voor 0,25PJ. Samen dus 1,0PJ opwekking als provinciale plus.

Verduurzaming warmtenet Amer en Eindhoven
ECN gaat ervan uit dat het Amer-warmtenet open blijft en voor de helft gevoed wordt uit biomassa-bijstook of geothermie, en dat Eindhoven geen extra verduurzaming krijgt. Dat resulteert in een totaal van 0,74PJ duurzame opwekking als provinciale plus, welk getal verder nauwe-
lijks gespecificeerd wordt. (1TJ = 0,001PJ, NEV = het autonome beleid inclusief maatregelen Energieakkoord)

(1TJ = 0,001PJ, NEV = het autonome beleid inclusief maatregelen Energieakkoord)

Biogas en mestvergisting
In het autonome beleid (zie tabel) zijn volgens ECN de categorieën rioolwater, covergisting, overige vergisting en groen gas (=idem na zuivering tot aardgaskwaliteit) samen goed voor 2,3PJ in 2015 en 3,6PJ in 2020.
ECN meent dat het (als provinciale plus) redelijk is als aanvullende
duurzame  0,2PJ
in te programmeren voor een GFT-vergister en 0,3PJ voor monovergisting van mest. Voor nog meer covergisting van mest ziet ECN geen ruimte bij gebrek aan voldoende covergistingsmateriaal.

Mestvergister
Mestvergister

Kleinschalige durzame warmte
ECN meent dat in de categorieën zonneboilers, biomassaketels en warmtepompen (anders dan in NodM-woningen) ongeveer 0,5PJ opwekking toegevoegd kan worden aan de ca 4PJ die al in het autonome beleid zit (mits de bijbehorende maatregelen inderdaad uitgevoerd worden).

Biomassa in de (meer grootschalige) industrie
Op basis van ervaringen bij bedrijven en clusters als Moerdijk, Cosun en Bavaria heeft het autonome beleid al ca 4PJ ingeboekt. ECN meent dat het redelijk is om als provinciale plus twee biomassaketels extra te programmeren, samen goed voor 1,6PJ opwekking.

Restwarmte in de industrie
Het theoretische potentieel aan 120⁰C-afvalwarmte in Brabant is ongeveer 12PJ. Tussen droom en daad zitten echter wetten in de weg en veel praktische bezwaren en uiteindelijk maakt ECN dit voor 2020 af op 2PJ.
Merkwaardig genoeg telt hergebruik van afvalwarmte in de landelijke wetgeving niet mee voor de duurzame taakstelling. ECN telt die 2PJ bij de besparing op.
kansen restwarmtebenutting Brabant

Al met al
Al met al meent ECN dat het op warmtegebied als provinciale plus boven op het landelijke beleid mogelijk moet zijn om
–  5,4PJ te besparen (1,1 NodM, 2,3 utiliteitsbouw, 2,0 restwarmte industrie)
–  4,9PJ duurzaam op te wekken (0,74 verduurzaming warmtenetten excl Helmond, 1,0 geothermie incl Helmond, 0,5 biogas, 0,5 kleinschalige warmteprojecten, 1,6 twee nieuwe biomassaketels industrie, 0,58PJ extra PV-opwekking tbv NodM)