Milieudefensie haalt handtekeningen op voor landbouwactie

Milieudefensie Eindhoven helpt mee aan de landelijke actie Allemaal Lokaal. De actie wil bewerken dat de Nederlandse landbouw op circulaire basis georganiseerd wordt.
Er moet een eind komen aan het gesleep van met name soja vanuit de andere kant van de wereld. In Brazilie en Argentinie wordt de savanne omgeploegd en het tropisch regenwoud gekapt, de bodem uitgeput en de indianen van de grond gejaagd. In Nederland blijven gigantische
hoeveelheden stront achter.
Milieudefensie wil dat de landbouw weer cyclisch wordt, zodat het veevoer van binnen (pakweg) een paar honderd kilometer komt en de stront binnen diezelfde straal afgezet kan worden. De aantallen dieren moeten aangepast worden aan wat binnen dat raamwerk mogelijk is.
Meer informatie op http://www.allemaal-lokaal.nl/ .

Milieudefensie Eindhoven heeft onlangs bij drie gelegenheden handtekeningen voor deze actie opgehaald, namelijk met een kraam op de Biologische markt op het Eindhovense Wilhelminaplein, bij het Pure Foodfestival op ‘t Wasven in Eindhoven, en op de Andere Mèrt in Geldrop (bij dat laatste samen met de Geldropse afdeling van Milieudefensie). Ik heb zelf bij alle drie meegeholpen.

In actie op resp. de Andere Mèrt en de biologische markt
In actie op resp. de Andere Mèrt en de biologische markt

De gezamenlijke oogst bedroeg 500 handtekeningen.
Samen met eerder opgehaalde handtekeningen is de Eindhovense stand nu 660 handtekeningen.

Nut en risico’s van covergisting

Staatssecretaris Sharon Dijksma heeft een evaluatie laten opstellen over het vergisten van mest onder gebruikmaking van toegevoegd materiaal (covergisting). Dit werkstuk, met de hierboven vermelde titel, heeft ze op 17april 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd (zie –> nut-en-risico-s-van-covergisting_2015_kamerbrief de aanbiedingsbrief). De tekst is opgesteld door topmensen uit Wageningen, in afstemming met een projectgroep met daarin relevante overheidsinstanties. Het rapport is uiterst relevant voor Brabant. Voor het rapport zie http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2015/02/01/nut-en-risico-s-van-covergisting.html

Een samenvatting met toegevoegd commentaar mijnerzijds.
mestvergister-r

Er zijn in Brabant veel te veel dieren….
De veeteelt in het algemeen en de mestproductie in het bijzonder roepen in Brabant emoties op. Deze grote emoties gaan niet altijd gepaard aan een even grote kennis. Voor die kennis komt bovengenoemd rapport goed van pas.

De veeteelt in Brabant is volledig uit zijn krachten gegroeid en dat bedreigt de leefbaarheid van het platteland en de gezondheid van omwonenden. Bovendien is een dergelijke landbouw niet mogelijk op basis van gesloten kringlopen. Ik zie de emoties, die de Brabantse landbouw oproept, als een positieve kracht richting verandering.
Het aantal dieren moet fors omlaag. Ik hou me vooralsnog aan de vuistregel van SP-Tweede Kamerlid Eric Smaling ‘een volledig grondgebonden rundveehouderij en een kwart minder varkens’.

… maar dat heeft niets met mestbewerking te maken
Ik vind de emoties rond de bewerking van mest eerder een negatieve kracht.

De veeteelt in Europa wordt niet door de totale hoeveelheid mest ingeperkt, maar door twee bestanddelen daarvan, nitraat en met name fosfaat. Geen enkele vorm van mestbewerking haalt fosfor uit de mest en stikstof meestal ook niet. Het enige dat mestbewerking doet (welke dan ook) is dezelfde hoeveelheden stikstof en de fosfor chemisch en natuurkundig anders verpakken.
Alleen een maatregel die stikstof en fosfor uit het Brabantse systeem haalt, leidt (vanuit het perspectief van een boer) tot een “oplossing”. Export zou zo’n “oplossing” zijn. In essentie betekent dat dat de one way-transportband van Argentinië en Brazilië naar Brabant een verlengstuk krijgt naar Groningen, Noord-Frankrijk of Duitsland. Ik ben tegen een dergelijke oplossing omdat die de kringlopen niet sluit, maar verlengt. Het maakt echter voor de discussie “wel of niet vergisten” niet uit want ook niet-vergiste mest kan geëxporteerd worden. De export hangt (als aan zekere kwaliteitseisen voldaan wordt) niet af van de chemische of natuurkundige verpakking.
Ik heb overigens geen zicht op de (mogelijke) getallen van de export.

Covergisting kan bijdragen aan duurzame energie
Mestvergisting met hulpstoffen kan wel gunstig werken op twee samenhangende andere problemen, nl broeikasgassen en duurzame energie. Hier geeft het rapport goede informatie.
duurzame energie in 2012

In 2012 werd er uit covergisting-biogas 4,15PJ opgewekt (1PJ=1000TJ). Dat was op een totaal van 97,8PJ aan duurzame energie. Het binnenlands verbruik was in dat jaar 3255PJ, waarvan na aftrek van omzettingsverliezen en in chemicalien opgeslagen energie ca 2820PJ netto overbleef.
Het getal 4,15PJ is op basis van 8 miljoen van de 403 miljoen kg in de stal uitgescheiden mest (kg betekent kg P2O5). Op papier zou de energieproductie uit mest dus ongeveer 50 maal zo hoog kunnen zijn, dus grofweg (op nationale schaal) 200PJ. Dat zal in praktijk bij lange na niet gehaald worden, maar covergisting kan toch wel flink aantikken. Stel voor het gemak 60% van het huidige aantal dieren en stel dat van de mest van die dieren de helft vergist zou worden en stel dat je daarvoor genoeg covergistingsmateriaal had, dan zou dat 60PJ per jaar leveren. Dat is meer dan de jaaropbrengst van de drie geplande windparken op zee.
Hier staat erg vaak ‘stel’. Een belangrijke beperking is de beschikbaarheid van voldoende covergistingsmateriaal. Daar raakt deze discussie verweven met de algemene afval- en biomassa-discussie. Biomassa is tamelijk schaars en al gauw duur. Ook afval kan soms ver-
werkt worden (waarmee een negatieve waarde positief kan worden), maar daaraan zitten haken en ogen.

Let wel: ik pleit er niet voor pleit om dieren te gaan fokken om mest te gaan maken om biogas te maken. Die route is verschrikkelijk inefficiënt – dan kun je beter van het veevoer rechtstreeks biogas maken. Het gaat me om de energie, die in de reeds aanwezige mest zit.

Covergisting kan bijdragen aan het klimaat
Het rapport zegt dat in 2012 covergisting 0,21% in mindering bracht van de Nederlandse CO2 – equivalenten. Dat is op dezelfde 8 miljoen kilo mest van de 403 miljoen gebaseerd. Naast het CO2-gevolg van het
duurzame energie-verhaal brengt mestvergisting zeer veel minder methaan in de atmosfeer en ongeveer evenveel of iets meer lachgas – beide krachtige broeikasgassen.

Een nog onvolwassen techniek en handhaving
Uit het rapport rijst het beeld op van een nog jonge techniek, armlastig, fraudegevoelig, met soms slecht geschoolde bedieners, onvoldoende technische voorschriften (bijvoorbeeld een verplichte af-fakkel) en een tekortschietende handhaving. Maar sommige van de 102 mest-covergisters in Nederland doen het wel goed.
Als de sector zich verder wil ontwikkelen, moet er dus het nodige gebeuren. Het rapport geeft hiertoe een flink aantal conclusies en aanbevelingen.

Goed geëxploiteerde mestvergisters zijn niet vreselijk gevaarlijk. De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering noemt als gevaar-afstand 30 m (ter vergelijking: voor een klein LPG-station is dat 50 m). Dit in de VNG-editie 2009, toen de vergisters nog niet zo groot waren. Mogelijk is het nu iets meer. Een BEVI-achtige simulatie kwam op 50m.
De Raad van State trekt 500 m als grens van de belanghebbendheid.
Hele grote vergisters vallen vanwege het explosiegevaar onder het BRZO (Besluit Rampen en Zware Ongevallen). Ik heb zelf al eens gesuggereerd om de middelgrote vergisters tot categorie in het BEVI te maken (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen).
De giftigheid van CO2 en H2S gelden vooral de exploitant en horen eerder onder de ARBO-wet thuis.
De microbiële gevaren van vergiste mest zijn gelijk of kleiner dan die van onbehandelde mest.

Het enige bekende dodelijke arbeidsongeval is dat in 2011 iemand door het rotte dak van een vergister is gezakt. Verder hebben mensen substantiële hinder (maar geen gevaar) ondervonden van storingen bij een slecht geëxploiteerde vergister in Coevorden.
Incidenten met dodelijke afloop, zoals in Makkinga of bij Reiling, vinden plaats met onbewerkte mest of slib. Die is een stuk gevaarlijker dan vergiste mest.

Nauwelijks of geen gevolg voor de bodem
Het rapport zegt dat mestvergisting op de langere termijn niet veel effecten op het organisch stofgehalte van de bodem heeft. De vergister breekt vooral het makkelijke organische materiaal af, maar dat doet de bodem in korte tijd ook met onbewerkte mest. Lignine bijvoorbeeld wordt in de vergister niet afgebroken en in de bodem langzaam.

Ruimtelijke ordening – aspecten
Het rapport besteedt met reden veel aandacht aan de ruimtelijke
ordening – aspecten. Waar zet je een vergister neer en hoe regel je het transport naar en van?
Er bestaat in den lande geen eenduidige mening. Zowel een industrieterrein als een agrarisch perceel kunnen voor- en nadelen met zich meebrengen wat betreft afstanden, transportbewegingen en omgevingshinder. Het rapport suggereert, zonder dat met zoveel woorden te zeggen, een gezond verstand – oplossing. Ik neem die suggestie graag over.

Zie verder Gedachten bij het opstappen van de voorzitter van Mestac

ECN-vinding kan bio-ethanol goedkoper maken ….

Hoewel dit mogelijk niet-chemici vreemd in de oren klinkt, bestaat cellulose geheel uit suiker (glucose). De suikermoleculen zijn aan elkaar gehaakt tot lange ketens en die vormen de basis voor veel plantenvezels. Het zijn erg stabiele polymeren, die slechts door enzymen kunnen worden teruggesplitst tot de afzonderlijke suikermolekulen. De maag van een koe of een termiet bevat bacteriën die dergelijke enzymen afscheiden en daarom kan een koe gras verteren. Ook in de bodem zitten bacteriën en schimmels die met enzymen cellulose kunnen afbreken.

Zetmeel heeft ongeveer dezelfde samenstelling als cellulose, maar de manier waarop de glucosemolekulen aan elkaar zitten is anders.
Van zetmeel is al sinds de oudheid bekend dat je er alcohol (ethanol) uit kunt stoken. Maar zetmeel (bijvoorbeeld aardappels) is ook voeding. Als men grootschalig alcohol wint uit zetmeel om dit in benzine bij te mengen (zoals de bio-ethanolwinning uit mais in de VS), concurreert dit met voedsel. Deze ‘eerste generatie’ energiewinning is om die reden erg omstreden. Deze behoedzaamheid vind ik terecht, hoewel het te ver vind gaan om al bij voorbaat alle ‘eerste generatie’-bioenergieproductie verboden te verklaren. Het moet mogelijk zijn om in afzonderlijke situaties afwegingen te maken.

Veel ethische zorgen zouden verdwijnen als men bio-energie kon maken uit materiaal dat geen voedsel is, bijvoorbeeld uit afval van de voedselproductie. Er is veel meer afval dan voedsel en dat afval bestaat voor een groot deel uit cellulose. Vandaar dat er overal ter wereld gezocht wordt naar methoden om op een betrouwbare en betaalbare wijze cellulose terug te splitsen tot glucose. Vorig jaar heeft een dochteronderneming van de DSM in de VS een fabriek geopend die deze taak (naar eigen zeggen) op commerciële wijze uitvoert.
Zie http://www.dsm.com/corporate/media/informationcenter-news/2014/09/29-14-first-commercial-scale-cellulosic-ethanol-plant-in-the-united-states-open-for-business.html

Op 16 april 2015 bracht het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) een persbericht uit dat het een procedé had ontwikkeld dat de afbraak van cellulose uit plantaardig materiaal goedkoper kan maken. Het werkt vooral goed met niet-houtig materiaal als bijvoorbeeld stro. De grootste kostenpost in de behandeling wordt gevormd door de enzymen. Door de ECN-aanpak kunnen die efficiënter worden ingezet. Dat scheelt (volgens ECN) uiteindelijk 10 tot 15 cent per liter biobrandstof.
Zie https://www.ecn.nl/nl/nieuws/item/uitvinding-ecn-maakt-biobrandstof-goedkoper-1/
ECN probeert nu deze methode bij ondernemingen op dit gebied aan de man te brengen.

…. maar behoedzaamheid toch op zijn plaats

Hoewel ik dit soort ontwikkelingen in principe positief beoordeel, vind ik ze toch reden tot bezinning. Cellulose wordt nu ook gebruikt. De stof stapelt zich niet in eindeloze afvalbergen op.

Op de eerste plaats wordt cellulose nu teruggebracht in de bodem om humus te vormen. Die toepassing moet doorgaan, waarbij de vraag is het hoeveelste deel van de cellulose daarvoor nodig is. Ik deel de mening niet van sommige milieuorganisaties dat dat deel al bij voorbaat 100% moet zijn, maar de vraag verdient wel een serieuze overweging. Zeker als het de bedoeling van de Brabantse landbouw is (zoals uitgesproken op de Ruwenberg-conferentie) om kringlopen te gaan sluiten op het niveau van Noord-West Europa.

Daarnaast worden cellulose en verwante stoffen als hemicellulose en lignine verbrand voor de energieproductie, bijvoorbeeld in kolencentrales en stadsverwarmingen.
Milieuorganisaties die vinden dat 100% van de cellulose terug de bodem in moet, vinden dus per definitie dat 0% in de stadsverwarming mag. Ik deel de absoluutheid van deze mening niet, maar ik vind de vraag (opnieuw) wel een serieuze overweging waard.

Een Brabantse biomassa ‘grand design’ nodig

Er bestaat bij sommigen de dringende behoefte om discussies te eindigen voor ze begonnen zijn door met een ethisch principe te starten. De SP stelt bijvoorbeeld 1) mensvoeding 2) diervoeding 3) bodemvruchtbaarheid 4) groene chemie 5) verbranden. Zoiets heet het cascade-
ringsprincipe. Ook andere organisaties werken daarmee, soms in eigen varianten.

Dit werkveld vraagt inderdaad om ethische oordelen. Alleen moeten die, naar mijn smaak, op het eind van het denkproces worden uitgesproken en niet aan het begin. De ethische oordelen moeten in concrete situaties worden uitgesproken. Clichées zijn onvoldoende.

Bij het cellulose-verhaal zie ik bijvoorbeeld geen duidelijk verschil tussen 4) en 5). Je kunt van alles met bio-ethanol, maar de bulk van het product wordt bijgemengd met benzine en dus verbrand. Met bio-ethanol kun je auto’s laten rijden en met verbranden elektriciteit en warmte voor huishoudens maken. Ik zie niet in waarom het eerste principieel meerwaarde heeft boven het laatste. Het laatste bespaart gas en daar kun je chemisch ook van alles mee doen.

Dit even terzijde: ik vind zelf bodemvruchtbaarheid belangrijker dan diervoeding. Liever minder dieren dan een verprutste bodem.

Wat eigenlijk nodig is, is een soort alomvattend plan hoe je met biomassa wilt omgaan. Dat vraagt noodgedwongen om een territoriale afbakening. Daarvoor lijkt mij de provinciale schaal, eventueel onderverdeeld, in praktijk de meest logische. Wat er zou moeten komen is een soort “grand design” van de omgang met biomassa in Brabant.

Het Bodem Anders – congres en de Brabantse landbouw

Ik ben naar het Bodem Anders – congres geweest. Dat was georganiseerd door de organisatie Voedsel Anders-netwerk en de BMF en de Stichting Down2Earth. Op donderdag 19 maart 2015 was er een velddag, op
vrijdag een lezingendag.

Er is alle reden om aandacht te besteden aan de bodem. Niet voor niets heeft de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN 2015 uitgeroepen tot jaar van de bodem.
Ik had er dan ook een fietstocht naar Biezemortel voor over (een onbereikbare uithoek van Brabant) om op de velddag aanwezig te zijn (heen en terug de wind tegen – je moet wat over hebben voor de waarheid).

Niet helemaal mijn wereld ……
Ik ga bewust naar congressen als deze om mijn blikveld te verruimen, maar het is niet helemaal mijn wereld. Ik voel me er thuis als een atheïst tussen de Jehovah’s. Een flink deel van de doelgroep bestaat uit holistisch denkende gelovigen, maar ik ben geen holist. Er hangt mij teveel een Rudolf Steiner-mystiek.

Ik geloof als overtuigd reductionist in randomized dubbel blind – onderzoek en statistiek. De medische wetenschap bijvoorbeeld is daar ook groot mee geworden. Het menselijk lichaam is ook complex en hangt met allerlei ingewikkelde verbanden aan elkaar. En als ze wetenschappelijk darmbacteriën kunnen onderzoeken, kunnen ze dat ook met bodembacteriën.

De energie-workshop donderdag bevatte tenenkrommende prietpraat met aperte onjuistheden. De praktijkexcursies waren redelijk tot goed, met als toppers een gesprek de Stichting Duinboeren (bedoeld worden de Loonse en Drunense Duinen) over bodembeheer nabij natuurgebieden, en een rondleiding bij Van Iersel Compost.
Zoals altijd heeft de praktijk een heilzaam disciplinerende werking. Van Iersel kent zijn processen en kon bijvoorbeeld zeggen welke schimmels er in zijn schimmeldominante compost zaten (een vel papier vol ter grootte van een deur in kleine lettertjes).

Van de lezingen op vrijdag spraken mij de eerste twee aan, evenals de workshop van Bosser.

De eerste was van ZLTO-voorzitter Huijbers. Generieke modellen konden de bodem niet goed omschrijven, omdat die tot op perceelniveau anders kon zijn. Het is een levend organisme. Dat vraagt generaties lang vakmanschap. De ZLTO had een paar duizend leden bereikt met bodemsessies.
Hij merkte op dat de overdosis mineralen in het verleden wel eens kon gaan omslaan in een onderdosis aan organische stof. De vraag is in
hoeverre je koolstof moet verbranden, en in hoeverre je die koolstof in de bodem moet vastleggen door een meer circulaire koolstofbalans. Dat kan ook een klimaatadaptatie zijn. “De bodem is van ons allemaal” en “De regeneratie van de bodem moet versneld worden”.

Wim van der Putten (Wageningen NIOO, oprichter van het Wageningen Centre for Soil Ecology (CSE; http://www.soilecology.eu/ ) bracht een vergelijkbare boodschap die samengevat kan worden met dat wat het tropisch regenwoud boven de grond is, oud grasland onder de grond is. Dat wij dat niet zien is “omdat wij op dit gebied in een permanente zonsverduistering leven” (er was er net een aan de gang).

De derde lezing van Volkert Engelsman (“Een groenteboer uit Waddinxveen” naar eigen zeggen) bevatte veel van wat mij tegenstaat: weidse oratorische vergezichten zonder navenante diepgang, suggesties van verbanden die op geen manier hard gemaakt werden). Teveel
goeroe-achtig.

De workshop van akkerbouwer Bosser (met een zeven gewassen-rotatiesysteem) was leerzaam en toonde opnieuw de disciplinerende
werking van de praktijk aan.

……. maar enig begrip is op zijn plaats
Nu is goed bodemvruchtbaarheidsonderzoek inderdaad moeilijk. Net als bij voedingsonderzoek is het moeilijk individuele aspecten in een netwerk te isoleren. Het is lastig experimenteren. Maar tussen de
bewering dat een wetenschappelijk onderzoek in praktijk moeilijk is, en de bewering dat wetenschappelijk onderzoek principieel bij voorbaat onmogelijk is, gaapt een diepe kloof.

Ook moet erkend worden dat in de afgelopen decennia het paradigma van de industriële landbouw sterk geweest is. In extreme vorm is de bodem daarin eigenlijk een substraat waaraan chemische voeding wordt toegevoegd. Nu lukt dat misschien met kamerplanten op hydroculture en aardbeien op steenwol in kassen, maar niet op duizenden km2 volle grondteelt. Ik heb hier niet veel verstand van, maar op zijn minst lijkt het me onpraktisch om 50 hectare suikerbieten in steenwol te kweken. Dat kan in praktijk toch alleen maar in echte grond.
Ik vind in dit verband de woorden van de ZLTO-voorzitter betekenisvol.

Tenslotte
Voor zover mijn bescheiden opinies wat waard zijn: ik verwacht dat in de komende jaren verschillende problemen aspecten zullen blijken van één groot verzamelprobleem dat in zijn geheel behandeld moet worden. Een schets:
–           Het recente Energie Akkoord van de Brabantse SER ( BrabantsEnergieakkoord_2015 ) wil voor het behalen van de 14% – doelstelling in 2020 per jaar 28PJ van biologische herkomst van het land halen
–           Het Telos-rapport van 2008 ( Telos_Energiek_Brabant_2040_scenario)noemt als realistisch getal 21,6PJ voor 2040. Dan wordt alle mest vergist en alle andere organische afval op enige manier voor energie gebruikt. Wil men meer, dan moet men energiegewassen gaan kweken
–           Er een Green Tech Campus is, die in West-Brabant chemie gaat doen met suikerbieten
–           Er gaat dus waarschijnlijk minder koolstof terug de bodem in
–           Er is nu al ongerustheid over de bodemvruchtbaarheid
–           Het klimaat is gebaat bij meer koolstof in de grond

Het komt mij voor dat knappe wetenschappelijke koppen hier diep over moeten gaan nadenken. Ik spreek hier niet meteen een principe uit, maar het lijkt mij dat hier toch op zijn minst sprake is van een behoorlijk optimalisatieprobleem.

Ik vind dat dit politieke aandacht verdient.

Het biomassapotentieel op provincieniveau

In deze kolommen is al vaker aan de orde geweest wat de doelen en mogelijkheden van biomassa op provinciaal niveau zijn. De SP heeft er vragen over gesteld in Provinciale Staten van Brabant, de milieubeweging vindt er wat van en bijvoorbeeld Boxtel en Deurne verwachten er veel heil en zegen van.

Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne
Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne

Die discussie wordt zelden op basis van cijfers gevoerd. De biologische landbouw vertrekt vanuit het morele imperatief “Gij zult elke gram snipperhout terug de grond in doen” tot gemeenten en biochemiebedrijven die willen oogsten zonder zich de vraag te stellen wat er eigenlijk te oogsten valt en of daar politieke prioriteiten aan moeten worden toegekend.

Is er een provincie die al cijfers heeft?

De provincie Utrecht wil in 2040 klimaatneutraal zijn en heeft in dat kader Ecofys opdracht gegeven het Utrechtse biomassapotentieel in kaart te brengen (3 augustus 2011, Warmerdam, Yildiz, Koop). Ingekort weergegeven leidt dat tot onderstaande voorwaarden en vaststellingen:

  • Het klassieke gebruik van biomassa als voedsel voor mens en dier blijft onaangetast
  • Het onderhoud van de bodemvruchtbaarheid in termen van stikstof en fosfor blijft onaangetast
  • Het onderhoud van de bodemvruchtbaarheid in termen van koolstof wordt niet systematisch besproken. Wel wordt van enkele belangrijke organische deelstromen vastgesteld dat ze weer de grond in gaan
  • Min of meer droge reststromen worden verbrand, natte vergist
  • In Utrecht worden nagenoeg geen specifieke energiegewassen geteeld
  • De biomassa komt geheel uit afval (stedelijk afval; mest, snoeihout fruitteelt, overige agrarische reststromen; snoeihout, gras en maaisel uit landelijk gebied).
  • De energetische mogelijkheden van stedelijk afval worden al voor 85% gebruikt, die voor agrarisch en natuurafval nog maar voor 8 a 9%
  • De afvalstroom van de voedings- en genotmiddelenindustrie wordt slechts voor een zeer klein deel aan de opwekking van energie toegerekend. De veruit grootste toepassing is en blijft veevoer
  • Er is op dit moment niet of nauwelijks sprake van concurrerende vraag voor de productie van bio-grondstoffen.
  • Afvalwarmte wordt in praktijk voor 20% benut
  • De provincie Utrecht verbruikt 212PJ/jaar (*) . Alle biomassa samen is goed voor 2,0PJ/jaar (waarvan zowat de helft nu al opgewekt wordt). Dat is dus 1,0% .
  • Die 2,0PJ bestaat uit 1,35PJ elektriciteit en 0,65PJ nuttig gebruikte warmte
  • De provincie loost nu 9340 kiloton/jaar. Alle biomassa samen zou 330 kiloton CO2 per jaar besparen. Dat is dus 3,5%.

Al met al zijn de mogelijkheden voor biomassa in de provincie Utrecht in 2011 bepaald niet sensationeel. Waarmee ik ze zelf overigens niet afschrijf, want de energetische verduurzaming van Nederland gaat met èn èn èn , en sommige van die èn-nen zijn kleine stapjes. Bovendien zou het op termijn meer kunnen worden. De uitbreiding van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS) leidt tot meer houtafval en minder koeien.
De discussie tussen Faaij enerzijds en Katan ea anderzijds lijkt in het Utrecht van 2011 een non-discussie, een soort ver van mijn bed – show.

Nu is de provincie Utrecht de provincie Brabant niet (waar ik woon). Er zijn belangrijke verschillen.
–           Het aantal dieren is in Brabant in verhouding groter
–           In Brabant functioneert de Green Chemistry Campus, waarvan een belangrijk doel is om chemische producten te maken uit biologische grondstoffen (zoals bijvoorbeeld uit suikerbieten).
–           Er is daarom meer reden om wel aparte energie- of grondstoffengewassen te kweken

Utrecht is een nuttig voorbeeld, maar in Brabant is er meer reden dan in Utrecht om na te denken van wat je als provincie nu eigenlijk wilt. Vandaar de vragen in PS.

Voor het Ecofysrapport zie –> ecofys biomassapotentieel provincie utrecht

(*): 1 PJ = 10^15 J = 278 miljoen kWh)

 

Boxtel, BMF, biomassa

De studie van wat er in Brabant aan opvattingen bestaat over biomassa heeft mij tussen twee vuren geplaatst (als ik mij deze enigszins morbide beeldspraak veroorloven mag).

Aan de ene kant de opvattingen van de gemeente Boxtel die wellicht meer willen dan kan en/of dan wenselijk is, aan de andere kant de organische landbouw, tot op zekere hoogte ondersteund door de BMF, die meent dat er helemaal niets mogelijk is, dat het organische stof-gehalte van de bodem al jaren daalt, en dat elk afgeknipt twijgje terug de grond in moet.

Ik zit er ergens tussen in. Naar mijn mening kan er best wel wat op biomassagebied, ook als je geheel politiek correct eerst zorgt voor voedsel en medicijnen voor mens en dier en voor het onderhoud van de bodem. Er blijft iets over om te verdelen over grondstoffen en biobrandstof, maar hoeveel precies en op basis van welke politieke prioriteiten je dat overschot wilt verdelen, daar durf ik op dit moment geen uitspraak over te doen.
Hier hoort een grondig onderzoek naar gedaan te worden door niet-direct belanghebbenden, gevolgd door een debat in Provinciale Staten. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor.

Dit verhaal is te lang om hier af te drukken. Als u het wilt lezen, Continue reading Boxtel, BMF, biomassa

Brabant en het debat van de biomassa-professoren

Het debat tussen de professoren Katan, Vet en Rabbinge aan de ene kant en Faaij aan de andere kant over de mogelijkheden en onmogelijkheden van biomassa groeide uit tot een heus mediarelletje “onder professoren”. Waarmee het debat ten onrechte gekleineerd zou worden, want er komen belangrijke vragen aan de orde. Bovendien zijn de hoogleraren het tot op zekere hoogte eens, maar dat was voor de pers minder spannend.
Voorzover ik het als geïnteresseerde leek kan zien, zijn de kiftende professoren het eens over de eerste drie stappen op de biomassa-pyramide: voedsel en medicijnen voor mensen,  idem voor dieren en het in stand houden van de bodemvruchtbaarheid. Verder gaan ze er allemaal van uit dat de mogelijkheden voor biomassa eindig zijn.
Het verschil van mening gaat over hoeveel er na de eerste drie stappen nog over is, en of dat voor groene chemie gebruikt moet worden of voor biobrandstof. Zo lang de eerste drie stappen gegarandeerd zijn, lijken mij de laatste twee doelen beide legitiem en vraagt het om een zakelijke discussie wat je het beste kunt doen. Het relletje is daarvoor een mooie aanleiding.
Elders op deze website vindt u overigens schattingen van wat er op biobrandstofgebied mogelijk is.

Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne
Foto bij een artikel over het biomassaplein in Deurne

Ik heb het debat verbijzonderd voor het Brabantse Biobased Economy-beleid, omdat ik fractiemedewerker ben van de SP-fractie in PS en wij iets van dat beleid moeten vinden. Er gebeurt bijvoorbeeld van alles m.b.t. de suiker in West-Brabant en mestvergisting is een vorm van biobrandstof maken.
Tot nu toe is dat beleid alleen economische politiek: het gaat alleen over geld, organisatie, tijdschema’s en werkgelegenheid. Er is niets mis met economische politiek, maar het kan niet het enige op deze aarde zijn.
Je zou ook willen weten welke politieke prioritering het beleid na streeft.
Willen wij en de ondernemingen in Brabant inderdaad de eerste drie stappen waarborgen?
Brabant heeft zowel beleid om biobrandstoffen te maken als om biomaterialen te maken. Hebben wij daarbinnen een voorkeur?
Willen wij biomassa die via wereldwijde kringlopen binnenkomt en weggaat of willen wij regionale kringlopen (op schaal van Nederland of West-Europa)?
Hoe waarborgen wij dat de Brabantse bodem niet uitgeput wordt als organisch materiaal niet meer aan de bodem teruggegeven wordt, maar in rook of bioplastic opgaat? En hoe moet het met de bestrijdingsmiddelen en het water?

Ik heb dit thema omgebouwd tot vragen en een persbericht. Die treft u aan onder
(persbericht) Persbericht 29 januari 2015 biomassa
(Vragen) vragen discussie faaij-katan ivm Brabant_ingekort

Antwoord op vragen over chemisch spuiwater en brief van Dijksma

Mijn fractievoorzitter Nico Heijmans en ik hebben in oktober 2014 met inwoners van Deurne gesproken over incidenten, waarbij het giftige gas zwavelwaterstof (H2S) uit de grond kwam. Via een ingewikkelde bodemchemie hangt dat samen met de bodemkenmerken, de zure regen van vroeger, en de mestproblematiek. Er heerst onrust bij veel mensen in Deurne. Er kwam wetenschappelijk onderzoek en er kwamen kamervragen van de SP-ers Smaling en van Gerven.
Een van de theorieën was dat het spuiwater van chemische luchtwassers bijdroeg aan het probleem. Bij chemische luchtwassers blaast men stallucht door een soort waterscherm, met daarin opgelost zwavelzuur, om de ammoniak te binden. Die zou anders, Europees beschermde, Natura2000 – gebieden in de buurt verzieken.
De spuiwater-theorie is onwaar, zoals het wetenschappelijk onderzoek uitlegde, want water zakt met grofweg 1 meter per jaar en kon dus nog niet op 20 a 25 diepte aangekomen zijn, want zo lang bestaan chemische luchtwassers nog niet. Die zijn er pas vanaf 2006.
De theorie is echter niet onzinnig (maar dat legde het wetenschappelijk rapport niet uit), want chemisch spuiwater van wel degelijk over een aantal jaren de bodem gaan verzieken met een sulfaatoverschot (waaruit in bepaalde omstandigheden H2S ontstaat). Ik heb geprobeerd om dat een beetje uit te zoeken.

Een chemische luchtwasser
Een chemische luchtwasser

Op 13 januari 2015 heeft de provinciale SP op basis van dat uitzoekwerk vragen gesteld over het spuiwater van chemische luchtwassers dat als meststof over landbouwgrond mag worden uitgereden. Ik had die vragen geschreven. Zie Technische vragen van de SP over chemisch spuiwater-vs2

Op 3 februari kwam het antwoord: beantwoording_vragen_chemisch_spuiwater .

Ongeveer tegelijk kreeg ik van een van mijn contacten in Deurne een brief, die staatssecretaris Dijksma op 28 januari 2015 aan de Tweede Kamer gestuurd had (ik was dus eerder!). Zie kamerbrief-over-het-gebruik-van-zwavelhoudende-meststoffen.

Ik heb hierop voor de site van de provinciale SP een reactie geschreven: Provincie bevestigt mechanisme chemisch spuiwater .

In het kort een samenvatting van dit alles.
– het mechanisme, zoals in de vragen van 13 januari beschreven, klopt. De provincie stelde de getallen wat naar beneden bij, maar dat verandert niets aan de essentie. Het lozen van chemisch spuiwater komt er in praktijk ongeveer op neer dat op die percelen de zure regen terug keert.
– maar het zal nog een tijd duren voordat dat water de dieptes bereikt waarop de H2S gevormd wordt
– als je aanneemt dat alle vergunningen volledig gebruikt worden (wat niet zo is), en als je aanneemt dat er geen spuiwater afgevoerd wordt (wat onbekend is) heb je genoeg spuiwater om 1350 tot 1700 km2 Brabant 1* per jaar te voorzien. Noord-Brabant heeft een oppervlakte van 4919 km2
– er bestaat een tweede mechanisme dat nog heftiger werkt, en dat is het aanzuren van mest met zwavelzuur. Dat procédé is recentelijk in de belangstelling gekomen. Je gooit het zwavelzuur op de mest, zodat de ammoniak gebonden wordt voor hij ontwijkt. En het doet ook iets tegen methaan. Dat is mooi, maar met een beetje pech bruist de H2S je uit de mest tegemoet en de zwavel komt uiteindelijk in het grondwater terecht.
Deze handelwijze verdient politieke aandacht.
– men moet in de landbouw minder met zwavelzuur werken. Dat gebeurt vooral omdat het goedkoop is en in grote hoeveelheden voorradig.

Ik heb onze contacten in Deurne op de hoogte gesteld. Ongetwijfeld komen we er intern en met hen over te spreken.

De moraal is dat technische maatregelen tegen het ene milieuprobleem andere milieuproblemen kunnen oproepen. Dat valt wel te verbeteren met alternatieve technische maatregelen, maar ook dat heeft zijn grenzen en werkt prijsverhogend.
Het hoofdprobleem is dat er gewoon te veel dieren gehouden worden.
Het beste is minder dieren en daar goede techniek op toepassen.

 

Minister stuurt brief aan Tweede Kamer over sulfaat in bodem

OP 13 januari jl heb ik in deze blog het artikel geschreven “Spuiwater van chemische luchtwassers”. Dat beschreef vragen die de SP in de provincie gesteld had over dit onderwerp.

Een van mijn contacten in Deurne stuurde mij vandaag een mail dat ook staatssecretaris Dijksma zeer onlangs zorgen over dit onderwerp uitgesproken heeft. Die staan in een brief aan de Tweede Kamer dd 28 jan 2015 (zie onder). Toen ik voor de SP de vragen opstelde, wist ik overigens niets van de Tweede Kamer-bewegingen af.

Dijksma heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd hoe het zit. De CDM heeft een analyse te berde gebracht waarin een vergelijkbaar verhaal  staat als in de SP-vragen. Daarnaast noemt de CDM nog een tweede route, namelijk de mest direct aanzuren met zwavelzuur om de emissie te beperken (wat mij overigens, gezien de kans dat H2S vrijkomt, levensgevaarlijk lijkt als het door amateurs gebeurt).
Het lijkt de CDM verstandig om meer voorlichting te geven, mest niet met zwavelzuur te verrijken, maximale zwavelgiften vast te stellen en die giften en het sulfaatgehalte in de bodem te monitoren.
Verder zegt de CDM dat “in gebieden met intensieve veehouderij op zandgrond kan de toediening van spuiwater met zwavelzuur lokaal leiden tot hoge sulfaatuitspoeling”, al lijkt dat “vooralsnog niet te gebeuren”.
Mijn contact wijst mij er echter op, dat in het deskundigenrapport over Deurne de sulfaatconcentratie op 20 tot 25 m diepte in een aantal jaren verzevenvoudigd is. “Dijksma weet dat” zegt ze “”dus hoe kan ze beweren dat er momenteel gene problemen zijn door sulfaatuitspoeling?”

Het lijkt mij verstandig dat de provincie snel antwoord op de SP-vragen geeft en gespitst is op maatregelen.

kamerbrief-over-het-gebruik-van-zwavelhoudende-meststoffen

Spuiwater van chemische luchtwassers

Dit wordt een ingewikkeld verhaal!

In Deurne ging (dec. 2012) een kind op een waterspeeltoestel onderuit  omdat er in het grondwater, dat van 20 m diepte omhoog gepompt werd, zwavel-waterstofgas zat (H2S). Daarna ook een ambtenaar van het Waterschap. H2S is behoorlijk giftig en is in gesloten ruimtes al een paar keer dodelijk gebleken.
De gebeurtenissen bleken  niet noodlottig, maar veroorzaakten veel opschudding in Deurne, zo ongeveer het epicentrum van de veeteeelt. Temeer daar er al vaker H2S omhoog gekomen was. Er kwam wetenschappelijk onderzoek, kamervragen van de SP, provincievragen en politieke strijd omdat bevestigd werd dat het H2S-gas een bijverschijnsel van de mestproblematiek was.

Er zitten echter meer kanten aan dit verhaal. De bacteriën op 20 m diepte hebben sulfaat nodig en er ontstaat alleen gas als het grondwater zuur genoeg is. Waar komen die factoren vandaan? De wetenschappelijke studie zegt dat die er al waren. Zwaveldepositie uit mest en zure regen van vroeger hebben een voorraad pyriet opgebouwd in de diepte en die gaat nu, simpel gezegd, weer in oplossing.
Die opbouw vindt nu niet meer plaats, zegt de orthodoxie, want de regen is veel minder zuur. Wat op zich waar is.

Maar er is intussen een tweede ontwikkeling bijgekomen, die ook met de intensieve veehouderij te maken heeft, namelijk de luchtwassers. Varkens in de stal produceren grote hoeveelheden ammoniak en de walm tast de Natura2000 – gebieden aan, die Europese bescherming genieten, zoals bijvoorbeeld De Peel. Die ammoniak moet worden afgevangen en een van de twee technieken daarvoor is de chemische luchtwasser. Je perst de ammoniakhoudende lucht door water, waarin opgelost een overmaat aan zwavelzuur, en die bindt de ammoniak (waarbij flink wat zwavelzuur overblijft). Het resultaat  (een aangezuurde ammoniumsulfaatoplossing) mag als meststof op het land worden uitgereden.
Ga je hier nu wat aan rekenen, dan blijkt dat als een boer doet wat mag en als normaal geldt, er minstens twee tot drie keer zoveel zwavel op het land gebracht wordt als het gewas aan kan. De rest gaat diepte in en zal  over bijvoorbeeld 10 a 15 jaar op 20 m diepte precies brengen wat nodig is voor de vorming van zwavelwaterstof. Nu is dat nog niet zo, want water zakt maar een meter per jaar en luchtwassers bestaan nog geen 20 jaar. De orthodoxe waarheid is onvolledig.
Als deze theorie waar is, organiseren we op die percelen waarop chemisch spuiwater wordt uitgereden, in de toekomst ons eigen sulfaatoverschot.

Ik heb hierover vragen opgesteld voor de PS-fractie van de SP. Deze zijn ingediend door Nico Heijmans en Francy van Iersel. De tekst van het persbericht is te vinden op http://noord-brabant.sp.nl/nieuws/2015/01/verziekt-het-spuiwater-van-chemische-luchtwassers-de-bodem .