drone krijgt synthetische vogelpoten en kan op een tak landen (Stanford) Fig. 1. SNAG is a bird-inspired robotic leg and end effector, which enables aerial robots to take off and land on complex surfaces as well catch objects in the air. (A) Birds use a stereotyped approach when landing. Upon touchdown, the bird’s legs must absorb the energy of a controlled collision, which, in Tau Theory, refers to when the rate of change in τ (estimated time to collision) is greater than 0.5 (1, 6). Meanwhile, their feet adapt to the surface variability of the perch to grasp it securely and to anchor the body. Last, birds adjust their footing and balance. [Bird snapshots in (1) have been flipped to match robot posture.] (B) SNAG’s bipedal foot and leg system enables aerial robots to take off and land on complex natural surfaces in a controlled fashion. (Snapshots from trial #28; data file S3). (C) Inspired by peregrine falcons, we demonstrate that SNAG can also grasp a dynamic prey-like object in flight and carry it along (peregrine photo courtesy of George Roderick). (D) To illustrate its application potential in natural environments, we tested SNAG in a forest. The photo shows SNAG posed on a branch (photo edited in Apple’s Photos application). For outdoor flight tests, see Fig. 8.
Af en toe tussen alle ernst door een berichtje ter blijde verbazing. Bovendien is de 30.000 ste bezoeler aan mijn home page gepasseerd.
In het blad Science Robotics beschrijven onderzoekers van Stanford hoe ze een drone van synthetische vogelpoten voorzien hebben, zodat het ding op een tak kan landen of iets uit de lucht kan vangen. Zie https://www.science.org/doi/10.1126/scirobotics.abj7562 .
De analyse is gebaseerd op hoge snelheids-opnames van parkietjes. Die moesten landen op takken van hout, teflon of schuurpapier. dat bleek de beestjes niets uit te maken. De precieze stand van de tenen aan de vogelpoot kwam ook niet erg kritisch. De ontwerpberekeningen zijn gebaseerd op sectie van twee slechtvalken (die vanzelf dood waren gegaan en in de natuur gevonden). Het aanzetten van de greep blijkt 20 milliseconde te duren.
In het artikel wordt uitvoerig beschreven hoe een en ander werkt. Maar dat is te specialistisch voor hier. Lees het artikel of kijk desnoods alleen de plaatjes. Een van die plaatjes hieronder.
De drone met vogelpoten is al ingezet om temperatuur- en luchtvochtigheidsgegevens te verzamelen in een afgelegen bos in de Amerikaanse staat Oregon.
David van Reybrouck is een Belgisch cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver. Zoals de aanduiding al suggereert, is het iemand die niet in één hokje past en ik vind het een van die onconventionele schrijvers die wel eens wat zegt waar je over na kunt denken, en waar je misschien zelfs wel wat aan hebt. Zijn Wikipediapagina is https://nl.wikipedia.org/wiki/David_Van_Reybrouck .
David van Reybrouck wint de Libris Geschiedenis Prijs tijdens de Nacht van de Geschiedenis op 23 oktober 2010.
Een van zijn onderwerpen is hoe de burger realiter invloed kan krijgen op wat er in zijn land gebeurt. Daartoe bestaan meer mogelijkheden dan alleen eens in de zoveel jaar verkiezingen of een enkel referendum over een ja/nee vraag, en dat blijkt soms verrassend goed te werken. Een soort combiverhaal is het ‘Preferendum’ ( https://nl.wikipedia.org/wiki/Preferendum ).
Het Preferendum is in de optiek van Van Reybrouck een middel om door de bevolking gedragen beleid mee te ontwikkelen waarbij nuances mogelijk zijn, en dat uitgaat van bestaande bouwstenen. Ik citeer:
“Landen hebben maar drie manieren om hun burgers formeel aan het woord te laten: verkiezingen, referenda of burgerberaden.
Verkiezingen zijn het instrument van de representatieve democratie, referenda van de directe democratie, burgerberaden van de deliberatieve. Elk van deze instrumenten heeft zijn voor- en nadelen. Verkiezingen hebben het onmiskenbare voordeel dat iedereen met stemrecht de kans krijgt zijn vertegenwoordigers aan te wijzen, maar het nadeel is dat inspraak beperkt blijft tot het aanduiden van anderen. De dag dat je macht hebt, is eigenlijk de dag dat je hem weggeeft.
Bij referenda geeft de burger de macht niet uit handen. Hij of zij beslist zelf over belangrijke inhoudelijke kwesties. Het nadeel is echter dat complexe vraagstukken dikwijls worden gereduceerd tot eenvoudige binaire opties. Kiezers hoeven zich ook niet vertrouwd te maken met de materie. Vaak krijg je een antwoord op een vraag die je niet hebt gesteld, zoals de populariteit van de zittende regering. En politieke partijen misbruiken ze vaak voor eigen gewin. De Nederlandse politiek wetenschapster Saskia Hollander onderzocht hoe referenda in Europa in de praktijk werken. Haar conclusie: wat een instrument van het volk moest zijn, is al te vaak verworden tot een speeltje van de partijpolitiek.
Gelote burgerberaden tenslotte, zorgen voor sterke inhoudelijke input. Doordat een willekeurige steekproef van gewone burgers zich vertrouwd moet maken met een onderwerp, krijg je weldoordachte aanbevelingen. Maar de rest van de samenleving is niet per se betrokken bij het proces. Meedoen aan een burgerberaad is vaak een geweldige ervaring voor zij die ingeloot werden (denk maar aan die 150 Fransen) maar de rest van het land kan enkel toekijken.
Het is, kortom, altijd iets. Maar het preferendum combineert het beste van de drie: het eerbiedigt het ‘één persoon, één stem’-beginsel van verkiezingen, het huldigt de inhoudelijke kant van het referendum en het versterkt de doordachte uitkomst van het burgerberaad. Idealiter vertrekt het initiatief vanuit de regering die over een bepaald onderwerp een burgerberaad bijeenroept, zoals Macron deed, om de voorstellen van dat beraad vervolgens voor te leggen aan de gehele bevolking en de uitkomst van die bevraging als leidraad te hanteren voor het regeringsbeleid. Die manier van werken is goed voor de burger (iedereen is betrokken), goed voor het beleid (duidelijke en genuanceerde input) en goed voor de democratie (mensen hebben eindelijk weer reële, concrete invloed op het bestuur).”
Er zijn geheel of gedeeltelijk geslaagde voorbeelden. Het Ierse burgerberaad over een nieuwe abortuswetgeving is een geslaagd voorbeeld. Geen politicus durfde zich er in het katholieke Ierland aan te wagen, tot in een burgerberaad bleek dat de Ieren dat zelf wel durfden. De burgerraad van Macron (na de Gele Hesjes) was een half geslaagd voorbeeld. De burgerraad werkte wel, maar de vertegenwoordigende democratie daarna niet.
Ook in het recente rapport “Betrokken bij Klimaat” van de vroegere ombudsman Brenninkmeijer (geschreven op verzoek van de Tweede Kamer) wordt voorgesteld om jaarlijks een burgerberaad over het klimaat te organiseren, gevolgd door een preferendum. Dit om de burgers maximaal te betrekken bij de giga verandering, die er in Nederland aan zal komen.
Ik was al een tijd van plan om de boeken van Naomi Klein over klimaat en kapitalisme te lezen. De politieke actualiteit, waaronder de steeds zwaardere stempel die het klimaat zet, de massabewegingen en de discussies binnen mijn partij, de SP, maken dat ik dat voornemen nu uitgevoerd heb.
Naomi Klein Naomi Klein is zoiets als een participerende journalist. Ze beschouwt bijvoorbeeld de strijd tegen de Keystone XL (de nog niet uitgevoerde delen van een pijpleiding van de Canadese teerzanden naar de Golf van Mexico) niet van een afstand, maar neemt deel aan de acties.
Kaart van het netwerk van oliepijpleidingen in Canada en de VS (Alberta = Canada, Montana = VS). De recente strijd gaat over fase 4.
Naomi Klein heeft een aantal boeken geschreven over uitwassen van het kapitalisme, maar twee daarvan gaan speciaal over het klimaat. Ze zijn het makkelijkste te vinden op de Wikipediapagina over haar https://en.wikipedia.org/wiki/Naomi_Klein . Daarnaast heeft ze een groot aantal artikelen geschreven, lezingen gegeven, aan films meegewerkt.
Het tweede boek kan men zien als een meer praktijkgerichte uitwerking van het eerste.
Een samenvatting Het zijn twee forse boeken. Een volledige samenvatting gaat de mogelijkheden van deze site te boven. Vandaar puntsgewijze de standpunten (uit beide samen):
De klimaatcrisis bedreigt ons door zijn gevolgen (branden, droogte, stormen, oceaanverzuring) allemaal en dat is urgent. De aarde is eindig en de capaciteit om vervuiling op te vangen ook.
De schuld ligt niet in zoiets als de ‘menselijke natuur’. Het is een systeemprobleem.
Individueel handelen, hoe zeer ook te prijzen, lost het probleem niet op
Drijvende kracht zijn grote ‘extractivistische’ bedrijven en het economisch systeem waarbinnen ze werken. Dit ‘extractivisme’begrip wordt vooral toegepast op kolen, olie en gas (inclusief fracken en de teerzanden), maar ook op andere vormen van mijnbouw. Laat olie en gas in de grond.
Technische maatregelen en economische prikkels (als CO2 – handelssystemen) zijn onvoldoende, maar moeten binnen hun beperkte mogelijkheden dienstbaar gemaakt worden (Klein is op dit punt in haar eerste boek radicaler dan in haar tweede boek waarvan de geest hier weergegeven is)
Meer specifiek is geo-engineering een slechte zaak (door Klein beperkt tot sulfaatkristallen in de stratosfeer om zonlicht terug te kaatsen en ijzerbemesting va de oceanen ter bevordering van algengroei, die vervolgens na hun overlijden koolstof meenemen naar de diepte)
Er is slechts een economie volhoudbaar die past binnen de grenzen van de aarde. Dat betekent o.a. ingeperkt koopgedrag, geen economische groei voor zover die tot meer materie- en energiegebruik leidt, en daarvoor is verregaande nivellering van de welvaart nodig. De grote vervuilers moeten betalen
Afschaffing van het kapitalisme (geheel of gedeeltelijk laat Klein in het midden) is daartoe een noodzakelijke voorwaarde
Maar geen voldoende voorwaarde, want regimes met marxistische roots als Rusland en China maken ook een potje van klimaat en milieu
Centralisme is fout en de oplossing moet gezocht worden in bondgenootschappen van onderop die gevormd worden in het kader van acties (‘Blockadia’) tegen concrete zaken als oliepijpleidingen, steenkoolhavens, mijnbouwprojecten, etc. Ook de productie van duurzame energie moet decentraal georganiseerd worden.
De rechten van inheemse volkeren moeten versterkt worden
De zeggenschap over extractivistische projecten moet bij de direct gedupeerden liggen
Sommige milieu- en natuurbeschermingsgroepen denken dat grote bedrijven omgeturnd kunnen worden, en zijn daardoor te intiem met het grootkapitaal geworden
Omdat het kapitalisme meer op zijn geweten heeft dan alleen het ‘extractivisme’, biedt deze insteek kansen om ook andere wereldproblemen aan te pakken, zoals migratie, democratisering, vrouwenrechten, mensenrechten, enz. Omgekeerd biedt een verbreding van de basis meer kans in de klimaatstrijd. Het geheel moet een rechtvaardig en uitvoerbaar totaalpakket zijn.
Er is een Green New Deal nodig, die gelijkenissen heeft met de New Deal van Roosevelt (1932, zie Roosevelt New deal op Wikipedia ). Die loste in een omvattende aanpak een groot aantal economische, sociale en fysieke problemen op. Roosevelts New Deal volgde op een golf van arbeidersopstanden en andere massabewegingen. In de VS is een Green New Deal-plan voorgesteld door de Demokratische politici Ocasio-Cortez en Markey. Zie Wat staat er in de VS-Green New Deal? Hoe toepasselijk is die voor Nederland en Europa?
Uiteindelijk slaat de massastrijd neer bij de instituties van de staat. Klein roept op om die te beïnvloeden, niet om ze omver te werpen.
Landen met een sterke demokratisch-socialistische traditie doen het op het gebied van milieubeleid het beste.
Maar sommige traditionele linkse partijen zijn teveel blijven steken in alleen maar sociaal-economische conflicten.
Er is een nieuwe vorm van ecosocialisme nodig
Naomi Klein
Wat ik er persoonlijk van vind Beide boeken van Klein zijn zeer de moeite waard om te lezen, ook al ben ik het niet met alles eens. Voor Klein geldt wat vaker bij milieu- en klimaatgroepen geldt, dat de abstracties mooi zijn, maar dat onaangename feiten en tegenstellingen, die bij de uitvoering naar voren komen, ontweken worden. De manifesten moeten glanzen en niet modderig worden. Klein heeft met het LEAP-manifest moeite gedaan om een nieuw wereldbeeld te schetsen, maar dat heeft hetzelfde probleem. Zie https://leapmanifesto.org/en/the-leap-manifesto/ In een activistisch manifest is dat tot op zekere hoogte onvermijdelijk.
In wat ik er van vind, volg ik de nummering. Met de nummers die ik niet noem, ben ik het zonder toevoeging eens.
Ad 3. Eens, met dien verstande dat grootschalig georganiseerd individueel handelen niet de oplossing is, maar wel een actievorm kan zijn (boycot)
Ad 4. Dit ligt gecompliceerder. Klein hinkt in deze stelling op een paar benen tegelijk. Dat ‘extractivistische activiteiten’ als regel door grote bedrijven plaatsvinden is juist. Daaruit volgt niet automatisch dat die activiteiten niet moeten plaatsvinden. Dat wordt inhoudelijk door de aard van die activiteiten bepaald. — Ik kan Kleins stelling volgen waar het om kolen, olie en gas gaat, omdat die vanaf nu voor het overgrote deel in de grond moeten blijven zitten – in elk geval geen nieuwe projecten meer. — Ik kan Kleins stelling niet in zijn algemeenheid volgen waar het om de mijnbouw naar andere stoffen gaat. Voor windturbinemasten is staal nodig, voor de magneten neodymium en samarium, voor doping in zonnepanelen indium en gallium, voor accu’s lithium, etc etc. Mogelijk wordt er straks naar thorium gegraven. En ook voor goud (Klein fulmineert tegen een Griekse goudmijn) zijn zinvolle toepassingen, naast sieraden bijvoorbeeld in elektronica en ruimtevaart. De materialenschaarste schreeuwt om een goede reduce-reuse-recycle aanpak, maar bij sterk groeiende activiteiten is die per definitie onvoldoende, als deze aanpak nu sowieso al bestaat. Die aanpak te ontwikkelen is een belangrijk deel van het verhaal, waar Klein niet over spreekt. Klein heeft ongetwijfeld gelijk dat het merendeel van de mijnbouwactiviteiten uitgevoerd wordt door grote, particuliere ondernemingen – waarbij dat ze groot zijn en dat ze particulier zijn twee verschillende dingen zijn. Ik ben niet a priori tegen groot, maar in principe wel tegen particulier, hoewel ook dat niet alles zegt. Chinese (semi)staatsmijnbouwbedrijven zijn ook niet alles. De grootste milieuproblemen ontstaan als een machtige mijnbouwonderneming de tegenstander is van een zwakke staat. Het geeft geen pas om deze grote problemen weg te definieren door het er gewoon niet over te hebben, zoals Klein doet. Geen serieuze politieke kracht kan hier omheen manoevreren.
Ad 5. Er is een continuüm tussen twee extremen. Het ene extreem is dat je alleen maar het kapitalisme hoeft af te schaffen en klaar is kees, de wereld is automatisch gered, en je hoeft niet over technische en financiële maatregelen te praten. Het andere extreem is dat de wereld met alleen technische en financiële maatregelen gered kan worden, en dat het kapitalisme ongewijzigd kan voortbestaan in een groen jasje. Klein zit tussen beide extremen in. Ze erkent expliciet dat ‘gewone’ maatregelen die het klimaat helpen en kapitalisme-neutraal zijn zin kunnen hebben, maar zit verder dicht op het eerste extreem. Ik zit zelf ook tussen beide extremen in, maar wat verder van het eerste af. Ik ben sceptisch geworden over grote woorden en ik wil graag over maatregelen nadenken. We kunnen niet wachten tot het kapitalisme eindelijk afgeschaft is, want dan zijn we te laat — Een kenmerkend voorbeeld is dat van emissiehandelssystemen. Klein moet daar niets van hebben en ik sta daar genuanceerder in. In 2014, toen Klein haar eerste boek schreef, en ook nog in 2019 waren de bestaande handelssystemen (het mondiale van Kyoto en het Europese ETS) beide inderdaad knudde. Kyoto is nog steeds knudde, maar het ETS begint nu sinds kort te functioneren omdat de Europese Commissie het drastisch aangescherpt heeft. Emissiehandelssystemen kunnen een goed instrument zijn in handen van de juiste overheid. Overigens zijn emissiehandelssystemen een kapitalisme-neutrale financiële techniek. China is er ook mee bezig. Zie ook CO2 -prijs onder het EU ETS schiet door de €50 per ton (update 6 juli) .
Verloop van de ETS-prijs t/m aug 2020. Inmiddels staat de prijs dd nov 2021 op €60/ton.
Ad 6. Er bestaan verschillende vormen van geo-engineering, onder te verdelen in vormen die wel en die geen CO2 uit de lucht halen. In het laatste geval worden de CO2 – symptomen bestreden en niet de CO2 zelf. Klein beperkt zich tot twee vormen van geo-engineering, namelijk witte sulfaatkristalletjes in de stratosfeer brengen en oceanen bemesten met algen. — Sulfaatkristalletjes (als grootschalig toegepast, zou de hemel witter worden) kaatsen zonlicht terug maar doen niets tegen de oorzaak CO2 . Sommige grote vulkaanuitbarstingen (Tambora 1815, Krakatau 1883, Pinatubo 1991) hebben dit experiment op natuurlijke wijze uitgevoerd en het resultaat is dat er een verkoeling op volgt die een paar jaar duurt en dan weg is. Je blijft dus aan het strooien. In die paar jaar (waargenomen bij de Tambora) kunnen de mondiale gevolgen drastisch zijn. Contrails van straalvliegtuigen zijn in feite een vorm van geo-engineering in deze categorie. Deze techniek verdient inderdaad de grootst mogelijke voorzichtigheid. — Daken en wegen wit schilderen helpt ook een beetje en dat hoef je niet elk jaar te doen. Ik zie hier geen probleem. — Met ijzer (dat is soms een kritisch element) de oceaan bemesten om algenbloei te bevorderen geeft nog onbekende effecten. Het natuurlijke experiment is Saharazand dat bij zandstormen ver de oceaan in waait en bemestend werkt. Ik heb hierover op dit moment geen mening. — Een andere techniek om CO2 uit de lucht halen is fijnverdeeld olivijn of basalt in waterig milieu te brengen. Dat is het versneld uitvoeren van een natuurlijk erosieproces. Ik zie geen wezenlijk probleem als het materiaal zuiver genoeg is, maar je blijft ook hier alsmaar bezig met nieuw olivijn te malen en uit te strooien. Vraag is hoe het verweerde olivijn zich op de lange duur houdt. Zie Zeven km3 olivijn om de aarde te redden? — Het IPCC promoot sterk wat BECCS heet ( Bioenergy with carbon capture and storage ): haal CO2 uit de lucht met biomassa, gebruik die biomassa energetisch, vang de CO2 op en stop het onder de grond. Dat kan overigens ook door directe vangst van CO2 uit de lucht of de schoorsteen. — Ik heb geen algemeen afwijzend standpunt over geo-engineering. De verschillende vormen verdienen hun eigen beoordeling.
Ad 9. en 10. Ik ben het hier een eind mee eens, maar ik ben er nog niet precies uit welk eind. Klein trouwens ook niet, want die presenteert geen ander politiek-economisch model dan een progressief demokratisch-socialisme Ik ben zelf geneigd tot zoiets als een gemengd model met essentiële zaken bij de overheid en kleinere zaken gedecentraliseerd (bijvoorbeeld op licentiebasis). Maar ik weet te weinig van politieke economie om een antwoord te kunnen geven.
Ad 11. Wat Klein in feite wil, is decentrale actiebewegingen van onderop bundelen om centraal zaken tot stand te brengen. In de context van de VS in 2019 is dat de Green New Deal van Ocasio-Cortez en Markey via de Demokraten. Zie Wat staat er in de VS-Green New Deal? Hoe toepasselijk is die voor Nederland en Europa? . In hoeverre die Demokraten ook actief zijn op grassroots-niveau in de actiebewegingen, vermeldt Klein niet. Globaliter deel ik de mening van Klein, maar ik ben centralistischer. Ik wil niet alleen van onderop werken, maar ook op partijniveau en ten behoeve van besluitvormende organen. Ik vind het teveel gevraagd van grassrootsbewegingen dat ze, allemaal voor zich en steeds opnieuw, bruikbare systeemkritiek ontwikkelen en dat die ook nog eens belangen afwegen buiten hun eigen beperkte territorium. — Ik vind in een land als Nederland, met een kwalitatief uitstekend elektriciteitsnet dat kwantitatief uitpuilt, decentralisatie van de opwekking van elektrische energie eerder een noodzakelijk kwaad dan een ideaalbeeld. Het is een gegeven dat er veel gedecentraliseerde kleinschalige opwekking is die ingepast moet worden, maar de echte grote getallen komen nog steeds uit grootschalige voorzieningen. Het elektriciteitsnet liefst Europabreed en dat is al heel sterk het geval. Kleinschaligheid berust te vaak op romantiek.
Ad 13. Hier ligt een groot spanningsveld. Klein gaat ervan uit dat de mening van omwonenden altijd haar kant op werkt, omdat ze alleen maar strijdsituaties opzoekt die bij haar passen. Maar ik ken ook heel wat anti-windturbine en -zonneparkprotesten waar de opvattingen van de omwonenden tegen het klimaat werken. In een dichtbevolkt land als Nederland ligt dat toch iets anders als in de VS. En er is ook nog zoiets als het algemeen belang. We hebben een klimaatakkoord en daar staan getallen in (49% minder CO2 in 2030), en we hebben de Regionale Energie Strategieën waar eveneens streefgetallen in staan aan wind- en zonne-energie. En elke gemeente heeft klimaatneutraalambities met bijbehorend jaartal. Voor mij staat voorop dat die getallen gehaald worden, en staat dus de autonomie van omwonenden niet bij voorbaat voorop. De taak van de politiek is om grote en de kleine schaal zo goed mogelijk in harmonie te brengen met instrumenten als inhoudelijke en financiële participatie, maar uiteindelijk staat het collectieve eindresultaat voorop. Als er geen draagvlak is, moet dat bij voorkeur gemaakt worden. Klimaatstrijd in Nederland gaat letterlijk over pompen of verzuipen.
Ad 14. Er bestaat ook in Nederland risico, bijvoorbeeld doordat beheerders van natuurgebieden van donaties afhankelijk zijn. Verder wil ik hier niet wat over zeggen.
Ad 16. Eens. De Green New Deal van de Europese Commissie (Timmermans) heeft in elk geval goede ambities. Het is een enorm boekwerk dat ik nog niet gelezen heb. In hoeverre alles goed uitgewerkt is (bijvoorbeeld de sociale paragraaf ), en in hoeverre de Europese Green New Deal binnen de kaders van het kapitalisme kan en wil blijven, kan ik nu dus nog niet zeggen. Laat ik me beperken tot het vooralsnog uitspreken van een positieve grondhouding en afwachten hoe de praktijk uitpakt. De Green New Deal van Ocasio-Cortez en Markey blijft overigens ook binnen de grenzen van het kapitalisme.
Ad 17. Zie 11.
Ad 19. Voor Nederland klopt dit. Het geldt bijvoorbeeld voor de PvdA en de SP. Zie verderop.
Prominent op de foto Bill McKibben
In de Nederlandse politieke context Er bestaat in Nederland nu geen politieke partij die zich met recht ecosocialistisch kan noemen. Ze zijn of eco- (Groen Links en de Partij voor de Dieren) of democratisch-socialistisch (zoals de SP en de PvdA), maar niet beide tegelijk. Geen van de partijen ontplooit in praktijk een uitgewerkte antikapitalistische theorie die past bij de moderne tijd, al heeft de SP (mijn partij) intenties in die richting, en schuift het milieu- en klimaatbewustzijn in de SP de laatste tijd een beetje de goede kant op.
Ik ga nu verder niet de andere partijen de maat nemen. Ik heb er geen vijandige gevoelens bij en kan er in klimaat- en milieuzaken in Eindhoven en omgeving goed mee samenwerken.
De SP zou zich met een goede ecosocialistische aanpak uitstekend kunnen profileren op een manier, die een bredere en jongere doelgroep aanspreekt dan nu het geval is. De bestaande praktijk hoeft er niet voor te wijken. Integendeel, als men duidelijk vaststelt dat de mogelijkheden van de aarde eindig zijn, wordt het verdelingsvraagstuk des te scherper. Een uiterst onrechtvaardige verdeling is bij een eindige voorraad nog acuter dan bij een voorraad met een diffuse omvang. Om het klimaat te redden, moet extreme rijkdom worden afgeschaft.
Een ecosocialistische aanpak berust op een ruimer pakket aan mogelijkheden. Je kunt makkelijker switchen en combineren, zoals Klein doet – dat is een van de sterke punten in haar betoog. En je krijgt een betere aansluiting op het bonte palet aan actiegroepen op dit gebied.
Milieustrijd (en daar moet tegenwoordig klimaatstrijd aan toegevoegd worden) heeft zelfs van lang geleden een traditie in de SP, nog uit de tijd van Poppe. Helaas is die traditie vele jaren verwaarloosd, met als gevolg dat die strijd bij actiegroepen als bijvoorbeeld Milieudefensie terecht gekomen is (waar ik ook actief in ben), of in de anti vlieg-actiegroepen, of in vele andere. In die actiegroepen denken nog maar weinig mensen als eerste reflex aan de SP als de politiek in de arm genomen moet worden. Voor de SP valt hier een wereld te winnen.
Er loopt nu de discussie over de actualisatie van Heel de Mens. De SP heeft er indertijd voor gekozen om zich te baseren op drie ethische beginselen menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Ik breng nu op diverse plaatsen in de lopende discussie in om hiervan te maken vier ethische beginselen: menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en zorg voor onze eindige planeet. Bij de verruiming van de ethische beginselen hoort een navenante uitbreiding van de actiepraktijk, zowel in eigen beheer als in bestaande actiegroepen.
Ik zou verder de SP adviseren om meer aansluiting te zoeken bij de coöperatieve sector (in casu hernieuwbare energie). In de geschiedenis van het socialisme hebben de coöperaties een rol gespeeld.
Er wordt veel gespeculeerd over of het thuiswerken tijdens Corona een blijvertje is, en zo ja, wat daarvan de te verwachten gevolgen zijn voor de woningmarkt, de kantorenmarkt en de mobiliteit. Het PBL (PlanBureau voor de Leefomgeving) heeft (uit eigen beweging) geprobeerd om dat te kwantificeren. Zie https://www.pbl.nl/publicaties/thuiswerken-en-de-gevolgen-voor-wonen-werken-en-mobiliteit .
Ik heb op deze locatie vooral interesse in het mobiliteitsaspect, omdat dat een relatie heeft met milieu en klimaat. De effecten op woning- en kantorenmarkt blijken er overigens niet te zijn, althans niet binnen de beperkingen van dit onderzoek. Omdat inmiddels de 29000ste bezoeker aan de home page van deze site gepasseerd is, af en toe een persoonlijke zijsprong.
De methode Het voorspellen van de toekomst is altijd lastig, vooral vooraf. Het PBL heeft naar vermogen geprobeerd er wat van te maken met een omvangrijke literatuurlijst van mede-toekomst voorspellers, bestaande statistiek van o.a. KIM en CBS, en diepte-interviews met 35 thuiswerkers uit focusgroepen. Maar ik blijf enige scepsis houden over voorspellingen, mede omdat de uitkomst van nog te ontwikkelen handelen van overheden en werkgevers afhangt.
De studie bevat hier en daar slordigheden (volgens mij zijn de koppen bij tabel 8.3 fout en is fig. 8.5 onvolledig afgedrukt). Verder hanteert ook deze studie de ergerlijke gewoonte om van alles te bewijzen met alleen maar procenten/procentpunten, waarbij halverwege de rekenbasis verspringt. Je kunt het zelfs niet in de bijlage opzoeken. Dat soort praktijken dienen eigenlijk verboden te worden.
Dat neemt niet weg dat ik inschat dat het verhaal basaal klopt.
Hoewel mijn focus niet op de sociologie is, maar op de uitwerking op de mobiliteit, wil ik toch de lezer dezes wat sappige details niet onthouden die de droge PBL-tekst verlevendigen. Zoals van die mevrouw die alleen maar kon thuiswerken als vriendlief de papegaai mee naar boven nam, maar vriendlief was er helaas niet altijd. Waarbij vaak de hond een belangrijk begunstigde van het thuiswerken was. Of het echtpaar dat geen goed collegapaar was: “Hij vond dat ik te hard praatte, dat ik te veel op het toetsenbord sloeg, ik vond dat hij smakte, dus wij werken niet op dezelfde verdieping en wij zien elkaar overdag ook niet.”.
Heel erg grosso modo stellen de meeste thuiswerkers een mix op prijs “Er gebeuren toch wel goede dingen bij het koffiezetapparaat. Alleen zou ik dan bijvoorbeeld vier dagen willen werken en één dag thuis om toch die productieve dag te hebben, dus eigenlijk weer precies geflipt. Ja, omdat ik ook gewoon veel met studenten werk, mensenwerk doe. Dus contact is gewoon heel belangrijk. Voor het werk zelf vind ik het vaak niet nodig om naar het werk te gaan: de computer die ik hier heb staan is dezelfde als die op kantoor”.
De omvang van het thuiswerken Het eerste wat opvalt is dat, anders dan wellicht gedacht, het thuiswerken tijdens Corona niet sterk toegenomen is en vóór Corona ook al een beetje toenam. In 2013 werkte 6% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 31% soms en 63% nooit. In het vierde kwartaal van 2019 (net voor Corona) werkte 6% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 35% soms en 59% nooit. In het vierde kwartaal van 2020 werkte 17% van de werkzame beroepsbevolking altijd thuis, 29% soms en 54% nooit. Met andere woorden, de belangrijkste verschuiving is binnen de groep die al thuiswerkt, en wel van soms naar altijd.
Van de ‘nooit-groep’ (het gele gebied boven) heeft een deel een beroep dat zich, in elk geval op papier, zou lenen voor thuiswerken. Hoe groot die groep is, valt door het gehannes met procenten en procentpunten niet te achterhalen. Na enig gepuzzel kom ik op ca 20 a 25% van de hele werkzame beroepsbevolking. Je zou zeggen dat er nog enige reserve is.
(een verplaatsing is een ‘enkeltje’. Een gemiddeld aantal verplaatsingen kan 1,0 zijn vanwege part time-werk en thuiswerk. De tabel vergelijkt het 4de kwartaal van 2019 met dat van 2020. Een ‘levensgebeurtenis is bijvoorbeeld een sterfgeval of een nieuw kind).
Wat heeft dat voor gevolgen voor de mobiliteit? Thuiswerken heeft twee voor de hand liggende effecten op het woon-werkverkeer: er vinden minder bewegingen plaats, en spitsmijden wordt makkelijker. Daar staat tegenover dat het aantal verplaatsingen voor andere doelen dan het woon-werk verkeer toe blijkt te nemen, wat de winst bij het woon-werkverkeer deels ongedaan maakt.
Per saldo is het voornaamste effect, aldus het PBL, dat de spits ontlast wordt. Het PBL kwantificeert elke 1% minder autokilometers, op basis van eerdere literatuur, op 3 a 4% minder files – als het meezit, zelfs nog meer.
OP basis van de interviews meent het PBL te weten dat Corona een blijvend effect zou kunnen hebben van 8% minder woon-werkverkeer.
De omslag van kwantiteit in kwaliteit Ik ben in mijn politieke jeugd bij de SP opgevoed met de marxistische filosofie van het dialectisch materialisme. Ik heb daar nooit spijt van gehad. De SP is er mee gestopt, en daar hebben ze nu misschien wel spijt van – dat zou in elk geval zo moeten zijn.
Een van de dialectische wetten is de omslag van de kwantiteit in de kwaliteit. Een grootheid kan een tijd lang gradueel verschuiven tot er een sprongsgewijze verandering optreedt. Het is ook in de natuurwetenschap een bekende gedachte, alleen heet die daar anders (bijvoorbeeld een fase-overgang). Met enige fantasie kun je trouwens filevorming ook wel als een fase-overgang zien.
De gevoeligheid van files voor het aantal autokilometers (die in de PBL-studie wel benoemd wordt) hangt van een onderliggend proces dat in de PBL-studie niet apart benoemd wordt, namelijk de I/C – verhouding van een wegtraject of kruispunt (de intensiteit van het aantal auto’s gedeeld door de maximale capaciteit). Laat de intensiteit van het autoverkeer op een traject toenemen vanaf 0, dan ontstaat er een sprong (in de vorm van het ontstaan van files) bij een I/C verhouding van 0.85. Kort door de bocht, geen files als I/C < 0,85 en wel files als >0,85. Ik ben er mee doodgegooid bij discussies over de Ruit om Eindhoven (waarvan het meest omstreden deel, de weg langs het Wilhelminakanaal, uiteindelijk niet doorging – een grote triomf Ruit-zombies (update dd 8 april 2018) .
Gevolgen voor het handelen van de overheid Het eerste wat de overheid moet doenis het blijvende voordeel van thuiswerken vastleggen, want dat voordeel is niet vanzelfsprekend. Dat werkt vooral via de werkgevers. Thuiswerken als volwaardige vorm van arbeid moet worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door het accepteren van variabele werktijden. Thuiswerkmogelijkheden en thuiswerkvergoedingen worden nu al in sommige CAO’s vastgelegd. Ook kan een ander beleid gehanteerd worden t.a.v. leaseauto’s.
Het voordeel voor de overheid kan zijn dat er minder investeringen in infrastructuur nodig zijn. Nu worden autowegen en treinverbindingen vaak op piekbelasting gedimensioneerd. “De toegenomen flexibiliteit zorgt ervoor dat de piekbelasting van het wegennet en het openbaar vervoer afneemt, waardoor beleidsmakers zich moeten afvragen of geplande uitbreidingen van snelwegen of treinverbindingen wel nodig blijven”, stelt hoofdonderzoeker Edwin Buitelaar.
Het artikel in MIT MIT Technology Review van 19 aug 2021 schrijft over de recycling van zonnepanelen die er dringend moet komen. Immers, die dingen gaan 25 tot 30 jaar mee en er valt dus binnen afzienbare tijd een exponentieel groeiende stroom afgedankte panelen te verwachten.
Exponentiële groei van de massa aan panelen in Europa (in ton = 1000kg)
Mondiaal noemt MIT 8 miljard kg, opgeteld in 2030, en 80 miljard kg, opgeteld in 2050.
In de VS bestaat op federaal niveau geen recycleverplichting. Daarom wordt slechts 10% van de panelen gerecycled – voor wat dat op dit moment waard is. Maar het materiaal, dat in afgedankte zonnepanelen zit, kon in 2050 wel eens $2 miljard per jaar waard zijn- nog afgezien van de taferelen die men soms in de mijnbouw ziet. Op niveau van de afzonderlijke staten begint wel wetgeving te komen, zoals van Wahington State ( ( https://ecology.wa.gov/Waste-Toxics/Reducing-recycling-waste/Solar-panels ). Maar die ziet vooral op het inzamelen, niet op wat er daarna precies gebeurt.
Tweedehands gebruik ligt volgens MIT niet echt voor de hand (althans, in de VS). Als een nieuw paneel $55 kost, kost een tweedehands paneel typisch $22 en de som van de componenten nog minder. Maar omdat de paneelkosten hooguit de helft zijn van de totale kosten van het leggen van zonnepanelen, en omdat de prestatie van zonnepanelen jaarlijks met ca 0,5 tot 2% afneemt, is de vraag of een gebruiker financieel veel wijzer wordt van een na 25 jaar afgedankt paneel.
Wat niet opnieuw gebruikt wordt (nog steeds in de VS), gaat naar de stort of wordt primitief gerecycled, hetgeen betekent dat de aluminium lijst er af gesloopt wordt en de rest met de grote hoop mee vermalen, waarna men voor het gruis nog een paar dollar hoopt te vangen als bouwmateriaal.
Wat zit er in een zonnepaneel? In het overgrote deel van de commercieel verkrijgbare PV-panelen is de actieve stof uiterst zuiver silicium, beheerst verontreinigd met geringe hoeveelheden drie- en vijfwaardige elementen als gallium of fosfor (respectievelijk p- en n-doping). Om de stroom in te zamelen lopen er dunne zilverdraden over de oppervlakte, die die stroom vervolgens afleveren aan koperen bedrading. De zonnecellen zitten in een transparant plastic, over het geheel zit aan de voorkant speciaal glas en aan de achterkant beschermend plastic (bijv. PET).
De ster in opkomst is echter de startup ROSI ( https://www.rosi-solar.com/ ) , die in 2022 een fabriek in Grenoble hoopt te bouwen. Daarover gaat de rest van het MIT-verhaal, maar dat haal ik dan liever bij ROSI zelf. IK geef de beweringen weer zoals ze er staan: ik kan niet controleren in hoeverre ROSI de volledige waarheid spreekt.
ROSI werkt samen met Envie 2E Aquitaine, welk laatste (sociaal) bedrijf de inzameling doet, repareert en kijkt of de panelen nog ergens als zodanig te gebruiken zijn, en die, indien niet, die het voortraject doet (aluminium en glas eraf). ROSI doet het silicium, zilver en koper. De opdrachtgever is SOREN, de publieke non-profit onderneming die in Frankrijk belast is met de inzameling en behandeling van gebruikte zonnepanelen ( https://www.soren.eco/ ). Van 2015 tot 2020 heeft SOREN 15000 ton afgedankte PV-panelen ingenomen.
De website van ROSI legt uit dat het loont om naar de Life Cycle assessment (LCA) van zonnepanelen te kijken. Het prepareren van silicium is een uiterst energievretend proces. Elke MW zonnepaneel brengt voor het siliciumdeel 200 ton CO2 de lucht in. Als die 1MW in Nederland geplaatst zou zijn, en als de jaarproductie daarvan dezelfde hoeveelheid energie uit gas zou vervangen, heb je de energetische investering in dat silicium er in ongeveer een jaar uit. De eenmalige energetische investering is dus geen argument tegen zonnepanelen. Voor een LCA-benadering echter is het wel relevant om naar deze eenmalige investering te kijken.
Zo ook voor de materialen. Gangbare serieuze recycling (bijvoorbeeld Veolia, maar ROSI noemt geen namen) haalt het glas, het aluminium en het koper uit het afval, samen goed voor 35% van de waarde. ROSI wil de rest van de waarde eruit halen (silicium en zilver).
ROSI wil twee afvalstromen bewerken. De eerste heet ‘KERF’ . Bij het in dunne plakken zagen van het PV-grade silicium verdwijnt 40% van dat dure spul als gruis met de zaagspoeling. ROSI wil dat poeder (gewoon dus fijngemalen hoogwaardig silicium) weer in de productie brengen. IN 2019 zou dat ongeveer 200.000 ton afval geweest zijn, goed voor een mondiaal verlies van ca $1,5 miljard. Het tweede betreft de eigenlijke panelen op het einde van hun levensduur. ROSI zegt de lagen in die panelen van elkaar af te kunnen prutsen met mechanische, thermische en chemische methodes (welke chemische methodes niet agressief zouden zijn). ROSI legt niet uit of het n-silicium en p-silicium kan scheiden of zuiveren.
Vanwege de kosten en inspanningen zijn bestaande inzamelingsprocessen vaak niet aantrekkelijk voor eigenaren van gebruikte PV-panelen, zodat zij op zoek gaan naar alternatieven zoals illegale export, wat leidt tot negatieve milieueffecten
Gebruikte modules zijn vaak nog functioneel, maar worden vernietigd door inadequate behandeling en kunnen niet worden hergebruikt.
Modules zijn moeilijk te recyclen en de recycling van modules leidt vaak tot verlies van waardevolle materialen en downcycling, hoewel er betere technische mogelijkheden kunnen worden ontwikkeld.
Marktwerking Het financiële succes van ondernemingen als ROSI hangt van de grondstofprijzen af. Een hoge zilverprijs is voor ROSI veel winstgevender als een lage. Grondstoffenprijzen wisselen nog al eens.
Als je vindt dat silicium essentieel is, zoals EU-president Von der Leyen zegt, en als je daarmee ook vindt dat een essentiële onderneming niet mag falen, moeten die niet op marktgerichte basis worden opgezet. Dan moet men ze tot Nutsbedrijf (of tot iets wat daarmee in praktijk gelijk te stellen is) verklaren en op basis van bijvoorbeeld een heffingssysteem laten werken.
En essentieel is de sector. Zonder circulariteit op termijn geen energietransitie.
Update dd 22 maart 2022
Het, nu nog Eindhovense en binnenkort Weertse, bedrijf Solarge binnenkort zegt volledig recyclebare PV-modules te kunnen maken. Het bedrijf is te vinden op https://solarge.com/ . In het Eindhovens Dagblad van 23 maart 2022 staat er een bijna paginagroot artikel over, wat iets teveel eer is. Bij nadere analyse van het Witboek blijkt dat het bedrijf zijn modules klikbaar maakt, en dat het de glas- en alumimiumcomponent vervangt door omsmeltbare kunststof van Sabic. Deze kunststof veroorzaakt een veel lagere footprint dan het aluminium en glas, die bij hoge T-processen gemaakt moeten worden. Wat dus veranderd is de verpakking van de PV-elementen.
De eigenlijke PV-paneeltjes zelf blijven onveranderd. Voor de recycling daarvan, end of life, verwijst Solarge naar ROSI.
DD maart 2022 heb ik nog geen test gezien.
Voor het Witboek resp. het Eindhovens Dagblad – artikel, zie
Het Brabantse journalistencollectief Spot on Stories heeft voor de Omroep Brabant in beeld gebracht hoe steeds meer huizen in Brabant verzakken door ernstige structurele verdroging van de bodem. Het gevolg daarvan: grote scheuren in muren, kozijnen en vloeren. Experts waarschuwen dat ontwatering door landbouw en drinkwaterbedrijven de problemen verergert. De droogte tast dus niet alleen de landbouw en de natuur aan, maar ook sommige funderingen.
Voor funderingsperikelen hebben we in Nederland het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF). Vroeger was Brabant daar niet zo in beeld, aldus directeur Dick de Jong, maar sinds de droge zomer van 2018 zit er ook veel uit Gelderland en Brabant bij.
Een andere geïnterviewde onderzoeker, Roelof Stuurman, bodemonderzoeker bij Deltares, stelt dat het hem verbaast dat de bodemdaling nog altijd niet of nauwelijks op de politieke agenda in Brabant staat (wat overigens sinds de uitzending niet meer zo is). “Er zijn meer dan genoeg plekken in Brabant waar je zou verwachten dat huizen verzakken.” . Hij legt uit “Je hebt gemeenten die op de overgang van poldergebied naar zandgebied liggen. Daar overheerst veen en is het kleiig. Die ondergrond kan gaan bewegen bij ernstige droogte. Veel huizen daar van voor 1970 houten of ondiepe funderingen” aldus nog steeds Stuurman. En “Als een houten fundering droogvalt, gaan schimmels de palen aantasten”, zegt Dick de Jong van het KCAF. “Dat was tot voor kort nooit een probleem, maar door de extreem droge jaren komen veel van die funderingen plots droog te staan.
En dat kan behoorlijk vervelend zijn. De Omroep Brabant geeft vier gedupeerden gesproken, die anoniem willen blijven omdat ze bang zijn dat hun huis onverkoopbaar wordt. “
Op het genoemde websiteartikel van de Omroep Brabant staat een interactieve kaart, die hier niet te reproduceren is. Onderstaande afbeeldingen zijn een uitsnede voor Helmond en Venray.
Wie op postcodeniveau wil kijken kan dat doen op de funderingsviewer van de KCAF. Zie www.kcaf.nl/funderingsviewer/ . Hieronder bijvoorbeeld de Funderingsviewer van Noord-Breda.
Funderingsviewer van Noord-Breda
Op deze site is eerder aandacht aan de bodemdaling in Nederland besteed, zie Heel Holland zakt .
Dit is een verhaal dat een aantal kanten op uitwaaiert omdat het over een gelaagde werkelijkheid gaat. Het verhaal is gebaseerd op de MIT Technology Review van 04 december 2020 .
Natural Language Processing (NLP) Techondernemingen willen graag dat hun software zo goed mogelijk natuurlijke taal begrijpt en uitingen kan doen die daar zo dicht mogelijk in de buurt komen. Dat doen ze met Artificial Intelligence (AI) die draait op computers met een neurale netwerk-structuur.
Als je een neurale netwerk-computer wilt leren om kattenplaatjes te herkennen, voer je heel veel foto’s van katten toe en iedere kaar vertel je tegen de computer achteraf of dit wel of geen kat was. Dat heet trainen. In de krochten van het namaakbrein gebeurt iets in de sfeer van groeiende en krimpende verbindingen (wat precies, weet niemand) en na voldoende training weet de computer voortaan met grote precisie bij een nieuw plaatje of het wel of geen kat is. Dat werkt mogelijk ook voor uitstrijkjes en het vouwen van eiwitten en andere goede doelen, en soms zijn die programma’s heel goed.
Natuurlijke taal is heel wat ingewikkelder als een kattenplaatje of een uitstrijkje. Het vraagt hele zware computers, heel veel tijd en heel veel tekst en heel veel deskundigheid. Waaronder ethische deskundigheid, want namaaktaal is riskante business.
Grote NLP-modellen vreten stroom In een artikel dd 5 juni 2019 hebben de Amherst-onderzoekers Emma Strubell, Ananya Ganesh en Andrew McCallum uitgerekend wat een trainingssessie energetisch betekende ( zie Energy and Policy Considerations for Deep Learning in NLP, https://arxiv.org/abs/1906.02243 ).Dat bleek interessant. Onderzocht werden Transformer, ELMo, BERT en GPT-2. ELMo is een soort basisprogramma dat de betekenis van woorden in hun context kan coderen (https://allennlp.org/elmo ) . Het is Open Source. Transformer is door Google ontwikkeld en BERT is daar de zoon van. BERT is het programma dat Google gebruikt om menselijke vragen op zijn zoekmachine te snappen (https://blog.google/products/search/search-language-understanding-bert/ ). Het is hun cash cow. GPT-2 is Open AI . Neural Architecture Search (NAS) is een techniek om het ontwerp van neurale netwerk-computers te automatiseren (https://en.wikipedia.org/wiki/Neural_architecture_search ).
Dat veel namen uit Sesam straat lijken te komen, was in het begin toeval en daarna traditie als de ene wetenschapper voortbouwde op de andere.
Men liet de programma’s een dag draaien op één GPU (een Graphics Processing Unit, een goed uitlegartikel op https://towardsdatascience.com/what-is-a-gpu-and-do-you-need-one-in-deep-learning-718b9597aa0d ) om het gevraagde vermogen te meten, en berekenden daarna, op basis van het aantal uren dat het model voor een taak specificeerde, wat één volledige trainingssessie aan stroom kostte.
Een trainingssessie t.b.v. Google’s BERT kostte 1507kWh . Dat is nog te overzien: het is het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van ongeveer een half Nederlands huishouden of zowat een vliegretourtje New York – San Francisco. Wordt het ingewikkelder (meer parameters en en de NAS-procedure erbij) dan ontploft het energieverbruik dramatisch naar bijvoorbeeld ruim 656000 kWh: het jaarlijkse stroomverbruik van 220 Nederlandse huizen (en dat voor één trainingssessie). Bij de in de VS gebruikelijke stroommix is dat 626155 lb CO2 (dat is 284 ton).
Het wordt sappig in kaart gebracht met bovenstaand diagram: een gemiddelde Amerikaanse auto produceert over zijn levensduur (Brandstof en fabricage samen) ongeveer 126000 lbs CO2 . Een opgepompte trainingssessie is goed voor vijf Amerikaanse auto’s, genomen over hun gehele levensduur. Enz. Bovenstaand is een ondergrens omdat modellen vaker dan één keer getraind worden, en uiteraard omdat er straks een heleboel bezitters van zo’n model zijn.
Timnit Gebru Hier komt Timnit Gebru in beeld.
De ouders van Timnit Gebru komen uit Eritrea, zijn naar Ethiopië gevlucht waarna Timnit Gebru geboren en opgegroeid is in Addis Abeba. Uiteindelijk is het gezin in de VS aangekomen, waar Timnit Gebru afgestudeerd is aan Stanford in de elektrotechniek. ( https://en.wikipedia.org/wiki/Timnit_Gebru ). Ze heeft zich als wetenschapper ontwikkeld tot een mondiaal toonaangevende authoriteit op het gebied van Data mining en de ‘Bias’ (zoiets als ingebakken vooroordelen en verborgen selectiekeuzes) daarvan . Het is de basis voor “AI Ethics”. Van haar is bijvoorbeeld de observatie dat als je met Google Street View in een woonwijk meer pickup trucks zag dan sedans, die wijk met grote waarschijnlijkheid Republikeins stemde. En ook de observatie dat het gezichtsherkenningssysteem van Amazon meer moeite had met gezichten van donkere vrouwen dan elk ander gezichtsherkenningssysteem. Ze meent dat op dit moment gezichtsherkenning een te gevaarlijke techniek is om voor juridische en veiligheidsdoelen te gebruiken.
Maatschappelijk heeft ze haar afkomst niet verloochend. Ze is altijd voor diversiteit blijven strijden en bijvoorbeeld het Black in AI – platform opgericht.
Het dienstverband bij Google ging lang goed. Ze werd er zoiets als hoofd Ethische Zaken. Bij Google werkt een van de meest diverse AI-teams ter wereld. Timnit Gebru heeft meegewerkt aan tientallen papers en ze werd er de beroemdheid zie ze nu is.
Timnit Gebru By TechCrunch – https://www.flickr.com/photos/techcrunch/30671211838/, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=97266712
Maar toen ging het fout. De details van het arbeidsconflict zijn (althans dd 4 dec 2020) niet bekend omdat beide partijen er (tot dan) over zwegen. Desalniettemin resoneerde het ontslag (al dan niet vrijwillig) over de hele wereld. Ruim 1400 mensen binnen Google en ruim 1900 erbuiten tekenden een protestbrief.
De nadelen van grootschalige Natural Language Processing Wel duidelijk is dat het om een nog niet officieel gepubliceerd paper ging met de fraaie naam “On the Dangers of Stochastic Parrots: Can Language Models Be Too Big?” en het benoemde vier wezenlijke nadelen van de grote NLP-programma’s waar Google aan werkt. Dat bleek uit de eerder genoemde MIT Technology Review van 4 december. De redactie heeft het paper niet gepubliceerd, omdat het een nog eerste versie was, en omdat vier medeauteurs, die nog bij Google werken, hun naam liever niet bekend zagen. Een vijfde auteur, Emily Bender, heeft een vaste aanstelling aan de Universiteit van Washington en had niet wat te vrezen bij het geven van inzage in de tekst (een voordeel van academische vrijheid). Zodoende kon er een samenvatting naar buiten gebracht worden.
Grote modellen kosten vreselijk veel energie en geld. Dat is oneerlijk. Grote rijke instellingen kunnen NLP betalen, maar de klimaateffecten worden vooral gedragen door arme gemeenschappen.
Grote modellen vreten voor hun training onbeheersbaar veel data, zijnde teksten. Researchers voeren de datahonger vanuit het Internet en het is daarom niet uit te sluiten dat er ook een hoop rascistische en sexistische taal naar binnen gulpt. Landen en gemeenschappen die minder toegang hebben tot Internet blijven ondervertegenwoordigd, evenals bewegingen als Black Lives Matter en MeToo, die op subtiele wijze een eigen woordgebruik hebben op gebouwd. Een mooi stukje sociolinguïstiek in de praktijk.
De meeste AI-onderzoekers erkennen dat grote NLP-modellen taal niet echt begrijpen, maar vooral manipuleren (en dat doen ze heel goed). Dat gaat geld opbrengen en daarom investeert de Big Tech erin. Het kritische paper kwam even niet zo goed uit. Men zou ook kunnen investeren in AI die taal begrijpt, minder energie verbruikt en met kleinere datasets werkt die beter voor te bewerken zijn voor ze naar binnen geslurpt worden. Het niet-gepubliceerde paper bevat volgens Bender aanzetten in die richting.
De geproduceerde taal is goed genoeg om betrouwbaar te lijken, maar niet om het werkelijk te zijn. Een vertaalnetwerk van Facebook vertaalde in 2017 het Arabische ‘Goede morgen’ van een Palestijn in ‘Val ze aan’ in het Hebreeuws en dat resulteerde in zijn arrestatie.
Het menselijke zenuwstelsel Anderhalf pond levend weefsel levert spelenderwijs goed taalgebruik en verbruikt ca 200kWh per jaar.
(Dit is een fantasie-eiwit in de vorm van de menselijke hersenen)
In dit artikel een excursie in een gebied waarover ik normaliter niet schrijf, namelijk biochemie in relatie met medische zaken. Ik weet daar te weinig van.
Elk eiwit is een heel lang kralensnoer. De kralen zijn aminozuren en daar zijn er twintig verschillende van, die alle leven op aarde dragen. Elke combinatie in elke volgorde is denkbaar en een kralensnoer kan van enkele tot enkele duizenden kralen lang zijn. Zodoende zijn er miljarden verschillende eiwitten – in het menselijk lichaam alleen zo’n 20.000. Van het bindweefseleiwit collageen tot insuline tot keratine in je huid en haren tot insuline. En tot het spike-eiwit van het Coronavirus.
Het eenvoudigste aminozuur is glycine (links en midden). Alle 19 andere aminozuren zijn variaties op dit thema door toevoeging van extra atoomgroepen. Rechts bijvoorbeeld cysteïne dat een extra zwavelgroep heeft en o.a. in je haren zit. Aminozuren koppelen (‘rijgen’) op vaste wijze doordat de rechterkant van het ene molecuul (rood) bindt met de linkerkant van het andere molecuul (blauw). De zwarte assen zijn draaibaar om hun hartlijn. Sommige nevengroepen, zoals de zwavelgroep, kunnen ook ‘zijwaarts’ koppelen. (Om in de kralensnoer-beeldspraak te blijven: het is of sommige kralen magnetisch zijn). Daardoor gaat het snoer spontaan kronkelen tot de laagste energietoestand bereikt is.
Als een gewoon kralensnoer in elkaar gefrommeld is, is dat vervelend. Maar het leven op aarde vereist dat het aminozuur-kralensnoer in elkaar gefrommeld is. Als het spike-eiwit van Corona gewoon een rechte lijn van aminozuren zou zijn, deed het niks. Maar opgefrommeld tot de voor dat eiwit gunstigste vorm heeft het een ruimtelijke structuur die past op een receptor op een longcel, die toevallig een complementaire ruimtelijke structuur heeft. Cysteinehoudende aminozuren pakken elkaar vast met hun zwavelatomen en vormen zo de vezels waaruit je haren bestaan.
Insuline
De aminozuurvolgorde bepalen van een eiwit kan men tegenwoordig min of meer routinematig. Er verschijnen er mondiaal honderden per jaar. Vervolgens moet van die volgordes de ruimtelijke structuur bepaald worden, en dat is hogeschoolwerk.
Het kan experimenteel met bepaalde laboratoriumtechnieken, maar dat kan tonnen en jaren per eiwit kosten. Het kan ook op de computer, en wel volgens twee strategieën: een klassieke algoritmische en een AI-methode met neurale netwerken. De klassieke algorithmische is van Mohammed Al Quraishi van Columbia University (de wetenschap is veelkleurig). Die werkt snel (supercomputer, orde van grootte van seconden), maar minder precies. Soms is dat goed genoeg of is dat vanwege de snelheid beter. De AI-methode is waar nu de spectaculaire vernieuwing zit. Die werkt trager (enkele dagen computertijd), maar is onwaarschijnlijk precies. De onzekerheid in de positie is bij tweederde van de doorgerekende en gecontroleerde eiwitten orde van grootte van 0,16nanometer, orde van grootte van de diameter van een atoom. Preciezer dan dat haalt ook het lab niet, ook al omdat door de warmtebeweging de atomen nooit helemaal stil liggen.
Het AI-programma heet AlphaFold en maakt deel uit van een familie, waarvan een ander lid de wereldkampioen GO versloeg. De familie is ontwikkeld door de van oorsprong Britse onderneming DeepMind ( https://en.wikipedia.org/wiki/DeepMind ), die nu eigendom is van Google’s moederholdiong Alphabet. Dat roept veel politieke en ethische vragen op. Een nadere beschrijving van AlphaFold is te vinden op https://en.wikipedia.org/wiki/AlphaFold .
AI-programma’s worden getraind met heel veel, reeds bekende, voorbeelden. AlphaFold heeft er 170.000 toegevoerd gekregen (eiwitten waarvan de volgorde en de structuur dus al eerder bepaald waren). Dat duurde een paar weken. Vervolgens gebeurt er iets geheimzinnigs in de neurale netwerken wat vooralsnog niemand kan navertellen (AI heeft een replicatieprobleem) , en dan rolt er een oplossing uit die vaak net zo goed is als de beste laboratoriumbepalingen. Researchers zouden erg graag willen weten hoe dat geheimzinnige proces precies verloopt ‘Dan gaan er duizend bloemen bloeien’ aldus Baker, een bekend onderzoeker op dit gebied.
Van de ongeveer 20.000 menselijke eiwitten is van ongeveer 5000 de ruimtelijke structuur bekend. Die andere 15.000 zijn in principe allemaal potentiële doelwitten voor medicijnen.
DeepMind wil zich gaan toeleggen op de parasitaire ziektes leishmaniasis, malaria en slaapziekte. Daar slingeren nog een heleboel onontdekte eiwitstructuren rond.
Malariaparasiet SVG-version of Image:Esculaap3.png by Evanherk, GFDL, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3730168
De Brabantse Milieu Federatie (BMF), Staatsbosbeheer, Brabants Landschap en Natuurmonumenten hebben samen een onderzoek laten doen wat er moet gebeuren met het grondwater om de natuur goed te houden. Ik heb het persbericht over het onderzoek, met een link er naar toe, hieronder afgedrukt.
Om een gevoel te krijgen voor de orde van grootte van de Brabantse waterbalans (in miljoen m3 per jaar, gemiddeld van 2009 t/m 2016): De neerslag minus de verdamping minus wat er uiteindelijk door drainage wegstroomt bedraagt 197. Wat er van opzij binnenstroomt (onderaardse grondwaterstroming) bedraagt 60. Elk jaar wordt het Brabantse grondwater dus aangevuld met 257 .
Jaarlijks wordt er aan het Brabantse grondwater onttrokken 183 door Brabant Water 14 door Evides 23 door de industrie 48 door beregening door de landbouw Samen is dat 268
Verdroging van het Witven op de Langschotse Heide. Wim Hoogveld heeft deze foto ingestuurd in het kader van de fotochallenge ‘Geef #verdroging een gezicht’ van de Brabantse Milieufederatie.
Voor het eerst in Nederland is onderzocht hoeveel grondwater de natuur nodig heeft. Uit vandaag gepubliceerd onderzoek van Brabants Landschap, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Brabantse Milieufederatie, uitgevoerd door Deltares, blijkt dat de natuur in Brabant alleen al jaarlijks 60 miljoen kuub grondwater nodig heeft om te overleven. Deze uitkomsten zijn belangrijk in het gesprek over de aanpak van droogte en verdroging van de natuur.
Om het grondwater evenwichtig te kunnen verdelen is het belangrijk om een volledig beeld te krijgen van de behoefte aan grondwater van alle partijen. Voor drinkwaterbedrijven, industrie en landbouw was dat al eerder bekend, het onderzoek van de Brabantse natuur- en milieuorganisaties doet dat nu ook voor de natuur. In het onderzoek is er specifiek gekeken naar de hoeveelheid grondwater die nodig is om verdroging van grondwaterafhankelijke natuur op te heffen.
“De natuur verdient een plek in de discussie over de verdeling van het grondwater,” zegt Lars Koreman, Provinciaal Ambassadeur Natuurmonumenten. “Door het kwantificeren van de waterbehoefte voor grondwaterafhankelijke natuur dragen de natuurorganisaties een belangrijk puzzelstuk aan in de aanpak van droogte en verdroging.”
Dezelfde infographic is gebruikt voor een fotowedstrijd. De uitkomst staat op www.brabantsemilieufederatie.nl/nieuws/brabanders-brengen-samen-met-bmf-verdroging-in-brabant-in-kaart/ .
Evenwichtige waterverdeling
Verdroging van de natuur is vooral een waterverdelingsvraagstuk. Er valt meer dan genoeg neerslag in Brabant (minus verdamping zo’n 1.700 miljoen m3 per jaar) maar zo’n 80% wordt afgevoerd, via sloten, kanalen en beken via de Maas naar zee. Het overige water zakt in de bodem en vult het grondwater aan. Een even groot volume grondwater als wat jaarlijks in de bodem infiltreert, wordt echter gebruikt voor beregening door de landbouw, als drink- en industrie water en voor het sproeien van tuinen, sportvelden en ander stedelijk groen. In de huidige situatie is er dan ook onvoldoende grondwater beschikbaar voor de natuur.
Om waardevolle natuur te herstellen en te behouden is meer grondwater nodig dan nu voorhanden is voor de natuur. Het is dan ook essentieel dat er meer water wordt vastgehouden en dat er water bespaard wordt. Lars Koreman: “Net als de landbouw en industrie heeft ook de natuur grondwater nodig. Waar agrariërs en drinkwaterbedrijven de pomp aan kunnen zetten, kan de natuur dat niet. Om te waarborgen dat de natuur ook bij het grondwater kan, moeten we ons watersysteem anders gaan inrichten. Zolang het grondwaterpeil niet in balans is holt de natuur in Brabant achteruit.”
Water vasthouden en besparen
Uit het onderzoek van de Brabantse natuur- en milieuorganisaties blijkt dat de natuur in Brabant 60 miljoen m3 grondwater per jaar nodig heeft, bijvoorbeeld in de vorm van kwel. Om te zorgen dat de natuur ook bij het grondwater kan, moeten onder andere de grondwaterstanden structureel omhoog. Daar is ca. 350 miljoen m3 extra grondwater voor nodig.
Voor het beschikbaar maken van deze hoeveelheid grondwater is herstel van het totale watersysteem in Brabant noodzakelijk. Door zo’n 250 miljoen m3 water per jaar extra vast te houden in de bodem kan de grondwatersituatie structureel worden verbeterd. De Brabantse natuur kan hieraan bijdragen, maar alle gebruikers moeten “samen de koek vergroten”.
Daarnaast is een afname van de grondwateronttrekking voor beregening, drink- en industriewater en overige kleine onttrekkingen van tenminste 100 miljoen kuub per jaar nodig. Alleen zo komt er voldoende schoon grondwater beschikbaar voor de natuur.
Illustratie om te komen tot herstel van het watersysteem.
Goed voor ons allemaal
Watersysteemherstel is óók goed voor andere functies, zoals landbouw en bebouwing, om opbrengstderving en schade door droogte tegen te gaan. Hoe meer neerslag er wordt vastgehouden, hoe minder grondwater er hoeft te worden opgepompt voor bijvoorbeeld beregening. Koreman: “We willen met alle partijen samen nadenken over oplossingen om de onbalans te herstellen. De natuur is van iedereen, we moeten er dan ook met z’n allen goed voor zorgen zodat we kunnen blijven genieten van onze prachtige natuurgebieden.”
De waterpartners in Brabant zijn zich inmiddels bewust van de noodzaak van watersysteemherstel en een evenwichtige waterverdeling. De provincie Noord-Brabant onderschrijft de noodzaak voor voldoende water voor natuur in haar bestuursopdracht ‘Stoppen van de verdroging met een waterrobuuste inrichting van Brabant’.
Het geeft de natuur- en milieuorganisaties het vertrouwen dat de eerste stappen zullen worden genomen in het meer vasthouden van water. Wel is er bij de natuurorganisaties zorg over de ambities ten aanzien van het verminderen van de onttrekkingen, die ook noodzakelijk zijn om te waarborgen dat er voldoende schoon grondwater beschikbaar is voor de natuur.
Dit is het duizendste artikel op deze site, en vanwege dat jubileum een artikel dat afwijkt van de hier gebruikelijke routine. Niet dat het onderwerp onbelangrijk is, want je praat over tientallen miljarden.
Ter intro Toen de TU Delft, SkyGEO en het Nederlands centrum voor Geodesie en Geo-informatica in 2018 de eerste systematische kaart maakten over de bodemdaling in Nederland, had die nog een oplossend vermogen van 2*2km. Duidelijk was dat grote delen van Nederland dalen, wat sappig in de pers kwam als “Heel Holland zakt”. Heel Holland? Nee, want er zijn een paar dorpjes in Limburg die van geen wijken weten. Maar voor de rest klopt het, met wat overdrijving.
Let wel dat deze kaart dus niet over de hoogtes gaat (die kaarten bestaan ook), maar over de verandering in de hoogtes.
Al bij de eerste kaart was duidelijk dat de gevolgen immens zijn. Het PBL kwam al in 2016 tot een schade die in 2050 opgelopen kan zijn tot €22 miljard. Aan verzakkende rioleringen, funderingen, kabels en leidingen, wegen en dijken. Het onderzoek van 2018 gaf onderbouwing en extra aandacht aan die uitkomst. Zie www.atlasleefomgeving.nl/nieuws/nieuwe-kaart-laat-bodemdaling-in-nederland-zien .
Zowel de diepe als de ondiepe ondergrond beweegt. In de diepe ondergrond bestaan natuurlijke geologische bewegingen. Soms nog een nasleep van de ijstijd, maar he kan ook om de breuken gaan aan weerszijden va de Brabantse slenk (vereenvoudigd de Peelrandbreuk – waar nog natuurlijke aardbevingen voorkomen – en de Feldbissbreuk). Ten noordwesten van de lijn Breda-Amersfoort-Emmen daalt Nederland geologisch, aan de andere kant blijft het gelijk of stijgt het.
Het Kinderdijksysteem
Bovenop die natuurlijke bewegingen bestaan man-made bewegingen, zowel diep (de gas- en zoutwinning) als ondiep. Een ondiepe bewegingen ontstaat bijvoorbeeld door het inklinken en wegoxideren van veen en klei, en dat komt weer door eeuwenlange ontwatering. Een prachtig voorbeeld zijn de molens bij Kinderdijk, een schitterend voorbeeld van Middeleeuwse technische en sociale organisatie. Tot pakweg 1370 liep het polderwater zonder hulpmiddelen weg bij laag water in de Merwede, in rond 1620 was de aanleg van een lage boezem nodig, en weer een eeuw later de hoge boezem. Met een dergelijk, voor die tijd, geavanceerd systeem was men weer op het uitgangspunt terug dat het water bij laag water wegliep in de Merwede. Het hoogteverschil is vijf eeuwen inklinking.
Die inklinking, zegt het PBL, heeft, naast de genoemde geforceerde verlaging van de grondwaterspiegel voor de landbouw, als andere hoofdoorzaak het belasten van veengrond en natte klei met wegen en woonwijken en bijbehorende zandlichamen. Door de daling van de grondwaterspiegel komt het veen onbeschermd te liggen, wordt geoxideerd en dat geeft een forse CO2-ontwikkeling. De klei compacteert of wordt gecompacteerd.
De ondiepe vertikale bewegingen kunnen minstens zo groot zijn als de diepe bewegingen.
Op 08 september 2020 kwam de TU Delft, samen met partners, met de Bodemdalingskaart 2.0. Die is een heel stuk informatiever en daardoor spannender. De Sentinel-1a en 1b-satelliet hebben op bijna 200 miljoen waarnemingspunten in Nederland bijna 41 miljard observaties gedaan. Bij de kaart uit 2018 werd een deel van die punten nog gemiddeld tot 2*2km – blokken, maar nu zijn ze individueel toegankelijk. De satellietgegevens zijn gecombineerd met metingen van microafwijkingen in de zwaartekracht.
De home page van het onderzoek is https://bodemdalingskaart.nl/nl/ . Daar staat het een en ander aan uitleg en verwijzingen. De nieuwe kaart heet 2.0 en je kunt hem vinden onder ‘viewer’.
Schermbeeld van Noord-Brabant en Limburg. Locatie 77 is de Peelrandbreuk ten westen van Uden.
Hoe de nieuwe kaart werkt De satellieten volgen ongeveer een polaire baan. Ondertussen draait de aarde er onderdoor, waardoor de satellieten om de 1,4 dag een opname van Nederland kunnen maken. Ze kijken zijwaarts (in de vliegrichting naar rechts) en kunnen zo (delen van) Nederland zien van boven Engeland vliegen, boven Nederland en boven Duitsland. Ik heb gekozen voor Midden-1 (boven Nederland, van NP à ZP). Die geeft heel Brabant en Limburg, waar ik mij op focus. Uiteraard is de werkelijkheid complexer dan hier verteld. Het systeem haalt een verticale meetnauwkeurigheid van ongeveer 1 mm en een horizontale van ca 10 a 15 cm. De metingen liepen van (meestal) voorjaar 2015 t/m oktober 2019.
De feitelijke interactieve kaart is te vinden op https://bodemdalingskaart.portal.skygeo.com/portal/bodemdalingskaart/u1/viewers/basic/ . Kies in de kaartlagen-inzet (bijvoorbeeld) midden-1 (de default) en klik een keer ergens op, dan verschijnt een Marker. Die kun je neerzetten waar je wilt. Zonder het Midden-1-vinkje zie je de onderliggende plattegrond (en kun je zien waar je marker precies staat). Je kunt steeds switchen.
Aanklikken van hokje ‘Locaties” levert een honderdtal voorbeeldlocaties op (rondjes), waarover nadere informatie gegeven wordt. Hierboven is locatie 77 gekozen (de Peelrandbreuk ten westen van Uden). Onder het rondje zit een plattegrond.
De kaart kan sterk worden uitvergroot en op een gegeven moment ga je vierkantjes zien. Daar worden de getallen aan gehangen. Ga je dan nog verder uitvergroten, dan zie je de afzonderlijke meetpunten (zie verderop de afbeelding van de brug van de A16 over het Hollands Diep). Een hokje krijgt een kleur, van rood (daalt 5mm/y) naar blauw (stijgt 5 mm/y). Dit hoort bij het ‘spectrum’ in de legenda rechtsboven. Als je op een hokje klikt, verschijnt in een andere inzet (rechtsboven) een grafiek waarin de verticale positie van dat betreffende punt gedurende de meetperiode wordt weergegeven tegen de tijd, en dat voor alle afzonderlijke metingen. Uit de bijbehorende trendlijn wordt de daalsnelheid afgeleid. De grafiek kan desgewenst gedownload en geprint worden.
Bodemdaling va de Strabrechtse Heide
Ik heb de marker nabij rondje 104 gezet = de Strabrechtse Heide in de gemeente Heeze-Leende. Bij dat meetpunt hoort onderstaande dalingsgrafiek. Je zou zeggen dat er een seizoenseffect in zit.
Verder uitvergroten van de kaart geeft de omgeving met en zonder Midden – 1 (de marker staat in het rode gebied bij de rechterrand, op halve hoogte, dat de Strabrechtse Heide voorstelt):
Het aanvinken van het hokje ‘gemeenten’ overrulet Midden-1 en geeft de gemeentegrenzen weer, aangeduid in een van de tinten uit het vijf-tinten-paars verloop in de legenda rechtsboven. Die zijn een maat voor de stabiliteit. Dat een hele gemeente 2mm/y zakt is één ding, maar dat binnen een gemeente het ene eind van de riolering 4mm/y zakt en het andere eind, dat aan de op diepliggend zand geheide woningen vastzit die niet verzakken, is aanmerkelijk onaangenamer. Idem als en de straat voor de deur wel. Een plaats als Gouda, waar de bodemdaling wel de 10 mm/y kan halen, heeft daar de nodige ervaringen mee. De instabiliteit in Noord- en Zuid-Holland is soms dramatisch.
Verschillen van de bodemdalingssnelheid binnen één gemeente
In Brabant is het lichtblauwe Waalre is een stabiele gemeente (bedoeld wordt geologisch, niet politiek), het ernaast gelegen Heeze-Leende is instabiel (idem). Binnen de gemeentegrenzen van Heeze-Leende daalt het ene punt 4 a 5 mm/y (de legenda zijn niet helemaal duidelijk) harder dan het andere punt. Aangezien Heeze-Leende niet bekend staat om zijn rioleringsproblemen, beperkt de oorzaak van de instabiliteit zich mogelijk tot de aanwezigheid van de Strabrechtse Heide binnen de gemeentegrenzen.
Microverschillen in de zwaartekracht
De satellietmetingen zijn aangevuld met metingen van micro-afwijkingen van de zwaartekracht. Gemiddeld is die in Nederland 9,81 Newton/kg (met nog locatieafhankelijk een rits cijfers meer achter de komma). Maar inwoners van de Achterhoek moeten met 0,0001N/kg sterkere beenspieren door het leven, en inwoners van de paarse strook in Brabant en Limburg kunnen met 0,0003N/kg zwakkere beenspieren toe. De paarse zone in Brabant en Limburg wordt begrensd door de eerder genoemde breuken. Binnen dat gebied is een blok gesteente in de diepte gezakt, en dat is weer opgevuld met lichtere afzettingen. Vandaar. De praktische consequentie ervan voor het energiebeleid is dat je in dat aan de randen van het paarse gebied moet uitkijken met (vooral diepe) geothermie. Het Staatstoezicht Op de Mijnen heeft om die reden bij Venlo ingegrepen.
De paarse zone in Groningen is vanwege de aanwezigheid van steenzout (dat is lichter dan steen). Omdat steenzout soms gelinkt is aan gas, valt het steenzoutgebied niet toevallig samen met het gaswinningsgebied (waarvan de bodemdaling met Midden-2 in fel rood op de kaart te zien is).
Wat zie je nou voor interessants op de kaart in Brabant en Noord-Limburg? Geen schokkende zaken.
Zoals te verwachten, zakt de bodem meer in het West-Brabantse kleigebied. Een beetje prutsen, heen en terug tussen Midden-1 wel en niet aan, levert bijvoorbeeld een daling op bij Industriepark Moerdijk. Verder zie je dat het gebied op beide koppen van de A16-brug over het Hollands Diep en van de er naast gelegen spoorbrug, sneller dalen dan de brug zelf.
Verder kun je de nieuwe A4 volgen van Heijningen tot Steenbergen. De TU Delft raadt amateurs af om al te stelling zelf uitspraken te doen over verbanden tussen oorzaak en gevolg, maar de gedachte ligt voor de hand dat het zandlichaam van de weg de ondergrond indrukt.
In Oost-Brabant zie je dat de bodem van de Peel (Deurnsche-, Maria- en Grote-) daalt . Een voor de hand liggende verklaring (van mij als amateur) is dat het veen is, en dat het veen wegoxideert. Vernatten is een goede maatregel.
Oo natuurgebieden als de Strabrechtse, de Oirschotse en de Cartier-Heide verzakken, evenals gebieden als het Leenderbos, de Kampina en de Chaamse Bossen. Wie een beetje met de kaart speelt, vindt wel meer. Ik onthou me van een oorzaak aan te wijzen.
Tenslotte nog, alleen voor de aardigheid, een plaatje hoe de Feldbissbreuk dwars door Sittard loopt.