Geen mestverwerking —-> minder dieren? Bepaald geen automatisme!

Onder de Brabantse bevolking leeft de, krachtig en emotioneel uitgesproken gedachte, dat je ‘mestfabrieken’ tegen moet houden omdat je daardoor minder dieren krijgt. Voorzitter Jan van Hoof van Mens, Dier en Peel, zoiets als het Wetenschappelijk Bureau van de strijd tegen de veeteelt, verwoordt het “Mestfabrieken zijn de sleutel tot het voortbestaan van de veeindustrie in Brabant.

Ik ben zo vrij met hem van mening te verschillen. Niet zozeer over het doel van zijn bewering dat er minder dieren moeten zijn, want dat vind ik ook. Ik vind de ambitie van Natuur en Milieu “5% minder kippen, 10% minder koeien en 30% minder varkens” een goed uitgangspunt.
Alleen, ik zie geen sterk verband tussen geen mestverwerking en minder dieren.
Ik zie wel een sterk verband tussen geen afzet van (al dan niet bewerkte) mest enerzijds en minder dieren anderzijds. Ik zie eveneens een sterk verband tussen de fosfaat- en nitraatlimiet voor (al dan niet bewerkte) mest enerzijds en het aantal dieren anderzijds.

Het politieke ‘frame’ klopt niet. ‘Mestfabrieken’ bestaan niet. Een autofabriek maakt auto’s en een schoenenfabriek maakt schoenen, maar een  ‘mestfabriek’ maakt geen mest.

Het schema van de scheiding- en indikinstallatie van AquaPurga
Het schema van de scheiding- en indikinstallatie van AquaPurga

Een ‘mestfabriek’ (ik zal het hierna een mestBEwerker noemen) is een inrichting die een lading fosfaat en nitraat in een andere chemische en fysische vorm brengt (anders verpakt), waarna die lading aan dezelfde limieten moet blijven voldoen als wanneer het verpakkingsproces niet had plaatsgevonden. Ook als er lading bijkomt uit andere bron (bijvoorbeeld bij covergisting), blijft de limiet onveranderd bestaan. De fosfaat uit de mais moet in mindering gebracht worden op de fosfaat uit de mest, dus minder dieren.
Wat de milieubeweging en de burgerorganisaties dus in elk geval moeten doen, is de fosfaat- en nitraatlimieten met hand en tand verdedigen en liefst aanscherpen, o.a.  met een beroep op de EU.
Het resultaat van de verpakking kan zijn dat het in organisch materiaal verpakte fosfaat gerecycled wordt (wat op zich een goede zaak is) en exporteerbaarder wordt. Of dat zal gebeuren, is een verhaal van logistiek en economie (zie Afzetkansen voor bewerkte mest?) . De opbrengst in verweggistan wordt groter, maar de proces- en transportkosten ook en de vraag is hoe vrij in verweggistan in praktijk de markt zal blijken en hoe goed de kwaliteit van het verpakte fosfaat is (of die bijv. meer vervuild is met medicijnresten en zware metalen als inheemse mest). Dit alles moet blijken. Pas als deze export voor nitraat en fosfaat in grote hoeveelheden plaatsvindt, wordt BEwerken VERwerken en pas dan zou er ruimte ontstaan voor meer dieren.
Ik zie niet hoe op dit moment het in veel water verpakte nitraat economisch uit het systeem gebracht kan worden. Wat de milieubeweging en de burgerorganisaties dus in elk geval moeten doen is zeer scherp kijken wat er met de nitraat gebeurt, en harde handhaving eisen (zie Afzetkansen voor bewerkte mest? )

Nu is het even de vraag wat men  ‘BEwerken’ noemt. De technische minimumeis om mest over de grens te mogen brengen is dat deze ‘gehygieniseerd’ wordt, te weten dat deze een uur op 70°C verhit wordt. Dat vraagt niet om grootschalige installaties in een ‘mestfabriek’. Tegenstanders van mestvergisting noemen deze BEwerking niet en ook de website van Mens, Dier, Peel geeft geen treffers op deze zoekterm. Toch zit de Duitse grensstreek tot x-honderd km ver weg vol met inheemse en gehygieniseerde Nederlandse ruwe mest.
fosfaatbalans dierlijke mest_2010
Blijkbaar is er geen dwingend verband (op zijn minst nu nog niet) tussen mestBEwerking en dieraantallen.
De hoop dat het ooit nog eens goed komt met de mestexport, en de hoop dat daaraan te verdienen valt, is inmiddels in boerenkringen de zoveelste strohalm en wordt dus luid bejubeld. Zo luid, dat de tegenstanders de jubel van de voorstanders zijn gaan geloven en zelf ook zijn gaan denken dat mestBEwerking mestVERwerking is, en dus een oplossing.

In dit verband is ook relevant dat de mestboekhouding uiterst fraudegevoelig is. Op 6 jan 2014 citeerde De Boerderij de brancheorganisatie van bonafide mestVERwerkers Cumela, dat 30 tot 40% van het totale mestvolume in zuidoost-Nederland illegaal gedumpt of verhandeld wordt (zie Zwarte mest remt mestverwerking_Boerderij_06jan2014). Bij nitraat is de illegaliteit zelfs al gelegaliseerd. De tussenhandel mag ongestraft miljoenen kilo’s nitraat laten verdwijnen.
Het meest directe gevolg van een exportverbod van (al dan niet bewerkte) mest zal naar verwachting niet zijn de voortijdige dood van duizenden varkens, kippen en koeien, maar een extra aanslag op het riool, grond- of oppervlaktewater.

Nog even over de gevaren.

Mestopslag silo in Makkinga waarin in 2013 drie mensen omkwamen door H2S
Mestopslag silo in Makkinga waarin in 2013 drie mensen omkwamen door H2S

Het opslaan, bewerken in boerderijomstandigheden en uitrijden van onbewerkte mest is gevaarlijk, o.a. vanwege de microbiologie en vanwege de ontwikkeling van zwavelwaterstof (die laatste vooral in afgesloten ruimtes). Zie bijv (Makkinga_mestongeluk_rapport RaadvVeiligheid_febr 2014). De Q-koorts bijv. ontstond uit de aanwezigheid in de stal en het uitrijden van onbewerkte geitenmest.
Het oordeelkundig bewerken van mest in een daartoe bedoelde inrichting is niet erg gevaarlijk. Uiteraard hangt dat van de aard en de handhaving van de milieuvergunning af. Het Groene Boekje van de VNG (Groene boekje VNG Bedrijven en milieuzonering , richtafstanden tabel 1, 454) houdt voor een vergister zoneringsafstanden aan zo’n 100 m (te vergelijken met een LPG-station) en staat deze activiteit toe op bedrijventerreinen in de categorie 3.2 (gemiddeld).
processchema dig-Hyg
Het resultaat van de bewerking kan veel minder gevaarlijk zijn dan de oorspronkelijke mest. Vergisten en daarna hygieniseren van het digestaat bijvoorbeeld doodt een deel van de grampositieve bacterien en virussen, en nagenoeg alle gramnegatieve bacterien als de E. coli en Salmonella (zie Mestbewerking vermindert soms hoeveelheid micro-organismen (en soms niet)). De verwekker van de Q-koorts, de Coxiella Burnettii, is ook een gramnegatieve bacterie (overigens meldt Wikipedia dat de Coxiella B. een bekend middel is in de biologische oorlogsvoering).

Coxiella Burnettii
Coxiella Burnettii

Mestbewerking speelt in een aantal verhaallijnen een rol.

In de verhaallijn, die over dieraantallen gaat, is mestbewerking in de algemeen gebruikte zin des woords (vergisten en/of scheiden en indikken) tot nu toe een bijzaak en  het is de vraag of het ooit een hoofdzaak wordt. Maar de politieke ‘framing’ vereist dat deze bijzaak wordt opgeblazen tot een principezaak, waaraan bijna mythologische gevaren worden toegekend, die er in praktijk niet zijn. Maar het in deze verhaallijn uitgesproken “Gij zult niet…” heeft zijn effect op de andere verhaallijnen, waar de rol van mestbewerking heel anders ligt.
Ik heb overigens tot nu toe drie mestBEwerkers zelf bezocht, en geen van drieen stonk, zelfs niet als je er pal op stond.

De monovergister. (op de foto dhr. Gosselink van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM)
De monovergister van zuivelbedrijf Den Eelder in Ewijk.

In de verhaallijn, die over ruimtelijke ordening gaat, moet je nadenken over locaties, aanvoerlijnen, zonering op de manier zoals dat in de ruimtelijke ordening gebruikelijk is.

In de verhaallijn die over duurzame energie gaat, kan de specifieke vorm mestvergisting (mono- of co-) energie opwekken en doet dat ook. Het is een gevestigde categorie in de SDE+subsidieregeling en is daar,
bijvoorbeeld voor mest met covergisting, iets goedkoper dan zonnepanelen. Zelfs als men er van uitgaat dat Natuur&Milieu zijn ambitie waargemaakt krijgt, dan nog blijft er een heleboel varkensmest over waar geen grond voor is, en daarvoor kan dit interessant zijn. In de periode voordat deze ambities waargemaakt worden, kan het belang nog groter zijn. Zie ook Nut en risico’s van covergisting

In de verhaallijn over de atmosferische emissies is met name vergisting zinvol, omdat daarin zoveel mogelijk methaan wordt afgevangen (een krachtig broeikasgas).

In de verhaallijn over volksgezondheid kan het zinvol zijn om mest te bewerken, zelfs als er grond voor beschikbaar is, omdat met name de combinatie vergisten en hygieniseren ontsmettend werkt op sommige bacterien.

In de verhaallijn over biomassa en bodemkwaliteit (zeg maar de koolstofkringloop) is studie nodig. Er is een mengsel van wetenschap, quasi-wetenschap en bijgeloof, gemengd met oprechte bezorgdheid, in omloop dat nadere studie verdient.

Afsluitend:
–              ga de discussie over het BEwerken van mest (al dan niet resulterend in het VERwerken van mest) eens op een zakelijke toon voeren.
–              zoek je heil in de terechte strijd voor minder dieren op andere gebieden, zoals bijv. het gezondheidsonderzoek van Heederik (waarover later meer op deze site).

Afzetkansen voor bewerkte mest?

Een teveel aan mest leidt tot grote problemen. Mest stinkt en is gevaarlijk, methaan is een krachtig broeikasgas, nitraat bemoeilijkt de zuivering van drinkwater, de bodem verzuurt, de biodiversiteit neemt af, en het bodemleven verslechtert.

Rijksbeleid legt aan de provincies dwingend op om een voorgeschreven deel van de mest te ‘VERwerken’. In Zuid-Nederland is dat in 2016 55%, in 2017 indicatief 60% en dat moet oplopen tot 75%.
Nu kan men op mest allerlei technische BEwerkingen loslaten, maar dat wil op zich nog niet zeggen dat daarmee het mestprobleem opgelost is. De eenheid van mest is in praktijk de kg fosfaat, en geen enkele vorm van mestBEwerking leidt tot minder kg fosfaat. Daarnaast speelt ook de nitraatrichtlijn een rol.
BEwerken wordt pas VERwerken als men met de producten van die bewerkingen ergens anders naar toe kan. Het Rijk neemt aan of hoopt dat dat zal lukken, maar een blik op onderstaande kaart alleen al leert dat dat niet zo eenvoudig ligt.
fosfaatbalans dierlijke mest_2010
De roodgekleurde gebieden op de kaart zijn de gebieden waar de fosfaathoeveelheid in dierlijke mest groter is dan de behoefte van het gewas. Daar mag van de EU (terecht) geen nieuwe fosfor meer terecht komen. Men moet dus vanuit Brabant een heel eind richting buitenland. Dit artikel probeert in beeld te brengen of het buitenland ‘onze’ mest wil en of de afzet economisch loont.

Met die afzet van de (al dan niet BEwerkte) mest staat of valt het regeringsbeleid. De minister heeft Wageningen UR gevraagd daar een studie naar te doen. Die is in mei 2016 verschenen en is hier –>  WUR-studie mestafzet te vinden.
De studie geeft antwoord op de vraag of er ‘een markt voor is’. Met andere woorden: of een product op papier tegen een aannemelijke prijs verkoopbaar is. Als dat zo is, beschouwt WUR het product als VERwerkt. Let op het wezenlijke verschil tussen BEwerken en VERwerken.

Enige technische uitleg
De studie beperkt zich tot drijfmest. Het vloeibare eindproduct van een mestvergister, digestaat, wordt in de studie gelijkgesteld met drijfmest. Die drijfmest wordt eerst met een pers of centrifuge gescheiden in dik en dun. Beide fracties worden hanteerbaarder gemaakt, de dikke door hem steekvast te maken, de dunne door hem door steeds fijnere ‘zeven’ te persen, waardoor er (als alles goed gaat) nagenoeg schoon water uitkomt en een concentraat achter blijft.
Het schema ziet er globaal zo uit:
schema mestverwerking
Mest wordt gekarakteriseerd door getallen te geven voor drie chemische elementen: stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K) (die zijn bijv. ook te vinden op een potje kamerplantenvoeding). Elk soort plant vraagt zijn eigen verhouding. Gras moet bijv. niet veel kalium hebben en aardappels juist wel.
De fosfor komt voor het overgrote deel terecht in de dikke fractie, de stikstof en kalium in de dunne fractie en daarna in het (mineralen)concentraat. Het concentraat bevat ca 0,7% stikstof en 0,9% kalium, en liefst 0% fosfor.
Daarnaast is ook de hoeveelheid organische stof van belang (vooral dus het element koolstof C), maar de studie spreekt daar slechts zijdelings over.
De minimumeis voor alle te exporteren mest, bewerkt of onbewerkt, is dat hij minstens een uur op 70°C verhit wordt om de meeste ziektekiemen te doden (‘hygieniseren’).

Enige juridische uitleg
Nederland kent drie relevante gebruiksnormen: de stikstof-, de fosfaat- en de dierlijke mest-gebruiksnorm. Voor dierlijke meststoffen gelden ze alle drie, voor kunstmest, overigens organische meststoffen en bodemverbeteraars alleen de eerste twee.
De gebruiksnorm dierlijke mest zegt dat een boer maar 170kg stikstof per hectare (ha) op mag brengen. De EU geeft Nederland hiervoor al jaren ontheffing tot 230 of 250kg/ha.
De stikstofgebruiksnorm staat hogere giften toe, afhankelijk van het gewas. De branche ziet dan ook graag het woordje ‘mest’ uit ‘mestproducten’ vervallen. De Tweede Kamer heeft dit bij motie ondersteund, omdat dat een circulaire productie bevordert. Maar het bevordert ook dat er meer stikstof op het land mag.
De fosfaatgebruiksnorm bedraagt 80-100 kg/ha per jaar. In praktijk werkt die norm het meest ondubbelzinnig en daarom wordt de kg fosfaat per ha per jaar meestal als standaard gebruikt.

Lees: fosfaatproduktie in dierlijke mest 171,7 fosfaatafzet dierlijke mest 47,7+124,0=171,7 aanvoer en afvoer van fosfaat in kunstmest en overige organische mest = 15,6 Alles in miljoen kg.
Lees:
fosfaatproduktie in dierlijke mest 171,7
fosfaatafzet dierlijke mest 47,7+124,0=171,7
aanvoer en afvoer van fosfaat in kunstmest en overige organische mest = 15,6
Alles in miljoen kg.

De belangrijkste uitkomsten van de WUR-studie:
1)         Investeren in mestverwerkers is risicovol
2)         In Nederland kan geen nieuwe fosfaat meer worden afgezet
3)         Er zijn in Nederland nog gebieden (met name gras op klei en in mindere mate gras op zand) waar nog ruimte is voor een stikstofgift. Bouwland op zand biedt geen ruimte meer en op de zuidelijke zandgronden wordt er nu al meer stikstof gebracht dan toegestaan is
4)         (Mineralen)concentraat is minder geschikt voor melkvee-
bedrijven omdat er teveel kalium in zit (slecht voor de koeien). Omdat het weinig product in veel water is, beperken de transportkosten de inzet tot een straal van ca 20 a 25km vanaf de bron.
5)         Wil mineralenconcentraat “kunstmestvervanger” worden (en dus geen dierlijk product meer heten), dan moet de stikstofconcentratie naar minstens 10% (zijnde 15* nu) en moeten de verliezen bij het opbrengen verminderen, terwijl het kaliumgehalte gelijk blijft. Er is nog geen procedé dat dat kan.
6)         pluimveemestkorrels worden al jaren over grote afstanden geëxporteerd
7)         de gebieden vlak over de grens zijn al verzadigd met lokale mest en met Nederlandse gehygieniseerde ruwe mest
8)         in de landbouw in sommige verder weg gelegen delen van Europa is in principe behoefte aan fosfaatrijke organische mest uit de dikke fractie, mits aan enkele voorwaarden voldaan is. Invoerbeperkingen van sommige Europese landen moeten afgeschaft zijn, de samenstelling van de mest moet min of meer constant zijn, er moeten niet te veel zware metalen en andere troep inzitten, en de mest moet de juiste fosfor-kalium verhouding hebben of kunnen krijgen.
Boven de 600km kan men voor mestproducten evenveel vragen als voor kunstmest, boven de 300km en onder de 600km kan men 80% van de kunstmestwaarde vragen. Uiteraard nemen met de afstand ook de transportkosten toe.
De WUR-studie gebruikt het woord ‘marktkansen’, niet ‘marktuitkomsten’. Er wordt geen schatting gemaakt van afgezette tonnages. Men kan wel een prijs vragen, maar niet duidelijk is wat het antwoord is.
9)         de kunstmestindustrie kan in principe iets met mestproducten als calciumfosfaat en struviet (magnesiumammoniumfosfaat), mits die aan hoge kwaliteitseisen voldoen, in een voldoend hoge stroom worden aangeleverd en niet duurder zijn dan de huidige grondstof fosfaaterts (€150 tot 200 per ton). Ook hier wordt ‘in principe’ niet gevolgd door ‘in praktijk’.
10) mineralenconcentraat levert de boer per saldo weinig voordeel op.
Fosfaatexport kan de verwerker in beginsel geld opleveren. Daardoor gaat het de boer 5 tot10% minder kosten om zijn mest af te voeren.
11) 90% van de rundveemest wordt op het eigen bedrijf afgezet, 35% van de varkensmest en 20% van de pluimveemest.

Mijn eigen conclusies:
–   
er moet in Brabant een onopgelost nitraatprobleem zijn. Er is teveel, ver weg brengen loont niet, en dumpen mag niet
–    er is een bedrijfsmodel denkbaar voor de fosfaathoudende dikke fractie, gebaseerd op export, maar het is onduidelijk in hoeverre de praktijk de theorie gaat volgen
–    op zich is het recyclen van fosfaat een goede zaak. Het is een eindige grondstof.
–    ook bij minder dieren blijft er in Brabant met name voor varkens een doordachte omgang met mest nodig

 

Brabantse mestdialoog: doorbraakclaim verdient vraagteken

Het Rijk eist mestverwerking van de provincie en de bevolking eist een veeteeltbeleid met minder dieren van de provincie. De ‘ham’vraag is of die twee elkaar volledig uitsluiten, of dat er een marge gevonden kan worden waar de standpunten elkaar overlappen.
De ‘mestdialoog’, die de afgelopen maanden gevoerd is, was (en is) een moeizaam en gespannen proces. Ik heb daarvan voor de BMF verschillende zittingen bijgewoond – een leerzame ervaring.

Dialoogbespreking in BMF-kantoor (ik sta ook op de foto)
Dialoogbespreking in BMF-kantoor (ik sta ook op de foto)

De bevolking van de vee-concentratiegebieden voelt zich al decennia gekoeieneerd en sleepte zich, stijf van het wantrouwen, naar (in hun ogen) de zoveelste praatsessie.
De provincie toonde zich welwillender dan vroeger. Dat vindt zijn oorzaken mede in de crisis in de landbouw, die zich steeds verder verdiept, in de mest die nu in zo grote hoeveelheden aangeleverd wordt dat een groot deel illegaal geloosd wordt (tot de schijt ons doodt), in de al dan niet op de mens overspringende dierziektes enz. En, niet te vergeten, in het nieuwe College van GS dat er zit, voor het eerst zonder het CDA.

Uiteindelijk bracht het College van GS het stuk uit ‘Brabants mestbeleid’ waarvan onderstaande tekst het ontwerpbesluit is:
ontwerpbesluit mestbeleid 31mei2016

Goede bedoelingen
Het besluit bevat verschillende goede bedoelingen.
Voor de bevolking is de belangrijkste passage “de effectieve en juridisch houdbare aanpak die leidt tot geen verdere groei en op termijn een zekere krimp van de veestapel in Brabant”.  “Voor het eerst is er in de staten zo duidelijk gesproken over een stop op het aantal dieren.” Aldus Maria Berkers van Stop de Stank uit Deurne in het Eindhovens Dagblad van 29 juni, maar “vervolgens hebben ze wel heel politiek met zijn allen om de hete brij heengedraaid.”

Ook de passages onder 2a), met woorden als circulariteit, minder
kunstmest, emissies en risico’s minimaliseren en een beter verdienmodel stemmen tot tevredenheid.

De passage “De eerste bewerking op het eigen veehouderijbedrijf en verdere bewerking op een bedrijventerrein” klinkt niet erg duidelijk. De boerenbelangenorganisatie ZLTO leest er in het vakblad De Boerderij (6 juni 2016) in dat drijfmest direct vergist moet worden op het boerenerf. Dat staat niet met zoveel woorden in het besluit, maar past wel in de begeleidende tekst van het besluit.
Als deze interpretatie juist is, ben ik er zelf in beginsel blij mee, want ik ben voor mestvergisting als aan een aantal voorwaarden voldaan is. Niet omdat mestvergisting het mestprobleem oplost, maar omdat er energie gewonnen wordt, omdat er veel minder methaan in de atmosfeer geloosd wordt, en omdat mest door het vergisten microbiologisch minder gevaarlijk wordt.

Ik zeg het dus nog maar eens, want ik wil niet misverstaan worden en ik kan dus niet vaak genoeg zeggen: ik vind dat er minder dieren moeten komen, iets in de geest van wat Natuur & Milieu op 30 juni zei: 30% minder varkens, 10% minder koeien en 5% minder kippen, een en ander te bereiken met financiele ondersteuning door het Rijk zodat het een niet al te koude sanering wordt (zoiets als bij de Limburgse mijnsluiting).
Maar deze mening staat los van mijn opinie dat men, ook als er minder dieren zouden zijn, het nog steeds zinvol kan zijn (een deel van) de mest te bewerken.

De monovergister. (op de foto dhr. Gosselink van de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij BOM)
De monovergister van zuivelboerderij Den Eelder

Mijn reserves
De goede bedoelingen worden (nog?) niet concreet ingevuld. Dat moet in de komende maanden gebeuren. En er zit nogal wat drijfzand onder de fundamenten van het politieke bouwwerk.

Ik zie twee hoofdbedreigingen: de ene is (1) dat de provincie niet kan leveren, de andere (2) is dat de mestproblematiek niet oplosbaar zal
blijken te zijn.
Beide zinsnedes vragen enige uitleg.

  • Anders dan het publiek vaak denkt, heeft de provincie over een heleboel onderwerpen niet wat te vertellen. De zeggenschap over dierrechten bijv. zit bij het ministerie en de zeggenschap over kleine mestvergisters bij de gemeenten.
    De provincie staat vooral sterk bij ruimtelijke ordening-wetgeving en bij vergunningverlening en -handhaving van die inrichtingen, waarover hij zelf gaat. Als het al kan, kan de provincie alleen via omwegen iets aan het aantal dieren doen, bijvoorbeeld door groei van het bedrijf A mogelijk te maken als bedrijf B stopt, en dat eventueel met een zekere afroming. Ik kan mij niet voorstellen dat dat soort processen zich afspelen zonder dat er provinciaal geld bij gaat. De bereidheid daartoe moet blijken.
    Zo ook moet de ‘Raad van State-bestendigheid’ van de regelgeving
    blijken.
    Tenslotte moet blijken of de provincie zijn handhavingstaak aan kan.
  • Anders dan vaak gedacht wordt, leidt het BEwerken van mest niet als vanzelfsprekend tot het VERwerken van mest. Elders op deze site is dat al vaker uitgelegd: de eenheid van mest is de kilogram fosfaat en geen vorm vanfosfaatontwikkelingen_30juni2016_Boerderij
    mestBEwerking vermindert het aantal kg fosfaat (bij vergisting met co-materiaal wordt het zelfs meer). VERwerking betekent dat er fosfaat uit het systeem gehaald wordt, en dat betekent export. BEwerken is technologie en VERwerken is logistiek en commercie.
    Ten tijde van de mestdialoog was er geen bruikbaar document waaruit zelfs maar in benadering afgeleid kon worden wat eigenlijk de exportkansen waren. Zeer onlangs heeft Wageningen daar een studie over gepubliceerd op Wageningse mestafzetstudie  (ik heb hierover een apart verhaal geschreven, zie Afzetkansen voor bewerkte mest ). Voor fosfaat bestaan op papier mogelijkheden na honderden kilometers transport en wat daarvan in praktijk terecht komt, moet blijken. Voor nitraat lijken er geen mogelijkheden aanwezig.
    Het is mogelijk dat uiteindelijk blijkt dat er een heel circus opgetuigd wordt om de mest te bewerken, en dat vervolgens blijkt dat de producten daarvan even moeilijk afzetbaar blijken als de oorspronkelijke mest zelf.

De tijd moet leren wat het antwoord op de ‘ham’vraag is.

Brabantse gemeenten en duurzame elektriciteitsinkoop

De gezamenlijke gemeenten in den lande zijn samen goed voor ca 2% van het totale Nederlandse elektriciteitsverbruik (9,4PJ van de 428PJ). Daarmee zijn ze een niet onaanzienlijke speler op de elektriciteitsmarkt met bovendien een grote voorbeeldfunctie.
SOMO
Greenpeace heeft daarom aan SOMO (een gerespecteerd onderzoeksinstituut) gevraagd in kaart te brengen hoe de 390 Nederlandse gemeenten (met samen 408 inkooprelaties) hun stroom inkopen. Na het nodige mail- en belwerk kreeg SOMO de gegevens van 308 van de 408 inkooprelaties boven tafel.

Het volledige rapport is te vinden op SOMO-rapport Kortsluiting op de groene energiemarkt_juni2016
de bijbehorende landelijke op SOMO-onderzoek stroominkoop gemeenten landelijke data .

De terminologie uitgelegd
Het is een beetje een ingewikkeld verhaal en vraagt daarom eerst wat uitleg.

Stel, een persoon, bedrijf of gemeente wil duurzame stroom inkopen. Men wil dan natuurlijk zeker weten of die stroom echt uit een duurzame bron komt.
Daartoe heeft Nederland een systeem in het leven geroepen dat “Garanties Van Oorsprong” (GVO) heet. Zo’n GVO stelt 1000kWh voor en is een jaar geldig en ziet er op een computerscherm zo uit:
GVO screendump
De technische controle zit bij CertiQ, een dochteronderneming van TenneT, de exploitant van het hoogspanningsnet, en de energiebedrijven rapporteren aan de Autoriteit Consument en Markt.

Als een windmolenexploitant 1000kWh verkocht heeft, heeft hij/zij één GVO opgebouwd. Logischerwijs zou hij de stroom en de GVO samen willen verkopen, want dan is zijn stroom bewezen groen. Maar nergens staat dat dat je ze samen móet verkopen. De exploitant kan ook zijn stroom grijs aan Delta Energy verkopen en de GVO apart.
In Nederland loont dat niet zo, maar het ligt anders met stroom die in Ijsland of (in mindere mate) Noorwegen geproduceerd is. Ijsland en Noorwegen draaien volledig op duurzame energie uit waterkracht en (in Ijsland) geothermie. Daarmee produceren ze, naast stroom, ook GVO’s. Omdat die vrij verhandelbaar zijn, wordt die grotendeels vanuit Ijsland of Noorwegen geëxporteerd. Hun eigen stroom wordt daarmee op papier grijs, maar dat zal de bevolking daar een worst wezen. Noorwegen heeft dan nog een kabel naar Nederland, maar Ijsland niet eens.
In Nederland wordt de Ijslandse GVO op Nederlandse grijze stroom geplakt en die heet dan ineens groen. Het mag, maar het is strijdig met de bedoeling van het systeem. WISE heeft daarom de term “sjoemelstroom” gemunt.
Deze sjoemelwerkwijze stimuleert niet dat er nieuwe duurzame energie-installaties bij gebouwd worden.

De classificatie
SOMO noemt Noorse en IJslandse GVO’s slecht en de rest goed.

Verder noemt SOMO de (aan gemeenten leverende) leveranciers Greenchoice, Eneco en HVC Energie groen (‘voorloper’), omdat die in een puntensysteem op 6,0 of hoger uitkomen.
SOMO-stroomleveranciers
Zodoende ontstaat een op twee indelingen gebaseerd classificatie waaraan de Nederlandse gemeenten worden afgemeten.
SOMO-uitleg classificatie
De onderliggende tabel met Brabantse gemeenten is te vinden op SOMO_Brabantse Data stroominkoop gemeenten

Ik heb naar mijn eigen gemeente Eindhoven gekeken. Deze verbruik volgens SOMO 155TJ per jaar (maar dat is teveel. De eigen gemeentelijke website zit ergens rond de 120TJ). Eindhoven zit bij Eneco en dekte in 2014 56% van zijn stroom met een biomassacentrale bij zwembad de Tongelreep en de stadsverwarming in Meerhoven. De rest komt van wind elders. In de gemeente Eindhoven staan geen windturbines (oa vanwege het vliegveld) en er liggen maar weinig PV-panelen op gemeentegebouwen. Eindhoven is groen.

Een aantal gemeenten zitten collectief bij De Vrije Energie Producent en die is oranje (slechte leverancier en slechte GVO’s). Het betreft de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze-Rijen, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, en Woudrichem. De leverancier scoort slecht en de GVO’s komen uit Noorwegen. Eigenlijk zouden de gemeenteraden in deze gemeenten in actie moeten komen voor een andere leverancier en, als dat niet kan vanwege een contract, op zijn minst voor goede GVO’s. Waalwijk zit ook bij De Vrije Energie Producent, maar die gemeente is ‘geel’ want is op wind-GVO’s uit Italie over gegaan. Blijkbaar kan het dus wel.

Een aantal andere gemeenten zitten bij Delta Energy BV en die is rood (slechte leverancier en helemaal geen GVO’s). Het betreft de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, Landerd, Mill en St Hubert, Oss, Schijndel, St Antonis, St Michielsgestel, St OedenrodeUden, Veghel, en Vught. Ook de gemeenteraden in deze gemeenten zouden in actie moeten komen voor een andere leverancier en, als dat niet kan vanwege een contract, op zijn minst voor goede GVO’s. Heusden zit ook bij Delta Energy en heeft wel (Noorse) GVO’s. Blijkbaar kan het dus wel.

Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Goirle, Halderberge, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Roosendaal, Rucphen, en Den Bosch hebben hun gegevens zo slecht op orde dat ze niet te classificeren zijn.

 

Vragen in PS over zonne-energie uit geluidsschermen en -wallen langs wegen, en als update de antwoorden

Update:

Op 28 juni 2016 kwam het antwoord en dat hield in dat GS, bij gebrek aan gegevens, het onderzoek van Meppelink niet voor de Brabantse provinciale wegen konden repliceren.
Er staat langs de Brabantse provinciale wegen 5,32km geluidswal of -scherm. Die zijn technisch niet geschikt om de bestaande zonnepanelen aan vast te monteren.

Wel neemt de provincie Brabant ‘met trots’ deel in Solliance, een samenwerkingsverband van TNO, ECN en TUE dat technologie ontwikkelt om dunne zonnecellen te produceren. Waarna een kort verhaal over de binnengehaalde subsidie en de te verwachten economische voordelen.

GS geven aan de lopende ontwikkelingen te volgen en in een geschikte nieuwe situatie over zonnepanelen op geluidsschermen na te willen denken.

Mijn eigen commentaar hierop:
1) met 5,32km wal of scherm, niet altijd optimaal georienteerd, kun je inderdaad niet heel veel.
2) er zijn ook nog spoorwegen en gemeentelijke wegen. Niets let een politieke partij dezelfde vragen voor de eigen gemeente te stellen.
3) het Solliance-antwoord is een voorbeeld van de typisch Brabantse gewoonte om energiepolitiek te reduceren tot industriepolitiek. Solliance komt ongetwijfeld vroeg of laat met iets moois op de proppen, maar ondertussen is er in de Solliancestad Eindhoven bijna geen zonnepaneel te vinden – en als ze er liggen, dan eerder ondanks dan dankzij Brainport.
Ik zou blij zijn met minder nieuwe techniek, en meer nieuwe vierkante PV-meters.

—————————————-
De SP-fractie in PS heeft vragen gesteld over de mogelijkheden om zonnepanelen te plaatsen  op geluidsschermen en -wallen langs provinciale wegen. Ik heb aan de totstandkoming van deze vragen meegewerkt.

De ene aanleiding was een afstudeeronderzoek dat betrekking had op panelen op geluidsschermen langs Rijkswegen. De andere aanleiding was een buurtproject op basis van de postcoderegeling van de gemeente Rotterdam. Zie onder.

Ik heb over dit onderwerp al eerder op deze site geschreven, zie Dubbelzijdige zonnepanelen langs A50 bij Uden en op baggerdepots  en Hoeveel zonnestroom kan opgewekt worden langs wegen?

———————————————-

Vragen ex art. 43 van de SP-fractie

Geacht College van GS                                                          8 juni 2016

Twee actuele ontwikkelingen hebben bij onze fractie de interesse opgewekt in de mogelijkheden (en beperkingen) van zonnepanelen langs wegen.

De ene ontwikkeling betreft de voorgenomen realisatie van een zonnepark (op basis van de postcoderoosregeling) van 2000 panelen op de geluidswal langs de A20 bij de Rotterdamse wijk Nieuw Terbregge. Deze panelen zijn samen goed voor ongeveer 500MWh per jaar (ongeveer 1,8TJ).

Zonnepark langs de A20 bij Rotterdam
Zonnepark langs de A20 bij Rotterdam

De andere ontwikkeling betreft de publicatie (1 april 2016) op Tendernet van een marktconsultatie t.b.v. een nieuw op te richten geluidsscherm langs de A50 bij Uden, waarin in de opstaande wand een reeks bifaciale PV-schermen ter lengte van 450m wordt geïntegreerd.  Rijkswaterstaat (RWS) ziet dit als een pilot.

Deze publicatie sluit aan bij een al langer lopende gedachtenvorming bij RWS. Die heeft er toe geleid dat de Utrechtse student Sander Meppelink in september 2015 zijn Master Thesis gepubliceerd heeft ‘The potential of photovoltaics along the Dutch national high- and expressways (Rijks-
wegen)’. De A50 bij Uden is een expliciet punt van aandacht in deze thesis, hoewel er toen nog geen definitief besluit genomen was.
Meppelink stelt dat de gezamenlijke geluidsschermen langs de Rijkswegen in Nederland over hun volle lengte van 641km jaarlijks in 2015 ongeveer 760TJ zonnestroom kunnen opwekken (en in 2030 900TJ). Meppelink brengt vervolgens stapsgewijze beperkingen aan op dit ideaalbeeld, die leiden tot een lagere opbrengst, maar die tot een snellere en goedkopere realisatie kunnen leiden. (Voor details zie hieronder).

Aannemende dat Brabant 14,4% van Nederland is, moet zonnestroom langs Rijkswegen in Brabant ongeveer 109TJ kunnen bedragen in 2015 en ongeveer 130TJ in 2030.
Deze evenredige afdeling moet echter op basis van feitelijke data beter kunnen. Bovendien kunnen ook geluidsweringen langs provinciale wegen (die Meppelink niet onderzocht heeft) een bijdrage leveren.

Onze fractie zou een exercitie als van de gemeente Rotterdam en van de thesis van Meppelink graag willen vertalen naar Brabantse omstandigheden. Daarbij volstaan redelijke schattingen op eenvoudige basis.

  • Hoeveel kilometer geluidswal en geluidsscherm liggen er langs Brabantse provinciale wegen en langs Rijkswegen in Brabant?
  • Hoeveel TJ zouden de schermen en wallen langs de Brabantse provinciale wegen, en de schermen en wallen langs de in Brabant gelegen Rijkswegen jaarlijks kunnen opbrengen, uitgaand van de maximale variant van Meppelink?
  • Staat uw College in principe positief tegenover de gedachte een of meer PV-projecten te realiseren op geluidswerende voorzieningen langs provinciale wegen?
  • Zo nee, waarom niet?
    Zo ja, zou uw College een business case willen schetsen voor de plaatsing van bijvoorbeeld 2000 PV-panelen op een gunstige locatie, zowel bij nieuwe aanleg als bij aanleg op een bestaande wal of scherm, en zowel op basis van de postcoderoosregeling als op basis van de SDE+ – regeling?
    Zou u ook inzichtelijk kunnen maken in hoeverre dit plaatje verandert als meegelift kan worden met onderhoud aan de geluidswerende voorziening dat toch al noodzakelijk is?

Namens de SP

Willemieke Arts
Joep van Meel

 

De precieze gegevens die Meppelink gebruikt:
 -  641km geluidsscherm, zijnde de volle lengte langs rijkswegen, waaraan hij via extrapolatie een opbrengst toegekend heeft
 -  De rij panelen is gemiddeld 2,0m hoog en heeft in ideale omstandigheden een rendement van 21%
 -  de eerste beperking is dat Meppelink alleen trajecten van meer dan 500m meetelt
 de tweede beperking is dat daar bovenop alleen bezonningen > 1044kWh/y*m2 meegenomen worden
 in de derde beperking daar bovenop worden alleen trajecten meegenomen die urgent onderhoud vragen

Waar Meppelink niet naar gekeken heeft:
 -  de 359km geluidswal langs rijkswegen
 -  provinciale wegen
 -  mogelijkheden in de berm en op overkappingen (zoals onder)

solar_array_tunnel_aschaffenburg

Klimaateffecten in Brabant 6 – het KNMI over recent extreem weer in 2016. Daarnaast verzekerbaarheid.

Het KNMI heeft een beschrijving annex klimaatanalyse uitgebracht over de extreme buien van eind mei en begin juni 2016, en een beschrijving van het noodweer van 22 en 23 juni.

Het KNMI over 31 mei en 1 juni 2016
De eind mei-studie is te vinden op www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/klimaatanalyse-van-extreme-buien-eind-mei-begin-juni-2016 .
Eind mei lagen Limburg en Zuidoost Brabant aan de rand van een groot neerslaggebied. Die neerslag hoorde bij een depressie boven Frankrijk en Duitsland, die ruim een week bleef hangen.
Belgie en Zuid-Nederland kregen hevige onweersbuien van mee, leidend tot lokale wateroverlast.
boxmeer
In Zuid-Duitsland leidden relatief kleinschalige, maar zeer hevige buien tot flash floods en aardverschuivingen.
In Frankrijk viel de regen aanhoudend over een groot gebied, waardoor in het stroomgebied van de Seine en de Loire de rivieren recordhoogtes bereikten en buiten hun oevers traden. Het Louvre werd voor de zekerheid gesloten.

Gemiddelde neerslag in mm/dag in Frankrijk op 29-30-31 mei - bron NOAA/CPC

De klimaatwetenschap wordt gestaag beter, maar zeer lokale gevolgen als het buiten de oevers treden van een rivier kunnen nog niet berekend worden. De regen, die er de oorzaak van was, kan al wel in lokale modellen gevangen worden.

Het KNMI stelt dat de buien in Duitsland niet met een veranderend klimaat in verband kunnen worden gebracht. De kans dat ergens in Zuid-Duitsland in april, mei of juni een dergelijke buiencomplex optreedt eens in de 20 jaar. Dat is niet heel zeldzaam en de tijdreeksen van 250 weerstations vanaf 1951 laten een afname in de extreme neerslag zien.

Gemiddelde neerslag in mm/dag in Frankrijk op 29-30-31 mei - bron NOAA/CPC
Gemiddelde neerslag in mm/dag in Frankrijk op 29-30-31 mei – bron NOAA/CPC

Voor Frankrijk komt het KNMI tot een ander oordeel.. De kans op dit type neerslag is sinds 1960 voor de Seine 1.8* zo hoog geworden is, en voor de Loire 1.9* zo groot. Dat kan gelezen worden als dat de kans op zoveel regen in het stroomgebied van de Seine gestegen is van 1 op 900 naar 1 op 500 per jaar. Bij de Loire is dat van 1 op 180 naar 1 op 100 per jaar.

De onderliggende natuurkunde is simpel, stelt het KNMI. De Clausius-Clapeyronvergelijking zegt dat +1°C (de temperatuurstijging sinds 1960) maakt dat de lucht 7% meer waterdamp kan bevatten (wat inderdaad ook gebeurt).

Overigens heeft het KNMI ook voor de zware regenval in juli 2014 (waardoor onder andere delen van Tilburg onderliepen, zie Klimaateffecten in Brabant – 2: Tilburg en het noodweer van 28 juli 2014) een klimaatanalyse gemaakt. Daaruit kwam ruwweg dezelfde verdubbeling van de kans op een dergelijke hoeveelheid neerslag.

Het KNMI over het noodweer rond 23 juni 2016

De tekst is te vinden op http://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/zware-onweersbuien-op-22-en-23-juni-vol-extremen .
In de nacht van 22 op 23 juni, op 23 juni en in de nacht van 23 op 24 juni kwam het in Brabant en Limburg tot een extreem noodweer. Op de neerslagradar van het KNMI was boven Brabant een heuse ‘supercel’ te zien met rolwolken, vuistgrote hagel, valwinden en uitzonderlijke neerslag.

Supercel boven Brabant rond 23 juni 2016. weerradar KNMI
Supercel boven Brabant rond 23 juni 2016. weerradar KNMI

Delen van Brabant zagen er uit alsof er een oorlog gewoed had.
dak+glas_juni2016
Het KNMI heeft (nog?) geen klimaatanalyse gemaakt van het noodweer rond 23 juni.

 Schade en verzekering
Alleen al in een agrarische gemeente als Someren kwamen de gemeente en de boerenorganisatie ZLTO tot een half miljard schade. Nu zal daar enig natte vinger-werk inzitten en er liggen nog geen officiele schademeldingen onder, maar ongetwijfeld zal het heel veel zijn. Over het hele rampgebied samen inderdaad misschien wel een miljard.
In de beste traditie eiste de ZLTO geld voor zijn achterban voor deze “nationale ramp”.

Wateroverlast op de aardappelvelden
Wateroverlast op de aardappelvelden

Staatssecretaris Van Dam had er niet meteen zin in. In de NRC (28 juni 2016) liet hij weten dat zijn ministerie er al jaren op aandringt dat boeren een weersverzekering afsluiten en dat, nog sterker, het ministerie daar zelfs een subsidie van 9 miljoen per jaar voor klaar heeft liggen. En, zegt het ministerie, als men via de rampenregeling geld wil vangen, kan dat alleen als het om onverzekerbare schade gaat.
Mensen die er meer van af weten dan ik, moeten maar bepalen wat wijsheid is. Misschien is een deel van de schade onverzekerbaar en misschien kunnen er voorwaarden verbonden worden aan een eventueel hulpbedrag. En omvallende boerenbedrijven kosten de staat, linksom of rechtsom, ook geld.

Ondertussen kan men zich de meer fundamentele vraag stellen in hoeverre het concept “verzekering” als zodanig in dit soort situaties bruikbaar blijft.
Een verzekering gaat fundamenteel van de aanname uit dat het incident uitzondering is en het niet-incident regel. Als de herhaalfrequenties van extreem weer toenemen, moet dat vroeg of laat gevolgen hebben voor de grondslagen van de verzekering. Op zijn gunstigst gaat de premie omhoog en op zijn slechtst houdt de verzekerbaarheid op. Zie op deze site Klimaatverandering en financiele stabiliteit

Waar de verzekerbaarheid ophoudt, moet het overheidsbeleid starten. Na de watersnoodramp van 1916 is de Afsluitdijk gebouwd, en na die van 1953 de Deltawerken. Men heeft toen ook niet voor gekozen voor een benadering “het Rijk betaalt de schade en tot de volgende overstroming”. Die mentaliteit zou ook hier getoond moeten worden.

Misschien zouden de regering en de Tweede Kamer een groter gevoel van urgentie t.a.v. klimaatverandering ten toon moeten spreiden.
In Brabant is onlangs het “Deltaplan Hoge Zandgronden” van kracht geworden waarin het beheer van het zoetwater op de zandgronden onderwerp van beleid is (zie Klimaateffecten in Brabant – 1 Het Deltaplan hoge zandgronden ). En waarin, het is navrant, vooral droge zomers afgedekt zijn – en niet zonder reden, want het weer wordt extremer, zowel in de natte als in de droge richting. Misschien moet de provincie eens haar Deltaplan-beleid ter evaluatie naast de feitelijke ervaringen van mei en juni 2016 leggen.
En misschien moet de bevolking minder bezwaar gaan maken tegen maatregelen die beogen het klimaat binnen aanvaardbare grenzen te houden, zoals windturbines, hoogspanningsleidingen en mestvergisters.

Ondersteuners geworven voor vliegveldplatform

Het Platform De 10 geboden voor Eindhoven Airport, dat iedereen probeert samen te brengen die om enige reden kritisch staat tegenover de explosieve groei van het vliegen op Eindhoven Airport, heeft indertijd, al weer een jaar of zeven geleden, zo’n 4600 ondersteunings-
verklaringen geworven. Die verzameling is het politieke ‘kapitaal’ van het Platform.

In zeven jaar eroderen bestanden onvermijdelijk weg.
Daarnaast zijn er in die tijd nieuwe vliegtuig-thema’s boven komen
drijven, zowel mondiale als het klimaat, als lokale zoals luchtkwaliteit en de parkeer-wildwest.
Het kabinet en de Tweede Kamer hebben vastgesteld wat er wel en niet mag tot 2020.

Het marktaandeel van Turkish Airlines door de jaren heen
Het marktaandeel van Turkish Airlines door de jaren heen

Daarna bestaat er geen enkele afspraak. Wie de oorlogsverklaringen volgt van directeur Nijhuis van Schiphol en bijvoorbeeld van directeur Kotil van Turkish Airlines, houdt zijn hart vast voor wat er na 2020 komen gaat. Zie bijvoorbeeld www.nrc.nl/handelsblad/2016/02/10/schiphol-groeit-aalsmeer-baalt en www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/23/de-concurrentie-is-geen-grapje-hoor .

Daarnaast is het nog maar de vraag in hoeverre de omwonenden van het vliegveld via de provinciale Uitvoeringstafel invloed gaan krijgen. De verwachtingen zijn niet hoog gespannen.

Het Platform wil zichzelf voorbereiden op wat ongetwijfeld gaat komen, en zichzelf versterken met een grotere achterban, met een sterkere band met die achterban, en door andere thema’s in de discussie te betrekken.
Daarom heeft het Platform ondersteuningsverklaringen geworven op de Meerhovendag (26 juni 2016). In drie uur (tot een enorme plensbui) zijn er 41 verklaringen opgehaald, grotendeels nieuwe mensen. Er hebben vijf mensen meegeholpen. De resultaten maken een voorzichtige indruk mogelijk.
Driekwart kwam uit Meerhoven of uit Veldhoven ten Noorden van de Heerbaan. In die groep is de luchtkwaliteit met 80% de grootste zorg, gevolgd door geluid (zowat de helft), parkeren met 39% en veiligheid met 32%.
Bij de rest (maar dat is een kleine groep) scoort geluid 60% en lucht 50%.
Een deel van het publiek deed niet mee. Aan de uitkomst moet dus geen kosmische betekenis gehecht worden.

De 20Ke - geluidscontour in 2020
De 20Ke – geluidscontour in 2020
De (door de gemeente Eindhoven) geschatte ultrafijnstof verdeling door het vliegveld en de snelwegen (in 2020, excl het militaire verkeer)
De (door de gemeente Eindhoven) geschatte ultrafijnstof verdeling door het vliegveld en de snelwegen (in 2020, excl het militaire verkeer)

Die uitkomst heeft logica, want Meerhoven ligt net buiten de 20Ke-zone, want naast de baan en niet in het verlengde. De ruimtelijke ordening-regels hebben hier een beschermend effect gehad. Maar die regels voorzagen niet in de bescherming tegen overwaaiend fijn stof. Het Noorden van Zandrijk ligt in de vlek.

De score op het punt van parkeren verbaast niet, gezien het wildwestgedrag van het parkerende publiek en is in feite nog een onderschatting, omdat alleen wie in de buurt van de HOV-lijn woont daar last van heeft (en dat is slechts een deel van het gebied).

Het Platform wordt graag op de hoogte gebracht van toekomstige geschikte gelegenheden om verder te gaan met deze activiteit.

LIDL gaat alle winkels van zonnepanelen voorzien en begint met gratis laadpalen (update)

(Bron: Solar Magazine 25-2016)

De LIDL gaat in Nederland elk jaar 10 supermarkten van zonnepanelen voorzien. Daar steekt het bedrijf elk jaar €2 miljoen in. Men denkt aan 400 tot 500 panelen per winkel. De LIDL heeft in totaal in Nederland 407 locaties (winkels en distributiecentra).
Op dit moment liggen er op ruim 20 locaties 12.000 panelen.
LLIDL zonnepanelen-r

Daarnaast heeft de LIDL ook andere duurzaamheidsprojecten. In 2020 bijv. moeten alle winkels door LED’s verlicht worden.

Een interview met de manager energiezaken van de LIDL, Arnold Baas, is te vinden –> lidl gaat alle winkels van zonnepanelen voorzien

——— (toevoeging dd 26 juni 2016)—–

De LIDL gaat in 2016 ook laadpalen zetten bij diverse nieuwe vestigingen in Nederland. Daar kunnen de klanten tijdens hun boodschappen doen gratis de auto-accu opladen. Volgens de berichten kost dat 20 minuten.
Uit een opinie-onderzoek onder 320 gebruikers van een elektrische auto blijkt, dat die wel een eindje willen omrijden en bij de LIDL inkopen, als ze daar elektrisch kunnen tanken.

laadpaal LIDL

Over fietsen, Hammoerabi en het multiculturele talstelsel

Dit is mijn driehonderdste artikel op deze site. Reden om weer eens een persoonlijke noot te schrijven.

Mijn vrouw en ik gingen in het voorjaar altijd naar mijn zoon en zijn vriendin, die samen in Monpazier aan de zuidrand van de Dordogne een restaurant runden (dat was zo op het moment dat dit artikel geschreven is. Nu wonen ze ergens anders. Deze intro is achterhaald, maar het vervolg niet).

Daarna zijn we naar Brive-La-Gaillarde gefietst, daar de Intercity gepakt naar Parijs, drie dagen daar, en toen in een aantal dagen naar Maastricht gefietst (unplugged, puur natuur). En dat dwars door de Dordognese heuvels en de Ardennen, met de wind meestal op kop, bij elkaar 664km. We waren trots op onszelf.
Onderweg nog het lunchpakket opgegeten recht onder de aanvliegroute van vliegveld Charles de Gaulle. Elke anderhalve minuut een landend vliegtuig. Zeer apart.

Parijs en Hammourabi.
Ik wilde voor het eerst naar het Louvre. Niet voor het A4-tje waarop een Italiaanse meneer een Italiaanse mevrouw geschilderd heeft, en ook niet voor een marmeren mooie Griekse mevrouw zonder armpjes die ook beroemd is, maar naar de Zuil van Hammoerabi, het oudste overgebleven wetboek ter wereld. Dacht ik, maar er zijn nog oudere, bleek later, maar die zijn niet gebeiteld in donkergrijze dioriet. De zuil dateert uit ongeveer 1780 voor Christus.

De Zuil van Hammoerabi
De Zuil van Hammoerabi

Het is een echt wetboek. Het stond in de openbare ruimte, was verhoudingsgewijze eenvoudig geschreven (maar de meesten konden überhaupt niet lezen) en beoogde een beschermende, soms harde rechtvaardigheid, alsmede als promo voor de koning zelf als zelfverklaarde favoriet van de zonnegod. De tekst gaat er af en toe ruig op en wekt de indruk dat er ook in die tijd veel zondige sex en geweld, roof en en ander wangedrag bestreden moesten worden.
Flarden van de introtekst echter ogen tijdloos, om niet te zeggen modern.
Ik kan verder niet meer doen dan geïmponeerd zijn. Waarna Wikipedia dieper inzicht geeft onder Hammurabi en Codex_Hammurabi .
Ik jat zomaar een stukje van Wikipedia als voorbeeld. Lezing van het hele artikel aanbevolen, want Wikipedia is meestal erg goed.

Verhuur

Niet alleen velden en tuinen konden verhuurd worden, ook woningen duiken in de gevonden documenten op als verhuurbare objecten. Ook voor deze huurovereenkomsten liet Hammurabi regels opstellen. De overeenkomsten hadden vaak een looptijd van één jaar. De huur werd op twee manieren betaald, ofwel werd aan het begin van het jaar een aanbetaling gedaan met het restant te voldoen aan het einde van het jaar, ofwel men betaalde pas aan het einde van het jaar de volledige huur. De huurders hadden zorg te dragen voor een onberispelijke toestand van het huis; reparaties moesten uitgevoerd worden, bij beschadigingen moest de verhuurder schadeloos worden gesteld.

Huizen bestonden in die tijd voornamelijk uit leem, hout was zeer schaars. Indien het huis houten onderdelen bevatte, dan werden deze uitdrukkelijk in het huurcontract vermeld. Daarvoor moest dan extra betaald worden. Behoorden de houten onderdelen toe aan de huurder, dan kon de huurder deze bij vertrek meenemen. Huurders en verhuurders stonden ook toen vaak op gespannen voet met elkaar, getuige de vele gerechtelijke documenten over huurconflicten.

Babylonie onder Hammoerabi, die voortdurend oorlog aan het voeren was om zijn stadsstaatjes binnen te houden en vijand Elam buiten. Zowel het een als het ander liep nog wel eens mis. De keuze was of dat de staatjes elkaar de hersens insloegen, of dat de koning ze allemaal tegelijk onderdrukte, waar mogelijk mee te leven was zolang je daar geen probleem van maakte. Het probleem lijkt van alle tijden. Het lijkt zelfs wel wat op de EU.
Babylonie onder Hammoerabi, die voortdurend oorlog aan het voeren was om zijn stadsstaatjes binnen te houden en vijand Elam buiten. Zowel het een als het ander liep nog wel eens mis.
De keuze was of dat de staatjes elkaar de hersens insloegen, of dat de koning ze allemaal tegelijk onderdrukte, waar mogelijk mee te leven was zolang je daar geen probleem van maakte.
Het probleem lijkt van alle tijden. Het lijkt zelfs wel wat op de EU.

Ik heb mijn tijd in het Louvre grotendeels doorgebracht op de Babyloni-
sche afdeling. Ik vind de periode in dat gebied vanaf de uitvinding van de landbouw, diep in de prehistorie, tot pakweg Alexander de Grote een van de meest fascinerende stukken geschiedenis, ook vanuit mijn eigen fysische achtergrond.
De landbouw zorgde voor grote maatschappelijke overschotten waar de baas over gespeeld moest worden – vandaar de koning en het wetboek.
Het oogsten vroeg om een kalender, dus om een tijdsindeling, dus om astronomie, dus om wiskunde. De indeling van de cirkel in 360⁰ is hiervan een rechtstreeks gevolg: de graad was ongeveer de hoek die de zon in één dag aflegde in de Dierenriem. En het was een lekker getal, op allerlei manieren handig te delen. Zo handig, dat het tot nu toe alle aanslagen van het metriek stelsel overleefd heeft. De aanduiding GRAD (rechte hoek = 100GRAD) op rekenmachines heeft het nooit gemaakt. En ons uur is nog steeds 60 minuten enz. (de 24 uur-indeling van het etmaal schijnt Egyptisch te zijn)
De landverdeling in een gebied met slingerende rivieren vroeg om de berekening van de oppervlakte van ronde akkers, dus om de eerste benadering van het getal pi.
De boekhouding leidde tot de ontwikkeling van het eerste positionele talstelsel (dus waarbij de plaats van een teken de waarde aangaf als in 306 = 3*100 + 0*10 + 6*1), met als belangrijkste manco dat de Babyloniers geen apart teken voor de 0 hadden. De Babyloniers werkten voor kleine getallen met het grondtal 10 en voor grote getallen met het grondtal 60.
De astronomie groeide over de eeuwen uit tot een uitzonderlijk geraffineerd gedachtengoed. Onlangs werd nog achterhaald dat de Babyloniers tot een primitieve integraalrekening op de baan van Jupiter waren gekomen.

Voorbeeld van het Babylonische zestigtallig stelsel
Voorbeeld van het Babylonische zestigtallig stelsel

Het gedachtengoed is echter via diverse omwegen tot ons gekomen, en die omwegen hebben het product geen kwaad gedaan.

Op een of andere manier is het positionele talstelsel in  India terecht gekomen. Een onbekend hindoe-genie ver voor Christus heeft een apart teken voor de 0 bedacht (‘shunya’, ‘leegte’ in het Sanskriet), en ingezien dat je daarmee kon rekenen alsof het een normaal getal was. De Indiers hebben uitgedacht wat nu onze cijfers zijn. Zie bijvoorbeeld https://npokennis.nl/longread/7986/hoe-komen-we-aan-het-cijfer-nul .
De Arabieren hebben dit gedachtegoed naar Europa getransporteerd en er theorie aan toegevoegd, zoals bijvoorbeeld ons woord ‘cijfer’, het Arabische woord sifr. De Indische cijfers heten dus bij ons Arabisch. Ons woord ‘algebra’ komt van het Arabische woord Al-Jabr , wat afkomstig is uit de Arabische vertaling van de titel van een werk uit 830 na Christus van de Pers (nu Iranier) Muhammad_ibn_Musa_al-Khwarizmi over lineaire en kwadratische vergelijkingen. Diezelfde meneer heeft de kennis over de Indische cijfers in de Arabische wereld gebracht. Ons woord ‘Algoritme’ is een verbastering van de naam van meneer al-Khwarizmi. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Muhammad_ibn_Musa_al-Khwarizmi

Een pagina uit het boek van A;Kwarizmi over lineaire en vierkantsvergelijkingen
Een pagina uit het boek van A;Kwarizmi over lineaire en vierkantsvergelijkingen

Een deel van de Babylonische kennis is via de Grieken tot ons gekomen, die daaraan bijv. het concept van het formele bewijs aan hebben toegevoegd. Een recente astronomische Europese satelliet, die met grote nauwkeurigheid posities van sterren meet, heet de Hipparchos.
Er valt ook het nodige te melden over de Egyptische bijdrage aan de wiskunde (bijv. het volume van een afgeknotte pyramide) , maar daarvoor ontbreekt hier de ruimte.

De tiendelige breuk (het kommagetal) is West-Europees: Napier en Simon Stevin.

Ik heb in mijn (door mijn pensionering beeindigde) beroepsleven als natuurkundeleraar het huidige talstelsel, met de daaraan gekoppelde
tijdsindeling, vaak gebracht als HET prototype van een multicultureel gedachtengoed. Er is geen Wilders-aanhangende leerling geweest die mij dat ooit bestreden heeft.

Canadese hoogleraar zeer kritisch op ISDS en ICS (TTIP-onderdeel)

In de NRC van 10 juni stond een fors interview met Gus van Harten, die hoogleraar is in de Internationale Investeringswetgeving en het Bestuur van het Internationale Financiele Systeem aan de Universiteit van Toronto. Het interview is op Internet te vinden op http://www.nrc.nl/next/2016/06/10/handelsarbitrage-vormt-risico-voor-soevereiniteit-1626230 .

Gus van Harten
Gus van Harten

Op 9 juni sprak Van Harten met de handelscommissie van de Tweede Kamer. Hij waarschuwde “dat ISDS (de geschillenregeling onder TTIP) verworden is tot een instrument waarmee vooral de internationaal opererende mijn- en energiesector nationale en lokale milieuregels dwarsboomt of verijdelt”. Hij sprak uit eigen ervaring “wij zijn, sinds we in de jaren ’90 het NAFTA-verdrag tekenden met de VS en Mexico, 35 keer aangeklaagd, 34 keer vanuit de VS en één keer vanuit Mexico. Volgens een studie uit 2015 heeft de Canadese regering bedrijven in totaal €172 miljoen Canadese dollar betaald, vooral na toegewezen claims wegens het nemen van milieumaatregelen.

Wat is uit andere bron hoorde (niet uit die van Van Harten) is dat Canada een milieuwetgeving heeft die veel lijkt op goede Europese wetgeving.

Op http://papers.ssrn.com/sol3/cf_dev/AbsByAuth.cfm?per_id=638855 is een overzicht van boeken en artikelen van Van Harten te vinden.

Het artikel “Key flaws in the European Commission’s proposals for foreign investor protection in TTIP” bijvoorbeeld kan gratis gedownload worden op  http://ssrn.com/abstract=2692122 .
Van Harten betitelt daarin de pogingen van de EU om een ISDS-light te definieren (ICS geheten) gezien moeten worden als “Despite my initial enthusiasm about ICS when I read the EC’s press release on the topic, and although the details do have positive elements, after a study of the text it became clear that ICS is mainly a re-branding exercise for ISDS. Too many flawed elements of ISDS remain – including elements that give rise to unacceptable appearances of bias among ICS “judges” – to use terms like court and judge without being misleading to the uninitiated.

Most importantly, ICS “judges” would continue to have a financial interest in future claims because they are still paid a (lucrative) daily fee in a context where only one side – foreign investors – can bring claims, they would continue to operate under the usual ISDS arbitration rules, they would not have to meet the requirements for judicial appointment in any country, and they would not even be barred from working on the side as ISDS arbitrators. I am prompted to say that, if ISDS is “dead”, as some officials have claimed, then the EC’s ICS proposal reminds me of a zombie movie.

There is one very promising signal in the EC’s proposals – an apparent commitment to establish a proper international court to replace ISDS in existing treaties – yet this aspect of the proposal unfortunately is put in doubt by the EC’s choices about sequencing, as I discuss below.”
Een en ander onder overvloedige verwijzing naar voetnoten.

Dezelfde gedachte in de NRC: „Dat voorstel is een lichte verbetering. Maar aan de fundamentele problemen van ISDS is niets veranderd. Nog steeds kunnen claims maar van één partij komen – buitenlandse investeerders. Nog steeds staan er geen verplichtingen tegenover de hoge mate van bescherming die alleen bedrijven via ISDS claimen, en tegenover het publieke geld waarmee toegewezen claims betaald worden.”

Van Harten signaleert verder dat er 2600 bilaterale handelsverdragen zijn, maar ook “dat sommige landen die vanwege ISDS laten verlopen of opzeggen, zoals bijvoorbeeld Zuid-Afrika”.

Zie ook TTIP leidt tot een parallel rechtssysteem voor grote bedrijven

(Recensie in Oxford Scholarship Onlilne van een boek van Van Harten uit 2008)
(Recensie in Oxford Scholarship Onlilne van een boek van Van Harten uit 2008)